This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project
to make the world's books discoverable online.
It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover.
Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the
publisher to a library and finally to you.
Usage guidelines
Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying.
We also ask that you:
+ Make non- commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for
personal, non-commercial purposes.
+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the
use of public domain materials for these purposes and may be able to help.
+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it.
+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe.
About Google Book Search
Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web
at http : //books . google . com/|
r-
^itized by VjOOQIC
DJ
Digitized by
Google
Digitized by
Google
Digitized by
Google
'1
Digitized by
Google
I /
f^é
KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN
OVER WILLEM DEN DERDE.
Digitized by
Google
Digitized by
Google
Krijgs- en Geschiedkundige
Beschouwingen
OVER
WILLEM DEN DERDE.
EERSTE DEEL (1Ó72--1673)
DOOR
W'^'^KNOOP,
in leven Luitenant-Generaal v. h. Nederl. Leger.
de jonge vorst, uit d'eelsten stam gesproten,
zweert d'eed van ITannibal voor 't oog der oppcrmagt:
„help God dat ik 's volks ketens slake!
'K zweer Frankrijk oniiitroeibrc wrake;
breek ik mijn eed, dat mij dan 't voorgeslacht verzakc,
mij uit haar kreits vcrstoote, en 't nakroost mij veracht,
gelijk een vreemde slaaf, in schande voortgebragt."
Gij weet het Lodcwijk, heeft hij zijn eed betracht?
Helmers.
SCHIEDAM,
H. A. M. ROELANTS,
1895.
Digitized by
Google
Digitized by
Google
INHOUD VAN HET EERSTE DEEL.
»i
HOOFDSTUK I.
Willem ni als legerhoofd; wijze van oorlogvoeren in de 17e
eeuw Bladz. i
Lof van Willem III als staatsman en regent; miskenning als leger-
I hoofd. — Oorzaak van die miskenning. — Willem III behaalt dikwijls
▼oordeelen in zijne oorlogen. — Oorzaak van zijoe tegenspoeden. — Het
Fransche krijgswezen. — Samenstelling der legers van Willem III : Engel-
sche en Hollandsche troepen; Spaanscbe troepen; Duitsche troepen. —
Het slepende houden van den oorlog door Willem lil. — Bekwaamheid
van Willem UI in het kiezen van stellingen. — Over de veldslagen. —
Kenmerk van Napoleon^s veldslagen. — Kenmerk der strategie van Wil-
lem UI, in 1672 en 1673. — Legervorming door Willem UI. — Gestreng*
heid vao Willem IIL — Brief van Willem lU aan De Ruyter (1673).
I — De Hollandsche infanterie tijdens Willem III. — Onderbevelhebbers,
door Willem III gevormd. — Dapperheid van den Stadhouder. — In-
druk door Willem III op zijne tijdgenooten gemaakt.
De oorlogen van de 17e eeuw, weinig beslissend. — Vergelijking
1 van de samenstelling der hedendaagsche legers met die der 17e eeuw.
I De soldaten van de vroegere legers; de officieren. — Mindere talrijk-
heid van de vroegere legers. — Grootere invloed van de vestingen. —
Gewone gang van de vroegere oorlogen. — Wijze van voeding der
legers te velde. — Invloed van het magazijnstelsel op de bewegingen
i van de legers. — Langzaamheid van de marschen. — Korte duur van
I de veldtochten. — Algemeene schets van de strategie der 1 7e eeuw : de
I aanvaller; de verdediger. — De veldslagen.
I* HOOFDSTUK II.
^ Lodewijk XIV; Colbert; Louvois Bladz. 35
Karakter van Lodewijk XIV. — Voorbeelden van willekeur: verove-
ring van lotharingen in 1670; aanslag op De Tlsola (1674); aanslag
op het leven van Willem III (1692); poging om een Franschman te
^ Amsterdam op te lichten (1681); Maltioli (1679); Heinsius (1680). —
J Afhankelijkheid van de Europeesche regeeringen van Lodewijk XIV.
^ — De Hertog van Mecklenburg (1684).
Colbert
^ Louvois. — Verhouding van Louvois tot de Fransche maarschalken.
i — De Bellefonds. — Condé. — Luxembourg. — Turenne. — Vauban.
283447 ^ ,
/Google
Digitized by ^
— Neiging van Lodewijk XIV en van Louvois voor den vestingoor-
log. — Gebeurtenis bij Bouchain (1676). — Ondankbaaiheid van Lode-
wijk XIV ten aanzien van Louvois.
HOOFDSTUK IIL
1672. Aanleiding tot den oorlog van 1672; toebereidselen; strijd-
krachten; oorlogsplannen Bladz. 60
Verklaring van Lodewijk XIV over de aanleiding tot den oorlog van
1672. — Aanmerkingen daarop. — Ongunstig oordeel over de staatkunde
van De Witt door Grovestins. — Verdediging van de staatkunde van
De Witt.
Uitbreiding der strijdkrachten van Lodewijk XIV. — Wervingen in Italië ;
in Zwitserland. — Opmerking. — Onderhandelingen van Frankrijk met
Keulen en Munster. — Aankoop van leeftocht en munitie door de Fran-
schen. — Samenkomst van Louvois met den keurvorst van Keulen.
Sterkte van het Fransche leger in 1672. — Militaire waarde der troe-
pen — De bevelhebbers: Turenne; Condé; Luxembourg. — Verstand-
houdingen in de Republiek met Frankrijk.
Sterkte en samenstelling van het Hollandsche leger. — Over de ver-
houding tusschen voetvolk en ruiterij. — Over de uitbreiding van het
leger van 1671 tot 1673. — Militaire waarde der toenmalige Holland-
sche troepen. — Toestand der vestingen. — Natuurlijke verdedigings-
middelen. — Volkswapeninp. — Opperbevelhebber. — Bondgenooten.
Over het beste operatieplan van den aanvaller. — Operatielijn. — Over
het operatieplan des verdedigers. — Invloed van den oorlog ter zee op
dien te land.
HOOFDSTUK IV.
1672. Eerste krijgsverrichtingen ; overtocht van den Rijn; staats-
omwenteling; de Hollandsche waterlinie .... Bladz. 98
Begin van de vijandelijkheden 'April 1672). — Strategische opmarsch
van de Fransche legers (Mei 1672). — Belegeringen: van Wezel (i — 5
Juni); Burik (1—4 Juni); Orsoy (2 -3 Juni); Rijnberg (2— 6 Juni); Rees
(8—9 Juni). — Inneming van Emmerik {9 Juni); Deutekom (9 Juni);
Grol (9 Juni). — Opmerking. — Stelling van het Hollandsche leger
achter den IJsel. — Opmarsch van het Fransche leger naar den IJsel. —
Overtocht van den Rijn bij het tolhuis (12 Juni). — Opmerkingen —
Verdere bewegingen van het Fransche leger — Terugtocht van Wil-
lem III op Utrecht (14 — 15 Juni); terugtocht op Holland (18 Juni). —
Beschouwingen over dit gedeelte van den veldtocht; over de handelin-
gen van den aanvaller; over de handelingen van den verdediger.
Staatsomwenteling van 1672. — De Hollandsche waterlinie. — Verdee-
ling van de Hollandsche troepen. — Versterking der linie. — Verster-
king van het leger.
Verrichtingen der Franschen. — Oordeel van Lodewijk XIV over het
onderwaterzetten van Holland in 1672. — Over de aanvankelijke ge-
zindheid van Amsterdam om zich te onderwerpen. — Over de harde
vredesvoorwaarden, door Lodewijk XIV gesteld — Traagheid van de
krijgsverrichtingen der Franschen. — Oorzaken van de weinige werk-
dadigheid des vijands. — Over het niet bezetten van Muiden door de
Franschen. — Over het loslaten van de Hollandsche krijgsgevangenen.
— Opmerking. — Verdere verrichtingen bij de Waterlinie.
Digitized by
Google
INHOUD. VII
HOOFDSTUK V.
Belegeringen; Aardenburg; krijgsverrichtingen in de oostelijke
Gewesten; Groningen; algemeene opmerkingen . Bladz. '137
Arnhem. — Knodsenburg. — Schenkeoschans. — Tiel — Voorne.
— Si. Andries. — Doesburg. — Zutfen. — Aardenburg. — Nijmegen. —
Grave. — Crèvecoeur. — Bommel. — Vertrek van Lodewijk XIV uit Hol-
land.
Sterkte van het Munstersche en Keulsche leger. — Deventer. — Hattem.
— Zwolle. — Onderwerping van Overij^el — Tuesiand van Friesland
en Groningen. — Inval des vijands in * -roningen. — Coevorden. — Gronin-
gen. — Verdere krijgsveriichtiugen in Groningen en Overij.sel.
Beschouwingen over de krijgsverrichtingen van den zomer van 1672.
HOOFDSTUK VI.
Overgang van Willem IH tot den aanval; Woerden; tocht naar
Maastricht en de boven-Maas (najaar van 1672). Bladz. 178
Besluit van Willem III om tot den aanval over te gaan. — Aanslag
op Woerden (10—12 Ociober). — Gevecht bij Woerden (11 Ociober).
— Opmerking.
Aanvalsplan van Willem III in November 1672. — Handelingen van
de Duitsche legers. — Operatiëu van Willem III. — Valkenburg (6 — 7
December). — Uiteengaan van de Duiische legers (einde December). —
Charleroi (15 — 22 December), — Rousset over de onderneming van
Willem m.
HOOFDSTUK VII.
Wreedheden door Luxembour/ gepleegd; Bodegraven en Zwam-
merdam; Coevorden; strategische opmerkingen . Bladz. 203
Krijgsverrichtingen na het gevecht van Woerden. — Over de wreedhe-
den door Luxembourg gepleegd. — Verdedigingsmaatregelen in Holland.
— Onderneming van Luxembourg (28- 30 December). — Königsmarck
aan de Goudsche Sluis. — Opmerking. — Gevaarlijke toestand van Luxem-
bourg. — Pain-et-Vin. — Königsmarck. — Aftocht van Luxembourg (30
December) — Rousset over de onderneming van Luxembourg.
Krijgsverrichtingen in Groningen^ in hel najaar van 1672. — Coevor-
den (30 December).
Beschouwingen over de krijgsverrichtingen in de laatste dagen van 1672.
— Over de operatiën van Willem III in de Zuidelijke Nederlanden. —
Over Luxembourg*s inval in Holland. — Over de krijgsverrichtingen in
de oostelijke provinciën.
HOOFDSTUK VUL
Toestand van de oorlogvoerende partijen bij het begin van 1673;
krijgstoerustingen ; krijgsverrichtingen in de noordoostelijke
provinciën en in Holland Bladz. 2 28
Frankrijk, Engeland, Keulen en Munster. — De Republiek, Spanje,
de keurvorst van Brandenburg. — Krijgstoerustingen van Engeland en
Frankrijk. — Verlaten van HoUandsche vestingen door de Franschen.
— Afpersingen door de Franschen in Holland gepleegd. — Condé in
Digitized by
Google
Holland (zomer van 1673). — KrijgstoerustiDgen van de Republiek en
van hare bondgenooten. — Legermacht van de Republiek in 1673. —
Schutterijen; volkswapeniog. — Friesland en Groningen. — Friesche
linie. — Versterkingen in Holland. — HoUandsche linie. - Zeeland. —
Noord.Braband. — Willem III bepaalt zich aanvankelijk tot de verdediging.
Krijgsverrichtingen in de Noordoostelijke gewesten. — Afdamming van
de Vecht. — Gevecht bij Staphorst {2 Juli). — Aanslag op Zwartsluis (20
Juli). — Inneming van de Langakkerschans. — Ontzet van Coevorden
(i Oclober).
Krijgsverrichtingen in Holland. — Brief van Willem III aan De Ruyter.
— Bezetting van Nieuwersluis (14 Mei). — Condé's pogingen om Mui-
den aan te vallen (Mei en Juni).
HOOFDSTUK IX.
Beleg van Maastricht; ontbinding van het leger van Lodewijk
XIV Bladz. 252
Opcratiën van Turenne in de eerste helft van 1673.
Opmarsch naar de Nederlanden van het leger van Lodewijk XIV
(Mei 1673). — Insluiting van Maastricht (6—14 Juni). — Toestand van
Maastricht in 1673. — Beleg van Maastricht (13 — 30 Juni); opening
der loopgraven; bestorming van den bedekten weg (24— 25 Juni); be-
storming en inneming van de buitenwerken (28—29 J"^*)? slechte ge-
zindheid der burgerij; overgave (1 Juli); verliezen. — Rousset over het
beleg van Maastricht.
Ontbinding van het leger van Lodewijk XIV. — Vruchteloozc vredes-
onderhandelingen. — Staatkundige handelingen van Willem III.
HOOFDSTUK X.
Naarden; winterveldtocht van 1673; ontruiming van Hol-
land Bladz. 278
Toebcreidselen van Willem III tot den aanvallenden oorlog. — Beleg
van Naarden (6 — 12 September); toestand der vesting; voorbereidende
maatregelen tot bet beleg; gang van het beleg; maatregelen van Luxem-
bourg tot ontzet van Naarden; bestorming van Naarden; overgave. —
Beschouwingen over het beleg van Naarden. — Rousset over Naarden.
— Ontruiming van eenige HoUandsche steden door de Franschen.
Aanvallende beweging van Willem III naar den Rijn (October— November
1673). — Opmarsch van het leger des Stadhouders. — Bestorming en inne-
ming van Rheinbach (a November) — Bewegingen van Condé en van
Luxembourg. — Operatiën van Monte Cuculi en Turenne in 1673 in Duitsch-
land. — Vereeniging van het Keizerlijke leger met dat van Willem III
(3 November). - Beleg van Bonn (5—13 November) ; toestand van de ves-
ting; bezetting en bewapening; sterkte des belegeraars; belegerings-werk-
zaamheden ; bestorming van het ravelijn bij de Keulsche poort (11 Novem-
ber); overgave (13 November). — Opmerkingen. — Inneming van Brühl,
Lechenich^ Kerpen en Duren (15 — 23 November). — Einde der operatiën.
Gevolgen van de inneming van Bonn. — Begin der ontruiming van Hol-
land (November 1673). — Poging van Willem III om den aftocht van
Luxembourg te verhinderen (December 1673) — Kritische beschouwingen
over den veldtocht van 1673. — Rousset over de ontruiming van Holland.
— Rousset over het einde van den veldtocht. — Opmerking.
Digitized by
Google
HOOFDSTUK I.
WILLEM III ALS LEGERHOOFD. — WIJZE VAN OORLOGVOEREN
IN DE 17e EEUW.
Indien er ééne waarheid onbetwistbaar is, dan is het wel deze,
dat onze Stadhouder Willem de Derde eene geschiedkundige groot-
heid heeft verworven, die door weinig anderen wordt overtroffen
of geëvenaard; in het aan helden en groote mannen zoo rijke
Stamhuis van Oranje overschaduwt de derde Willem schier allen,
en moet zijn roem alleen onderdoen voor dien van den onster-
felijken eersten Willem. Redder van het veege Nederland in
1672, bevrijder van Engeland van het juk van een dweepziek
koning, onvermoeid kampvechter voor de vrijheid van Europa
tegen de heerschzucht van Lodewijk XIV, is Willem de Derde
een dier groote, buitengewone mannen geweest, wier machtige
geest aan den stroom der wereldgebeurtenissen een andere rich-
ting weet te geven; een dier heröen, aan wie de volkeren vol
vertrouwen zich aansluiten, als aan de voorstanders en bescher-
mers van hunne vrijheid en onafhankelijkheid.
Overbodig is het dus, de grootheid van Willem III als staats-
man, als gebieder tè willen betoogen: die wordt nu door nie-
mand meer betwist. Iets anders is het evenwel met zijn roem
als legerhoofd: die wordt minder algemeen erkend; die wordt
meer betwijfeld; daaraan wordt geen recht genoeg gedaan.
De miskenning, die den Stadhouder als veldheer ten deel valt,
is vooral daardoor verklaarbaar, dat het algemeen de oorlogen
uit den tijd van Lodewijk XIV voornamelijk slechts kent uit
de verhalen van Fransche schrijvers, uit de verhalen van de
vijanden van Willem III. Die schrijvers beoordeelen hun groo-
tcn tegenstander dikwijls met lichtvaardigheid en tamelijk uit
de hoogte. » Grand politique, mais général médiocre," zoo wordt
WILLEM m. — I. I
Digitized by
Google
2 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
hij door Beaurain afgeschilderd. Voltaire, iets gunstiger, geeft
hem toch ook maar een halven lof, door van hem te zeggen :
»général h, craindre quoiqu'il eüt perdu beaucoup de batailles;"
wat er in de eerste helft van die uitspraak vleiends is, wordt
weggenomen door het ongunstige van de tweede helft. Eindelijk
Folard, die in de dagen van Lodewijk XIV als krijgskundig
schrijver een even groote en even welverdiende vermaardheid
genoot als in onze eeuw Clausewitz of Rüstow, doet wel is waar
iets meer recht aan het veldheerstalent van Willem III, wanneer
die schrijver, sprekende over den oorlog van 1672 — 1678, zegt:
>La HoUande ne füt gueres moins malheureuse en généraux
dans sa guerre contre Louis XIV, qu'elle fÜt heureuse en grands
capitaines et en politiques raünés, dans celle contre TEspagne,
au commencement de cette République. Celui qui prit Ie com-
mandement de ses forces (Guillaume, Prince d'Orange), après les
disgraces des généraux qui Ie précédèrent, qui étaient fort mal-
habiles et sans expérience, apprit, tout au rebours, k se faire
respecter et h. s'acquérir de Testime, malgré ses continuelles
défaites ; ce qui décourage et abat les autres, ne Tébranla pas. Sa
patience, sa constance et son courage Ie mirent au dessus des
plus grands revers de fortune: artisan industrieux et profond de
brigues, de querelles et de ligues les plus fameuses, qui seules
sauvèrent sa patrie prête k tomber.
Le Prince de Condé, qui était fin connaisseur, augura de lè,
que ce Prince serait un jour un grand capitaine, et qu'il appren-
drait peut être k nous battre, k force d'être battu. Rendons lui
justice, il était plus malheureux que malhabile." (Folard, 4e deel,
bl. 353).
Folard, hebben wij gezegd, doet iets meer recht dan anderen
aan het veldheerstalent van Willem III; toch wordt, in de hier
aangehaalde plaats uit de werken van den Franschen schrijver,
geen bepaalde lof gegeven aan deïi stadhouder, als legerhoofd.
Integendeel, hoezeer de stadhouder geroemd wordt wegens zijn
standvastigheid in tegenspoed, wordt hij toch hoofdzakelijk als
staatsman geprezen: »artisan industrieux et profond de brigues,
de querelles et de ligues les plus fameuses" ; de voorspelling van
Condé wordt aangehaald, dat Willem III eens een groot veldheer
zou worden; maar daar wordt niet bijgevoegd, dat die voor-
spelling bewaarheid is; en, wanneer Folard zegt, dat de neder-
lagen van den stadhouder meer moeten worden geweten aan
ongeluk dan aan onbekwaamheid: »il était plus malheureux que
malhabile"; dan zal men moeten erkennen, dat dit eene dubbel-
zinnige lofspraak is; ten minste een zeer beperkte.
In hel buitenland oordeelt men over de oorlogen van Lodewijk
XrV hoofdzakelijk en alleen naar datgene wat de Fransche schrijvers
Digitized by
Google
WILLEM III ALS LEGKRHOOFD. 3
daarover hebben geboekt; en dit is zeer natuurlijk, want die
schrijvers zijn wel niet de meest waarheidlievende, verre van
daar; maar die schrijvers zijn het meest duidelijk, het meest be-
grijpelijk; zij munten uit in kennis en oordeel; zij zijn het aan-
genaamst om te lezen, en zij schrijven in eene taal die algemeen
gelezen wordt. Vandaar dan ook, dat het minder gunstig oordeel
over Willem III als veldheer bijna algemeen wordt nageschreven,
zonder verder onderzoek.
Een enkele der nieuwere krijgskundige schrijvers maakt hierop
eene uitzondering. Clausewitz heeft de krijgsdaden van Willem III
niet afzonderlijk behandeld; slechts een enkelen keer, en zeer in
het voorbijgaan^ gewaagt hij van dien stadhouder; toch schijnt hij
diens uitstekendheid, ook als veldheer, te hebben ingezien; ten
minste, in het klassieke werk van Clausewitz >Over den oorlog"
wordt over de verdediging van inundatiën gezegd, dat de ver-
dediging der HoUandsche inundatiën in 1672 te danken was >aan
de verstandige, schrandere en krachtige leiding van Willem van
Oranje." (2e deel, bl. 94; HoUandsche vertaling).
Willem de Derde, hoe groot ook in andere opzichten, behoort
niet tot de groote legerhoofden. Ziedaar, in het kort, het oor-
deel dat vrij algemeen over dien vorst wordt uitgesproken: zie-
daar echter een oordeel dat onjuist en onbillijk is. Wij zullen
trachten dat aan te toonen.
Lees welke vreemde schrijvers gij wilt over de oorlogen van
Willem III, zij zullen u allen den indruk geven, dat hij dapper-
heid en standvastigheid bezat, dat hij zich door geen tegenspoeden
liet schokken of nederslaan, dat hij nederlagen goed wist te her-
stellen; maar niet, dat hij overwinningen wist te behalen. Het
komt bij die schrijvers daarop neer, dat Willem ÜI, bij zijne
oorlogen, bekwaam genoeg was om de nadeelen zoo gering
mogelijk te maken ; — maar niet bekwaam genoeg om voordeelen
te behalen. Hoogstens is men welwillend genoeg om op hem de
woorden toe te passen, waarmede Voltaire een vroeger Fransch
legerhoofd, Coligny, heeft geschilderd:
»Malheureux quelquefois, mais toujours redoute;
Sgavaot daus les combats, s^avant dans les retraites,
Plus grand, 'plus glorieux, plus craint dans les défaites,
Que DuDois ni Gaston ne Tont jamais été
Dans Ie cours triomphant de leur prospérité."
Henriade. Ch II.
Is die voorstelling van Willem III, als een altijd ongelukkig,
altijd overwonnen legerhoofd, waar?
Volstrekt niet. Ga de oorlogen na, door den stadhouder ge-
voerd, dien eersten oorlog van 1672 — 1678 tegen Lodewijk XIV,
dien veldtocht van 1690 in Ierland, en dien tweeden Franschen
Digitized by
Google
4 KRÏJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
oorlog van 1688 — 1697; bestudeer die lange reeks van krijgsver-
richtingen, dien Ilias van veldslagen en belegeringen, dan zult gij
daarin wapenfeiten vinden, die voor den Oranjevorst schitterende
voordeden, belangrijke overwinningen zijn geweest. Naarden, dat
in 1673 genomen wordt, bijna in het gezicht van Luxembourg's
leger; Bonn, dat in hetzelfde jaar bemachtigd wordt, en waar-
door de ontruiming van Holland door den vijand noodzakelijk
wordt gemaakt; Séneffe (1674), die bloedige, heldhaftige worste-
ling, met tegenspoed en nederlaag begonnen, maar als glorie-
volle overwinning geëindigd; de slag aan de Boyne (1690), waar
Willem III in het gezicht des vijands die rivier overtrok en het
leger van koning Jakobus sloeg; en de inneming van Namen
in 1695, ^oen die groote, sterke vesting genomen werd, in
weerwil van het ten ontzet opgerukte leger van Villeroy; zie-
daar bewijzen genoeg dat Willem III wist te overwinnen, dat
zijne veldtochten niet altijd zijn gekenmerkt geworden door ne-
derlagen.
Toch zeer dikwijls, — zal men aanmerken. Wij ontkennen
dit niet; maar wij voegen er bij, dat dit zeer natuurlijk was,
omdat, bijna altijd, bij zijne oorlogen, Willem III met minder
strijdkrachten optrad dan zijne tegenpartij.
Minder strijdkrachten: men moet hier toch niet enkel op de
cijfers letten, maar voornamelijk op het gehalte en de samen-
stelling der legers.
Willem III had Fransche legers te bestrijden. Nu jnogen de
gebeurtenissen van 1870 eenige afbreuk gedaan hebben aan den
Franschen krijgsroem, toch blijft het eene onbetwistbare waarheid,
dat, in den regel, Fransche legers goede legers zijn. Vooral
waren dit de legers van Lodewijk XIV, en vooral in de eerste
helft van de regeering van dien koning: zijne legers waren toen
uitmuntend samengesteld, door den besten geest bezield, en voor-
zien van alles wat door de toenmalige wijze van oorlogvoeren
werd gevorderd. Zij werden aangevoerd door legerhoofden, wier
uitstekendheid te allen tijde gehuldigd zal worden: Condé, Turenne,
Luxembourg ; daarbij bevond zich een Vauban om de belegeringen
te besturen, wat destijds eene hoofdzaak was; de minister van
oorlog was Louvois, een gewetenlooze wreedaard, maar een man
van groote bekwaamheden; hij had wel het gebrek, om de
legerhoofden te veel aan voorschriften te binden, wat dikwijls
kwaad heeft gesticht; maar, uitstekend als Condé, Turenne en
Luxembourg waren, konden deze zich sterk genoeg rekenen om
zelfstandig te handelen en hunne eigene inzichten te volgen;
Turenne heeft dit meer dan eens gedaan. Voeg daar nog bij,
dat de legers van Lodewijk XIV legers van een en denzelfden
Staat waren, een en denzelfden vorst gehoorzamende, die geheel
Digitized by
Google
WILLEM III ALS LEGERHOOFD. 5
vrij over die legers kon beschikken en daardoor aan de oorlogs-
handelingen eene eenheid kon geven, die eene voorname voor-
waarde is om overwinningen te behalen.
Daarentegen voerde Willem III altijd verbondene legers
aan; en, al het andere gelijkstaande, zijn zulke legers altijd in
de minderheid, omdat er nooit die eenheid bij kan zijn, dat onder-
ling vertrouwen, dat verband en die vaste samenhang, die men
kan vinden bij legers van een en denzelfden Staat.
In den regel bestonden de legers, door den Stadhouder aan-
gevoerd, uit drie verschillende bestanddeelen.
Men had daarbij, allereerst, de legermacht van de Republiek
of door de Republiek betaald ; later, ook de Ëngelsche troepen.
Dit gedeelte van het leger was de sterkste steun van Willem III;
niet alleen omdat het uit goede troepen bestond, maar ook
omdat het bestond uit troepen waarover hij vrij kon beschik-
ken. Een tweede gedeelte werd uitgemaakt door de Spaansche
krijgsmacht. Ook over dit gedeelte kon de Stadhouder genoeg-
zaam beschikken; want den Spaanschen bevelhebbers ontbrak
het veel minder aan den wil dan aan het vermogen om goed te
handelen. De Spaansche legers, zoo uitmuntend^ zoo geducht ten
dage van Alva, Parma en Spinola, hadden gedeeld in het alge-
meen verval van de Spaansche monarchie; daar waren nog wel
sporen overgebleven van den ouden heldengeest, en dapperheid
viel nog op te merken evenzeer als volkstrots — een deugd,
zelfs daar waar zij overdreven wordt — ; maar door wanbestuur
en geldgebrek waren die legers in den ellendigsten toestand.
Wapening, kleeding, uitrusting, onderhoud, — alles liet bij de
Spaansche troepen van dien tijd zooveel te wenschen over, dat
er met den besten wil van de wereld weinig meê viel uit te
voeren. Met de gewone grootspraak werd toen door de Spaan-
sche bewindhebbers gewaagd van hunne Krijgsmacht; maar wel
te beklagen was hij, die onvoorwaardelijk geloof sloeg aan hunne
woorden en daarop zijne ontwerpen bouwde; want, behalve dat
de wezenlijke getalsterkte meestal maar half zoo groot was als
het opgegeven cijfer, zoo bestond die macht ook grootendeels
uit slecht gewapende, slecht uitgeruste soldaten, als bedelaars
gekleed, schier honger en gebrek lijdende, en alleen door her-
innering aan aiouden roem eenige kracht bezittende. Armoede
en grootheid zijn toen bij de Spaansche troepen nauw verbonden;
die troepen doen denken aan den armen edelman uit Victor
Hugo's drama:
»aussi pauvre que Job, aussi üer que Bragance;
drapant sa gueuderie avec son iDsolence."
Ruy Bias.
Digitized by
Google
6 KRÏJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Eindelijk, het derde bestanddeel van de legers van den Stad-
houder werd uitgemaakt door de krijgsmacht van den Keizer, of
van andere Duitsche vorsten.
Die Duitsche troepen waren, over het algemeen, goed ; zoowel
wat uitrusting, als wat samenstelling aangaat. Voor de Duitschers
van dien tijd was de oorlog een uitverkoren handwerk, waarin
zij uitmuntten; men vindt dan ook Duitsche troepen overal
waar gestreden wordt, overal waar roem te verwerven is en —
nog meer — waar buit te behalen is. Wanneer Willem III over
dat gedeelte van zijn leger had kunnen beschikken, dan zou hem
dit tot een grooten steun zijn geweest; — maar in zulk een ge-
lukkigen toestand verkeerde hij niet.
De troepen van den Keizer handelden gewoonlijk geheel op
zichzelve en volgden de voorschriften van het Weener Kabinet,
voorschriften, die vaak in lijnrechten strijd waren met de krijgs-
plannen van Willem III, en dikwijls werden ingegeven door een
staatkunde, zóó dubbelzinnig, zóó verkeerd, dat zij op verraad
geleek, wanneer zij geen verraad is geweest. Het is bekend dat
meer dan één staatsdienaar der Duitsche vorsten toen in Fransche
soldij stond, en de Fransche belangen behartigde.
Een paar voorbeelden mogen volstaan om aan te toonen, hoe
weinig Willem III op die Duitsche troepen kon rekenen. Op het
einde van 1672 mislukte de onderneming van Willem III tegen
de gemeenschapslijnen der Franschen, omdat het Keizerlijke leger
opzettelijk wegbleef van den Rijn. In 1674 verscheen het Keizer-
lijke leger wel in de Nederlanden, maar het Keizerlijke leger-
hoofd, De Souches, toonde al dadelijk dat het zijn voornemen
was niets te doen ; noode, en eerst laat in den zomer, sloot hij zich
bij het leger van den Stadhouder aan ; de slag van SénefFe werd
tegen zijn zin geleverd; en toen, na dien veldslag, Willem III
Oudenaarden belegerde en Condé oprukte tot ontzet van die
vesting, weigerde De Souches om een nieuwen strijd te wagen;
trok weg met zijne macht, en verliet kort daarop de Neder-
landen, zonder iets uit te voeren. Aan zulk een steun heeft men
niets.
Let men op dien toestand van zaken, dan zal men tot de over-
tuiging komen, dat Willem III bij zijne veldtochten bijna altijd
de minderheid had in strijdkrachten. Wie de minderheid heeft
in sterkte moet geen beslissenden strijd zoeken, maar integen-
deel trachten den oorlog te rekken en tijd te winnen, zij het ten
koste van kleine nadeelen. Dit deed Willem III op meesterlijke
wijze; geheele veldtochten verloopen, waarin soms niets anders
gebeurt dan het belegeren en innemen van een paar onbedui-
dende vestingen.
Dat slepende houden van den oorlog, dat is eene gebrekkige
Digitized by
Google
WILLEM III ALS LEGERHOOFD. 7
wijze van oorlogvoeren , dat is af Ie keuren 5 — dat is namelijk
af ie keuren bij de partij die de sterkste is, en die dus door hare
overmacht er naar kan streven om beslissende voordeelen te
behalen ; maar bij de zwakste partij — en wij hebben reeds ge-
zegd dat Willem III meestal in dien toestand verkeerde — is
dat slepende houden van den oorlog, dat uitstellen van de beslis-
sing een zeer goede, een zeer verstandige handeling. Men kan
dan ook bij vele veldtochten van den Stadhouder duidelijk op-
merken, dat hij er voornamelijk naar streeft, om een beslissenden
strijd te ontwijken en slechts te zorgen dat de vijand niet meer dan
onbeteekenende voordeelen behaalt; zooveel mogelijk worden de
vestingen beschermd, en hare belegering verhinderd; maar kan
het niet anders, dan wordt er eene enkele prijsgegeven en men
laat haar door den vijand belegeren en innemen, liever dan een
veldslag te wagen en zich aan eene beslissende nederlaag bloot
te stellen, die de geheele ontbinding van het bondgenootschap
tegen Frankrijk ten gevolge kon hebben. Wordt er een veldslag
geleverd — en dit gebeurt niet bij eiken veldtocht — dan weet
Willem III hierbij met zoo uitstekend beleid te werk te gaan,
dat zelfs wanneer hij de nederlaag lijdt, die nederlaag altijd
blijft zonder groote gevolgen; hij wordt meermalen geslagen,
maar nooit verslagen.
Een voorbeeld hiervan is, onder andere, de slag van Neer-
winden op den 29 Juli 1693. De Franschen beweerden, dat
Luxembourg hier eene volkomen overwinning had behaald; de
Stadhouder — of toen Koning Willem — had, na wonderen
van dapperheid gedaan te hebben, het slagveld verlaten, slechts
acht der zijnen bij zich hebbende; het Hollandsche leger was
geheel uiteen, en op de vlucht naar Holland. — Van al die
bluffende grootspraak was niets waar dan de dapperheid van
Willem III. Den 31 Juli 1693, dus twee dagen na de behaalde
overwinning, was Luxembourg met zijn leger nog niet verder
voortgerukt dan tot een half uur afstands van het slagveld, en
veertien dagen na dien strijd was Willem III weer te velde met
een leger, volkomen in staat een nieuwen strijd aan te gaan.
Een voornaam middel dat de Stadhouder aanwendde, hetzij
om een veldslag te ontwijken, hetzij om dien met voordeel te
leveren, was het kiezen van goede verdedigende stellingen.
Bij Ncerwinden trekt hij goed partij van de veldverschansing ;
op den avond van den 28 Juli komt Luxembourg's leger voor de
stelling der bondgenooten ; nog gedurende den nacht wordt die stel-
ling verschanst, wat veel bijdroeg om op den 29en dien hardnek-
kigen tegenstand te kunnen bieden, die het zoo lang onzeker
maakte wie overwinnaar zou blijven.
Vooral bij den veldslag van Séneffe (11 Augustus 1674) kwam
Digitized by
Google
8 KKJJOS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
de groote bekwaamheid uit van Willem III in het kiezen van
sterke verdedigende stellingen; en hier was die bekwaamheid te
opmerkelijker, omdat hij geen tijd had om zich te bedenken^
maar de keus van zijne stellingen op het oogenblik moest doen^
te midden van de verwarring door Condé's ontstuimigen aanval
teweeggebracht.
Nog moet men hierbij in betoog houden, dat de Stadhouder^wat die
keus der stellingen aangaat, zeer in het nadeel was bij een legerhoofd
van onze dagen : nauwkeurige en uitvoerige topografische kaarten
van het oorlogstooneel — zooals men ze thans heeft — beston-
den er destijds niet ; men had geen generalen staf, die thans op be-
kwame wijze de inzichten des veldheers verwezenlijkt en uitvoering
geeft aan zijne algemeene bevelen ; ook waren de troepen toen
veel minder beweegbaar dan thans, het waren werktuigen, veel
moeielijker te behandelen.
Bij de hedendaagsche oorlogen is het leveren van een veld-
slag het voorname middel om tot eene beslissing te komen. In
de dagen van Willem III diende hiertoe, behalve de veld-
slagen, ook het nemen van vijandelijke vestingen; de inneming
van eene groote vesting, zooals Namen, Maastricht of Rijssel,
stond toen gelijk met het winnen van een veldslag. Het kwam
er toen evenals nu voornamelijk op aan, om 's vijands strijd-
krachten te vernielen; ddt, veel meer dan het veroveren van
vijandelijk grondgebied, dwingt de tegenpartij tot den vrede.
Om de uitstekendheid van Willem UI als veldheer duidelijker
te maken, herinneren wij hier kortelijk aan enkele krijgskundige
waarheden.
De grootste kunst van den veldheer, bij het leveren van een
veldslag, bestaat in twee zaken: vooreerst, de kans op het win-
nen van dien veldslag zoo groot mogelijk te maken, door op
het slagveld te verschijnen met de sterkst mogelijke macht en
onder de gunstigste omstandigheden; en ten tweede, tijd en plaats
van dien veldslag zoodanig uit te kiezen, dat, is men overwinnaar,
de meest naogelijke vruchten uit die overwinning worden getrok-
ken ; en , wordt men geslagen, de nederlaag de minst mogelijke
nadeelen oplevert. Het is volstrekt geen onverschillige zaak, waar
en wanneer de veldslag plaats heeft ; integendeel, daarvan kan
de beslissing van den oorlog afhangen; dat juist in te zien en
goed te regelen, is het kenmerk van een groot veldheer; dit
vooral, maakt het uitstekende uit van Napoleon als legerhoofd.
Vóór Napoleon's tijd werd te weinig hierop gelet; vandaar dat
zoovele veldslagen geleverd zijn die geen beslissing hebben aan-
gebracht.
De veldslagen bij de ouden — of, om juister te spreken, de
veldslagen vóórdat nog de vuurwapenen algemeen in zwang
Digitized by
Google
WILLEM 111 ALS LEGERHOOFD. 9
kwamen — waren meestal beslissende. De reden daarvan is niet
ver te zoeken: bij die veldslagen waren de strijdende legers in
elkanders onmiddellijke nabijheid; zij werden, in letterlijken zin,
handgemeen; en het leger, dat geslagen werd, had dus geen
middel meer om terug te trekken en het slagveld te verlaten;
het werd in den regel door den overwinnaar ingehaald en groo-
tendeels vernield. Neem de groote veldslagen uit de Grieksche en
Komeinsche geschiedenis, of die uit de middeleeuwen; bijna
altijd is het einde de geheele ondergang van het geslagene leger.
Vandaar het beslissende van die veldslagen.
Maar toen de vuurwapenen algemeen in gebruik kwamen, bleven
de legers bij een veldslag op een afstand van elkander. Bespeurde
nu een van de beide partijen, dat zij bij dien veldslag te groote
verliezen leed, of dat de kansen te ongunstig werden, dan had
zij het in hare macht het gevecht af te breken, en, met meer of
minder opofferingen, het slagveld te verlaten. Dat door den veld-
slag het geslagene leger zoo goed als verloren gaat, behoort — tot
aan Napoleon's tijd — tot de zeer zeldzame uitzonderingen;
meestal trekt het geslagene leger terug, herstelt de geledene ver-
liezen, en gaat dan na eenigen tijd opnieuw den vijand te gemoet.
De veldslagen uit de oorlogen van Lodewijk XIV, zelfs de veld-
slagen van Frederik II, hoe grootsch, hoe roemrijk soms, beslis-
sen den oorlog niet.
Wil men door den veldslag de beslissing van den oorlog ver-
krijgen, dan moet men dien veldslag onder zulke omstandigheden
leveren, dat daardoor de geslagen vijand buiten de mogelijkheid
geraakt om zijne verliezen te herstellen; en het beste middel
hiertoe is, den vijand te omtrekken en af te snijden van zijn
land, of van die plaatsen vanwaar hij toevoer en versterking kan
ontvangen en waar hij de middelen kan vinden om den oorlog
voort te zetten: mist hij die middelen, dan kan de geleden
nederlaag den geheelen ondergang van zijn leger ten gevolge heb-
ben, en daardoor de beslissing van den oorlog.
Die waarheid, schijnbaar zoo eenvoudig, is toch, vóór Napo-
leon's tijd, bijna altijd over het hoofd gezien of niet in toepas-
sing gebracht; eerst hij is haar altijd indachtig geweest en heeft
voorsd daardoor zulke groote en snelle uitkomsten bij zijne oor-
logen verkregen.
Bij voorbeeld: de slag van Marengo is beslissend voor den
veldtocht van het jaar 1800; het Oostenrijksche leger, dat daar
geslagen werd, was omtrokken, afgesneden; het kon niet terug-
gaan, het kon zijne verliezen niet herstellen; vandaar dat het
daarna gedwongen was, zijn behoud te koopen voor het zonder
slag of stoot afstaan van Italië. Bij de veldslagen van Frederik II
zijn er een aantal die het van Marengo winnen^ in grootte en omvang;
Digit'Jzed by
Google
lO KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
raaar niet één van de overwinningen, door den Pruisischen Koning
behaald, heeft de gevolgen gehad die Marengo opleverde.
Zoo ook is Ulm beslissend voor den veldtocht van 1805, Jena
voor den veldtocht van 1806; — want dat, na Ulm en na Jena,
de oorlog toch nog werd voortgezet, is omdat er een nieuwe vijand
— Rusland — tegen Napoleon optrad; zijne aanvankelijke be-
strijders — Oostenrijk en Pruisen — waren door de nederlagen
van Ulm en van Jena zoo goed als krachteloos gemaakt, en
hadden — waren zij op zichzelvc blijven staan — tot het neder-
leggen der wapenen moeten besluiten.
Welnu, dat kenschetsende van de Napoleontische veldheerskunst
vindt men bij Willem III, en vindt men niet bij de andere leger-
hoofden van zijn tijd, en ook niet bij de legerhoofden van de
achttiende eeuw. Willem III zag in, dat men den vijand d^r
moet aanvallen, waar de overwinning door beslissende uitkomsten
wordt gevolgd, en dat het verkeerd is, zich af te matten in ge-
vechten op plaatsen, waar zelfs het behalen van een roemrijke
zege het einde van den oorlog niet kan aanbrengen. In ddt opzicht
staat Willem III als legerhoofd boven zijne tijdgenooten ; in zijn
handelen is reeds iets Napoleontisch.
Dat Napoleontische in de veldheerskunst van den Oranjevorst
blijkt uit de veldtochten van 1672 en van 1673.
In het najaar van 1672 hebben de eerste groote rampspoeden
van den oorlog voor ons opgehouden; de verbijstering, door
's vijands rasse veroveringen teweeggebracht, is verdwenen; en
Holland, beschermd door De Ruyter's vloot, door de inundatién
en door het krachtig geordende leger van Willem III, is tegen
eiken aanslag verzekerd. De Stadhouder acht nu terecht het
oogenblik gekomen om de verdediging te vervangen door den
aanval, en de Fransche legers van het grondgebied der Republiek
te verdrijven.
Had men, bij dien overgang tot den aanval, de gewone wijze
van oorlog voeren van dien tijd — en ook nog van later eeuw
— gevolgd, dan zou Willem III met zijn leger uit Holland tegen
Utrecht zijn opgerukt ; en, na Luxembourg daaruit te hebben ver-
dreven, zou de Stadhouder naar den IJsel zijn getrokken en ge-
tracht hebben evenzoo Gelderland en Overijsel, met hun menigte
sterke steden, te hernemen. Maar, door zóó te handelen, zou
— zelfs bij den gunstigsten uitslag — het heroveren van de drie
verlorene gewesten, tal van gevechten en belegeringen en een
jarenlangen strijd gekost hebben; — ziet maar, hoe het den
krachtvollen en bekwamen Maurits, in het begin van zijne loop-
baan als veldheer, vele inspanningen en jaren oorlogvoeren kost,
om het grondgebied van de Republiek van de Spaansche heir-
macht te bevrijden.
Digitized by
Google
WILLEM III ALS LEGERHOOFD. II
Willem UI ziet in, dat in 1672 hetzelfde doel op veel spoe-
diger wijze bereikt kan worden, ten koste van veel minder opof-
feringen: door den oorlog in de Zuidelijke Nederlanden over te
brengen, en daardoor het Fransche leger in Holland te bedrei-
gen met het verlies van zijne gemeenschap met Frankrijk. Wan-
neer de Stadhouder toen voordeelen behaalde aan de boven-
Maas, of in de landstreek tusschen Maas, Rijn en Moezel, dan
liep het Fransche leger in Holland groot gevaar te worden
afgesneden j en daardoor misschien geheel verloren te gaan. Om
zulk een gevaar te ontwijken zouden dan de Fransche leger-
hoofden van zelve besluiten tot de snelle ontruiming van Hol-
land; en op die wijze zou de herwinning van de drie verloren
gewesten, om zoo te zeggen, bijna zonder zwaardslag plaats
hebben.
Die inzichten van den Stadhouder waren waar en juist; hij
begreep het oorlog voeren, zooals Napoleon het begrepen heeft,
maar zooals het in de 17e en 1 8e eeuw nog niemand begreep.
Dit maakt de uitstekendheid van Willem III als legerhoofd uit,
dat hij bij deze strategische handeling geen voorbeeld vond om
na te volgen, maar zijn toevlucht moest nemen tot de ingevingen
van zijn eigen stout en scheppend genie.
Die oorlogvoering van 1672 en 1673 kan niet genoeg ge-
roemd worden; zij beantwoordde dan ook volkomen aan het be-
oogde doel.
't Is waar, nog niet in 1672: toen werd Willem III gedwongen
om de onderneming in de Zuidelijke Nederlanden op te geven
en, zonder zijn doel bereikt te hebben, naar Holland terug te
keeren. Men kent de oorzaken van dien tegenspoed: de strenge
winterkoude, die de inneming belette van Charleroi, de vesting
waaruit de Fransche troepen in Holland hun toevoer trokken;
en — meer dan dit — het niet verschijnen van het Keizerlijke
leger, dat, met eene trouweloosheid, bij verbondene mogendheden
geen zeldzaamheid, opzettelijk van het oorlogstooneel wegbleef.
In het najaar van 1673 evenwel ging het beter: het Keizer-
Igke leger daagde toen op, en sloot zich aan bij dat der Repu-
bliek; de vesting Bonn werd belegerd en genomen; en de Stad-
houder versterkte zich zoozeer in de landstreek tusschen Maas,
Moezel en Rijn, dat de Fransche legerhoofden in Holland met
reden bevreesd begonnen te worden voor het verliezen van hunne
gemeenschap met Frankrijk, waarom tot de ontruiming van Hol-
land werd besloten. In het voorjaar van 1674 waren Grave en
Maastricht de eenige plaatsen van het grondgebied der Republiek,
alwaar de lelievaan nog wapperde; al het andere was vrij van
het vreemde wapengeweld; en zoo was men door éénen veld-
tocht tot een doel geraakt^ dat bij een rechtstreekschen aanval
misschien in geen tien veldtochten zou bereikt zijn.
Digitized by
Google
12 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGE .
Nog op andere feiten kan men wijzen, die de uitstekendheid
van Willem III als legerhoofd aantoonen.
Bij den tachtigjarigen oorlog kunnen wij vooral op twee
groote legerhoofden roemen : op de beide zonen van den Zwijger,
Maurits en Frederik Hendrik; — en het is geen eenzijdige volks-
trots die ons hen groot doet noemen: de geheele krijgskundige
wereld deelt dat oordeel. Bestudeert de veldtochten van die
beide Stadhouders, dan is het twijfelachtig wie hunner den voor-
rang verdient als legerhoofd; want de belegeringen van Den
Bosch en van Maastricht, door Frederik Hendrik, evenaren de
schitterendste krijgsdaden van den overwinnaar van Nieuwpoort.
Maar, daar is ééne omstandigheid, die Maurits boven zijn broe-
der verheft: Frederik Hendrik, toen hij als veldheer optrad,
vond reeds een goed leger; Maurits heeft zijn leger zelf geschapen.
Die groote verdienste van Maurits is ook de verdienste geweest
van Willem III, die de legers, waarmede hij oorloogde, zelf ge-
vormd heeft.
Toen de Stadhouder in 1672 optrad, was het leger van de
Republiek in een zeer slechten toestand : het was zonder oefening,
zonder orde en krijgsgeest, zonder zelfvertrouwen ; het verdiende
den naam van leger niet. Die treurige toestand, waarin onze
landmacht toen verkeerde, was niet te wijten aan De Witt, die
herhaaldelijk naar verbetering hierin had gestreefd; zij was het
gevolg van de gebreken van ons volkskarakter, die te allen
tijde er toe hebben geleid, dat men bij ons de waarde en de
noodzakelijkheid van een goed leger heeft miskend, dat, waar
het heette dat men zich met het krijgswezen bezighield, men
dit nooit met ernst en met overtuiging heeft gedaan, maar meest-
al door de veelheid der woorden het gemis der daden heeft
willen verbergen. Bij ons wordt de landsverdediging eerst ddn
goed geregeld, wanneer de dringende noodzakelijkheid zich doet
gevoelen, en een krachtig en bekwaam bewindhebber optreedt;
tot zoolang gebeurt er niets goeds; tot zoolang óf geheel stil-
zitten, óf de bedrijvigheid der onbekwaamheid; voorstellen in
menigte, ontwerpen met den dag afwisselende, uitvoerige becijfe-
ringen, eindelooze redeneeringen; — maar geen krachtig, ver-
standig bestuur, dat orde en krijgsgeest ontwikkelt, en eenheid
en vastheid aan het krijgswezen geeft; — en daarvan toch hangt
de sterkte en waarde van een leger hoofdzakelijk af.
Een voornaam middel door Willem III gebezigd om het leger
goed te maken, was de onverbiddelijke strengheid waarmede hij
lafheid en plichtverzuim wist te keer te gaan en te straffen. Er
zijn er zelfs die beweren, dat hij hierin te vér ging; en dat het
moeielijk is overeen te brengen met de beginselen van het recht,
dat Pain-et-vin werd ter dood gebracht, nadat tweemaal het vonnis
Digitized by
Google
WILLEM III ALS LEGERHOOFD. I3
van een krijgsraad eene mindere straf had uitgesproken over de
hffe vlucht van dien bevelhebber.
Dit was niet de eenige maal dat Willem III in wederspraak
handelde met die voorstelling als een man van een zacht en ge-
voelig karakter^ zooals Macaulay hem soms wil doen voorkomen.
De Britsche geschiedschrijver is hierbij een te blind bewonderaar
van zijn held; hij denkt hierbij niet aan den dood der De Witten;
niet aan het leveren van den slag van Saint-Denis, dat wel is
waar verontschuldigd kan worden, maar moeielijk te rechtvaar-
digen is; niet aan het vermoorden van dien Schotschen berg-
stam te Glencoc, waarvoor zelfs eene verontschuldiging moeielijk
is aan te voeren. In menschelijkheid staat Willem III achter bij
zijn grooten voorzaat* den eersten Willem — toch waren die hard-
heid en strengheid van Willem III, toen misschien, noodzakelijke
hoedanigheden; zeer zeker is het dat hij in hooge mate den
heldengeest der zijnen wbt op te wekken.
Neem onder andere maar dien brief, in 1673 door den Stad-
houder aan De Ruyter's vloot geschreven, toen die den strijd
weer zou beginnen tegen de vereenigde Koningsvloten van
Engeland en Frankrijk; dien »onvergelijkelijken brief", zooals
Bosscha hem terecht noemt, waarin de Hollandsche vlotelingen
daaraan herinnerd worden, dat >de oogen en harten van alle
ingezetenen van het land, ja van de gansche Christenwereld" op
de vloot zijn gewend, »en ware het overzulks van de uiterste
infamie, dat iemand aan zijn pligt zou ontbreken op zoo door-
lugtig een tooneel," — en waarin, na lof en eer den dapperen
te hebben voorgespiegeld, de lafaard met schande en straf wordt
bedreigd: t zoodat aan diegenen, die zich lafhartig en anders
dan als een braaf soldaat en zeeman voor den vijand zal dragen,
niets zoo gevaarlijk is als de havenen van den Staat, daar hij
niet zal kunnen ontgaan, noch de straffe hand van de justitie^
noch de vloek en haat van zijne medeburgers, die op hem zal
vallen en blijven" ... — Een Romeinsch veldheer kon niet meer
indrukwekkend spreken dan hier de Stadhouder; zulk een taal
moet heldengeest kweeken.
Die krachtige leiding, die onvermoeide zorg, door Willem III
aan het Hollandsche leger besteed, maakte daarvan een uitmun-
tend leger, dat zich overal door buitengewone dapperheid onder-
scheidde, en dat Marlborough in den Spaanschen successie- oorlog
zijne overwinningen gemakkelijk maakte. De Hollandsche infanterie
was toen de beste infanterie van Europa ; zelfs vreemde krijgskun-
digen, onder anderen Folard, gewagen van haar met hoogen lof;
— in het aanhangsel op den Polybius van den Franschen schrijver
(bl. 68), wordt gesproken: van het geduchte vuur »de Tinfanterie
hollandaise, qui est trèsbonne et mieux disciplinée qu'aucuneautre."
Digitized by
Google
14 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
In de school van Willetn III zijn een aantal bekwame bevel-
hebbers gevormd, volkomen in staat om, bij het bloedig spel des
oorlogs, de hunnen ter zege te voeren: Athlone, of Rheede-
Ginkel, vermaard door zijne overwinningen in Ierland ; Ouwerkerk,
in den Spaanschen successie-oorlog de waardige ambtgenoot van
Eugenius en van Marlborough ; Slangenburg, de overwinnaar van
Eekeren; Coehoorn, bekwaam bevelhebber en onsterfelijk als
vesting- bouwkundige ; Fagel, bekend door zijn krijgsbedrijven in
het Spaansche Schiereiland; Tilly, Heuckelom, Hompesch, Van
Goor, en zooveel andere aanvoerders, wier moed en bekwaamheid
op menig slagveld is gebleken. Willem III, als veldheer, heeft
een school gesticht, en dit is iets wat men niet van ieder leger-
hoofd kan zeggen.
Wat ook vermelding verdient, dat is de persoonlijke dapper-
heid van Willem III. Die hoedanigheid, een noodzakelijk ver-
eischte in een legerhoofd van den ouden tijd, heeft ook thans
nog hare hooge waarde. De dapperheid van den veldheer wekt
de dapperheid van het leger op, en verdubbelt daardoor de
strijdkrachten. Den oorlog te vergelijken met het schaakspel, is
een zeer oude maar een zeer verkeerde vergelijking: de onbe-
zielde stukken van het schaakspel behouden altijd dezelfde waarde ;
maar bij het spel des oorlogs kunnen de troepen oneindig winnen
in sterkte, door den geest waarmede de veldheer ze weet te be-
zielen. Vandaar dat het zoo verkeerd is, om, bij de beoor-
deeling van de kracht van een leger, een zoo overwegend belang
te hechten aan de groote getalsterkte: de overwinning wordt
veel minder daardoor verkregen, dan door de goede samen-
stelling van dat leger, door den geest die het bezielt, en vooral
door de bekwaamheid der aanvoering. *Le bon Dieu est toujours
du coté des gros bataillons^ heeft een Franschman eens gezegd ; maar
dit is een valsche spreuk, eene uiting van bekrompen materialis-
mus, die door tal van geschiedkundige feiten wordt weersproken.
Oneindig meer waarheid is er in Napoleon's bekende woorden,
dat in den oorlog de zedelijke kracht driemaal meer waarde
heeft dan de stoffelijke. Daarom ook moet men alles vermijden
wat de zedelijke kracht van een leger kan benadeelen, alles aan-
wenden wat dien kan verhoogen; en niets verhoogt dien meer,
dan het voorbeeld van heldenmoed door den veldheer gegeven.
Dat Willem III heldengeest had, een buitengewone dapperheid,
dat is een zoo algemeen erkende waarheid, dat zij geen bewijs
meer vordert; wie die bewijzen nog wil zoeken bij de geschied-
schrijvers die de oorlogen van Lodewijk XIV hebben behandelde
zal ze in zoo kwistigen overvloed vinden, dat hij met de keus
verlegen zal zijn. Zie maar, onder andere, hoe te Séneffe de
Stadhouder van te groote dapperheid wordt beschuldigd door
Digitized by
Google
WILLEM III ALS LEGERHOOFD. 15
Condé, die zelf zeer dikwijls de dapperheid overdreef tot roeke-
loosheid; of hoe Racine, in weerwil van zijne aanbidding voor
Lodewijk XIV, toch niet kan nalaten in zijne brieven de groot-
heid te huldigen van Willem III als oorlogsman, wanneer die
vorst bij den slag van Neer winden, onvermoeid en onversaagd,
telkens zijne ruiterij tegen den vijand aanvoert. — Wij noemen
een paar getuigenissen van Fransche zijde, van de zijde der
vijanden van Willem III; natuurlijk dat het nog veel minder
ontbreekt aan gunstige getuigenissen, wanneer men die vraagt
aan Nederlanders, aan Britten, en aan die volkeren die in hem
hun hoofd en kamp vechter vereerden.
Die schitterende heldengeest van den Stadhouder verdient te
hooger waardeering, omdat zij gepaard ging met een zwak en
ziekelijk lichaam, zóó zwak, zóó ziekelijk, dat iemand die in
onze dagen met zulk een lichaamsgestel is bedeeld, geen moeite
heeft om geheel vrijgesteld te worden van allen krijgsdienst. Een
Eogelsch schrijver van onzen tijd — Kingsley — heeft in een
zijner werken de meening voorgestaan, dat het onmogelijk is,
groote, heldhaftige hoedanigheden te bezitten, wanneer men niet
een krachtigen lichaamsbouw en een sterk zenuwgestel heeft; om
het paradoxale van die meening aan te toonen, is het voldoende
op Willem III te wijzen ; zijn voorbeeld is genoegzaam om aan te
toonen, hoe de kracht van den geest alle zwakheid des lichaams
kan overwinnen, en hoe groote waarheid er is in de woorden,
waarmede Thiers zijn verhaal van den slag van Waterloo besluit:
^V esprit gouverne^ et la mattere est gouvernéeJ*
Een groot legerhoofd moet op de verbeelding van de zijnen
werken; hij moet hun een hoogen dunk van zijne aanvoering
geven ; het leger moet in zijn veldheer een man zien van groote,
van buitengewone vermogens, die hulpmiddelen en redding aan
brengt, waar anderen tekortschieten; er moet vertrouwen zijn
op zijn genie. Het nuchter, gezond verstand, de alledaagschheid
zijn niet bij machte om in den oorlog groote, buitengewone
daden te doen verrichten; daartoe wordt de opwinding der
geestdrift gevorderd.
Dat opwekken der geestdrift is een der kenmerken van een
groot legerhoofd; het was een der kenmerken van Willem III;
hij maakte een diepen indruk, èn op vriend, èn op vijand. Voor
de zijnen was Willem III de aanvoerder, in wien men het volste
vertrouwen stelde, in wiens aanvoering men een waarborg zag
van de overwinning. Voor zijne vijanden was hij een geducht
bestrijder, van wien men alles had te vreezen, en wiens machtige
geest vermogend was om den loop der krijgsgebeurtenissen een
geheel andere wending te geven. De wijze waarop de vijanden
ran Willem III, zijne tijdgenooten, van hem gewagen, heeft soms
Digitized by
Google
l6 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
iets vreemds, iets phantastisch, dat duidelijk aantoont, welk een
diepen indruk hij op hen maakt; er is haat in dien indruk, —
maar geen minachting, eer vrees en ontzag aan bewondering
grenzende; hij is voor hen een somber, raadselachtig wezen,
altijd bezig met diepe beramingen en wijdgaande ontwerpen om
staats- en krijgszaken te leiden en te besturen.
Laat ons een enkel voorbeeld aanhalen, om dien indruk, door
Willem III op zijne vijanden gemaakt, eenigszins te kenschetsen.
In 1692 wordt Namen door de Franschen genomen, in weer-
wil van de pogingen van Willem III om die vesting te hulp te
komen. Geeft die belangrijke zege nu stof aan de Fransche
schrijvers, om op lichtvaardigen, minachtenden toon van hun
vijand te gewagen ? — verre van daar ; ten minste niet aan
allen. Men zie, onder andere, wat Racine, in eene soort van
geschiedenis van dat wapenfeit, over Frankrijk's vijand zegt:
»La principale espérance de leur ligue" (het verbond der vijan-
den van Lodewijk XIV) »était fondée sur la haute opinion que
tous ceux qui la composaient avaient du grand génie du prince
d'Orange, qui en est comme Ie chef et Ie premier mobile."
Racine stelt dien vorst voor, hoe hij, na in het begin van 1692
met zijne bondgenooten in Den Haag te hebben beraadslaagd,
daarna op het Loo den aanvang der krijgs verrichtingen rustig
afwacht:
»Les conférences finies, Ie prince d'Orange s'était retiré k
Loo, maison de plaisance qu'il a dans Ie pays de Gueldres, lieu soli-
taire et conforme k son humeur sombre et mélancolique, oü
d'ailleurs il trouvait Ie plus de facilités pour entretenir ses cor-
respondances secrètes Ainsi, en attendant la saison propre
pour agir, il affectait de mener k Loo une vie fort tranquille,
et prenait presque tous les jours Ie divertissement de la chasse,
et paraissant aussi peu ému de tous les avis qu'il recevait des
grands préparatifs de la France sur mer et sur terre, que si elle
eüt été hors d*état de rien entreprendre, ou qu'il eüt été Ie
raaitre des événements. Celte tranquillité apparente, k la veille
d'une campagne si importante pour les deux partis, était fort
vantée par ses admirateurs; qui Tattribuaient k une grandeur
d'dme extraordinaire. . . ."
Dat Willem III, om Namen te redden, niet is overgegaan
tot het leveren van een veldslag, wordt door Racine niet veroordeeld :
»0n a parlé fort diverseraent dans l'Europe sur la conduite
du prince d'Orange pendant ce siége, et bien des gens ont voulu
pénétrer les raisons qui Tont empêché de donner bataille dans
une occasion oü il semblait devoir hasarder lout pour prévenir
la prise d'une ville si importante et dont la perte lui seraitè.
jamais reprochée. On en a même allégué des motifs qui ne lui
font pas d'honneur. Mais k juger sans passion d'un Prince en
Digitized by
Google
WIJZE VAN OORLOGVOEREN IN DE lyC EEUW, 17
qui Ton reconnait de la valeur, on peut dire qu'il y a beaucoup
de sagesse dans Ie parti qu'il a pris, Texpérience du passé lui
ayant fait connaitre combien il était inutile de s'opposer k un
dessein que Ie Roi conduisait lui-même; et il a jugé Namur
perdu, dès qu*il a su qu'il l'assiégeait en personne. Et d'ailleurs, Ie
voyant aux portes de Bruxelles avec deux formidables armées, il
a cru qu' il ne devait point hasarder un combat dont la perte
aurait entrainée la ruine des Pays-Bas, et peut être sa propre
ruine, par la dissolution d'une ligue, qui lui a tant coüté de peine k
former."
Om tot de juiste beoordeeling van een groot man te komen,
is het niet voldoende enkel zijne aanhangers, zijne bewonderaars
te raadplegen, maar men moet ook hooren, wat zijne vijanden
van hem hebben gezegd, vooral de vijanden die zijne tijdge-
nooten waren. Daarom is het niet zonder belang te weten, wat er
door Racine van Willem III gezegd is. De groote treurspeldichter
was een tijdgenoot van den Stadhouder ; en, als Franschman, als
hoveling van Lodewijk XIV, voor wien hij een afgodischen eer-
bied koesterde, was hij een natuurlijke vijand van Willem III, —
de vijand van den man, die de heiligschennende stoutheid had,
op te treden als bestrijder van den Grooten Koning. Wanneer
dus Racine het karakter van Willem III met zwarte kleuren
had gemaald, of van dien kampvechter voor Europa's vrijheid
een verachtelijk of afzichtelijk beeld had gegeven, zou dat niets
ie verwonderen zijn geweest; — de haat der tijdgenooten belet
vaak, de uitstekendheid van een groot man te erkennen. Ziet
maar hoe de Romeinen Hannibal hebben afgeschilderd. — Hier
echter is dit niet het geval. Racine moge aan den grooten Stad-
houder niet ten volle recht laten wedervaren ; toch is er eerbied,
ontzag, bijna bewondering in de wijze waarop hij van hem
spreekt; onmiskenbaar spreekt in Racine 's taal de diepe indruk,
dien Willem de derde's grootheid als staatsman en als legerhoofd
op zijne tijdgenooten heeft gemaakt.
Eene onbillijkheid waarvoor men zich in de geschiedenis moet
wachten, en waaraan men zich toch te dikwijls schuldig maakt, is
het beoordeelen der menschen van vroegere eeuwen volgens de
denkbeelden en beginselen, die in onze eeuw de heerschende zijn.
Wil men eene ware voorstelling hebben van een groot man uit
het voorgeslacht, dan moet men zich geheel en al verplaatsen
in den tijd waarin hij leefde; men moet bekend zijn met alles
wat hem omgaf en op hem werkte; alleen daardoor laten zich
zijne handelingen verklaren en met juistheid waardeeren.
Wil men derhalve Willem III als veldheer leeren kennen, dan
dient men allereerst te weten, op welke wijze in zijne eeuw ge-
oorloogd werd.
WILLEM in. — T. . 2
Digitized by
Google
l8 KRUGS- EN GESCHlEDKUNDICe BESCHOUWINGEN.
Zeker is het gemakkelijk om, wanneer men ónze denkbeelden
der 19e eeuw over het oorlog voeren toepast op de krijgsverrich-
tingen ten tijde van Lodewijk XIV, met minachting en bespot-
ting op die krijgsverrichtingen neer te zien. Wij, die gewoon zijn
aan de krachtvolle en beslissende oorlogen van Napoleon en
van den lateren tijd, wij hebben soms moeite om die onbedui-
dende oorlogen van de 17e eeuw te begrijpen; oorlogen, die
jaren duren en niets beslissen ; veldtochten, die soms doorgebracht
worden met de belegering van een of twee nietsbeduidende vestin-
gen ; legers, die maanden noodig hebben om zich bijeen te trek-
ken, zich met slakkengang bewegen, en altijd een goed gedeelte
des jaars werkeloos doorbrengen. Dit alles komt ons thans
vreemd voor en moeielijk te verklaren; maar wij hebben daarom
nog niet het recht, om die gebrekkige oorlogvoering alleen toe
te schrijven aan de beperkte inzichten van de legerhoofden, en
uit dien hoofde met een soort van meesterschap op hen neer te
zien; integendeel de studie van de krijgsinstellingen van dien tijd
zal doen zien, dat deze die gebrekkige wijze van oorlog voeren
noodwendig maakten, en dat, indien er legeraanvoerders zijn
geweest, aan wier middelmatigheid het was toe te schrijven dat
de oorlogen nog onbeslissender werden, daarentegen vele anderen,
die ontegenzeggelijk groote bekwaamheden bezaten, evenzeer
door de omstandigheden gedwongen werden af te zien van die
stoute, beslissende handelingen, die in onze eeuw het kenmerk
der oorlogen moeten zijn.
De omstandigheid, die vooral in aanmerking komt bij het
beoordeelen van de oorlogen der 17e eeuw en die de hoofdoor-
zaak is van het onmetelijke verschil dat er bestaat tusschen die
oorlogen en de hedendaagsche, is de wijze van samenstel-
ling der legers, toen geheel anders dan in onze dagen.
De Fransche omwenteling van 1789 heeft ons in dat opzicht
tot de ware beginselen teruggebracht, die bij de gemeenebesten
der oudheid werden gehuldigd. De Europeèsche legers bestaan
nu niet meer uit huurlingen, het zijn volkslegers geworden; men
heeft begrepen dat het voeren der wapens tot verdediging van
den vaderlandschen grond, een plicht is die op alle burgers
rust en waarin allen gelijkelijk moeten deelen. Bij de meeste
Europeèsche Staten is dan ook het weerbare gedeelte van de
bevolking wapenplichtig gemaakt, en wordt in oorlogstijd, onder
verschillende benamingen, gebezigd om het leger voltallig te
maken of 2ich daarbij aan te sluiten; de uitvoering van het
beginsel laat hier en daar nog veel te wenschen over, maar het
beginsel zelve bestaat, en dit is reeds een reuzenstap ten
goede. De legers zijn nu van een zedelijker, van een oneindig
beter gehalte, zij bestaan niet meer uit vreemde gelukzoekers,
Digitized by
Google
WIJZE VAN OORLOG VOEREN IN DE 17e EEUW. 19
waarvan de edelsten niets hoogers kenden dan roem, en de groote
meerderheid slechts gouddorst ; maar zij zijn samengesteld uit het
volk zelve^ dat de wapenen voert voor de heiligste zaak waarvoor
men ze voeren kan, voor de verdediging van den vaderlandschen
grond, voor de handhaving der volksvrijheid. De zedelijke drijf-
veeren van den oorlog hebben oneindig gewonnen aan sterkte
en aan zuiverheid; men kan bij de hedendaagsche legers zich
doen verstaan, wanneer men er spreekt van plicht en zelfopoffe-
ring ; men kan er de geestdrift en de onsterfelijke dapperheid op-
wekken, die eenmaal de zonen van Sparta en van Rome bezielde.
Daardoor, omdat het volkslegers zijn geworden, zijn de heden-
daagsche legers ook veel sterker in getal, veel gemakkelijker aan
te vullen dan vroeger; daardoor is eene krachtsontwikkeling moge-
lijk, die vroeger niet te bereiken was: de legers, door de Fran-
sche conventie in 1793 plotseling saamgesteld, de krijgsmacht,
door Napoleon dadelijk na den Russischen veldtocht als uit het
niet geschapen, Pruisen's legers van 1813 — 1815 zouden, zonder
de volkswapening, tot de onmogelijkheden behoord hebben.
De oorlogen zijn daardoor ook korter en beslissender gewor-
den. De twee oorlogvoerende partijen grijpen elkander aanstonds
krachtvol aan, trachten dadelijk eene beslissing te verkrijgen,
en zoeken op de een of andere wijze een strijd te eindigen die,
juist door de samenstelling der tegenwoordige legers, niet meer
zoo lang kan duren, zoo gerekt worden als de oorlogen van
vroegere eeuwen. Aan den tijdgenoot behoeft de korte duur der
oorlogen van 1859, van 1866, van 1870 — 1871 niet herinnerd te
worden; ook Napoleon's oorlogen hebben, op hetzelfde krijgs-
tooneel, nooit langer geduurd dan één of twee veldtochten; —
alleen de Spaansche oorlog van 1808 — 1814 maakt hierop eene
uitzondering, die echter hoofdzakelijk toegeschreven moet worden
aan de bijzondere gesteldheid van het oorlogstooneel en aan de
samenstelling van de vijandelijke macht welke de Fransche legers
in Spanje te bestrijden hadden.
Geheel anders was de samenstelling van de Europeesche legers
in de eeuwen die aan de omwenteling van 1789 voorafgaan;
volkslegers bestonden er toen niet; de legers werden niet vol-
tallig gehouden door het militiestelsel, maar uitsluitend door
vrijwillige werving. De burger zelf voerde de wapens niet tot
verdediging van het vaderland, maar liet die taak over aan de
geregelde legers, meestal samengesteld óf uit vreemdelingen, óf
uit het slechtste gedeelte der natie. Alleen daar, waar het op
de verdediging der eigen stad aankwam, nam de burgerij een
krachtdadig deel aan den strijd; — wij behoeven maar te wijzen
op onzen oorlog tegen Spanje en op 1672 om aan te toonen
hoc roemrijk onze schutterijen zich kweten bij vele der onver-
getelijke steden* verdedigingen welke in die oorlogen plaats hadden.
Digitized by
Google
20 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Soms ook, in tijden van buitengewonen nood en van buitenge-
wone geestdrift, ziet men de gewapende burgerij hare steden
verlaten om de grensplaalsen te bezetten of het verzwakte leger
te versterken; — in de reeds aangehaalde oorlogen vindt men
daarvan enkele voorbeelden; en zoo vindt men, onder andere
in de schrijvers over den dertigjarigen oorloge dat het 400 bur-
gers van Pforzheim waren, die, in den slag van Wimpfen (1632),
zich met Spartaansche dapperheid voor hun vorst opofferden.
Maar deze en soortgelijke voorbeelden zijn uitzonderingen,
teweeggebracht — zooals reeds gezegd is — door buitengewonen
nood en buitengewone geestdrift. De regel is, dat de oorlog
alleen gevoerd wordt door middel van geregelde legers, die voor
een groot gedeelte niet uit inboorlingen bestonden, maar uit
vreemdelingen van allerlei natiën.
Uit den aard der zaak volgt, dat het samenstellen en voltallig
houden van de vroegere legers eene moeielijke en kostbare zaak
moest zijn. Men kan zich het best daarvan overtuigen, wanneer
men let op de bezwaren, die zelfs het rijke Groot-Brittanje nu
nog heeft om zijne legers aan te vullen. De bevelhebbers der
verschillende regimenten waren vroeger, ieder voor het gedeelte
dat zij aanvoerden, met die taak belast, en meesttijds zeer weinig
nauwgezet in de keus hunner soldaten. In oogenblikken van geest-
drift, bij nationale oorlogen, konden soms die soldaten getrokken
worden uit het goede gedeelte der natie, — zooals bij voorbeeld
gedurende den krijg tegen Spanje, de inlandsche regimenten bij
de legers van Maurits en Frederik Hendrik zich meestal in dat
opzicht gunstig onderscheidden ; — maar gewoonlijk bestond het
leger uit veel minder zuivere bestanddeelen. Op enkele uitzonde-
ringen na waren de soldaten uit den minsten stand genomen;
het waren menschen die door losbandigheid of vergrijpen van
verschillenden aard zich van elk vooruitzicht in andere standen
zagen verstoken, en, door nood en armoede gedrongen, den krijgs-
mansstand als laatste en uiterste hulpmiddel hadden omhelsd ; het
waren vreemde landloopers, zwervende gelukzoekers, die, door
eenig goud gelokt, de wapenen opvatten voor een land dat hun
geheel vreemd was, dat hen betaalde zoolang de oorlog duurde,
daarna hen weer aan hun lot overliet, en waarvoor zij dus geen
hart, geen gehechtheid konden hebben; het waren overloopers
uit vreemde legers, die door het verlaten van hunne vaandels
reeds getoond hadden hoe gering de waarde was, door hun aan den
militairen eed gehecht, en hoe dwaas het dus zou zijn op hunne
voortdurende diensten te rekenen.
Ziedaar in het algemeen de bestanddeelen der toenmalige
legers; en men moet niet denken, dat dit alleen geldt van de
legers onzer Republiek. De groote uitbreiding van de zeemacht
Digitized by
Google
WIJZE VAN OORLOGVOKREN IN DE 17e EEUW. 21
en de vijandschap tegen de Stadhouders hebben bij ons soms de
landmacht doen verwaarloozen ; maar de soldaten, waaruit die
landmacht bestond, waren van geen minder gehalte dan die der
overige Europeesche legers; zelfs van een beter, omdat^ door
den toenmaligen rijkdom van onzen Staat, er meer geld aan
kon worden besteed; bij andere legers was het hiermede soms
zoo ellendig gesteld, dat men onder andere in 1620 de Staten
van het keurvorstendom Brandenburg een bevel ziet uitvaar-
digen, > waarbij ieder boer^ aan wien door een soldaat eene aal-
moes wordt gevraagd, gelast wordt hem een heller te geven."
De Fransche legers waren mogelijk minder slecht samengesteld
wat aangaat de officieren, omdat zich daarbij een goed gedeelte
van den krijgshaftigen Franschen adel bevond; met de soldaten
was het niets beter.
Het zedelijk gehalte van een leger, uit zulke soldaten bestaande,
kon niet zeer groot zijn ; alleen door strenge krijgstucht kon men
de ergste uitspattingen, de ergste militaire misdrijven voorkomen;
aanhoudende vermoeienissen en inspanningen kon men van zulke
soldaten niet veel verwachten ; en om hen tot buitengewone daden
aan te sporen, om hen meer dan gewone gevaren te doen bra-
veeren, moest men niet hunne roemzucht, hunne vaderlandsliefde
aanspreken — dit waren onbekende drijfveer en — maar hunne
geldzucht opwekken. Wanneer een heden daagsch bevelhebber
een stout wapenfeit wil ondernemen, spreekt hij tot het eergevoel
der soldaten, en onhandig is hij, wordt hij niet verstaan; — in
dien tijd, moest men geld bieden. Zoo vindt men opgeteekend,
dat de verdediging van Maastricht door Fariaux, in 1673, minder
krachtdadig was omdat die bevelhebber uit overdreven zuinig-
heid naliet om de uitvallende troepen met geld te beloonen;
evenzoo vindt men vermeld dat bij het beleg van dezelfde ves-
ting door Willem III, in 1676, de Stadhouder zoo weinig op
zijne soldaten rekende, dat hij eene bestorming van een der
werken uitsluitend door officieren deed verrichten. Ook een
hedendaagsch leger zal zich schuldig maken aan geweldenarijen
jegens den weerloozen burger, wanneer een langdurige en
bloedige strijd de driften van den soldaat heeft opgewekt; maar
vreemd aan onze hedendaagsche oorlogen zijn de afpersbgen,
uitspattingen en wreedheden, die door de vroegere legers, zonder
die verschoonende reden, werden gepleegd, zoodra zij buiten
opzicht van hunne bevelhebbers waren of dezen die gruwelen
toelieten. De onmenschelijkheden door Luxembourg's soldaten
te Bodegraven en Zwammerdam gepleegd, zijn denkelijk het
werk van dien wreeden aanvoerder zelven ; maar daarentegen
wordt door sommige schrijvers verzekerd, dat de eerste verwoes-
ting van den Pfalz niet het opzettelijk werk van Turenne is
geweest, maar alleen het gevolg van het weinige toezicht dat
Digitized by
Google
22 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
hij op zijne soldaten hield. — Desertie zal men bij de heden-
daagsche oorlogen nóg hebben; maar niet in die mate als bij
de vroegere toen men er op uit was om, door het aanbieden
van geld, de soldaten der tegenpartij tot overloopen aan te zetten.
De dood zal nog de straf zijn voor dit misdrijf; maar niet de
dood met die wreedheid welke haar toen vergezelde. > Sedert ik
een paar van die overloopers heb laten radbraken, is het
overloopen minder geworden ; dit schijnt indruk te hebben ge-
maakt"; — zoo schrijft, in 1672, de Fransche generaal Chamilly
aan den minister Louvois, even alsof het eene zeer gewone zaak
betreft. Wij hebben moeite om ons in dien tijd te verplaatsen.
De ofhcieren beantwoordden aan de soldaten. Zeker, men had
er ook mannen bij, die uit roemzucht of vaderlandsliefde de
wapens voerden ; zonen van voorname geslachten, edelen, die als
vrijwilligers dikwijls op eigen kosten oorloogden en in den strijd
een moed betoonden, zoo schitterend, dat men dien te allen
tijde moet eerbiedigen; — maar deze klasse van officieren vond
men weinig of niet in de mindere rangen; zij werden spoedig
tot hooge betrekkingen, ten minste tot het bevel over een regi-
ment bevorderd. De meerderheid der officieren was geheel anders;
en bij hen werd, weinig of niet, gelet op kunde, opvoeding, be-
kwaamheid en zedelijkheid. Ook in dit opzicht was het, bij het
leger der Republiek, nog niet het slechtst gesteld : het stadhouder-
looze bestuur moge soms bij het begeven van de krijgsambten
met een onverantwoordelijke onkunde te werk zijn gegaan, en
daarbij hoofdzakelijk, niet op bekwaamheid, maar op bijzondere
voorspraak hebben gelet ; toch hadden de officieren van de legers
der Republiek meer zedelijke waarde dan die van andere Euro-
peesche legers; de betere betaling, de meer zedelijke zin der
natie, en de omstandigheid dat die officieren toch voor een ge-
deelte inboorlingen waren en door warme liefde aan hun land
gehecht, verklaren dit. Bij de Fransche legers had men officieren
van grootere militaire bekwaamheden, doordien het bestuur van
Frankrijk meer militair was, de natie meer krijgshaftig, de adel
talrijker; maar over het geheel was de zedelijke waarde dier
officieren zeer gering, hunne denkbeelden van plicht en krijgseer
zeer gebrekkig. Veel lag dit ook aan de onzekerheid van hunne
betrekking : het einde van den oorlog deed een goed gedeelte
des legers afdanken en ontroofde het bestaan aan een aantal
officieren, die dan hunne diensten aanboden aan een anderen vorst
of staat. De krijgsmansstand is de edelste stand wanneer men
uit overtuiging, uit plichtgevoel het wapen voert voor eene zaak
die men met hart en ziel is toegedaan, voor een vaderland dat
men boven alles lief heeft; het is een verachtelijke, een onzede-
lijke stand, wanneer men zich aan den meestbiedende verhuurt,
Digitized by
Google
WUZE VAN OORLOGVOEREN IN DE 17e EEUW. 23
wanneer men voor goud zijn bloed veil heeft, onverschillig voor
welke zaak men het stort. Voor de meeste officieren van de
legers van vroegere eeuwen was de krijgsmansstand het laatste;
en de afkeer die men in Holland in de vroegere tijden van het
leger had, was inderdaad zoo geheel ongegrond niet.
Niet alleen het verminderen van het leger, het afdanken van
regimenten beroofde den officier van zijne betrekking, maar
ook de luim van een vorst, van een staatsdienaar, van een be-
velhebber was hiertoe voldoende. De wet beschermt thans de
billijke rechten onzer officieren; maar zelfs toen zij dit nog niet
deed, was reeds de krachtige invloed van de openbare meening
een waarborg tegen willekeur. In vroeger tijden was dit geheel
anders: tik heb zooveel officieren, van déit regiment ontslagen
(cassé) omdat zij ongenoegen betoonden over hunne overplaat-
sing bij andere regimenten"; zoo leest men in de reeds vroeger
aangehaalde briefwisseling tusschen Chamilly en Louvois. De
Fransche generaal verraadt ook de weinige achting die men toen-
maals voor den officiersstand had, door t officieren in hinderlaag
te plaatsen, om de soldaten die overloopen wilden te vangen"; —
een dienst die, bij de hedendaagsche legers, door de marechaussee
gedaan wordt. Indien er bij de hedendaagsche legers ook voor
beelden voorkomen, dat een officier zijn vaandel verlaat om
tot den vijand over te loopen, dan behoort zulk een feit toch
tot de zeer zeldzame uitzonderingen, en de rampzalige die het
pleegt wordt met schande gebrandmerkt, zijn naam is voor altijd
onteerd. Maar uit de verschillende schrijvers over de oorlogen
van Lodewijk XIV kan men zien dal het overloopen van offi-
cieren toen geen zeldzaamheid, toen een zeer gewone zaak was;
gedurig vindt men daar voorbeelden van; gedurig voorbeelden
van verstandhouding met den vijand, van verraad. Bij het reeds
vroeger vermelde beleg van Maastricht door Willem III wordt
door een kapitein der Fransche bezetting een magazijn in brand
gestoken, ten einde door de hieruit ontstane verwarring eene be-
storming te doen gelukken ; later werd dit verraad ontdekt en de
verrader met het rad gestraft.
Wij vragen, of men zich bij een hedendaagsch leger de mo-
gelijkheid van zulke daden kan voorstellen ? — Neen, laat ons
het goede niet miskennen dat wij boven onze voorouders vooruit
hebben; wat of ook achteruit is gegaan, het krijgswezen zeker
niet: het leger is veredeld, en door kunde en karakter behooren
de officieren nu tot het beste gedeelte der natie; terwijl vroeger
aan het woord officier niet altijd het denkbeeld van fatsoenlijk
man, van man van eer was verbonden.
Die wijze van samenstelling van de vroegere legers moest nood-
wendig een geheel andere wijze van oorlogen ten gevolge hebben.
Digitized by
Google
24 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Die legers konden toen op lange na zoo talrijk niet zijn als
in onze dagen, dewijl het veel meer moeite, tijd en vooral geld
kostte, om soldaten te verkrijgen. De legers, door onze Stadhouders
bij den oorlog tegen Spanje aangevoerd, zijn gewoonlijk van
tien- tot twintigduizend man; dikwijls beneden het kleinste getal,
zelden boven het grootste; had dit laatste plaats, dan was het
eene buitengewone poging, eene krachtsinspanning waartoe men
voor het oogenblik overging, maar die men niet lang kon vol-
houden. £ven zoo sterk waren meesttijds de legers aan wier
hoofd Condé en Turenne stonden ; terwijl de veel grootere macht,
waarmede Lodewijk XIV in 1672 Holland aanviel, ook de ver-
bazing van de tijdgenooten opwekte en als een merkwaardige
uitzondering werd aangemerkt. De legers door Willem III aan-
gevoerd waren talrijker, omdat zij bestonden uit de vereeni-
ging der legermachten van verschillende staten; en daardoor
werd ook Lodewijk XIV gedwongen om, in de Zuidelijke Neder-
landen, aan zijne vijanden sterker macht over te stellen. Die
legers, die over het lot van Europa moesten beslissen, waren
echter weinig talrijker dan het leger dat alléén het kleine Neder-
land in 1S31 en 1832 aan zijne grenzen onderhield; bij de sterkte
van Napoleon's legers waren zij niet te vergelijken.
Die mindere talrijkheid van de legers was, voor een gedeelte,
oorzaak dat de vestingen toen van grooter invloed waren dan thans.
Men kon die vestingen niet zoo ongehinderd voorbijtrekken,
dewijl men niet sterk genoeg was om eene macht achter te
laten, genoegzaam om de bezetting in bedwang te houden; men
was dus verplicht ze te belegeren en in te nemen. Er zijn uitzon-
deringen hierop; bijvoorbeeld de handeling van de Fransche
legers ten opzichte van Maastricht, in 1672. Maar men moet wel
in het oog houden, welk een groote overmacht die legers toen
hadden op hunne tegenpartij^ en buitendien dat het eene han-
deling was, die buiten elke gissing viel, die ongehoord voorkwam.
Er waren evenwel nog vele andere redenen waarom de vestingen
toen van veel meer belang geacht werden: de meerdere sterkte
die zij hadden; de langere wederstand dien zij konden bieden,
daar de aanvalsmiddelen toen nog niet die uitbreiding hadden
gekregen welke zij nu hebben; de noodzakelijkheid van maga-
zijnen te hebben, en de gemeenschap daarmede steeds open te
houden ; de aarzeling waarmede men toen tot het leveren van een
veldslag overging ; — deze en andere redenen waren aanleiding dat
men zich veel meer met belegeringen ophield dan in onze dagen.
In onze dagen zal de aanvaller, — de sterkste partij — het
vijandelijke leger opzoeken, slag leveren, en door dien éénen veld-
slag mogelijk de beslissing van den oorlog verkrijgen. Die veld-
Digitized by
Google
WIJZE VAN OORLOGVOEREN IN DE 17e EEUW. 25
slag kan nadeelig afioopen, kan verliezen veroorzaken; maar,
door middel van de volkswapeningen is men in staat om die
nadeelen spoedig te herstellen.
Vroeger was dit geheel anders: de middelen ontbraken om
de verliezen spoedig aan te vullen ; men schroomde daarom een
veldslag te leveren, waarvan het gevolg kon zijn een nederlaag
die de geslagene partij geheel weerloos maakte; een veldslag
was een uiterste, waartoe men ongaarne overging. Daarom ver-
genoegde men zich meesttijds met mindere voordeelen, met het
vermeesteren van vijandelijke vestingen, met het veroveren van
een vijandelijk gewest. Dit was het gewone doel van een veld-
tocht; als men dat doel bereikt had, was men zeer tevreden.
Bij een volgenden veldtocht werden dan, bleef men de sterkste,
die voordeelen voortgezet; en zoo duurde, jaar in jaar uit, de
oorlog voort; totdat de eene partij door hare verliezen zoozeer
verzwakt was, en de andere partij door hare inspanningen om
die verliezen toe te brengen zoo uitgeput, dat beide naar eenen
vrede haakten, die meestal door de verliezende gekocht werd
met het afstaan van eenig grondgebied. Ziedaar het beeld van
bijna alle oorlogen der zeventiende eeuw.
Men had duizend middelen om een veldslag te ontwij-
ken; men behoefde de andere partij slechts ongehinderd hare
belegeringen te laten verrichten ; of men plaatste zich achter een
terreinafecheiding ; of men verschanste zijne stelling, — eene
handeling die toen zeer gewoon was en ook groote voordeelen
opleverde; omdat, door de mindere volmaking én mindere sterkte
der artillerie, de aanval op een verschanste stelling een veel
moeielijker zaak was dan thans; en omdat de omtrekking van
een dergelijke stelling ook minder doenlijk was wegens de min-
dere beweegbaarheid der troepen. Maar zelfs wanneer het tot
een veldslag kwam, dan was die veldslag meestal nog weinig
beslissend. tDe voordeelen van eene overwinning", zegt von
Damitz, t ontstaan voor de eene helft uit den slag zelve, voor de
andere helft uit de krachtige vervolging van den geslagen vijand."
Van de tweede helft nu, die, goed gebruikt, meestal de gewich-
tigste voordeelen verschaft, moest men geheel afzien bij de veldslagen
der 17e eeuw. De ruiterij had toen niet de snelheid, om den
vluchtenden vijand met onstuimigheid te vervolgen en zijn neder-
laag te voltooien; het overwinnende leger was niet beweegbaar
genoeg om door onverpoosde marschen, door rusteloos voorwaarts
gaan, den vijand elke herzameling onmogelijk te maken. Integen-
deel: wanneer de geslagen partij nog maar bij een gedeelte van
hare macht de orde had bewaard, dan was dit genoeg om de
ruiterij des overwinnaars in bedwang te houden; geregeld, zon-
der veel verlies, verliet de geslagene dan het slagveld; de over-
winnaar, tevreden met zijn zege, dacht aan geen vervolging, en
Digitized by
Google
26 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
bleef stand houden om door vreugdeschoten zijne overwinning
te vieren-, de geslagene ging één, twee dagmarschen terug; her-
zamelde daar ongehinderd zijn verstrooide macht; en daar de
verliezen op het slagveld meesttijds slechts een onbelangrijk
verschil uitmaakten, was de geslagene partij spoedig weer in
staat den overwinnaar het hoofd te bieden. Nooit zijn er moge-
lijk . onbeslissender, nutteloozer veldslagen geleverd dan in de
17e eeuw; te vergeefs zoekt men daar naar iets, wat eenigszins
gelijkt op de groote uitkomsten die door overwinningen als Jena,
Leipzig, Waterloo, Sadowa of Sedan zijn teweeggebracht.
Het is reeds gezegd, dat dit onbeslissende van de toenmalige
veldslagen voornamelijk werd veroorzaakt door de weinige be-
weegbaarheid der legers; op dit gebrek aan beweegbaarheid
had vooral invloed de wijze waarop toen in oorlogstijd- de
legers werden gevoed en verpleegd; en deze weer werd teweeg-
gebracht door de samenstelling dier legers, waarop men altijd
terugkomt als de hoofdoorzaak van al wat in de oorlogvoering
dier tijden gebrekkig is.
Na de om wen telings- oorlogen is men weer tot het oude beginsel
der Romeinen teruggekeerd > dat de oorlog door den oorlog onder-
houden moet worden." Magazijnen zijn thans voor een leger geen
noodzakelijkheid meer. Blijft dat leger langen tijd op dezelfde
plaats stand houden, dan kan men het voeden door gere-
gelde uitdeelingen uit de magazijnen; maar wanneer het snelle
bewegingen moet doen, groote aanhoudende marschen, dan
kan het gevoed worden door de levensmiddelen, voorhanden
in de landstreek die het doortrekt. Zeker hebben Massena's veld-
tocht van 1810--1811 in Portugal, en de Russische veldtocht
van 181 2 bewezen, dat deze wijze van handelen niet goed is^
als het land waar het leger komt weinig vruchtbaar is, of door den
vijand verwoest; maar een groot aantal andere veldtochten van
deze eeuw hebben overtuigend aangetoond, dat dddr, waar men
oorlog voert in eene landstreek van gemiddelde vruchtbaarheid
en die nog niet door den vijand is verwoest of uitgeput, men
zeer goed op deze wijze kan voorzien in de voeding der legers*
De kortstondige druk welke daardoor wordt gelegd op de be-
volking van die landstreek, wordt meer dan opgewogen door
den korteren duur, welken daardoor de oorlogen erlangen, en
door het meer beslissend karakter dat zij aannemen.
Bij de oorlogen van vroegere eeuwen voedde men de legers
zóó niet, en kon men ze, mogelijk, zóó niet voeden. Zoo slecht
samengesteld als de legers toen waren, was het denkelijk niet
raadzaam, om den soldaat zelf zijne voeding bij den landzaat te
doen zoeken, daar dit aanleiding kon geven tot plundering, ge-
welddadigheden en tot roekelooze verspilling van de aanwezige
Digitized by
Google
WIJZE VAN OORLOGVOEREN IN DE 17e EEUW. 27
levensmiddelen., die juist het voortzetten van deze wijze van
voeden onmogelijk zou maken. Als bewijs hiervoor kan men aan-
hzXen^ dat de Ëngelsche legers, nu nog samengesteld zooals de
legers van vorige eeuwen, nooit op die wijze gevoed worden.
Voor de vroegere legers was dus het bezit van magazijnen,
en het behouden van de gemeenschap daarmede, een volstrekte
noodzakelijkheid. Met de grootste gevaren bedreigde men
die legers, wanneer men hunne gemeenschap met de operatie-
bazis bedreigde; want het verlies van die gemeenschap, zelfs
maar het kortstondig verlies, kon de ondergang van die legers
zijn. Willem III zag bij zijne veldtochten die zwakke zijde der
toenmalige legers zeer goed in, en meer dan éénmaal trachtte
hij daarvan partij te trekken. Bij die meesterlijke beweging
welke, op het einde van 1672, de vermeestering van Charleroi
ten doel had, was de bedoeling van den Stadhouder hoofd
zakelijk om, door het nemen van die vesting, het Fransche leger
in Holland af te snijden van zijn operatiebazis, het te berooven
van allen aanvoer van levensmiddelen, en het daardoor te dwin-
gen om Holland ijlings te ontruimen; — bij onze hedendaagsche
oorlogen zou die operatie van den Stadhouder minder beduiden
dewijl Holland vruchtbaar genoeg is om een leger te voeden;
maar in 1672, toen een leger niet anders gevoed kon worden
dan door middel van magazijnen, kon die operatie beslissend wor-
den. — Evenzoo vindt men vermeld, dat, na het opbreken van
het beleg van Maastricht in 1676, Willem III het Fransche leger
van Schomberg in de grootste verlegenheid bracht, door zich
te stellen tusschen dat leger en de Fransche magazijn plaatsen ;
door een geheimen snellen marsch omging Schomberg het leger van
den Stadhouder en herstelde zóó de gemeenschap met de opera-
tiebazis. Op die volstrekte noodzakelijkheid van het onafgebro-
ken behouden der gemeenschap met de operatiebazis moet
vooral worden gelet, wil men de strategische handelingen van
dien tijd begrijpen.
Die noodzakelijkheid veroorzaakte ook weder het grooter be-
lang van de vestingen, bracht ook mede dat men geen vijande-
lijke vesting in den rug van het leger mocht laten; want die
vestingen waren noodig om daar magazijnen aan te leggen en
te bewaren; en eene vijandelijke bezetting in den rug van een
leger kon de aanvoeren van levensmiddelen uit de magazijnen
lichtelijk aanvallen en oplichten, en daardoor het leger in de
grootste ongelegenheid brengen.
Het magazijnstelsel maakte, zooals lichtelijk te begrijpen is,
alle snelle en stoute bewegingen moeielijk of ondoenlijk, en ddAr
waar die plaats hadden, — zooals bij voorbeeld bij de reeds
aangehaalde onderneming van Willem III op Charleroi — moet
Digitized by
Google
28 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
men dit beschouwen als een uitzondering, door het genie van
den aanvoerder teweeggebracht, die reeds de voorbode was van
de krachtiger oorlogsvoering der 19e eeuw. In den regel moest
een leger zich altijd zoodanig bewegen, dat het in ongehinderde
gemeenschap bleef met zijne magazijn plaatsen, en daarvan ge-
regeld toevoer kon ontvangen; het bewoog zich dus altijd in
een zeer beperkten kring, — vooral omdat de landwegen toen
zoo schaarsch en gebrekkig waren — (met het stelsel van spoor-
wegen dat thans in geheel Europa aanwezig is, verkeert men nu
in een geheel anderen toestand). Verloor men de gemeenschap
met de eene magazijnplaats, dan was men genoodzaakt de land-
streek te verlaten ten einde een andere magazijnplaats nabij te
komen.
Dit is zóó waar, dat zelfs in de tweede helft der i8e eeuw, bij
de oorlogen van Frederik II, die regel nog volle kracht had;
zoo, bij voorbeeld, in 1757, na den slag van Kollin, brengt het
Oostenrijksche leger eenige maanden door met niets anders dan
met pogingen om, door schijnbewegingen, door marschen en
contra-marschen, het Pruisische leger af te snijden van zijne
magazijn plaatsen en het daardoor, zonder slag, te dwingen om
het oorlogstooneel te verlaten; zoo vindt men in Archenholz,
dat in een later gedeelte van den zevenjarigen oorlog, Frederik II
in Saksen nog maar ééne magazijnplaats had overgehouden, en
dus, wanneer hij deze verloor, gedwongen zou zijn om Saksen
te ontruimen. Archenholz, als krijgskundig schrijver, behoeft men
juist geen Hooge waarde toe te kennen ; maar hij was toch officier
en dus bewijst wat hij zegt, hoe algemeen nog het denkbeeld
heerschte, zelfs op het einde van de iSe eeuw, dat een leger
volstrekt niet kon blijven bestaan wanneer het geen magazijnen had.
Waren, door de hier vermelde oorzaken, de legers in de
17e eeuw zeer gebonden en beperkt in hunne bewegingen, er
waren ook andere omstandigheden die het hun onmogelijk maakten
om groote marschen te verrichten. Die legers hadden meesttijds
een aanzienlijken nasleep bij zich; en het niet strijdbare gedeelte
overtrof soms het strijdbare in getalsterkte. Natuurlijk hing dit
veel af van het bijzonder karakter van den aanvoerder; het leger
van een Turenne was, ook in ddt opzicht, veel beter dan het ver-
wijfde en ellendige leger van een Soubise; maar zelfs bij de beste
aanvoerders maakten toch de bedienden der officieren, het gevolg
der jonge edellieden, die als vrijwilligers den veldtocht mede-
maakten, soms de vrouwen, die het leger volgden, de legertros,
de tenten, levensmiddelen enz. een nasleep uit, die noodwendig
den marsch van een leger aanmerkelijk moest vertragen, en
welke men bij onze hedendaagsche legers niet kent. Onder de
vele omstandigheden die dit bewijzen, moge enkel daaraan wor-
Digitized by
Google
WIJZE VAN OORLOGVOEREN IN DE l^t EEUW. 29
den herinnerd, dat het Keizerlijke leger, dat in 1674 onder De
Souches naar de Nederlanden trok en dat 27000 man sterk was,
door niet minder dan 6000 vrouwen werd gevolgd; men stelle
zich zulk een Nomaden-troep voor! — Na het einde van een
marsch werd toen altijd een kamp opgeslagen; en alleen het
medevoeren van tentgereedschap vereischte een aantal wagens,
die, dit behoeft niet gezegd te worden, de marschen vertraagden.
Voegt men hierbij den tijd, benoodigd voor het uitkiezen en
afeteken van het kamp; den tijd, gevorderd voor het afbreken en
opslaan van de tenten; de weinige beweegbaarheid der troepen;
de kleingeestigheid waarmede men er toen op lette, dat dezelfde
troepen altijd dezelfde plaats in de slaglinie hadden, het-
geen dus dikwijls het omwisselen van de vleugels noodzakelijk
maakte, of omslachtige toebereidselen ten einde ieder gedeelte
bij het nieuwe kamp juist daar te doen aankomen waar het zijne
plaats in de slaglinie moest hebben ; dan zal men, alles samen ge-
nomen, de kleine, onbeduidende marschen van dien tijd kunnen
verklaren. Men ga, bij voorbeeld in Beaurain's geschiedenis van
den veldtocht van 1674 in de Nederlanden, de marschen na van
Condé*s leger, en men zal bevinden dat dit hoogstens marschen
van een uur of vier zijn ; zelfs vindt men daar, dat het leger der
bondgenoot en gedurende eenigen tijd geen grooter marschen
verrichtte dan van twee uren daags. Met zulke ongeschikte werk-
tuigen als de legers toen waren, kan men onmogelijk van de
aanvoerders de snelle, beslissende bewegingen van Napoleon
vorderen; even onredelijk zou dit zijn, alsof men van de groote,
onhandige Spaansche galjoenen van Filips II de snelle zeetochten
van Nelson's vloot verwachtte.
Het belang om de troepen te sparen, bracht niet alleen mede
dat de legers gedurende de krijgsverrichtingen kampeerden, maar
ook dat die krijgsverrichtingen gedurende het ongunstige jaar-
getijde afgebroken werden. Nauwelijks was de zomer geëindigd of
van weerszijden werden de krijgsverrichtingen gestaakt; men ver-
deelde de legers over eenigp garnizoensplaatsen, en daar rustten
zij gedurende den ganschen winter uit, om in het volgende
voorjaar, soms zeer laat, weer te velde te trekken. De veldtochten
van die tijden strekken zich over slechts weinige maanden van
het jaar uit. Uit afbreken van de vijandelijkheden was als het
ware een overeengekomen iets, een vaste regel; elke partij wist
vooruit, dat de tegenpartij ook zoo zou handelen; en daar, waar
hiervan werd afgeweken — zooals onder andere bij den winter-
veldtocht van Gustaaf Adolf van 1630— 163 1 in het noorden van
Duitschland — werd dit beschouwd als een ongehoorde handel-
wijze, bijna als een ongeoorloofd middel om tot de zege te
komen. Men zie onder andere nog in Archenholz, hoe deze het
Digitized by
Google
30 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
vreemd vindt, dat Frederik II in een der laatste veldtochten van
den zevenjarigen oorlog, zijne troepen zelfs 's winters te velde
deed verblijven.
Terwijl de legers dan in hunne winterkwartieren verdeeld
waren, trachtten de beide partijen elkander kleine nadeelen toe te
brengen ; dan hadden er verontrustingen, overvallingen, aanvallen
op kleine posten of op de voorpostenketen plaats, allerlei ver-
richtingen dus van den zoogenaamden kleinen oorlog. Even-
wel hadden, door de mindere uitbreiding van de lichte troepen,
de handelingen van den kleinen oorlog in de 17e eeuw nog niet
dit gewicht, dat zij in de oorlogen van Frederik II hebben ver-
kregen, en dat door de wijze van oorlogen van ónzen tijd weer
grootendeels verdwenen is.
Öe veldheerskunst van die dagen kan, in de hoofdpunten, tot
het volgende worden teruggebracht.
De eerste en groote moeielijkheid was, de legers voltallig te
maken, en te velde te brengen. Vooral was die moeielijkheid
groot, als die legers bestonden uit troepen van verschillende natiën,
uit bondgenooten die van elkander onafhankelijk waren; dan
hadden er eindelooze onderhandelingen plaats, alvorens men het
eens was over de keus van den opperbevelhebber, over het doel
dat men zich met den veldtocht voorstelde, en over het aantal
troepen dat elk der bondgenooten zou aanbrengen tot bereiking
van dat doel; vooral in ddt opzicht had Frankrijk, waar alles
door éénen wil bestuurd werd, een groot voordeel op de bond-
genooten, waar de strijdige belangen der verschillende staten dik-
wijls aanleiding gaven tot de ongerijmdste handelingen, tot de
onverantwoordelijkste tijdverspilling; en waar zelfs het genie van
een Willem III dikwijls niet in staat was om de bezwaren te
boven te komen, die hem de onkunde of de kwade trouw van
vreemde onderbevelhebbers in den weg legden ; — onder andere
is de veldtocht van 1674 in de Zuidelijke Nederlanden hiervan-
een treffend bewijs.
Waren de legers bijeen, de magazijnen in gereedheid (en ge-
woonlijk was hiermede het voorjaar reeds verloopen), dan kwamen
die legers te velde, zonder evenwel elkander dadelijk te gemoet
te trekken, en eene beslissing te zoeken door een veldslag: men
beoogde toen zulke groote uitkomsten niet; men vergenoegde
zich met kleine voordeelen, met het vermeesteren van vestingen.
De sterkste partij, de aanvaller, poogde door schijnbewegingen,
door heen- en weermarschen den vijand te misleiden en diens
leger te verwijderen van de vesting die men voornemens was
aan te vallen. Die vesting werd dan onverwachts berend, voor-
dat zij voldoende bezet en voorzien was. Soms gelukte het den
verdediger vóór dien tijd eene aanzienlijke versterking binnen
Digitized by
Google
WIJZE VAN OORLOG VOEREN IN DE ZEVENTIENDE EEUW. 3I
de vesting te werpen, en meestal zag de aanvaller dan af van
het beleg; soms ook ontdekte^ of raadde de verdediger het
voornemen van den aanvaller^ plaatste zich bijtijds tusschen
dezen en de bedreigde vesting, en verijdelde daardoor de voor-
genomen belegering; want, tot dat einde het leger van den ver-
dediger aan te tasten en slag te leveren, was een uiterst
middel waartoe de aanvaller, zelfs bij groote overmacht, zelden
overging. Was eenmaal de vesting geheel ingesloten, dan had
het beleg gewoonlijk de eindelijke overgave van de vesting ten
gevolge, tenzij de aanvaller niet de noodige middelen had om
de belegering te verrichten, of de tegenpartij met een sterk leger
tot ontzet oprukte. Dat oprukken tot ontzet geschiedde echter
gewoonlijk alleen met sterker leger; en wanneer de belegeraar
stand bleef houden^ dan trok het hulpleger meestal weer onver-
richterzake af; beide partijen schroomden evenzeer het leveren
van een veldslag; en de partij die maar de meeste stoutheid
betoonde was er bijna zeker van, de bovenhand te behouden.
Na de inneming van die eerste vesting, ging men over tot een
tweede, een derde beleg; en dan rekende de aanvaller ook reeds
genoeg gedaan te hebben; er kunnen ten minste een groot aan-
tal veldtochten aangehaald worden waarin veel minder ver-
richt werd.
De handelingen van den verdediger waren, dit ligt in den aard
der zaak, omgekeerd. De verdediger nam eene aanvankelijke stel-
ling, waardoor zijne verschillende vestingen werden beschermd;
en hij richtte vervolgens zijne bewegingen zoodanig in naar die
van den aanvaller, dat hij altijd in staat was eene bedreigde ves-
ting te redden door het bezetten van een sterke stelling tusschen
haar en den vijand; of ten minste in staat om, vóórdat die
vesting nog was ingesloten, troepen en krijgsbenoodigdheden
daarbinnen te werpen. Was eenmaal het beleg van de vesting
begonnen, dan trachtte de verdediger door verschillende mid-
delen den aanvaller te noodzaken tot het opbreken van het
beleg: soms door het bedreigen van een vesting des aanvallers;
soms door pogingen aan te wenden tot oplichting van de kon-
vooien des belegeraars — zooals het Fransche leger dit in 1708
beproefde, gedurende het beleg van Rijssel door de bondgenooten.
Soms ook door invallen te doen in het land des aanvallers, —
zooals in 1629, gedurende de belegering van 's-Hertogenbosch
door Frederik Hendrik, toen de Spaansche en Oostenrijksche legers
in Gelderland vielen — doch alleen ddn, wanneer hij door aan-
zienlijke versterkingen de overmacht aan zijne zijde had gekregen.
Het behoorde tot de zeldzaamheden, dat de verdediger, om de
belegerde vesting te redden, oprukte met het voornemen om slag
te leveren; geschiedde dit, dan was meestal de overmacht aan
zijne zijde, zooals het geval was met het Fransche leger dat in
Digitized by
Google
32 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
1676 het belegerde Maastricht ontzette; of er bestond bij den
belegeraar gebrek aan overeenstemming tusschen de verschillende
bevelhebbers, bij voorbeeld in 1674, toen de bondgenooten Oude-
naarden belegerden en Condé die plaats te hulp kwam. Bleef de
belegeraar, in weerwil van het oprukken des verdedigers, stand
houden, dan zag de laatste gewoonlijk af van alle poging tot
ontzet en trok onverrichterzake terug, — zooals dit plaats had bij
het beleg van Bouchain door Lodewijk XIV in 1676. Soms ook
had de belegeraar zich zoodanig verschanst om de belegerde
vesting, dat daardoor elke poging tot ontzet verijdeld werd; in
den tachtigjarigen oorlog vindt men een groot aantal voorbeelden
hiervan.
Dikwijls ook, dat de verdediger weinig of niets verrichtte om
de belegerde vesting te hulp te komen; en dat hij er zich toe
bepaalde met, door het zenden van toevoer aan de bezetting^
en het aantasten van de vijandelijke konvooien, den tijd van den
wederstand zooveel mogelijk te rekken. Zóó werd meesttijds ge-
handeld, wanneer de macht des verdedigers buiten verhouding
zwak was, vergeleken met de macht van den aanvaller; dan
rekende de eerste al veel te hebben gewonnen, wanneer door
het beleg van die vesting er zooveel tijd was verloopen, dat hij
zijne strijdkrachten had kunnen organiseeren, en den aanvaller
intusschen had bezig gehouden.
Ziedaar wat grootendeels de veldheerskunst van de 17e eeuw
uitmaakte. Het moet in het oog vallen, hoe eene dergelijke
wijze van oorlogvoeren in het voordeel was van den verdediger,
dewijl daardoor de beslissing steeds werd uitgesteld, en de oor-
log gerekt; maar tevens hoezeer de aanvaller tegen zijn waar
belang handelde, door zich bezig te houden met onbeduidende
ondernemingen, die den vijand slechts ongevoelige verliezen ver-
oorzaakten. De bekwame veldheer moest dus, — daar waar hij
door zwakheid tot de verdediging was gedwongen — zooveel
mogelijk zich houden aan de stelselmatige oorlogvoering van
zijn tijd; terwijl hij daarentegen als aanvaller zich zooveel
mogelijk moest vrijmaken van de banden waarmede de gebrek-
kige samenstelling van de toenmalige legers zijne handelingen
belemmerde. Wanneer men nu de door Willem III gevoerde
oorlogen zorgvuldig nagaat, bespeurt men, dat hij bijna altijd
— zoo niet door de getalsterkte, dan toch door de samenstelling
van de door hem aangevoerde legers — zwakker was dan zijne
tegenpartij, zoodat hij eigenlijk verdedigende oorlogen voerde;
in de Fransche veldheeren, die tegenover Willem lEI stonden,
kan men het dus niet zoo bijzonder prijzen, dat zij zich trouw
hielden aan de wijze van oorlogvoeren van hun tijd; maar wél
in den Nassauër, die daarin het middel vond om met zijne
zwakke legers den oorlog te blijven volhouden. Bij die weinige
Digitized by
Google
WUZE VAN OORLOGVOERIN IN DE ZEVENTIENDE EEUW. 33
gelegenheden dat de Stadhouder aanvallend te werk gaat, kan
men bij hem pogingen opmerken om zich vrij te maken van de
angstvallige strategie dier tijden, en gaat hij over tot onderne-
mingen, die groote, beslissende uitkomsten konden teweegbrengen,
— die pogingen, die ondernemingen zijn niet veelvuldig; zij
hebben niet altijd aan het doel beantwoord, maar nochtans doen
zij dikwijls eene stoutheid en eene juistheid van inzichten kennen,
welke aan die eeuw vreemd waren, en waardoor Willem III gun-
stig afeteekt bij zijne tijdgenooten.
Sprekende van de veldheerskunst der 17e eeuw, zouden wij de
veldslagen bijna vergeten; — en niet geheel ten onrechte, daar
veldslagen in die eeuw zelden plaats grijpen, weinig beslissende
zijn, en meestal geleverd worden, meer om aan de wapeneer te
voldoen, dan om daardoor groote, belangrijke uitkomsten te ver-
krijgen. — Een enkel woord over dit onderwerp zal de beschou-
wing over de krijgsvoering der 17e eeuw besluiten.
Bij een veldslag van dien tijd ziet men de wederzijdsche legers
zich eerst geregeld tegenover elkander in slagorde scharen; de
infanterie gewoonlijk in het midden, ruiterij op de beide vleugels,
geschut over de geheele slaglinie verdeeld. Na een wederzijdsch
geschutvuur gaat de eene partij tot den aanval over; de aan-
valler heeft hierbij het nadeel, dat, door de mindere beweeg-
baarheid van de toenmalige artillerie, hij de beide andere wapens,
bij het vooruitgaan, niet door zijne batterijen kan doen verge-
zellen. Zoodra echter de beide legers handgemeen worden, houdt
ook de werking op van de artillerie des verdedigers; daar dit
wapen veel moeite heeft om van plaats te veranderen, is het
meesttijds maar in het begin van den strijd werkzaam ; om dezelfde
reden gaat de artillerie van de geslagene partij dikwijls geheel
verloren, zooals dit onder andere te Neerwinden (1693) met de
artillerie van Willem III gebeurde. De aanval heeft gewoonlgk
plaats over de geheele uitgestrektheid van de slaglinie, en geeft
aanleiding tot wat men een evenwijdigen veldslag noemt:
ieder wapen, ieder regiment, valt aan op het wapen, op het
regiment, waar het tegenover staat; het strijdt daartegen; het
slaat, het vervolgt dit gedeelte, zonder zich als het ware te be-
kommeren om de andere gedeelten van het vijandelijke leger;
— vandaar dan ook, dat dewijl de slagorde van de legers zoo
dikwijls dezelfde is, meesttijds voetvolk alleen strijdt tegen voet-
volk, ruiterij alleen tegen ruiterij, en het gevecht van het eene
wapen tegen het andere veel minder voorkomt dan in den nieu-
weren tijd. De handelwijze om zich alleen te bekommeren om den
vijand dien men recht tegenover zich heeft, is zoozeer de regel
bij de veldslagen der 17e eeuw, dat óéiéx waar hiervan wordt
afgeweken, dür waar men, na het verslaan van een gedeelte
WILLEM in. — I.
Digitized by
Google
34 KRIJGS- EN GKSCHIEDiCUNDIGE BESCHOUWINGEN.
der vijandelijke macht zich niet uitsluitend bezighoudt met de
vervolging van dit geslagen gedeelte, maar zich wendt tegen
andere gedeelten die nog stand houden, — zooals Cromwell deed,
bij een van de veldslagen uit den Engelschen burgeroorlog —
men die handeling vindt vermeld als een blijk van een bui-
tengewone veldheersbekwaamheid, waaraan het behalen van
de overwinning was toe te schrijven.
Het is duidelijk dat bij zulk een aanval over het geheele
front der slaglinie de kansen op de overwinning meestal gelijk
moesten staan; want, had de aanvaller de getalmeerderheid al
aan zijne zijde, de verdediger had daarentegen zijne stelling met
zorg uitgekozen, versterkt, en de verschillende terreinvoorwerpen
bezet, die zich daar bevonden. In ddt opzicht vooral verdienen
de veldslagen der 17e eeuw bestudeerd te worden; men ziet hier
den verdediger goed gebruik maken van de veldverschansing, die
in de latere oorlogen ten onrechte is verwaarloosd, en eerst in
ónze dagen weer in eere is gekomen; en verschillende veldslagen
van de 17e eeuw bewezen reeds dat Rogniat's bekende theorie
over de verschanste slagvelden zeer goed uitvoerbaar is. Het
gebruik maken van terreinvoorwerpen heeft bijna even goed
plaats in de 17e eeuw als bij de veldslagen van onzen tijd,
en veel meer dan in den zevenjarigen oorlog; Willem III vooral
muntte uit in de bekwaamheid om eene verdedigende stelling in
korten tijd te versterken — zooals bij Neerwinden — en in het
partij trekken van terrein voordeelen, zelfs bij een on verwachten
vijandelijken aanval, zooals hij dit bij Séneffe (1674) bewees.
Dat evenwicht tusschen aanvaller en verdediger; het verrichten
van den aanval met gelijkelijk verdeelde krachten over- het ge-
geheele front der stelling; het niet afzonderen van een sterke
reserve, om daarmede, op één punt behaalde voordeelen door
te zetten, en de overwinning te voltooien; — dit alles had ten
gevolge dat die veldslagen zoo onbeslissend bleven: hier had de
eene partij voordeelen behaald; daar de andere; die zich het
zwakst rekende, trok af; maar de sterkste had geen zoo over-
wegend voordeel behaald om dien aftocht ernstig te bemoeielijken,
had geen genoegzame versche strijdkrachten bijeen om dien af-
tocht, door de vervolging, in eene vlucht te doen ontaarden.
Omtrekkende bewegingen, flankaanvallen hebben weinig of niet
plaats; hiertoe is de beweegbaarheid der toenmalige legers te
gering; daar waar zij voorkomen, zooals bij Fleurus (1690), zijn
zij toe te schrijven aan de groote overmacht van de eene partij,
en aan de groote misslagen van de andere. Dat het leger gedu-
rende een marsch wordt aangevallen, zooals bij Séneffe, behoort
tot de zeldzame uitzonderingen.
In één woord: bij de veldslagen der 17e eeuw verdienen de
handelingen der verdedigende partij somtijds bewondering, om de
Digitized by
Google
LODEWITK XIV. 35
goede wijze waarop zij stellingen weet uit te kiezen en te verster-
ken; van de aanvallende partij valt daarentegen meestal weinig
bijzonders te zeggen; tevergeefs zoekt men bij die veldslagen
dicstoate, goedberekende bewegingen, die bij de nieuwere veldslagen
voorkomen, en waardoor de massa der strijdkrachten des aan-
vallers tegen het zwakke gedeelte der vijandelijke stelling wordt
gevoerd, om op die wijze zulke voordeelen te behalen, die het
geheele leger des vijands verloren doen gaan en een oorlog ten
einde brengen. De meening van Clausewitz, dat de verdediging
voordeeliger is dan de aanval, is zeker waar voor de veldslagen
van de 17e eeuw; want toen was de aanvaller veel meer in
bet nadeel dan in onze dagen, omdat hem bij een veldslag de
twee hulpmiddelen ontbraken, die thans dikwijls de overwinning
bezorgen: een overmachtig artillerievuur, en flankaanvallen of
omtrekkende bewegingen.
HOOFDSTUK II.
LODEWijK XIV ; colbert; louvois.
De worsteling tegen de Fransche overheersching, tegen de
dwingelandij van Lodewijk XIV is de hoofdzaak in den levens-
loop van Willem III; die worsteling maakt de geschiedkundige
grootheid van den Stadhouder uit. Wil men dus die geschied-
kundige grootheid naar eisch waardeeren, dan dient men te
weten wat het Frankrijk van die dagen, wat Lodewijk XIV is
geweest. £en enkel woord daarover is hier dus noodig.
Over den vermaarden Franschen Koning is genoeg geschreven,
ook door groote schrijvers: Madame de Sévigné, Saint-Simon,
Voltaire, en zooveel anderen. Er zijn bronnen in overvloed om
er kennis uit te putten van het karakter en de hoedanigheden
van Lodewijk XIV; — wel is waar loopen de opgaven en oor-
deelvellingen over dien Koning vaak hemelsbreed uiteen; maar
juist dat is de taak van den geschiedenis onderzoeker, om die
onderling strijdige opgaven met elkander te vergelijken, aan elkan-
der te toetsen, hare waarde of hare onwaarde te bepalen, en
zoodoende tot de waarheid te komen, — of tot de waarschijnlijk-
heid. Het onderling strijdige van geschiedkundige opgaven is een
veel geringer bezwaar dan het ontbreken van die opgaven.
Onder de nieuwere schrijvers over de regeering van Lode-
Digitized by
Google
36 KRTJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
wijk XIV en vooral over de krijgshandelingen muQt Catnille
Rousset uit: zijn werk ^Histoire de Louvois^* enz. heeft groote, blij-
vende waarde. Die arbeid van Rousset zal hier gedurig worden
aangehaald, soms met instemming, soms met bestrijding; de ken-
nis der Staats- en oorlogshandelingen van Willem III wint, wan-
neer men ook het oordeel daarover verneemt van een kundig
en vrij onpartijdig Fransch schrijver.
Misschien kunnen sommige onzer lezers zich uit de Punch van
1871 een fraaie teekening herinneren, voorstellende den Duitschen
Keizer Wilhelm die op den troonzetel van Versailles sluimert,
terwijl de schimmen van twee groote Fransche vorsten met ver-
ontwaardiging op die ontheiliging nederzien. Die twee groote
Fransche vorsten zijn Napoleon en Lodewijk XIV, de twee ge-
bieders die den grootsten indruk op den geest huns volks heb-
ben gemaakt ; en toch twee mannen, zoo ongelijksoortig, dat men
haast niet begrijpt hoe zij in éénen adem genoemd kunnen
worden : Napoleon, de man uit het volk voortgekomen, de held,
de veroveraar, de krachtvolle, geniale gebieder ; en Lodewijk XIV,
wiens voornaamste verdienste daarin heeft bestaan dat hij mees-
terlijk de rol van Koning heeft weten te spelen.
Maar neen, — die uitdrukking is toch niet juist :» meesterlijk de
rol van Koning spelen", dat onderstelt iets gekunstelds, iets onwaars,
iets waaraan men zelf niet gelooft; en dat was met Lodewijk het
geval niet; hij geloofde wel degelijk aan zijne hooge koninklijke
waardigheid; hij was diep doordrongen van zijne onmetelijke
meerderheid, boven de andere menschen niet alleen, maar zelfs
boven de andere Koningen. »De Fransche Sultan", zoo
heeft Helmers hem genoemd, en in die uitdrukking ligt veel
waarheid. Lodewijk beschouwde zich als een hooger wezen; alles
moest hem huldigen en voor hem buigen ; zijn gunst te erlangen,
dat moest het doel zijn van aller streven; hem te weerstaan,
hem ongehoorzaam te zijn, dat was iets ongehoords, iets ge-
drochtelijks, dat evenzeer zijne verbazing als zijn toorn opwekte.
Zijn groote tegenstander Willem III heeft hij langen tijd beschouwd
als niets meer dan een soort van rebel, die misschien alleen uit
vrees voor- gerechte straf in zijn opstand bleef volharden , maar
die altijd weer te winnen zou zijn zoodra Lodewijk hem in ge-
nade wilde opnemen.
Dat diep gevoel van alles beheerschende grootheid werd in
den Franschen Koning gevoed door de slaafsche afhankelijkheid
van het Fransche volk. Wanneer van het Fransche volk uit de
dagen van Lodewijk XIV gesproken wordt, dan moeten daar-
onder alleen verstaan worden de hoogere standen, de adel, de
hooge krijgsbevelhebbers en staatsbeambten, de parlementen, de
hovelingen die zich in den zonneglans van het Koninklijk gezag
Digitized by
Google
LODBWUK XIV. 37
koesterden; dat alleen maakte toen het Franschevolk uit; al het
andere telde niet mede; al het andere bestond uit manants en
roturiers^ wier roeening of gevoelen men nooit raadpleegde. Niet
zeldzaam was het tijdens Lodewijk's regeering, dat die burgerstand,
het eigenlijke volk, gekrenkt door onverdiende minachting en zwoe-
gende onder onduldbare lasten, begon te morren, in verzet kwam
en tot openlijken opstand oversloeg; — maar dan werd die op-
stand met de meeste onverbiddelijkheid te keer gegaan, en op
zoo wreede wijze gestraft als men nog in onze eeuw in Rusland
een opstand der lijfeigenen heeft onderdrukt, of op Jamaica een
opstand der negers; men leze in de brieven van Madame De
Sévigné en bij anderen, hoe in die dagen in Bretagne of in
Auvergne recht werd geoefend, en hoe die geestige vrouw met
de meeste onverschilligheid dé gruwelijke wreedheden vermeldt
waaraan zich toen landvoogden en gerechtshoven schuldig maak-
ten. Galeien, galg en rad hielden toen het Fransche volk nog in
toom; — een eeuw later zou de wraak van dat volk het hoofd
doen vallen van Lodewijk's onschuldigen nazaat.
De grooten, de edelen, de aanzienlijken, zij die Lodewijk om-
gaven, bogen zich voor hem als voor een soort van Olympischen
Jupiter, als voor een hooger wezen, in welks minste handelingen
iets groots en goddelijks was gelegen; de muitzieke helden van
de Fronde waren de meest gedweëe hovelingen geworden. De
hooge geestelijkheid moge misschien tegen den Koning een on-
afhankelijken toon hebben gebezigd; toch, wanneer Bossuet in
zijne welsprekende taal de waarheid verkondigde dat de vorsten
aan het Opperwezen ond'erdanig zijn, was hij nochtans vleier ge-
noeg om er dadelijk bij te voegen, dat die vorsten ook alleen
God boven zich hadden:
«Celui qui règne dans les cieux, et de qui relèvent tous
les empires, k qui seul appartient la gloire, la majesté et
rindépendance, est aussi Ie seul qui se glorifie de faire la
loi aux rois, et de leur donner, quand il lui plait, de
grandes et de terribles legons."
Bossuet. Oraison funèbre de la reine d' Angleterre.
De vleierij van Bossuet en zijns gelijken moge een kleed van
waardigheid hebben aangenomen, het was en bleef toch vleierij ;
maar zij had niet dat kruipende, dat zelfverlagende, dat de vleierij
van Lodewijk*s hovelingen kenmerkte. Het is bij onze heden-
daagsche begrippen moeielijk te gelooven of te begrijpen, hoe
destijds een Lodewijk XIV als een afgodsbeeld werd vereerd, en
de minste zijner handelingen, en het voldoen aan alledaagsche
'lichamelijke behoeften, in de oogen van zijne hovelingen met
majesteit was omgeven. Men kan zich Napoleon of Frederik II
desnoods nog voorstellen, op gemeenzame wijze sprekende of
schertsende; bij Lodewijk XIV is dit iets onmogelijks: men kan
Digitized by
Google
38 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
hem zich niet anders verbeelden dan omgeven met statigheid,
met vorstelijke waardigheid, als een halfgod, die altijd aangebeden
wil zijn, niet als een Koning, maar als de Koning, den man
voor wien de wereld zich moet buigen.
Welk oordeel moet men vellen over Lodewijk XIV? — Lees zoo
veel geschiedschrijvers als gij wilt, ieder die van hem gewaagt
spreekt verschillend over hem. Voltaire, in zijn » Siècle de Louis
XIV", geeft een zeer gunstig beeld ; — te gunstig, te gevleid, te
eenzijdig. In SaintSimon's gedenkschriften is het beeld reeds
somberder getint, en komt de onbegrensde zelfzucht van den
Koning uit. Michelet en andere demokratische schrijvers van den
nieuweren tijd schilderen hem veel slechter af; bij sommige
dier schrijvers is hij niets anders dan een gewetenlooze dwinge-
land, wiens naam aan verachting en verfoeiing moet worden
overgeleverd.
Wat is hiervan waar? Misschien zal men, om Lodewijk XIV
te rechtvaardigen, aankomen met die bekende woorden van
Madame De Staël: >tout comprendre, c'est tout pardon-
ner." Maar die woorden zijn eene machtspreuk, eene valsche
stelling, meer niet. » Alles begrijpen", — o ja dat is zeer goed;
daarnaar moet men streven; als men alles begrijpt, dan kan
men alles verklaren; maar daaruit volgt geenszins het »alles
vergeven." Kent men de aanleiding en de oorzaken van de
eene of andere handeling, dan kan men daardoor vaak verzach-
tende omstandigheden vinden voor die handeling; maar daarom
nog geen rechtvaardiging. Elke overtreding van de eeuwige wetten
van recht en menschelijkheid moet veroordeeld worden; men
mag nooit onverschillig zijn voor goed en kwaad.
Lodewijk was oprecht in het geloof aan zijne eigene grootheid;
dit verklaart zeer veel bij hem; het kwam niet in hem op, er
aan te twijfelen of hij wel het recht had om met de meeste
willekeur over zijne onderdanen te beschikken, en geweld en
onderdrukking ten aanzien van vreemde vorsten en volkeren
te baat te nemen; dat recht stond bij hem vast. Wanneer hij Genua
in brand liet schieten, of de Paltz verwoesten, of de meest onge-
rechte oorlogen aanving, dan had geen mensch daarover iets
te zeggen: hij wilde het, dus moest de wereld daarmede genoe-
gen nemen. Het intrekken van het Edikt van Nantes, de dra-
gonnades, de vervolgingen tegen de Protestanten — dat zijn
gruwelen geweest, die niemand mag verdedigen of verontschul-
digen; bij een Filips II zouden die gruwelen het gevolg zijn ge-
weest van onbegrensden ijver voor een kerkleer, van blinde
dweepzucht; die drijfveeren mogen gewerkt hebben op sommige
raadgevers van Lodewijk, op hem zelf niet: Lodewijk* herriep
het Edikt van Nantes, eenvoudig omdat hij, in de volheid zijner
Koninklijke macht, geheel en al het recht daartoe meende te
Digitized by
Google
LODEWIJK XIV. 39
hebben; en indien hij, ter wille van de eenheid van zijn rijk,
bepaalde dat al zijn onderdanen een en denzelfden godsdienst
beleden, dan was dit bij hem een even gewone handeling als
de handeling van den bevelhebber van een regiment die wil dat
al zijn soldaten op dezelfde wijze gekleed zullen zijn.
Op die wijze kan men de slechte handelingen van Lodewijk XIV
begrijpelijk maken, door de denkwijze aan te geven die bij hem
heerschende was; maar die denkwijze was te veroordeelen, en
die handelingen blijven misdaden. Toch vordert de billijkheid, te
erkennen, dat er bij dit alles in Lodewijk een gevoel voor groot-
heid was, dat een betere natuur kenmerkt. In 1672, toen ons
land Onder water werd gezet om de Fransche tirannie te kunnen
weerstaan, ontlokt die handeling aan den Koning een betuiging
van bewondering over zooveel heldengeest; en toen, in de
laatste jaren van den Spaanschen successie-oorlog, de hand van
het ongeluk zwaar op hem drukte en de wapenmacht zijner
vijanden het uitgeputte Frankrijk teisterde, weigerde hij stand-
vastig en op echt-Koninklijke wijze om den vernederenden vrede
aan te nemen dien men hem aanbood. Hij was toen grooter
dan in de dagen van zijn roemrijksten voorspoed.
Uit Rousset's geschiedenis van Louvois kan men menig voor-
beeld aanhalen van de willekeur en het geweld waarmede Lode-
wijk XIV ten aanzien van vreemde volken en vorsten te werk ging.
In 1670 vermeestert Lodewijk XIV Lotharingen, tegen alle
recht en billijkheid in. Nu zou men zeggen: dan heeft toch wel
Lotharingen het recht om zich te verdedigen tegen die gewel-
denarij, zelfs zich te verdedigen op onregelmatige wijze, door
volkswapening of andere middelen die tot de ongeregelde wijze
van oorlogen behooren. Volstrekt niet; zelfs aan de geregelde,
wettig bestaande krijgsmacht van den Hertog van Lotharingen
wordt het verboden om haar land te verdedigen; en met eene
ongeloofelijke onbeschaamdheid wordt er gedreigd, dat men die
verdediging als een zware misdaad zal straffen. Zie hier wat
Louvois den 21 September 1670 aan den Maarschalk De Créqui
schrijft :
> Zijne Majesteit heeft in overweging genomen, dat de versterkte
steden van den Hertog van Lotharingen (de M. de Lorraine)
slecht voorzien zijn, dat zij volstrekt niet op hulp kunnen reke-
nen, en dat dus die steden te verdedigen eene vermetelheid is die
een voorbeeldige straf verdient. Zijne Majesteit heeft daarom be-
sloten, dat al wat men daarin vindt aan ruiters, soldaten, militie
(élus), en ingezetenen van Lotharingen, die aan de verdediging
hebben deelgenomen, naar.de galeien moet worden gezonden,
wanneer zij, veertien dagen na de overgave, niet een losgeld heb-
ben betaald van honderd kronen per hoofd. Wat den Franschen
Digitized by
Google
40 KRIJGS- EN GESCHIED ICUNDIGE BESCHOUWINGEN.
aangaat, die zich daaronder bevinden, die moeten worden opge-
hangen, alle, als er niet veel zijn, en anders van de tien man
één, en de overigen naar de galeien worden gezonden. En wat
den Lotharingschen officieren aangaat en den edellieden, die moeten
in de gevangenis worden gezet, en de edellieden op losgeld
worden gesteld, naarmate dat zij vermogen hebben om te beta-
len; doen zij dit niet, dan moeten hunne huizen onder den voet
worden gehaald. Zijne Majesteit wil dat van de Lotharingsche
militie de huizen worden verbrand, ten minste één in ieder dorp,
en, opdat dit voorbeeld te meer indruk make, moet men
het huis van den rijksten inwoner van het dorp uitkiezen. Wat
den Franschen officieren aangaat die men bij de Lotharing-
sche troepen vindt, de Koning wil dat de korpskommandant
worde opgehangen, met al zijne officieren, als er niet meer dan
vijf of zes zijn; zijn er meer, dan moet er van de twee een
worden gehangen, en de anderen naar de galeien gezonden. Al
het voorgaande moet met groote stiptheid worden uitgevoerd."
(Rousset, ie deel bl. 300 — 301).
De schrijver laat er echter op volgen:
«Gelukkig voor de eer van Lodewijk XIV en van Louvois,
maar dank zij het krachtige verzet van De Lionne" (een van
Lodewijk's bekwaamste en beste staatsdienaars, kort daarop ge-
storven) » werden die verfoeielijke bevelen, der zeventiende eeuw
onwaardig, niet ten uitvoer gebracht; naar Louvois' zeggen had
men ook geen voornemen om ze uit te voeren; het was eene
bedreiging, meer niet . . . ."
Aan dat laatste valt te twijfelen wanneer men opmerkt wat
er in 1672 gebeurd is. — Voor het overige moet men hierbij
niet uit het oog verliezen, dat Lotharingen toen geen Fransch
gewest was, maar geheel op zichzelf stond; de hertog van Lo-
tharingen was toen een onafhankelijk vorst. Toen Napoleon in
1809 dreigde den generaal de Chasteler, het hoofd van den opstand
in Tyrol, te zullen laten fusilleeren, onder de valsche bewering
dat hij een Fransch onderdaan was, was dat al erg genoeg;
maar de handeling van Lodewijk XIV ten aanzien van de
Lotharingers laat die gewelddaad van Napoleon verre achter zich.
Denkt men soms dat de regeering van Lodewijk XIV zeer kiesch
was in de middelen, die zij ten nadeele van hare vijanden aanwendde?
— Voor moord, zelfs voor sluipmoord, deinsde zij niet terug.
In het begin van 1674 vergadert er een soort van vredes-
congres te Keulen. Een van de handelende personen daar —
al was het zonder officieel karakter — was een Baron De L'Isola,
een Edelman 'uit Franche-Comté, die dat gewest had verlaten
toen het door de Franschen werd veroverd, en die een hevige
vijand was gebleven van Frankrijk en van Lodewijk XIV. In
Digitized by
Google
LODEWIJK XIV. 41
het tweede deel van Rousset's werk, bladzijde 3, komt het vol-
gende voor over een bevel, door Louvois gezonden aan D'Estrades,
toen gouverneur van Maastricht, dat het jaar te voren door de
Franschen genomen was.
>Het is zeer waarschijnlijk — schreef hij hem den i6en Januari
1674 — dat de Baron De L'Isola spoedig Luik zal verlaten om
naar Keulen terug te keeren. Het is van veel belang om zich
meester te maken van zijn persoon, en zelfs is er niet veel aan
verbeurd om hem te dooden, als hij of de zijnen weerstand
bieden; want het is in zijn spreken een onbeschaamd wezen,
dat al zijne bekwaamheid, waarvan hij niet misdeeld is, aanwendt
met een rustelooze woede ten nadeele van Frankrijk 's belangen.
Gij kunt u niet voorstellen hoeveel gij zijn Majesteit welgevallig
. zoudt zijn {combien vous feriez votre cour ^ Sa Majesté) als gij
dien aanslag kondt uitvoeren bij Llsola's terugreis." — Rousset
voegt er bij: » gelukkig bespaarde Llsola's voorzichtigheid die
misdaad aan Louvois, aan Lodewijk XIV en aan Frankrijk...,"
Maar, zal men zeggen, dit is bij een voornemen gebleven, het
is tot geen begin van uitvoering gekomen; en bovendien was
het vermoorden van L' Isola maar iets voorwaardelijks, het werd
niet gebiedend voorgeschreven; alleen werd D' Estrades tot dien
moord aangezocht: hij zou daardoor «Zijne Majesteit welge-
vallig" zijn. Gewelddadige handelingen lagen ook in den geest
van dien tijd. Zoo wordt op datzelfde Congres van Keulen een
der onderhandelaars, vorst Wilhelm von Fiirstenberg, een aan
Frankrijk verkochte Duitscher, door keizerlijke officieren opge-
licht en naar Weenen vervoerd. Het Congres gaat daarop uiteen.
Ziedaar wat men misschien kan aanvoeren ter verontschuldi-
ging van dien aanslag tegen L' Isola; maar ziehier erger.
In 1692, tijdens den veldtocht in de Zuidelijke Nederlanden,
was het niet alleen op het slagveld van Steenkerke dat het leven
van Willem III gevaar liep; het werd ook bedreigd door sluip-
moordenaars. Een Fransch kolonel van de dragonders, nog wel
een edelman — zijn naam was Grandval — , een Antoine Dumont,
en anderen^ hadden reeds geruimen tijd het voornemen gekoes-
terd om Willem III te vermoorden, hetzij op eene der jachtpar-
tijen op het Loo, hetzij in eene der legerplaatsen in Braband. De
moordenaars stelden zich in verstandhouding met Louvois, en
na diens dood met zijn zoon en opvolger Barbésieux; zij ont-
vingen van dezen aanmoediging en ondersteuning, ook van het hof,
van Madame De Maintenon en van den verdreven Engelschen
Koning Jakobus; Luxembourg, die toen het Fransche leger aan-
voerde in de Zuidelijke Nederlanden, ontving bevel om de schel-
men bij hun aanslag behulpzaam te zijn door eene afdeeling
ruiterij uit te zenden tot bescherming van hunne vlucht, zoodra
Digitized by
Google
42 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
zij Koning Willem in zijn legerkamp vermoord zouden hebben;
— in één woord, men kan gerust zeggen dat de Fransche regeering
medeplichtig was aan het feit. De aanslag werd verijdeld, door-
dien Dumont, tot inkeer gekomen, den toeleg openbaarde; Grand-
val, gevat en door een krijgsraad gevonnist, werd den i3en Augustus
1692 gehangen en gevierendeeld; en het vonnis, door dien krijgs-
raad uitgesproken, werd openbaar gemaakt en heeft van Fran-
sche zijde nooit tegenspraak ondervonden. Men kan dus de
medeplichtigheid van Lodewijk*s regeering aan die misdaad als
bewezen aannemen. — De bijzonderheden omtrent dien aanslag
van Grandval vindt men bij verschillende schrijvers van dien
tijd; ook in Wagenaar, zestiende deel.
Lodewijk XIV rekende zich tot alles gerechtigd ten aanzien
van de andere mogendheden; en hij handelde alsof die mogend-
heden geheel en al van hem afhankelijk waren, en hij op hun
grondgebied even ongehinderd justitie en politie mocht oefenen
als in zijn eigen land. Een Franschman, zich noemende graaf van
Serdan, of van Saint Paul, was in 1681 sedert eenige jaren te
Amsterdam gevestigd en had daar zelfs het burgerrecht verkre-
gen ; hij werd aan het Fransche hof — terecht of ten onrechte —
van zware misdaden beschuldigd; en niets was dus natuurlijker
geweest dan dat men aan de Staten zijn uitlevering had gevraagd ;
misschien had men die uitlevering verkregen; want in dat op-
zicht waren de regeerders van de Republiek veel te toegevend,
toegevend tot zwakheid en oneer toe: getuige zoo menig feit<,
van de uitlevering van de rechters van Karel I in de dagen van
De Witt tot aan de uitlevering van Mirabeau en van zijne min-
nares in het laatst der vorige eeuw door de stad Amsterdam.
Maar Lodewijk XIV achtte het zelfs beneden zich om die uit-
levering te vragen: hij zond, doodeenvoudig, een officier met
negen dragonders uit Iperen — toen een Fransche vesting —
naar Holland, om daar dien graaf De Serdan op te lichten en
naar Frankrijk weg te voeren.
Ditmaal echter ging de vlieger niet op. De Staten, onderricht
van den toeleg, lieten dien officier en zijn dragonders vatten,
toen zij in het begin van December 1681 te Rotterdam kwamen
en in Den Haag voor het hof van Holland terechtstellen.
D'Avaux, de Fransche gezant, bewoog hemel en aarde om de
rechtspleging te doen staken, en den officier en zijne dragonders te
doen ontslaan ; maar ditmaal bleven de Staten standvastig hun recht
handhaven. Het Hof van Holland sprak een vonnis uit, waarbij
de officier veroordeeld werd om onthoofd te worden, en de dra-
gonders om tien jaar in een » rasphuis" door te brengen." Men
had alles gereed gemaakt om dit vonnis uit te voeren. Op de
strafplaats stond reeds eene kist, met zwart laken bekleed, voor
den luitenant. Doch kort nadat de veroordeelden hunne sententie
Digitized by
Google
LODEWUK XIV. 43
hadden hooren lezen, werd hun allen uit naam der hooge over-
heid vergiffenis aangekondigd" (Wagenaar). Billijk ook; want de
arme drommels, die niets deden dan gehoorzamen aan de ont-
vangen bevelen, hadden toch eigenlijk geen schuld ; de schuldige
was Lodewijk XIV; en hem gold de oneer van dit vonnis.
Uit de briefwisseling, toen door Willem III gevoerd met zijn
schoonvader, den Hertog van York, — later Koning Jakobus II —
blijkt, dat deze van meening was, dat het eigenlijke doel van de
afzending dier Fransche dragonders was het oplichten van den
Stadhouder zelven. Voor die meening schijnt echter geen grond
te bestaan.
Dit is niet de eenige keer geweest dat Lodewijk XIV zijne
vijanden of de menschen die zijn misnoegen hadden opgewekt,
op vreemd grondgebied wilde doen oplichten; dit was bij hem
geene ongewone handeling; en Napoleon, toen hij door zijne
handlangers den ongelukkigen Hertog van Enghien op Baden-
schen grond deed vatten, kon zichmethet voorbeeld van t/^^r^i?^
RoP* verontschuldigen; — indien het ooit verontschuldiging kan
zijn voor eene misdaad, dat zij vroeger reeds is gepleegd.
Omstreeks 1679 is Lodewijk XIV in onderhandeling met den
Hertog van Mantua over het afstaan van de vesting CasaI aan
Frankrijk. Die onderhandeling vlot aanvankelijk niet ; en weldra
ontdekt de Fransche regeering dat Mattioli, de eerste Minister van
den Hertog van Mantua, hierbij op eene slinksche, oneerlijke
wijze te werk ging. Lodewijk, verbitterd over dat bedrog, wil
dien hoon ten strengste straffen. Maar Mattioli is geen Franschman ;
Mattioli is zijn onderdaan niet, maar de Staatsdienaar van een
vreemd en onafhankelijk vorst; — dat doet er niets toe: Mattioli
heeft den Koning van Frankrijk beleedigd, en de Koning van
Frankrijk wreekt zich zonder tusschenkomst van anderen. De Ita-
liaansche minister, zich te Turijn bevindende, wordt onder een
schooDschijnend voorwendsel buiten die stad gelokt ; en — toch
altijd op Italiaansch grondgebied — gevat en naar Frankrijk ge-
bracht door eenige ruiters, aangevoerd door Catmat, die hier de
weinig vereerende rol van gerechtsdienaar op zich nam. Die aan-
slag had plaats zonder dat iemand er zich meê moeide, of er tegen
opkwam; het gebeurde bleef in duisternis en geheimzinnigheid
gewikkeld; en de ongelukkige Mattioli, naar de vesting Pignerol
vervoerd, bracht zijne overige levensjaren in een Fransche Staats-
gevangenis door. — Naar Rousset's meening zou ide man met
het ijzeren masker" niemand anders zijn geweest dan Mattioli ; die
meening komt echter weinig overeen met wat in Voltaire over
dat raadselachtig wezen voorkomt, waar men vermeld vindt dat
zelfe Louvois, de alvermogende Minister, altijd diepen eerbied
voor den gevangene betoonde, en hem altijd aansprak in staande
Digitized by
Google
44 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
houding. Het is weinig waarschijnlijk dat Louvois zooveel vor-
men zou in acht genomen hebben ten aanzien van den gevallen
minister van een klein, onbeteekenend Italiaansch vorst.
Nog een ander voorbeeld van het weinige ontzag dat Lodewijk XIV
had voor het volkenrecht en voor de gezanten van vreemde
mogendheden, blijkt uit het gebeurde met Heinsius, die later
als Raadpensionaris een zoo groote rol heeft vervuld en tijdens
den Spaanschen Successie-oorlog met Marlborough en Prins
Eugenius het lot van Europa in handen hield. In het derde deel
van Rousset*s werk, bladzijde 211, zegt die schrijver, na vermeld
te hebben dat in 1680 het Prinsdom Oranje tegen alle recht in
bezit was genomen door Lodewijk XIV:
>Toen de verontwaardigde Willem III zijn vriend Heinsius
naar Parijs zond, niet om een gunst te vragen maar recht, werd
dat recht hem geweigerd; zelfs vindt men in de gedenkschriften
van Torcy, dat, na een levendigen woordentwist, Louvois den
gezant van den Prins van Oranje dreigde, hem in de Bastille
te laten zetten. Toen Heinsius, twintig jaar later, de erfgenaam
was geworden van de macht en de vijandige gezindheid van
Willem den Derde: toen hij HoUand's hoogste Staatsdienaar was
en het hoofd van »de groote alliantie", wreekte hij dien hoon
op geduchte wijze, niet op Louvois, die reeds gestorven was,
maar op Lodewijk XIV en op Frankrijk."
Als het waar is wat De Torcy hier vermeldt, dan wordt hierdoor
verklaard de onverbiddelijke trotschheid waarmede Heinsius, tijdens
den Spaanschen Successie-oorlog, weigerde met Frankrijk vrede
te sluiten, anders dan op voorwaarden zóó vernederend dat zij
daardoor onaannemelijk waren. Te verontschuldigen is daarmede
die handeling van Heinsius evenwel niet, die onze Republiek
toen groot nadeel heeft berokkend.
Onwaarschijnlijk is het niet, dat de Fransche regeering toen
op zoo beleedigende wijze is te werk gegaan ten aanzien van den
gezant eener vreemde mogendheid; de vreemde vorsten zelven
werden door Lodewijk even weinig ontzien; hij ging openlijk
te werk, alsof zij zijne minderen, zijne ondergeschikten waren;
hij sprak tot hen als gebieder, evenals Napoleon na Jena tegen
de Duitsche vorsten sprak. Overal was, in den bloeitijd van
Lodewijk's regeering, zijne macht overwegend. In Duitschland had
de Fransche Koning overal vorsten bezoldigd en hooge staats-
beambten omgekocht; de keurvorst van Brandenburg — hij, die
in de geschiedenis onder den naam van »de groote Keurvorst"
voorkomt — trok herhaaldelijk Fransch geld en schreef dan
ook soms op den onderdan igsten toon aan Lodewijk ; en Leopold^
de Duitsche Keizer, had nu eens de Fransche wapenmacht
Digitized by
Google
LODEWUK XIV. 45
noodig om de Turken te wederstaan, en dan weer vreesde hij
dat Frankrijk's ongenoegen hem de Turken en de opstandelingen
van Hongarije op den hals zoude halen. Ook in Zwitserland deed
zich de Fransche invloed gelden-, met de Noordsche mogend-
heden, Denemarken, Zweden en Polen, was het niet beter gesteld.
Rusland telde toen nog niet mee. De twee laatste vorsten uit
het geslacht der Stuarts, Karel II en Jacobus II, de ellendigste
Koningen die Engeland ooit heeft gehad, stonden in Fransche
soldij; en de schaamteloosheid van die Koningen werd alleen
geëvenaard door de schaamteloosheid van de hoofden der oppo-
sitie in het Engelsche Parlement, die ook door Lodewijk werden
betaald, ten einde hen, zoo noodig, tegen hun Koning te doen
handelen. De Spaansche monarchie behoefde -evenmin te worden
ontzien; het was een geheel uitgeput lichaam: trots en onmacht.
In Italië werd zelfs de Paus niet ontzien, en moest deze de ergernis
dulden dat de Fransche gezant met eenige honderden gewa-
penden in Rome optrad, om in het stadsgedeelte dat hij be-
woonde als meester te gebieden; en de jonge Hertog van
Savoye werd als een kind geringeloord, wanneer hij het maar
waagde om zonder Lodewijk's toestemming een kort uitstapje
naar Venetië te maken en daar de genoegens van het karnaval
bij te wonen.
Is het wonder dat, bij zulk eene gesteldheid van de toenma-
lige hoven van Europa, bij zoo onbeduidende vorsten en hooge
staatsbeambten Lodewijk XIV zich gerechtigd achtte om overal
als meester te spreken ; en is het wonder dat hij zich verbaasde,
dat Willem de Derde niet naar zijn gunst dong, en het niet als
een groote eer beschouwde, toen Lodewijk hem een zijner onechte
dochters tot vrouw aanbood!
Een enkel staaltje, een onbeduidend iets als men wil, zal het
duidelijk maken, op welk een minachtende en despotische wijze
Lodewijk XIV toen, ook ten aanzien der vorsten, te werk ging.
In 1684 reist een hertog van Mecklenburg naar Frankrijk,
zonder eenig staatkundig doel, enkel voor zijn genoegen, enkel
om zich te vermaken. Ongelukkig voor dien Duitschen vorst was
hij toen in geldelijke moeilijkheden gewikkeld met Denemarken,
dat zich over hem bij Lodewijk beklaagde. Lodewijk trekt partij
voor Denemarken, en matigt zich het recht aan om den slech-
ten betaler te straffen. Zoodra de Hertog in Frankrijk komt,
wordt hij zonder de minste plichtplegingen opgepakt, naar het
kasteel van Vincennes gebracht, en daar drie maanden lang ach-
ter slot en grendel gehouden. De zaak had verder geen ge-
volgen: niemand verhief zich tegen die handeling, die men als
zeer gewoon en zeer geoorloofd scheen te beschouwen.
Digitized by
Google
46 KRIJGS- £N GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Groote veldheeren heeft Lodewijk XIV om zich heen gehad;
ook bekwame, uitstekende staatsmannen. De twee grootste van die
staatsmannen waren Colbert en Louvois; zij zijn eigenlijk de twee
grootviziers geweest van den Franschen Sultan.
Van die twee is Colbert de beste geweest; — misschien was
het juister om te zeggen: de minst slechte. Colbert heeft, onte-
genzeggelijk, veel goeds gesticht; voor landbouw, handel, nijver-
heid, zeevaart, het scheppen van eene oorlogsvloot heeft Colbert
zeer veel gedaan, 't Is waar, niet alles wat hij deed was ver-
standig en goed; hij deelde in de dwalingen en vooroordeelen
van zijn tijd; een genie als Jan de Witt kon de beginselen van
vrijen handel in zich opnemen; voor Colbert gingen die te ver;
hij bleef hechten aan het stelsel van beschermende rechten, van
afsluiting, van kunstmatige nijverheid, hij was te veel voorstander
van dwang en gezag; hij was te veel van zijne eeuw. Maar men
moet iemand beoordeelen, ook naar de meeningen die in zijn
tijd de heerschende zijn ; en doet men dat, dan zal men Colbert's
uitstekendheid als landsbestuurder huldigen; in vele opzichten
moet Frankrijk hem erkentelijk zijn.
Colbert, hoe uitstekend ook als staatsman, was toch geen onaf-
hankelijk karakter en moest altijd een onderdanig hoveling van
den Koning blijven ; er zijn toestanden die iemand noodwendig in
waarde doen verminderen; men kon geen minister van Lodewijk
XIV blijven, zonder tevens zijn vleier te zijn. Men moet zich
dus niet verwonderen, dat de taal van den minister tegen den
Koning soms zoo kruipend is, dat zij weerzin inboezemt. Zelfs be-
wees Colbert zijn meester soms diensten, die geen man van eer moet
bewijzen. Eene van de bijzitten des Konings, de markiezin De
Montespan, had een man die niet al te geduldig was uitgevallen;
zich met een zweep wapenende, kwam hij eens bij zijne vrouw,
en kastijdde haar op ongemanierde wijze. Natuurlijk dat dit de
trotsche markiezin niet beviel; evenmin beviel dit haren konink-
lijken minnaar; die lastige echtgenoot moest dus verwijderd
worden. Colbert werd daartoe aangezocht, en Colbert voldeed
hieraan zonder eenige zwarigheid te maken. Dat deed de hoogst
geplaatste staatsdienaar in Frankrijk, de man van rusteloozen
ijver, van groote bekwaamheid, van genie; — zou men, in onze
dagen, zoo iets voor mogelijk achten?
Colbert had de hooge betrekking, die hij vervulde, ook juist
niet op zeer lofwaardige wijze verkregen: zijne verhef&ng was
de vrucht geweest van kuiperijen, van handelingen die het dag-
licht niet mogen zien. In de eerste jaren van Lodewijk's regeering
was Fouquet de alvermogende minister; het zou geheel in strijd
zijn met de waarheid, het bestuur van dien man goed te noemen ;
integendeel, het is zoo goed als bewezen, dat hij zich met mil-
lioenen verrijkt had ten koste van het land ; maar, had Frankrijk
Digitized by
Google
COLBERT. 47
toen veel eerlijke landbestuurders ? Het is ook niet door zijn
oneerlijkheid dat Fouquet is gevallen; hij is gevallen omdat hij
te groote macht had, omdat dit den Koning wantrouwen inboe-
zemde, omdat die Koning zich gekrenkt achtte door de grootsche
weelde die een onderdaan ten toon spreidde, en eindelijk, omdat
die onderdaan wel eens de stoutheid had om als medeminnaar
van zijn Koning op te treden; — want vooral in dit tijdvak
van de Fransche geschiedenis valt overal de invloed der vrouwen
op te merken.
Twee mannen, door haat en eerzucht geprikkeld, waren de
voornaamste oorzaken van Fouquet's ondergang ; het waren Colbert
en Letellier, de vader van Louvois. Het kostte hun weinig moeite
om Lodewijk XIV voor zich te winnen; en er had als het
ware eene langzame en zeer geheime samenzwering plaats tegen
den machtigen Minister; het schijnt dat Lodewijk toen nog
te weinig verzekerd was van zijne onbeperkte macht om open-
lijk en rechtstreeks zijn hoogen staatsdienaar te doen terecht-
stellen. Zóó ver zelfs dreef de Koning de veinzerij dat, toen het
reeds bij hem vaststond dat Fouquet moest vallen, hij nog deel
nam aan de luisterrijke feesten, door dien Minister op zijn kas-
teel van Vaux gegeven ; een tooneelstuk van Molière, Les fdcheux^
werd hier voor de eerste maal gespeeld. Kort daarop werd
Fouquet in hechtenis genomen, en, na een rechtsgeding dat jaren
duurde en waarbij hij ternauwernood een doodvonnis ontkwam,
lot levenslange gevangenisstraf veroordeeld. Of de ongelukkige
in den kerker is gestorven, of in het allerlaatste van zijn leven
nog in vrijheid is gesteld, — daarover loopen de berichten uiteen ;
men weet niet eens hoe de man is gestorven, die lange jaren
een geheel rijk zijn gezag deed ontzien.
Dat Fouquet bij al zijn gebreken ook goede en schitterende
hoedanigheden had, blijkt uit het groot aantal vrienden die hij
zich had weten te verwerven, en waarvan de edelsten hem trouw
bleven, ook na zijn val — Madame De Sévigné behoort daar-
onder. Colbert, die, uit zucht om zich te verheffen en uit haat,
op de meest arglistige wijze gewerkt had aan den val van den
minister die hem in den weg stond, werd daardoor het voorwerp
van de rechtmatige vijandschap van Fouquet's vrienden ; een hun-
ner, Hénault, maakte toen het navolgende klinkdicht tegen Colbert :
,.Ministre avare et Ifiche^ esclave malheureux,
Qui gemis sous Ie poids des affaires publiques;
Victiine dévouée aux chagrios politiques,
Fantómc révéré sous un tilre ooéreux;
Vois combien des grandeurs Ie comble est dangereux ;
Contcmple de Fouquet les funestes reliques;
Et, taodis qu* \ sa pene en secret tu t*appliques,
Crains qu*oD ne te préparé un destin plus affreux.
Digitized by
Google
48 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESC HOU V/ING EN.
Sa chüte quclque jour te peut être commune.
Crains ton poste, tou rang, la cour et la fortune;
Nul ne tombe innocent d'oü l'on te voit monté.
Cesse donc d'aoimer ton prince a soa supplice;
Et, prés d'avoir besoin de toute sa bonté,
Ne Ie fais pas user de toute sa juslice.'*
Dat is krachtige poëzie ; — bij al de slaafschheid van het Frank-
rijk van die dagen waren er toch enkelen die een stoute taal
durfden voeren.
Na die schets die wij hier van Colbert geven, en na ge-
zegd te hebben dat hij >de minst slechte" was van de twee
groote ministers van Lodewijk XIV, is het zeer duidelijk dat wij
Louvois niet zullen afschilderen als een heilige : hij is, in ons oog,
een man zonder menschelijk gevoel, een gewetenlooze wreedaard,
die zich om goddelijke noch menschelijke wetten bekreunde. Wij
haten hem ; — en juist daarom zullen wij trachten al het goede
op te sommen, dat met mogelijkheid van hem kan gezegd worden.
Oneerlijk was hij niet; — hij verwaarloosde wel zijne eigene
belangen niet, hij verarmde niet in zijn hooge staatsbetrekking;
maar, in vergelijking met zijne tijdgcnooten, moet men hem eer-
lijk noemen, en niet bezeten door den geldduivel.
Zijne zedelijkheid gaf ook weinig stof lot aanmerkingen. Hoe-
wel getrouwd en vader van een vrij talrijk gezin, had hij wel
eens maitressen; een enkele keer was hij de minnaar van een
getrouwde vrouw, wier man, een geheel onbeduidend wezen, dan
ook zijn vriend werd en door hem met ambten werd bevoor-
recht; — de gewone laagheden waartoe men veelal gedwongen
wordt bij de overtreding van het gebod: >gij zult niet begeeren
uws naasten huisvrouw". Maar, neemt men in aanmerking de
zeden van dien tijd, en de omstandigheid dat mevrouw Louvois
ons wordt afgeschilderd als een dom en onbehagelijk schepsel,
dan zou het onbillijk zijn of puriteinsche overdrijving verraden,
wanneer men Louvois wilde hard vallen en veroordeelen om zijne
minnarijen, — trouwens weinig in getal.
Een zwak of toegevend vader was hij ook niet. Integendeel,
hij betoonde harde, onverbiddelijke strengheid ten aanzien van
zijne zonen, als zij van hun plicht afweken. Dezelfde ijzeren hand
waarmede hij het roer van den Staat vasthield, deed zich ook
gelden bij de regeling van zijne huiselijke zaken.
Als minister waakte hij ijverig, krachtig en onvermoeid voor
de belangen van zijn Koning; hij kende rust noch duur waar
het die belangen gold; hij offerde alles daarvoor op, zijn tijd,
zijne krachten van geest en lichaam, — maar men moet er bij
voegen : ook zijn eer en geweten.
Digitized by
Google
LOUVOIS. 49
De werking van Louvois heeft zich voornamelijk doen gevoelen
in krijgszaken ; daarin schitterde hij ; in andere zaken niet. Onder
andere van staathuishoudkunde had hij even weinig begrip als
een Torksche Pacha dit kan hebben. In ik weet niet meer welke
gamizoensplaats was de huishuur te hoog geworden. Om dit te
keer te gaan, gelastte Louvois eenvoudig, dat, als dit niet ophield,
de verhuurders met inkwartiering gestraft en in de gevangenis
moesten worden gezet. — Ook met de schoone kunsten moest
men bij hem niet aankomen: als hij een enkele keer daarmee te
doen had, bleek het spoedig, hoe weinig hij daarin te huis was.
Voor het een of ander museum of tot versiering van het een of
ander landsgebouw moesten er eens marmeren beelden in Italië
worden gekocht. Louvois gelastte, dat die beelden niet naakt
mochten zijn, maar gedrapeerd. Deed hij dit uit gevoel van
betamelijkheid of op esthetische gronden ? — Och neen, volstrekt
niet: hij deed dit, omdat de gedrapeerde beelden voor minder
geld waren te verkrijgen dan de naakte. Zuinigheid in het be-
heer van 's lands gelden, is altijd een karaktertrek van Louvois
geweest, een zeer loffelijke karaktertrek.
Als oorlogsminister is Louvois groot geweest; aan hem is het
uitmuntende te danken van de Fransche legers van dien tijd;
die legers zijn zijne schepping; en vele van de krijgsinstellingen,
door hem in het leven geroepen, verdienen hoogen lof. Hij had
het genie om te organiseeren zeker in even hooge mate als
later Carnot of Scharnhorst. Hij bracht orde en regelmaat bij
de Fransche legers, de soldaat werd behoorlijk gekleed en ge-
voed en betaald ; de schandelijke bedriegerijen van vroeger hielden
grootendeels op; en zij die zich daaraan schuldig maakten,
hadden geldboeten, gevangenis, cassatie te wachten; de onver-
biddelijkheid waarmede Louvois hierin te werk ging, had tenge-
volge dat de ^ passevolanten*^ en -htnortepaaierC^ in het Fransche
leger bijna geheel verdwenen. De wapening der soldaten werd
verbeterd, de magazijnen en tuighuizen van alles rijkelijk voor-
zien, het leger aanmerkelijk uitgebreid, en tal van steden opnieuw
of beter versterkt. Oefening en krijgstucht, — die twee hoofd-
zaken bij elk leger — werden door Louvois onverpoosd behar-
tigd; en, zonder op vroegere gebruiken te letten die bijna rech-
ten waren geworden, regelde Louvois de dienstverrichtingen en
de bevorderingen volgens andere regelen, die den Koning en zijn
minister veel meer vrijheid van handelen gaven, en juist daardoor
de afkeuring verwekten van Saint-Simon, naijverig op de oude
voorrechten van den adel.
Wij zouden te uitvoerig worden, wilden wij lang en breed al
het goede opnoemen dat Louvois voor het Fransche krijgswezen
heeft gedaan; trouwens, dit is ook genoeg bekend en erkend.
WILLEM in. — I. 4
Digitized by
Google
50 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Wij willen hier echter nog een woord zeggen over de verhou-
ding van Louvois tot de hooge bevelhebbers van het Fransche
leger. Die verhouding had wel hare moeielijke zijde door het ver-
schil in afkomst van Louvois en van die van de meeste hooge
bevelhebbers. Onder de bevelhebbers kon men er opnoemen^ die
van vorstelijk geslacht waren: Condé, Turenne, Luxembourg;
de meeste anderen waren van ouden adel, van zeer aanzienlijke
afkomst ; de burgerlijken — om ons zoo eens uit te drukken —
zooals Vauban en Catinat, waren zeldzaam. Louvois was, in tegen-
stelling met de laatstgenoemden, wèl door den Koning verheven
tot Markies De Louvois; maar hij was toch maar de zoon van
Letellier, een man die uit den burgerstand afkomstig was en zich
alleen door langdurige en goede diensten tot een hoog staatsambt
had verheven.
In onze dagen zou zulk eene omstandigheid Louvois geene hin-
derpalen in den weg hebben gelegd; in dien tijd wèl: het ver-
schil der standen was toen oneindig grooter. Louvois had echter
de gunst des Konings voor zich; hij was een paar jaar jonger
dan Lodewijk, en deze had zich reeds vroeg aan hem gehecht
en den jongen Letellier reeds op twintigjarigen leeftijd in die
hooge betrekking geplaatst, die hij onafgebroken een dertig jaren
lang heeft bekleed, — terloops zij gezegd, dat die lange duur
van Louvois' ministerie ook eene der hoofdoorzaken is waardoor
hij zooveel heeft tot stand gebracht. Om wat belangrijks te doen,
moet men tijd hebben; en ziedaar een der redenen waarom er
thans zoo weinig belangrijks gebeurt in ons krijgswezen. Wat
wilt gij in 's hemels naam van een Minister van oorlog verwach-
ten, die maar een jaar aanblijft, en dit vooruit weet! — Lodewijk
had den jongen Letellier als het ware ingewijd in de regeefings-
kunst ; hij verbeeldde zich te goeder trouw dat zijn minister van
oorlog eigenlijk zijn leerling was; en Louvois was sluw genoeg
om den Koning in dien waan te laten, en daardoor langen tijd
diens volle vertrouwen te genieten en een grooten invloed op
hem te oefenen.
De bevelen en voorschriften, die Louvois bij oorlogshandelingen
gaf, waren vaak onverbiddelijk wreed; maar d^rin lag de
moeielijkheid niet om ze uitgevoerd te krijgen ; want de leger-
hoofden van dien tijd waren ook zoo bijzonder zachtaardig niet.
Onder anderen Catinat heeft, de hemel weet waardoor, een on-
verdienden naam van menschelijkheid verworven: in den oorlog
tegen de Waldenzen, of tegen de \Barbeti\ heeft hij zich aan
gruwelijke wreedheden schuldig gemaakt. Een van de menschelijkste
der toenmalige Fransche legerhoofden is Condé geweest; deze
heeft zich een kwaden naam gemaakt door zijn onbedacht ge-
zegde: ^une nuit de Paris réparera celd\ toen men hem berichtte
welk een groot getal zijner soldaten te Séneffe waren gesneuveld;
Digitized by VjOOQIC
LOUVOIS. 51
ook was hij op het slagveld niet spaarzaam met het bloed der
zijnen; maar buiten het slagveld was hij niet wreed. Van de
menschelijkheid van Luxembourg behoeft niet gesproken te
worden: daarvan kan Bodegrave en Zwammerdam getuigen; —
ten aanzien van zijn eigen leger liet die aanvoerder uit gemak-
zucht soms de krijgstucht verslappen; ging dit wat ver, dan liet
hij weer eens eenige soldaten ophangen ; de strop was toen het
afdoend middel, t argument sans réplique.
Tegen de menschelijkheid van Turenne pleit de eerste verwoes-
ting van de Paltz; hij was zeer bemind bij zijn leger, waarvoor
hij uitnemend zorgde; hij werd door de soldaten als een vader
beschouwd; — maar dat hij toch geen al te weekhartig vader was,
blijkt uit wat men bij Rousset vindt op bladzijde 426 van het
eerste deel:
Turenne had in den winter van 1672 in Duitschland een roem-
rijken maar zeer moeielijken veldtocht gevoerd. »Ik verzeker u",
schreef hij aan Louvois, tdat 's Konings leger vergelijkender-
wijze" (met de Duitsche troepen) >er uitziet alsof het een langen
tijd van rust had genoten."
In eene noot zegt Rousset hierop:
>Na een moeielijken winterveldtocht te spreken van een leger,
dat er uitziet alsof het een langen tijd van rust had genoten, is
dat niet der spotternij te veel stof geven? Ëvenzoo als toen
Turenne er die bijzonderheid bijvoegde, die hij alleen uit over-
maat van oprechtheid of van opiiraismus waagde te uiten : » de chi-
rurgijn in het hospitaal zeide mij dezer dagen, dat hij in den loop
van den winter een paar duizend teenen van de soldaten heeft
afgezet, en dat hen dit weinig bemoeilijkt in het marcheeren.'*
Indien Turenne in de negentiende eeuw had geleefd, wat zou
hij gehavend zijn geworden om die woorden!
Louvois wist tegenover de Fransche legerhoofden uitermate
goed zijn gezag te doen gelden. Als een voornaam middel be-
zigde hij daartoe de intendanten die hij bij de legers plaatste;
die heeren waren geheel en al van hem afhankelijk; het waren
zijne dwarskijkers, die den stelligen last hadden hem dadelijk
alles te berichten wat er in het leger bijzonders voorviel; de
Intendanten mengden zich soms in de taak van het leger-
hoofd^ niet meer of niet minder dan of zij gedeputeerden te
velde waren. Tegen sommige legerhoofden sloeg Louvois wel
eens een zeer hoogen toon aan : hij vorderde onbepaalde gehoor-
zaamheid aan 's Konings bevelen, — dat wil zeggen, aan de
zijne. Onwil, tegenstand, zelfs van de hoogste krijgsbevelhebbers,
ging hij met de meeste strengheid te keer : meer dan eens dreigde
hij zulk een bevelhebber met de ongenade des Konings, met
afzetting, met verbanning, met gevangenzetting in de Bastille.
De eenheid van handelen in het Fransche krijgswezen liet niets
Digitized by
Google
52 RRIJGS- EN GBSCHIEDKUxVDIGE BESCHOUWINGEN.
te wenschen over onder Louvois* bestuur; alles ging van hem
uit; — misschien wel te veel, soms meer dan goed en ver-
standig was.
Wij willen, ter opheldering van wat hier gezegd is over het
krijgsbestuur van Louvois, een woord zeggen over zijne verhou-
ding tot sommige der toenmalige Fransche legerhoofden.
Met den maarschalk De Bellefonds was die verhouding nog
al zonderling: dat legerhoofd veroorloofde zich in zijn schrijven,
niet alleen aan Louvois maar zelfs aan den Koning, eene vrij-
heid van taal die buitengewoon moet genoemd worden; dit
werd echter toegelaten, men ergerde zich daaraan niet, omdat
men De Bellefonds beschouwde als een zonderling, bij wien men
wat door de vingers moet zien en wien men maar moet laten
praten. De Bellefonds was een rechtschapen man, maar zijn verstand
liet wel wat te wenschen over; zijne oppositie tegen de bevelen
van den Minister van oorlog raakte soms kant noch wal ; en eens
zelfs, in 1674, bij de ontruiming van Holland door de Fransche
legers, moest de Bellefonds zeer nadrukkelijk tot zijn plicht
worden gebracht, waarvan hij op dwaze wijze was afgeweken.
Er zijn gevallen waarin een legerhoofd geheel en al naar eigene
inzichten moet handelen, zonder op de ontvangene bevelen te
letten; er zijn gevallen waarin hij zich slipt aan die bevelen
moet houden; onmogelijk is het, vaste gedragsregelen daarom-
trent te geven, het oordeel van den veldheer moet hem daarom-
trent inlichten. Dat oordeel nu miste De Bellefonds.
Met Condé was het weer anders. De groote naam van dat
beroemde legerhoofd en zijn verwantschap met het vorstelijk
huis hadden tengevolge dat Louvois, in zijne briefwisseling met
hem, altijd de vormen goed in acht nam; het was iemand die
ontzien moest worden; en zeker, Condé had lastig kunnen wor-
den wanneer er in hem oppositiegeest had gezeten. Maar Condé
was, toen ter tijd, volstrekt geen opposant meer ; integendeel, hij
had een onbepaalden eerbied en toewijding ten aanzien van
Lodewijk XIV; het is alsof hij toen weer goed wilde maken wat hij
misdreven had tijdens de Fronde^ toen hij de wapenen had gevoerd
tegen zijn Koning en tegen zijn vaderland. Kwamen er bevelen
of voorschriften, die hard of onmenschelijk waren, dan waagde
Condé wel eene tegenwerping, hoewel altijd in zeer beleefde
woorden; maar hield Louvois vol, dan onderwierp zich het
legerhoofd dadelijk. Condé, dit moet men ook in het oog houden,
was, vooral toen, als legerhoofd zeer ongelijk : dan eens vol zelfver-
trouwen, vol vuur, rusteloos, stoutmoedig, een oorlogsgenie in den
volsten zin van het woord, dan weer traag, lusteloos, ontmoedigd.
Digitized by
Google
Louvois. 53
Met Luxembourg stond Louvois dikwijls op een voet van
groote gemeenzaamheid, die in hunne briefwisseling doorstraalt.
Zoo — om maar eens iets te noemen meldt de minister dat aan
Luxembourg een som gelds zal uitbetaald worden voor zijne
eigene belangen. Ik hoop — schrijft Louvois — dat dit geld
niet zal gebruikt worden om schulden af te doen, maar wel,
als gij weer te Parijs zijt, om mij eens op een lekkeren schotel te
onthalen. £r komen in die brieven spotternijen en kwinkslagen
voor, niet altijd van het fijnste allooi, maar zooals men zich die
veroorlooft onder menschen die niet noodig hebben op deftigen
toon met elkander te spreken. Louvois en Luxembourg hadden
karakters, die in vele opzichten overeenstemden; beide waren
eigenlijk gewetenlooze schelmen. Maar met dat al, met al die
gemeenzaamheid neemt Luxembourg ten aanzien van Louvois
toch altijd een toon van onderwerping en vleierij aan, die
soms tot aan het kruipende gaat; en Louvois, hoe vertrouwelijk
ook met het legerhoofd, weet zich echter altijd te doen gehoor-
zamen en het hem ernstig onder het oog te brengen, wanneer
Luxembourg de krijgstucht laat verslappen — wat wel eens zijn
zwak was.
Om die verhouding tusschen Louvois en Luxembourg eenigs-
zins toe te lichten, zullen wij hier overnemen wat men daarover
bij Rousset vindt, in het tweede deel bladzijde 190— 191.
Den 15 Augustus 1675 schrijft Luxembourg aan Louvois — hij
is opperbevelhebber geworden van het leger in De Nederlanden.
Op zijn gemeenzamen toon en met gemaakte nederigheid zegt
hij, dat het leger goed is {*elle ne laisse pas que cPêtre belle et
banné"\ maar dat de opperbevelhebber te wenschen overlaat:
>Dat uitgezonderd, heb ik zeer goede verwachting van het
overige. Maar ^s vijands leger is sterk ; daar is nog wat Hollandsch
canaille bijgekomen, en men zegt dat er nog meer wordt ver-
wacht. Maar met dat alles breek ik mijn goede hoofd niet"
Hoe hij, na Séneffe, nog Hollandsch canaille {canaille de Hollandé)
durft zeggen! — Hij vraagt Louvois voorschriften:
^A1 wat Louvois hem voorschreef, vooral na het gebeurde
met den maarschalk De Créqui," (deze had pas geleden nabij
Trier eene geheele nederlaag ondervonden) > was, niets te wagen,
maar zich te bepalen tot het in het oog houden van den prins
van Oranje. Het leger dat, na de verschillende detachementen
die men achtereenvolgens had gezonden naar Bretagne, naar den
MoezeU den Elzas en Lotharingen, nog een 40.000 man sterk
was, bracht de geheele maand Augustus door in het kamp van
Bnigelette^ tusschen Mons en Ath. Van zijne zijde waagde de
Prins van Oranje het niet, ons aan te vallen ; maar maakte groote
vertooningen en groote toebereidselen, alsof het zijn voornemen
was de eene of andere belangrijke stad te belegeren. Alles be-
Digitized by
Google
54 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
paalde zich tot de verrassing van de kleine stad Binche, die maar
2 of 300 man bezetting had. Na de inneming van Trier scheen het
alsof de Luxemburgsche troepen van de eene zijde, de Prins van
Oranje van de andere, gezamenlijk de Maas wilden naderen;
Luxembourg trok ook derwaarts en sloeg zijn legerplaats op bij
de Méhaigne, in de nabijheid van den Maarschalk D'Estrades,
die nog altijd het bevel voerde over Maastricht, Limburg en
andere vaste punten die de Franschen in Luikerland bezet hiel-
den. Die enkele beweging was voldoende om voor het overige
van den veldtocht 'svijands ontwerpen te verijdelen."
Intusschen hebben er, door de achteloosheid van Luxembourg,
wanorden en ongeregeldheden in het Fransche leger plaats;
oude misbruiken heffen het hoofd weer op:
tZoo waren er weer misbruiken opgerezen, die men uitgeroeid
waande: de passevolanten bij voorbeeld, de bedriegerijen bij het
uitbetalen der soldij, de verspilling van den leeftocht, en, als
gevolg van dat alles, de desertiën."
Louvois betuigt zijn ongenoegen hierover: Luxembourg ant-
woordt daarop, door nóg meer kwaad te zeggen van het leger:
»De troepen zijn losbandiger dan mij lief is; in strijd met
mijn aard heb ik sinds het vertrek van den Prins van Condé"
(van wien Luxembourg het opperbevel had overgenomen)" reeds
een dozijn soldaten of ruiters laten ophangen; maar dit heeft
niets gebaat; en ik merk dat de minst goede officieren zeer in
hun schik waren van te kunnen zeggen, dat men de schuldigen
maar moest ophangen."
Louvois liet zich niet paaien door die behendigheid, die alle
straf onmogelijk wilde maken door allen schuldig te noemen;
hij eischte, dat er eenigen gestraft zouden worden; dit gebeurde;
de ongeregeldheden hielden op en Luxembourg nam dadelijk
een geheel anderen toon aan: tik ben zelf verwonderd," —
schreef hij acht dagen later — tals ik het leger nu zie; men
kan zich niets schoeners voorstellen ; het ziet er veel beter uit dan
bij het begin van den veldtocht, want de malengers zijn nu weg;
alle ruiters, alle soldaten hebben een gezicht dat eene volmaakte
gezondheid aanduidt. De paarden zijn in den best mogelijken toe-
stand; zóó in het vleesch, alsof zij nog in de winterkwartieren
waren. Waarlijk, het leger is zeer sterk. Ik kan niet nalaten u te
verzekeren, dat ik op den T4en October een leger heb gezien,
zoo goed als ik het ooit gezien heb; men kan zich niets schoo-
ners ter wereld voorstellen..."
Natuurlijk, dat dit verslag van Luxembourg wel niet het meest
waarheidlievende verslag is dat men kan bedenken: het heeft
soms al den schijn, alsof hij op onbeschaamde wijze den draak
steekt met zijne regeering!
Digitized by
Google
Louvois. 55
Waar Louvois het minst goed meê overweg kon, dat was met
Turenne: die liet zich zeer weinig gezeggen, was zeer naijverig
op zijn gezag, en wist den alvermogenden Minister soms nadruk-
kelijk op zijn plaats te zetten, wanneer deze zich te veel macht
aanmatigde bij het regelen van de krijgsverrichtingen. Onder
andere, den gen September 1673 schrijft Louvois aan Turenne en
gelast hem — namens den Koning — hoe hij moet handelen
om de vereeniging te beletten van de legers van Willem III en
van Montecuculi. Die voorschriften van Louvois waren toen
goed en verstandig; en desniettegenstaande komen de volgende
scherpe woorden voor in het antwoord, dat Turenne den isen
September den Minister gaf:
...»Ik begrijp die voorschriften van den Koning wel, en zal
alles doen wat mogelijk is om die na te komen; maar gij moet
mij vergunnen u te zeggen, dat ik niet geloof dat *s Konings
dienst er door behartigd wordt, als men — zelfs aan den minst be-
kwamen bevelhebber in Frankrijk — van een zoo ver verwijderde
plaats zulke bepaalde bevelen zendt,*' (Rousset, i* Deel, blz. 496).
Maar om zóó te spreken moest men ook zoo hoog staan als
Turenne, zulk een veldheer zijn van den eersten rang.
Wat schijnbaar in het voordeel pleit van Louvois, dat is de
goede verstandhouding waarin hij voortdurend is gebleven met
Vauban — den grooten vestingbouwkundige, en iemand die in al
zijne handelingen zich doet kennen als een rechtschapen man,
als een goed patriot, — zoo goed als men dit kdn zijn, onder
eene despotische regeering. Maar daar is ééne omstandigheid
die men niet uit het oog mag verliezen, en die wel eenige ver-
klaring geeft van de hooge gunst waarin Vauban bleef bij Lou-
vois en bij Lodewijk XIV: zij hadden hem noodig; hij was
voor hen bijna onmisbaar; Vauban was de groote meester in
het bouwen van vestingen; vooral was hij de groote meester in
het belegeren van vestingen ; en vestingen bouwen was toen eene
hoofdzaak bij het Fransche krijgswezen; vestingen belegeren
was eene hoofdzaak bij de oorlogen van Lodewijk XIV. Geen
wonder dus^ dat de Fransche Koning op zeer hooge waarde
bleef houden een man die in den vestingoorlog een ster was
van de eerste grootte.
De volgende aanhaling uit Rousset (i* Deel, blz. 453 — 455),
waar hij begint aan het beleg van Maastricht van 1673, zal doen
zien, waarom Lodewijk XIV en Louvois zoo ingenomen waren
met den vestingoorlog:
»Het beleg van Maastricht is de eerste van die groote belege-
ringen^ die in de krijgsgeschiedenis van deze regeering zulk een
groote en terecht roemrijke plaats innemen. De belegeringen
Digitized by
Google
56 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
tijdens den devolutie-oorhg** (de korte oorlog, die door de tripie
Alliantie werd gestuit) >en die tijdens den veldtocht van 1672,
hadden weinig indruk gemaakt, omdat zij te weinig inspanning
hadden gekost; maar Lodewijk XIV en Louvois hadden zich
daar geoefend in eene wijze van oorlogen, die in hun smaak
viel en voor hen geëigend was. Lodewijk XIV hield niet van
de krijgsverrichtingen in het open veld (Ja guerre de campagne) ;
hoe<¥el hij het niet wilde erkennen, was hij toch niet geschikt
daarvoor en blonk weinig daarin uit; de bekwaamheid van een
veldheer had hij niet; te veel — voor hem — speelden geluk
en ingeving van het genie daarbij hunne rol. De belegerings-
oorlog was iets geheel anders; dat was een wetenschap gewor-
den, meer dan een kunst, sedert Vauban's genie handelingen had
bedacht en regels vastgesteld, die, in bepaaldheid en zekerheid,
voor wiskunst konden doorgaan. Lodewijk XIV had iets wis-
kundigs in het verstand, en maakte zich daardoor spoedig ver-
trouwd met die handelingen en regels; bovendien, als hij het
beleg sloeg voor een stad, dan had hij altijd Vauban bij zich;
en wie Vauban bij zich had kon met zekerheid zeggen: bele-
gerde stad, genomen stad.
Louvois had dezelfde geestesrichting; reeds vroeg had hij de
versterkingskunst grondig bestudeerd, en Vauban had hierin zijn
onderricht voltooid. Het verstand en de ijver van den leerling
waren de inspanning waard die de meester hem wijdde. Was
Louvois geen Minister geweest, hij zou een goed ingenieur zijn
geworden. De vestingoorlog had, behalve omdat hij ze goed
kende, nog een andere aantrekkelijkheid voor hem. Voor de
toebereidselen tot een veldtocht, de verdeeling der legers, de
uitrusting der konvooien, voor de magazijnen, de munitiën ,
de levensmiddelen, was hij de man die alles regelde, met onbe-
perkt gezag ; maar dan ook hield zijne taak op ; wilde hij verder
gaan en de operatiën besturen, dan stuitte hij — zooals wij
gezien hebben en nog zullen zien — op den rechtmatigen tegen-
stand van de legerhoofden. Bij een beleg daarentegen bleef hij
in volle werking, zonder dat iemand daarover iets kon zeggen;
de man van het legerbeheer werd dan ook oorlogsman. Niet
alleen dat hij lang te voren de bewegingen der troepen voor-
bereidde, de misleidingen, de schijnbewegingen die den vijand
onrust moesten inboezemen voor al zijne vestingen, geen be-
paalde onrust voor ééne; de berekeningen, soms maanden te
voren gemaakt, waardoor van de meest verwijderde plaatsen de
troepen die aan het beleg moesten deelnemen, op een bepaalden
dag en uur, om niet te zeggen op de bepaalde minuut, moesten
samenkomen op het uitgekozen punt; niet alleen dat hij het
geheele plan ontwierp, in al zijn bijzonderheden, met eene stipte
nauwkeurigheid, eene volkomene helderheid en vooral met eene
Digitized by
Google
Louvois. 57
ondoordringbare geheimhouding, maar ook hij bestuurde dan de
uitvoering, vaardigde de bevelen uit, ontving de rapporten, voor-
zag in alle tegenheden, verhaastte of vertraagde den marsch der
kolonnes; in één woord, dan was hij niet slechts Minister van
Oorlog, maar dan was hij ook de Chef van den Staf van een
leger. Beide was hij bij het beleg van Maastricht; allereerst was
hij diplomaat."
(Dat laatste bestond daarin, dat de Bisschop van Keulen —
tevens Bisschop van Luik, en als zoodanig aanspraak hebbende
op Maastricht — die vesting, nadat ze genomen zou zijn, afstond
aan Lodewijk XIV, op de voorwaarden waarop de Republiek
haar bezat).
Dat Lodewijk XIV geen veldheer was, bleek onder andere
overtuigend uit eene gebeurtenis tijdens den veldtocht van 1676
in de Spaansche Nederlanden.
Den 2en Mei 1676 wordt Bouchain belegerd door den Hertog
van Orléans met een gedeelte van het Fransche leger, terwijl
Lodewijk XIV met de hoofdmacht stelling neemt tusschen Sébourg
en Quiévrain, om dal beleg te dekken. Willem III trekt door
een snellen en verrassenden marsch eensklaps op Valenciennes,
tusschen Bouchain en het kamp van Lodewijk XIV-, » had Lode-
wijk XIV" — zegt RoussET, 2' Deel, blz. 220 — tgeene goede
berichtgevers gehad, dan was Monsieur" (de Hertog van Orléans,
*s konings broeder), t verloren". Maar Lodewijk is in tijds terug-
gegaan, de Schelde overgetrokken tusschen Bouchain en Valen-
ciennes, en neemt stelling bij Denain.
Den loen Mei gaat het leger van Lodewijk XIV vooruit, naar
de zijde van Valenciennes, en vindt bij Heurtebise, voorwaarts
van die vesting, het leger van Willem III. Zal men aanvallen en
slag leveren ? — De kansen van een veldslag zijn in het voordeel
van het sterkere en betere Fransche leger, en Lodewijk brandt
van verlangen om de vermetelheid te straffen van dien jongeling,
die zoo de wapenmacht van Frankrijk's koning durft trotseeren.
Maar die jongeling is de held van Séneffe, het legerhoofd dat
daar den kamp tegen Condé voerde en roemrijk ten einde bracht.
Hetzelfde mocht ook hier eens gebeuren; ook hier mocht de
lelievaan eens onderdoen voor het Oranje-vaandel; Lodewijk
mocht eens geslagen worden; — de Koning deinst terug voor
het denkbeeld van zoo duldeloos een hoon; de mogelijkheid
van eene nederlaag te ondergaan maakt hem afkeerig van een
veldslag ; maar hij wil den schijn niet hebben van zelf af te zien
van den strijd; hij wil op anderen de verantwoording van die
zwakke handeling doen nederkomen. De koning roept een krijgs-
raad bijeen, en onderwerpt daaraan de vraag: of men slag zal
leveren, ja dan neen?
Digitized by
Google
5 'S KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Louvois vat het eerst het woord op; hij toont aan, in welken
toestand men zich bevindt, en, 's konings ware gezindheid door-
grondende, raadt hij den veldslag af. Drie maarschalken — Créqui,
Schomberg, en La Feuillade — , ook ziende van waar de wind
komt, stemmen met Louvois; alleen de maarschalk De Lorge,
minder goed hoveling dan de anderen, stemt voor den veldslag.
De koning volgt het gevoelen van de meerderheid: »daar gij
allen meer ondervinding hebt dan ik, geef ik toe, hoewel met
weerzin" (blz. 222). De stelling van het Fransche leger werd
versterkt, en er had geen veldslag plaats, daar ook Willem III
het ongeraden achtte om aan te vallen.
»0p die wijze" — zegt Rousset, blz. 223 — 224 — twas het,
dat Lodewijk XIV de schoonste gelegenheid liet voorbijgaan, die
hij ooit heeft gehad om een veldslag te winnen; voor zich had
hij alles wat ter overwinning leidt; voor zich had hij alle
kansen, — behalve natuurlijk die ééne noodlottige kans, die
de fortuin zich altijd voorbehoudt om de grootste veldheeren
er aan te herinneren, dat indien de krijgskunst al een edele en
verhevene wetenschap is, zij evenwel, spijt alle berekeningen
van hun genie, toch geen wiskunst is, maar altijd op de eene of
andere wijze afhangt van het spel van het toeval. Het is die
ééne kans die Lodewijk XIV heeft doen aarzelen; hij is bang
geweest, niet om slag te leveren, maar om geslagen te worden;
bij hem was het niet het hart, dat vreesachtig of wantrouwend
was; maar de trots maakte hem ^00. Louvois was bekend met
die zwakheid in zijn karakter ; ook de maarschalken waren daar-
mede bekend; waarom vroeg de koning hun raad, was het niet
om, als de zaken^ slecht gingen, de schuld op hen te verhalen ?
Voor die verantwoordelijkheid deinsden zij terug; hadden zij
ongelijk? Saint-Simon, die met een wel te rechtvaardigen ijver
de meening verdedigt van den maarschalk De Lorge, zijn schoon-
vader, laat zich eene uitdrukking ontvallen die den tegenstanders
van den maarschalk gelijk geeft : > zij waren verlegen met 's Konings
persoon." En inderdaad, daar Lodewijk XIV van een opperbe-
velhebber niets anders had dan den naam, was zijne aanwezig-
heid bij het leger hinderlijk. Louvois had dus gelijk, van het
slag leveren af te raden; Créqui, La Feuillade en Schomberg
hadden dus gegronde redenen om zich aan te sluiten bij het
gevoelen van Louvois. Waarom hen dan beschuldigd van oogen-
dienaars te zijn?..."
Waarom? — Omdat zij het algemeen belang hooger hadden
moeten stellen dan het bijzonder belang des Konings.
Hoezeer dus Louvois hier, bij dat beleg van Bouchain, geheel
in den geest had gehandeld van den Franschen Koning, bleef
deze echter, door een wonderlijke en onbillijke tegenstrijdigheid,
Digitized by
Google
LOüvois. 59
wrokken tegen zijn Minister, die door zijn raad den Koning
verhinderd had zich te kunnen verhoovaardigen op den roem
van een gewonnen veldslag. Men vindt dit duidelijk vermeld in
het dagboek van Dangeau; — Dangeau, de hoveling die al het
doen en laten van zijn vereerden vorst, dag voor dag, heeft op-
geteekend met eene nauwkeurigheid die tot in kleinigheden ver-
valt, en met eene vreesachtige voorzichtigheid die terugdeinst
voor de uiting van het minste vrije oordeel. Dangeau was een
van die Don Abboudi^s^ die men aan alle hoven ontmoet — ook
wel elders — , maar die vooral talrijk waren aan het hof van
den vergoden Lodewijk XIV.
...>Hij" (Lodewijk XIV) thad op zijns harten bodem een
niet te verwinnen spijt, van die gunst der fortuin ongebruikt te
hebben laten voorbijgaan, en tegen Louvois een wrok, die, aan-
vankelijk bedekt en bedwongen, zelfs schijnbaar uitgewischt,
toch na verloop van tijd steeds toenam, naarmate de heersch-
zuchtige aard van zijn Minister hem duidelijker werd en onver-
dragelijker.
Drie en twintig jaar na dien dag van Heurtebise, acht jaar na
den dood van Louvois, gaf Lodewijk XIV, ten aanhoore van
zijne hovelingen, nog lucht aan zijn misnoegen. Op Donderdag
den i6en April 1699 — zegt Dangeau — wandelde de koning
's namiddags in zijne tuinen te Marly * onder die wandeling viel
het gesprek op den dag toen hij zijne legerplaats opsloeg bij
Valenciennes ; op zachten toon zeide hij ons, »dat er in geheel
zijn leven geen dag was geweest waarop hij meer misslagen had
begaan dan toen; dat hij daar nooit aan dacht dan met groot
leedwezen, dat hij er soms 's nachts van droomde, en dan altijd
toornig wakker werd, omdat hij die wisse kans had verwaarloosd
van zijne vijanden te verslaan ; de grootste schuld van dien mis-
slag weet hij aan een man dien hij ons noemde, er zelfs bijvoe-
gende dat die man, bij zulke gelegenheden evenals overal elders,
een ondragelijk mensch was." Die man, wien Dangeau niet
durft noemen uit overmaat van voorzichtigheid, zelfs ten aanzien
van de dooden, is Louvois." (Rousset, 2* Deel, blz. 226 — 227).
Er is beweerd — men vindt het onder andere bij Saint-
Simon — dat Louvois in zijne laatste levensdagen zoozeer in
ongenade was gevallen, dat er reeds bevel was gegeven om hem
in de Bastille op te sluiten; en dat toen de Minister, om die
vernedering te ontgaan, door vergift een einde aan zijn leven
heeft gemaakt. Louvois is plotseling en onverwachts gestorven
en het vermoeden heeft bestaan, dat die dood niet natuurlijk is
geweest; zoo vindt men, onder andere in Wagenaar, dat zij die
het in 1692 op het leven van Willem III toelegden, den Minister
Barbésieux voor zich poogden te winnen door hem diets te
maken dat zijn vader Louvois door toedoen van den Stadhouder
Digitized by
Google
6o KRIJGS- KN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
vergiftigd was geworden. Al die beweringen zijn echter op goede
gronden tegengesproken ; en de waarschijnlijkheid is er voor, dat
Louvois aan niets anders gestorven is dan aan een beroerte. Wat
echter bewezen schijnt, dat is, dat Louvois op het einde van zijn
leven wel degelijk de gunst van Lodewijk XIV had verloren, en
dat die koninklijke egoïst niet meer de minste gedachtenis had
behouden van dertig jaren trouwen dienst en toewijding; een
dienst die van rusten wist noch verpoozen; eene toewijding die
voor niets terugdeinsde, zelfs niet voor de misdaad!
Ondank der grooten, wat komt gij vaak voor in de geschie-
denis! hoe waar is het, als reeds de Psalmist zegt: »Stel niet
in Prinsen uw vertrouwen;'* of wanneer een onzer treurspel-
dichters van den ouden stempel — De Marre, in de Jakoba van
Beieren — zijn Frank van Borselen doet zeggen:
»hoe! is U u onbewust
dat onderdanen van een uitgestrekt vermogen
het naast zijn aan hun val? dat ze in der vorsten oogen
misdadig worden als 't geluk hen zóó verheft,
dat hun verdienste *t loon dier Prinsen overtreft?"
of wanneer Shakespeare, in zijne onsterfelijke poëzie, den ge-
vallen staatsman Wolsey dus in klachten doet uitbarsten tegen
Cromwell, zijn vertrouweling:
t IJdele praal en glorie van deze wereld, ik haat u! Ik voel
mijn hart vernieuwd: o hoe ellendig is die rampzalige die op
vorstengunst bouwt! Tusschen dien glimlach waarnaar hij streeft,
dat vriendelijk gelaat der vorsten, en hun ongenade, ontmoet
hij meer angsten en vreezen, dan krijg of liefde opleveren; en
valt hij, dan valt hij als Lucifer, zonder hoop van ooit weer op
te staan O Cromwell, Cromwell,
had ik maar mijn God gediend met de helft van den ijver waar-
mede ik mijn koning diende, hij zou mij, op mijn ouden dag,
niet naakt en weerloos aan mijne vijanden hebben prijsgegeven."
HOOFDSTUK III.
1672. aanleiding tot den oorlog van 1672 ; toebereidselbn ;
strijdkrachten; oorlogsplannen.
De veldheersloopbaan van Willem III vangt aan met het jaar
1672, met wat door de Fransche schrijvers wordt genoemd yjla
guerre de Hollande^''
Digitized by VjOOQIC
AANLEIDING TOT DEN OORLOG VAN 1672. 61
De oorlog, in 1672 begonnen tegen de Republiek, door Frankrijk,
Engeland, Keulen en Munster, is eene van de ergste en schan-
delijkste aanrandingen geweest van het onafhankelijk volksbestaan
van eene vrije natie, die in de geschiedenis voorkomen. Alge-
meen wordt die oorlog dan ook veroordeeld als een misdaad;
een van Frankrijk's edelste en verlichtste mannen, Michel Che-
valier, heeft daarvan gezegd: »quene donnerions-nous pas aujourd'
hui pour déchirer de nos annales la conduite superbe de Louis XIV
cnvers la Hollande, ou les scènes de Bayonne entre Napoléon
et les princes Espagnols ?" (Journal des débats, van 7 October 1851).
De aanleiding tot dien oorlog is bekend: de gekrenkte trots
van Lodewijk XIV. Alle twijfel aan die aanleiding vervalt, als
men leest wat de Fransche koning zelf daarover zegt in eene
door hem opgestelde > memorie over den veldtocht van 1672",
die niet uitgegeven is, maar te vinden in deel 1112 van het
Dépót de la guerre te Parijs. Rousset deelt die memorie in haar
geheel mede ; waarin de koning onder andere het volgende zegt :
> Hoewel het niet betamelijk is, evenmin voor vorsten als voor
bijzondere personen, om aan vrienden of naburen de weldaden
voor de voeten te werpen waarmede zij ze overladen hebben, zoo
is het toch geoorloofd, zonder daarom in dien misslag te ver-
vallen^ de bron en oorsprong van den tegenwoordigen oorlog die
tusschen Frankrijk en de Vereenigde Provinciën is ontbrand, te
wijten aan den ondank, de miskenning, en de ondragelijke ijdel-
heid der Hollanders. Iedereen weet dat dit volk zijne vestiging als
vrij gemeenebest te danken heeft aan de machtige bescherming,
die de koningen, mijne voorgangers, het bijna sedert eene eeuw
hebben verleend, zoo tegen het huis van Oostenrijk, waaronder
het vroeger stond, als tegen den keizer en tegen Engeland ; iedereen
weet, dat, zonder die bescherming, die mogendheden, hetzij
saamverbonden, hetzij afzonderlijk handelende, bij meer dan ééne
gelegenheid dien Staat zouden verzwolgen hebben. Die gebeurte-
nissen zijn nog kort geleden; en om dit aan te toonen is het
voldoende, den laatsten oorlog aan te halen dien de bisschop
van Munster, een van de kleinste Rijksvorsten, nog onlangs de
Republiek heeft aangedaan, en die, zonder de hulptroepen die
ik haar toezond, haar op den rand van het verderf zou hebben
gebracht. De nakomelingschap, die al die gebeurtenissen niet
heeft, boleefd, zal de vraag doen: wat het loon en de dank is
geweest voor al die weldaden? Tot haar onderricht zal ik haar
zeggen, dat bij alle oorlogen, door de koningen, mijne voorgan-
gers, en door mij zei ven ondernomen sedert meer dan eene eeuw
legen de naburige mogendheden, die Republiek ons niet alleen
niet ondersteund heeft met troepen of geld, en nooit verder is
gegaan dan tot de perken van eene eenvoudige, niets afdoende
Digitized by
Google
02 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
onzijdigheid^ maar zelfs altijd getracht heeft, óf openlijk óf be-
dekt, ons te dwarsboomen bij onze pogingen tot uitbreiding van
macht. Wat nu gebeurd is, bewijst dit genoegzaam. Na den dood
van Zijne Katholieke Majesteit had ik Spanje te vergeefs aan-
gezocht om aan de Koningin recht te doen ten aanzien van hare
wettige aanspraken- op de Nederlanden. Vermoeid door onop-
houdelijke weigeringen had ik de wapens opgevat en den oorlog
gevoerd in die gewesten, om de rechten dier vorstin te doen
gelden en haar de Staten te doen teruggeven die haar toekwamen.
God, die de beschermer is van het recht, had mijne wapens
■gezegend en ondersteund; alles zwichtte voor mij, en nauw was
ik verschenen, of het meerendeel van de beste steden der Neder-
landen had zich aan mijn gezag onderworpen. Te midden van
al dien voorspoed ondervond ik geen tegenstand van Engeland
en van het Keizerrijk, die, welk belang zij ook hadden om mijne
snelle veroveringen te stuiten, evenwel overtuigd waren van de
rechtvaardigheid van mijne zaak. Niets vond ik tegen mij dan
mijn goede, trouwe en oude vrienden, de Hollanders, die, in
stede van te ijveren voor mijne macht, als den grondslag van
hun Staat, mij de wet wilden voorschrijven, mij dwingen om
vrede te sluiten, en mij zelfs durfden bedreigen voor het geval
dat ik hunne bemiddeling zou afwijzen. Ik beken dat hunne
onbeschaamdheid mij erg krenkte, en dat ik op het punt was
om, op de kans af van mijne veroveringen in de Spaansche
Nederlanden in gevaar te brengen, al mijne macht te wenden
tegen de trotsche en ondankbare natie ; maar, de voorzichtigheid
raadplegende en in aanmerking nemende dat ik, voor zulk eene
onderneming, geen troepen genoeg had en geen voldoende bond-
genooten, zoo ontveinsde ik mijn ongenoegen; ik sloot vrede op
eervolle voorwaarden, met het voornemen om later die snoode
handeling te straffen." (Rousset, i* Deel, blz. 321 — 323).
Ziedaar de zeer oprechte bekentenis die Lodewijk XIV doet
van de redenen die hem bewogen hebben tot den oorlog van
1672. Het is niet moeielijk, in die bekentenis hier en daar be-
weringen aan te wijzen, die weinig overeenkomen met de waar-
heid van de geschiedenis. Hoe kan men zeggen dat in 1672
de Fransche koningen > sedert meer dan eene eeuw" bij hunne
oorlogen, tegenwerking hebben ondervonden van de Republiek?
Dit is eene ongerijmdheid; de Republiek bestond op lange na
nog geen eeuw in 1672. Hoe kan men het voorstellen, dat alleen
de machtige bescherming van de Fransche koningen de vestiging
van de Republiek mogelijk heeft gemaakt ; of dat Frankrijk ons,
tijdens den tweeden Engelschen oorlog, krachtdadig heeft onder-
steund? — Hendrik IV heeft de Republiek ondersteund, ja,
maar de Republiek ook Hendrik IV en wanneer men de reke-
Digitized by
Google
AANLEIDING TOT DEN OORLOG VAN 1672. 63
ning eeos ging opmaken, dan zoii het zeer te bezien staan, of
dit bondgenootschap meer voordeelig is geweest voor den Fran-
schen koning^ of voor ons. En wat dat latere bondgenootschap
betrof, de krijgsmacht die Lodewijk XIV ons toezond tegen de
Munsterschen heeft niet veel bijzonders uitgericht; en de Fransche
vloot nam toen bijna geen deel aan den oorlog, maar had den
bepaalden last om het maar lijdelijk aan te zien dat de Engelsche
en de HoUandsche vloot elkander onderling vernielden. De
Fransche Koning heeft toen op eene dubbelhartige en trouwe-
looze wijze gehandeld; en hadden wij op zijne hulp moeten
wachten om naar Chattam te gaan, nooit hadden wij de oor-
logsschepen van Karel II op den Theems verbrand.
Maar dat daargelaten; op die onnauwkeurigheden en afwij-
kingen van de geschiedkundige waarheid in deze koninklijke
verklaring willen wij niet te veel drukken: een koning maakt
zich vaak eene andere voorstelling van de geschiedenis dan een
gewoon mensch. Zooveel is zeker, dat Lodewijk XIV den oorlog
van 1672 gerechtvaardigd waant door de »triple Alliantie"; dat
verbond, voornamelijk door De Witt tot stand gebracht, en
dat de verovering van de Spaansche Nederlanden door Frankrijk
heeft verhinderd. Vandaar dat die staatkunde van De Wilt bij
velen afkeuring en veroordeeling ondervindt, en wordt voorge-
steld als de oorzaak van de rampen die ons in 1672 getroffen
hebben. Die eenzijdige voorstelling vindt men bij meer dan één
schrijver; onder andere bij Sirtema^van Grovestins in zijne
yjtiitoire des httes et rivalités politsques entre les puissances maritimes
et la France durant la seconde moitié du XFII siècle;'' een werk in
acht deelen^ dat in 1853 en 1854 te Parijs is uitgekomen.
Het komt ons voor, dat dit werk van onzen landgenoot bij
ons te weinig bekend is; en wij gelooven dat dit voor een ge-
deelte is toe te schrijven aan den persoon van den schrijver,
wien velen in Holland minder goed gezind waren. Grovestins
is kamerheer geweest bij koning Willem I; indien wij ons niet
vergissen, tot 1828, toen hij het hofleven vaarwel zeide en zich
later te Parijs vestigde. Grovestins behoorde tot de bestrijders
van het regeeringsstelsel van Willem I, en die waren toen bij
ons niet in aanzien: dat regeeringsstelsel vond men toen zoo
uitmuntend, en dien koning vergoodde men toen zoo, — om
later, misschien met niet minder overdrijving, in een tegenover-
gesteld uiterste te vervallen. In verschillende geschriften van Gro-
vestins, ook in brieven van anderen, door hem uitgegeven, kwamen
soms zeer scherpe, en niet altijd rechtvaardige oorteelvellingen
voor over koning Willem I en de zijnen; dat maakte den
schrijver niet bemind. Die schrijver schreef ook in het Fransch,
en nam zoowat de houding aan alsof zijn eigen land hem wat
Digitized by
Google
04 KRUGS- £N GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
te gering was; dat is ook niet het middel om populair te wor-
den. En eindelijk — ook een erge grief — Grovestins toonde
zich vaak vijandig gezind tegen de Hervorming, en gunstig ge-
zind voor het Katholicisme. Neemt men dat alles te zamen^
dan zal men het zeer verklaarbaar vinden, waarom men, bij ons
te lande, niet hoog wegliep met Grovestins; — was dit evenwel
eene reden om zijne werken onvermeld en onopgemerkt te laten,
om hem — om het zoo eens uit te drukken — dood te
zwijgen? Volstrekt niet, zoo iets is geheel af te keuren; maar
zoo iets is bij ons geen ongewone handeling: wanneer er bij
ons lastige, onaangename waarheden worden gezegd, dan gaat
men ze dikwijls maar onopgemerkt voorbij en doet alsof er niets
was gezegd. Zeker, men is niet verplicht ieder onbeduidend war-
hoofd te beantwoorden en te wederleggen; maar het is geen
ronde, mannelijke handeling, de polemiek te ontwijken, over ge-
wichtige onderwerpen, met eerlijke, degelijke menschen.
Dat werk nu, van Grovestins, dat wij hier noemden, behan-
delt een onderwerp van hoog belang en bevat zeer veel be-
langrijks; de schrijver heeft gebruik gemaakt van een groot aan-
tal zeer goede bronnen; onder andere van de briefwisseling
van Willem III met den Raadpensionaris Heinsius: die brieven
waren in het bezit van de familie Van der Heim, waaraan de
schrijver verwant was. Er kunnen zeer gegronde aanmerkingen
worden gemaakt op dezen arbeid van Grovestins; onder andere
heeft hij de manie van uit de hoogte neer te zien op alles
wat krijgsverrichtingen b^etreft, en het verhaal daarvan te be-
schouwen als der geschiedenis onwaardig; — misschien een
zijdelingsche aanval op Thiers ; — Grovestins drijft dit zwak zóó
ver, dat hij, bij de vermelding van de ontruiming van Holland
door de Fransche troepen in het begin van 1674, gewag maakt
van een veldslag,- die nooit heeft plaats gehad, en waarvan schijn
noch schaduw is geweest. Zoo zijn er nog meer aanmerkingen
te maken; — maar dit belet niet, dat dit werk van Grovestins
ten volle verdient gelezen en overwogen te worden.
En wanneer wij hier dit oordeel uitspreken, dan is dit in zoo
ver onpartijdig, omdat wij juist niet bijzonder ingenomen zijn
met den geest die in dit werk van Grovestins heerscht. De
schrijver loopt hoog weg met Willem III; — daar hebben wij
niets op tegen; ook wij deelen in die ingenomenheid, al is het
dat wij Macaulay's schets van dien held veel te geïdealiseerd
vinden. Grovestins staat verder de meening voor, dat de oor-
logen van Willem III tegen Lodewijk XIV volstrekt geen gods-
dienstoorlo^n zijn geweest, geen kamp van het protestantisme
tegen het katholicisme; — ook die meening is goed vol te
houden en bevat veel waarheid, al valt het niet te ontkennen
dat toch ook godsdienstige drijfveeren bij die oorlogen in het
Digitized by
Google
AANLEIDING TOT DEN OORLOG VAN 1672. 65
spel zijn geweest, vooral na de herroeping van het Edikt van
Nantes. Wat wij echter geheel en al afkeuren, dat is het oor-
deel van Grovestins over Jan de Wilt: niet alleen dat hij de
staatkunde van den grooten Raadpensionaris veroordeelt, maar
ook spreekt hij over hem op een toon van minachting, die
onrechtvaardig en onbetamelijk is. — Een enkel woord over die
staatkunde.
Wie geen volslagen vreemdeling is in onze geschiedenis, weet
dat er in onze Republiek twee groote staatspartijen zijn geweest :
de Stadhouderlijken, de Prinsgezinden of Oranjemannen ; en de
Siaatsgeztnden, de Patriotten of de Loevesteinsche factie, — wel-
ken naam men ze geven wil. De eene parlij, de Oranjepartij,
steunde op eenige adellijke geslachten, voornamelijk in de land-
provinciën, op het leger, op de protestantsche geestelijkheid, en
op de groote massa van het volk, op wat men nu soms noemt
>het volk achter de kiezers". De andere partij had voor zich de
Regenten der steden en die daartoe behoorden ; de oude Patrici-
sche geslachten, die een zoo hoog gevoel van eigenwaarde had-
den, dat zij zich ver boven den adel stelden; en het verlichtste
gedeelte van de burgerij ; — die partij bestond uit het kundigste,
beste, edelste deel des volks; hare hoofden kenmerkten zich
meestal door verstand, ruime inzichten, een verlichten en ver-
draagzamen godsdienstzin; zij waren zeer vrijheidsgezind, — in
dien zin, dat zij noode een meester over zich duldden, maar
gaarne den roeester speelden over anderen; wat hun het meeste
tegenstond, dat was de heerschappij van de groote massa, van
het gemeen: > liever vtrheerd^ dan \txknechf\ waren Oldenbarne-
veld's woorden. In den regel waren de Prinsgezinden meer op
de hand van Engeland; de Staatsgezinden op die van Frankrijk.
Die twee groote staatspartijen droegen elkander een feilen
haat toe, die zich dikwijls op de ruwste en heftigste wijze open-
baarde , en in de tegenstanders alles kwaads zag. De eene partij
had in dat opzicht de andere niet veel te verwijten; beide
ontzagen zich niet om de haar vijandige hoofden en leiders op
de hevigste wijze aan te randen en van de ergste misdrijven te
beschuldigen. De haat der vijanden van Oldenbarneveld ging
zóó ver, dat zij hem voorstelden als een man die om God noch
zijn gebod gaf en een zeer duister verleden had; den dag dat
de De Witten vermoord zouden worden, gingen er in Den Haag
liedjes rond van dit allooi:
♦ Lucifer roept uit de hel:
Waaneer De Witt doar komen zei ?
De Burgers roepen uit Den Haag:
Wacht hem t' avond in uw maag."
WILLEM ni. — I.
Digitized by
Google
66 KRIJGS- EN GESCHIKDKUNDIGB BESCHOUWINGEN.
En men moet wel in het oog houden, dat men toen geloofde
aan >Lucifer" en aan >de hel"; in onze dagen zou zulk een
rijmpje minder beduiden; in 1672 was het een krachtige ver-
wensching, door den volkshaat uitgesproken. De Patriotten gaven
in hevigheid aan de Prinsgezinden niets toe; om maar eens iets
te noemen, de arme Willem V, een goedaardige sukkel, werd
soms als iets heel gewoons bij Nero en Caligula vergeleken. De
beschuldiging van heulen met den vijand, van landverraad, was
een zeer gewone beschuldiging die men elkander naar het hoofd
wierp: de Stadhouders stonden naar het hoog gezag, en daarom
zochten zij hulp bij het buitenland en bij onze vijanden; het was
hiin schuld dat de Duinkerkers zeeroof pleegden, of dat bij den
Amerikaanschen oorlog onze zeehandel niet beschermd werd
tegen de Engelschen; Oldenbarneveld was door de Spanjaarden
omgekocht, Jan de Witt door Frankrijk; — deze en soortgelijke
ongerijmde beschuldigingen waren toen gewone zaken. Geen
heviger partijschriften dan die, welke tijdens de Republiek bij
ons uitkwamen; geen losbandiger drukpers dan toen; en toch,
vrijheid van drukpers bestond er eigenlijk niet; de schrijvers
van blauwboekjes en pamfletten stonden bloot aan zware straffen,
wanneer zij ontdekt en gegrepen werden, maar het was toen zoo
moeielijk om een schotschrijver te ontdekken, en zoo gemakkelijk
kon hij zich onttrekken aah het gerecht, welks macht dikwijls
niet verder reikte dan tot de muren der stad waar het zetelde.
Aan den verbitterden en blinden partij haat moet men veel
vergeven; maar onvergeeflijk is het, nu nog aan te komen met
die aantijgingen van omkooping en landverraad; en ddt is eene
grief die wij tegen het werk van Grovestins hebben. Die schrijver,
zich grondende op een losse en door niets gestaafde bewering,
in een der brieven van Luxembourg voorkomende, beschuldigt
er Jan de Witt van, in 1672 met Frankrijk in verstandhouding
te hebben gestaan. Het is niet noodig om in ernst te antwoorden
op zulk een beschuldiging: zij schaadt alleen hem die haar doet.
Wie had nu eigenlijk gelijk, de Stadhouderlijke partij of de
Staatsgezinde? aan welke zijde was het recht? — Het is zeer
moeielijk op die vragen een bepaald antwoord te geven: elke
der beide partijen had hare goede, hare groote zijde ; de waarde
van eene partij hangt veel af van de waarde van hare hoofden,
en in dat opzicht zijn beide evenzeer gelukkig geweest: Willem
de Eerste, Maurits, Frederik Hendrik, Willem de Derde zijn
heröen geweest, sterren van de eerste grootte; maar de Staats-
gezinde partij kon ook bogen op tal van uitstekende mannen,
volkomen geschikt om als hoofden van den Staat op te treden:
Oldenbarneveld. de Witt, Van Beverningh, Van Beuningen, Hop,
Heinsius zijn ontzagwekkende gestalten in onze geschiedenis.
Het streven van de Oranjepartij was gericht op een nauw ver-
Digitized by
Google
AANLEIDING TOT DEN OORLOG VAN 1672. ' 6^
band tusschen de Vereenigde Gewesten, op meer eenheid van
macht, berustende in de handen van een enkelen Stadhouder, op
eene meer Europeesche staatkunde. De Staatsgezinde partij daaren-
tegen streefde naar eene meer HoUandsche staatkunde, naar eene
staatktmde die zich alleen ddn naar buiten deed gelden, als dit
hoog noodig was; die partij streefde naar beperking van het
gezag des Stadhouders, en naar de zelfstandigheid van elke der
zeven Vereenigde Provinciën; die partij beschouwde de Repu-
bliek als een bondgenootschap tusschen zeven van elkander onaf-
hankelijke Staten; de Prinsgezinden neigden er toe, om van de
zeven gewesten één Staat te maken. Holland was meest de
Staatsgezinde partij toegedaan, omdat het, op zich zelve blijvende,
door zijn grootere macht en rijkdom, de andere gewesten dan
gemakkelijk naar zijne inzichten kon doen handelen; Holland
was toen, om zoo te zeggen, de Republiek; en in Holland had
de enkele stad Amsterdam zooveel gewicht in de schaal te leg-
gen, alsof zij alleen eene mogendheid was. Willem de Derde
— in zijne brieven — komt er gedurig op terug, dat men ide
Heeren van Amsterdam" moet ontzien, >de Heeren van Amster-
dam" voor zich moet winnen. De onderneming van 1688, die
Willem den Derde op den Engelschen troon bracht, was alleen
mogelijk nadat Witsen en andere burgemeesters van Amsterdam
daarvoor gewonnen waren.
De staatsregeling van de Republiek was uitermate gebrekkig,
en te vergeefs zou men daarin eene juiste afbakening willen
zoeken van de grenzen der verschillende staatsmachten; nu eens
was de eene partij aan het hoofd, dan weder de andere, al naar
gelang de omstandigheden dit medebrachten en vooral naar ge-
lang er een man van groote en uitstekende bekwaamheden optrad ;
zulk een man had dan metterdaad het hoog gezag in handen;
hij regeerde, hij oefende het dictatorschap van het Genie uit. Zoo
kan men zeggen dat De Witt een twintig jaar ger^eerd heeft,
Willem de Derde een kleine dertig; De Witt van zijn eerste
optreden als Raadpensionaris, kort na den dood van Willem den
Tweede, tot in 1672; Willem III, van 1672 tot zijn dood. —
Wat hebben beiden van de Republiek gemaakt?
De Witt heeft vooral den bloei en de welvaart van Holland
beoogd en die in hooge mate behartigd; de geldmiddelen lieten
onder zijn beheer niets te wenschen over; de oorlogsvloot ont-
ving eene uitbreiding, die ongekend was ; het krijgswezen te lande
werd verwaarloosd, — echter niet alleen door de schuld van
De Witt. De Raadpensionaris had eene HoUandsche staatkunde,
en was weinig geneigd om zich bezig te houden met de groote,
algemeene belangen van Europa; toch werd hij door den drang
der omstandigheden gedwongen om herhaaldelijk oorlog te voe-
ren, meestal zee-oorlogen, die bijna alle roemrijk werden ten
Digitized by
Google
68 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
einde gebracht: de eerste en de tweede Engelsche oorlog — de
eerste gaat eigenlijk De Witt minder aan — , en de oorlog in
het Noorden, toen de Republiek Denemarken beschermde tegen
Zweden's wapenmacht. Eindelijk achtte De Witt het noodig, tus-
schenbeide te treden om de heerschzucht van Lodewijk XIV te
beteugelen, toen deze de Spaansche Nederlanden wilde veroveren.
Die laatste handeling van De Witt vindt bij velen hooge
afkeuring; zij hebben die handeling voorgesteld als een roeke-
looze uittarting van het machtige Fransche rijk, als de oorzaak
van de rampen die ons in 1672 hebben getroffen. Wij vereenigen
ons volstrekt niet roet zulk eene voorstelling; wij gelooven inte-
gendeel dat die handeling van De Witt hoogen lof verdient.
Stel u de zaken voor zooals zij waren in 1667 en 1668, toen
Lodewijk XIV zich meester wilde maken van de Spaansche
Nederlanden. De Witt regeert toen in de Republiek; — regeert,
wij weten zeer goed dat dit woord, in den stipten zin, niet juist
is; dat De Witt rechtens niet het hoofd was van den Staat^
maar hij was dit metterdaad; — De Witt regeert in de
Republiek ; De Witt, het uitstekende hoofd van de Staatsgezinde
partij, de vijand van het Huis van Oranje, de zoon van Jakob
de Witt, een der slachtoffers van de heerschzucht en willekeur
van den Stadhouder Willem den Tweede, de zoon van dien som-
beren en haatdragenden grijsaard, die hem gedurig toeriep >denk
aan Loevestein". De Witt komt in zijn buiten landsche staatkunde
telkens in aanraking met Engeland en Frankrijk; Engeland, dat
de Stadhouderlijke partij op alle mogelijke wijzen ondersteunde;
Frankrijk, dat die partij tamelijk ongenegen was, zoo niet vijan-
dig. Wat is dus natuurlijker dan dat De Witt, in het belang
van zijn eigen gezag en van de. grootheid van zijne partij, het
bondgenootschap van Frankrijk aanneemt.
Maar nu komt het oogenblik waarop Lodewijk XIV de Spaansche
Nederlanden^ wil veroveren en daardoor de onmiddellijke nabuur
van de Republiek zal worden. Had De Witt toen enkel gelet
op zijn eigen belang, of op het belang van zijne partij, dan had
hij Lodewijk XIV toen ongehinderd laten begaan; maar De
Witt lette op het belang van het vaderland; hij zag het dreigende
gevaar in, van de Fransche legers zoo onmiddellijk aan onze
grenzen te hebben; en om dat gevaar af te wenden sloot hij
met Engeland en Zweden dat drievoudig verbond, dat Lodewijk
dwong den oorlog te staken en af te zien van de voorgenomen
verovering van de Zuidelijke Nederlanden. — Indien die hande-
ling van De Witt geen edele, lofwaardige handeling is geweest,
dan begrijpen wij er niets van.
Maar het was eene onvoorzichtige handeling, — wordt dan
gezegd; — men stelde zich daardoor bloot aan den toorn van
den machtigen Franschen koning.
Digitized by
Google
AANLEIDING TOT DEN OORLOG VAN 1672. 69
Eene onvoorzichtige handeling ? — Dat de triple Alliantie het
ongenoegen van Lodewijk XIV zou opwekken, dat was vrij dui-
delijk; maar dat ongenoegen kon minder kwaad, zoolang men
Engeland en Zweden als bondgenooten had. Kon men verwachten
dat die bondgenooten ons zoo spoedig zouden verlaten, dat zij
zoo spoedig door het Fransche goud zouden gewonnen worden,
en dat een zeer klein aantal jaren voldoende zou zijn, om
Engeland van onzen bondgenoot in onzen bittersten vijand te
verkeeren ? Is het De Witt als schuld toe te rekenen, dat hij niet
gedacht heeft aan zoo schaamtelooze kwade trouw, aan zoo erge
eerloosheid f
Ziedaar wat men kan zeggen van de regeering van De Witt.
Wat nu heeft de regeering van Willem den Derde gedaan?
Groote, roemrijke zaken, dat lijdt niet den minsten twijfel.
De verdediging van ons vaderland in 1672 en 1673; de aan-
houdende en heldhaftige worsteling tegen de heerschzucht van
Lodewijk XIV; de onvermoeide kamp voor Europa's vrijheid;
het bevrijden van Engeland van het juk van dweepzucht en
dwingelandij ; het scheppen van een uitmuntend Hollandsch leger,
dat zich met roem overlaadde, zoowel op de slagvelden van
Séneffe en van Fleurus als later bij de veldslagen van den
Spaanschen Successie- oorlog ; — dat alles en meer heeft men
aan Willem den Derde te danken ; en dat alles omgeeft zijn naam
met een onsterfelijk en roem.
Maar nu de schaduwzijde. Een uitmuntend leger is geschapen ; —
is de HoUandsche oorlogsvloot onverminderd gebleven? — De
Republiek heeft toen eene schitterende rol gespeeld ; — heeft zij
zich daarbij niet overspannen, hare krachten niet uitgeput, hare
latere verzwakking niet voorbereid? — Wij hebben toen Enge-
land bevrijd; — hebben wij ons toen weten te vrijwaren tegen
de aanmatigingen van Engeland's heerschzucht; hebben wij toen
ónze belangen, ónze staatkunde niet ondergeschikt gemaakt aan
de belangen en de staatkunde van Engeland; zijn wij toen niet
de sloep geworden, lijdelijk in het zog blijvende van het groote
Engelsche schip? — Willem III is de kampvechter geweest voor
Earopa's vrijheid; — maar hij heeft daarbij de hulpmiddelen
van ons land op de meest kwistige wijze gebruikt; hij heeft de
belangen van Europa meer behartigd dan de onze. Grovestins
is oprecht genoeg om dit laatste te erkennen, maar tracht dit
goed te maken door de aanmerking: dat iedere Staat er naar
moet streven om, zelfs ten koste van eigen welzijn, de taak te
vervullen, die het meest met de wereldorde overeenkomt; —
een zeer wijsgeerige troost, die echter niet algemeen ingang zal
vinden.
Wij hebben door deze beschouwingen over de staatkunde van
De Witt en die van Willem III volstrekt niet de eerste willen
Digitized by
Google
7 o KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
verheffen ten koste van de tweede; wij hebben alleen willen
doen uitkomen, dat, zoo de regeeringsdaden van Willem III
grootscher zijn geweest en heilrijker voor geheel Europa, de
regeeringsdaden van De Witt daarentegen meer geëigend waren
voor Holland, meer dienstig zijn geweest voor de Hollandsche
belangen. Vooral hebben wij onze stem willen verheffen tegen
de verwatenheid, die uit de hoogte durft nederzien op De Witt's
bestuur. Dat bestuur verdient hoogen lof; De Witt is een der
krachtigste en grootste karakters geweest, die in de geschiedenis
voorkomen; hij heeft zijn vaderland met roem omgeven, en
onvermoeid en met zelfopoffering gewaakt voor het welzijn van
dat vaderland. De zwaan — het zinnebeeld waaronder De Witt
soms wordt voorgesteld — heeft de haren trouw verdedigd tegen
de aanranding van wreede vijanden.
Lodewijk had, volgens zijne eigene verklaring, >geen troepen
genoeg en geen voldoende bondgenooten" om, dadelijk na het
sluiten van de triple Alliantie, de Republiek den oorlog aan te
doen; maar de drie of vier jaar tusschen die Alliantie en 1672
werden door den Franschen koning gebruikt om daarin verbete-
ring te brengen. De bondgenooten van de Republiek werden
haar ontrouw gemaakt en grootendeels aan Frankrijk's zijde ge-
bracht; en de Fransche legers werden voortdurend versterkt.
Omtrent dit laatste vindt men bij Rousset belangrijke bijzonder-
heden, die duidelijk aantoonen hoe de legers van Lodewijk,
evenals alle legers van dien tijd, voor een goed gedeelte uit
vreemdelingen bestonden.
>Heel het Westen van Europa" — zegt Rousset, eerste deel,
bladzijde 328 — >werd op schatting gesteld om hem" (Louvois)
> soldaten te verschaffen. Wij spreken hier niet van de bondge-
nooten die rechtstreeks belang hadden bij den oorlog, en wier
legerafdeelingen een sterkte hadden, door de verdragen bepaald,
en streden naast de Fransche legers, maar met hunne eigene
aanvoerders en onder hun eigen vaandel ; dit waren de Keulsche
en de Munstersche troepen, en de Britsche regimenten van Karel II.
Er is hier zelfs geen sprake van die vreemdelmgen-korpsen, altijd
voor iedereen openstaande, en die aangevuld werden met over-
loopers en fortuin zoekers, sommigen gelokt door Frankrijk's
militairen naam, maar het meerendeel door het lokaas van een
hooge soldij. De toevloed van zulke avonturiers was in 1672
aanmerkelijk; Louvois was daardoor in staat gesteld om twee
regimenten lersche infanterie op te richten, een Engelsch, een
Duitsch, een Spaansch, — zonder nog acht regimenten 'ruiteri)
meê te rekenen. Wij spreken van de onzijdige mogendheden,
vooral van de kleine Staten van Italië, Frankrijk meer of minder
Digitized by
Google
TOEBEREIDSELEN. ^ I
genegen, en die het moesten toelaten, soms aanmoedigen, dat er
op hun eigen grondgebied openlijk voor Frankrijk werd gewor-
ven. Gaarne zagen zij dit echter niet."
Te Venetië gelukten die wervingen niet; wél te Parma, Modena,
Lucca, en Florence : >een nieuwe zendeling, Camus Duclos, slaagde
er in, in korten tijd een prachtig regiment voetvolk aan te wer-
ven, dat Royal-ltalien genoemd werd, en ongeveer 3000 man sterk
was." (bl/. 329).
Van Genua wordt gezegd (blz. 329 — 330) :
iDe Genueezen betoonden zich aanvankelijk niet rekkelijker
dan de Venetianen; toen Louvois hen rechtstreeks vroeg om
gemachtigd te worden een regiment voetvolk in Corsica aan te
werven, gaven zij lang een weigerend of ontwijkend antwoord.
Het was niet vóór Mei 1673 ^^^ ^^^ »Hollanders van Italië",
tot het uiterste gebracht door het in beslag nemen van hunne
galeien, er in toestemden om 1200 man te leveren..."
Wat Piémont belreft, de Hertog van Savoye, Karel Emmanuel,
wordt gewonnen, doordien zijn zoon van Lodewijk XIV ten ge-
schenke ontvangt een regiment voetvolk en een regiment ruiterij,
maar — van de Piémonteesche troepen. Een vreemde manier, om
iemand een geschenk te doen van zijn eigen goed! Karel Emma-
nuel is zeer weinig ingenomen met die eer; maar half door
bedreiging wordt hij gedwongen dit aan te nemen:
> Karel Emmanuel, hoezeer gekrenkt en misnoegd, aanvaardde
of, om juister te spreken, gaf, hoewel met tegenzin, eerst het
regiment ruiterij, en eenige maanden later het regiment voetvolk.
Eindelijk, na een rampspoedigen aanval op de Genueezen, waar-
door hij zijne wapeningen zoozeer had uitgebreid dat het hem
onmogelijk was langer gebrek aan macht voor te wenden, werd
hij gedrongen, op het laatst van het jaar 1672, aan Lodewijk XIV
nog drie andere regimenten voetvolk te geven, te zamen omstreeks
4 a 5000 man sterk. Tot den Nijmeegschen vrede" (1678)
>werden al die korpsen voltallig gehouden door wervingen in
Piémont; maar zij werden betaald als de Fransche regimenten,
en in alles op dezelfde wijze behandeld; zoodat Lodewijk XIV
zich de bevoegdheid deed geven door de Piémonteesche regee-
ring — of liever, de regeering dat afdwong — om de openval-
lende plaatsen aan te vullen, evenals bij zijne eigene troepen..."
(!• deel, blz. 332).
Bij de Zwitsers wordt door Louvois gezonden een bekwaam
en eerlijk officier, Stoppa, uit Grauwbunderland afkomstig; —
bij onze schrijvers wordt hij Stouppa genoemd ; zijn naam komt
veel voor bij de k rijgsverrichtingen van 1672 en 1673. Bij zijne
pogingen om in Zwitserland troepen aan te werven stuitte hij
aanvankelijk op bezwaren; de godsdienst kwam hierbij in het
Digitized by
Google
72 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
spel; lang duurde dit echter niet^ en spoedig slaagde Stoppa
volkomen in het doel zijner zending:
>Ternauwernood was Stoppa begonnen met eenige van zijne
voorstellen te uiten — want hij wachtte zich wel om met alle
te gelijk voor den dag te komen — of hij had te antwoorden
op een menigte aanmerkingen van staatkundigen of godsdien-
stigen aard. Sommigen trokken partij voor den Keizer, en be-
weerden dat de Koning van Frankrijk met een leger van hon-
derdduizend man Duitschland wilde binnentrekken, om Monseig-
neur den Dauphijn met geweld tot Roomsch koning te verheffen."
Anderen, die beter onderricht waren, spraken van den oorlog
tegen de Hollanders, maar als van een godsdienstoorlog. De
predikanten in de Hervormde kantons t preekten een menigte
dwaasheden tegen die werving; de voornaamste in deze stad." —
Stoppa schrijft uit Bern — >is als door den duivel bezeten over
deze zaak. Sedert eenigen tijd wordt op den preekstoel gebeden
voor de arme vervolgde Hervormde Kerk in Frankrijk." Maar
die groote beweging in de gemoederen komt hem verdacht
voor, en met een jammerlijk scepticisme voegt hij er bij:
>eenig geld, dat de Hollanders hieraan besteden, brengt dit
alles te weeg." Ongetwijfeld dwaalde Stoppa hierin ; de gemoeds-
beweging bij de Hervormden was oprecht, maar zij belette niets;
zij bracht op zijn hoogst te weeg, dat de zendeling van Louvois,
om haar te bestrijden, een ruimer gebruik moest maken van de
geldelijke argumenten. Zooveel is zeker, dat hij, na van
Bern gereisd te zijn naar Bazel, en van Bazel naar Fribourg, in
twee maanden tijds zijn zending had volbracht, en toen aan den
Minister kon schrijven — in dien stijl waar Louvois zooveel van
hield, een stijl van feiten en cijfers: — > vergis ik mij niet, dan
zult gij het getal van 99 compagnieën hebben, daaronder be-
grepen 1200 man voor de aanvulling; dit zal dus niet ver zijn
van 19000 man, de garde niet medegerekend." (i* deel, blz.
333—334).
Van Lennep is een uitmuntend prozaschrijver; — als dichter
staat hij minder hoog. Zijn proza is zoo natuurlijk en eenvoudig,
zoo door en door Hollandsch, zoo helder en duidelijk, zoo vol
geest en goeden smaak, dat het, in weerwil van alle betweters,
altijd bij ons in hooge waarde zal blijven. Van Lennep was niet
erg Duitschgezind, en had vooral een afkeer van de overdreven
grondigheid van vele Duitsche schrijvers, die gepaard gaat met
zooveel omslachtigs en zooveel duisters; hierin had de schrijver
van „Ferdinand Huyck^^ nu juist geen ongelijk; — maar wel had
hij ongelijk, wanneer die afkeer hem in een tegenovergesteld
uiterste deed vervallen, zooals wel eens gebeurde. Van Lennep
bleef wel eens te veel aan de oppervlakte der zaken ; en ver-
kondigde dan soms als eene waarheid wat bij nader onderzoek
Digitized by
Google
TOEBEREIDSKLBN. 73
niets anders bleek te zijn dan een paradox, onbedacht geuit en
geestig volgehouden.
Z0OO heeft Van Lennep in een zijner romans — vergissen wij
ons niet, dan is het in ide Pleegzoon" — de stelling geuit,
dat wij ongelijk hebben van ons te verhoovaardigen op den
roem van den tachtigjarigen oorlog; dat bij dien oorlog vreem-
delingen van verschillende landen voor ons hebben gestreden;
want dat er bij de legers van Maurits en van Frederik Hendrik
een groot aantal vreemdelingen waren. Had Van Lennep dit
punt wat nader onderzocht of overwogen, dan zou hij tot de
bevinding zijn gekomen, dat in dien tijd alle legers waren
samengesteld zooals de legers van onze Stadhouders; dat men
toen bij alle legers een menigte vreemdelingen had ; dat nationale
legers toen niet bestonden. Wij zien dit weer bevestigd door wat
Rousset mededeelt over die wervingen tijdens Lodewijk XIV;
het blijkt daaruit dat, zelfs bij het meest militaire volk van
Europa en waar het krijgs wezen het meest was ontwikkeld, een
goed gedeelte van het leger uit vreemde troepen bestond; en
dit is eene zoo algemeen erkende waarheid, dat in dien tijd
bijna altijd gesproken wordt van „rarmée de France\ en niet
van yparmée franfaise\ En toch zal niemand de dwaasheid heb-
ben om te beweren, dat de overwinningen, door Lodewijk be
haald, niet ten bate mogen gebracht worden van Frankrijk's krijgs-
roem. Daarom, laat ons het dan er ook maar voor houden, dat de
slag van Nieuwpoort een HoUandsche overwinning is geweest.
Om ons land te beoorlogen had Lodewijk XIV zich verbonden
met Engeland^ en met den keurvorst van Keulen en den bis-
schop van Munster. Het voornemen der Franschen was, niet om
door de Spaansche Nederlanden te trekken, maar om meer
oostelijk door het Keulensche, den Neder-Rijn en Gelderland te
bereiken en ons daar aan te vallen. Dit vorderde toebereidselen
in het Keulensche, want bij de voeding en het onderhoud ging
men toen omslachtiger te werk dan in onze dagen; magazijnen
wareii toen haast onvermijdelijk; vandaar dat Louvois tot dat
einde in onderhandelingen moest treden met den keurvorst van
Keulen; of, om juister te spreken, met de twee vorsten van
Fürstenberg, twee broeders die geheel en al de belangen van
Frankrijk waren toegedaan, en geheel en al den zwakken keur-
vorst beheerschten. Die keurvorst 'behoorde tot de talrijke klasse
der Rois fainéants; hij bemoeide zich met niets en had ook niets
te zeggen.
In Rousset vindt men bijzonderheden omtrent die onderhan-
delingen tusschen Louvois en den keurvorst van Keulen; wij
nemen er hier eenige van over, die het meest den eigenaardigen
toestand van zaken van dien tijd doen kennen.
Digitized by
Google
74 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Louvois laat magazijnen aanleggen in het keurvorstendom
Keulen. Een twist tusschen den keurvorst en de stad Keulen
geeft gelegenheid om den bisschop, die Frankrijk's bijstand
inroept, te ondersteunen met munitie en krijgs voor raad, die
bijeengebracht worden in de steden Neuss, Keizersweert, Bonn
en Dorsten. De keurvorst-bisschop handelt hierin geheel volgens
de aanwijzingen van vorst Wilhelm von Fürstenberg, en diens
broeder, den bisschop van Straatsburg; ttwee Duitschers, geheel
en al gevormd en gedrild naar den wil van Lodewijk XIV" (blz.
366). — Jolly, een agent van Louvois, schrijft hem over de
Fürstenbergen :
»Ik begin te begrijpen, dat men er niet blindelings op moet
vertrouwen, vooral niet op den vorst van Fürstenberg. Hij
beoogt alleen zijn eigen belang, en aarzelt als hij de beslissende
verbintenis moet sluiten ; ik geloof dat hij tot die menschen be-
hoort, die gaarne nog een achterdeur behouden waardoor zij
kunnen wegkomen. De bisschop van Straatsburg heeft meer een
bepaalde meening; ik geloof dat hij meer oprecht en vastberaden
is..." (blz. 377). Van den keurvorst zelf zegt JoUy: >'t is een
goedaardig vorst, die, naar ik zie, zich met niets hoegenaamd
bemoeit, en geheel geregeerd wordt door die menschen" (de
Fürstenbergen).
Louvois zendt zwaar belegeringsgeschut naar Keulen, — in
schijn als geschenk voor den keurvorst. De vaartuigen, die dat
geschut hebben overgebracht, worden daarna tot pontons inge-
richt; ook wordt daarvan een gierbrug gemaakt, »een gierbrug
uit één stuk bestaande, die, tweemaal in het uur, telkens een
500 man en een 100 paarden van den eenen oever van den
Rijn naar den anderen kan overbrengen." (blz. 338).
Er wordt niet gezegd op welk punt, en hoe breed de Rijn
daar was.
Aan boord van die vaartuigen waren een aantal zakken met
geld, bestemd om daarmee koren op te koopen in Duitschland,
in Holland, tot in Polen toe.
Om de Hollanders te beoorlogen werd in Holland zelf
munitie opgekocht:
(RoussET, i** deel, blz. 338 — 339). >Wat nog ongeloofelijker
is, de Hollanders boden vaardig daartoe de hand en ontwapen-
den zich goedwillig ten bate van hunne vijanden; zoozeer werd
bij dit volk van kooplieden de vaderlandsliefde verdoofd of
verblind door handelsgeest en winzucht. Het is waar, de zaak
werd ook aangelegd op voorbeeldig slimme wijze. E^n Joodseh
bankier uit Amsterdam, Sadoc genaamd, was de bekwame en
gelukkige handlanger bij deze vreemdsoortige speculatie. Onder
voorwendsel van munitiën bijeen te brengen, óf ten behoeve
Digitized by
Google
TOKBEREIOSELEN. ^ $
van de Spaansche Nederlanden, óf voor rekening van sommige
Duitsche steden, zooals Mainz en Frankfort, kocht hij groote
hoeveelheden kruit op, salpeter, lont, lood en kogels, en deed
dit snel vervoeren naar Keulen. Toen de Staten- Generaal lucht
kregen van dien handel, was hij schier geëindigd. Sadoc had
hen reeds beroofd van ten minste 400000 pond buskruit, 160000
pond salpeter, 120000 pond zwavel, 200 000 pond lood, 200000
pond lont."
In enkele opgaven vindt men zelfs het fabeltje, dat Louvois
in persoon over kwam om die munitie te koopen, en toen groot
gevaar liep van aangehouden te worden.
Dat koopen van munitie in Holland om Holland daarmee
te beoorlogen, is een prachtige tekst voor een e declamatie, maar
het was eene handeling geheel in den geest van dien tijd. Bij
het krijgswezen van de meeste staten had men toen geen vaste
oorlogsmagazijnen, of waren zij ten minste van weinig beduidenis;
hoogstens had men in eene vesting een arsenaal om daar het
geschut te bergen. Was een oorlog aanstaande, dan schafte men
zich munitie aan ; men kocht die op, overal waar zij maar voor-
handen was; het was een koopwaar waarin men handel dreef,
onverschillig door wie of aan wie; en het is een feit, dat ge-
durende den tachtigjarigen oorlog onze Hollanders krijgsvoor-
raad aan Spanje verkochten: hadden zij dit niet gedaan, dan
had Spanje dien krijgsvoorraad elders gekocht, en een ander was
dan met de winst gaan strijken. Dus, dat de Franschen vóór 1672
munitie kochten in Holland, was zulk een vreemde zaak niet.
In 1674 had het tegenovergestelde plaats. Bij de ontruiming
van Holland voerden de Franschen al hunne munitiën naar
Grave. Chamilly, de bevelhebber van Grave, klaagde er loen
over, dat hij daar te veel kruit had en de veiligheid van zijne
vesting daardoor gevaar liep; hij ontving toen machtiging van
Louvois om een goed deel van dat kruit te verkoopen aan de
Hollanders; ondershands, in schijn tot zijn eigen (Chamilly'
voordeel.
Voordat de oorlog met de Republiek begon, werden
Fransche vestingen aan de grenzen van de Spaansche Nede
landen ook voorzien van een aanmerkclijken krijgsvoorraad.
In October 1671 komt Chamilly — een broeder van den
lateren verdediger van Grave — als zaakgelastigde van Frankrijk
bij den keurvorst van Keulen. Chamilly richt toen ten behoeve
van den keurvorst uit deserteurs van het Fransche leger een
regiment op: >een goed regiment waarover hij het bevel gaf
aan zijn eigen broeder." (blz. 342).
Eindelijk, nadat zijne zendelingen alles genoegzaam hebben
voorbereid, komt Louvois in persoon, om de laatste hand te
leggen aan de overeenkomst met zijne Duitsche bondgenooten.
Digitized by
Google
76 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGB BESCHOUWINGEN.
Wat er bij Rousset voorkomt omtrent die reis van Louvois naar
het Keulensche, bevestigt alweer het bekende feit, dat aan de
Duitsche hoven van die dagen de matigheid niet de hoofddeugd
was. Geheel in het begin van 1672 komt de Fransche minister
te Brühl om daar den keurvorst en den bisschop van Munster
te spreken. Den len Januari 1672 schrijft hij van daar aan
Lodewijk XIV:
> Dezen ochtend ben ik drie uren in gesprek geweest met den
bisschop van Sraatsburg" (een der Fürstenbergen) ; > en welk een
denkbeeld ik mij ook reeds gevormd had van zijne weifelingen
en van zijne onbeslistheid, door wat de heer De Chamilly mij
daarvan had bericht, moet ik Uwe Majesteit toch bekennen dat
het mij nog heeft verbaasd, en dat het mij tevens heeft verwon-
derd dat de heer De Chamilly de belangen van Uwe Majes-
teit zoo goed heeft weten te behartigen en ze in zoo goeden
toestand heeft weten te brengen als zij het thans zijn, terwijl
hij te doen had met iemand zóó zwak en zóó onkundig als
deze is. Tegen twaalf uur is de bisschop van Munster hier aan-
gekomen . . ."
Louvois sluit nu een verdrag met de beide bisschoppen; en
den 4en Januari 1672 schrijft hij aan zijn vader Letellier:
lik had gemeend dezen ochtend te vertrekken, en de onder-
teekende traktaten te kunnen medenemen; maar de slemppartij
{Ja débauchè) die de bisschop van Munster en de bisschop van
Straatsburg eergisteren hielden tot viering van het teekenen van
het verdrag van Keulen, belette mij om den ganschen volgenden
dag iets met hen te kunnen uitrichten... Gij kunt u zoo iets
onkundigs niet verbeelden, of de bisschop van Straatsburg over-
treft dat nog; voeg daarbij een eindelooze besluiteloosheid en
een gemeene gierigheid, en dan ben ik verzekerd dat gij hen
beklaagt die met zoo iemand moeten onderhandelen. En toch is
het van dezen man dat, in dit land, alles afhangt; zonder hem
wordt tot niets besloten..." (blz. 342 — 345).
Die verdragen houden in, dat, tegen uitbreiding van grondge-
bied ten koste der Republiek, de keurvorst van Keulen eene
macht van 17 ^ 18000 man zal voegen bij het leger van Lode-
wijk XIV, en voor drie jaar de stad Neuss aan Frankrijk afstaat
met het recht om haar te versterken en te bezetten; en dat de
bisschop van Munster zijne legermacht bij de Keulensche zal
voegen. Van het Fransche leger gaan daarop 4000 man —
keurtroepen — in dienst over van den keurvorst van Keulen;
die Fransche troepen betoonen daarbij aanvankelijk veel onwil,
die echter ophoudt, zoodra zij hooren dat die overgang in vreemden
krijgsdienst geschiedt op bevel van Lodewijk XIV.
Digitized by
Google
STRUDKRACHTEN. 77
Alvorens aan te vangen met het verhaal der krijgsverrichtingen
van 1672, is het noodig een enkel woord te zeggen over de
strijdkrachten der oorlogvoerende partijen, hunne legers^ de
militaire waarde der troepen, de bekwaamheid der aanvoerders,
den toestand der vestingen en der verdedigingslijnen. Frankrijk
en de Republiek maken hoofdzakelijk die oorlogvoerende par-
tijen uit.
Over de sterkte van het Fransche leger in 1672, en in het
bijzonder van het leger waarmede Lodewijk XIV Holland aan-
viel, vindt men een aantal opgaven; maar het zijn opgaven, die
niet met elkander overeenstemmen, die integendeel elkander
tegenspreken. Wij zullen enkele daarvan hier mededeelen, 'en
tevens zeggen wat naar onze meening het meest overeenkomt
met de waarschijnlijkheid; voor de waarheid staan wij
niet in: ook bij geschiedkundige onderzoekingen is die zelden
te bereiken.
Rousset (!• deel, blz. 346 — 347) zegt dat Louvois den 4en
Februari 1672 aan Lodewijk XIV den sterktestaat aanbood van
het Fransche leger ; in dien sterktestaat kwam het volgende voor :
1 Eerst de keurtroepen, het regiment Gardes Frangaises en het
regiment Gardes Suisses^ te zamen onder de wapenen een 5000
man voetvolk uitmakende; de gardes-du-corps^ de mousquetairesy
de verschillende compagnieën gendarmes en chevaux-lêgers van de
Maison du Roi^ een korps uitmakende van 2950 ruiters, de beste
ruiterij van de wereld. Voor het eigenlijk gezegde leger: 46 regi-
menten Fransche infanterie, iets meer dan 56000 man uitmakende ;
12 regimenten vreemde infanterie, Zwitsers en anderen; die regi-
menten waren sterker dan de Fransche," (in eene noot komt
voor: ibij de Fransche infanterie waren de compagnieën maar
van 50 man, zonder de officieren; de Zwitsersche compagnieën
telden 200 man, en de andere vreemde compagnieën 100"), >en
gaven een totaal van bijna 30 000 man; 78 regimenten Fransche,
en 9 regimenten vreemde ruiterij, te zamen in rij en gelid .meer
dan 25 000 paarden uitmakende. In het geheel, een leger van
omstreeks 120000 man, goed gewapend, uitgerust, geoefend, van
een krijgshaftig voorkomen, en onderworpen — bevelhebbers
zoowel als soldaten — aan alle eischen van de krijgstucht. Bij
dit leger waren de noodige voertuigen en bespanningen voor den
leeftocht, de munitiën, het veldgeschut en het belegerings- mate-
rieel; 97 vuurmonden, mortieren en kanonnen van verschillende
kalibers; 72000 kanonkogels, 600 bommen, 150000 granaten,
drie pontontreinen, de eene van 100 koperen pontons, de twee
andere ieder van 100 vaartuigen."
Lodewijk XIV had in 1672 geen anderen vijand te bestrijden
dan de Republiek; hij had dus niet noodig, legers achter te
laten om de Fransche grenzen te beschermen; toch is het zeer
Digitized by
Google
78 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
duidelijk, dat er eenige troepen in Frankrijk moesten achter-
blijven, en dat de 120000 man die het Fransche leger uitmaak-
ten, niet alle aangewend konden worden voor de verovering
van Holland. Hoe sterk is het leger geweest, waarmede de
Fransche koning in 1672 naar Holland is getrokken? — Bij
Rousset vindt men daaromtrent geen bepaalde opgave.
Een ander Fransch schrijver. De Quincy, een tijdgenoot van
Lodewijk XIV, maar wiens nauwkeurigheid wel eens te wenschen
overlaat, stelt de geheele sterkte van de Fransche krijgsmacht
bij het begin van 1672 op ruim 176000 man, dus veel hooger
dan Rousset; beide schrijvers begrijpen onder die sterkte alleen
voetvolk en ruiterij; zij gewagen daarbij niet van de artillerie-
en genie-troepen, die toen trouwens slechts eene onbeduidende
sterkte hadden.
De samenstelling der regimenten van Frankrijk's leger was
toen zeer uiteenloopend. Eenige oude regimenten voetvolk had- .
den tot 70 compagnieën; de andere waren veel zwakker,
soms uit slechts één bataljon bestaande. Het bataljon telde ge-
woonlijk 17 compagnieën, waarvan eene grenadier-compagnie,
met geweren gewapend. De compagnie bestond uit een kapitein,
een luitenant, een vaandrig, benevens 50 soldaten; hiervan waren
er 12 gewapend met pieken, 4 voorzien van geweren met bajo-
netten met een houten steel, en de overigen met musketten met
lonten; — De Quincy zegt echter, dat in 1672, door nieuwe
wervingen, de compagnie gebracht moest worden tot eene sterkte
van 80 soldaten; is dit geschied? — Een bataljon werd in zes
gelederen opgesteld en in drie afdeelingen verdeeld, waarvan de
piekeniers de middelste uitmaakten.
De compagnie ruiterij bestond uit: i kapitein, i luitenant en
I kornet met 50 ruiters; 3 compagnieën maakten een eskadron
uit; 2 of 3 eskadrons een regiment. De dragonder-regimenten
maakten hierop eene uitzondering : zij bestonden uit 4 eskadrons,
ieder van dezelfde sterkte als de eskadrons der overige ruiterij.
Grondt men zich op die samenstelling van het toenmalige
Fransche leger, dan kan men als waarschijnlijk aannemen de
opgave, bij Beaurain voorkomende, dat Lodewijk XIV voor
zijne' onderneming tegen Holland eene groote honderd duizend
man bijeenbracht; hiervan kwamen aanvankelijk een 60000
man in kantonnementen tusschen de Sambre en de Maas, een
30000 man tusschen de Maas en den Moezel, en een 12000 in
het keurvorstendom Keulen. Later werd die macht bijeengetrokken
tot twee legers : het eene, 60 000 man, waarbij zich Lodewijk XIV
bevond met zijn broeder, den hertog van Orléans, zou onder het
bevel van Turenne komen : het andere, 25 000 man, onder dat
van Condé. Het overige zou, onder Chamilly, dienen om de
bezetting van Maastricht gade te slaan, of, onder de Nancré, de
Digitized by VjOQQIC
STRIJDKRACHTEN. 79
Spaansche Nederlanden in bedwang te houden; die laatste afdee-
ling zou door nieuwe wervingen worden versterkt.
Sijpesteyn en De Bordes — in hun grondigen en uitmuntenden
arbeid over de verdediging van Nederland in 1672 en 1673 —
deelen eene opgave roede, die de sterkte van het leger van
LodewijkXIV op 83000 stelt; die schrijvers achten die opgave
te laag. In het tweede deel van hun werk komen Sijpesteyn en
De Bordes echter op die sterkte van het Fransche leger terug
om haar minder hoog te schatten; uit de cijfers, door die schrij-
vers aangenomen, valt het echter niet moeielijk te bewijzen, dat
Lodewijk XIV bij het begin van den veldtocht aan het hoofd
heeft gestaan van bij de honderd duizend man.
Zeer uiteenloopend blijken die opgaven te zijn, wanneer men
verschillende schrijvers vergelijkt met betrekking tot de in 1672
tegen Holland genchte Fransche legermacht. Voltaire spreekt
van 112 000 man; eene andere opgave van Beaurain dan de
reeds aangehaalde noemt 1 20 000 man ; De Quincy en Valckenier
zeggen omstreeks 146500 man; Sylvius, 150000. De schrijver
van id'ontroerde leeuw" — een werk, reeds in 1674 uitgekomen —
zegt van het Fransche leger dat ihet geschat wierd op meer dan
300000 koppen, en in der daat niet minder was, gerekent alle
de pagies, lacqueyen, koetsiers, voerluy, jongens, krauwels, pioniers,
wijven, trossen, hoeren etc, waarvan de monsterrollen uitleverden
146 270 eifective soldaten, met mortepayen en al, en daarbij een
geweldige artillery enz."
Als waarschijnlijk nemen wij aan dat het leger, waarmede
Lodewijk XIV in 1672 Holland aanviel, eene sterkte heeft gehad
van ïoo 000 man.
De Munstersche en Keulensche krijgsmacht, vereenigd, schat-
ten wij op een 30000 man. Sijpeste)ai en De Bordes spreken
van ruim 20 000 man ; wij gelooven dat dit cijfer te laag is ;
want alleen de keurvorst van Keulen had aangenomen om 17 a
18000 man te velde te brengen; en de bisschop van Munster
kon over eene sterke legermacht beschikken. Bij het begin van
de belegering van Groningen moet het vereenigde Munstersche
en Keulensche leger meer dan 20 000 man sterk zijn geweest ;
en bovendien waren er zeer zeker bezettingen achtergebleven
in de vele reeds genomen steden.
Wij gelooven dus niet ver van de waarheid te zijn, wanneer
wij bet cijfer van 130 000 man aannemen als het geheele bedrag
van de legermacht, die in het voorjaar van 1672 de Republiek
aanviel.
Een leger van 130000 man zou zelfs in onze dagen eene
geduchte macht uitmaken; in de zeventiende eeuw was zij zon-
der voorbeeld. En het waren geen slechte, opgeraapte, verwijfde
Digitized by
Google
8o KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
troepen; het waren geen soldaten van Xerxes, welke dat
leger uitmaakten; integendeel, vergeleken met de andere
legers van het toenmalige Europa bezaten de legers van Lode-
wijk XIV een hooge militaire waarde. Vroeger hebben wij de
gebreken reeds vermeld, welke toenmaals den krijgsstand in het
algemeen aankleefden; ook de Fransche legers deelden in
die gebreken; ook die legers bestonden uit even onzuivere be-
standdeelen als de overige Europeesche legers; en d^dr, waar
zij niet meer werden in bedwang gehouden door een ijzeren
krijgstucht, ddAr, waar zij teugelloos aan zich zelve werden over-
gelaten, kon men zeker zijn dat zij tot de ergste uitspattingen
en wreedheden zouden overslaan, en een vreeselijke geesel wor-
den voor het land waar zij oorloogden. Maar voor het oorlog-
voeren zelf hadden die legers veel voor boven die van andere
Staten : daarbij bevond zich het grootste gedeelte van den krijgs-
haftigen Franschen adel; er waren een menigte officieren bij,
die, niet door zedelijke beginselen belemmerd, weinig kiesch in
de middelen die zij bezigden, al die voortvarendheid, dapperheid
en beleid bezaten, die meestal kenmerken zijn van den Fransch-
man ; stoute gelukzoekers, die, door gouddorst en roemzucht ge-
prikkeld, daardoor aangespoord werden tot buitengewone daden ;
zeker, dat die beloond zouden worden met vorstelijke mildheid.
Want eene eigenschap die men met recht in Lodewijk XIV
moet roemen, is, dat hij koninklijk wist te geven. Het leger was^
toen ten minste, het voorwerp zijner zorgen; hij was nog in
den tijd waarin de krijgsroem hem toelachte; en aan de oor-
logsmacht, welke hem dien roem moest verwerven, wijdde hij al
zijne zorgen en de rijke hulpmiddelen van Frankrijk. Vandaar
dan ook dat ■ de Fransche legers volledig voorzien waren van
alles wat noodig is tot het voeren van den oorlog. Niet alle
gedeelten waren even rijk uitgerust; maar de Maiion du Rot' moet
in dat opzicht evenzeer hebben uitgemunt als door schitterende
dapperheid ; men leze wat Voltaire zegt van het leger waarmede
de verovering van Holland werd ondernomen :
•Jamais on n*a vu une armee si magnifique, en même temi>s
mieux disciplinée. C'était surtout un spectacle imposant, que la
Maison du Roi uouvellement réformée; on y voyait quatre com-
pagnies des gardes-du-corps, chacune composée de trois cents
gentilhommes, entre lesquels il y avait beaucoup de jeunes cadets
sans paie, assujettis comme les autres a la régularité du service ;
deux cents gendarmes de la garde, deux cents chevaux-légers,
cinq cents mousquetaires, tous gentilhommes choisis, parés de
leur jeunesse et de leur bonne mine; douze compagnies de la
gendarmerie, depuis augmentées jusqu'au nombre de seize; les
Cent-Suisses même accompagnaient Ie roi; et ses régiments des
gardes frangaises et suisses montaient la garde devant sa maison.
Digitized by
Google
STRVDKRACHTEN. 8l
ott devant sa tente. Ces troupes, pour la plupart couvertes d'or
et d'argent, étaient en mème temps un objet de terreur et d'ad-
miration . . ." (Siècle de Louis XIV).
De MuQStersche en Keulsche troepen zullen denkelijk in
vergelijking roet dit leger van een veel minder gehalte zijn ge-
weest; ten minste vindt men in de briefwisseling der Fransche
bevelhebbers met Louvois zeer dikwijls uitdrukkingen van
minachting ten opzichte dier troepen, die door hen worden
voorgesteld als ordeloos en slecht. Maar, behalve dat vreemde
bevelhebbers dikwijls geneigd zijn tot onbillijkheid jegens de
bondgenootschappelijke troepen die zij aanvoeren, zoo moet men
ook in het oog houden, dat de Fransche bevelhebbers, bij de
beoordeeling van de waarde der Munstersche en Keulsche
troepen, die denkelijk hebben vergeleken met het leger van Lode-
wijk XIV, dat alle andere Europeesche legers zoo ver overtrof;
minder in waarde dan dit leger, kunnen daarom de Munstersche
en Keulsche troepen toch nog goed zijn geweest in verge-
lijking van die onzer Republiek; zelfs is dit waarschijnlijk, als
men acht geeft op de krijgszuchtige gezindheid des bisschops
van Munster, die hem in onophoudelijke oorlogen wikkelde en
die hem dus wel zorg zal hebben doen dragen voor de goede
uitrusting en oefening zijner krijgsmacht.
De Fransche legers werden ook aangevoerd door uitmuntende
bevelhebbers. Wij spreken hier niet van Lodewijk XIV zelf, die
in persoon den veldtocht medemaakte, — evenmin als van zijn
broeder, den ellendigenOrleans; — de tegenwoordigheid des Konings
mocht dienen om de geestdrift zijner troepen meer op te wek-
ken en om meer eenheid te brengen in het opperbevel; die
voordeelen werden ook weer opgewogen door nadeelen dewijl
de zorg voor 's Konings veiligheid en welzijn, en de noodzake-
lijkheid om hem in alles te raadplegen, de handelingen des legers
dikwijls moesten belemmeren. Eens Konings tegenwoordigheid
bij het leger is ddn alleen gunstig, wanneer hij wezenlijk veld-
heer is; en Lodewijk XIV was dit niet. De eigenlijke aanvoer-
ders waren Condé en Turenne, twee namen die omgeven zijn
roet een welverdienden veldheersroem.
Turenne*s groote bekwaamheden zullen zeker door niemand
roeer worden betwijfeld, sedert Napoleon zelf die erkend, en de
veldtochten des Franschen Maarschalks tot een onderwerp zijner
stttdién gemaakt heeft. De tijdgenooten van Turenne kenden hem
— ten onrechte — als veldheer meer voorzichtigheid toe dan
stoutheid; ten onrechte, zeggen wij: want, wat het ontwerpen
aangaat, overtreft Turenne in stoutheid de meeste veldheeren.
Het is alleen bij de uitvoering, dat hij eene hooge mate van
voorzichtigheid betoont. Zelden gaat hij over tot het leveren van
WILLEM III.
Digitized by
Google
82 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
een veldslag; hij is een van die aanvoerders, die zoo weinig
mogelijk aan het geluk overlaten, en die een vijandelijk leger
niet aanvallen, dan wanneer de meeste kansen op de overwin-
ning aan hunne zijde zijn of dat zij door de noodzakelijkheid
gedwongen worden tot dien aanval. Het uitkiezen van goede
stellingen, het verrichten van snelle marschen, het misleiden en
overvallen van den vijand, ziedaar wat men vooral bij Turenne
vindt; en weinig aanvoerders hebben de stoutheid geëvenaard
van zijne strategische handelingen, wanneer hij met eene kleine
macht toch aanvallend te werk ging, zonder evenwel zich in
gevaar te brengen door het leveren van een veldslag.
Condé, wiens bekwaamheden als veldheer nu lager gesteld
worden dan die van Turenne, werd door zijne tijdgenooten
meesttijds boven dezen geplaatst. De zege bij Rocroy, op twintig -
jarigen leeftijd behaald, had Condé*s hoofd met een stralenkrans
omgeven, die de minder schitterende daden van Turenne ver-
duisterde; en echter had deze veel meer bekwaamheden voor
het beramen en uitvoeren der bewegingen van een leger. Condé
schitterde voornamelijk bij een veldslag : daar wist hij met arends-
blik de zwakke zijde des vijands, het geschikte oogenblik tot den
beslissenden aanval op te merken; daar wist hij door zijn per-
soonlijke dapperheid, door zijne rustelooze voortvarendheid, door
zijn vroeger verworven roem allen met geestdrift te bezielen en
de krachten van zijn leger te verdubbelen; — maar ook daar
werd hij dikwijls door zijne onstuimigheid tot onberadene han-
delingen vervoerd en offerde hij soms nutteloos een aantal dap
peren op aan het hardnekkig doorzetten van een eenmaal ge
nomen besluit.
Later trad aan de Fransche zijde ook Luxembourg als veld-
heer op. Hij was een leerling van Condé en bezat vele hoe-
danigheden van een goed legeraanvoerder, die na verloop van
tijd al meer en meer bleken. Bij een veldslag verstond hij even-
als Condé meesterlijk de kunst om zijne troepen in werking te
brengen; maar minder verstond hij de kunst, om van de veld-
slagen partij te trekken tot bereiking van het doel des oorlogs ;
de overwinningen die hij behaald heeft, zijn zonder gevolgen
gebleven. Voor het overige was hij stout, eerzuchtige listig hove-
ling, sluw onderhandelaar, had vertrouwen in zichzelf en wist
dit aan anderen mede te deelen; hofgunst was, zooals voor de
meeste zijner tijdgenooten, voor hem alles; en hoe weinig men-
schelijkheid hij bezat kunnen onze jaarboeken leeren, waar zijn
naam als die van een Franschen Al va vermeld staat.
Behalve die hoofden des legers waren er aan de Fransche
zijde nog een menigte onderbevelhebbers van groote bekwaam-
heid. Chamilly, Montal en vele anderen waren mannen waarvan
men buitengewone daden mocht verwachten.
Digitized by
Google
STRIJDKRACHTEN. 83
Niet alleen de wapenkracht, maar ook het goud dat hij met
volle handen uitstrooide, maakte Lodewijk XIV tot een geduch-
ten vijand voor onze Republiek. De Fransche onderhandelaars,
die overal de omkooping te baat namen, waren misschien even-
zeer te vreezen als de Fransche legers en vloten. Z ij waren het,
die den Nederlandschen Staat zonder hulp lieten van bondge-
nooten; die in Duitschland verschillende gebieders tot de belan-
gen van Lodewijk wisten over te halen; en die zelfs in de
Republiek de Fransche belangen bevorderden, de verdedigings-
middelen verminderden. Bekend is het, dat reeds vroeger een
Franschman met dien lichtzinnigen, aanmatigenden toon, zijner natie
eigen, durfde verzekeren: >dat er in Holland maar vier men-
schen onomkoopbaar waren, te weten de beide De Witten,
Bevemingh en Van Beuningen." Het lijdt geen twijfel, dat de
geringe wederstand die Lodewijk XIV aanvankelijk ondervond,
niet enkel toe te schrijven is aan zwakheid en moedeloosheid,
maar wel degelijk ook aan verraad, aan omkooping, aan de
kennis die de vijand vroeger had ingewonnen aangaande de ver-
dedigingsmiddelen van het land, en aan den bijstand welke een
deel der bevolking hem bood.
Ziedaar de strijdkrachten der eene partij; beschouwen wij
thans de andere.
Na den Munsterschen vrede was de landmacht der Republiek
verminderd en in verval geraakt; terwijl daarentegen alle zorgen
werden besteed aan de uitbreiding der zeemacht. Deze laatste
was dan ook op een zoo geduchten voet, dat zij bij het uit-
breken des oorlogs van 1672 aan de vereenigde vloten van
Frankrijk en Groot-Brittanje met vrucht het hoofd kon bieden.
Met de landmacht was het geheel anders : deze was zwak, slecht
samengesteld^ slecht geoefend, zonder zedelijke kracht.
Omtrent de wezenlijke getalsterkte ontbreekt het weer aan
bepaalde o|>gaven; wel geven Sijpesteyn en De Bordes uitvoerig
op, hoedanig in Juni 1672 de samenstelling en plaatsing van het
leger der Republiek waren, en schatten zij dat leger toen op
ruim 50 000 man, daaronder begrepen een 2800 man Spaansche
hulptroepen; maar dit is niets anders dan eene min of meer
waarschijnlijke schatting. £r bestaan 9 Staten van oorlog" van
1671 en van 1673. In 167 1, toen de krijgstoerustingen van Frankrijk
reeds geen geheim meer waren, was de geheele sterkte van het
leger der Republiek toch slechts 37 155 man, waaronder 2600
man ruiterij. In den loop van het jaar 1672 kreeg die krijgs-
macht echter een aanzienlijke uitbreiding, zoodat zij bij het
begin van 1673 sterk was: 866 compagnieën infanterie, te zamen
sterk 76 994 man; 147 compagnieën ruiterij, te zamen 11 920 rui-
Digitized by
Google
84 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
ters; en 20 compagnieën dragonders, uitmakende 2000 man. Alles
te zamen: 90914 man.
Dit is de sterkte^ die op de Staten van oorlog voorkomt; de
werkelijke sterkte zal echter minder zijn geweest, omdat^
door allerlei misbruiken, de compagnieën en regimenten nooit
die sterkte hadden, waarvoor zij op de betalingslijsten voorkomen.
In het voorbijgaan eene enkele opmerking over de verhou-
ding tusschen voetvolk en ruiterij, bij het leger der Repu-
bliek in 1673; die verhouding is nagenoeg als van 11 tot 2, dus
sterkere ruiterij dan bij de samenstelling der hedendaagsche
legers.
Die meerdere sterkte van de ruiterij in die dagen^ kan niet
verklaard worden door hare mindere kostbaarheid. Want op de
reeds aangehaalde Staten van oorlog vindt men, dat het onder-
houd van een dragonder bijna tweemaal zooveel, en dat van
een ruiter bijna twee en een half maal zooveel kostte als dat van
een infanterist, wat geen zeer groot verschil maakt met het
onderhoud van beide in onzen tijd.
Er zijn redenen van krijgskundigen aard om die meerdere
sterkte der ruiterij bij het leger van Willem III te verklaren.
Men moet in de ruiterij van dien tijd eigenlijk niet veel meer
zien dan infanterie te paard; zich haar voor te stellen —
zooals ih den tijd van Seydlitz — als »een koperen muur die
zich met de snelheid van den stormwind beweegt en alles in
zijn vaart verbrijzelt," is een geheel valsche voorstelling; de rui-
terij van de 17e eeuw streed dikwijls te voet; en als zij te
paard streed, dan begon zij toch altijd met het vuurgevecht;
eerst daarna bezigde zij de blanke wapens; en om door de
hevigheid van den schok de overwinning te behalen, was eerk
beginsel, haar toen geheel vreemd. De ruiterij was dus in de
17e eeuw een geheel ander wapen dan in de 19e; het voorname
voordeel dat zij in de 17e eeuw opleverde was hare meerdere
marschsnelheid in vergelijking van die van het toenmalige voet-
volk. Om vestingen onverwachts te berennen, om bedreigde
vestingen spoedig van meer bezetting te voorzien, om in den
rug des vijands strooptochten te verrichten, konvooien aan te
vallen, brandschattingen t^ heffen, daarvoor was de infanterie
te langzaam van beweging, daarvoor bezigde men ruiterij, en
daar die handelingen een voornaam gedeelte van de toenmalige
oorlogvoering uitmaakten, is het zeer natuurlijk dat de ruiterij
toen zoo sterk was.
Vooral moest dit wapen bij de Hollandsche legers nog al
sterk zijn. Bij onze Republiek was er om oorlog te voeren
minder gebrek aan geld dan aan soldaten; een ruiter kostte
meer dan een infanterist, maar leverde meer voordeel op door
zijn meerdere beweegbaarheid; en daar men in het getal der
Digitized by
Google
STRUDKRACHTEN. 85
soldaten soms beperkt was^ nam men dus — om maar een cijfer
te noemen — liever looo ruiters in dienst, dan looo infante-
risten ; te meer handelde men zóó, omdat onze meeste wervingen
gedaan werden in Duitschland, waar de ruiterij nog al gemakkelijk
was te verkrijgen.
Op welke wijze nu het leger der Republiek van de sterkte
die het in 1671 had, opklom tot de sterkte die het in 1673
verkreeg — dit valt moeielijk te zeggen. Wij lezen wèl, dat er
op het einde van 167 1 en in het begin van 1672 gedurig be-
sluiten zijn genomen tot aanwerving van zooveel nieuwe regi-
menten, van zooveel duizenden soldaten ; maar wij lezen tevens,
dat die besluiten óf niet, óf slechts gedeeltelijk en langzaam
zijn ten uitvoer gebracht. Zoo werden de Zwitsersche regimenten,
die men wilde aanwerven, door den spoedigen inval der Fran-
schen belet in Holland te komen; een regiment van den graaf
van Königsmarck kwam eerst in het najaar van 1672 aan; een
regiment ruiters en een regiment dragonders, door den Prins
van Courland op de been gebracht, eerst in December van dat
jaar. Over het geheel waren de besluiten tot de werving zoo
laat genomen, of werden zij zoo traag uitgevoerd, dat de verschil-
lende bevelhebbers hunne regimenten niet voltallig kregen; nog
bestonden zij meest uit jonge, ongeoefende manschappen, waarop
weinig te vertrouwen viel, en die zelfe voor een deel ongewapend
waren; en wat de oude militie van den Staat betreft, deze was
— volgens de verzekering van een onzer schrijvers, Valckenier —
zoo gebrekkig samengesteld, dat zij inderdaad niet de helft der
soldaten had, die men, als in dienst zijnde, betaalde.
Ziehier ten slotte nog ééne opgave die inlichting kan geven
aangaande de sterkte van het leger der Republiek in de eerste
helft van 1672. De sterkte van het leger waarmede Willem UI
van den IJsel terugtrok op Utrecht, wordt op 13000 man be-
groot; het geheele bedrag der krijgsgevangenen, die in de ver-
schillende vestingen den vijand in handen vielen, wordt geschat
op 25 000 man ; 8 a 9000 man waren er in Maastricht, en laat
er een 10 è 12 000 man zijn geweest, hetzij in de noordoostelijke
provinciën, hetzij in Noord-Braband; dan zou het leger van de
Republiek een 55 a 60000 man sterk zijn geweest. Dit cijfer,
enkele duizend man hooger dan het bij Sijpesteyn en De Bordes
voorkomende, maakt evenmin als het hunne aanspraak op wis-
kundige juistheid.
Over de militaire waarde van de Hollandsche troepen bij
den aanvang van den oorlog is maar ééne stem. Er was geen
eenheid in het krijgswezen, geen eenheid in het opperbevel, en
het gebrek daaraan is altijd het verderfelijkste dat men beden-
Digitized by VjOOQIC
86 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
ken kan. De verschillende gedeelten van het leger werden be-
taald door de verschillende gewesten; zij stonden dus, behalve
onder het gezag der Generaliteit, ook onder de gewestelijke
regeeringen welke hen betaalden; zij stonden ook onder de
regeering der gewesten waar zij zich bevonden, of waar zij door-
trokken, onder de regeering der steden waar zij in bezetting
lagen. Vandaar eene verwarde vermenging van gezag, eene op-
eenhooping van uiteenloopende, dikwijls strijdige bevelen en
voorschriften, waardoor noodwendig de gang der zaken ver-
traagd en belemmerd moest worden, en waarin meer dan één-
maal de plichtvergetene een deksel vond om zijne ontrouw of
lafheid te verbergen. Zeker, de man van eer, de wezenlijk goede
officier zou in weerwil van die moeielijkheden zijn pHcht ver-
vullen; en al moest hij soms vier verschillende eeden afleggen,
toch zou geene daarvan in zijn oog een daad van lafheid
rechtvaardigen of verschoonen; — maar hoe weinig officieren
van dien stempel waren er toen bij het Hollandsche leger! Men
had bij het begeven van de officiersplaatsen meestal niet in het
minst acht geslagen op karakter, verdienste of kunde, maar alleen
met voorspraak^ gunst, kuiperijen daarbij te rade gegaan. Een groot
gedeelte der officieren bestond dus uit menschen zonder krijgsken-
nis, zonder ondervinding, geheel ongeschikt voor hunne betrekking,
niet het minste denkbeeld hebbende van eer en krijgsplicht,
Wanneer men maar de helft gelooft van de menigvuldige voor-
beelden die hiervan bij onze schrijvers voorkomen, dan krijgt
men de overtuiging, dat in het begin van 1672 het Hollandsche
leger in alle opzichten slecht was, zoo slecht als een leger maar
zijn kan. — Natuurlijk is dit alleen in het algemeen ge-
sproken; want dat er schitterende uitzonderingen waren, dat er
mannen waren die zelfs bij dat slechte leger door uitstekende
krijgsdeugden den aiouden volksroem waardiglijk wisten te hand-
haven, dit is iets dat geen twijfel lijdt.
Met een leger, zoo zwak in getal en nog zwakker door samen-
stelling, zullen de sterkste vestingen en verdedigingslijnen weinig
waarde hebben; maar ook met die doode strijdkrachten der
Republiek was het ellendig gesteld. Men had, zeker, vestingen
in overvloed, nog veel meer dan in onze dagen, en de ver-
sterkingskoorts werd toen ook veel meer gerechtvaardigd
door de toenmalige wijze van oorlogen. Maar die vestingen
waren, op weinige uitzonderingen na, in den jammerlijksten toe-
stand: borstweringen die men liet instorten, muren die men
zelden of nooit herstelde, grachten die men niet uitdiepte, op
het glacis en in de binnenruimte der bastions tuinen, huizen en
andere gebouwen; vuurmonden bijna onbruikbaar en op half
vergane affuiten en slechte beddingen; magazijnen, van alles
Digitized by
Google
STRIJDKRACHTEN. 87
onvoorzien; — ziedaar over het algemeen het beeld van een
groot aantal der toenmalige Hollandsche vestingen. Met zulke
vestingen, door zulke troepen bezet^ een werkzamen vijand tegen
te willen houden, dit is dwaasheid; men zou dit even goed
van de geschilderde kanonnen der Chineezen kunnen ver-
wachten.
De natuurlijke verdedigingsmidd^en van Holland, de rivieren
en onderwaterzettingen, waren zeker van veel grooter waarde
dao die onbeteekenende vestingen; maar ook die rivieren en
onderwaterzettingen vorderen toch altijd een goed leger tot hare
bezetting en verdediging, en hieraan ontbrak het. Bovendien zijn
die natuurlijke hindernissen juist het geringst aan de oostelijke
en zuidoostelijke grenzen van onzen Staat, waar denkelijk de
vijandelijke legers zich zouden vertoonen. De IJsel is gedurende
den zomer een rivier van gering belang; ook de Rijn heeft
bij lagen waterstand doorwaadbare gedeelten; de Grebbe-linie
bestond toen niet, evenmin als de linie die thans Holland en
een deel van de provincie Utrecht afsluit. Men kon echter door
het openzetten van eenige sluizen de grenzen van het eigenlijke
Holland afsluiten, of tot eenige weinige toegangen bepalen die
door schansen waren verdedigd; maar die schansen waren, vol-
gens sommige opgaven, gebrekkig aangelegd; en de inundatiën
lieten aanvankelijk ook veel te wenschen over; zoodat de dus
genoemde oude Hollandsche waterlinie, toenmaals de
laatste verschansing van de Republiek, in geenen deele als van
onneembare sterkte kon worden beschouwd. — Wat de waarde
dier verschillende verdedigingslijnen ook moest verminderen, was
de omstandigheid dat de aanvaller, door omkoopingen en ver-
standhoudingen in ons land, bekend kon zijn met de zwakke
gedeelten, met de gunstigste aanvalspunten ; als bewijs hiervan
behoeven wij alleen daaraan te herinneren, dat het een inboor-
ling was die aan het Fransche leger de waadbare plaats in den
Rijn aanwees, waardoor dit leger trok.
Op eene algemeene volkswapening viel ook niet met zekerheid
te rekenen. Wel is waar hadden de schutterijen, eene eeuw vroe-
ger, in den krijg tegen Spanje zich door meer dan gewone dap-
perheid onderscheiden, en een gewichtig aandeel genomen aan
die stedenverdedigingen, die nog terecht de bewondering van
den nakomeling opwekken. Ook nu, in dezen oorlog tegen
Frankrijk, geven zij schitterende bewijzen van vaderlandsliefde
in het verdedigen van Groningen en van Aardenburg; en reeds
bij het begin van den veldtocht van 1672 dient een gedeelte der
Hollandsche schutterijen tot bezetting van verschillende vestingen
in Noord-Braband. Maar de geest die onze landgenooten bezielde
Digitized by
Google
SS KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
gedurende den kamp tegen Filips II, had in 1672 veel van zijne
kracht verloren ; en lange jaren van vrede hadden hun den oor-
log te lande vreemd gemaakt, en den krijgsroanszin, die nooit
zeer levendig bij hen was, grootendeels uitgedoofd. Alleen bui-
tengewoon gevaar kon dien zin weer opwekken en hen tot bui-
tengewone inspanningen aansporen ; — maar hiertoe wordt altijd
de leiding vereischt van een bekwaam hoofd, van een groot man,
zooals de eerste Willem dit was in de worsteling tegen Spanje.
Kon men nu in 1672 voorzien dat Willem UI dat bekwame
opperhoofd zou zijn? — volstrekt niet: zijne groote hoedanig-
heden waren toen voor iedereen nog verborgen. Hij was een
twintigjarig jongeling^ in wien men nog geen vertrouwen kon
stellen; van wien men niets wist, dan dat hij een uitstekende
opleiding had ontvangen. Want terecht wordt door den schrijver
van »Holland's roem in kunsten en wetenschappen"
(Collot d'Escury) aangemerkt, dat het een eeretitel voor De Witt
is, dat hij, belast met de zorg voor de opvoeding van Willem IQ,
zich zoo uitmuntend heeft gekweten van die belangrijke taak.
De Witt — dit valt niet te ontkennen — heeft al zijne krach-
ten ingespannen om het huis van Oranje uit te sluiten van alle
gezag in de Republiek. In hoever dit nu voortsproot uit de her-
innering aan de gewelddadige willekeur van Willem n, of uit
de overtuiging dat werkelijk het stadhouderschap verderfelijk was
voor de Republiek, of uit eerzucht, uit het bewustzijn dat zijne
eigen groote bekwaamheden hem tot het geschiktste hoofd van
den Staat maakten, laten wij daar; genoeg. De Witt was een
vijand van het huis van Oranje; — maar een eerlijk, verstandig
vijand, een van die vijanden die soms minder kwaad doen dan
onhandige vrienden. Aan den scherpen blik van een De Witt
kon het niet ontgaan, dat de loop der gebeurtenissen eenmaal
den jeugdigen Willem III het gezag zijner voorvaderen kon her-
geven-, en de Raadpensionaris wilde dat ddn ten minste een
bekwaam man aan het hoofd van den Staat zou komen. Van-
daar zijn zorg om den aanstaanden Stadhouder te doen toerusten
met al die kundigheden welke hem in staat hebben gesteld, eene
zoo grootsche rol te spelen op het wereldtooneel.
Maar het beste zaad kan op een onvruchtbaren grond vallen;
en in 1672 wist men nog niet, wat Willem III door die opvoe-
ding was geworden. Zijn karakter was nog een raadsel, zijne
bekwaamheden nog verborgen. Men wist dat hij stilzwijgend
was ; maar niet of dit stilzwijgen diepe overpeinzingen en grootsche
gedachten bedekte, dan wel het gevolg was van schroomvalligheid
van karakter, van bekrompenheid van geest. Zijn uiterlijk had
niets indrukwekkendst klein, bleek, zwakkelijk, niets duidde de
heldenziel aan, die later Europa's bewondering opwekte. — Bij
Digitized by
Google
STRIJDKRACHTEN. 89
het beoordeelen van de kansen des oorlogs was er dus volstrekt
geen reden om de bekwaamheid des veldheers van het Hol-
landsche leger in rekening te brengen als iets dat, ten voordeele
der Republiek, een zwaar gewicht legde in de schaal der over-
winning.
Wat de bondgenooten betreft, men kan zeggen dat Holland
bij het begin van den oorlog er bijna geene had. De kuipe-
rijen, de omkoopingen, door het Fransche hof op eene zoo
groote schaal aangewend in Duitschland, hadden vruchten ge-
dragen: sommige Duitsche vorsten verbonden zich met Lode-
wijk XIV tegen ons land, andere poogden elke wapening tegen
Frankrijk te beletten. De keizer bracht wel is waar een leger
op de been, maar laat, en zonder dat het iets uitrichtte. De
krachtigste^ om niet te zeggen de eenige hulp welke onze Staat
van Duitschland kreeg, was die van den keurvorst van Branden-
burg. Maar, hoezeer reeds den 6en Mei een verdrag was gesloten
met dien vorst, waarbij deze beloofde een leger van 20 000 man
op de been te brengen, — voor de helft ten koste der Republiek —
was het echter eerst in September en October dat dit leger den
Rijn naderde. Het trok door dien opmarsch een gedeelte der
Fransche legermacht tot zich en maakte op die wijze eene goede
afleiding ten voordeele van de Nederlanden; doch ongerijmd is
het te beweren, dat dit de redding van onzen Staat was; die
redding moet alleen worden toegeschreven aan eigen krachtige
verdediging, zonder welke de Republiek geheel ten onder ge-
bracht had kunnen zijn, lang vóór den opmarsch van het Bran-
denburgsche leger. Het jaar 1672 is alweer een bewijs, hoe dwaas
het is op de hulp van bondgenooten te vertrouwen en het
y/tide toi, Ie del faidera" uit het oog te verliezen.
Evenwel zou het onbillijk zijn, niet den bijstand te erkennen
dien onze Staat toen ontving van een vroegeren vijand. Spanje
was een zwak, maar een ijverig bondgenoot; en de toenmalige
landvoogd der Spaansche Nederlanden, Monterey, verdient roet
dankbaarheid te worden herdacht in onze geschiedenis. Hoezeer
er nog geen oorlog bestond tusschen Frankrijk en Spanje, haastte
zich Monterey om van de geringe krijgsmacht, die hij in de
Spaansche Nederlanden had, een gedeelte af te zenden om de
bezettingen van Maastricht en van de Noord-Brabandsche ves-
tingen te versterken; en de zuidelijke gewesten der Republiek
werden eenigszins beveiligd door de Spaansche Nederlanden.
Eenigszins, zeggen wij ; want de Franschen, meester van Doornik,
Ath^ Oudenaarde, Binche en Charleroi, trokken meermalen de
Zuidelijke Nederlanden in verschillende richtingen door, zonder
dat het krachtelooze Spanje hieraan veel kon verhinderen.
Digitized by
Google
90 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Uit die opgave van de strijdkrachten der twee partijen is ten
duidelijkste op te maken, dat verdediging bet deel moest
zijn van de Nederlandsche Republiek, aanval dat harer vijan-
den. Maar de ongelijkheid in strijdkrachten was zóó groot, dat
de aanvaller de geheele verovering of onderwerping van den
vijandelijken Staat als doel van den oorlog kon aannemen.
Clausewitz heeft de oorlogen onderscheiden in beslissende en
onbeslissende, en de theorie daarvan gegeven ; — geheel ten
onrechte, gelooven wij; want in onze dagen handelt de sterkste
partij altijd slecht, wanneer zij den oorlog onbeslissend
voert; en men moet geen theorie geven voor eene handeling
die slecht is; — in de 17e eeuw waren, door de vroeger ver-
melde oorzaken, de oorlogen meestal onbeslissend; maar de
oorlog, die in 1672 aanving, maakte hierop, ten minste aanvan-
kelijk, eene uitzondering.
De gunstigste operatielijn, door het Fransche leger te volgen,
was als van zelve aangewezen; het was gemakkelijk op te mer-
ken waar de zwakste zijde van de Republiek was.
De aanval aan de zuidzijde was onraadzaam. Want om in
Noord-Braband door te dringen, moesten de Fransche legers
eerst de Spaansche Nederlanden doortrekken en denkelijk de
belegering verrichten van Mons, Brussel, Antwerpen, mogelijk
ook die van Gent ; dan zou men op de Noord-Brabandsche ves-
tingen stuiten en op de groote rivieren daarachter, welke aan
de verdediging zoo gewichtige voordeelen geven. Die operatielijn
volgende, zou men dus Holland aantasten aan de sterkste zijde;
men zou slechts langzaam voortgaan, en dus den verdediger den
tijd geven om zijne strijdkrachten te vermeerderen en den bijstand
van bondgenooten te ontvangen ; terwijl men juist met spoed den
aanval moest doorzetten om den vijand te beletten, iets te ver-
anderen in zijn weinig weerbaren toestand. Die operatielijn was
dus niet goed.
Meer oostelijk daarentegen waren voor den aanvaller de kan-
sen veel gunstiger, zooals vroeger de veldtochten van Spinola
dit reeds hadden aangetoond. De aanvaller kon Charleroi als
depotplaats bezigen ; en van daar, door het onzijdige Luikerland,
in Limburg vallen. Hier ontmoette men Maastricht; maar, door
het achterlaten van een observatie-korps en het tijdelijk ver-
sterken van sommige plaatsen, zooals Tongeren, Maeseyck enz.,
kon men die vesting in bedwang houden. Het Fransche leger
kon dan voortgaan tusschen Maas en Rijn; bij laatstgenoemde
rivier was een groot aantal vestingen; maar men wist dat deze,
èn in zoo slechten toestand èn zoo slecht bezet waren, dat men
in weinig tijds meester daarvan kon zijn. Was dit gebeurd, dan
moest het Fransche leger zich uitbreiden op den rechteroever
van den Rijn en zich in verbinding stellen met de krijgsmacht
Digitized by
Google
OORLOGSPLANNEN. 91
van den bisschop van Munster. De aanvaller had dan Munster-
land en het Keulensche tot operatie-basis, terwijl hij desnoods
ook uit Charleroi, door Luikerland heen, rechtstreeks toevoer
uit Frankrijk kon ontvangen. De gemeenschap met de operatie-
basis was dus voldoende verzekerd; ten minste zoolang de
Duitsche vorsten niet optraden als bondgenooten van de Repu-
bliek en hunne legers aan den Rijn verschenen ; want in dat ge-
val zou die gemeenschap geheel alleen afhangen van het bezit
van Charleroi en dus zeer onzeker worden.
In het oostelijk gedeelte van Gelderland doorgedrongen, zou
het Fransche leger nu alleen door den IJsel worden geschei-
den van het eigenlijke Holland. De overtocht van die ondiepe,
twintig uren lange rivier moest men op het een of ander punt
met geweld verrichten ; of wel, de stelling des verdedigers achter
die terreinafscheiding omtrekken, door den Rijn over te gaan
tusschen Arnhem en Nijmegen. Daarna moest men met den
meesten spoed op Amsterdam en Den Haag marcheeren, en door
het onderwerpen van Holland den oorlog ten einde brengen.
Dewijl men toch zulk een overmacht had, kon de Munstersche
krijgsmacht gebezigd worden om gelijktijdig Overijsel^ Groningen
en Friesland te veroveren. — Eene hoofdzaak bij dit alles was
om met de grootste voortvarendheid te werk te gaan, ten
einde de tegenpartij geen tijd te geven tot het organiseeren van
eene krachtige verdediging of tot het ontvangen der hulp van
bondgenooten.
Ziedaar het operatieplan dat onder de bestaande omstandig-
heden voor den aanvaller het voordeeligst was; en dat werkelijk
door hem is opgevolgd. — Het spreekt vanzelf dat wij hiermede
niet bedoelen, dat de aanvaller reeds vóór het begin van den
veldtocht zich al wat wij hier opgenoemd hebben bepaaldelijk
als doel heeft voorgesteld; integendeel, tot die verschillende
handelingen heeft hij waarschijnlijk eerst in den loop van den
veldtocht besloten; zoo lezen wij onder andere, dat het, toen
in half Mei de legers van Lodewijk XIV reeds in Limburg
waren, nog een punt van overweging uitmaakte, of men Maas-
tricht al dan niet zou belegeren, dat Condé die belegering aan-
raadde, maar het tegenovergestelde gevoelen van Turenne de
bovenhand behield. — In het algemeen is het eene ongerijmdheid
om, met sommige schrijvers over de strategie, te spreken van
een operatieplan voor een geheelen veldtocht; zulk een operatie-
plan kan niets meer inhouden dan eenige zeer algemeene, zeer
onbepaalde aanduidingen; want de handelingen van een leger
gedurende eenen veldtocht hangen grootendeels af van de han-
delingen der tegenpartij, die men niet vooruit kan weten. £en
schaakspeler kan bij het begin der partij niet vooruit zeg-
gen, op welke wijze hij zijn tegenstander mat wil zetten, dewijl
Digitized by
Google
92 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
hij Zijne zetten moet regelen naar die van zijne tegenpartij;
evenmin kan een legerhoofd alle bewegingen eens legers gedu-
rende een veldtocht vooruit vaststellen; want die bewegingen
zullen bepaald worden door de. bewegingen des vijands en door
de niet te voorziene gebeurtenissen van den oorlog.
De keus van de operatielijn, door het Fransche leger gevolgd,
was zeer goed, omdat het leger, die lijn volgende, den minsten
wederstand zou ontmoeten en de beslissendste uitkomsten
kon verkrijgen. Hierbij dient echter aangemerkt te worden, dat
wanneer de oorlog niet spoedig tot eene beslissing kwam, en
wanneer ter hulp van de Republiek een Duitsch leger aan den
Rijn verscheen, de operatielijn van het Fransche leger gevaar
zou loopen, van afgesneden te worden door den vijand; — de
latere gebeurtenissen hebben dit dan ook aangetoond; en dat
na 1673 het grondgebied der Republiek door de Fransche leger-
macht geheel werd ontruimd, was minder omdat Lodewijk XIV
die legermacht elders noodig had, zooals sommige schrijvers dit
opgeven — , dan wel omdat men, na de inneming van Bonn
door Willem III, met reden bevreesd was, dat die legermacht
afgesneden zou worden van Frankrijk, en dus geheel verloren
gaan. Indien men daarentegen van de Fransche zijde den oor-
log meer stelselmatig had gevoerd, eerst de Spaansche Neder-
landen had vermeesterd, en eerst na die vermeestering de Noor-
delijke Nederlanden had aangevallen, dan zou het verschijnen
der Keizerlijke en Brandenburgsche legers aan den Beneden-Rijn
voor de Franschen volstrekt geen reden zijn geweest om hunne
veroveringen op het grondgebied der Republiek weer te ont-
ruimen: de gemeenschap van de Fransche legermacht in de
Noordelijke Nederlanden met hare operatiebasis zou dan te goed
verzekerd zijn geweest. — Minder veilig dan de operatielijn door
de Spaansche Nederlanden en door Noord-Braband, was echter
de operatielijn, die, van Charleroi uitgaande, langs Maastricht,
tusschen Maas en Rijn en verder op den rechteroever van
den Rijn naar den ÏJsel liep, voor het Fransche leger de beste,
omdat zij de beslissendste uitkomsten kon doen verkrijgen.
De handelingen van den verdediger zijn niet zoo in overeen-
stemming geweest met de goede regelen als de handelingen van
den aanvaller.
De verdediger, als de zwakste partij, moet — in het algemeen —
de beslissing niet zoeken, maar den strijd ontwijken, den oorlog
rekken. Tijd winnen is voor hem zeer veel, zoo niet alles; want
daardoor kan hij de hulp van bondgenooten ontvangen, die bij
den aanvang des oorlogs nog niet gereed was; daardoor zijn
leger vergrooten, de volkswapeningen in het leven roepen, de
verdedigingslijnen sterker maken; daardoor verdwijnt de eerste
Digitized by
Google
OORLOGSPLANNEN. 93
vrees die de overmacht des aanvallers heeft doen ontstaan, en
wint de verdediger in zelfvertrouwen : daardoor eindelijk rekt men
den oorlog tot het invallen van het slechte jaargetijde, dat natuur-
lijk de marschen en bewegingen van den aanvaller belemmert
en de voeding en verpleging van zijn leger moeielijk maakt.
Om tijd te winnen kan de verdediger zelfs, als de ongelijkheid
in strijdkrachten niet te groot is, door aanvallende bewegingen
's vijands gemeenschaps-lijnen bedreigen, en daardoor zijn voort-
gang verhinderen. Is die ongelijkheid te groot, dan moet de
verdediger voorzichtiger te werk gaan, en slechts zijdelings
's vijands marsch vertragen, door kleine diversiën of door met
lichte troepen, met vrijkorpsen de flanken en den rug des
vijands te verontrusten. Om den aanvaller rechtstreeks tegen te
houden, plaatst de verdediger zich achter groote terrein- afschei-
dingen, in sterke stellingen; hij verdedigt elke dezer natuurlijke
hindernissen zoo lang het kan, zelfs dan als het te voorzien is,
dat die verdediging op den duur onhoudbaar is en slechts eenige
dagen tijds doet winnen ; — evenwel moet de verdediger hierbij
in acht nemen, van niet zóó lang stand te houden dat hij een
geheele nederlaag kan ondergaan. Flankstellingen zijn goed, mits
zij werkelijk den vijand, wanneer hij voortrukt, in gevaar kun-
nen brengen, en mits de verdediger van daar altijd terug kan
trekken op die gewesten, die als het gewichtigste gedeelte van
den Staat kunnen worden beschouwd, het gedeelte van welks
bezit alles afhangt. De verdediging van dit gedeelte des lands
moet altijd in het oog worden gehouden ; zij moet reeds vroeger
met zorg zijn voorbereid; en de aanvankelijke stelling die de
verdediger vóór het begin van den veldtocht bezet, moet zoodanig
wezen dat hij van daar den aanvaller, waar deze ook oprukt,
kan te gemoet gaan, en tevens altijd den ongehinderden terugtocht
naar dat gewichtigste gedeelte des lands behoudt. Vestingen
kunnen dienstig zijn om den aanvaller tegen te houden, wanneer
het te voorzien is dat deze ze zal moeten belegeren; zoo niet,
dan verzwakken zij maar en zijn dus slecht, — tenzij men altijd
in staat blijft de bezetting daar weer uit te nemen. — Alleen
dan wanneer de aanvaller het hart des lands bedreigt, moet de
verdediger, zelfe met mindere macht, overgaan tot het leveren
van een beslissenden veldslag; is dat niet het geval, dan blijft
hij maar terugtrekken, totdat de versterking van het eigen leger
of de verzwakking of verdeeling van het leger des vijands den
verdediger in staat stelt zelf tot den aanval over te gaan.
Past men die algemeene beginselen toe op den toestand des
verdedigers in 1672, dan ziet men, dat door de groote ongelijk-
heid tusschen de sterkte der wederzijdsche legers, er bij den
verdediger niet aan kon gedacht worden om door aanvallende
bewegingen den voortgang des vijands te beletten; aanvankelijk
Digitized by
Google
94 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
moest het HoUandsche leger zich bepalen tot een lijdelijke
verdediging. Het bezetten van eene flankstelling zou weinig
gebaat hebben: onderstel het leger van Willem III vereenigd in
een verschanst kamp onder de muren van Maastricht; dan was
de Fransche krijgsmacht sterk genoeg om met een gedeelte het
leger des Stadhouders in bedwang te houden, zelfs geheel in te
sluiten, terwijl het ander gedeelte intusschen zonder moeite de
verovering van het onverdedigde Holland zou verrichten. Eene
dergelijke handelwijze zou dus geheel verkeerd zijn geweest.
Over het geheel moest men hier, aan de HoUandsche zijde,
zich de mogelijkheid voorstellen, zelfs de waarschijnlijkheid van
het doordringen der vijandelijke wapenmacht tot het eigenlijke
Holland. Men moest dus, zelfs vóór het begin van den veldtocht,
alle maatregelen nemen om spoedig de inundatiën te kunnen
stellen welke Holland afsluiten, de toegangen door die inun-
datiën voorzien van sterke veldwerken, en de gewapende bevol-
king gereed hebben tot bezetting van de linie. Voor het overige
moest men het doordringen van den vijand tot zoover zooveel
doenlijk vertragen, en hiertoe gebruik maken van alle mogelijke
verdedigingslijnen.
Viel het Fransche leger het zuidelijk gedeelte der Republiek
aan, dan had men in de Noord-Brabandsche vestingen en in het
betwisten van den overtocht van Maas, Waal en Rijn het mid-
del om dat leger geruimen tijd tegen te houden; — de aanval
aan die zijde was echter niet waarschijnlijk; die vestingen moes-
ten dus slechts zwak worden bezet, ie meer daar zij door hare
ligging gemakkelijk versterking konden krijgen.
De inval des vijands aan de oosteijde en zuidoostzijde was
het waarschijnlijkst. De Grebbe-linie bestond toen niet, en de
tijd ontbrak om haar tot stand te brengen; men moest zich
dus bepalen tot de verdediging van den IJsel, Die rivier was
te gemakkelijk over te trekken, dan dat men rekenen kon op
hare voortdurende verdediging; men moest die evenwel onder-
nemen om tijd te winnen; en, ten einde in die stelling niet
omtrokken te worden aan de rechterzijde, ook den Rijn tusschen
Arnhem en Schenkenschans, en de Waal tot aan de Bommeler-
waard sterk bezetten. Op den rechteroever van den IJsel, aan
Maas en Rijn, bevonden zich een groot aantal vestingen; maar
die vestingen waren onbelangrijk op zich zelve, meest in een
slechten toestand, en de aanvaller was sterk genoeg om niet ge-
dwongen te zijn ze te belegeren; men had dus beter gedaan
die vestingen te ontruimen. Had men dit gedaan, en ook te
Maastricht slechts een zwakke bezetting achtergelaten, dan zou
men de sterkte van het leger te velde tot een 30 a 40 000 man
hebben kunnen brengen, en dus de rivierverdediging met hoop
op goed gevolg hebben kunnen verrichten.
Digitized by
Google
OORLOGSPLANNEN. 95
Om de Munsterschen tegen te houden moest men eene kleine
macht) een 5 a 6000 man, afzonderen voor de verdediging van
Overijsel, Friesland en Groningen. De schutterijen uit die ge-
westen konden zich daarbij aansluiten^ en al was het hierdoor
ontstaande leger aanvankelijk niet sterk genoeg om den vijand
het doordringen in Overijsel te beletten, zoo kon het echter
Groningen en Friesland beschermen, waar het meer begunstigd
werd door het terrein. Merkt men hiertegen aan, dat dit afzon-
deren van een gedeelte des legers tot bescherming van de noord-
oostelijke gewesten in strijd is met het groote beginsel, van de
strijdkrachten zooveel mogelijk vereenigd te houden, — dan
antwoorden wij: dat de beginselen der krijgskunst nooit zoo
absoluut moeten worden toegepast, en dat hier de verzwakking
welke het hoofdleger zou ondergaan door het afzonderen van
een gedeelte ter bescherming van Overijsel en Groningen, rijke-
lijk zou opgewogen worden door het daardoor bezig houden
van een deel der vijandelijke macht, en door het voordeel dat
men daardoor meester bleef van de hulpmiddelen van provin-
ciën, die anders den vijand zouden zijn toegevallen.
Overbodig is het hier bij te voegen, dat de vestingen die men
wilde verdedigen, goed bezet en goed voorzien moesten zijn, en
dat men, om de bewegingen van het leger gemakkelijk te
maken, voor bruggen op verschillende punten van de rivieren
gezorgd moest hebben.
In gewichtige punten weken de maatregelen van den verdedi-
ger af van die, welke wij hier als de doeltreffendste hebben
vermeld.
Wèl oordeelde men, dat, tegen de groote overmacht des
vijands, men zich in den beginne alleen lijdelijk zou kunnen
verdedigen: maar men zag de waarschijnlijkheid niet in dat de
aanvaller spoedig zou kunnen doordringen tot Holland; — ten
minste, wij vinden nergens dat men ernstige toebereidselen
maakte tot het stellen, versterken en bezetten van de Hollandsche
waterlinie, wel onderzoekingen en besprekingen. Men vereenigde
het Hollandsche leger grootendeels aan den IJsel, en wierp eene
verschanste linie op, achter die rivier; de sterkte van die in de
nabijheid van Arnhem vereenigde krijgsmacht bedroeg volgens
sommige opgaven 17 000 man, volgens andere 22 000. Die macht
had veel grooter kunnen zijn, wanneer men niet zulk een groot
aantal vestingen had blijven bezetten ten zuiden van Gelder-
land. Frederik Hendrik — beweert men — had reeds aange-
drongen op eene aanzienlijke vermindering van het aantal sterke
steden; maar zijn raad was geheel in den wind geslagen. De
regeering der Republiek wilde het oorlogstooneel zoo ver mogelijk
verwijderd houden van Holland; daarom bleef zij het groot
aantal vestingen aan Maas en Rijn bezet houden; daarom werd
Digitized by
Google
g6 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
in de enkele stad Maastricht eene macht vereenigd, door bijna
alle schrijvers op een 1 1 ooo man begroot, maar door Sijpesteyn
en De Bordes teruggebracht op 8 a 9000; daarom was er zelfs
sprake — in het begin van 1672 om, door verstandhouding
met de burgerij^ Hollandsche troepen binnen de stad Keulen
te werpen, ten einde den vijand daar bezig te houden ; — evenals
of hem dit zou doen afzien van den inval in Holland ; en even
alsof het bij 's vijands groote overmacht geen dwaasheid was
zich zóó uit te breiden, en naar Keulen troepen te zenden, die
men weldra zou noodig hebben voor de verdediging van
Amsterdam !
Voor het overige waren, Maastricht uitgenomen, de vestingen
veel te zwak bezet. Dit was nog minder kwaad in de eigenlijke
Hollandsche steden^ waar de schutterijen roet de bezetting kon-
den medewerken tot de verdediging, maar in de vestingen van
de zoogenaamde generaliteits-landen bestond die medewerking
niet. De ellendige toestand van die vestingen, de gebrekkige en
onvolledige uitrusting en wapening hebben wij reeds vroeger
vermeld; dit verschoont wel is waar de lafhartigheid niet
waarmede zij, in het begin van den veldtocht, werden overge-
geven; maar zeker is het, dat zelfs bij nauwgezette plichtsbe-
trachting der bevelhebbers, de wederstand toch niet lang zou
hebben kunnen duren, en de bezettingen binnen weinig tijds in
handen des vijands moesten vallen. Het ongelukkige stelsel van
alles te willen verdedigen, was hier weer oorzaak dat niets
goed werd verdedigd.
In Noord-Braband had men slechts weinig macht; eenige Hol-
landsche schutterijen waren ter bezetting van de verschillende
vestingen naar dat gewest opgerukt; later kwamen daar ook
eenige Spaansche troepen. — Aan de oostelijke grenzen wordt
behalve van de bezettingen der steden, van geene krijgsmacht
gesproken. — In de staten van oorlog van 167 1 merken wij
op, dat er drie gierbruggen werden aangelegd: te Wezel, te
Grave en te Nijmegen. Ook vinden wij daar gewag gemaakt
van een voorstel om alle ingezetenen (zeker alleen in de ves-
tingen) zich voor zes maanden van levensmiddelen te doen
voorzien 5 of dit voorstel is aangenomen en uitgevoerd, blijkt
echter niet; trouwens geen der belegeringen in dezen oorlog
heeft zóó lang geduurd dat zij zes maanden levensmiddelen
noodzakelijk maakte.
De slotsom van ons oordeel is: deze verdedigingsmaatregelen
waren slecht, omdat zij er toe leidden, om eene macht, die
reeds zoo zwak was in vergelijking met die des vijands, nog
zwakker te maken door haar overal te verspreiden; zij waren
slecht, omdat men een goed gedeelte des legers nutteloos opof-
ferde, door het te plaatsen in zwakke, onhoudbare vestingen.
Digitized by
Google
OORLOGSPLANNEN. 97
Bij de bespreking van het operatieplan van aanvaller en ver-
dediger is alleen gewaagd van den oorlog te land. Van den
oorlog ter zee slechts een enkel woord, voor zoover die van
rechtstreekschen invloed was op de gebeurtenissen te land.
Frankrijk en Engeland wilden hunne vloten vereenigen, daar-
mede de zeemacht van de Republiek aantasten en slaan, en
daarna eene legerafdeeling doen landen op het een of ander
punt van Holland.
Op zichzelf staande is eene landing volstrekt niet te duchten
voor onzen Staat, en de verdedigings- maatregelen moeten al
zeer slecht genomen worden, wanneer zij ernstig gevaar zal aan-
brengen. Het bezwaar om eene genoegzaam sterke legermacht
in te schepen, de tijd en de kosten die hiertoe gevorderd wor-
den, de omstandigheid, dat bij een ingescheept leger meestal
slechts weinig ruiterij en geschut is, de nadeelige invloed welke
een zeetocht heeft op de strijdvaardigheid van landtroepen, de
moeielijkheid en het gevaar eener landing en de onzekerheid
van in gemeenschap te blijven met het eigen land, en het onwisse
van toevoer, versterking en een vrijen terugtocht; — dit alles
maakt de uitwerking van een landingsleger in het algemeen
zeer gering, — en wanneer hier nog bijkomt een land als Hol-
land, dat, met rivieren en kanalen doorsneden, den aanvaller
buitengemeen bemoeielijkt, den verdediger begunstigt en de
volkswapening toelaat om werkdadig op te treden, — dan zal
eene landing, bij eenig beleid aan de zijde des verdedigers,
weinig of niet te duchten zijn. 1799 en 1809 zijn daar, als be
wijzen voor die waarheid.
De vijandelijke zeemacht kan wel is waar de rivieren opzei-
len en koopsteden en maritieme inrichtingen aan de vernieling
prijs geven, zooals de Engelschen dit in 1809 met Vlissingen
deden en in 181 2 met New- York; maar, — behalve dat dit
daden zijn die niet meer in eene beschaafde eeuw maar in de
tijden der Noormannen te huis behooren, en daarom de vlek
van barbaarschheid werpen op de natie die zich daaraan schuldig
maakt — , zoo brengen ook die ondernemingen wel verliezen
toe, maar niet van zulk een belangrijken aard, dat daardoor een
oorlog beslist wordt. Voor eene landing alléén behoeft een Staat
als de onze niet ernstig beducht te zijn.
Maar in 1672 zon die landing niet op zich zelve hebben ge-
staan. Integendeel, zij zou in verband hebben gestaan met den
aanval van geduchte legers aan de landzijde; en dit verandert
de zaak geheel en al. Wanneer, toen Lodewijk XIV den Rijn
overtrok en Amsterdam naderde, eene Engelsche legermacht —
al was het maar een tienduizend man — op het een of ander
punt van de Hollandsche kust was geland, dan zou dit een ge-
deelte van het zwakke leger van Willem III tot zich hebben ge-
WILLEM m.
Digitized by
Google
98 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
trokken, en het overblijvende deel zou dan niet bij machte zijn
geweest om de Hollandsche waterlinie tegen Frankrijk te ver-
dedigen ; die landing zou aan de Republiek den doodsteek hebben
gegeven.
In zóóver zijn dus de handelingen ter zee van den gewich-
tigsten invloed geweest op de handelingen te land; de glorie-
volle zeeslagen, toen aan de vloten van de vijandelijke vorsten
geleverd, dienden niet alleen om op de Noordzee de vlag van
de Republiek te doen ontzien, maar ook om Holland's kusten
tegen vijandelijke aanranding te beschermen ; en De Ruyter moet
evenzeer als Willem III de redder van het vaderland worden
genoemd.
De zeemacht der Republiek had bij het begin des oorlogs
een zoodanige uitbreiding, dat de vereenigde Fransche en En-
gelsche vloten nauwelijks sterker waren; en toen later de nood-
zakelijkheid om de landmacht te versterken, de zeemacht aan-
merkelijk deed verminderen, werd die vermindering onschadelijk
gemaakt door de dapperheid der vlotelingen en het beleid van
Neerland's grootsten zeeheld.
HOOFDSTUK IV.
1672. EERSTE KRIJGSVERRICHTINGEN ; OVERTOCHT VAN DEN RIJN;
STAATSOMWENTELING; DE HOLLANDSCHE WATERLINIE.
r
De eerste vijandelijkheden tusschen de Fransche en Neder-
landsche legers hadden plaats naar de zijde van Kleefsland. Den
27611 April trok graaf Maurits van Nassau met een 2 a 3000 man,
grootendeels ruiterij, van de zijde van Wezel en Rijnberg op,
ten einde de kwartieren te verontrusten van de Fransche troepen,
die, onder Chamilly, zich in het Keulensche vereenigden. De
voordeelen, door de Hollanders behaald, waren geheel onbedui-
dend ; maar door die aanvallende beweging waren de Franschen
genoodzaakt zich in enge kantonnementen te verzamelen, het-
geen, zooals uit de briefwisseling van Chamilly blijkt, veel be-
zwaren veroorzaakte voor de voeding van de troepen. — De
bezetting van Maastricht deed ook kleine strooptrochten.
Het Fransche hof had den 25611 April St. Germain verlaten en
de koning was den 5 en Mei te Charleroi aangekomen. Hier hield
hij zich tot den 11 en bezig met het in oogenschouw nemen van
het om die stad vereenigde leger, en trok toen in de richting
Digitized by
Google
EERSTE KRIJGSVERRICHTINGEN. 99
van Maastricht, na eerst Monterey te hebben laten weten, dat
de Fransche krijgsmacht genoodzaakt zou zijn om over Spaansch
grondgebied te trekken. Turenne was met een gedeelte des
legers — 20000 man voetvolk, 3000 ruiters en 30 stukken ge-
schut — reeds twee dagen vroeger op marsch gegaan, en had
zich vereenigd met de door Chamilly aangevoerde troepen, van
de zijde van Hoey komende; beiden maakten zich meester van
Tongeren, Maeseyck, St. Truijen en Bilsen, en breidden zich uit
naar de zijde van Maastricht. Den l^en Mei kwam Lodewijk XTV
tegenover Visé, aan de Maas, waar Turenne zich weer bij hem
voegde.
Het leger van Condé was uit de omstreken van Sedan opge-
broken, door de Ardennen getrokken over Bouillon en St. Hubert,
beneden het dorp Chenai de Ourthe overgegaan; het kwam den
i9cn Mei in de nabijheid van Luik, op den rechteroever van de
Maas. Men ziet dus dat die strategische opmarsch van de Fransche
legers met geen groote snelheid werd verricht; wij hebben
trouwens reeds gezegd, dat men die snelheid niet moet verwachten
bij de oorlogen dier eeuw.
Toen werd er eenige tijd doorgebracht met de beraadslaging
over de vraag, of men Maastricht al dan niet zou aanvallen.
Men kwam eindelijk tot het besluit om den marsch voort te
zetten. Het leger van Condé zou bij Keizersweert den Rijn
overgaan, en op den rechteroever van dien stroom Wezel be-
legeren; gelijktijdig zouden de Koning en Turenne op den lin-
oever Orsoy, Rijnberg en Burik aantasten. Chamilly zou op den
Imkeroever van de Maas blijven om de bezetting van Maastricht
in het oog te houden; met 5000 man voetvolk bleef hij te
Maeseyck, terwijl 4000 ruiters en eenig voetvolk verdeeld wer-
den over Tongeren, Bilsen, Stokhem en Rekhem. Later wer-
den ook Sittard en het kasteel van Valkenburg door die
troepen bezet, zoodat Maastricht met een kring van posten was
omgeven.
Eenige vooruitgezonden troepen, onder Montal, sloegen be-
neden Keizersweert, bij het dorp Neerst, een schipbrug over den
Rijn, en dekten haar door het opwerpen van een bruggenhoofd.
Condé, naar den Rijn trekkende, kwam den 28en Mei tegenover
Keizersweert, ging den volgenden dag den Rijn over en., den
marsch in noordelijke richting voortzettende, kwam hij den
31 en Mei te Dorsten aan deLippe. Den volgenden dag verscheen
hij voor Wezel, waar zich Luxembourg met een gedeelte van
het Munstersche en Keulensche leger bij hem voegde. Het hoofd-
leger had den 21 en Mei, bij Visé, een schipbrug over de Maas
laten slaan; de overtocht der rivier geschiedde echter niet voor
den 24en. In de richting van den Rijn voortrukkende, kwam Tu-
renne met een gedeelte des legers den icn Juni voor Burik, en
Digitized by
Google
lOO KRIJGS- EV GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
het overige, door Lodewijk zelf aangevoerd, den 2cii voor Rijnberg
en Orsoy.
Het verhaal der belegeringen van Wezel, Burik, Rijnberg en
Orsoy zal ons niet lang ophouden; die hechte bolwerken
van den Staat — zooals men de vestingen wel eens noemt —
vielen hier als kaartenhuizen ineen.
Wezel, een vesting van grooten omvang, had eene bezetting
van slechts 1500 il 2000 man; te weinig, voor eene goede ver-
dediging. Bovendien waren de vestingwerken slecht onderhouden
en de bewapening zoo ellendig, dat men niet meer dan een tiental
schoten uit ieder stuk kon doen, omdat de affuiten geheel ver-
molmd of verrot waren. De bezetting was even ellendig als de
versterkingsmiddelen ; zij betoonde niet de minste geestkracht en
moed ; of, beter gezegd, zij maakte zich schuldig aan lafheid en
verraad.
In den nacht van den aen op den 3en Juni maakte Condé zich
stormenderhand meester van de Lippe- schans, aan de samen-
vloeiing van Lippe en Rijn gelegen, en door een groote honderd
man bezet. Het verlies van die schans bracht dadelijk de
grootste ontmoediging te weeg in Wezel. Van Santen, de jam-
merlijke bevelhebber dier vesting, liet zich door een oproer der
burgerij dwingen om in onderhandelingen te treden, die door de
stedelijke regeering reeds eigenmachtig werden aangevangen;
zelfs officieren, hun' eed en plicht vergetende, zetten hunne sol-
daten tot wederspannigheid aan om daardoor de overgave te
bespoedigen. — Den 500 Juni legt de bezetting de wapenen neer,
en is Wezel in 's vijands handen.
Burik, tegenover Wezel, op den linkeroever van den Rijn,
was een kleine vesting: een gebastionneerde zeshoek, met
eenige ravelijnen, en aan de oostzijde een hoornwerk. De bezet-
ting bedroeg volgens de Hollandsche schrijvers slechts 300 man,
volgens de Fransche 4 a 500; zij stond onder het bevel van
Otto van Heeckeren, heer van Pekkendam. De bewapening bestond
uit slechts 10 vuurmonden, waarvan de twaalfponders het zwaarste
kaliber waren; de affuiten (dit schijnt bijna een vaste regel te
zijn geweest) waren genoegzaam onbruikbaar, de kogels, óf te
groot, óf te klein; en in de geheele vesting — zeggen onze op-
gaven — «was slechts één ervaren konstapel", zoodat de stuk-
ken moesten worden bediend door ongeoefende manschappen.
Niettegenstaande die ongenoegzame verdedigingsmiddelen, be-
toonde de bezetting aanvankelijk nog al geestkracht, zij besloot
de stad zoo lang mogelijk te betwisten aan den vijand, en om
dezen te misleiden aangaande het gering aantal der verdedigers,
deed men op den wal een aantal brandende lonten, aan stokken
vastgemaakt, plaatsen, die dus soldaten moesten voorstellen.
Digitized by
Google
EERSTE KRIJGS VERRICHTINGEN. lOI
Om de gemeenschap van Burik met Wezel af te snijden, deed
Turenne, in den nacht van den 2eD op den 360 Juni, tusschen Burik
en den Rijn, eene redoute opwerpen en in de nabijheid daarvan
een batterij van 9 stukken; te gelijk deed Condé een eiland in
den Rijn beneden Wezel bezetten, en met geschut voorzien; op
den Rijn zelf werden twee vaartuigen met troepen geplaatst.
Daardoor was de bezetting van Burik verstoken van allen toe-
voer en terugtocht; en toen nu, in den nacht van 3 — 4 Juni,
Turenne aanstalten maakte tot eene bestorming^ vergat de be-
zetting haar eerste voornemen om zich te verdedigen, trad in
onderhandeling, en legde de wapenen neder.
Het kleine Orsoy, met eene bezetting van 7 of 800 man,
onder Moulet, werd den 2en Juni door den Franschen koning
aangetast. Volgens sommigen vermeesterden de Franschen toen
den bedekten weg; volgens anderen bepaalde het zich tot kanon-
vuur. Den 3eD had de overgave plaats, waarbij men de wapenen
nederlegde.
Rijnberg gaf zich zonder zwaardslag over door het verraad
van den bevelhebber, den Ier d'Ossery, die zich door den vijand
liet omkoopen, en later voor dit misdrijf met den dood werd ge-
straft. De bezetting verkreeg vrijen aftocht naar Maastricht, hare
juiste sterkte wordt niet vermeld; in den krijgsraad die over de
overgave handelde, zeide een der leden, dat er geen duizend
man waren, goed voor de verdediging; volgens andere opgaven
daarentegen ware Rijnberg zeer goed te verdedigen geweest. —
De overgave had den 6en Juni plaats.
Na de inneming van die vestingen vervolgden Condé en Tu-
renne hun marsch langs de beide oevers van den Rijn, en kwamen
den 8cn voor Rees en het daartegenover liggend fort. De stad
zelve ligt op den rechteroever, was regelmatig versterkt, maar
had eene bezetting van slechts 500 man, onder het bevel van
Wijnbergen. De tegenoverliggende schans bestond uit een kleinen
gebastionneerden vijfhoek, omgeven door drie hoornwerken, en
van binnen voorzien van een klein reduit; zij had eene bezetting
van 200 man, onder den kapitein Van der Hoeven.
De verdediging van de schans was slecht; op de eerste
kanonschoten des vijands gaf de bezetting zich, den 8en, aan Tu-
renne over. De stad Rees scheen zich met meer geestkracht te
zullen verdedigen; zij beantwoordde het geschutvuur des vijands
krachtdadig, hoewel er slechts 16 vuurmonden aanwezig waren;
maar — zoo sommigen willen — een opstand der burgerij.
noodzaakte de bezetting, den 9eii Juni, de wapenen neer te leggen.
De bezetting van Emmerik verliet, bij de nadering van Condé,
die plaats, en trok teriig op Schenkenschans. Deutekom, waar
een paar honderd man HoUandsche troepen waren, werd den
pen Juni door eene kleine Fransche afdeeling genomen. Luxem-
Digitized by
Google
102 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
bourg trok dadelijk na de overgave van Wezel roet 6000 man
op Breêvoort, om zich weder bij den bisschop van Munster te
voegen. Die kerkvoogd was in Overijsel gevallen^ had daar
eenige onbeduidende plaatsen vermeesterd, en was den len Juni
voor Grol verschenen. De verdediging van de vesting was, ver-
geleken met de andere, vrij goed, daar de overgave eerst den
9en Juni plaats had. Hoe sterk de bezetting was, wordt niet ge-
meld; — zij moet echter niet sterk zijn geweest, want een onzer
geschiedschrijvers (Sylvius) laat, na in het breede de sterkte van
de vesting te hebben uitgemeten, er zeer naief op volgen:
> alleen ontbrak daar behoorlijk garnizoen en voorraad."
Zoo waren dan in weinige dagen de vestingen aan den Rijn
en oostelijk van den IJsel in handen van den vijand gevallen.
Zeker was die spoedige overgave grootendeels te wijten aan het
plichtverzuim van de verdedigers; bij vele gelegenheden is het
onmogelijk, hen vrij te pleiten van den blaam van lafheid
en verraad ; en slechts zelden kan men de verdediging eenigszins
voldoende noemen. Maar wanneer men den ellendigen toestand
der vestingwerken, de zwakheid der bezettingen, de jammerlijke
uitrusting en wapening in aanmerking neemt, dan ziet men dat
die vestingen niet in staat waren om zich langdurig te verdedi-
gen, en dat de Fransche schrijvers in hare spoedige verovering
ten onrechte een buitengewoon wapenfeit zien. Aan de zijde
van het Hollandsche krijgsbestuur was het een grove misslag,
zich in te laten met het bezetten en verdedigen van zulke ves-
tingen en daaraan zonder nut een 4 a 5000 man op te offeren.
Wien die misslag moet geweten worden is onzeker, omdat
men niet weet wie toen eigenlijk de oorlogshandelingen regelde;
zeker niet Willem III, wiens gezag toen nog zeer beperkt was.
De vijand moest, om in het hart der Republiek door te
dringen, den overtocht van den IJsel of van den Rijn verrichten,
en om die rivieren te verdedigen was het leger van Willem III
grootendeels vereenigd in de nabijheid van Arnhem. De sterkte
van dat leger wordt, zooals wij reeds gezien hebben, verschillend
begroot: van 17000 tot 22000 man. Valckenier zegt: dat de
geregelde troepen 17 k 18000 man uitmaakten, verdeeld in 19
regimenten voetvolk en evenveel regimenten ruiterij; hierbij
waren nu nog — volgens dien schrijver — eenige nieuw ge-
worven waardgelders en gewapende boeren, die men bijna allen
weer naar huis zond, wegens het volslagen gebrek aan orde dat
bij hen heerschte; — het al of niet mederekenen hiervan zal
denkelijk het verschil in de opgaven der sterkte van het leger
veroorzaken.
Met een zoodanig leger viel weinig goeds te verwachten van
Digitized by
Google
£ERSTE KRIJGSVERRICHTINGEN. I03
de verdediging eener ondiepe rivier, zooals de IJsel gedurende
den zomer; toch wilde men die verdediging ondernemen, en tot
dat einde was op den linkeroever eene verschanste linie opge-
worpen, die, zich van IJseloort tot tegenover Deventer uitstrek-
kende en de krommingen der rivier volgende, eene lengte had
van omstreeks i6 uren gaans. Dit werk, meest verricht onder
het bestuur van den veldmaarschalk graaf Maurits van Nassau,
was den ^cn Maart begonnen en den 3oeii April voleindigd ; eenige
duizenden boeren, die men van tijd tot tijd opontbood en die
elk 6 stuiver daags ontvingen, hadden hieraan gearbeid, en de
geheele linie kostte slechts ƒ 35 000. Het was een aaneengescha-
kelde linie, samengesteld — voor zoover men uit de beschrijving
en uit een soort van schets in >het ontroerde Nederland"
kan opmaken — uit borstwering, gracht, bedekte weg, glacis en
voorgracht; en voorzien van een zoo groot aantal hindernissen,
dat die linie — volgens het oordeel van een onzer schrijvers —
eene buitengewone sterkte had, > zoodat er geen hond door kon,
veel min een mensch of een paard/*
Zonder nu een onbepaald geloof te slaan aan die buitenge-
wone sterkte, en zonder in het algemeen, veel op te hebben
met die uitgestrekte verschanste liniën, meenen wij echter dat
bier in dit geval, wilde men den IJsel verdedigen, niet veel
beters kon gedaan worden, en dat het oordeel der Fransche
schrijvers, welke die linie kostbaar, zwak en onnut hebben ge-
noemd, ais ongegrond moet worden beschouwd. Het weinig kost-
bare blijkt uit den prijs welke het opwerpen daarvan vorderde;
het zwakke is niet gebleken, daar de linie niet is aangevallen;
en onnut was zij alleen omdat men verzuimde haar te beveiligen
tegen omtrekkingen: aan de eene zijde, beneden Deventer tot
aan de Zuiderzee, bleef de IJsel geheel onbezet, en aan de
andere zijde was de Rijn, van IJseloort tot Schenkenschans,
slechts zwak bezet. Indien men maatregelen had genomen tegen
die orotrekkingen, dan was de verschanste linie langs den IJsel
voordeelig geweest; het was de beste, zoo niet de eenige wijze,
waarop, in de toenmalige omstandigheden, die rivier verdedigd
kon worden; — want, die verdediging te ondernemen op de
wijze zooals Clausewitz die voor de kleine rivieren voorschrijft,
was bij de groote overmacht des vijands een ondoenlijke zaak.
Wanneer wij bij het bovenstaande voegen, dat Nijmegen,
Amheai, Doesburg, Zutfen en Deventer voorzien waren van be-
zettingen (welke begrepen zijn onder de opgegeven sterkte van
het HoUandsche leger), dan moeten wij bekennen, dat dit ook
alles is wat wij weten van de maatregelen des verdedigers. De
wijze waarop hij zijne macht langs de rivier had geplaatst, de
juiste sterkte van de afdeeling die den Rijn bezette, en de bijzon-
dere voorschriften welke de bevelhebber dier afdeeling had ont-
Digitized by
Google
I04 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
vangen, dit alles is ons duister of onzeker gebleven, ook na
het lezen van Sijpesteyn en De Bordes. Wij kunnen dus moeie-
lijk oordeelen over het meer of min goede van die verdediging.
Het hoofdleger der Franschen was den 9C11 Juni te Wezel op
den rechteroever van den Rijn overgegaan, en breidde zich uit
naar de zijde van den IJsel. Condé stelde aan den*koning voor,
om die laatste rivier in het gezicht van den vijand over te trek-
ken, en zijne verschansingen te bestormen; Lodewijk gaf echter
gehoor aan den meer voorzichtigen raad van Turenne, van die
verschansingen te omtrekken, door tusschen IJseloort en Schen-
kenschans den overtocht te verrichten van den Rijn, die daar
zwak bezet en op sommige punten doorwaadbaar was; terwijl
het hoofdleger dien rivierovertocht verrichtte, zou Luxerabourg aan
den IJsel het leger van Willem III bezig houden. Een Fransch
schrijver — Beaurain — is van gevoelen, dat het beter zou ge-
weest zijn indien Turenne, die te Rees stond, naar den IJsel
was getrokken om Willem III in het front bezig te houden, Condé
den overtocht van den Rijn had verricht en Luxembourg bene-
den Deventer den IJsel was overgegaan; — ddn, zegt hij, zou
er kans geweest zijn om het leger van Willem III af te snijden
van Holland. Hier valt tegen in te brengen, dat die omtrekkende
beweging, tot noordwaarts van Deventer, tijd zou hebben gekost,
en denkelijk tot geen ander gevolg zou hebben geleid dan tot
den terugtocht van het Hollandsche leger, dat, onderricht van
*s vijands bewegingen, geen stand zou hebben gehouden aan
den IJsel.
Condé, den loen Juni te Elten komende, oordeelde dat er een
geschikt overgangspunt was aan den Rijn op ongeveer een uur
afetands van Schenkenschans, tegenover het zoogenaamde tol-
huis. Den II en hield men zich bezig met het verkennen van de
rivier en met de toebereidselen tot het slaan eener brug; Lode-
wijk zelf kwam des avonds te Elten, vergezeld van 6000 ruiters.
Gedurende den nacht werden twee batterijen, met 12 vuur-
monden gewapend, aan den oever opgeworpen. Het slaan van
de brug ging slechts langzaam; men had toen nog niet de vaar-
digheid van onze hedendaagsche pontonniers; in den och-
tend van den laen waren er nog maar 6 pontons in de rivier,
en — zegt Beaurain — het was waarschijnlijk dat de brug dien
dag nog niet voltooid zou zijn. Men vreesde aan de Fransche
zijde dat bij langer verwijl Willem III van Arnhem zou op-
rukken om den overtocht te betwisten; en daarom besloot men
om het voltooien van de brug niet af te wachten, maar gebruik
te maken van een nabijzijnde waadbare plaats, die door een
boer uit den omtrek was aangewezen, en verkend door De
Digitized by
Google
EERSTE KRIJGSVERRICHTINGEN. I05
Gniche^ een der Fransche bevelhebbers. Dit wed had slechts
een klein gedeelte waar de paarden moesten zwemmen, — de
opgaven verschillen van 20 tot 100 pas; al het overige had zoo
weinig water, dat het niet tot aan de borst der paarden kwam.
Aan de overzijde had men, op eenigen afstand van den oever,
hoatgewas, waarachter men eenige Hollandsche ruiterij ontwaarde ;
op grooter afstand bevond zich het tolhuis, een hecht gebouw,
door een soort van palissadeering omgeven, en waar men vijan-
delijk voetvolk werkzaam zag aan het opwerpen van eene borst-
wering.
Wij hebben reeds gezegd dat wij omtrent de sterkte en den
toestand des verdedigers geheel in het onzekere zijn gebleven.
Volgens sommigen zou de generaal De Montbas den yea Juni
belast zijn met de verdediging van de Betuwe, en hiertoe twee
regimenten infanterie — Aylva en Van Gent — en twee regi-
menten kavalerie — Souielande en Kingma — tot zijne beschik-
king hebben gekregen; volgens de toenmalige samenstelling van
het Hollandsche leger kan dit niet meer dan een paar duizend
man hebben uitgemaakt; artillerie moet hier ook bij geweest
zijn, maar er wordt nergens gezegd hoeveel. Montbas plaatste
zijne troepen op twee punten: bij het tolhuis en bij Huissen,
ongeveer drie uren gaans van elkander verwijderd; bij het tol-
huis kwam het voetvolk van Aylva en de ruiterij van Soutelande,
te Huissen de twee andere regimenten; van de infanterie van
Van Gent waren 3 compagnieën in Schenkenschans geplaatst.
Montbas was aanvankelijk ook belast met de verdediging van
Nijmegen; den 8en moet hij echter aanschrijving hebben gekregen,
dat het bevel over die vesting aan den generaal Van Weideren
was opgedragen, en hij zich uitsluitend had bezig te houden met
de verdediging van de Betuwe.
Montbas oordeelde met reden dat zijne macht te gering was
om eene rivier-uitgestrektheid van 3^4 uren gaans te verdedi-
gen; hij vroeg dus om versterking. Werkelijk schijnt Willem III
voornemens geweest te zijn hem die te zenden, en er worden
vijf regimenten genoemd, zoo voetvolk als ruiterij, die last
kregen om van Arnhem op te rukken tot versterking van Mont-
bas ; zoodat, indien men die regimenten mederekent, de Fransche
schrijvers denkelijk niet ver van de waarheid zullen zijn, wan-
neer zij de geheele macht op een 5000 man begrooten. Maar
waarin zij zich geheel vergissen, is in de opgave dat die regi-
menten^ door den veldmaarschalk Wirtz aangevoerd, werkelijk
naar de Betuwe zijn getrokken: dit is niet zoo; het be-
richt van de nadering eener Fransche legermacht naar de zijde
van Doesburg bewoog Willem III den afmarsch dier troepen
naar de Betuwe op te schorten; en alleen het regiment van
Schot en een klein gedeelte van dat van Pain et Vin, beide
Digitized by
Google
Io6 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
infanterie, schijnen op den linker Rijnoever te zijn overgegaan.
Montbas, intusschen geen versterking krijgende, oordeelde, den
ingang van de Betuwe niet te kunnen verdedigen; en op den
iien verliet hij zijne stellingen aan den Rijn en kwam nog dien
dag te Dieren aan, in het hoofdkwartier van den Stadhouder.
Dit verlaten van den hem toevertrouwden post wordt aan
Montbas met reden als een slechte en misdadige handeling
verweten; en zijn naam staat daarom in onze geschiedboeken
als die eens verraders aangeteekend. Hierin echter gelooven wij
dat men te vér gaat, en, toestemmende dat die bevelhebber
hier zwakheid, onkunde of lafheid heeft betoond, vinden wij
echter geen grond om hem verraad ten laste te leggen. Men
moet weten, wie en wat Montbas was, om zich zijne handelin-
gen en het oordeel dat zij hebben uitgelokt te verklaren. Het
was natuurlijk dat hij als Franschman in dien tijd wantrouwen
moest inboezemen; de minste dubbelzinnige handeling (en wi)
erkennen dat het verlaten van zijn post hier niet eens dubbel-
zinnig, maar bepaald slecht was) moest hem als verraad worden
toegerekend. Aan den anderen kant koesterde Montbas evenzeer
wantrouwen tegen den veldheer van het Hollandsche leger, en
nog meer tegen diens aanhang: Montbas, vermaagschapt met
Pieter de Groot, nauw verbonden aan de partij der De Witten,
wist dat hij den haat der Oranjepartij op zich had geladen, en
hij schijnt zelfs een persoonlijke vijand geweest te zijn van den
heer van Zuilestein, een basterd van Willem de Derde's groot-
vader, Frederik Hendrik. Montbas meende daarom, dat de Stad-
houder, door hem met zoo kleine macht de verdediging van de
Betuwe op te dragen, niets anders beoogde dan hem in het ver-
derf te storten; in zijn onrust en vrees hierover, mogelijk ook
wel de bekwaamheid van den jongen Stadhouder mistrouwende,
schrijft hij aan de Gedeputeerden te velde, en schijnt van dezen
bevel te hebben ontvangen om zijn post aan den Rijn te ver-
laten en op Nijmegen terug te trekken. Hij had dit bevel niet
moeten gehoorzamen, maar dat hij het gehoorzaamde^ bewijst
alleen dat hij ongeschikt was voor bevelhebber, dat hij zwakheid
of lafheid betoonde; het bewijst nog niet, dat hij een verrader
was. In het algemeen gelooven wij, dat in de krijgsgeschiedenis
domheid en zwakheid een veel grootere rol spelen dan verraad.
Dat Montbas later door de vlucht ontkwam aan de tegen hem
gerichte vervolging, en zich uit wraakzucht voegde bij de legers
van Lodewijk XIV, dit is een zoo natuurlijke handeling, dat
men ze niet kan aanhalen om daarmee het verraderlijke van
zijn vroeger gedrag aan te toonen.
Toen Montbas te Dieren aankwam, gelastte Willem III aan
Wirtz, om onverwijld met twee regimenten ruiterij — Haersohe
en Van der Lek — naar het tolhuis te trekken en daar stelling
Digitized by
Google
EERSTE KRIJGSVERRICHTINGEN. I07
te nemen; *s avonds van den iien moeten die troepen daar zijn
gekomen. Denkelijk zijn daar ook geweest het reeds vroeger
afgezonden voetvolk van Schot en van Pain et Vin; zeker is
dit echter niet, daar wij volgens een andere opgave het regi-
ment van Schot later bij de bezetting van Nijmegen vinden;
wat de troepen van Montbas aangaat, hiervan was het voetvolk
— de regimenten Aylva en Van Gent — op Nijmegen terug-
getrokken; van de ruiterij is dit minder zeker. Van Weideren,
het belang inziende der verdediging van den Rijn, zond op den
i2cn Juni het regiment van Aylva weer naar het tolhuis; voordat
het echter dit punt bereikte, was de rivierovertocht door den
vijand reeds verricht. Sijpesteyn en De Bordes beweren echter,
dat het regiment van Aylva, toen de rivierovertocht plaats had^
reeds bij het tolhuis stond, en daar heeft gestreden, en ook de
eenige infanterie is geweest die daar gestreden heeft; zij erken-
nen echter, dat eerst den i2en Juni het regiment van Aylva van
Nijmegen naar het tolhuis werd afgezonden.
Als het waarschijnlijkste nemen wij aan, dat, toen het Fransche
leger bij het tolhuis den Rijn overging, daar geen andere troepen
waren dan de ruiterij van Haersolte en van Van der I^k, en
het voetvolk van Schot en Pain et Vin ; alles te zamen geen 2000
man. Het geschut was door Montbas teruggezonden, op drie kleine
veldstukken na, die bij het tolhuis bleven ; verschansingen waren
er, 's avonds van den iien, niet; en indien Wirtz er, na zijn komst,
heeft laten opwerpen, kunnen zij niet veel te beduiden hebben
gehad.
In den vroegen ochtend van den 1 2cn Juni openen de Fransche
batterijen haar vuur op de vijandelijke troepen op den anderen
oever; en daar de Rijn hier slechts een geweerschots breedte
heeft, is de uitwerking van dat vuur niet gering. Onder bescher-
ming daarvan zal de ruiterij de waadbare plaats doortrekken, en
Gaiche den tocht beginnen aan het hoofd van 2000 ruiters ;
eenige schuiten zijn gereed om Condé en andere bevelhebbers
over te brengen, en de koning zelf verschijnt op den oevft-, om
door zijn tegenwoordigheid de zijnen aan te moedigen. Guiche,
zich door eenige ruiters doende voorafgaan, gaat met een regi-
ment kurassiers de rivier in; aanvankelijk geschiedt dit met
kleine gedeelten, die, niet gesloten blijvende, door de kracht
van den stroom worden weggedreven, zoodat verscheidene ruiters
daardoor verdrinken. Slechts gedeeltelijk bereiken de kurassiers
den anderen oever; en Wirtz, die in den beginne met zijne rui-
terij achter het geboomte was gebleven, komt nu te voorschijn
en drijft den vijand eenigszins terug. Een Fransch officier, Lan-
gallerie, herzamelt echter de kurassiers in de rivier, op een loa
pas van den oever, en weldra heeft hij een eskadron bijeen.
Wirtz, van zijne zijde, plaatst zich met zijn ruiters op den oever,
Digitized by
Google
Io8 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
en begint een onbeduidend vuurgevecht. Al meer en meer
Fransche ruiterij komt zich bij Langallerie aansluiten, en deze
rukt eindelijk ten aanval vooruit. Wirtz had aan zijne overige
eskadrons gelast om zich aan te sluiten bij het voorste^ waarmede
hij den Franschen het hoofd bood ; dit bevel werd echter niet nage-
komen, denkelijk omdat het geschutvuur van den vijand de Hol-
landsche ruiterij terughield ; het gevolg hiervan is, dat de zwakke
ruiterafdeeling van Wirtz, door den vijand overvleugeld, overhoop
wordt geworpen, en met de overij^e ruiterij op de vlucht gaat.
De overtocht wordt nu door de Franschen ongehinderd voort-
gezet, de eskadrons gaan nu meer gesloten de rivier door en
vermijden daardoor de vroegere verliezen, de Maison du Roi
volgt de kurassiers, en het moet een treffend gezicht zijn ge-
weest, toen men die uitgelezen ruiterbende, met hare wapenrus-
tingen schitterende van goud en zilver, den breeden stroom zag
doorklieven. Guiche schaart de eskadrons in slagorde, naar ge-
lang zij op den anderen oever komen. Weldra zijn 6000 ruiters
daar vereenigd; en Condé, die met een schuit is overgezet,
neemt nu het bevel op zich.
De HoUandsche infanterie, bij het tolhuis op een afstand van
het overgangspunt staande en door de vlucht der ruiterij zonder
ondersteuning gebleven, was nu in den gevaarlijksten toestand;
het tolhuis was niet van dien aard om dddr een verdediging te
voeren, waartoe niets was voorbereid; en, om in geslotene massa
terug te trekken en zóó de aanvallen af te slaan van de vijan-
delijke ruiterij — zooals twintig jaar later de infanterie van Wil-
lem III dit bij Fieurus deed — , hiertoe was die infanterie in
1672 te slecht samengesteld. Toen dan ook Condé in persoon
de Hollanders naderde en hen met gebiedende stem toeriep de
wapens neer te leggen, schijnt de onverschrokkenheid van den
Franschen aanvoerder zooveel indruk te hebben gemaakt, dat
men op het punt was om aan zijn bevel te voldoen; maar een
toeval verhinderde dit. Verhit door den wijn, rende de jonge
hertof De Longueville, een neef van Condé, de HoUandsche
infanterie te gemoet, pistoolschoten op haar lossende; deze be-
sloot toen het leven duur te verkoopen; en, haar vuur op den
vijand openende, deed zij Longueville en een aantal Franschen
dood ter aarde storten. Condé zelf werd door een Hollandsch
officier — de Fransche schrijvers noemen hem Ossembroek of
Hassenbroek — aangevallen en door een pistoolschot gewond.
Lang duurt echter de wederstand van de HoUandsche infanterie
niet; de overmachtige vijandelijke ruiterij omringt en doorbreekt
haar aan alle zijden, en wat niet gedood wordt valt in handen
des vijands. De toren bij het tolhuis wordt verlaten door de
kleine bezetting, die de wijk neemt naar Schenkenschans. De
Fransche ruiterij, hare voordeelen voortzettende, ontmoet op
Digitized by
Google
EERSTE KRIJGSVERRICHTINGEN. IO9
den weg naar Nijmegen het regiment van Aylva; die infanterie,
afgemat door nutteloos heen en weer inarcheeren, is buiten
staat den vijand het hoofd te bieden ; zij wil terugtrekken, maar,
tot tegenover Nijmegen door de Fransche ruiterij vervolgd, wordt
Aylva's regiment geheel uiteengeslagen^ en het grootste gedeelte
daarvan gedood of gevangen genomen.
Ziedaar den vermaarden overtocht van den Rijn, zooals wij dien
hebben trachten op te maken uit de verwarde en tegenstrijdige
verhalen van de verschillende schrijvers; wij zeggen niet^ dat
onze voorstelling van die gebeurtenis waarheid is, maar zij
komt ons de geloofwaardigste voor. Omtrent de verliezen
zijn de opgaven zeer uiteenloopend, zooals dit trouwens bij
de meeste gevechten en veldslagen het geval is. De Franschen
begrooten hunne verliezen op een 300 man; omtrent die van
Wirtz ziJQ onze schrijvers niet duidelijk; een hunner zegt, dat
er ruim 300 man zijn gesneuveld en een groot aantal gevangen
genomen; daar de HoUandsche infanterie grootendeels verloren
is gegaan, de verliezen van de ruiterij daarentegen niet groot kunnen
geweest zijn, zoo zal men niet ver van de waarheid zijn, als men
de verliezen van de Hollanders op 1500 man stelt of daaromtrent.
Overdreven is de opgave van Beaurain, die deze verliezen op bi}
de 3000 man begroot; nog meer overdreven de opgave van
De Quincy, die alleen de gevangenen op 4000 man schat.
Sedert lang heeft men recht gedaan aan de snorkerijen der
vleiers van Lodewijk XIV, welke dien overtocht van den Rijn
geroemd hebben als een buitengewoon oorlogsfeit, zooals de ge-
schiedenis er mogelijk geen tweede oplevert ; zelfs Voltaire heeft
reeds het ongegronde dier bewering doen zien, en het valsche
van de voorstelling die de Fransche schrijvers van deze gebeur-
tenis hebben gegeven. Men is het thans daarover eens, dat de
overtocht van den Rijn een schitterende krijgsverrichting zou
geweest zijn, ware die overtocht betwist door een ge-
noegzaam sterken vijand, maar dat, zooals de zaken zich
hebben toegedragen, het ontwerp tot den overtocht stout kon
genoemd worden, maar de overtocht zelve niets bijzonders
gehad heeft, niet in het minste te vergelijken is met den be-
roemden overtocht van de Lech, door Gustaaf Adolf. Want,
nemen wij de zaken zooals zij geweest zijn: een sterk leger,
bestaande uit uitmuntende troepen, komt aan een rivier die wel
is waar breed doch ook zeer ondiep is, en slechts een smal
gedeelte heeft waar ruiterij zwemmende door moet; de waad-
bare plaatsen zijn dat leger bekend; er is reeds een begin van
een schipbrug; batterijen zijn opgeworpen, die den tegenover-
liggenden oever bestrijken; op dien oever bevindt zich een
zwakke vijandelijke afdeeling, hoogstens 2000 man, onver-
Digitized by
Google
IIO KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
schanst, zonder geschut, — want de drie veldstukken bij het
tolhuis konden niet medewerken tot bestrijking van de waadbare
plaats waardoor de Fransche ruiterij ging; ook de Hollandsche
infanterie kan men niet medetellen, daar deze zonder nut bij
het tolhuis blijft; het wed wordt alleen verdedigd door de rui-
terij, en die verdediging is flauw; Wirtz moge persoonlijk veel
dapperheid hebben betoond, zijne ruiters hebben zich zwak ge-
dragen; die ruiters worden teruggedreven, de Franschen trekken
ongehinderd den stroom over, en de alleenstaande Hollandsche
infanterie gaat geheel verloren. Welk onpartijdige zal beweren,
dat er in dit alles iets is, dat onze bewondering verdient? Het
gelukken van den overtocht des Rijn 's wordt soms aangehaald
•om daarmede de onwaarde van een rivier als verdedigingslijn
te bewijzen; het bewijst alleen de onwaarde van een rivier die
niet of slecht verdedigd wordt.
De aanmerking van een der Fransche schrijvers^ dat het
vreemd is dat Willem III niet oprukte van Arnhem om de over-
getrokken Fransche macht aan te vallen voordat de schipbrug
voltooid was, is geheel ongegrond: de krijgsmacht van den
Stadhouder was slecht samengesteld en niet talrijk; 6000 man
Fransche ruiterij waren reeds op den linkeroever van den Rijn,
en eer het Hollandsche leger, van Arnhem komende, het
overgangspunt bereikte, kon de brug over die rivier reeds vol-
tooid zijn, en dit leger dus zijn wissen ondergang te gemoet
gaan.
Volgens de opgaven van de Hollandsche schrijvers moet nog
-den 1 2en de schipbrug over den Rijn voltooid zijn geworden ;
zooveel is zeker dat reeds den i3cn het geheele leger van Condé
op den linkeroever stond. Die bevelhebber, gewond zijnde, werd
door Turenne vervangen; en, naar de meening van sommige
-schrijvers, is die verwisseling niet zonder invloed geweest op de
krijgsverrichtingen. Men wil tenminste dat Condé voornemens
was met een sterk ruiterkorps ijlings in Holland door te dringen,
om zich meester te maken van Amsterdam, maar dat de meer
bedachtzame Turenne die onderneming te gevaarlijk oordeelde-
Wanneer wij echter lezen dat Condé voor dien tocht 20000
ruiters wilde nemen, ieder met een infanterist achter zich op het
paard, dan moeten wij erkennen dat wij zeer weinig geloof
hieraan hechten : dergelijke buitengewone handelingen, dergelijke
geforceerde marschen waren niet in den geest van dien tijd.
Dat geheele voornemen van Condé heeft dan ook, onzes inziens,
het kenmerk van de gewone voorstellingswijze der Fransche
«chrijvers, die, als eene onderneming van hunne landgenooten
mislukt, er altijd op uit zijn om dit toe te schrijven aan een
toevallige omstandigheid. Wij gelooven zelfs, dat Condé's ver-
Digitized by
Google
EERSTE KRIJGSVERRICHTINGEN. III
vanging door Turenne in zoover voor den vijand voordeelig is
geweest, dat laatstgenoemde bevelhebber door zijne vroegere
veldtochten onder Frederik Hendrik meer bekend was met de
gesteldheid van ons land.
Turenne wilde zich uitbreiden naar de zijde van Arnhem en
beneden die stad den Rijn overgaan, om het leger van Willem III,
wanneer dit bleef stand houden aan den IJsel, af te snijden van
Holland ; gelijktijdig trok het hoofdleger, waarbij de Koning zich
weer had gevoegd, naar de zijde van Doesburg. Den i3cnkwam
Guiche met 1500 ruiters te Huissen, en, den marsch voortzettende,
bereikte hij nog 's nachts den weg van Nijmegen op Arnhem. De
tijding hiervan bewoog Willem III om zijne stelling bij Arnhem
te verlaten, en op den i4cn den marsch te aanvaarden op Utrecht,
waar het HoUandsche leger in den avond van den isen aankwam,
cene marschsnelheid, voor de legers van dien tijd vrij groot. Bij
dien terugtocht werd de achterhoede van het HoUandsche leger
nog eenigszins verontrust door eene kleine afdeeling Fransche rui-
terij, die, beneden Arnhem, den ondiepen Rijn was doorgezwommen.
Het HoUandsche leger was aanmerkelijk verzwakt door het
achterlaten van bezettingen in verschillende vestingen: twee
regimenten voetvolk werden gezonden naar Zwolle, twee naar
Deventer, een naar Zutfen, een naar Doesburg, twee werden in
Arnhem gelaten, twee andere waren reeds vroeger naar Nijmegen
gezonden. Er wordt gezegd, dat de overblijvende macht van
Willem III nu nog 7 regimenten voetvolk en 14 regimenten rui-
terij uitmaakte, eene opgave die, wat het voetvolk aangaat, over-
eenkomt met de vroegere, maar ten aanzien der ruiterij een
verschil geeft van 5 regimenten. De sterkte van dit leger wordt
door de Fransche schrijvers op 13000 man begroot; een onzer
schrijvers vermindert die tot 8000. Wij gelooven dat het laatste
getal het dichtst bij de waarheid zal komen, want de sterkte
van elk regiment voetvolk zal niet meer dan een 7 a 800 man
lijn geweest; — wij lezen immers, dat de regimenten die in
Arnhem als bezetting bleven, ieder slechts 8 compagnieën telden ;
daar nu de gewone sterkte van de compagnie 70 man was, tel-
den die regimenten nog slechts bij de 600 man; — en de
sterkte van elk regiment ruiterij kon zeker op niet hooger ge-
steld worden dan op 2 a 300 paarden, daar die regimenten zóó
zwak waren dat zij, bij de Fransche schrijvers, eskadrons worden
genoemd. — Het zware geschut, 15 vuurmonden volgens Beaurain,
werd door den Stadhouder achtergelaten in de vestingen aan
den IJsel.
Te Utrecht gekomen, vond het HoUandsche leger de poorten dier
stad voor zich gesloten. Er hadden onderhandelingen plaats tusschen
Digitized by
Google
TI2 ICRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
den Stadhouder en de regeering van Utrecht, waarbij de laatste
eindelijk aanbood, de stad te verdedigen tegen de Fransche
legers, wanneer de troepen van Willem III wilden deelnemen
aan die verdediging, en waarbij de Stadhouder den bijstand van
die troepen toezegde, mits men vier voorsteden afbrandde die
de verdediging belemmerden ; — die voorwaarde vond de Utrecht-
sche regeering echter niet aannemelijk, en, ten gevolge van hare
weigering om daarin te treden, werd de verdediging van de
stad Utrecht opgegeven.
Het heeft al den schijn, alsof men aan weerszijden bij deze
onderhandeling niet te goeder trouw is geweest; en alsof noch
de gewestelijke regeering, noch de Stadhouder ernstig de ver-
dediging der stad hebben gewild: die regeering was, door den
spoedigen voortgang der Fransche wapenen, door de verwarring
en vrees hierdoor ontstaan, en door de oproerige gezindheid
van een deel der bevolking, geheel verbijsterd en verschrikt, en
verwachtte dus niets goeds van eene verdediging; en de Stadhouder,
wiens leger reeds zoozeer verkleind was door het bezetten der
steden aan den IJsel, wilde het ongaarne verder smaldeelen, door
het weder achterlaten van een gedeelte zijner macht binnen
Utrecht. Er kwam dan ook een bevel in van de Staten- Generaal,
om het leger uit Utrecht te doen terugtrekken, en het uitsluitend
aan te wenden voor de verdediging van Holland. Ingevolge
hiervan brak het leger den iScq uit den omtrek van Utrecht op
en verdeelde zich over de voornaamste toegangen tot de pro-
vincie Holland.
Ziedaar wat men het eerste tijdvak van dezen veldtocht kan
noemen. Wij zullen, alvorens verder te gaan, enkele aanmerkin-
gen maken op de handelingen der beide partijen.
De veldtocht, de opmarsch der Fransche legers begint in de
eerste helft der maand Mei. Een maand later heeft het Fransche
leger reeds verscheiden vestingen bemachtigd, is de groote
rivieren overgetrokken, en doorgedrongen tot in het hart van
de Republiek der Vereenigde Nederlanden; op het einde van
Juni moet Willem III zich bepalen tot het verdedigen van de
toegangen naar Holland, en staat de vijand, om zoo te zeggen,
voor de poorten van Amsterdam. Zulk een uitkomst is, opper-
vlakkig beschouwd, buitengewoon; — dit buitengewone houdt
echter op, wanneer men de zaak van meer nabij gadeslaat.
Een leger van over de honderdduizend man, uitgelezen troe-
pen, volledig uitgerust en voorzien van alles wat noodig is tot
het oorlog voeren, aangevoerd door de eerste veldheeren van
hun tijd, valt een kleinen staat aan, die nog geen twintig duizend
man heeft te velde gebracht, ellendige troepen, zonder oefening,
zonder krijgsgeest, zonder goede aanvoerders, en aan hun hoofd
Digitized by
Google
EERSTE KRIJGS VERRICHTINGEN. 1 13
een jongeliog hebbende, in wien men nog geen vertrouwen stelt,
wien men nog geen gezag verleent; die aanval heeft plaats in
het midden van den zomer — het gunstigste jaargetijde — ; de
aanvaller is bekend met het oorlogstooneel waar zijn macht ver-
schijnt; hij heeft tallooze verstandhoudingen met de bevolking
van den aangevallen Staat, door menigvuldige omkoopingen
ondersteunt hij het geweld zijner wapenen; de bevolking van
het land dat hij doortrekt, legt hem niet de minste hinderpalen
in den weg ; de landstreek levert hem geen andere bezwaren op,
dan het overtrekken van rivieren die door langdurige droogte
overal doorwaadbaar zijn, en het vermeesteren van vestingen,
wier toestand — ellendig wat versterking, uitrusting, wapening
en bezetting aangaat — bijna de lafhartigheid verontschuldigt
waarmede zij werden overgegeven; — wanneer men al die
omstandigheden in aanmerking neemt, dan komt men tot het
besluit: dat de handeling des aanvallers in niet veel meer dan
in een militairen marsch moest bestaan, en dat er niets verwon-
derlijks is in den spoed waarmede het Fransche leger een aan-
merkelijk gedeelte van de Republiek aan zich onderwierp.
Er is in dit alles maar ééne handeling, die afsteekt bij den
gewonen methodieken gang van de oorlogen dier eeuw; dit is het
voorbijtrekken van Maastricht zonder die vesting te belegeren.
Naar de sterkte van de wederzijdsche partijen, was er in die
handeling niets gevaarlijks; bij een oorlog in onze eeuw zou
men altijd zóó te werk gaan; maar in de zeventiende eeuw was
het iets buitengewoons en verdient dus geprezen te worden.
Maar, op die ééne uitzondering na, blijft men getrouw aan de
gewone wijze van oorlogvoeren van dien tijd; men laat zich
ophouden door de ellendige vestingen aan den Rijn, en sommige
Fransche schrijvers vinden het reeds een groote stoutheid, dat
Lodewijk vier van die vestingen gelijktijdig durfde bele-
geren!... Een derde, een vierde gedeelte van zijne macht ware
hiertoe ruim voldoende geweest» en het overige had onverwijld
verder moeten doordringen in Holland. Het is waar, de belege-
ring van die vestingen heeft nu aan de Franschen geen nadeel
veroorzaakt, omdat de wederstand zoo kort was; maar onder-
stel — wat toch niet onmogelijk was — dat die wederstand
eenige weken had geduurd, dan zoude het Fransche leger gedu-
rende al dien tijd opgehouden zijn, de Republiek had eenige
weken meer tijd gehad om zich in staat van verdediging te
stellen, en de inval in Holland was mogelijk daardoor verijdeld
geworden. — Wat den overtocht van den Rijn aangaat, wij
hebben reeds gezien, dat ook deze niets verwonderlijks heeft;
en wij zullen later aantoonen, dat na dien overtocht aan de
Fransche zijde verzuimd werd om partij te trekken van de toen
bij den vijand bestaande wanorde en weerloosheid.
WILLEM III.
Digitized by
Google
114 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Besluiten wij uit dit alles, dat dit gedeelte van den veldtocht
geen j?elegenheid geeft om buitengewone strategische handelingen
van Fransche zijde te bewonderen. Hij, die in de spoedige
onderwerping van een groot gedeelte der Republiek door de
Fransche wapenen iets verbazends ziet, laat zich door den schijn
bedriegen en heeft niet nagedacht over de oorzaken dier ge-
beurtenis; want, had hij dit gedaan, dan zou hij de overtuiging
hebben verkregen, dat die spoedige onderwerping het noodwen-
dige gevolg was van den bestaanden stand van zaken, en dat
men zich alleen zou moeten verwonderen, indien het anders ware
toegegaan.
De verdediging was ellendig slecht. Dit sproot voort uit den
gebrekkigen toestand der krijgsmacht en der vestingen, uit de
onkunde in oorlogszaken bij de regeering der Republiek en uit
het gemis aan eenheid in het opperbevel ; — want het gezag van
Willem III was toen nog te beperkt, de zedelijke invloed dien hij
oefende te onbeduidend, om in hem een opperbevelhebber te
doen zien, — De hoofdmisslag bij de verdediging was, het nut-
teloos verdeelen van de krijgsmacht der Republiek over een groot
aantal vestingen, waarmede men zich ten onrechte verbeeldde, de
vijandelijke legers te kunnen tegenhouden.
In 1672 was die misslag echter veel minder groot dan zij het
in onze dagen zou zijn : Men moet de krijgsbeginselen van ónzen
tijd niet toepassen op de oorlogen van de 17' eeuw.
In 1672, toen de wijze van oorlogen nog zoo geheel anders
was, had men veel meer redenen om er op te vertrouwen,
dat men door tal van vestingen een vijandelijk leger zou tegen-
houden dan in onze dagen; en indien dat vertrouwen geheel
ijdel is gebleken, dan is dit gedeeltelijk toe te schrijven aan de
lafheid der verdedigers van die vestingen. Hoe groote voorstan-
ders wij ook zijn van alles wat onzen volksroem betreft, zoo
moeten wij echter de waarheid hulde doen, en erkennen, dat
het begin van den veldtocht van 1672 in geenen deele eervol
is geweest voor de HoUandsche wapenen. De belegeringen van
dat tijdvak zijn een oneer geweest voor ons leger; men merkt
daarbij niets anders op dan zwakheid, lafheid en verraad. Wij
lezen wel bij sommige schrijvers, dat enkele bevelhebbers van
vestingen aanvankelijk geestkracht betoonden, en hiervan blijken
gaven door persoonlijke dapperheid ; — maar hoe spoedig houdt
dit op! en wat beduidt een geestkracht, die niet voortdurend
door daden wordt gestaafd, en dra geheel weersproken door de
schandelijke overgave van de toevertrouwde vesting ! Want erken-
nende dat de vestingen, toenmaals gevallen, niet geschikt waren
voor een langdurige verdediging, dan neemt dit nog het
schandelijke niet weg van een zoo spoedige overgave. Vergeefs
Digitized by
Google
STAATSOMWENTELING. 1 1 5
tracht men de bevelhebbers te verschoonen met den onwil en de
moedeloosheid der bezettingen; juist ddt is hun plicht om dien
onwil en die moedeloosheid te keer te gaan, en moed en geest-
drift bij de hunnen op te wekken ; daarvoor zijn zij bevelhebbers.
Mogelijk kunnen zij niet slagen in die taak; maar niets dwingt
hen dan nog, om hunne toestemming te geven tot een schande
lijke overgave; zij kunnen, door een eervollen dood te gemoet
te gaan, het bewijs geven, dat zij vreemd zijn aan de lafheid
der hunnen. Toen Beaurepaire in 1792, als bevelhebber van
Verdun, zag, dat hij, overstemd door de andere leden van den
raad van verdediging, de overgave der stad niet langer kon
verhinderen, greep hij, geen deel willende nemen aan wat hij
een lafheid noemde, een pistool en doorschoot zich; — die
roem volle zelfmoord van den Franschman steekt zeer af bij het
zwak gedrag der HoUandsche bevelhebbers in 1672.
De groote voorspoed der Fransche wapenen bij den aanvang
van den veldtocht van 1672, kon niet opgewogen worden door
de overwinning bij Solebay, gelijktijdig (7 Juni) behaald. Al deed
De Ruyter de vlag der Republiek op de Noordzee eerbiedigen,
en de vloten van Engeland en Frankrijk afdeinzen, toch schenen
de Vereenigde Nederlanden een wissen ondergang nabij. Die
meening was algemeen in Holland; vrees en wanhoop waren in
aller gemoederen; niemand zag mogelijkheid om dat geduchte
leger tegen te houden, dat de grensvestingen had doen vallen,
de rivieren was overgegaan, doordrong tot in het hart des lands,
en waarvan de voorste ruiters zich nu reeds te Muiden hadden
vertoond; zelfs de man die tot nu toe de steun en vraagbaak
voor allen was geweest, De Witt, ontzet door den gcduchten en
plotselingen tegenspoed die den Staat had getroffen, zag geen
middel ter verdediging meer, en wist geen anderen raad te geven,
dan om zich zoo spoedig mogelijk met den vijand te verdragen.
Vrede! was dan ook de algemeene kreet der Regenten; al was
het, dat zij zich niet konden ontveinzen, dat die vrede weinig
anders kon zijn dan de onderwerping van onzen Staat aan zijne
vijanden, dan de geheele ondergang der Republiek.
Maar, indien de Regenten vrede wilden omdat zij geen mid-
del zagen tot voortzetting des oorlogs, het volk, waarbij de her-
innering aan de worsteling tegen Spanje*s reuzenmacht nog niet
was uitgedoofd, wilde niet, zoo zonder zwaardslag, zijne onaf-
hankelijkheid prijsgeven; en Oranje, in wiens heldenziel de over-
tuiging bestond dat er nog mogelijkheid was om Frankrijk te
weerstaan, wilde van geen vrede weten. De scherpziende en be
kwame jonge vorst ontdekte spoedig welk een partij hij kon trek-
ken uit de nadeelen die den Staat hadden getroffen, en uit den
Digitized by
Google
Il6 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
misslag zijner tegenstanders om onderhandelingen te beginnen
met Frankrijk en Engeland. De Oranjepartij schreef die nadeelen
toe aan verraad; met denzelfden naam bestempelde zij de
onderhandelingen, enkel gevolgen van vrees; de aanhangers van
Willem III wisten overal het volk in beweging te brengen, en
eené geheele omkeering van raken te bewerken; de hoofden
der Statenpartij vielen door de woede van het opgeruide volk,
vluchtten in ballingschap, of verdwenen in de vergetelheid van
het ambtelooze leven; en weldra was aan den Stadhouder eene
macht opgedragen, grooter dan zijn voorgangers die immer had-
den bezeten.
Wij schrijven hier geen geschiedenis, — enkel beschouwingen
daarover; — wij behoeven dus de staatsomwenteling van 1672
niet te schetsen, wij behoeven, Goddank! den moord der De
Witten niet te verhalen, een feit, nog minder schandelijk op
zich zelf, dan schandelijk door de straffeloosheid en de beloo-
ningen, die het deel waren van de moordenaars! Willem III is
zedelijk medeplichtig geweest aan die misdaad; maar, kan hem
dit met recht worden ten laste gelegd, ontwijfelbaar daarentegen
is het, dat alleen zijne geestkracht den veegen Staat behield,
toen iedereen diens ondergang nabij waande; aan hem komt
zonder wederspraak de roem toe, de Republiek te hebben
gered van het Fransche juk; en al had de Oranjevorst in zijn
levensloop geen andere uitstekende daad aan te wijzen dan deze,
zoo zou deze alleen genoegzaam zijn om hem rechtmatige aan-
spraak te geven op de dankbare vereering van het nageslacht.
Na de ontruiming van Utrecht moest er allereerst gezorgd
worden om het zegevierende vijandelijke leger tegen te houden,
en de toegangen tot Holland daarvoor af te sluiten. Klein en
slecht samengesteld als het leger des Stadhouders was, zou dit
volstrekt niet berekend zijn geweest voor die taak, ware het niet
begunstigd geworden door het groot verdedigingsvermogen van
den grond dien het bezette.
In het werk van Sijpesteyn en De Bordes vindt men eene uit-
voerige en grondige beschrijving van de verdedigingslijn die in
1672 Willem III diende om Holland te vrijwaren voor den
vijand; wij verwijzen naar dien meesterlijken arbeid: wij zullen
dien hier niet afschrijven; wij willen noodelooze uitvoerigheid
vermijden, en daarom ons bepalen tot zeer algemeene aandui-
dingen aangaande die Hollandsche waterlinie van 1672.
Het oostelijk gedeelte van de provincie Holland, tusschen de
Zuiderzee en de Lek, van Naarden en Muiden tot aan Schoon-
hoven, een afstand van ongeveer 10 a 12 uren gaans, bestaat
uit laag gelegen weiland, afdalend van de Lek naar de Zuider-
Digitized by
Google
DE HOLLANDSCHE WATERLINIE. II7
zee, en vormt verschillende polders, die door kleine ringdijken
omgeven, en door rivieren, kanalen en een overgroot aantal
soms zeer diepe slooten doorsneden zijn. Door het afdam-
men van rivieren, het dichthouden van sommige sluizen, het
openen van andere, doet men het water oploopen, dat zich
weldra over het laag gelegen land verspreidt, door duikers en
kleine sluizen geleid, den eenen polder na den anderen bedekt,
en in weinige dagen de geheele landstreek in een onoverzien-
bare waterplas verandert, slechts hier en daar doorsneden met
dijken waarover de wegen loopen. Eenmaal in dien toestand,
kan de geheele oostelijke grens van Holland als onaanvalbaar
worden beschouwd. Het is waar, bij sommige polders bereikt
het water slechts een geringe hoogte; maar die geringe water-
hoogte, die over een vasten gelijken grond uitgespreid geen vijand
het doorwaden zou verhinderen, is een onoverkomelijk beletsel,
wanneer zij, zooals op Holland's oostelijke grens, een grond be-
dekt die spoedig drassig wordt, en overal doorsneden is door
diepe slooten, die niet te doorwaden zijn ; zelfs is die mindere
waterhoogte een voordeel, omdat zij het den aanvaller onmogelijk
maakt om door middel van schuiten of vlotten den overtocht
te beproeven. De wegen en dijken, welke door de onderwater-
zetting loopen, verheffen zich slechts zeer weinig daarboven,
sluiten onmiddellijk daaraan, en hebben zulk een geringe breedte,
dat zij met het meeste gemak te verdedigen zijn: een aarden
veldwerk, met eenige stukken geschut die den dijk in de lengte
bestrijken, dit was in dien tijd voldoende om den stoutsten aan-
valler tegen te houden.
De landstreek tusschen de Lek en de Merwede kon evenzoo
afgesloten worden door eene onderwaterzetting, die bij Gorkum
aan Noord-Braband sloot; — voor die laatste inundatie dient
voornamelijk het opstoppen van de Linge, terwijl voor het vor-
men der inundatiën ten noorden van de Lek, de rivieren de
IJsel, de Rijn en de Vecht kunnen gebezigd worden.
De lijn van onderwaterzettingen van 1672, die bijna altijd de
grensscheiding van Holland bleef volgen en die gewoonlijk be-
kend is onder den naam van oude HoUandsche water-
linie, was minder uitgebreid dan de tegenwoordige HoUandsche
waterlinie, die ook de stad Utrecht omvat; de toen bestaande
afzondering van de verschillende provinciën verklaart het aan-
nemen van die oude verdedigingslijn, al is het dat zij minder voor-
deelen in zich vereenigt dan de thans aangenomene. — Die water-
linie van 1672 kon men splitsen in een vijftal deelen of kommen.
Zuidelijk, tusschen de Merwede en de Lek, werd eene eerste
kom gevormd door de onderwaterzetting, die aan de eene zijde
aan de vesting Gorkum sloot, en aan de andere zijde zich uit-
breidde langs den Diefdijk tot aan de Lek. Het ophouden van
Digitized by
Google
Il8 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
de Linge bracht hier de onderwaterzetting te weeg; en de zuide-
lijke Lekdijk, de beide dijken langs de Linge en de noordelijke
Waaldijk, waren de toegangen die bezet moesten worden. Het
doordringen van den vijand door de onderwaterzettingen van
deze kom — een breedte van ongeveer 4 uren gaans hebbende —
zou echter geen beslissend nadeel wezen, dewijl de Fransche
legers dan nog altijd zouden stuiten op de Lek en de Merwede,
die, ten noorden en ten zuiden, de Alblasserwaard omgeven.
Eene volgende kom, tusschen de Lek en den IJsel, werd uit-
gemaakt door de inundatiën die zich van Schoonhoven tot tegen-
over Oudewater en Gouda — een afstand van een paar uur
gaans — konden uitbreiden, en die ontstonden door bij Schoon-
hoven het water van de Lek in te laten. De voornaamste toe-
gangen bij deze kom waren: de noordelijke Lekdijk, de Ben-
schopper dijk, van IJselstein naar Polsbroek voerende, en de
zuidelijke IJseldijk. Het doordringen van den vijand zou hier
gevaarlijker zijn dan bij de eerste kom, omdat hij dan alleen
door de smalle IJselrivier gescheiden zou zijn van de belang-
rijkste steden van zuidelijk Holland.
Een derde kom, van bijna gelijke uitgestrektheid als de tweede^
werd uitgemaakt door de onderwaterzetting tusschen den IJsel
en den Ouden Rijn, van Gouda — of beter gezegd, van de
Goejanverwellesluis — tot aan de Nieuwerbrug, westelijk van
.Woerden; het openen der IJselsluizen, in en bij Gouda, veroor-
zaakte hier de onderwaterzetting. De noorder IJseldijk en de
zuider Rijndijk waren de eenige toegangen bij dit gedeelte, dat
dus minder aanvalbaar was, maar waar de vijand, doordringende,
ook dadelijk in Den Haag zou zijn.
Als een vierde kom kan men beschouwen de onderwaterzet-
tingen in de landstreek tusschen den Ouden Rijn en de Vecht,
van de Nieuwerbrug tot bij de Hinderdam, een afstand van bij
de 6 uren gaans. Hier week de onderwaterzetting van 1672 het
meest af, niet alleen van de tegenwoordige waterlinie, maar ook
van wat, in een memorie van 8 September 1802, van den Direk-
teur- Generaal der fortificatiën van de Bataafsche Republiek (Van
Hooff), genoemd wordt de Capitale Waterlinie. De linie
van 1672 was veel meer achteruit: Woerden was daar niet in
begrepen; in het midden schijnt zij bijna de grensscheiding tus-
schen Holland en Utrecht te zijn gevolgd, wat daaruit is op te
maken, dat in November 1672 de dorpen Waverenveen en
Botshol door de Fransche troepen werden aangevallen, en
dat aan den Uithoorn en te Abcoude versterkte posten van de
Hollanders waren ; en aan de Vecht schijnt die linie niet gesloten
te hebben bij Nieuwersluis, maar eerst veel lager bij Nichtevecht,
wat ook daaruit is op te maken, dat het slot Kroonenburg, op
den linkeroever van de Vecht beneden Nieuwersluis gelegen,
Digitized by
Google
DE HOLLANDSCHE WATERLINIE. II9
door den vijand is vermeesterd en vernield. Het schijnt dat het
opgehoudene water van de Vecht, Amstel en Ouden Rijn de
inundatie over dit laag en zeer doorsneden terrein heeft ver-
oorzaakt, en dat de voornaamste toegangen waren de linker
Vechtdijk en de noordelijke Rijndijk, terwijl de verdere, tusschen-
liggende wegen van weinig of geen belang waren en uitkwamen
op de moerassige streek zuidoostelijk van de Haarlemmermeer,
of op de inundatiën nabij Amsterdam.
Als een vijfde en laatste gedeelte der inundatie-lijn kan men
beschouwen de landstreek van omstreeks een uur lengte, die
zich van Hinderdam tot aan de Zuiderzee bij Muiden uitstrekt.
Dit gedeelte werd beschermd door de Vecht en de door die
rivier veroorzaakte onderwaterzetting. De voornaamste toegangen
— die alle evenwel nog uitkwamen op de Vecht — waren:
de zeedijk van Naarden naar Muiden, de Keversdijk, van Naarden
naar Uitermeer geleidende, en de Kees-Jan-Tonis-kade, die van
de zijde van 's Graveland bij den Hinderdam uitkomt. — Tot
beveiliging van Amsterdam schijnt de landstreek om die stad
gedeeltelijk te zijn geïnundeerd; ten minste, in de Tegen-
woordige staat van Holland vindt men bepaaldelijk aan-
geteekend, dat in 1672 de Diemermeer en de Bijlmermeer weer
onder water zijn gesteld.
Van de landstreek ten oosten van deze waterlinie wordt, in
eene memorie van 1 73 1 gezegd : dat men tusschen de Vecht en
de Merwede over het algemeen laag en gebroken weiland
vindt: en dat men langs de Vecht op den rechteroever zeer
laag, moerassig veenland heeft en enkele kleine meren. In di&
memorie wordt gewag gemaakt van eenige hooge gronden: te
Ter Aa, bij de Vecht, tusschen Linschoten en Montfoort, en in
de nabijheid van Oudewater; — op de waterlinie van 1672 waren
die hooge gronden echter zonder invloed, omdat zij geheel bui-
ten die linie lagen.
Wat de versterkingsmiddelen betreft, waardoor de toegangen
van deze onderwaterzettingen werden afgesloten, de steden Gor-
kum. Nieuwpoort, Schoonhoven, Gouda, Weesp en Muiden
schijnen bevestigd te zijn geweest. Ten minste, genoegzaam om
onaanvalbaar te heeten ten opzichte van een vijand die ze, óf
in het geheel niet, óf slechts over smalle dijken kon naderen .
In eene van de reeds aangehaalde memoriën wordt gezegd, dat
in 1673 Muiden en Weesp versterkt zijn geworden; men zal
hier denkelijk mede meenen dat de reeds bestaande vesting-
werken dier steden vermeerderd zijn geworden; zoo moeten
er te Muiden steenen poorten, bruggen en sluizen zijn ge-
bouwd, en te Weesp het front aan de zuidzijde zijn versterkt.
Te Hinderdam — wordt in die memorie gezegd — waren twee
aarden ravelijnen op een eiland in de Vecht gelegen ; die sterkte,
Digitized by
Google
I20 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
de zoogenaamde Overmeersche Schans, beschermde een daar
aanwezigen dam met sluizen. Bijna alle Fransche schrijvers spre-
ken van zeesluizen bij Muiden; dit schijnt echtereene vergissing,
daar bij onze schrijvers gezegd wordt, dat de sluis te Muiden
eerst in 1673 werd gemaakt, in plaats van den Hinderdam, die
toen werd opgeruimd. Op een kaart van 16 19 vindt men ook
geen sluizen te Muiden. Bij de Schans te Uitermeer was daaren-
tegen in 1637 een sluis in de Vecht gebouwd. Tusschen
Woerden en Bodegraven was in 1672, bij Wiericken, een oude
schans; in 1673 werd zij nieuw opgebouwd; in dat laatste jaar
werd bij Nieuwerbrug een tweede sterreschans aangelegd.
Het Hollandsche leger was, dadelijk na het verlaten van
Utrecht, door den Stadhouder verdeeld over de voornaamste
toegangen tot Holland. Hij zelf nam, met 2 regimenten voet-
volk en 3 regimenten ruiterij, stelling bij Bodegraven, het meest
waarschijnlijke aanvalspunt; Maurits van Nassau, met i regiment
voetvolk en 3 te paard, kwam te Muiden, waar zich reeds eenige
vijandelijke ruiters hadden vertoond; Gouda en de Goejanver-
wellesluis werden bezet door Hoome, met i regiment te voet
en 4 te paard; Schoonhoven door Louvignies, met i regiment
te voet en 2 te paard; eindelijk Gorkum door Wirtz, met
2 regimenten voetvolk en 2 regimenten ruiterij. Dat die regi-
menten zwak waren, dat onder andere de regimenten ruiterij
daarom eskadrons worden genoemd bij de Fransche schrijvers,
hebben wij reeds vroeger gezegd; als nader bewijs hiervan kan
men aanhalen, dat de krijgsmacht, die onder den graaf van
Hoorne bij Gouda stond, volgens Sylvius in den beginne nog
geen 1000 man uitmaakte. — Naarden, Woerden en Oudewater
bleven onbezet.
0
Oogenblikkelijk deed Willem III beginnen aan het stellen der
onderwaterzettingen en aan het versterken der posten. Zooals in
den aard der zaak ligt, ontmoette dit weinig medewerking en
zelfs tegenstand van de zijde der landbewoners, die noode hun
grond door de golven zagen overdekt Op verschillende punten
werden de maatregelen tot het onderwater zetten van de polders
slecht uitgevoerd en tegengewerkt; hier en daar gaf het zelfs
aanleiding tot gewapende wederstreving en tot openlijken op-
stand; zoo vindt men aangeteekend, dat in Juni 1672, toen het
Fransche leger reeds te Utrecht was, de boeren uit de omstreken
van Gouda op die stad aanvielen, om het openhouden der sluizen
te beletten. Oranje wist echter door krachtige maatregelen dien
tegenstand te overwinnen en de onderwaterzetting tot stand te
brengen. Gelijktijdig werden, op alle wegen en toegangen naar
Holland afsnijdingen gemaakt, batterijen en schansen opgeworpen ;
Digitized by
Google
DE HOLLANDSCHE WATERLINIE. 121
het eene veldwerk verhief zich na het andere; de vestingwerken der
steden werden weder in goeden staat gebracht; en op de rivieren
en vaarten werden oorlogsvaartuigen geplaatst, uitleggers van
geschut voorzien, om mede te werken tot de verdediging van
de linie. Zóó werd in weinig tijds aan een geheel opene en
genaakbare grens eene sterkte gegeven, die den aanval van den
geduchtsten vijand tartte.
Terwijl op die wijze aan het talrijke leger van Lodewijk XIV
een bijna onoverkomelijke slagboom werd gesteld, was Oranje ge-
lijktijdig bedacht om het leger te versterken, en het te verheffen
uit den ellendigen toestand waarin het was verzonken. In de
eerste oogenblikken vulde men het aan met alles wat voor-
handen was: 66 compagnieën landlieden en vele vrijwillige bur-
gers werden daar bijgevoegd, en verdeeld op de verschillende
punten der Hollandsche linie; zekerlijk waren dit manschappen
zonder oefening, maar zij behoefden ook niet te strijden in het
open veld, en, zooals Napoleon heeft gezegd, «achter een borst-
wering is een soldaat goed, zoodra hij maar zijn geweer weet
af te schieten." Meer kracht ontleende het leger aan de toevoe-
ging van een aantal matrozen en zeesoldaten, dappere lands-
kinderen, die, nog warm van den kruitdamp van Solebay, ook
te land zich zouden onderscheiden door stoute wapenfeiten.
Later kwamen de regimenten aan, in Duitschland aangeworven;
ook een groot aantal, door den vijand tegen losgeld ontslagen
krijgsgevangenen; — maar reeds in een of twee maanden tijds
had de Stadhouder zijn leger zoozeer versterkt, de verschillende
deelen zoozeer tot een geheel doen samensmelten, oefening, krijgs-
tucht, zelfvertrouwen en dapperheid zoozeer tot allen doen door-
dringen, dat men daarin niets meer herkende van die ordelooze
krijgsmacht, die, bij den aanvang van den veldtocht, door hare
zwakheid den vijand de overwinning zoo gemakkelijk maakte.
Vooral droeg hiertoe bij de onverbiddelijke gestrengheid waar-
mede Willem III de bevelhebbers deed straffen, die zich aan
plichtverzuim, lafheid en verraad hadden schuldig gemaakt. De
geschiedenis heeft de namen dier rampzaligen opgeteekend, en
vermeld wie hunner tot onteerende kerkerstraffen zijn veroor-
deeld, wie hunner door de gerichtsbijl het leven verloren. Het
is zeker hard, op die wijze recht te moeten doen; maar het is
plicht, het is zelfs de noodzakelijkste plicht in gevaar-
volle tijden, zooals in 1672, en wij roemen daarom vooral Wil-
lem III, dat hij dien plicht zoo goed vervulde en dat hij onver-
biddelijk was ten aanzien van la&ards en verraders. Alleen door
streng maar rechtvaardig te straffen kan men een heilzamen schrik
inboezemen, die elk plichtverzuim verhindert; wil men hebben
dat een leger de krijgsdeugden der Romeinen bezit, dan moet
Digitized by
Google
122 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
men ook straffen als de Romeinen, beloonen als de Romeinen ; —
maar wanneer men, zooals in de laatste jaren onzer Republiek,
een officier die bij de verdediging eener vesting zich door
plichtverzuira heeft gekenmerkt, ongestraft laat en zelfs weder
een andere vesting aan zijn beleid toevertrouwt, dan moet men
ook niets verwonderd zijn, wanneer die daad van lafheid zich
herhaalt, en de tweede vesting verloren gaat evenals de eerste.
Zeker, daar waar het krijgsbestuur lang slecht is geweest, is de
zwakheid van een bevelhebber niet te verwonderen, en de be-
straffing dier zwakheid hard; maar, hoe hard ook, die straf is
billijk, noodzakelijk en heilzaam voor het algemeen; het dood-
vonnis van een Pain et Vin is van niet geringen invloed geweest
op de schitterende dapperheid die de legers van Willem III op
zoo menig slagveld en bij zoo menige belegering hebben be-
toond.
Wij schilderen den Stadhouder hier enkel als legerhoofd; —
en zeker, men bladere vrij de geschiedenis door, men zal weinig
legerhoofden vinden die zooveel geestkracht, zooveel beleid be-
toonden als de jonge Oranjevorst in den zomer van 1672. Maar
onze bewondering voor hem zou nog oneindig toenemen, wan-
neer wij hem schetsten als hoofd van den Staat, wanneer wi)
hem vertoonden, te midden van de krijgszorgen nog bezwaard
met de veel grootere zorg voor een Staat, waarvan hij het hoofd,
de eenige steun was geworden; wanneer wij zeiden, hoe hij
onophoudelijk van stad tot stad reizende, overal wanorde en
regeeringloosheid wist te doen ophouden en een nieuw bestuur
in geregelde werking te brengen ; wanneer wij hem in 's lands
raad zagen, nu het stilzwijgen stakende dat hij gewoonlijk be-
waarde, en uren lang met mannelijke welsprekendheid aandrin-
gende op het afbreken van de vredes-onderhandelingen ; wanneer
wij zeiden, hoe dddr zijn taal de zwakken en vreesachtigen
nieuwen moed gaf, als hij wees op de hulpmiddelen die het
vaderland nog overbleven, op de bondgenooten die door zijne
staatkunde werden aangespoord om in het harnas te komen
tegen Frankrijk; wanneer wij vermeldden hoe hij, als een echte
zoon van dat stamhuis waarvan de roem zoo nauw is verbonden
met den roem van Nederland, de persoonlijke voordeelen die
de listige vijand hem bij de vredes-onderhandelingen aanbood,
met verontwaardiging van de hand wees, en zwoer » liever in de
laatste verschansing vechtende den dood te willen vinden, dan
een onteerend verdrag te onderschrijven, dat de ondergang van
Nederland zou zijn!*' Gewis, hij die de geschiedenis van dien tijd
raadpleegt, kan niet anders dan hooge bewondering gevoelen
voor den man aan wien toenmaals de redding van het vader-
land was te danken, en niet te verwonderen is het, wanneer
Willem III door de oude schrijvers, in de vrome taal van dien
Digitized by
Google
DE HOLLANDSCHE WATERLINIE. I 23
tijd, 1 de Josua", » de Gideon" genoemd wordt, > die het verdrukte
Nederland van de Fransche overheersching moest bevrijden," en
welke staatkundige gevoelens men ook aankleve, hoe weinig
medegevoel men ook hebbe voor enkele handelingen van Wil-
lem III, onmogelijk is het, niet getroffen te worden door de
grootheid, door hem in 1672 ontwikkeld; onmogelijk, niet de
zielskracht, de bekwaamheid te bewonderen, die hem — den
jongeling — het zwaard en de beukelaar deden worden van
onzen veegen Staat.
Een in het oog loopende tegenstelling met de verrichtingen
van den Oranjevorst maken de verrichtingen van Frankrijks
Koning en van zijne legerhoofden; en indien in 1672 Nederland
niet uit de rij der volkeren is gewischt, dan moet dit voor een
gedeelte ook toegeschreven worden aan de misslagen zijner
vijanden. Onder die misslagen zijn er twee overgroote : het voor-
schrijven van onaannemelijke vredesvoorwaarden aan de Repu-
bliek, en de traagheid die voor de Fransche wapenen het gun-
stige oogenblik deed verzuimen om de verovering van de Republiek
te voltooien.
Over dien eersten misslag vindt men inlichtingen in de vroeger
aangehaalde memorie van Lodewijk XIV over den veldtocht
van 1672. Belangwekkend is het te lezen, wat daarover voorkomt
in het werk van Rousset (i* deel, blz. 374 — 376):
» ...Die zaak van Muiden" (het niet in bezit nemen van die
stad door de Franschen) » was de eindpaal van HoUand's groote
krijgsrampen, en van de voordeelen door Lodewijk XIV in dezen
veldtocht behaald.
Toen hij hoorde dat de Hollanders den 22eii Juni de sluizen
hadden geopend die hij bijna had bemachtigd, en dat, door
een krachtvolle handeling, Amsterdam zich omgeven had met
eene onderwaterzetting, die, ten minste tot den winter, eiken
nieuwen aanval onmogelijk maakte, — wat moet toen wel zijn
allereerste zielsaandoening zijn geweest? — Hij heeft ons dit
niet gezegd; maar wij hebben iets, dat misschien nog meer
waarde heeft; het is het kalme, onpartijdige, beredeneerde oor-
deel, dat door iemand, die lief had al wat groot was, na eenig
tijdsverloop wordt uitgesproken over eene daad die behoort tot
de grootste daden die in de geschiedenis voorkomen ; het is het
oordeel van Lodewijk XIV zelf:
iDe stad Amsterdam was zoo verschrikt en terneergeslagen
over die nadering van den Markies de Rochefort, dat de raads-
leden, de magistraat en de voornaamste burgers die op het
stadhuis vergaderden om te beraadslagen over wat er te doen
stond in de omstandigheden waarin men verkeerde, besloten zich
Digitized by
Google
124 KRIJGS- EM GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
tot mij te wenden om mijne bescherming te vragen; zelfs was
de brief, waarin de magistraat mij zijne onderwerping berichtte,
reeds geschreven, en de stadstrompetter gereed om mij dien te
brengen en mij vrijgeleide te vragen voor de onderhandelaars
uit de stad. Toen gebeurde er iets dat eenigszins den moed deed
herleven van de burgemeesters en van de voornaamste raads-
leden, en dat de uitvoering van wat men beraamd had deed
uitstellen. Eenige burgers, die meer geestkracht, verstand en oor-
deel hadden dan de anderen, stonden op en verweten aan den
Magistraat zijne zwakheid en panischen schrik; zij deden uit-
komen, dat een stad als Amsterdam belangrijk en aanzienlijk
genoeg was om de eer te genieten van opgeëischt te worden tot de
overgave. Die verstandige vertoogen, te juister tijd te pas gebracht,
wekten weer eenigszins de geestkracht op bij den Magistraat en
bij het volk. De afzending van den brief en van de onderhande-
laars werd uitgesteld en dit was het behoud van de stad; door
gebrek aan levensmiddelen en door gemis van toebereidselen
kon ik er toen niet heen trekken; nog minder kon ik dit later
doen, toen de Staten, een weinig bekomen van hun eersten
schrik, en overtuigd dat het behoud van het overige des lands
afhing van het behoud dier hoofdstad, die als het ware de ziel
is van dat land, — de sluizen lieten openen, hun geheele land
onder water lieten zetten, en mij dwongen mijne veroveringen
naar de zijde van Holland te beperken tot Naarden, Utrecht en
Woerden. Dat besluit om het geheele land onder water te zet-
ten, was wel wat geweldig; maar wat doet men niet om vreemde
heerschappij te ontgaan? En ik kan niet nalaten, lof en eer
te geven aan de geestdrift en de vastberadenheid van hen die
Amsterdam weerhielden van te onderhandelen {et je ne saurais
ni'empécher d''estimer et de louer Ie zéle et la fermeté de ceux qut
rompirent la nègociation d'' Amsterdam)^ al is het dat hun raad, zoo
heilrijk voor hun vaderland, zeer nadeelig is geweest voor mijn
eigene belangen."
Terecht laat Rousset, op die woorden des konings, dit volgen :
• Bewonderenswaardig en uiterst zeldzaam blijk van onpar-
tijdigheid! Al de grootheid van Lodewijk's regeering haalt in
luister niet bij deze openhartige en grootsche verklaring."
Wat is er eigenlijk van aan, van die aanvankelijke gezindheid
van Amsterdam, in 1672, om zich te onderwerpen aan den Fran-
schen Koning? — Onder andere in Folard (4'' deel, blz. 354)
vindt men daarover het volgende:
> . . . Lodewijk XIV bemachtigt Naarden, Woerden en Oude-
water; hij heeft nog maar één stap te doen om Amsterdam te
bemachtigen, en de vermeestering van die stad zou onfeilbaar
gevolgd zijn door de vermeestering van Holland.
Digitized by
Google
DE HOLLANDSCHE WATERLINIE. I25
Die machtige stad, die alleen zooveel gold als een groote
mogendheid, was op het punt van zich te onderwerpen aan den
overwinnaar. In eene algemeene vergadering beraadslaagde men
daarover. >De meesten waren van gevoelen" — zegt de onge-
noemde schrijver van de yjthtoire de la guerre de Hollande'' —
> dat het raadzaam was om zich aan den Koning te onderwerpen,
en poogden de anderen over Ie halen tot hun gevoelen. Maar
Hasselaer en Hop, de een Stadspensionaris, de ander Hoofd-
schout {grand Baillif)^ die beiden trouw wilden blijven aan de
Unie, begonnen dit gevoelen te bestrijden op krachtige wijze.
Ziende dat zij zulk een sterke partij tegen zich hadden, en dat
deze ternauwernood naar hen wilde luisteren, openden zij plot-
seling een venster dat op het plein uitkwam, en dreigden het
volk te zullen oproepen, als men niet van gevoelen veranderde.
8 ie bedreiging verschrikte de stoutsten en daar de Prins van
ranje al zijn best deed om te doen gelooven dat er in alle
steden verraders waren, besloten zij niet vol te houden om zich
niet bloot te stellen aan de woede des volks, dat den eersten
indruk zou opnemen zooals men het dien wilde geven. Zoo waren
alleen die twee mannen oorzaak, dat de Koning Holland
niet veroverde; want had Amsterdam zich overgegeven, dan had
al het andere het voorbeeld gevolgd van die stad, die, alleen,
machtiger is dan tien andere steden te zamen." » Door die daad,"
zoo besluit Folard, ireddeden twee mannen Holland."
Bij andere Fransche schrijvers vin de men een soortgelijke
voorstelling van wat er toen te Amsterdam gebeurd is. Dat die
voorstelling geheel juist is, — neen, dat nemen wij niet aan,
maar evenpin nemen wij aan, dat zij geheel onjuist is; er
zal toen wel iets van dien aard gebeurd zijn. Bij onze schrijvers
vindt men geen bepaalde opgaven hieromtrent; maar dit zegt
nog volstrekt niet, dat die opgave, die men bij Folard vindt en
bij andere Fransche schrijvers, geheel en al een sprookje is: wij
hadden vroeger dikwijls een merkwaardig talent om de waar-
heid te verzwijgen als ze ons wat te ongunstig was.
1 Jammer," zegt Rousset waar hij die hulde vermeldt, later
door Lodewijk XIV toegezwaaid aan de geestkracht van onze
voorvaderen, jjamrcer dat zijn geest zich nog niet verheven had
tot zoo hooge en eerbiedwekkende gemoedskalmte, toen hij zich
vermat om de Hollanders te behandelen met een i ondragelijke
hardheid" (zooals de Staten-Generaal zeiden) die door de grootste
overwinningen niet kon worden gerechtvaardigd..."
Ook Rousset is van oordeel, dat de vredesvoorwaarden die
Lodewijk XIV toen aan de Republiek voorschreef, onaannemelijk
waren; — dit is, gelooven wij, de heerschende meening. Maar,
terwijl het veelal wordt voorgesteld alsof het harde van die
Digitized by
Google
126 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
vredesvoorwaarden voornamelijk moet worden geweten aan Lou-
vois, wil de Fransche schrijver dien minister daaromtrent van
schuld vrijspreken, en die schuld geheel en al doen nederkomen
op den Koning.
Ziehier wat Rousset daarover zegt (i* deel, blz. 378 — 379):
>Hier zouden, naar het schijnt, de vijanden van Louvois eene
goede gelegenheid hebben om nogmaals te beweren, dat het zijn
eenig streven was den vrede onmogelijk te maken. Zij zouden
zich echter hierin vergissen, want, in zijne ongelukkige verblin-
ding en in zijn ruwe miskenning van de waardigheid van een
volk, geloofde Louvois te goeder trouw dat de Hollanders ge-
zind waren om zich geheel te onderwerpen. »Ik hoop" — schreef
hij den 2en Juli aan Letellier — »dat wij Maandagavond zullen
weten waaraan wij ons te houden hebben met onze naburen, en
het zal mij zeer verwonderen als zij niet alles onderteekeney
wat wij hebben gevraagd." Lodewijk XIV deelde in dat zelf
vertrouwen ; veertig jaar had hij noodig om Holland's tegenstand
te begrijpen, en om door een harde rampspoed te leeren, dat er
v redes voorstellen kunnen zijn waarop koningen en volkeren niet
anders kunnen antwoorden dan met de opoffering van hun laat-
sten man en van hun laatsten penning.
Toen hij de ^^Mémoire sur la campagne de 1672" dicteerde, had
hij die smartelijke ondervinding nog niet opgedaan. Toch ge-
voelde hij reeds toen, dat hij een misslag had begaan door de
vredes voorstellen van de Staten- Generaal af te wijzen. Maar het
stuitte hem tegen de borst om dit ronduit te erkennen. »De
vredesvoorstellen die men mij deed" — zeide hij — » waren zeer
voordeelig; toch heb ik nooit kunnen besluiten om ze aan te
nemen." Hier begint dan — hoezeer hij zich niet verplicht acht
om daarvan rekenschap te geven — eene verwarde, verlegene
uiteenzetting van de redenen die hem belet hebben om ze aan
te nemen; het is de geheime verwachting van een oorlog met
Spanje, dat dan de losprijs zal moeten betalen voor Holland ; —
even alsof de Spaansche Nederlanden nog niet veel wisser zijn
buit werden door den afstand van grondgebied waarin de Staten-
Generaal bewilligden. Maar plotseling, alsof hem die onhandige
verdediging vermoeit en vernedert, breekt hij die in eens af met
een uitbarsting van trots; hooghartig, welsprekend en jammerlijk
tevens: »de nakomelingschap mag, als zij wil, geloof slaan aan die
redenen; of, lust het haar, mijne weigering wijten aan eerzucht,
en aan mijn verlangen om wraak te nemen over de beleedi-
gingen mij door de Hollanders aangedaan. Ik zal mij bij haar niet
verantwoorden. Zucht naar eer en roem zijn altijd te vergeven in
een koning, en vooral in een koning zooals ik, jong en zoo be-
gunstigd door het geluk." — Maar die eerzucht werd teleurgesteld,
de roem verduisterde, en het geluk werd minder volgzaam.
Digitized by
Google
DE HOLLANDSCHE WATERLINIE. I27
Het schijnt dus dat Lodewijk XIV zijn eigen inzichten volgde,
toen hij in 1672 met de Republiek alleen vrede wilde sluiten op
voorwaarden die geheel onaannemelijk waren, die zoo goed waren
als de ondergang van den Staat, en nog wel een schandelijke
ondergang. Op den Koning komt dus de schuld neer van die
overmoedige handeling, die hem zelf en Frankrijk later zoo veel
kwaad heeft berokkend. De vraag is echter, of Lodewijk XIV
niet naar rede zou hebben geluisterd, had een minister hem toen
verstandigen en gematigden raad gegeven. — Zulk een minis-
ter was Louvois echter niet; integendeel, bij de onbegrensde
minachting die deze toen koesterde ten aanzien van de Hollan-
ders, meende hij dat men met hen alles kon doen wat men
maar wilde, en dat er geen v redes voor waarden waren zóó hard,
of men kon ze hen doen aannemen. Zulk een minachting ten
aanzien van een vijand, is een misslag die vaak wrange vruchten
draagt: Lodewijk XIV ondervond dit in 1672 ten aanzien der
Hollanders, Napoleon in 1808 ten aanzien der Spanjaarden.
Zeer terecht ziet Rousset in de woorden, door den Franschen
Koning hier gebezigd, de uitdrukking van dien grenzenloozen
hoogmoed die hem kenschetste; hij veracht het oordeel der
nakomelingschap: »ik zal mij bij haar niet verantwoorden,^' zegt
hij; — trotscher taal is moeielijk te bedenken.
Het niet sluiten van den vrede, toen die vrede zoo besliste
voordeelen zou hebben opgeleverd, is in 1672 aan de Fransche
zijde, een eerste groote misslag geweest; een tweede groote
misslag was het te traa^ voortzetten van de krijgsverrichtingen,
waardoor men het gunstige oogenblik om Holland te veroveren,
ongebruikt voorbij liet gaan.
Turenne's leger, dat reeds den 1 3en Juni op den weg van Nij-
megen naar Arnhem stond, had het naar Holland terugtrekkende
leger van Willem III op den voet kunnen volgen, en aanvallen
voordat het zich ter verdediging kon inrichten en de onder-
waterzettingen stellen. Geen twijfel, of Holland zou dan veroverd
zijn. In stede daarvan wendt de Fransche veldheer zich naar
Arnhem, en slaat het beleg voor die stad; gelijktijdig worden
de vestingen aan den IJsel: Doesburg, Zuifen en Deventer aan-
gevallen door verschillende gedeelten van de Fransche en Mun-
stersche krijgsmacht. Hiermede houden zich de Fransche aan-
voerders bezig, en om Holland te veroveren bepalen zij er
zich toe, derwaarts eene afdeeling te zenden van een 4000
ruiters, onder Rochefort, volgens sommige Fransche schrijvers
een bevelhebber van geringe bekwaamheid.
Den i8ea Juni trok dit ruiterkorps zwemmende den IJsel door,
maakte zich den i9en meester van Wijk-bij-Duurstede, Amers-
foort en het Huis ter Eem en den volgenden dag van de ves-
Digitized by
Google
128 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
ting Naarden, die verlaten werd door de zwakke Hollandsche
bezetting. Vier Fransche ruiters kwamen toen voor Muiden, dat,
bij hunne opeisching, de poorten opende, maar door hen weer
werd verlaten.
Den 21 en trok Rochefort de stad Utrecht binnen en bracht
eenige dagen door met verschillende kleine steden te onder-
werpen aan het Fransche gezag: Buren, Kuilenburg, Leerdam,
Asperen en Heukelora. Hij poogde daarna ook Muiden te ver-
meesteren, maar die stad was reeds bezet door graaf Maurits
van Nassau. Het was te laat! en hoezeer Lodewijk op den
5en Juli als overwinnaar zijn intocht deed binnen de stad Utrecht,
zoo was dit reeds niet meer dan een ijdele vertooning; zijn prooi
was hem ontsnapt, en terwijl hij zijn tijd verloor met belege-
ringen, — wier vermelding ons later zal bezighouden — was
intusschen Holland omgeven door een ringmuur, die het onaan-
valbaar maakte.
De oorzaak van die weinige werkdadigheid der Fransche aan-
voerders, van dit verzuim om de vruchten te plukken, die hunne
aanvankelijke voordeelen en hun groote overmacht hun ver-
schaften, wordt door sommige schrijvers gezocht in den naijver
van Engeland, dat Lodewijk XIV geen meester wilde zien van
de geheele Republiek, en daarom niet wilde toelaten dat hij
doordrong tot in het eigenlijke Holland. — Wij gelooven dat
die meening geheel verkeerd is. Immers, wanneer men let op de
verhouding die er bestond tusschen den Franschen vorst en den
gebieder van Groot-Brittanje — de laatste door den eersten
betaald, bezoldigd en geheel daarvan afhankelijk — , dan kan
het wel geen twijfel lijden, dat geen vertoogen van de zijde van
Engeland, Lodewijk zouden verhinderd hebben om eene ver-
overing te voltooien, die bijna zeker was. Bovendien, de Engelsche
gezanten kwamen eerst den 4en Juli in Den Haag en gingen eerst
Lodewijk XIV opzoeken in zijn legerkamp bij Zeist. Vóór dien
tijd had Holland veroverd kunnen zijn; twijfelt iemand hieraan,
hij leze onder andere wat in Wagenaar, bij de onderhandelingen
over den vrede, gezegd wordt van de verdedigingsmiddelen:
1 polders die niet onder water stonden, posten die niet te houden
waren, steden niet in staat zich te verdedigen, krijgsvolk waaruit
de moed was verdwenen"; ziedaar het beeld, dat, bij de beraad-
slagingen op den 25steii Juni, geschetst wordt van Hollands ver-
dedigingsmiddelen.
Zelfs al had de Engelsche regeering den wil en de macht
gehad om den Franschen Koning te bewegen, zijne veroveringen
in Holland te staken, dan zou hare tusschenkomst toch nog te
laat zijn gekomen om dit land te redden.
Waaraan is dan die redding toe te^ schrijven? — Wij hebben
Digitized by
Google
DE HOLLANDSCHE WATERLINIE. I29
reeds vermeld welk een gewichtig deel Willem III hieraan heeft
gehad; maar voor een deel is zij ook te wijten aan de gebrek-
kige en beperkte strategische inzichten der Fransche aanvoerders.
Die aanvoerders, geheel doordrongen van den geest der toen-
malige oorlogvoering, oordeelden het ongeraden om Holland
binnen te trekken, terwijl zij de vestingen aan IJsel en Waal nog
in hun rug hadden; die vestingen moesten eerst worden ge-
nomen; en aan het onzekere voordeel van de vermeestering
van die sterkten en van hare bezettingen, offerde men het
zekere voordeel op van de vermeestering van Holland.
Maar zelfs later, toen men die vestingen had genomen, was
het nog tijd om de Hollandsche waterlinie aan te vallen. Zeker,
toen er eenige weken verloopen waren, toen de inundatiën
overal waren gesteld, de dijkposten overal verschanst, het Hol-
landsche leger weer geordend en versterkt was, — toen kon die
linie als onaanvalbaar worden gerekend; — maar in den eerjten
tijd was zij dit niet en uit alles moet men opmaken, dat als de
Fransche krijgsmacht in de eerste dagen den aanval had onder-
nomen, zij in Holland zou zijn doorgedrongen.
Zij deed dien aanval niet, denkelijk omdat de bevelhebbers
onkundig waren aangaande de verdedigingsmiddelen der Repu-
bliek en zich die geduchter voorstelden dan zij inderdaad waren.
Bij de Fransche schrijvers kan men opmerken, welk een vreemd
en zonderling denkbeeld zij zich maken van den toenmaligen
toestand van Holland: het heet bij hen altijd dat de zeedijken
waren doorgestoken; zij geven van Holland eene voorstelling,
als ware het geheel en al door de zee overdekt, terwijl alleen
de hooger liggende steden droog waren gebleven, evenals in den
tijd der Batavieren de terpen bij een watervloed. Zelfs bij Vol-
taire, die nog geen eeuw na 1672 schreef, die zelf in Holland
was geweest, en wien men dan toch eenig oordeel moet toe-
kennen, vindt men zulk een voorstelling. Wij gelooven dat die
valsche voorstelling, meer dan iets anders, den vijand elke poging
om aan te vallen heeft doen opgeven ; want bij een geheel door
de zee overdekt land, waar men alleen over smalle dijken tot
de steden kon komen, viel zeker weinig te veroveren!
Over het niet bezetten van Muiden door de Fransche troepen
van Rochefort bevat Rousset (i* deel, blz. 366 — 371), uitvoerige
toelichtingen, die wij hier laten volgen, al dadelijk aanmerkende,
dat de juistheid en nauwkeurigheid van die toelichtingen niet
boven bedenking verheven zijn:
>Op korten afstand van Amsterdam had men de kleine stad
Muiden aan de Zuiderzee; daar waren de sluizen die het water
tegenhielden, dat altijd de lage gronden om Hollands hoofdstad
met overstrooming bedreigde. Den 2osten Juni drongen eenige
WILLEM III. — I. 9
Digitized by VjOOQIC
130 KRIfGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
ruiters, van eene afdeeling door den Markies de Rochefort ter
verkenning uitgezonden, tot in Muiden door en waren een oogen-
blik meester van de stad ; maar wat hen aanvankelijk begunstigde,
was later in hun nadeel; hun gering getal liet hun niet toe,
zich daar te handhaven, en toen zij versterking kregen had Prins
(Graaf) Maurits van Nassau in allerijl troepen afgezonden, die
Muiden weer in bezit namen en het van dat oogenblik ver-
zekerden tegen een coup-de-main. Deze kleine gebeurtenis, nietig
op zich zelve en geheel en al toevallig, werd spoedig tot een
groote zaak verheven. Wat een gevolgen had dat niet kunnen
hebben! Wat een zegepraal voor den Koning! Wat een krijgs-
geluk voor Frankrijk! Als de Markies de Rochefort meer be-
kwaamheid had bezeten, voortvarender was geweest, zich meer
had gehaast, zijne voorschriften beter had begrepen! Want men
twijfelde er niet aan of hij had bepaalde voorschriften; en wat
ongeloofelijk is, Lodewijk XIV, verbijsterd door al dat afkeurend
geschreeuw, begon na verloop van tijd zelf te gelooven aan be-
velen, die hij niet had gegeven." (Méfnoire inédit %ur la campagne
de 1672).
Misleid door het algemeen gevoelen hebben veel geschied-
schrijvers dit oordeel overgenomen, en Rochefort, door zijn tijd-
genooten gegispt, is ook den blaam der geschiedenis niet ontkomen.
Het is eerst in onze dagen dat Louvois in die ernstige aange-
legenheid is betrokken geworden en dat hij zelfs, terwijl Roche
fort verontschuldigd werd, de ware schuldige is genoemd, de
man van verraad verdacht, zoo niet volkomen overtuigd (Henri
Martin, 13" deel, blz. 388 — 389). En toch zijn noch Rochefort,
noch Louvois schuldig. Niemand van hen die Lodewijk omgaven,
niemand in het geheele leger had toen eenig denkbeeld van het
belang van Muiden. Maar één persoon, de graaf d'Estrades, die
gezant was geweest in Holland, wist van het bestaan van sluizen
aldaar. Maar hij was toen Gouverneur van Wezel, en twaalf of
vijfden mijlen verwijderd van den Koning, die toen Doesburg
belegerde. Den i8en Juni schrijft hij een langen brief aan Lode-
wijk XIV, om hem geluk te wenschen met zijn snelle verove-
ringen en om hem inlichtingen te geven omtrent de provincie
Holland ; hij spoort hem aan om zich dadelijk meester te maken
van Utrecht: »door het vermeesteren van die stad," voegt hij er
bij, »zal Uwe Majesteit Holland geheel tot onderwerping dwin-
gen, wanneer er geen tijd verzuimd wordt en er dadelijk een
troepenkorps wordt gezonden naar Muiden waar de sluizen zijn,
en van waar dat korps gerust kan trekken tot voor de poorten
van Amsterdam en het zelfs nopen tot onderhandelen."
Toen Lodewijk XIV dien brief kreeg was het te laat. Den
ï8en Juni, denzelfden dag waarop de brief werd geschreven, had
de Markies de Rochefort, luitenant-generaal en kapitein bij de
Digitized by
Google
DE HOLLANDSCHE WATERLINIE. I3I
GardeS'dU'Corps^ de legerplaats voor Doesburg verlaten, om op
den anderen oever van den IJsel eene verkenning te doen, tien
of twaalf uur ver naar de zijde van Utrecht, waar men wist dat
de Prins van Oranje was. Den aosten Juni schreef Louvois aan
Letellier, zijn vader: >Rochefort is eergisterenavond vertrokken
aan het hoofd van 3000 ruiters en 600 dragonders, om naar
Amersfoort te gaan dat naar men zegt onbezet is; dddr is hij
maar twee uur verwijderd van Utrecht en zal het vijandelijke
leger zeer bemoeilijken, dat met den dag vermindert, zoo door
den schrik die onder de troepen heerscht, als omdat iedere pro-
vincie de door haar betaalde korpsen terugroept om ze voor
eigen verdediging te gebruiken," — De taak van Rochefort wordt
hier duidelijk aangegeven: Utrecht observeeren, den Prins van
Oranje in het oog houden en verontrusten, meer niet; geen
enkel woord over d'Estrades, geen woord over Muiden.
Daar is meer. Ziehier het rapport zelf, door Rochefort inge-
zonden, maar aan Lodewijk XIV in persoon ; het is gedagteekend :
Amersfoort, den 2osten Juni, 7 uur 's avonds: > Zaterdag en Zon-
dagochtend, den dag toen ik hier kwam, zijn alle troepen die om
Utrecht waren gelegerd, naar het binnenste van Holland getrok-
ken; de Prins van Oranje met het grootste deel des legers naar
Trego" (denkelijk Ter Gouw, Gouda) »dat op zes uur afstands is
van Utrecht, als men van daar naar Rotterdam gaat, en Prins
Maurits naar Wesert (denkelijk Weesp), dat naar den kant van
Amsterdam ligt. De bevolking van Utrecht wacht Uwe Majesteit
met ongeduld. Ik geloof dat wij dezen tijd niet moeten laten voor-
bijgaan. Indien Uwe Majesteit een voorraad had van brood en
vooruit wilde rukken met 4000 ruiters en 4000 Mousquetaires en
mij gelasten om mij bij Uwe Majesteit te voegen, dan was de
zaak zeker. Als Uwe Majesteit echter niet in staat is daartoe,
maar mij het regiment dragonders wil zenden dat tot het leger
van den Maarschalk De Turenne behoort, dan zal ik vooruitgaan
met wat ik hier aan ruiters heb, en dan sta ik in voor hunne
onderwerping. Mijne ruiters en ik zijn hier thans geheel over-
tollig, daar wij uitgevoerd hebben wat Uwe Majesteit
mij had bevolen, en zelfs iets meer dan dat." — Duidelijker
kan men niet zijn. Rochefort was afgezonden, alleen om den
Prins van Oranje gade te slaan en te verontrusten ; de Prins van
Oranje trekt terug; de taak van Rochefort is toen geheel afge-
loopen; hij wacht nieuwe bevelen en hij dringt daarop aan, met
het ongeduld van iemand die ziet dat er zich een gunstige ge-
legenheid voordoet. Hij houdt aan: > nogmaals smeek ik Uwe
Majesteit om mij eenigszins spoedig een regiment dragonders toe
te zenden en ik beloof Uwe Majesteit Utrecht en nog twee of
drie steden bovendien. Wat ik hier aan Uwe Majesteit meld, is
niets hersenschimmigs ; in dit land gaat alles thans zoo gemak-
Digitized by
Google
132 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
keiijk, dat men om te slagen niets anders noodig heeft dan
stoutheid." — Het ontbreekt hem dus noch aan doorzicht, noch
aan voortvarendheid.
Intusschen heeft hij het op zich genomen, om een kleine af-
deeling te zenden naar de zijde van Amsterdam; naar dat Mui-
den, dat hij evenals iedereen — graaf d 'Estrades uitgezonderd —
beschouwde als een punt zonder eenig belang. »Ik zend DeRannes
met 50 ruiters en 100 dragonders naar Naarden om in het Mui-
derslot dragonders als bezetting te plaatsen; want 'de stad is niet
te verdedigen, maar het slot is goed en slechts twee kleine uren
verwijderd van Amsterdam." Het is niet te veronderstellen, dat
als er in zijne voorschriften gewag was gemaakt van dat be-
roemde Muiden, hij op zoo lossen toon daarover zou hebben
geschreven en zijn rapport zou hebben afgezonden alvorens be-
kend te zijn met den uitslag van den tocht van De Rannes.
Waarlijk, het is voor hem haast als een ongeluk te beschouwen,
dat hij dit detachement heeft uitgezonden ; — 't is waar, had het
geluk hem gediend, dan zou hij dadelijk en zonder het te weten
een groot man zijn geworden. Zijn rapport eindigt met een her-
haald aandringen: »ik zal hier de bevelen van Uwe Majesteit
blijven afwachten; ik waag het er bij te voegen, eenigszins met
ongeduld van hier zoo vooraan te zijn zonder iets te doen, ter-
wijl er wel wat te doen is."
Nog eens:» Rochefort had zijne voorschriften volkomen opge-
volgd; maar waarom waren die voorschriften zoo beperkt ge-
bleven ? Klaarblijkelijk omdat de brief van Graaf d'Estrades te
laat was gekomen ; te laat, niet slechts om hem den inhoud mede
te deelen vóór zijn afmarsch, maar ook te laat om hem nieuwe voor-
schriften te zenden in overeenstemming met de raadgeving des
Graven; die nieuwe voorschriften kon hij nog niet hebben den
2osten *s avonds, vóór den afmarsch van De Rannes met zijn
kleinen troep. Dus, indien in deze zaak iemand de schuldige moet
wezen, dan zou het moeten zijn Graaf d'Estrades, die, bekend
met zulk een belangrijk geheim, het niet vroeger kenbaar maakte
aan Lodewijk XIV..."
Ziedaar op welke wijze Rousset het beleid verdedigt van Lou-
vois — of van het opperste krijgsbestuur bij de Franschen in
1672; — die verdediging beduidt niet veel.
Het is zeker, dat wanneer I^odewijk XIV dadelijk na den over-
tocht van den Rijn naar Holland was voortgerukt — in plaats
van zich bezig te houden met de vestingen aan den IJsel — er
kans was om Holland te veroveren ; men zou daar dan wel b e-
gonnen zijn met het stellen der inundatiën, maar die inun-
datièn zouden nog zeer onvolledig zijn geweest, te meer daar
zij werden tegengewerkt door de plattelands- bevolking.
d'Estrades — zegt Rousset — heeft te laat gewaarschuwd
Digitized by
Google
DE HOLLANDSCHE WATERLINIE. I33
omtrent het belang van Muiden en van zijne zeesluizen. Wat een
redeneering! Men begint den oorlog tegen Holland, den inval
in Holland; en de gezant die daar jaren was geweest, die daar
alles had kunnen waarnemen — een gezant is een fatsoenlijke
spion — ; de gezant die militair was en die dus kon oordeelen
over alles wat militair belang had; die gezant wordt niet vooraf
geraadpleegd omtrent alle mogelijke bijzonderheden die het van
belang was te weten, en men wacht af totdat hij zelf aankomt
met zijne inlichtingen, — en dan te laat ! Hoe ! rechts en links
tracht men berichten in te winnen van den vijand, zelfs van de
meest onbeduidende personen ; en een man die het best in staat
is om 's vijands land te kennen, een man die men bij zich heeft,
dien raadpleegt men niet ; men wacht af totdat hij zelf met een
ongevraagden raad aankomt! Is dat waarschijnlijk? — Immers
neen ; en daarom kan men gerust besluiten, dat deze verdediging
van Louvois of van het opperste krijgsbestuur bij de Franschen
in 1672, niet veel beduidt.
Waren de sluizen te Muiden door de Franschen vermeesterd,
Holland ware veroverd geworden; het is Rochefort's schuld dat
die sluizen van Muiden niet genomen zijn; het is de schuld van
I.ouvois dat hij geen bepaalde bevelen gegeven heeft om die
sluizen van Muiden te bemachtigen; het is de schuld van d*Es-
trades, dat hij niet gewaarschuwd heeft welk een groot belang
die sluizen te Muiden hadden. Het grappigste bij al die be-
weringen is, dat er in 1672 te Muiden geen sluizen waren.
Wij haasten ons er bij te voegen, dat die aanmerking toch
eigenlijk weinig beduidt: er waren wel geen sluizen te Muiden,
maar die sluizen waren op een uur daar van daan, te Hinderdam.
Ziehier wat daarover wordt gezegd door Sijpesteyn en De Bordes
(de verdediging van Nederland in 1672 en 1673, 2' deel,
blz. 24 en 25):
> Langs de rivier de Vecht, die zich bij Muiden in de Zuiderzee
ontlast, werd toen, evenals nu, het overtollige water van de langs
hare beide oevers gelegene landen in die zee afgevoerd.
De sluis in de Vecht, door welke dat water bij lagen water-
stand in zee afliep, en welke, bij hoogen waterstand in de Zui-
derzee gesloten zijnde, belette dat het zeewater het land binnen-
stroomde^ was in 1672 niet te Muiden zooals thans het geval is,
maar te Hinderdam.
Het zeewater stroomde alzoo de Vecht in tot den Hinderdam.
Bij laag water in de Zuiderzee stroomde dus het inundatie- water
van de landen, gelegen langs de beide oevers van de Vecht,
van Muiden tot den Hinderdam (dat op die landen was gesteld
geworden door het doorsteken van de kaden langs dat gedeelte
van de rivier) naar zee; een nadeel dat thans niet meer zou
bestaan.
Digitized by
Google
134 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Om het afloopen van dat inundatie-water in 1672 te beletten,
werd dan ook in de Vecht bij Muiden een dam gelegd; waar-
door wel is waar het voorschreven doel bereikt is geworden,
maar ook de gelegenheid werd afgesneden om, wanneer dit noo-
dig mocht zijn, tot verbetering of vergrooting der inundatiën
langs de Vecht, het zeewater in het land te brengen.
Het groot ongerief, dat door dien dam aan de ingezetenen
werd veroorzaakt, schijnt de reden te zijn geweest, dat er toen
bij de Staten van Holland nogmaals op werd aangedrongen om
eene zeesluis in plaats van die te Hinderdam, binnen de stad
Muiden te bouwen."
Den 9eQ Februari 1673 wordt door de Staten van Holland
het besluit genomen tot het bouwen van die sluis te Muiden;
het schijnt dat weinige maanden later die sluis voltooid was.
De kundige schrijvers van >de verdediging van Neder-
land in 1672 en 1673" merken hierbij aan, dat reeds in 1579
zulk een sluis te Muiden als zeer nuttig werd voorgesteld; het
duurde echter nog bijna honderd jaar eer die sluis tot stand
kwam; wel een bewijs hoezeer ook toen »de Nederlanders voor-
ingenomen waren tegen elke nieuwigheid, en met welke onge-
loofelijke vooroordeelen en tegenwerking men in ons vaderland
ten aanzien van zoo vele nuttige ondernemingen tot verbetering
van de materieele welvaart te kampen heeft gehad." (Sijpesteyn,
en De Bordes, 2* deel, blz. 25).
Nog wordt onder de misslagen, toen aan de Fransche zijde
begaan, opgenoemd het loslaten tegen een gering losgeld van
het groot aantal krijgsgevangenen, in het begin van den veld-
tocht gemaakt. Door dat loslaten ontving, zooals van zelf spreekt,
het leger van Willem in eene aanmerkelijke versterking. — Uit
Rousset (i* deel, blz. 380—381) blijkt, dat ook Lodewijk XIV
later dien misslag inzag:
> Lodewijk XIV had niets meer te verrichten op een oorlogs-
tooneel, waar men nog lang zich zou moeten bepalen tot het
gadeslaan van den vijand en tot de verdediging. Hij gaf het
opperbevel over het leger aan Turenne, en het bewind over de
provincie Utrecht en over eene sterke krijgsafdeeling aan den
hertog de Luxembourg. Alle vestingen waren bezet en van leef-
tocht voorzien. Den isten Augustus kwam hij te Saint-Germain
terug. Maar voordat hij Holland verliet, had hij, op raad van
Louvois, een ongelukkig besluit genomen ; 20 000 krijgsgevangenen
waren in zijne macht; met een hooghartige en krenkende groot-
moedigheid liet hij ze vrij voor een onbeduidend losgeld, de
meeste zelfs zonder losgeld. Dit was schier een laatste hoon
jegens eene natie, wier militaire hoedanigheden hij minachtte,
terwijl hij — door een vreemde tegenstrijdigheid — hare geest-
Digitized by
Google
DE HOLLANDSCHE WATERLINIE. I35
kracht in het staalkundige bewonderde. Het duurde niet lang of
hij had berouw over die daad; en hij had ten minste de open-
hartigheid om zijn misslag te erkennen, ilk vertrok om naar
Frankrijk terug te keeren," — zoo zegt hij in de Mémoire de 1672 — ,
«ruimschoots voldaan over den zegen dien God over mijne
wapenen had uitgestort; over niets anders te klagen hebbende
dan over de te groote wijsheid van hen, die door hunne ver-
standige aansporing den Magistraat en den Raad van Amsterdam
verhinderd hadden om zich aan mij te onderwerpen; en mij
niets anders te verwijten hebbende dan eene overmaat van goed-
heid die ik had ten aanzien van 20000 krijgsgevangenen, die
ik naar Holland terugzond, en die de voornaamste strijdkracht
hebben uitgemaakt, door de Republiek later tegen mij aange-
wend."
In een noot voegt Rousset hier nog bij:
»In een brief van 25 Juni aan Graaf d'Estrades, bepaalde
Louvois het losgeld van de ruiters op 10 kronen per hoofd en
dat van de soldaten op 5; maar hij gelastte dat de officieren
krijgsgevangen moesten blijven.
Den i5en Juli schreef hij aan de Raynaud (denkelijk een
intendant) dat het bewakeii van een zoo groot aantal krijgsge-
vangenen zeer bezwarend was voor de garnizoenen en dat men
daarom de ruiters en soldaten — uitgezonderd zij die uit de
Provincie Holland afkomstig waren — naar de Duitschc grenzen
moest brengen en ze daar loslaten; onder bedreiging dat zij,
die weer in Hollandschen krijgsdienst traden, opgehangen zouden
worden als men ze machtig werd."
Die beide brieven zijn in deel 276 van het Dépót de la guerre.
Aan de Fransche zijde zijn toen dus groote misslagen begaan,
ook daaraan moet Hollands behoud in 1672 worden toegeschre-
ven, — niet uitsluitend aan de natuurlijke sterkte des lands of
aan het genie en de geestkracht van Willem III. Maar men zal
moeielijk een oorlog aanwijzen, waarin geen misslagen voor-
komen, en de bekwaamheid van een legerhoofd bestaat voor
een deel daarin dat hij goed partij trekt van de misslagen van
zijn tegenstander. Moet men dan bij een oorlog de berekening
der kansen bouwen op de misslagen van den vijand? Dat zou
dwaasheid zijn; maar geen dwaasheid is het om, als bij een
oorlog de toestand schijnbaar wanhopig is, toch den moed niet
op te geven, maar te hopen op de mogelijkheid van misslagen
van den vijand; het >desespereer niet" van Koen moet de leus
zijn, ook als alles donker en hopeloos schijnt. Willem I in
1572 — 1576, Willem III in den zomer van 1672 schenen een
wissen ondergang nabij; — toch hielden die groote mannen
den kamp vol: zij betrouwden op Gods bescherming, die door
Digitized by
Google
136 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
niet te voorziene oorzaken redding kan aanbrengen, ook daar
waar het menschelijk verstand geen uitkomst ziet.
De maanden Juli, Augustus en het grootste deel van September
verloopen bij de Hollandsche waterlinie voor beide partijen in
een toestand van rust, slechts enkele keeren afgebroken door
schermutselingen van kleine, stroopende partijen. Willem III is
intusschen onafgebroken bezig met zijn leger te versterken, om
eene landing te keer te gaan, waarmede van de Engelsche zijde
wordt gedreigd, en om later, wanneer de winter invalt, met vrucht
de Fransche legers het hoofd te kunnen bieden. Aan de Fransche
zijde wordt de tijd doorgebracht met geheel onbeduidende han-
delingen. Oudewater, den 25sten Juni door Fransche troepen be-
zet, werd den 11 en Juli weer door hen ontruimd en dadelijk in
bezit genomen door Hoorne, die het stadje deed versterken en
er een detachement zeesoldaten in legde. Het slot Kroonenburg,
door een honderd man Hollandsche soldaten bezet, werd den
23sien Juli door een sterke Fransche afdeeling bemachtigd en
daarop vernield^ ook het Loenderslot werd door hen genomen.
Woerden was door Willem III verlaten bij zijn terugtocht naar
Holland, zoo beweerd wordt omdat men geen tijd had om de
stad in staat van verdediging te brengen; — zij kreeg daarop
Fransche bezetting die haar echter den 11 en Juli weer verliet;
er verschenen toen Hollandsche troepen voor Woerden, die
evenwel, vreemd genoeg, er niet in bezetting kwamen, zoodat
den i8en September de stad weer in bezit werd genomen door
de Franschen en door hen aanmerkelijk versterkt. Als reden
voor dit niet bezetten van Woerden door de Hollanders wordt
opgegeven de onwil van de stedelijke regeering om de pannen-
bakkerijen aan de westzijde, die de verdediging zouden belem-
meren, te laten vernielen. Vreemd is het echter dat de Stad-
houder zich door die bedenking heeft laten weerhouden om
eene stad te bezetten, aan wier inneming hij later zooveel ge-
wicht hechtte.
Het ligt in den aard van de zaak, dat hier niet alle kleine
gevechten kunnen worden vermeld. In het algemeen moet hier
echter worden gezegd, dat reeds toen door de Hollanders op
eene krachtdadige wijze de partijgangers-oorlog werd begonnen,
zoo door de bezetting van Maastricht, als door de troepen in
de waterlinie. De opgaven die men daarover vindt bij onze
schrijvers, dragen wel is waar de kenmerken van overdrijving,
maar ook uit de briefwisseling van de Fransche bevelhebbers met
Louvois kan men ontwaren dat hunne troepen gedurig door
kleine aanvallen werden verontrust en daardoor verliezen leden.
Behalve met de hierboven vermelde ondernemingen hielden
de Fransche bevelhebbers zich ook onledig met het beramen
Digitized by
Google
BELEGERINGEN. 137
van plannen, om de onderwaterzettingen af te leiden die Hol-
land dekten. Dat dit zonder gevolg bleef, behoeft hier niet
bijgevoegd te worden. Als een kenschetsend blijk van de won-
derlijke begrippen die de toenmalige Fransche bewindhebbers
hadden omtrent den toestand van ons land en van hunne verre-
gaande onkunde in zijne geschiedenis^ halen wij aan: dat in
eene memorie in Augustus 1672 door Louvois aan Luxembourg
toegezonden, de Fransche minister den raad geeft lom de Lek
bij Wijk-bij-Duurstede met aardzakken af te dammen en daardoor
al het water naar den Ouden Rijn, naar Utrecht, Woerden en
Leiden te doen stroomen; dan" — zegt de Fransche minister —
izal geheel Holland onderloopen, zooals dit reeds eenmaal plaats
had in het jaar 810, toen door een hevigen storm de monding
van den Rijn in de duinen verzandde en het land gered werd
door Civilis, den aanvoerder van het ^iollandsche leger, die in
allerhaast een kanaal deed graven van Wijk-bijDuurstede naar de
Maas, in de richting van Rotterdam." (Op blz. 122 van de ver-
zameling van brieven van Fransche bevelhebbers over den veld-
tocht van 1672, komt deze memorie voor; — wij rekenen ons
verplicht dit hierbij te voegen om iedereen in de gelegenheid
te stellen tot het nalezen van dien geschiedkundigen onzin, die
bijna ongeloofelijk is).
HOOFDSTUK V.
belegeringen; aardenburg; krijgs verrichting en in de ooste
LijKE gewesten; Groningen; alüemeene opmerkingen.
Wij gaan thans over tot de korte vermelding der belegeringen,
die gelijktijdig met het hier voorgaande plaats hadden, en van
de krijgsgebeurtenissen in de oostelijke gewesten van de Repu-
bliek. Indien men hierbij veel zwakheid, veel lafheid vindt, zoo
ontmoet men er echter ook heldendaden, die de roemrijkste tijd-
perken onzer geschiedenis waardig zijn.
Dadelijk na den overtocht van den Rijn was Turenne met de
hoofdmacht van zijn leger op Arnhem getrokken, terwijl hij eene
afdeeling op Knodsenburg deed rukken en eene andere op
IJseloort. Het laatste was een vervallen fort, dat niet bezet was,
maar in welks nabijheid zich eenige infanterie bevond: deze
hield gedurende den 13011 juni de Fransche macht tegen, maar
trok 's nachts op Arnhem terug, zoodat den 1400 de vijand
bij IJseloort ongehinderd de rivier overging. Gelijktijdig was,
Digitized by
Google
138 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
beneden Arnhem, eenige Fransche ruiterij op den rechteroever
van den Rijn overgegaan; 's nachts werd daar een schipbrug
geslagen; den isen trok Turenne's leger de rivier over en sloot
Arnhem in.
De wederstand van die stad was geheel onbeduidend, indien
men den naam van wederstand mag geven aan eenige weinige
kanonschoten, waardoor een klein aantal vijanden vielen. De be-
zetting, bestaande uit de twee regimenten Amama en Vrijbergen,
met nog eenige andere compagnieën voetvolk en 2 compagnieën
ruiterij, kan een paar duizend man hebben uitgemaakt; — ver-
keerdelijk begroot Beaurain haar op meer dan 3000 man, —
het was althans een genoegzame macht ter verdediging, doch
de toestand van de vestingwerken was weer ellendig; alom
waren die van nabij belemmerd door huizen en gebouwen, die
men niet wilde verbranden; van levensmiddelen en k rij gs voor raad
was de stad schaarsch voorzien, de burgerij onwillig om zich te
verdedigen, de krijgsbevelhebbers zonder geestkracht, in één
woord, het was de gewone geschiedenis van de toenmalige be-
legeringen, en zij had ook den gewonen afloop: men trad in
onderhandeling met Turenne; reeds den i6en gaf de stad zich
over en legde de bezetting de wapenen neder.
Nog vóór de overgave van Arnhem, den isen Juni, was Turenne
met 5600 man voetvolk en een brigade ruiterij op Knodsenburg
getrokken, dat reeds den vorigen dag was ingesloten door eene
afdeeling van 500 man. Het fort Knodsenburg tegenover Nijme-
gen, westelijk van het dorp Lent liggende, was eene bijna vier-
hoekige schans, goed gepalissadeerd en van welke geen ander
gebrek wordt vermeld, dan dat hare natte grachten maar i el
waterdiepte hadden; zij was gewapend met 8 stukken en had
eene bezetting van 4 compagnieën infanterie, een 300 man uit-
makende, onder het bevel van den kapitein Verschoor. De on-
middellijk bij het fort gelegen huizen van Lent werden verbrand,
de boomen in den omtrek gekapt, en de bezetting scheen eene
hardnekkige verdediging te beoogen. Door eene schipbrug was
zij in gemeenschap met Nijmegen, en met geschut gewapende
vaartuigen waren op de Waal, om mede te werken tot de ver-
dediging van Knodsenburg. — Laat ons terloops opmerken, dat
van dit laatste verdedigingsmiddel in 1672 zeer dikwijls gewag
wordt gemaakt, en dat het met goed gevolg schijnt aangewend
te zijn;. men vindt voorbeelden dat die gewapende vaartuigen op
de rivieren tot 20 stukken geschut hadden.
In den nacht van den 1560 op den i6en Juni werd door
Turenne den aanval op Knodsenburg begonnen op twee punten :
oostelijk tusschen het fort en Lent, westelijk tusschen den Waal-
dijk en de rivier. De Fransche opgaven zeggen dat die tweede
Digitized by
Google
BELEGERINGEN. I39
aanval buitendijks geschiedde, om daardoor de gemeenschap van
het fort met Nijmegen geheel af te snijden; die reden schijnt
echter niet zeer gegrond, want door het opwerpen van eene bat-
terij, die haar vuur op de schipbrug bracht, had men toch wel
kunnen beletten dat Knodsenburg ondersteuning kreeg uit de
stad; en had men de loopgraven meer aan de noordzijde van
het fort geopend, dan zou men de verliezen niet geleden heb-
ben van het vuur uit Nijmegen en van dat van drie uitleggers,
die ieder met lo è 12 stukken bewapend, tot op 30 pas van
den oever naderden en in het voorbijzeilen hun vuur richtten
op de Fransche loopgraven.
Niettegenstaande dit hevige vuur uit fort, stad en schepen,
zetten de Franschen hunne aanvalswerken met zooveel gezwind-
heid voort, dat zij bij het aanbreken van den dag (16 Juni)
reeds genaderd waren tot aan den buitengrachtsboord ; hunne
overmachtige artillerie bracht die des verdedigers tot zwijgen en
vernielde de borstwering van een der oostelijke bastions. Ver-
schoor^ hoezeer gebrek aan munitie hebbende, wil echter de
verdediging volhouden ; toen tegen den middag een tamboer uit
eigen beweging appèl slaat, de soldaten dit voor een teeken
tot overgave houden, hunne wapens wegwerpen en met onstui-
migheid aandringen op die overgave. Vergeefs zijn alle pogingen
van Verschoor en van zijne officieren om de soldaten weer tot
hun plicht te brengen; zij weigeren de verdediging langer voort
te zetten, en de bevelhebber is daardoor genoodzaakt om met
den belegeraar in onderhandeling te treden, met dat gevolg,
dat de schans nog dien dag aan den vijand wordt overgegeven,
trekkende de bezetting met krijgseer naar Groningen.
Volgens onze schrijvers zou dit korte beleg aan Turenne's
leger bij de 2000 man aan dooden en gewonden hebben gekost;
die opgave is zeker overdreven, maar wanneer men ziet dat de
Fransche schrijvers toch zelve een verlies erkennen van 500 man,
dan moet men er uit opmaken, dat hier door den belegeraar op
eene roekelooze wijze soldaten zijn opgeofferd, alleen om spoediger
zijn doel te bereiken ; de bedachtzame, stelselmatige belegeringen,
zooals Maurits en Frederik Hendrik die deden, zooals Vauban die
voorschrijft, waren toen nog niet algemeen; integendeel, men
dingt meesttijds naar den val der vijandelijke vesting door on-
stuimig geweld en niet door kunst; hetzelfde kan men nog op-
merken in eene latere eeuw bij Wellington's belegeringen in het
Spaansche Schiereiland. Wat de verdediging aangaat, wanneer men
opmerkt hoe kort die heeft geduurd en hoe gering de verliezen
der bezetting waren (nog geen twintig man), dan moet men die
verdediging slecht noemen, hoe krachtig zij dan ook aanving; de
officieren schijnen goed bezield te zijn geweest, maar de soldaten
waren ellendig. — De Quincy zegt dat de bezetting krijgsge-
Digitized by
Google
I40 KRIJGS- EX GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
vangen bleef; ook stelt hij de wapening van Knodsenburg op
40 vuurmonden; — wij halen dit maar aan om het doorgaande
gemis aan waarheid en nauwkeurigheid bij dien schrijver te doen
uitkomen.
Dadelijk na de inneming van Knodsenburg deed Turenne de
batterijen op den rechter Waaloever haar vuur op Nijmegen
openen, zonder dat dit echter veel uitwerkte; de Fransche veld-
heer, zijn ruiterij grootendeels terugzendende naar Arnhem, trok
met het overige van zijne macht naar de Schenkenschans, waar-
voor hij den i8en Juni verscheen. Die sterkte, gelegen op het
punt waar Waal en Rijn zich scheiden, was aan twee zijden door
die beide stroomen gedekt en kon alleen worden aangevallen
over de smalle, daartusschen liggende landtong, welke, eene
breedte van slechts 2 k 300 el hebbende, niet toeliet, aan de
loopgraven eene groote uitbreiding te geven. De bezetting, ver-
sterkt door de vluchtelingen uit Emmerik, bestond uit 18 com-
pagnieën infanterie, een 1200 man uitmakende; de vesting was
met 19 stukken geschut bewapend en van de noodige levens-
middelen en krijgsvoorraad voorzien; twee met geschut bewa-
pende vaartuigen konden dienen om 's vijands nadernissen van
ter zijde te beschieten.
In één woord om eene verdediging te voeren, zooals die-
welke Frederik Hendrik in 1636 negen maanden had opgehou-
den, waren hier alle bestanddeelen vereenigd; alle, op een klei-
nigheid na: geestkracht bij den bevelhebber, dapperheid bij de
bezetting. Die bevelhebber was een twintig-jarig jongeling, een
Ten Have of Ten Hove, die door den invloed van zijn vader,
toen burgemeester van Nijmegen, in die belangrijke militaire
betrekking was aangesteld, zonder de minste bekwaamheid of
geschiktheid daarvoor te bezitten.
Bij 's vijands nadering begon de HoUandsche bevelhebber met
de gewapende vaartuigen weg te zenden en eene voorliggende
batterij te slechten, die den Rijndijk kon bestrijken. Bijna zonder
tegenstand liet men toe dat Turenne in den nacht van 18 — 19
Juni, op slechts 40 el afstands van de contrescarpe, met de
vliegende sappe eene loopgraaf deed maken, en men bespaarde
hem de moeite om die ingraving met de achterliggende nader-
nissen te verbinden, door reeds den volgenden dag in eene
onderhandeling te treden, die daarop uitliep, dat de vesting aan
Turenne werd overgegeven en de bezetting een vrijen aftocht
naar Friesland verkreeg. Er bestaat verschil omtrent den tijd
der overgave tusschen de Fransche schrijvers en de onze; de
eerste stellen die op den 19611, de onze op den 21 sten Juni; —
zooveel schijnt zeker, dat het Fransche goud krachtiger tot de
overgave heeft bijgedragen dan de Fransche wapenen. Het is
Digitized by
Google
BELEGERINGEN. I4I
niet bewezen, dat de bevelhebber van Schenkenschans zich door
den vijand heeft laten omkoopen, maar indien hij omgekocht
I was, had hij niet anders kunnen handelen dan hij nu deed.
i
! Bijna gelijktijdig had eene andere afdeeling van Turenne's
leger zich meester gemaakt van het onbezette Tiel (18 Juni), en
van de schansen te Voorne en St. Andries (22 Juni), waarvan de
bezettingen aftrokken naar Gorkum en Den Bosch. Overal wordt
ter verschooning van dit gedrag der Hollandsche bevelhebbers
aangevoerd de lafheid hunner soldaten, die onwillig waren om
de wapenen te gebruiken tot verdediging der hun toevertrouwde
sterkten.
De vestingen aan den IJsel: Doesburg, Zutfen, Deventer en
Zwolle, werden bijna gelijktijdig aangevallen door de Fransche
en Munslersche krijgsmacht. Bijna niet verdedigd vielen zij bin-
nen weinige dagen in 's vijands handen, en de sterke bezettingen,
daarin geplaatst, waren verloren zonder dat zij van eenig nut
waren geweest.
Lodewijk XIV, na den overtocht van den Rijn naar het hoofd-
leger ïe Emmerik teruggekeerd zijnde, was daarmede naar den
IJsel getrokken, en omdat de kortste weg naar Doesburg door het
'water onbruikbaar was geworden, eerst den lyen Juni voor die
stad verschenen. Doesburg, aan den samenloop van den Ouden
IJsel met den IJsel gelegen, wordt beschreven als eene vesting
van aanzienlijke sterkte. Zij werd toen omgeven door een hoofd-
wal met 9 bastions, had 4 ravelijnen en een hoornwerk, alles
omringd door een breede, diepe gracht, waarvoor zich een be-
dekte weg bevond, die behoorlijk in staat van verdediging was
gebracht. Een dam, die men in den Ouden IJsel had gemaakt
om eene onderwaterzetting te verkrijgen, had echter, door den
toenmaligen lagen stand van de rivier, weinig beantwoord aan
het doel. Van levensmiddelen was de stad goed voorzien, en van
oorlogsbehoeften voldoende voor een langdurig beleg. De bezet-
ting telde volgens sommige opgaven 3500 man, volgens andere
zelfs over de 4000 ; hare samenstelling blijkt niet duidelijk ; alleen
vindt men vermeld dat Willem III, bij het verlaten van den IJsel,
in Doesburg het regiment van den kolonel Nieuland achterliet,
alsook dat er onder andere 2 compagnieën ruiterij waren en com-
pagnieën waardgelders, door de Zuid-Hollandsche steden onder-
houden. Nieuland, de bevelhebber der vesting, drong er dadelijk
op aan om, tot opwekking van den moed der verdedigers, eiken
avond eene godsdienstoefening te houden; tegelijk deed hij met
de overige hoofdofficieren en met de leden van den stedelijken
raad den eed, de stad te zullen verdedigen tot den laatsten drup-
pel bloeds. Eene handeling, die de hoogste vereering verdient.
Digitized by
Google
142 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
wordt zij gevolgd door eene verdediging als die van Haarlem
of Alkmaar; maar eene schandelijke, godlasterende handeling, wan-
neer zij, zooals hier, enkel in woorden en klanken bestaat, en de
daden den uitgesproken eed geheel logenstraffen!
Eene opeisching, door de Franschen gedaan, werd afgeslagen.
Den i8en opende de belegeraar de loopgraven, en eene batterij
van 12 stukken opwerpende, teisterde hij de stad met het vuur
dier stukken. De aanvalswerken der Franschen gingen de vol-
gende dagen voort, zonder veel gehinderd te worden door het
vuur uit Doesburg. Er werd in de stad voorgeslagen om een
grooten uitval te doen, ten einde daardoor 's vijands voortgang
te stuiten; dit voorstel werd echter verworpen, op grond dat
het beter was, den vijand slechts door kleine uitvallen te veront-
rusten, ten einde de bezetting te sparen voor de verdediging
van den hoofdwal. Men ziet het, de bezetting van Doesburg had
toentertijd het verdedigingsstelsel van Carnot reeds tot het hare
gemaakt; — maar, in plaats van met den stouten Franschen
ingenieur van meening te zijn dat eerst bij het verdedigen der
bres de ware verdediging van de vesting begint, liet zij het zelfs
zoo ver niet komen en gaf zij de vesting over, lang voordat er
zelfs mogelijkheid was tot bresschieten : de soldaten, die men
niet wilde opofferen door het doen van uitvallen, waren van hunne
zijde ongezind ook om den hoofdwal te verdedigen ; het grootste
gedeelte verliet zijne posten, de officieren deden evenzoo of be-
letten het ten minste niet. Reeds den 21 sten Juni legde de be-
zetting van Doesburg de wapenen neder en trok Lodewijk XIV
de stad binnen. De Fransche monarch zond toen onverwijld
4000 man infanterie en 1500 ruiters naar Zutfen om de macht
te versterken waarmede Orleans, zijn broeder, die stad had inge-
sloten.
Het verdriet ons die belegeringen te vermelden, waarbij noch
krijgskunst noch dapperheid uitblinken en waaruit men niets
leert, dan hoe de sterkste bolwerken en de talrijkste bezettingen
niets waard zijn, wanneer geen krijgsdeugd die bezettingen be-
zielt. Daarom zullen wij ons niet lang ophouden met het verhaal
der inneming van Zulfen; — inneming, zeggen wij: den naam
belegering verdient het niet. Die stad werd toentertijd — zeg-
gen onze schrijvers — voor eene van de sterkste plaatsen van
de Nederlanden gehouden; — het is echter te denken dat hierop
nog wel wat af te dingen zal zijn, vooral wanneer wij daarbij
lezen: dat tijdens het beleg er hoegenaamd geen palissadeering
was, noch op den hoofdwal, noch in de buitenwerken, noch in
den bedekten weg. De stad had 10 bastions, eenige ravelijnen en
hoornwerken, eene fausse-braie en een gracht met voorgracht,
die beide ondoorwaadbaar waren; zij was goed voorzien van
Digitized by
Google
AARDENBURG. I43
levensmiddelen, maar met slechts 7 stukken geschut gewapend.
De bezetting was door den Stadhouder versterkt met het regi-
ment van Schwartsenburg ; zij bestond overigens uit nog andere
infanterie, uit HoHandsche schutters en waardgelders en uit de
verloopen bezettingen van Grol en Breêvoort. (Bij sommige
Fransche schrijvers wordt verkeerdelijk vermeld, dat ook de be-
zetting van Deventer, na de overgave van die stad, deelnam
aan de verdediging van Zutfen). — De geheele sterkte der be-
zetting kan op een 2 a 3000 man worden begroot.
Eene opeisching, den lyen Juni gedaan, werd nog afgeslagen,
maar reeds toen kon men voorspellen, dat het bezit van Zutfen
aan het Fransche leger geen stroomen bloeds zou kosten. Schwart-
senburg beweerde vreemd te zijn aan alles en dus het opper-
bevel niet te kunnen aanvaarden ; een ander bevelhebber, Schim-
melpenning, was tegen de capitulatie, omdat men nog geen
vijand had gezien; logisch moest hieruit volgen, dat hij
voor de capitulatie zou zijn, wanneer men den vijand zag; in
het stedelijk bestuur ijverde men voor de overgave, vooral omdat
twee Geldersche edelen, de belangen van Lodewijk XIV geheel
toegedaan, de macht van den Franschen koning ten breedste
uitmaten. In het algemeen moet de burgerij zóó slecht gezind
zijn geweest, dat vrouwen uit den voornamen stand zich niet
ontzagen, haren invloed aan te wenden op verschillende krijgs-
bevelhebbers om deze tot de overgave aan te zetten; de zwak-
hoofden hadden hiertoe niet veel aansporing noodig. Nadat
den 21 sten Juni de vijand de loopgraven opende en het geschut-
vuur op de stad aanving, dat aanvankelijk met goed gevolg
werd beantwoord, en nadat op den 2351011 en 24sten Juni kleine,
onbeduidende uitvallen hadden plaats gehad, trad men den 25sten
in onderhandeling, opende de stad hare poorten en gaf de be-
zetting zich krijgsgevangen.
Later zullen de verrichtingen der Munstersche en Keulsche
legers in Overijsel en Groningen worden vermeld; allereerst
worden die der legers van Lodewijk XIV genoemd De tijdsorde
noopt ons, hier een wapenfeit te vermelden, dat, roemrijk als de
roemrijkste feiten van den tachtigjarigen oorlog, schitterend af-
steekt bij zooveel zwakheid en lafheid.
Een gedeelte der Fransche legermacht had geen deel genomen
aan den opmarsch naar Holland, maar was in de Zuidelijke
Nederlanden achtergebleven om de bewegingen gade te slaan
van de Spaansche krijgsmacht. Die Fransche troepenafdeeling,
onder het bevel van den Markies de Nancré, was grootendeels
verzameld in de omstreken van Ath, en toen nu de berichten
inkwamen van den voorspoed der Fransche wapenen in de
Digitized by
Google
144 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
zuid-oostelijke gewesten der Republiek, schijnt De Nancré daar-
door te zijn aangespoord om, zonder last hiertoe te hebben
ontvangen, van zijn zijde een inval te doen in Staats- Vlaanderen.
Hoezeer, door de natuurlijke gesteldheid van Zeeland, de ver-
overing van dat gewest door een Fransch leger niet zeer waar-
schijnlijk was, zoo kon toch de bemachtiging van Staats- Vlaan-
deren ook op de Zeeuwsche eilanden onrust en verslagenheid
teweegbrengen en op die wijze zijdelings medewerken tot de ge-
heele onderwerping van de Republiek.
De macht waarmede De Nancré zijne onderneming begon,
wordt door de Fransche schrijvers op 4000 man begroot, door
de onze op 5 a 6000, door enkelen zelfs op 8000; zij bestond
uit voetvolk en ruiterij en had 4 veldstukken bij zich. Den 24steD
Juni trok de Fransche bevelhebber op Oudenaarden, den 255160
ging de marsch, zonder het grondgebied van de Spaansche
Nederlanden eenigszins te ontzien, op Deinze; van daar werd de
tocht voortgezet over Bellem en Maldeghem, op het kleine Aar-
denburg, dat naar men wist slechts zwak was bezet.
Reeds een jaar vóór het uitbreken van dezen oorlog, was het
sloopen der vestingwerken van Aardenburg voorgesteld; die
slooping was echter achterwege gebleven, maar ook het onder-
houden van de vestingwerken. De kleine stad was vrij regelmatig
omgeven door een gebastionneerden hoofdwal, met eenige kleine
ravelijnen, maar palissadeering had men er hoegenaamd niet, en
op sommige plaatsen was geen twee voet water in de gracht.
Krijgsbehoeften waren er zeer weinig; 9 kleine stukken geschut
stonden er op de wallen, maar er was niet meer dan één kanon-
nier. Eene compagnie voetvolk was te Aardenburg in bezetting
geweest; zij was er echter grootendeels uitgenomen en in de
Elderschans geplaatst, een half uur van Aardenburg naar de zijde
van Sluis. Op het oogenblik van den aanval was er in Aarden-
burg geen andere bezetting dan 36 of 38 soldaten, onder den
vaandrig Ëlias Beekman.
In dezen stand van zaken krijgt men in Aardenburg op den
avond van den 25sten, door een brief uit Gent bericht van de
nadering van het vijandelijke leger. De stedelijke Raad komt
bijeen en raadpleegt met den bevelhebber der zwakke bezetting,
wat in dezen nood te doen staat. Eéne stem — en wanneer
men let op het geringe der verdedigingsmiddelen, behoeft men
dit nog niet te noemen de stem eens lafaards — ééne stem doet
zich voor de overgave hooren, Beekman verzet zich hiertegen
ten sterkste en zegt dat hij, aan eer en eed getrouw, liever tot
den laatsten man toe wil vechten ; een schepen — Pieter Rooman
van Haarlem — valt den dapperen krijgsman dadelijk bij; en
allen zijn nu eensgezind om zich te verdedigen. De burgers
wapenen zich, 165 in getal, sluiten zich aan bij den kleinen
Digitized by
Google
AARDENBURG. I45
hoop soldaten en bezetten met dezen den hoofdwal, terwijl vrou-
wen en kinderen zich bezig houden met het gereed maken en
aanbrengen van munitie.
De marsch van het Fransche leger was zoo groot geweest, dat
De Nancré alleen met de voorste troepen, voornamelijk ruiterij,
nog in den nacht van 25 — 26 Juni Aardenburg bereikte. De
Fransche bevelhebber doet dadelijk een storm ondernemen,
hopende partij te trekken van de eerste verwarring die de tijding
van zijne komst in de stad zal hebben teweeggebracht. Zijne
ruiters stijgen af, en met de sabel in de eene hand, met takke-
bossen in de andere om de grachten te dempen, snellen zij
omstreeks twee uur 's nachts tegen de vesting in. Die storm, hoe
ook herhaald, wordt telkens afgeslagen, en na een paar uur
strijdens wordt met den aanbrekenden dag het gevecht geëindigd,
dat den bestormers reeds gevoelige verliezen heeft gekost.
De Nancré wacht met een tweeden aanval op den 26sten, totdat
al zijne nakomende troepen zich bij hem hebben gevoegd; in
den loop van den dag komen deze aan. Op den namiddag van
den 26sten worden de verdedigers van Aardenburg versterkt
door de komst van 40 soldaten van het Cadsandsche Retranche-
ment opgerukt. De geheele macht, burgers en soldaten, bedraagt
toen 240 man; te zwak om de buitenwerken te verdedigen, be-
paalt zij zich tot het bezetten van den hoofdwal; boomen zijn
omgehouwen en op de borstwering gelegd om naar beneden te
laten rollen, vrouwen en kinderen zijn onledig met het aan-
dragen van lonten, kruit, lood en van gekapt ijzer, waarmede
men, bij gebrek aan kogels, de kanonnen laadt.
De avond is reeds gevallen toen een vuurpijl, bij de tent des
Franschen veldheers opgelaten, het sein geeft tot een nieuwen
aanval. Onder luid krijgsgeschreeuw en met die onstuimige dap-
perheid, den Franschen eigen, snellen de bestormers nogmaals
naar de wallen van Aardenburg ; zij dringen door in het onbezette
ravelijn tusschen het zuider-bastion en Êet bastion Oranje; wer-
pen fascinen in de reeds zoo ondiepe grachten en trachten aan
alle zijden den hoofdwal te beklimmen. Hier echter wacht hun
de kleine heldenschaar der verdedigers, en wie der vijanden
ook de kruin der borstwering bereiken, geen hunner die in de
stad doordringt, geen hunner die terugkeert; allen sneuvelen of
worden gevangen. De Nancré, verwoed over den tegenstand dien
hij ondervindt, doet telkens zijn voetvolk door de ruiters op-
drijven tot een nieuwen storm; zijn voornemen schijnt geweest
te zijn om op vier verschillende punten dien storm te verrichten,
maar in de duisternis en de verwarring van den nacht vermengen
zich de aanvalskolonnen en alles snelt daarheen, waar het reeds
bezette ravelijn een gemakkelijk doordringen schijnt te beloven.
De verdediger richt met kanon- en geweervuur geduchte ver-
WILLEM III. — I. 10
Digitized by
Google
146 KRIJGS- £N GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
woestingen aan in die zoo dicht opeengehoopte massa; de
kracht der aanvallen wordt gedurig minder^ en toen te midder-
nacht een versterking van 1 10 man, onder den kolonel Spindler,
uit Sluis te Aardenburg aankomt, is de uitkomst niet lang meer
onzeker. De Nancré's leger staakt den storm met het aanbreken
van den dag en trekt in overhaasting terug naar de zijde van
Ath; maar eenige honderden Franschen zijn in het ravelijn ge-
bleven, worden daar door het geschutvuur uit de stad ingesloten
en leggen den volgenden ochtend de wapenen neer voor eene
bezetting, die hun op lange na niet nabij komt in sterkte.
Zóó eindigde de onderneming op Aardenburg, die altijd eene
roemvoUe bladzijde in onze geschiedenis zal uitmaken. Zij wischt
veel zwakheid uit, zij toont wat men kan verwachten van onze
goedgezinde burgerij, zij bewijst hoe bij de verdediging van
ons land zelfs de officier van minderen rang den hoogsten krijgs-
roem kan verwerven. De naam van Beekman staat in onze ge-
schiedrollen, naast die der Ripperda's en der Kornput's opge-
schreven, en nog heden ten dage bewaart het kleine Aardenburg
de degen van den held, die het met zooveel dapperheid tegen
het Fransche geweld verdedigde. Door dit wapenfeit was Staats-
Vlaanderen behouden, Zeeland beveiligd, de moed des volks
weer opgewekt, den vijand geduchte verliezen toegebracht. De
Fransche schrijvers verminderen die verliezen tot op 700 man;
wanneer men echter in aanmerking neemt, dat alleen het getal
gevangenen een 500 man bedroeg, en dat er volgens een brief
van den 3en Juli van een der Fransche bevelhebbers aan Letellier
— Louvcis' vader — alleen te Deinze 800 gewonden waren ach-
tergebleven, dan verkrijgen de opgaven van onze schrijvers meer
waarschijnlijkheid, die 's vijands verliezen op een 1500 man be-
grooten.
De Fransche schrijvers vermelden dien aanval op Aardenburg
meestal maar terloops en vluchtig; een hunner. De Quincy —
een schrijver die dikwijls aangehaald wordt en meer geprezen
dan hij verdient — zwijgt zelfs geheel over die Aardenburgsche
geschiedenis. Bij Rousset daarentegen vindt men over dit wapen-
feit vrij uitvoerige opgaven, die wij hier laten volgen.
Nogmaals terugkomende op het niet bezetten van Muiden,
knoopt Rousset den mislukten aanval op Aardenburg daaraan
vast (i« deel, blz. 371— 373)-
iWas die Muidensche aangelegenheid een louter toeval, anders
was het met den ongelukkigen aanval, bijna terzelfder tijd op
Aardenburg ondernomen, op het ander uiteinde van Hollands
grondgebied. Die tegenspoed, sedert het begin van den veldtocht
de eerste die de Fransche wapenen ondervonden, is bijna onop-
gemerkt gebleven; zelfs de krijgskundige schrijvers hebben er
geen acht op geslagen; zij is verloren gegaan te midden van
Digitized by
Google
AARDENBURG. I47
het gedruisch van alle die groote gebeurtenissen die toen om
Lodewijk XIV voorvielen.
In de laatste dagen van Juni had De Nancré, de Gouverneur
van Ath, last ontvangen om een deel der troepen uit Vlaanderen
samen te trekken en die met spoed te doen oprukken naar
graaf Chamilly^ die op de vereeniging met die afdeeling wachtte
om in Staats-Braband te opereeren. Op het oogenblik dat hij op
marsch wilde gaan kreeg de Nancré bericht^ dat de stad Aar-
denburg, op de zuidelijke grens van Staats- Vlaanderen gelegen,
zonder bevelhebber was en bijna zonder bezetting ; er waren, zeide
men, daar niets anders gebleven dan 70 soldaten en eenige ge-
wapende burgers. Oogenblikkelijk, en zonder eenige kennisgeving
aan zijn meerderen, trok hij op Aardenburg, in een overmaat
van zelfvertrouwen, waarin ongelukkiglijk de officieren deelden,
die onder zijne bevelen stonden. Ëen krachtige en snelle aanval
had kunnen gelukken ; maar men meende dat er niet gevochten
zou worden en dat de stad zich zou onderwerpen, reeds op het
verschijnen van de Franschen alleen. Dat gebeurde niet. De kleine
Hollandsche bezetting, ondersteund door de burgerij en door de
boeren uit den omtrek, richtte een moorddadig vuur op de voorste
compagnieën, die men aanvallen liet doen op goed geluk en
zonder verband. Het overige van de macht, voor en na in ge-
vecht komende, hoopte zich op in de modderige stadsgrachten.
Eindelijk moest men aftrekken met een overgroot verlies: 50
officieren en 400 soldaten waren gesneuveld of gewond, onge-
rekend een groot aantal gevangenen; een vierde van het voet-
volk had zijne wapens verloren of weggeworpen.
Zie nu op welke wijze Louvois het beginsel der verantwoor-
delijkheid begreep en toepaste, ilk heb gezien," schreef hij aan
De Nancré, »wat er gebeurd is bij uwe onderneming op Aar-
denburg. Als men den last heeft tot zulk eene onderneming, en
die mislukt, dan is men zeker te beklagen, al blijft men ook vrij
van eiken blaam. Maar als men gehandeld heeft zonder bevel
en zelfe in strijd met de ontvangene bevelen, en dat dan de
onderneming mislukt, dan kan dit den toom van onze meer-
deren opwekken, en dan hebben zij reden om misnoegd te zijn
op hen die hunne krijgsmacht op die wijze in de waagschaal
stellen." Aan De Nancré werd het bevel ontnomen over de afdee-
ling waarmede hij Chamilly moest versterken ; het losgeld werd
betaald voor de krijgsgevangen soldaten alsook voor de officieren,
die zich goed hadden gedragen; wat de anderen betreft, ziehier
het lakonieke vonnis — beter gezegd, het Romeinsche vonnis —
dat Louvois over hen uitsprak: >na de lafheid die zij hebben
betoond, worden zij niet meer opgenomen bij het leger."
De straf van de Nancré was billijk; Rochefort werd niet ge-
straft en mocht ook niet gestraft worden. Er is bovendien geen
Digitized by
Google
148 KRIJGS- EN GKSCHIBDKÜNDIGE BESCHOUWINGEN.
vergelijking te maken tusschen die Aardenburgsche gebeurtenis
en de Muidensche. Beide mislukten, maar de eerste zonder dat
dit opgemerkt werd en alleen ten nadeele van hen die haar
dwaaselijk hadden ondernomen, terwijl de tweede een belangrijk
geschiedkundig feit geworden is..."
Wat hier gezegd wordt door Rousset, komt wel niet geheel
overeen met wat onze schrijvers zeggen over dien aanval op
Aardenburg, maar de Fransche schrijver erkent toch, dat bij
dien aanval de Fransche troepen een gevoelige nederlaag hebben
geleden.
Wat later had eene belegering plaats, waarbij de verdediger
algemeen is geprezen, naar wij gelooven ten onrechte.
Na de inneming van Doesburg en Zutfen was de Fransche
Koning met de hoofdmacht zijns legers in de richting van
Utrecht voortgerukt •, het leger van Turenne bleef daarentegen
in het Geldersche en ging eerst in het begin der maand Juli
tot het beleg van Nijmegen over. Als men opmerkt dat Schen-
kenschans zich reeds den iQcn Juni overgaf of op het laatst den
21 sten Juni, en dat de Fransche veldheer eerst den 2en Juli de
Waal overtrok om Nijmegen in te sluiten, dan ziet men dat er
tien b. twaalf dagen door hem werkeloos zijn doorgebracht. Als
reden van die vertraging wordt opgegeven, dat de vaartuigen,
die van Wezel en Emmerik moesten komen om boven Nijmegen
een schipbrug te slaan, eenige dagen werden opgehouden door
tegenwind. Wat hiervan zij, zeker is het dat de Fransche leger -
hoofden in dit gedeelte van den veldtocht geen groote werkdadig -
heid hebben betoond. De zorg voor de genomen vestingen kan
hen misschien hebben bezig gehouden. Turenne en Condé had-
den aan den Koning voorgesteld, om alleen de zeer belangrijke
plaatsen te bezetten en de overige te slechten; Lodewijk had
echter gehoor gegeven aan den raad van Louvois om alle ge-
nomen steden te blijven bezetten. Natuurlijk verminderde hier-
door de sterkte van het Fransche leger aanmerkelijk, en men
kan moeielijk zeggen voor wien in dezen veldtocht de vestingen
nadeeliger zijn geweest, voor den aanvaller of voor den verdediger.
Om aan de verzwakking van het hoofdleger tegemoet te komen^
ontving Chamilly bevel, de troepen van De Nancré tot zich te
trekken, een 5000 man, onder De Vaubrun, bij Maastricht te
laten, en met het overige zijner macht, langs de Maaskant, Noord-
Braband binnen te rukken.
Nijmegen, dat nu het geweld der Fransche wapenmacht moest
verduren, was eene vesting die door de sterkte der bezetting en
de genoegzaamheid van de bewapening, in staat was een krachtigen
wederstand te bieden, en wanneer die wederstand slechts weinige
dagen geduurd heeft, dan moet men dit toeschrijven, eensdeels
Digitized by
Google
BELEGERINGEN. I49
aan de wijze van aanval, waarbij om maar tijd Ie winnen geen
roenschenlevens werden gespaard, en anderdeels — wij moeten
er dit bijvoegen — aan het minder goede der verdediging. Wij
weten wel dat die laatste bewering in strijd is met het gevoelen,
200 van onze als van de meeste Fransche schrijvers, die de ver-
dediging van Nijmegen zeer prijzen; zelfe in strijd is met het
oordeel van Turenne, die in zijn brieven hoogen lof toezwaait
aan de verdedigers; wij willen ook toestemmen dat de verdedi-
ging van Nijmegen zeer gunstig afsteekt bij die der andere ves-
tingen; — maar dit laatste zegt nog niet veel. Wanneer wij aan den
eenen kant erkennen dat bij verschillende gelegenheden de bezet-
ting groote geestkracht heeft betoond, zoo moeten wij aan de
andere zijde er bijvoegen, dat de verdediging veel te spoedig
heeft opgehouden; dat zij hoogstens redelijk mag worden ge-
noemd, maar volstrekt niet den naam van goed verdient.
Nijmegen, op den linkeroever van de Waal gelegen, was aan
de rivierzijde alleen beschermd door een ouden muur, aan de
landzijde door een gebastionneerden hoofdwal, (men moet hier
geen te nauwe beteekenis hechten aan het woord: bastion;
onder de werken welke wij hier zóó noemen, waren sommige
van een zeer onregelmatige gedaante, vele van de hoofdwal af-
gescheiden). De stad was omgeven met eene gedeeltelijk natte,
gedeeltelijk droge gracht; de laatste was voorzien van een stevige
palissadeering; en eene verhakking op de kruin van het glacis
was bestemd om de verdediging van den bedekten weg te begun-
stigen. Vóór het bastion Nassau, bijna in de onmiddellijke nabij-
heid van de gracht, was een groot, tenaille-vormig buitenwerk,
dat men onbezet en ongeslecht had gelaten; dit was een grove
misslag, dewijl men wel kon voorzien dat de vijand daarvan
partij zou trekken om zijne loopgraven zeer nabij de stad te
openen. Op de geheele landzijde was de aanval te wachten, omdat
het droge, opene terrein geen zwarigheden daartegen oplevert;
aan de rivierzijde niet. hoezeer de Franschen het gerucht uit-
strooiden dat zij met gewapende vaartuigen Nijmegen wilden be-
stoken: eene dergelijke poging was weinig te duchten en de
enkele ringmuur aan de rivierzijde was hiertegen eene voldoende
verdediging.
De bezetting bestond uit de regimenten infanterie van Cassiopijn,
Van Beveren, Schot en Van Gent; mét de vier compagnieën die
vroeger in bezetting op het huis te Gennep waren geweest, maar
thans, die sterkte onUuimende, op Nijmegen teruggingen, maakte
dit 40 compagnieën voetvolk. Die compagnieën moeten echter
niet voltallig zijn geweest, want, mét 9 compagnieën ruiterij en
5 compagnieën waardgelders, wordt de geheele sterkte begroot op
2500 k 2600 man; — denkelijk doordat sommige der regimenten^
bij het gevecht van den i2en Juni om den overgang van den
Digitized by VjOOQIC
150 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Rijn, reeds verliezen hadden geleden. Bij die troepen — volgens
Turenne's verzekering de beste van het Hollandsche leger —
voegden zich nog 5 compagnieën schutters uit Utrecht, Rhenen
en Montfoort, en de gewapende Nijmeegsche burgerij, wier sterkte
door een onzer schrijvers — denkelijk wat overdreven — op
2500 man wordt begroot. De Fransche opgaven stellen het ge-
heel der bezetting op 4000 man voetvolk en 400 ruiters; —
zooveel is zeker, dat die bezetting een voldoende sterkte had»
Van levensmiddelen en krijgsbehoeften was een genoegzame voor-
raad voorhanden ; er waren in het geheel 60 stukken geschut, de
meeste 24-pondersen i8-ponders; eene bewapening voor dien tijd
zeer aanzienlijk. De bevelhebber was de ruiterij-generaal Van
Weideren, een man, die wel is waar niet geheel ingewijd schijnt
geweest te zijn in de geheimen van den vestingoorlog, maar die
mindere kunde vergoedde door dapperheid en stoutheid.
Den 2 en Juli begon de berenning van Nijmegen door een
ruiterkorps waarbij zich Turenne zelf bevond, die dadelijk de
verkenning van de vesting verrichtte. Den 3en trok het Fransche
leger, 18000 man sterk volgens een onzer schrijvers, over een
schipbrug bij Gent, een uur boven Nijmegen, de Waal over en
legerde zich dadelijk om de vesting; de ruiterij had fascinen
gemaakt voor de loopgraven, die nog denzelfden avond om ia
uur werden geopend; 4000 man trokken naar het onbezette bui-
tenwerk vóór het bastion Nassau, benuttigden de borstwering
om zich te dekken, en deden van daar de loopgraven uitgaan,
aan de eene zijde tot tegenover de Molenpoort, aan de andere
zijde tot aan het ravelijn naar den kant van de Hezelpoort. Dit
was voor den belegeraar een beslist voordeel: hij was nu dade-
lijk bij het begin van het beleg zoover als men anders eerst
na een paar weken is; dadelijk had hij eene parallel, die zeker
geen 100 el verwijderd was van de saillant van het bastion
Nassau. Aan de aanvalswerken werd met zooveel kracht voort-
gewerkt, dat de belegeraars zich reeds in den ochtend van den
4en hadden ingegraven op de kruin van het glacis; dit ging
echter niet dan ten koste van zware verliezen, veroorzaakt door
het hevige vuur uit de vesting. Bij het Fransche leger waren
alle ingenieurs, op één na, d'Aspremont, buiten gevecht gesteld,
en dit maakte dat de aanvalswerken niet altijd goed werden
uitgevoerd, het verlengde van enkele deelen der loopgraven uit-
kwam op de werken der vesting en de belegeraar daardoor meer
verliezen leed dan noodig was geweest. Er werden drie batte-
rijen opgeworpen : eene van 8 stukken in den inspringenden hoek
van het buitenwerk, rechts daarvan eene tweede van 5 stukken
en geheel op den rechtervleugel eene derde batterij, ook van
8 stukken, tegen het ravelijn der Molenpoort en tegen het bas-
tion Oranje. Wat eigenlijk de bestemming was van die batterijen^
Digitized by
Google
BELEGERINGEN. I5I
valt moeielijk te zeggen; het plan der belegering maakt ons
daaromtrent niet veel wijzer, evenmin als Beaurain's opgave, dat
het was y^pour raser ies défenses des assiégés, et surtout un moulin
jort élevé^ (foü ih voyaient dans presque tous les travaux,^'* Volgens
onze schrijvers was het geschutvuur hoofdzakelijk gericht op
kerken en hooge gebouwen, om daardoor de stad overlast aan
te doen; eene handeling die in een tijd toen de burgerij een
werkzaam deel nam aan de verdediging, niet zoo ongerijmd was
als zij het in onze dagen zou zijn.
De belegerden hadden eene opeisching, den 4en gedaan, van
de hand gewezen. In den daarop volgenden nacht daalden de
Franschen in de droge gracht neder, hieuwen een gedeelte van
de palissadeering omver en naderden het bastion naar de zijde
van de Uezelpoort; het vuur uit de vesting en een aanval door
den kolonel Van Gent gedaan, dwongen hen evenwel met ver-
lies af te trekken. Van Gent vond hier een roemvollen dood,
evenals bij Solebay zijn broeder, de dappere vlootvoogd.
De bedekte weg was intusschen verlaten door de belegerden;
en de belegeraar daalde nu in de droge gracht neer, groef zich
in op de punt van het bastion Nassau en maakte een begin met
mijngangen onder dat werk en onder het Hezel-ra velijn. De bele-
gerde poogde dit zooveel mogelijk te verhinderen door het doen
van uitvallen en het werpen van handgranaten ; tevens maakte hij
binnen-verschansingen in de twee bedreigde werken en bezette met
voetvolk en geschut een tusschen beide liggenden toren, die uit
drie verdiepingen bestond en waarvan de muren bijna 4 el dik
waren. Sommige van onze schrijvers spreken van stormen in den
nacht van 5 — 6 en van 6—7 Juli, door de Franschen onder-
nomen, en door de onzen afgeslagen; hierover zijn zij evenwel
niet eensluidend, maar wel daarin, dat op den 7 en tegen den
avond, toen door een zwaren regen de meeste lonten waren uit-
gedoofd, de Franschen een storm deden op het bastion Nassau
en dit werk bijna veroverden: de belegerden namen reeds de
wijk, maar door dappere bevelhebbers weer tegen den vijand
aangevoerd, gelukte het hun dezen weder uit het bastion te ver-
drijven en den hoofd wal geheel te behouden. De Fransche schrij-
vers spreken niet van die stormen, maar zeggen daarentegen dat
de Nederlanders gedurig uitvallen deden.
Toen men echter op den 8sten de zekerheid verkreeg van het
bestaan der twee door den vijand aangelegde mijngangen, wer-
den — zooals een onzer schrijvers zegt — tvele officieren zeer
zwaai hoc f' iig"; ontmoediging begon zich te verspreiden, onder
bezetting en burgerij, en in een dien dag gehouden krijgsraad
kwam men overeen om met den vijand te onderhandelen. Dit
had ten gevolge dat op den Qen Juli Nijmegen aan den vijand
werd overgegeven. De bezetting bleef krijgsgevangen ; de hoofd-
Digitized by
Google
152 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
officieren verkregen evenwel vrijen aftocht naar Gorkum en
onttrokken zich dus aan het lot hunner troepen, een verkeerde
handelwijze, maar die toentertijd algemeen was aangenomen.
De schutterijen uit Utrecht konden ook ongehinderd naar huis
trekken. De overige officieren en soldaten der bezetting konden
zich binnen eene maand tijds vrijkoopen; ieder ruiter moest
daarvoor als losgeld betalen 6 rijksdaalders, ieder soldaat 3.
Het verlies der belegeraars wordt door de Fransche schrijvers
niet vermeld, maar de onze begrooten het, sommigen op ruim
2000, anderen op 4000 man; wij gelooven dat in die cijfers
overdrijving is, maar toch moeten de verliezen van het Fransche
leger niet onaanzienlijk zijn geweest, te oordeelen naar de wijze
van aanvallen, waarop toepasselijk is wat van den aanval op
Knodsenburg is gezegd. Het verlies der belegerden wordt geschat
op slechts 50 man aan dooden en gewonden. Wanneer men bij
dit geringe verlies den korten duur van het beleg in aanmerking
neemt (van 3 — 9 Juli, hoogstens zes dagen), dan geeft dit de
maat van het meer of min krachtdadige der verdediging.
Wij kunnen daarom die verdediging niet zoo prijzen als Tu-
renne zelf dit heeft gedaan. De lof van de zijde eens vijands is
zeker eervol, maar zij moet waar en gegrond zijn, en hier is zij
dit, naar ons gevoelen, niet. Wij erkennen dat de bezetting, in
den korten tijd van het beleg, met dapperheid heeft gestreden,
dat haar gedrag gunstig afsteekt bij dat van andere bezettingen,
en dat Beaurain niet geheel ten onrechte zegt, idat van alle
steden, door de Franschen belegerd, Nijmegen de eenige was
die zich behoorlijk verdedigde"; — maar wij noemen dit een vrij
onbeduidenden lof; wij zijn van gevoelen dat door den misslag
om het buitenwerk vóór het bastion Nassau onbezet te laten,
de duur der verdediging aanmerkelijk is bekort geworden;
wij zijn ook van gevoelen, dat zelfs nu de overgave niet
zoo spoedig had behoeven te volgen, dat de bovengenoemde
Fransche schrijver ten onrechte zegt idat Van Weideren zich
hoogstens nog éénen dag had kunnen verdedigen", en dat men
van eene bezetting, zoo sterk als die van Nijmegen, krachtiger,
langduriger wederstand had mogen verwachten. — Men versta
ons wel : wij noemen de verdediging van Nijmegen nog niet slecht,
vooral niet wanneer wij ze vergelijken met de andere krijgshan-
delingen van dien tijd; — maar ze goed te noemen, ze lof toe
te zwaaien, daarop te wijzen als op een roemrijk voorbeeld, —
dit is verkeerd, dit strijdt met de waarheid, dit toont aan dat
men zeer weinig streng is in zijne eischen van krijgsplicht, dit
bewijst eene onverstandige bewondering voor het voorgeslacht,
die zelfs de onbeduidendste daden tot heldenfeiten wil verheffen.
Nog vroeger dan Nijmegen was ook de vesting Grave in
Digitized by VjOOQIC
BELEGERINGEI>^. 1 5 3
's vijands handen gevallen. Het oprukken van Chamilly, die met
eene macht, door onze schrijvers begroot op bij de loooo man,
Noord-Braband naderde, had met reden ongerustheid ingeboezemd
voor Den Bosch en Breda, in welke vestingen slechts zeer zwakke
bezettingen lagen. Men besloot daarom het minder gewichtige
op te offeren aan het gewichtigste, en Grave te ontruimen, om
roet de bezetting dier plaats de bezettingen te versterken der
andere Noord-Brabandsche vestingen. Een last hiertoe, den 28sten
Juni door twee afgevaardigden der Staten-Generaal aan den be-
velhebber van Grave, Walenburg, toegezonden, werd door dezen,
die van het belang dier vesting doordrongen was, niet uitge-
voerd; in plaats daarvan vroeg Walenburg nadere bevelen van
Willem HL Maar het bevel tot ontruiming van Grave werd tot
tweemaal toe herhaald, de tweede maal zelfs met bedreiging des
doods wanneer de bevelhebber der vesting niet gehoorzaamde,
en daar er geen tijding inkwam van den Stadhouder, achtte
Walenburg zich verplicht de vesting te ontruimen. — Het betrof
hier het zoo dikwijls betwiste punt: of een krijgsbevelhebber
altijd verplicht is tot uitvoering der ontvangene bevelen? Wij
voor ons beantwoorden in het algemeen die vraag ontkennend,
maar wij stemmen toe dat door niet te gehoorzamen een bevel-
hebber zware verantwoordelijkheid op zich laadt, en dat hier, in
dit bijzonder geval, de zaak duister en twijfelachtig was.
. Den 2cn Juli verliet de bezetting Grave; versterkt door de be-
zetting van het reeds vroeger ontruimde Ravestein, telde zij toen
33 compagnieën, eene sterkte van 2400 man uitmakende.
Intusschen waren eenige Spaansche troepen uit de Zuidelijke
Nederlanden opgerukt om de bezettingen van Breda en Den
Bosch te versterken. Willem III hiervan onderricht, gaf bevel
dat Grave niet zou worden ontruimd, of wanneer het reeds ont-
ruimd was, het onverwijld weer moest worden bezet. De bezet-
ting van Grave, den 2en 's avonds om 10 uur in Den Bosch
gekomen, ontving dus spoedig bevel om weer op Grave te trek-
ken, en den volgenden dag, 's namiddags tusschen 4 en 5 uur,
werd de marsch daarheen aangenomen. Walenburg zelf, met een
80 dragonders, reed vooruit en kwam nog dien dag te Grave
aan. Te laat! De regeering van Grave is reeds aan het onder-
handelen met een officier van Turenne ; de ruiterij van Chamilly,
een fooo paarden, staat reeds bij die vesting; en toen den vol-
genden ochtend de voorste afdeeling der bezetting, een 1000
man voetvolk met 200 ruiters, zich te Reek vertoont, een half
uur van Grave, wordt die afdeeling plotseling door de Fransche
ruiterij overvallen en, in wanorde zijnde, geheel verslagen, gedood
of gevangen genomen. Grave, met eene bewapening van 40 ^ 5 o
stukken en een aanzienlijken krijgsvoorraad, valt daarop in han-
den van de Franschen.
Digitized by
Google
154 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGK BESCHOUWINGEN.
Na de inneming van Nijmegen ging Tarenne's leger den iien
Juli op Grave, trok daar de Maas over en kwam, zijn marsch
over Maren en Alem nemende, den 13CQ te Empel^ een klein
half uur van het fort Crèvecoeur.. Chamilly had zich geplaatst
aan de westzijde van Den Bosch, te Vlijmen en Bokhoven.
Boven en beneden Crèvecoeur werden toen door de beide
Fransche veldheeren schipbruggen over de Maas geslagen, en
een gedeelte van de Fransche macht ging over op den rechter-
oever der rivier, ten einde de insluiting van Crèvecoeur te vol-
tooien. De Fransche Koning zelf, teruggehouden door de water-
linie die Holland dekte, en geen kans ziende om dien hinderpaal
te overkomen, had Utrecht weer verlaten; het bevel over de
daar achtergebleven legermacht opdragende aan Luxembourg.
Met een gedeelte zijns legers trok Lodewijk XIV over Arnhem
op Noord-Braband en sloeg zich den l^^^ Juli bij Boxtel neder.
£ien groote 40000 man Fransche troepen waren toen rondom
Den Bosch vereenigd, en de verovering van geheel Noord-
Braband scheen in 's vijands bedoeling te liggen.
£en weinig vroeger ondernomen, zou die verovering niet veel
zwarigheden hebben opgeleverd, want de bezettingen der ves-
tingen waren zwak en onbeduidend, en de werken had men
zoodanig laten vervallen, dat onder andere van Breda en Ber-
gen op Zoom vermeld wordt, dat men daar het jaar vóór dezen
oorlog de palissadeering had verkocht, en de heggen op de«
bermen had omgehouwen. Maar toen men bericht kreeg van
Chamilly's opmarsch, had men in alle haast de vestingwerken
doen opmaken ; schutterijen uit Zeeland en Holland waren in de
Noord-Brabandsche steden gekomen ; en, wat meer afdeed, Mon-
terey zond eenige oude Spaansche troepen tot hare bescher-
ming:— zoo kwamen in Den Bosch 1800 Spanjaarden, in Breda
900, in Bergen op Zoom 800 en ook eenige compagnieën in de
vestingen van Staats- Vlaanderen. Dit, gevoegd naar men wil bi)
het regenachtige weder, waardoor de moerassen om Den Bosch
aanmerkelijk vergroot werden, verijdelde 's vijands toeleg, en
eene onderneming, die de wisse verovering van geheel Noord-
Braband scheen ten gevolge te zullen hebben, bepaalde zich tot
de inneming van twee onbeduidende vestingen: het fort Crève-
coeur en de stad Bommel.
Het fort Crèvecoeur had in 1672 nagenoeg dezelfde gedaante
als die het ook in onzen tijd heeft gehad. Aan den samenloop
van Dieze en Maas gelegen, was het een onregelmatig gebastion-
neerde zevenhoek, die, ten noorden beschermd wordende door
de Maas, aan de west- en zuidzijde door de Dieze, aan die
zijden moeielijk was aan te vallen, maar die het aanvalbaarst
was aan de oostzijde, aan den kant van Ëmpel, waar het tus-
Digitized by VjOOQIC
BELEGERINGEN. 1 5 5
schen den dijk en de Maas gelegen terrein doorsneden was met
slooten^ die natuurlijke loopgraven uitmaakten^ en waar eene
kromming van den dijk, op geen 300 el van het fort, den be-
legeraar eene bedekte nadering toeliet.
De bezetting van het fort bestond uit 4 onvoltallige compag-
nieën voetvolk, benevens 3 compagnieën waardgelders; zij wordt
door de Fransche schrijvers geschat op 800 man, maar is waar-
schijnlijk niet zoo sterk geweest. De bewapening bestond uit 11
ijzeren stukken van 8 en van 10 pond, op affuiten, izoo oud dat
zij het geschut naauwlijks konden dragen, veel min geweld van
schieten uitstaan." Van levensmiddelen was de bezetting slechts
voor weinige dagen voorzien, en toen de bevelhebber zich hier-
over beklaagde bij de Gedeputeerden te Gorkum, ontving hij
van deze het zeer Christelijke, maar weinig troostrijke antwoord :
iwij hopen dat God u zal helpen; wij kunnen u nu niet helpen."
Het niet aankomen van het belegeringsgeschut was oorzaak,
dat eerst den i6en Juli de loopgraven tegen Crèvecoeur wer-
den geopend, hoezeer reeds twee dagen vroeger die vesting was
ingesloten; die tijd werd door Turenne's troepen doorgebracht
met het maken van 10 000 fascinen. Terwijl Chamilly op den
linkeroever der Dieze een schijnaanval deed, werd op den rech-
teroever, bij den Empelschen dijk, de aanval begonnen; een
sloot van eene groote 200 el lengte, tusschen den dijk en de Maas
gelegen, werd als parallel gebruikt; door middel van schans-
korven werd die parallel voortgezet tot aan de Maas, en in de
onmiddellijke nabijheid der rivier gingen de loopgraven vooruit
naar den uitspringenden hoek van het noord-oostelijke bastion
van Crèvecoeur. Drie batterijen, met 16 vuurmonden bewapend,
beschermden dien arbeid door hun vuur. De belegerden poogden
alleen met geschutvuur 's vijands arbeid te vertragen, maar met
weinig goed gevolg, daar reeds op den iSen eenige stukken bui*
ten werking waren gesteld, de vijand tot de voorgracht was ge-
naderd en die met fascinen trachtte te dempen. Een storm was
aanstaande en de laffe bezetting wilde dien niet afwachten, wierp
de wapens weg en dwong daardoor den bevelhebber om in onder-
handeling te treden. Den igen Juli had de overgave plaats; men
ontwapende de bezetting en liet haar toe om zich te begeven
waarheen zij wilde. — De schans te Engelen werd toen ook
ontruimd, de bezetting trok terug op Den Bosch.
Bommel werd daarna aangetast; — vreemd is het dat die
onbeduidende plaatsen een voor een en niet gelijktijdig door
den vijand werden belegerd; dit bewijst niet ten voordeele van
de Fransche legerhoofden, wier macht hiertoe meer dan vol-
doende sterk was. Bommel, vrij regelmatig versterkt, met zeven
bastions omgeven, kon evenwel niet lang weerstand bieden: de
Digitized by
Google
156 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Stad was zonder bedekten weg, zonder palissadeering, en de natte
gracht die haar omgaf was zóó ondiep, dat — volgens de uit-
drukking van Valckenier — » de ooijevaars gemakkelijk daar door
wandelden." De bewapening bestond uit 21 stukken geschut, twee
daarvan waren echter geheel onbruikbaar, en hoe de andere
waren kan men opmaken uit de omstandigheid, dat bij het eerste
schot dat men uit een dier stukken deed, de affuit dadelijk
brak. De bezetting bestond uit 6 zwakke compagnieën, een 250
man uitmakende ; hierbij voegden zich 4 compagnieën van de bur-
gerij, een 500 man tellende. Het is nauwelijks te gelooven dat
de Fransche aanvoerders, die door verstandhoudingen binnen de
stad nauwkeurig onderricht waren van dien staat van zaken,
haar echter de eer aandeden van een geregeld beleg, en dat
Turenne zelf met een leger van 20 ^ 30000 man oprukte tegen
eene vesting, die door een paar bataljons met eenige artillerie
kon genomen worden.
Het verhaal der belegering kan in weinig woorden geschieden.
Den 2osten Juli komt Turenne voor de vesting, slaat zich neder
met de hoofdmacht aan de zijde van het dorp Neder- Gameren,
eischt de stad vruchteloos op, opent toen eene loopgraaf en werpt
eene batterij op naar de zijde van de Gamerensche poort, wes-
telijk van Bommel. Een gewapende uitlegger, den 21 sten de Waal
afzakkende, brengt door geschut- en geweervuur eenig verlies
en verwarring bij den vijand teweeg, die bij Gameren zijne tenten
tot in de uiterwaarden had opgeslagen. Niettegenstaande dit
kleine voordeel ziet men echter dra in, dat eene langdurige ver-
dediging van Bommel ondoenlijk is; men treedt in onderhande-
ling en den 22sten heeft de overgave plaats. De bezetting ver-
kreeg vrijen aftocht naar Gorkura.
Maar die onbeduidende voordeelen konden weinig of niets
toebrengen tot de verovering van Holland, tot het einde des
oorlogsj en de Fransche Koning, wanhopende hierin te slagen,
de poging als het ware opgevende, besloot het oorlogstooneel
te verlaten en naar zijne hoofdstad terug te keeren. Den 26sten
Juli vertrok hij met zijn broeder Orleans, onder geleide van
een sterk ruiterkorps uit Boxtel, en zijn weg nemende dwars
door de Spaansche Nederlanden, kwam hij op den avond van
den len Augustus te Saint- Germain ; hier vierde hij een zegepraal
over veroveringen, zoo onbeduidend van waarde, zoo gemakkelijk
verkregen, zoo spoedig weer verloren!
Turenne's leger bleef na de inneming van Bommel eenigen
tijd werkeloos, in kantonnementen verdeeld; het voetvolk in de
Bommelerwaard, de ruiterij in de Meierij van 's Hertogenbosch.
Chamilly keerde met zijn legerkorps terug naar de omstreken
van Maastricht, en werd hier versterkt door het grootste gedeelte
Digitized by
Google
KRUGSVERRICHTINGEN IN DE OOSTELIJKE GEWESTEN. 157
van de Mahm du RoL Luxembourg was toen met een 16000
man in en om Utrecht, het overige werd verdeeld over de ver-
overde vestingen.
Toen in het begin van Augustus de krijgstoerustingen van den
Keurvorst van Brandenburg en van den Keizer eenige onrust
begonnen te verwekken aan de Fransche zijde, trok Turenne
een 8000 man bijeen te Berlicum bij Den Bosch. Versterkt door
nog eenige afdeelingen, ging de Fransche veldheer den isten Sep-
tember nabij Grave over de Maas, den 8sten bij Wezel over den
Rijn, en stond op het einde der maand in Bergsland. Zijn leger
was echter niet veel sterker dan een 12000 man; — men ziet
dus hoe gering de afleiding was, door den opmarsch van het
Brandenburgsche leger ten voordeele van de Republiek bewerkt.
De voorname oorzaak van de verzwakking der Fransche legers
in Holland moet gezocht worden in het bezet houden van alle
veroverde vestingen, waardoor een goed gedeelte dier legers
geheel onnut werd gemaakt.
Om een volledig beeld te geven van dit tijdvak van den veld-
tocht, moeten nog vermeld worden de krijgsverrichtingen van de
Munsterschen en Keulschen, in de oostelijke provinciën der
Republiek.
Het vereenigde Keulsche en Munstersche leger, na in het
begin der maand Juni zich zonder veel moeite te hebben meester
gemaakt van Grol, Breêvoort en Lochem, was eenige dagen
werkeloos gebleven tusschen Zutfen en Deventer. De sterkte van
dit leger, nergens met juistheid vermeld, moe't evenwel toen aan-
zienlijk zijn geweest, wanneer men in aanmerking neemt dat —
volgens Sylvius — alleen het Keulsche leger met het Fransche
hulpkorps uit 6 regimenten ruiterij en evenveel regimenten voet-
volk bestond, en een dier laatste regimenten over de 3000 man
telde; en het Munstersche leger uit 15 regimenten bestond, zoo
ruiterij als voetvolk. Die opgave kan zeker weinig dienen om
de juiste sterkte dier vijandelijke legermacht te doen kennen,
maar zij doet ten minste zien, dat onze vroegere schatting van
de vereenigde Munstersche en Keulsche krijgsmacht op een
20 b, 30000 man zeker niet overdreven is ; onze schrijvers geven
aan die krijgsmacht nu eens een sterkte van 30000, dan weder
van 40000 man. De eigenlijke bevelhebber van dit leger was de
Munstersche bisschop; Luxembourg was hem toegevoegd om
zijne handelingen eenigszins te besturen, maar tusschen dit leger-
hoofd en den krijgshaftigen kerkvorst schijnt spoedig zulk een
gebrek aan overeenstemming te zijn ontstaan, dat de eerste door
Lodewijk XIV werd teruggeroepen en vervangen door den
markies De Renel.
Digitized by
Google
158 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
De Bisschop had Zutfen willen belegeren, maar was daarin
verhinderd door Luxembourg, die wist dat Frankrijk zelf die
plaats in bezit wilde nemen; Deventer deed zich toen aan de
Munsterschen voor. Hoezeer er eenige gebreken geweest kunnen
zijn in de versterking van die stad, zoo moest men haar toen
evenwel, voor de krijgsvoering van dien tijd, beschouwen als een
sterke en belangrijke vesting, die langen tijd 's vijands macht
had kunnen keeren. Behalve de regimenten voetvolk van Stekke
en Broersma — die met 3 compagnieën ruiterij naar Deventer
waren gezonden door Willem III, toen deze den IJsel verliet — ,
had men er nog andere infanterie en een 14 k 1500 waard-
gelders, in 17 compagnieën verdeeld. Dit alles bedroeg een 4500
man. Voegt men hierbij een 2000 gewapende burgers, dan maakt
dit een aanzienlijke macht uit, die met beter gevolg kon werk-
zaam zijn, doordien zij naar welgevallen op beide oevers van
den IJsel uitvallen kon doen. Een 50 stukken geschut, die reeds
op de wallen stonden, werden bij het verlaten van den IJsel
door het Hollandsche leger nog versterkt door 16 of 18 stukken
welke naar Deventer waren gezonden. De mond- en krijgsvoor-
raad was voldoende.
Al die verdedigingsmiddelen werden echter nutteloos gemaakt
door het verraad van eene partij, die er toen op uit was om
Overijsel van de Republiek af te scheuren en onder het Mun-
stersche gezag te brengen. Die partij, die hare vertakkingen door
de geheele provincie had, was het machtigst in Deventer, waar
zij door een der aanzienlijkste geslachten — de Nilaut's — het
voornaamste gezag in handen had en alles doordreef wat zij
wilde; en de ongelukkige verhouding, die toentertijd de bezet-
ting eener stad geheel ondergeschikt maakte aan de stedelijke
regeering, werd door de zwakke krijgsbevelhebbers tot dekmantel
genomen, om daarmede de spoedige en schandelijke overgave
van Deventer te verschoonen.
Den i6cn Juni vertoont zich de vijandelijke legermacht op den
rechter IJseloever voor Deventer; den volgenden dag gaat eene
afdeeling van 9000 man, die 6 mortieren bij zich heeft, een uur
beneden de stad over den IJsel, plaatst zich op den linkeroever
en voltooit zoo de insluiting. Er moet niet veel orde hebben ge-
heerscht onder de Duitsche troepen, zoodat de sterke bezetting met
voordeel had kunnen uitvallen, voornamelijk op den linkeroever ;
tot dat laatste werd echter de mogelijkheid benomen, doordien
men zelf den i yen de brug over den IJsel opbrak. Van uitvallen
kwam dan ook weinig in, en reeds bij den aanvang was de ver-
dediging zoo flauw, dat men niet eens den bedekten weg en de
buitenwerken bezette. Op de beide oevers van den IJsel begon
de belegeraar zich in te graven, terwijl hij in den vroegen ochtend
van den 2osten een bombardement aanving, dat evenwel niet veel
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN IN DE OOSTELIJKE GEWESTEN. 159
kwaad schijnt te hebben gedaan. Een uitval, die men uit de
Norenberger Poort wilde doen, bleef zonder gevolgen door de
kleinmoedigheid der troepen; voor dien uitval had men ook
slechts 200 man genomen, bij eene bezetting van eenige dui-
zenden! De loopgraven van den vijand, door niets verhinderd,
gingen al vast voort en waren weldra aan de gracht. Men trad
toen in onderhandeling, en niettegenstaande de tegenstreving van
een der burgemeesters — Boekholt — , die op de groote ver-
dedigingsmiddelen van Deventer wees om het plichtmatige van
den wederstand aan te toonen, wist de roet den vijand heulende
factie echter haren wil door te drijven en tot de overgave te doen
besluiten. De militaire bevelhebbers schijnen niet het minste te
hebben gedaan om die daad van verraad tegen te gaan ; sommige
hunner waren zelfs medeplichtig aan dit verraad, zooals onder
anderen de kolonel Broersma, die zich later voortdurend bij het
Munstersche leger bleef ophouden en den bisschop met zijn raad
diende.
Den 21 sten Juni jrerd de schandelijke capitulatie geteekend,
waarbij Deventer den vijand in handen werd gegeven en de be-
zetting krijgsgevangen bleef, op eenige hoofdofficieren na, die
zich niet schaamden om hun lot af te scheiden van dat hunner
wapenbroeders, en van den overwinnaar de genade aan te
nemen om vrij naar Groningen of Friesland te vertrekken.
Gedurende dit korte beleg van Deventer zond de Munstersche
bisschop detachementen uit om zich meester te maken van
Elburg, Harderwijk en Hattem. Het eene dier detachementen,
bestaande uit 600 ruiters en dragonders en aangevoerd door den
overste HouttU)m, een uitgeweken Friesche balling, bemachtigde
op den igen Juni Elburg en op den 2 2 sten Harderwijk, hetgeen
niet de minste moeite kostte, daar die beide plaatsen geen bezet-
ting hadden en niet werden verdedigd door de burgerij. Het andere
detachement, naar de opgave van onze zijde 3000 man sterk en
aangevoerd door den overste Nagel, ontmoette te Hattem meer
* wederstand. Deze kleine stad, hoezeer geen andere bezetting
hebbende dan 76 soldaten, waarbij zich 180 gewapende burgers
aansloten, bleef zich echter vier dagen lang (18—22 Juni) met
groote dapperheid verdedigen, en gaf zich eerst over toen
zij de zekerheid had van niet te zullen worden ontzet en het
geheele Munstersche leger hare muren naderde. Onze schrijvers
beweren, dat het verlies van den vijand voor de muren van
Hattem meer dan 700 man heeft bedragen ; zonder die bewering
als geheel juist aan te nemen, moet men echter erkennen, dat
de verdediging van die kleine stad lof verdient.
Hattem, Elburg en Harderwijk, als tot Gelderland behoorende,
kregen toen Fransche bezetting.
Digitized by
Google
l6o KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Het veroveren van de hoofdstad van Overijsel kostte den
vijand even weinig moeite. Zwolle had toen tot bezetting de
regimenten voetvolk van Bamphield en Ripperda; het eerste,
door Willem III daarheen gezonden bij zijn terugtocht op Utrecht,
bestond uit 8 compagnieën die te zamen slechts een 400 man
telden; het tweede, nieuw aangeworven, had 9 compagnieën;
in de stad waren nog 3 andere compagnieën voetvolk en 6 com-
pagnieën nieuw aangeworven ruiterij ; — in het geheel wordt die
bezetting begroot op een 1200 man, waarbij zich evenveel ge-
wapende burgers konden voegen.
Spoedig echter ontstond er een volslagen misverstand tusschen
de bevelhebbers der bezetting en de stedelijke regeering; de
eersten koesterden wantrouwen tegen de laatsten^ en hebben haar
later — en met name een der burgemeesters, Royer — beschul-
digd van in verstandhouding te hebben gestaan met den vijand,
en dezen zoowel de bezetting als de stad in handen te hebben
willen spelen. Het gedurig onderhandelen niet Munstersche zen-
delingen en met een der Deventersche burgemeesters die het
meest had aangedrongen op Deventer's overgave; het verwaar-
loozen van alle middelen van verdediging; het ongeredderd
laten van de vestingwerken ; de bijna onbruikbare toestand waarin
men het geschut liet; — dit alles geeft de grootste waarschijn-
lijkheid aan die beschuldiging tegen de Zwolsche regeering.
Ripperda en Bamphield, wanhopende aan een goede verdediging
en hunne troepen niet in *s vijands handen willende laten vallen,
ontruimden Zwolle toen, trokken den 23steii Juni terug op Has-
selt en den volgenden dag naar de Friesche grenzen. — Het
onbezette Zwolle gaf zich toen den aósten aan den vijand over.
Het zwak bezette Kampen volgde dit voorbeeld denzelfden
dag, evenzoo Zwartsluis, Steenwijk en de overige kleine plaatsen
van Overijsel. De Ommerschans werd ten gevolge van een op-
stand der bezetting den 24sten Juni aan den vijand ingeruimd^
en de verovering van Overijsel werd als het ware bekrachtigd
en bezegeld door eene capitulatie, welke de Ridderschap van
dat gewest den 5 en Juli met den bisschop van Munster sloot.
Zoo weinig volkszin en vaderlandsliefde was er toen bij de
hoofden van dat gewest.
Friesland en Groningen werden toen bedreigd met een inval
van den vijand, en beide gewesten waren in weinig weerbaren
toestand, bijna zonder troepen en alleen hier en daar eenige
schier vervallen forten bevattende. De regeeringen dier gewesten
namen intusschen dadelijk beleidvolle maatregelen voor hunne
verdediging. In Friesland werden — zeggen onze schrijvers —
de sluizen opengezet en polders en bedijkte landen geïnun-
deerd; — hoever zich die inundatie uitstrekte, en in hoever
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN IN DE OOSTELIJKE GEWESTEN. l6l
Friesland daardoor werd gedekt, is echter moeielijk op te maken.
De weerbare bevolking werd te wapen geroepen en voegde zich
bij den generaal Aylva, die te Heerenveen stelling nam met de
troepen welke Overijsel hadden verlaten; de macht van dien
bevelhebber bedroeg aanvankelijk slechts 13 ^ 1400 man, maar
dag aan dag werd zij door schutterijen versterkt en hield zij den
vijand in ontzag.
De Groningsche Staten benoemden tot luitenant-generaal van
de provincie en gouverneur der stad Groningen, Rabenhaupt,
een oud, ervaren, krachtvol bevelhebber; een vreemdeling, als
men wil — hij was Duitscher van geboorte — maar die zich
ten volle het* burgerrecht heeft verworven door de langdurige en
groote diensten, den lande bewezen. De geheele krijgsmacht,
waarover Rabenhaupt aanvankelijk kon beschikken, was slechts
een 1200 man; zij werd grootendeels vereenigd bij de stad
Groningen.
De Munstersche en Keulsche krijgsmacht, de strijdkrachten
van Aylva en de verdedigingsmiddelen van Friesland sterker
schattende dan zij waren, zag af van een inval in dat gewest en
wendde zich naar de zijde van Groningen. De Oude of Belling-
wolderschans, de Nieuwe of Langakkerschans, de Beijlerschans
en het huis Ter Wedde werden zonder slag of stoot door den
vijand bemachtigd; sommige dier sterkten waren mét, andere
zónder last der Staten ontruimd, en twee bevelhebbers werden
om dit laatste, of om het achterlaten van geschut, ter dood ver-
oordeeld. De bevelhebber van de Bourtange, de kapitein Prot,
gaf toen aan een onderbevelhebber des Bisschops, die hem door
een aanbod van tweemaal honderd duizend gulden wilde over-
halen om zijn vesting aan den vijand over te geven, het be-
kende antwoord: tdat hij voor den vijand zooveel kogels had,
als deze hem guldens aanbood." — Wij hebben de hoogste ach-
ting voor de onbaatzuchtige eerlijkheid van dien trouwen be-
velhebber, die, in een tijd van zooveel zwakheid en verraad, zich
vrij wist te houden van alle omkooping, maar wij begrijpen niet
hoe twee honderd duizend gulden konden geboden worden voor
eene vesting als de Bourtange! 't Is waar, die som werd nog
maar beloofd.
Den aQsten Juni begon de vijandelijke ruiterij zich te vertoonen
voor Coevorden, en den volgenden dag werd de vesting inge-
sloten door de hoofdmacht der Munsterschen. Coevorden had
vroeger eene zeer groote sterkte door hare natuurlijke ligging,
maar door verloop van tijd waren de moerassen die haar om-
gaven, langzamerhand verminderd; er waren slooten, afwate-
ringen, afdammingen gemaakt, zoodat verschillende gedeelten
WILLEM III. — I. II
Digitized by
Google
102 KRIJGS- EN GESCHIBDKUMDIGE BESCHOUWINGEN.
droog en begaanbaar waren, die men vroeger voor ontoegan-
kelijk hield. Reeds in 1672 werd geklaagd over de verminderde
sterkte van Coevorden; het was niet meer het y^Klesn Candia'\
zooals de Munstersche bisschop het ten onrechte noemde.
De kunstmatige sterkte van Coevorden bestond uit een regel-
matigen hoofdwal met 7 bastions en evenveel ravelijnen ; een van
die bastions was door eene verschansing naar de stadszijde ver-
anderd in een soort van citadel; het geheel was omgeven door
een gracht, bedekten weg en voorgracht. Maar de werken waren
slecht in orde, de borstweringen niet van genoegzame dikte, de
grachten op sommige plaatsen geheel ondiep en de palissadeering
zeer gebrekkig. Broersma, die vroeger bevelhebber ^an Coevorden
geweest en bekend was met alles wat de vesting zwaks en ge*
brekkigs had, bevond zich thans bij het leger van den Bisschop
en wees dezen de gunstigste aanvalspunten aan.
De bezetting bestond aanvankelijk uit 2 compagnieën ruiters
en 13 compagnieën voetvolk, te zamen een 1000 man; weinige
dagen voor het beleg kreeg men nog als versterking het vroe-
gere garnizoen van Schenkenschans, dat door desertie tot op
een 2 k 300 man was versmolten, zoodat de geheele bezetting
van Coevorden op 12 ^ 1300 man kon worden begroot. De
wapening bestond uit 29 stukken geschut op oude vermolmde
affuiten; er was slechts een geringe voorraad van kogels, en toen
men meer kogels had gevraagd, had men tot antwoord ge-
kregen: idat dit niet noodig was, want dat de belegeringen, door
de Franschen gevoerd, zelden lang duurden." Kon men scherper
sadre maken op den ongelukkigen toestand waarin zich het krijgs-
wezen in Nederland toen bevond!
Den 309tcn Juni werd door de ruiterij der bezetting van Coe-
vorden een uitval gedaan, die echter met verlies werd afgeslagen.
Den 2en Juli werden de loopgraven geopend bij het huis Ten
Klooster aan de westzijde en den 460 bij de Ësscherbrug aan
de zuidoostzijde der vesting. De macht der belegeraars wordt
door onze schrijvers begroot op 20 k 30000 man, en uit een
brief van Chamilly — de broeder van den bevelhebber van het
observatie-korps bij Maastricht — blijkt dat er bij de Bourtange
eene afdeeling van 1500 man voetvolk en 1000 ruiters was
achtergebleven om de bezetting dier sterkte, die een 300 man
telde, in bedwang te houden. De belegeraar bracht bij beide
nadernissen een groote hoeveelheid geschut in werking, dat, den
6en Juli het vuur openende, in weinig dagen het geschut des
verdedigers zoodanig tot zwijgen bracht, dat deze alleen geweer-
vuur kon aanwenden tegen de aan vals- werkzaamheden; vooral
het worpgeschut der Munsterschen richtte aanmerkelijke verwoes-
tingen aan in de binnenruimte der kleine vesting.
Terwijl de nademissen van den vijand steeds voortgingen, deed
Digitized by
Google
GRONINGEN. 163
deze, in den nacht van lo— ii Juli, den bedekten weg bestormen.
Zoo groot was reeds de ontmoediging bij de bezetting, dat de
wederstand gering was, en de aanvaller, slechts ten koste van
een klein verlies, meester werd, niet alleen van den bedekten
weg, maar ook van een der ravelijnen. Men trad toen in onder-
handeling, en niettegenstaande de bevelhebber der vesting, de
luitenant- kolonel Van Burum, volstandig weigerde in eene over-
gave toe te stemmen, besloot echter de meerderheid van den
krijgsraad daartoe, en zonder toestemming of zelfs voorkennis
van den bevelhebber werden op den iien Juli de poorten der
vesting voor den vijand geopend. De bezetting verkreeg vrijen
aftocht naar Friesland, maar de voorwaarden der capitulatie
werden door den Munsterschen bisschop zoo slecht gehouden,
dat de bezetting eerst na geruimen tijd en na vele mishande-
lingen te Harlingen aankwam. Te geringe straf voor de lafheid
waarmede zij, alle krijgstucht met voeten tredende, zonder toe-
stemming van haren aanvoerder de haar toebetrouwde vesting
had overgegeven.
De verliezen der beide partijen bij dit beleg vinden wij niet
opgeteekend. Alleen wordt vermeld, dat de voormalige bevel-
hebber der Schenkenschans hier sneuvelde ; — een eervolle dood,
die zijne vroegere lafheid eenigszins doet vergeten.
Na de overgave van Coevorden was het bij de hoofden van
het vijandelijk leger een ernstig punt van overweging, of men
al dan niet zou overgaan tot het beleg der stad Groningen.
Tegen dit beleg bracht men in: de sterke ligging der stad, welke
geen geheele insluiting toeliet; de bekwaamheid van haar bevel-
hebber; en de nadeelige indruk welke deze onderneming zou
maken wanneer zij mislukte. Ten voordeele van dit beleg voerde
men aan: dat het nóg nadeeliger indruk zou maken, wanneer
men niets uitvoerde; dat, daar men in Groningen alleen nog
maar de stad Delfzijl had te vermeesteren en een inval in Fries-
land ondoenlijk was door de inundatiën en het doorsneden ter-
rein, er niet veel anders overbleef dan het beleg van Groningen ;
dat dit beleg wel onzeker was, maar men toch ook moest reke-
nen op de vrees en ontmoediging aan de Hollandsche zijde, op
den aanzienlijken voorraad geschut, die men had, en op de
sterkte der legermacht waarover men kon beschikken; die leger-
macht bedroeg, behalve de ruiterij en behalve de bezettingen, in
de vermeesterde vestingen en de afdeeling voor de Bourtange
achtergelaten, nog een 13 k 14000 man alleen aan voetvolk. -—
Al deze gronden, in het breede uiteengezet in eene memorie
van vorst Wilhelm von Fürstenberg van den 24stcn Juli 1672,
deden eindelijk tot het beleg besluiten.
Waarschijnlijk is de Bisschop ook vooral aangespoord tot de
Digitized by
Google
104 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
belegering van de stad Groningen, door Schuilenburg, die daar
vroeger de hoogste betrekkingen had bekleed, deze later had ver-
loren, en in 1663, bij een dier onlusten die in de geschiedenis
onzer Republiek zoo veelvuldig voorkomen, zijn vaderland had
moeten ontvluchten, om een tegen hem uitgesproken doodvonnis
te ontgaan. De balling had zich na dien tijd aan het Munstersche
hof opgehouden, en reeds tijdens den tweeden Engelschen oor-
log den Bisschop met raad bijgestaan-, de zucht om zich op
zijne vijanden te wreken over de ondergane vervolgingen en
zegevierend in zijn stad terug te keeren, zal hem bewogen heb-
ben, hare belegering den Bisschop aan te raden.
De stad Groningen had hare sterkte toen voornamelijk te
danken aan hare ligging in eene lage landstreek, bij verschillende
uit het Drenthensche komende kleine rivieren, die zich verder
noord- en oostwaarts in zee storten, en waardoor men onder-
waterzettingen tot stand kan brengen, die het den vijand ondoen-
lijk maken de stad aan verschillende zijden aan te vallen, en zeer
moeielijk haar geheel in te sluiten. Nu behoeft het geen betoog,
dat vooral die laatste omstandigheid aan Groningen eene zeer
groote sterkte bijzette: eene vesting, die niet kan worden inge-
sloten, die gedurig toevoer en versterking kan ontvangen, kan
tot in het oneindige worden verdedigd; — Oostende heeft dit
bewezen in de eerste jaren der 17e eeuw.
Alleen de zuidzijde van Groningen, de hooge grond tusschen
het Hoornsche Diep en het Schuitendiep, levert een geschikt
front van aanval op. Dit terrein, eene breedte van een klein half
uur gaans hebbend, en waar later de linie van Helpen is aan-
gelegd, wordt oostelijk begrensd door het Schuitendiep of de
Hunse, westelijk door het Hoornsche Diep. De eerste dier rivie-
ren ontspringt uit de Wildervanksche venen, niet ver van de
vroegere Valterschans, stroomt in de richting van het zuiden naar
het noorden door het Zuidlaarder meer naar Groningen, buigt
zich bij die stad in eene oostelijke richting om en loopt, onder
den naam van Damsterdiep of Fivel, over Appingadam naar
Delfzijl, waar zij zich in den mond van de £ems werpt. Het
Hoornsche Diep, ook in Drenthe ontspringende, volgt langen
tijd een bijna evenwijdigen loop met het Schuitendiep; te Gro-
ningen verdeelt het zich in twee takken, de eene in westelijke
richting, onder den naam van Hoendiep, eene trekvaart naar
Dokkum vormende ; de andere, zijn loop in noordwestelijke rich-
ting vervolgende onder den naam van Reitdiep, en in de Lauwerzee
uitloopende. Het Hoendiep en het Reitdiep worden weer verbon-
den door een dwarskanaal, het Aduarderdiep, dat, op een uur
westelijk van Groningen, zich van het Hoendiep afzondert en,
in noordelijke richting gaande, zich te Aduarderzijl met het Reit-
diep vereenigt. Of te Aduarderzijl zich sluizen hebben bevonden,
Digitized by
Google
GRONINGEN. 165
is ons niet gebleken, maar wél wordt er bepaaldelijk gezegd, dat
het vermeesteren van de daar aanwezige schans, den vijand in
de gelegenheid zou hebben gesteld om de onderwaterzettingen
van Groningen af te tappen.
De stad Groningen zelve was regelmatig versterkt, omringd
door een hoofdwal met 17 bastions (op oude plans dwingers
genoemd), voorzien van een fausse-braie^ van eene breede en
diepe natte gracht, en van eene gemetselde escarpe. Dadelijk, bij
de nadering des vijands, had men, door het doorsteken van
dijken en dammen, het openstellen van de kleine sluizen in den
omtrek, en het leggen van twee dammen in de riviertjes die
door de stad stroomen, eene onderwaterzetting verkregen, die, op
de Drentsche zijde na, Groningen geheel omgaf. Naar de zijde
van het front van aanval werden de voorsteden en alleenstaande
gebouwen afgebroken of verbrand, heggen en boomen omge-
houwen. Levensmiddelen en krijgsbehoeften waren er in Groningen
genoegzaam aanwezig, en daar de gemeenschap met Friesland en
Holland openbleef, werden zij steeds aangevoerd in den loop van
bet beleg. Van geschut moet de vesting goed voorzien zijn ge-
weest; ten minste, in de reeds aangehaalde memorie van den
vorst van Fürstenberg wordt bij wijze van gerucht gezegd, dat
er wel 200 stukken geschut in Groningen waren, en Renel, de
Fransche aanvoerder die Luxembourg had vervangen, schrijft
den 2isteQ Augustus uit het kamp voor Groningen, dat hij aan
den goeden uitslag van het beleg wanhoopt, omdat de belegerden
op het front van aanval wel een 60 stukken hadden en de be-
legeraars nog slechts 26.
De sterkte der bezetting wordt verschillend opgegeven : volgens
sommigen bedroeg zij aanvankelijk slechts 1200 man, volgens
anderen 2000 ; die laatste opgave komt vrij wel overeen met wat
men vindt in den reeds aangehaalden brief van Renel, namelijk
dat, »na de komst van 19 nieuwe compagnieën uit Holland, er
in Groningen een 3000 man geregelde troepen waren" ; — over-
dreven zijn andere Fransche opgaven, welke die geregelde troe-
pen op 5000 man begrooten. De aanvankelijke samenstelling van
de bezetting was: 23 of 24 compagnieën voetvolk, 4 compag-
nieën ruiters en 3 compagnieën dragonders. Hieraan sloot zich
de schutterij, 18 compagnieën uitmakende; bovendien hadden
zich 4 nieuwe compagnieën gevormd, samengesteld uit burgers
die anders vrij waren van schutterlijken dienst, maar thans uit
vaderlandsliefde de wapenen hadden opgevat. Een 150 studenten
vormden een keurtroep, die zich overal vertoonde waar het ge-
vaar het grootst was, en zich overal onderscheidde door dap-
perheid. — Wij gelooven dat men, zonder groote onnauwkeurig-
heid, het geheele getal der verdedigers bij het begin van het
beleg op een 4 è. 5000 man kan stellen.
Digitized by
Google
l66 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Genoegzaam sterke bezetting, voldoende uitrusting, krachtige
wapening, vrije gemeenschap met het overige des lands, onaan-
valbaarheid van het grootste gedeelte der vesting, ziedaar om-
standigheden welke eene krachtdadige verdediging konden doen
voorspellen, vooral daar er bijkwam de uitmuntende geest
welke de verdedigers bezielde, en een aanvoerder die partij wist
te trekken van al die voordeden. Rabenhaupt doet zich hier
bij dit beleg kennen als een bekwaam, krachtvol en stout bevel-
hebber; met beleid beraamt hij alle middelen die tot de ver-
dediging moeten dienen; geen oogenblik luistert hij naar de
voorslagen tot overgave ; en hij weet dadelijk den moed der be-
zetting zoodanig op te wekken, dadelijk zulk een fieren toon
tegen den vijand aan te nemen, dat deze, reeds van den eersten
dag der belegering* af, aan de inneming van Groningen twijfelt.
De opeischingen des Bisschops, de listige brieven van den ban-
neling Schuilenburg, die, tegen zijn stad strijdende, zich in het
leger der Munsterschen bevond, worden met verachting afge-
wezen; eenige rampzaligen, overtuigd van verstandhouding met
den vijand, worden ter dood gebracht, en diezelfde straf uitge-
sproken tegen den voortvluchligen verrader Broersma, om daar-
door in toom te houden wie zijn voorbeeld zou willen navolgen.
De burgerij ondersteunt den wakkeren bevelhebber met een
geestdrift, met een zelfopoffering, die herinnert aan de vroegere
worstelingen tegen Spanje.
Nagel, met 4000 ruiters de hoofdmacht des vijands vooraf-
gaande, vertoonde zich op den iqcq Juli voor de poorten der
vesting, na eerst, bij het dorp Helpen, in gevecht te zijn geweest
met eene kleine ruiterafdeeling der bezetting onder den ritmeester
Sickinghe. Den aostcn volgde de hoofdmacht, die den 21 sten zich
voor Groningen vertoonde en daar eene legerplaats opsloeg tus-
schen het Schuitendiep en het Hoornsche Diep; de Keulsche
troepen rechts, die van Munster links. Er werden dadelijk veld-
ovens aangelegd, om voor het onderhoud der troepen brood te
bakken met het meel dat men van Zwolle en Deventer deed
komen.
Het was des Bisschops voornemen, om de stad Groningen
zoo veel mogelijk geheel in te sluiten ; daartoe zou eene afdeeling
over het Schuitendiep en het Damsterdiep trekken, om Groningen
aan de noordzijde te omgeven; eene andere afdeeling zou het
Hoendiep overgaan, zich naar de zijde van Dokkum uitbreiden
om alle toevoer over land van de Friesche zijde te beletten, en
tevens bij het Reitdiep een fort opwerpen, met 8 of 10 stukken
geschut bewapend, om daardoor de gemeenschap met Holland
over zee af te sluiten.
Die pogingen slaagden echter niet. Den 22sten was door den
vijand een brug geslagen over het Schuitendiep en breidde hij
Digitized by
Google
GRONINGEN. 167
zich uit op den rechteroever dier rivier, naar de zijde van het
Damsterdiep. Over laatstgenoemde rivier waren twee bruggen:
de Hoogerbrug, een kwartieruurs ten oosten van Groningen, en de
Ruisscherbrug, bij het Siochterdiep ; beide bruggen waren in den
beginne niet bezet geweest; thans echter waren zij van veld-
werken voorzien en bezet met geschut, met eenige troepen en
niet een aantal gewapende boeren, die, aangevoerd door de
Groningsche edelen, het geheele Damsterdiep van Groningen
tot Delfzijl bewaakten. Vruchteloos waren dan ook alle pogingen
des vijands om die rivier over te trekken.
Aan de andere zijde was eene afdeeling van 2000 vijandelijke
ruiters, gevolgd door 8 compagnieën voetvolk, het westerkwartier
binnengedrongen, den 23stcn Juli, bij Emetil, het Hoendiep over-
gegaan, en had zich toen naar de Lauwerzee uitgebreid, de dor-
pen Zuidhom, Noordhorn, Grijpskerke en het dorp Visvliet
aan de rivier de oude I^uwers bezettende, en daardoor de ge-
meenschap der stad Groningen met Friesland afbrekende. De
schans te Aduarderzijl was echter nog bij tijds bezet door eene
uit Groningen afgezonden afdeeling dragonders en een aantal
gewapende boeren; en de aanvallen, den 25sten en 3ostcn Juli
door de Munsterschen op die sterkte gedaan, werden telkens
manmoedig afgeslagen, zoodat het den vijand niet gelukte, de
onderwaterzettingen om Groningen af te tappen en de gemeen-
schap over zee te verhinderen.
Onder voor den belegeraar zoo ongunstige omstandigheden,
werden op den 23stcn Juli de aanvalswerkzaamheden begonnen;
door de Keulsche troepen rechts, naar de zijde van het Blaauwe
huis; links door de Munsterschen, naar de zijde van de ge-
rechtsplaats. Op welken afstand van de stad de loopgraven
werden geopend, wordt niet met juistheid vermeld ; alleen wordt
gezegd, dat den 23sten de loopgraven van de Keulenaars halfweg
het Blaauwe huis en de stad waren; die der Munsterschen
waren toen rneer achteruit, en volgens sommigen op te grooten
afstand van de stad geopend; anderen zeggen, dat de steen-
achtige grond oorzaak was, dat de aanvalswerken van de Mun-
sterschen veel langzamer vorderden dan die der Keulenaars.
Het front van aanvaK tusschen het Schuitendiep en het Hoorn-
diep, bestond uit vijf bastions; twee poorten waren daar: ooste-
lijk de Oosterpoort, westelijk de Heerepoort; bovendien
had men, oostelijk van de Oosterpoort, nog een kleinere poort,
het Steentilpoortje genoemd, waarvoor de belegerden een
klein aardenwerk opwierpen, het Retranchement genaamd.
De Keulenaars zouden nu hun aanval doen op de twee bastions
aan weerszijden van de Oosterpoort, de Munsterschen op het
bastion tusschen de Ooster- en de Heerepoort, dat ook door de
Keulenaars werd aangevallen, en op de bastions westelijk van
Digitized by
Google
l68 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
de Heerepoort. Den eersten dag werd de loopgraaf der Keule-
naars bezet door 3 bataljons, die der Munsterschen door 2 regi-
menten.
De belegering van Groningen verdient minder nog uit een
wetenschappelijk oogpunt onze aandacht, dan wel door den stand-
vastigen moed die de verdedigers aan den dag leggen, en ook
omdat men uit die belegering weer het bewijs kan putten, hoe
moeielijk het is zich meester te maken van eene vesting die men
niet kan insluiten. De aanvallers gaan in twee verschillende nader-
nissen vooruit, zonder dat die nadernissen, die op sommige
plaatsen niet meer dan een el of tien van elkander waren ver-
wijderd, zich vereenigen ; van het aanwenden der parallellen vindt
men hier geen spoor. De loopgraven van de Munsterschen blijven
gescheiden van die der Keulenaars, en er wordt vermeld, dat
die der eersten veel beter en ruimer waren dan die der laatsten.
Geschutvuur wordt door den aanvaller op eene krachtdadige
wijze aangewend om de vesting te doen vallen ; maar hij begaat
daarbij twee groote misslagen: vooreerst door zijne batterijen
niet gelijktijdig, maar de eene voor, de andere na in werking te
brengen en ze daardoor, ieder afzonderlijk, bloot te stellen aan
het overmachtige vuur van de vesting; en ten tweede door
vooral werpgeschut te bezigen, niet tegen de vestingwerken, maar
tot verwoesting van het inwendige der stad. In een tijd, toen de
gewapende burgerij, bij de verdediging van hare stad, meesttijds
even sterk was als de geregelde bezetting, kon het bombar-
deeren van eene stad beschouwd worden als een barbaarsch,
maar afdoend middel om de overgave te bewerken, door ont-
moediging te brengen onder die burgerij; d^r echter, waar de
burgerij waartegen men te strijden had, dapper en goed bezield
was, kon dit middel weinig baten; en verminderde men, door
een deel van het belegeringsgeschut tegen het binnenste der stad
aan te wenden, de mogelijkheid om de vestingwerken te ver-
nielen en het geschut des belegerden tot zwijgen te brengen.
Vandaar dan ook dat, gedurende het gansche beleg, de artil-
lerie der Groningers onbetwistbaar de overhand heeft op die
des vijands; dat er gedurig batterijen der belegeraars worden
vernield, terwijl slechts zelden vuurmonden der belegerden tot
zwijgen worden gebracht, en dat, terwijl de belegeraars zeer
groote verliezen lijden, in de stad wel veel huizen vernield wor-
den, maar slechts een klein aantal der verdedigers sneuvelt. —
Uit de batterijen werd ook met gloeiende kogels gevuurd, en
uit de mortieren bommen in de stad geworpen, die, naar de
opgave van onze schrijvers, 150 ^ 200 Nederlandsche ponden
wogen! Ook wordt gesproken van mijngangen, die een honderd
el lengte hadden, en waarmede de aanvaller, bedekt, de gracht
schijnt genaderd te hebben. Die mijngangen moeten lager ge-
Digitized by
Google
GRONINGEN. 169
weest zijn dan het bo venvlak van het water in de grachten der
vesting^ dat iets minder dan eene el beneden het maaiveld stond.
De handelingen der verdedigers bestonden voornamelijk in het
belemmeren van 's vijands werkzaamheden door middel van een
hevig geschutvuur, en door het gedurig doen van kleine uit-
vallen. De belegerden hadden meer geschut dan de belegeraars
en gebruikten het op eene betere wijze. Vandaar dat zij altijd in
het voordeel waren, 's vijands arbeid vertraagden, zijne batterijen
gedurig vernielden en hem een groot verlies aan manschappen
toebrachten. De uitvallen hadden meest plaats aan de oostelijke
zijde, denkelijk onder bescherming van het aardenwerk dat men,
nog gedurende het beleg, voor het Steentilpoortje opwierp; een
honderd, een paar honderd man was de gewone sterkte der
uitvallers, die meesttijds voordeden behaalden. Tegen het ont-
staan van brand werden in de stad de meest gepaste maatregelen
genomen, en daar de zuidelijke wijken het meest te lijden had-
den, trok de burgerij zich grootendeels in het noordelijk gedeelte
der stad terug. Tegelijkertijd waakte Rabenhaupt er voor, 'dat
de vijand geen meester werd van die posten, zooals Aduarderzijl,
de Hoogerbrug en de Ruisscherbrug, wier bezit hem in staat
zou hebben gesteld, om Groningen geheel in te sluiten en de
gemeenschap met Holland af te snijden ; gedurig werden er af-
deelingen afgezonden om de bezettingen dier punten te verster-
ken of af te lossen; andere afdeelingen werden gebruikt tot
kleine aanvallende ondernemingen, die echter niet altijd slaagden.
Ziedaar in algemeene trekken den gang van het beleg van
Groningen, dat den 21 sten Juli begint en den aSsten Augustus
eindigt; de bijzonderheden welke in die vijf of zes weken voor-
vallen, zullen, als minder belangrijk, slechts kort worden vermeld.
Reeds op den 23stcn Juli begint het geschutvuur der vesting
op 's vijands loopgraven te spelen; dien dag krijgt men te Gro-
ningen eene versterking van 200 man, behoorende tot het regi-
ment, door Königsmarck aangeworven. Eerst den sósten hebben
de Munsterschen eene batterij van 5 stukken gereed ; deze opent
den volgenden dag haar vuur, maar alleen zijnde, wordt zij dra
tot zwijgen gebracht door het geschut der stad. Den aSsten be-
gint het worpgeschut des vijands op de stad te werken, en die
beschieting wordt gedurende bijna het geheele beleg voortgezet ; de
goede maatregelen die men in de stad tegen het ontstaan van
brand heeft genomen, maken echter dat de schade, door dit bom-
bardement veroorzaakt, veel minder groot was dan men van den
langen duur had kunnen verwachten ; 's avonds wordt meestal
het werpen gestaakt Het kanonvuur des aanvallers heeft slechts
eene ondergeschikte werking, terwijl dat der belegerden gedurig
toeneemt; de belegerde heeft nu ook 2 mortieren op het front
van aanval gebracht; eerst den 28sten bezet hij de fausse-braie.
Digitized by
Google
lyo KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWING tN.
Het vuur uit het Retranchement voor het Sieentilpoortje be-
lemmert den voortgang van de Keulsche loopgraven ; toch zijn
de mijngangen van den vijand den 3osien Juli reeds tot nabij
de gracht gekomen.
De aanvaller, hopende door het bombardement ontmoediging
in de stad te hebben gebracht, deed haar toen opeischen, maar
ontving, den istcQ Augustus, een krachtig, weigerend antwoord.
Het bombardement eener stad, wanneer het den moed der be-
volking niet nederslaat, zal haar integendeel aanzetten tot eene
verbitterde verdediging; het is een gevaarlijk middel; gebruik
het tegen een weinig krijgshaftige bevolking, die zich dadelijk
de ergste schrikbeelden schept, en maar op een voorwendsel
wacht om zich over te geven; maar gebruik het niet legen een
stoute, met geestdrift vervulde burgerij, die door het verwoesten
van hare woningen alleen met meer haat bezield zal worden
tegen den vreemden aanvaller ; — die laatste uitwerking had het
hier te Groningen. De moed der verdedigers werd toen juist
verRoogd door de tijding van 's vijands afgeslagen aanval op
Aduarderzijl, en het vonnis, op dat oogenblik onder trommen en
trompetten in de straten van Groningen tegen den verrader
Broersma uitgesproken, werd begroet door het gejuich der met
geestdrift bezielde bevolking.
In den nacht van den 2en Augustus werden een 50 man der
bezetting met een turfpont de gracht overgezet; zij vielen op de
loopgraven der Keulenaars aan, doodden eenige vijanden en keer-
den toen terug. Den 3cn werd die uitval door een ijo man hervat,
welke den vijand grootere verliezen toebracht; den volgenden dag
kwam weer eene versterking van 250 man uit Friesland in de
stad Groningen. De vijand, hoezeer reeds den 3osten Juli in de
nabijheid der gracht gekomen, deed echter geen poging om die
over te trekken, dewijl het geschut- en geweervuur uit de vesting
hem hierin hinderlijk was; van nu af aan kan men in zijne
handelingen eene onzekerheid, eene weifeling opmerken, die aan-
duidt hoezeer hij twijfelt aan het welslagen der belegering. Den
7cn Augustus ondernam hij een aanval op het Retranchement
voor het Steentilpoortje en op de Hoogerbrug; de eerste ge-
lukte aanvankelijk; de bezetting, door eene vijandelijke storm-
kolonne van 3 k 400 man nog voor het aanbreken van den dag
overvallen, wijkt in wanorde binnen de stad; maar het geschut-
vuur, dat dadelijk uit de stad op het verloren werk wordt ge-
opend, is zoo hevig, dat de vijand het werk moet ontruimen,
zoodat het weer bezet wordt door de Hollanders. — De aanval
op de Hoogerbrug werd afgeslagen met groot verlies aan de
zijde der aanvallers.
Die mislukte aanvallen en het gedurig aankomen van verster-
kingen in de stad, deden den toestand der belegeraars hoe lan-
Digitized by
Google
GRONINGEN. 17I
ger hoe moeielijker worden, en hunne pogingen bepalen zich voor-
taan bijna alleen tot het voortzetten van het borobarderoent. De
belegerde daarentegen begint meer aanvallenderwijze te handelen.
Gedurig zijn er kleine afdeelingen van Königsmarck's regiment
aangekomen; den loen Augustus komt het regiment van Jorman,
14 compagnieën sterk, in de vesting; ook de vroegere bezetting
van Coevorden en herhaalde aanvoeren van krijgsbehoeften en
van geld bereiken de stad. — Rabenhaupt deed den 2 2 sten Augus-
tus eene afdeeling van 400 man, onder den overste Huninga,
uittrekken om de Nieuwe Schans te hernemen, in het oostelijk
gedeelte van de provincie; door misleiding van de zijde der
gidsen kwam die afdeeling echter te laat bij die sterkte die zij
wilde overvallen, vond den vijand reeds onder de wapenen, en
werd afgeslagen.
Een batterij van 6 stukken, door den belegeraar in den nacht
van 7 — 8 Augustus voltooid, wordt reeds den volgenden dag tot
zwijgen gebracht door het vuur uit de vesting; dit vuur heeft
echter minder uitwerking op de ingezonken mortierbatterijen, die
voortgaan met het werpen van bommen. Den 1360 Augustus
houdt het vuur van den belegeraar grootendeels op en blijft ge-
durende eenige dagen geheel onbeduidend; hij herstelt zijne
verliezen zooveel mogelijk, en bereidt zich voor tot eene nieuwe
krachtsinspanning; maar talrijke troepen overloopers, die dag
aan dag binnen Groningen komen, verkondigen de moedeloos-
heid die reeds algemeen is onder de Munstersche en Keulsche
krijgsmacht. Den 17 en hervat de aanvaller het vuur uit 5 batte-
rijen; te zamen gewapend met 30 vuurmonden, zeggen onze
schrijvers; met 26 volgens de opgave van Renel. Het vuur is
heviger dan ooit, en van de belegerden wordt eene batterij bij
de Oosterpoort tot zwijgen gebracht; maar de Hollandsche artil-
lerie, overmachtig in getal, behoudt toch de overhand; reeds
tegen den avond verflauwt 's vijands vuur; den volgenden dag
zijn reeds zooveel verliezen toegebracht aan den vijand, dat
tegen één schot van hem, de belegerden er vier of vijf doen ;
en het springen van een kruitwagen doet een aantal belegeraars
sneuvelen. Het vuur wordt voortgezet tot den sósten Augustus;
het geschutvuur hield echter meestal tegen den avond op, en
werd 's nachts vervangen door geweervuur. — Eene afdeeling
van 400 Keulenaars, die in den nacht van 19 — 20 Augustus de
Ruisscherbrug poogde te vermeesteren, werd met groot verlies
afgeslagen.
De vijandelijke legerhoofden begonnen toen in te zien, dat
het tijd was om een beleg op te breken, welks voortzetting
nadeelig en gevaarlijk was. Immers, van een bestorming was
weinig goeds te verwachten: twij zijn," schrijft Renel den 21 sten
Augustus, > reeds aan den rand der gracht, en kunnen aan den
Digitized by
Google
172 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
overgang daarvan beginnen;" maar hij voegt er bij, dat door
de groote hoeveelheid geschut, die de verdediger overal nog in
batterij heeft en die de aanvaller niet tot zwijgen heeft kunnen
brengen, die grachtsovergang zeer moeielijk {tres rudé) zal zijn;
bovendien, er was niets dat op eene bres geleek. Een storm zou
dus, bij de reeds heerschende ontmoediging bij het leger, eene
dwaasheid zijn geweest. Het beleg voortzetten op andere wijze,
kon ook niet voeren tot een goed einde; want daar men Gro-
ningen niet kon insluiten, kon de macht des verdedigers gedurig
versterkt en vernieuwd worden; het geschut van den aanvaller
was, voor een goed gedeelte, buiten werking gesteld; de Mun-
stersche en Keulsche soldaten liepen in menigte over, en de
Hollandsche macht die zich in Friesland samentrok, — door
Renel, mogelijk overdreven, begroot op 6000 man infanterie,
2000 ruiters en 5000 gewapende boeren — zou toch dag aan
dag sterker worden en kon dus spoedig gevaarlijk zijn voor het
verzwakte leger dat Groningen bleef aanvallen.
Dit alles bewoog de vijandelijke legerhoofden, met reden, om
tot den aftocht te besluiten. — Den 26stcn Augustus heeft nog
een uitval plaats, waarin de belegerden voordeden behalen; nog
den systen vertoont de aanvaller zich bij Helpen, maar neemt
den volgenden dag den terugtocht aan, die gedekt wordt door
eene achterhoede die stelling neemt tusschen Helpen en Haren,
en in den nacht van 29 — 30 Augustus den marsch volgt van het
hoofdleger. De bezetting van Groningen is, dadelijk daarop, bezig
met het vernielen van de aanvalswerken, ten einde eene hervat-
ting van het beleg te verhinderen.
Indien men onze schrijvers gelooven mag, zouden de verdedigers
van Groningen, alles en alles, nog geen honderd man aan dooden
hebben verloren, en zou het verlies des vijands gedurende dit
beleg, aan dooden, gewonden, gevangenen en overloopers, 10 è.
12000 man hebben bedragen. Wij waarborgen de juistheid van
dit laatste getal niet, en wij vinden het zelfs vrij onverschillig
of het verlies van de belegeraars een paar duizend man meer of
minder is geweest; maar zooveel is ten minste zeker, dat door
dit beleg de macht der Munsterschen en Keulenaars in onze
oostelijke gewesten geheel werd geknakt, en van dien tijd af van
alle aanvallende handelingen moest afzien.
Wij hebben reeds vroeger de omstandigheden opgesomd, die
de verdediging begunstigden en de inneming van Groningen tot
eene hoogst moeielijke taak maakten ; — maar dit belet niet, dat
die verdediging toch hoogen lof verdient en een roemrijk wapen-
feit uitmaakt, dat wel in gedachtenis mag blijven, 't Is waar, men
vindt hier niet, zooals bij de belegeringen van den tachtigjarigen
oorlog — Haarlem, Alkmaar, Maastricht en andere — die telkens
herhaalde en telkens afgeslagene stormen, dien hevigen kamp-
Digitized by
Google
GRONINGEN. 175
Strijd op een reeds in puin liggenden hoofdwal; — bressen in
den hoofdwal^ stormen op den hoofdwal zijn hier niet geweest;
evenals bij de belegeringen van den nieuweren tijd heeft de
artillerie hier de voornaamste rol gespeeld, en men ziet dit wapen
hier optreden met eene sterkte en eene krachtdadigheid, welke
in die dagen een buitengewoon verschijnsel waren. Maar juist in
de aanwending van de artillerie betoonen de belegerden de
grootste bekwaamheid en geestdrift; de uitvallen, door hen ge-
daan^ de verdediging der buitenposten, van wier behoud de
insluiting van Groningen afhing, zijn goed en eervol geweest, en
den hoogsten lof verdient de standvastigheid der bevolking, die
zich niet laat ontmoedigen door de verwoesting van een goed
gedeelte van hare stad, maar integendeel daardoor wordt aan-
gevuurd tot grootere dapperheid. De 28ste Augustus, de dag
van het opbreken van het beleg, wordt dan ook terecht in Gro-
ningen nog steeds feestelijk herdacht, evenals de Fransche stad
Rijssel nog heden ten dage den wederstand herdenkt die zij, in
1792, den Hertog van Saksen -Teschen bood. Wat zegt evenwel
die verdediging van Rijssel, vergeleken met het wapenfeit van
1672; wat zegt die kortstondige wederstand, dat bombardement
van zes dagen, tegen den wederstand dien Groningen bood aan
krachtiger aanval, aan veel langduriger bombardement !
Dadelijk na het opbreken van het beleg van Groningen was
Rabenhaupt er op bedacht, om op zijn beurt aanvallend te
werk te gaan, en den vijand de verschillende kleine vestingen
weer te ontnemen^ die hij in het oostelijk gedeelte der provincie
had bemachtigd. Eene afdeeling van 2000 man voetvolk en rui-
terij, onder den overste Jorman, verscheen den 8sten September
voor Winschoten ; de Munstersche macht die hier was en die op
een 1400 man wordt begroot, wilde zich niet laten opsluiten
binnen de vesting, maar verliet haar en trok, na een klein ge-
vecht, in oostelijke richting terug, Jorman nam toen Winschoten
in bezit, evenals eenige kleine sterkten : de Winschoterschans, de
Winschoterzijl, het huis Ter Wedde en de Bruggeschans, die
alle zonder slag of stoot door den vijand werden ontruimd.
De HoUandsche bevelhebber begon toen de insluiting van de
Oude of Bellingwolderschans ; in deze en in de Nieuwe of
Langakkerschans was de vijandelijke macht blijven standhouden.
Van de zijde van Friesland was ook Aylva aanvallend te werk
gegaan, — nadat eerst een aanval door de Munsterschen, in den
nacht van 18 — 19 Augustus op de Friesche Schans te Heerenveen
gedaan, tot driemaal toe was afgeslagen. Eene afdeeling van
4 k 500 man, onder den kapitein Hania, v/erd ingescheept om
zich meester te maken van Blokzijl, bezet door een 200 man
voetvolk en 150 ruiters, Munsterschen. De Friezen landen in den
Digitized by
Google
174 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
nacht van j — 2 September te Blankenham, een uur ten noorden
van Blokzijl, ook aan de Zuiderzee gelegen; de Munstersche
bevelhebber, hiervan onderricht, trekt hun den 2en September
te gemoet met het grootste gedeelte van zijne bezetting, maar
wordt geslagen, en neemt, door den vijand vervolgd, de wijk
binnen Blokzijl; de burgerij staat toen op, opent een der poorten
voor de Friezen, en de Munstersche bezetting neemt de wijk,
eenige gesneuvelden achterlatende, waaronder haar bevelhebber.
Weinige dagen later werd ook de Kuinderschans door de
Friezen bemachtigd en VoUenhoven door den vijand ontruimd;
maar eene poging, bijna gelijktijdig ondernomen, om zich mees-
ter te maken van Zwartsluis, mislukte; voornamelijk door de
persoonlijke dapperheid van Chamilly, die zelf van Zwolle toe-
snelde ter hulpe van dat plaatsje. Bij die onderneming tegen
Zwartsluis werd het jacht, waarop zich de aanvoerder der troepen-
macht bevond, door de bemanning in brand gestoken en ver-
laten; en Chamilly schrijft dan ook, met echt Fransche groot-
spraak, den yen September aan Louvois, dat het HoUandsche
tadmiraalschip" verbrand is geworden.
Niettegenstaande dit kleine nadeel was evenwel op het einde
van September in de noordoostelijke gewesten der Republiek
de kans des oorlogs geheel in haar voordeel gekeerd: van aan-
gevallene, was zij daar aanvaller geworden.
Enkele algemeene opmerkingen mogen hier nog volgen over
de krijgsverrichtingen gedurende die zoo gewichtige zomermaanden
van 1672.
De handelingen van Willem III verdienen hier de hoogste be-
wondering. Zeker, men kan ook daarop aanmerkingen maken;
men kan vragen, waarom Oudewater niet bezet bleef; waarom
Woerden en Naarden — vestingen wier herneming later zooveel
kostte — zonder slag of stoot aan den vijand werden afgestaan i
Maar men moet ook in aanmerking nemen de overgroote ver-
warring en moedeloosheid^ die er tijdens de ontruiming vau
Utrecht in het staatsbestuur van Holland bestonden; en dan is
het te verwonderen, dat er nog niet meer, niet grooter mis-
slagen zijn begaan. De kritiek, rustig in de stilte van het studeer-
vertrek de gebeurtenissen overpeinzende, mag wel zeggen welke
handelingen beter en doeltreffender konden genomen zijn; maar
zij heeft niet het recht, daarom den veldheer te veroordeelen,
die deze handelingen verrichtte, te midden van den drang des
oogenbliks, van de woeling der gebeurtenissen, die geen tijd
lieten tot bezinning en tot overweging; zijn die handelingen
over het geheel goed geweest, prijs ze, al is het dat zij in
enkele bijzonderheden beter hadden kunnen zijn ; prijs ze te meer,
Digitized by
Google
ALGEMEBNE OPMERKINGEN. 175
naarmate de omstandigheden waaronder zij plaats hadden, moeie-
lijker zijn geweest £n wie, die den toestand van Holland op het
einde van Juni 1672 overweegt, den staat van ontbinding des
legers, de moedeloosheid der bevolking, den weerloozen toestand
der grenzen, de nabijheid en de reuzenmacht des vijands, —
wie, die dit alles overweegt, moet niet eerbied en bewondering
gevoelen voor die handelingen van Willem III, waardoor Hol-
land is gered geworden. Doorblader vrij de geschiedenis, gij zult
geen tweede verdediging vinden als die van onzen Staat in 1672.
Ziet Wellington's verdediging van Portugal in 1810 — 181 1; zij
is geprezen, en met reden; zij is een der schoonste lauwer-
kransen die het hoofd des Britschen veldheers omgeven ; — maar,
let men op de mindere sterkte van den vijand waardoor Wel-
lington werd aangevallen, op zijne eigene sterke en goed ge-
oefende krijgsbenden, op den langen tijd waarin deze verdedi-
ging reeds was voorbereid, en op den krachtigen bijstand dien hij
vond in de rijke hulpmiddelen van Groot-Brittanje, — dan komt
men tot de overtuiging, dat Willem III, die in 1672 onder zoo
veel ongunstiger omstandigheden streed, oneindig boven het
Engelsche legerhoofd moet worden gesteld.
Op de handelingen van de Fransche legerhoofden zijn zeer
ernstige, zeer gewichtige aanmerkingen te maken. Die leger-
hoofden hebben in den zomer van 1672 eene traagheid betoond,
een gebrek aan goede strategische inzichten, welke hun veld-
heersroem zouden verduisteren, — wanneer de geschiedenis ons
niet tevens leerde, dat zij niet vrij zijn geweest in hunne hande-
lingen, maar afhingen van de bevelen van hun Koning en van
zijne staatsdienaars. Het slechte krijgsbeleid, dat in dit tijdvak
van den veldtocht aan de Fransche zijde valt op te merken, is
minder te wijten aan Condé en Tui enne, dan wel aan Lode-
wijk XIV en aan Louvois.
Reeds is aangemerkt dat, bij meer werkdadigheid aan de
Fransche zijde, de verovering van Holland in de maand Juni
mogelijk en zelfs waarschijnlijk was geweest; dat, dadelijk aan-
vallende, vóórdat de Hollandsche waterlinie behoorlijk was ge-
steld, versterkt en bezet, de Fransche bataljons Den Haag en
Amsterdam zouden zijn binnengetrokken. Toen men dit gunstig
oogenblik ongebruikt voorbij had laten gaan, toen was het zeker
niet raadzaam, eene grens aan te vallen die in een zoo geduchten
staat van verdediging was gebracht; — maar men had toch den
tijd niet zoo werkeloos behoeven te laten verstrijken.
Men wist dat de mogelijkheid bestond dat Duitsche legers tot
hulp der Republiek oprukten, om Frankrijk zijne daar gemaakte
veroveringen weer afhandig te maken, maar men wist ook, dat
de bijeenbrenging en de opmarsch dier legers altijd langzaam
gingen, en dat er minstens een maand of twee, drie moesten
Digitized by
Google
176 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
verloopen, eer zij zich aan den Rijn zouden vertoonen. Van
dien tijd had men gebruik moeten maken om, door het bemach-
tigen der gewesten, door welke het verband werd onderhouden
tusschen Frankrijk en zijne veroveringen in Holland, in staat
te zijn om die veroveringen te kunnen blijven behouden, in
weerwil van de nadering der vijandelijke legers. Men had slechts
eene kleine macht ten noorden van de Hollandsche rivieren
moeten achterlaten, om daarmede Willem III in bedwang te
houden; maar met de hoofdmacht zich onverwijld moeten wer-
pen op de bijna geheel onbezette Noord-Brabandsche vestingen,
en op de Spaansche Nederlanden waar slechts eene geringe krijgs-
macht aanwezig was. In een paar maanden tijds had men in
Noord-Braband en in de gewesten tusschen Schelde en Maas
zooveel kunnen veroveren om daardoor eene goede, onafgebro-
kene gemeenschap in het leven te kunnen roepen tusschen
Frankrijk en de Fransche troepen, die voor de poorten van
Amsterdam stonden. Wanneer dan de Brandenburgsche en Kei-
zerlijke legers aan den Rijn kwamen, beheofde de krijgsmacht
in Holland niet bevreesd te zijn voor het verlies van de gemeen-
schap met de operatie- bazis; zij kon, terwijl andere legers de
Duitsche bestreden, in De Nederlanden blijven, en in dezen of den
volgenden veldtocht de verovering van dat land voltooien.
In stede daarvan brengt men den tijd werkeloos door; men
besteedt weken, maanden aan nietsbeduidende verrichtingen. Men
neemt, 't is waar, Nijmegen, Grave, het fort Crèvecoeur; maar
men denkt niet aan Breda en Den Bosch; men denkt niet aan
de Spaansche Nederlanden, die toch, door het ondersteunen van
de Republiek, genoeg aanleiding hadden gegeven tot vijandschap,
en die men toch, zonder eenig ontzag, in alle richtingen door-
trekt. Men begaat den misslag, van alle vestingen der Republiek
die men vermeeslerd heeft, te bezetten ; en men versnippert daar-
door zijne macht zoodanig, dat, van een leger van een groote
honderd duizend man, Luxembourg met slechts 16000 man bij
Utrecht, Turenne met een 12000 man bij den Rijn, en Chamilly
met eene kleine macht bij Maastricht, alles is wat te velde over-
blijft; — het is, zooals wij vroeger reeds opmerkten, moeielijk
om te zeggen, welke van de beide partijen in dezen veldtocht
het onverstandigst te werk ging met de vestingen, en voor wie
zij het nadeeligst zijn geweest.
De Fransche schrijvers wijten dien laatsten misslag aan Louvois,
evenzeer als den misslag, om een groot aantal Hollandsche krijgs-
gevangenen voor een gering losgeld vrij te laten, en den Stad-
houder dus de gelegenheid te geven om zijn leger opnieuw aan
te vullen. Louvois of Lodewijk XIV ? maar op wien de verant-
woordelijkheid ook moge neerkomen, zeker is het, dat in dit
tijdvak van den veldtocht het krijgsbeleid aan de Fransche zijde
Digitized by VjOOQIC
ALGEMBENC OPMERKINGEN. 177
slecht b geweest; daaraan is het toe te schrijven, dat Holland
niet werd veroverd, dat Willem UI een leger kon scheppen, dat
de Fransche strijdkrachten dwaaselijk werden verdeeld en dat
de gemeenschap van het Fransche leger met zijne operatie-bazis
onverzekerd bleef, zoodat de minste bedreiging van die gemeen-
schap dat leger in gevaar bracht; de veroveringen in Holland,
die van blijvenden aard hadden kunnen zijn, waren nu niets
anders dan het kortstondig bezetten van eene landstreek bij een
oogenblikkelijken strooptocht.
Wat de krijgsverrichtingen in de oostelijke gewesten der Repu-
bliek aangaat, in Overijsel merkt men de gewone zwakheid op,
die in dezen veldtocht aanvankelijk de Hollandsche wapenen
kenmerkte; weldra afgewisseld door een krachtigen en beleid-
vollen wederstand in Friesland en Groningen. Op de handelingen
van de Mnnstersche en Keulsche aanvoerders vallen geene bijzon-
dere aanmerkingen te maken: hun besluit om de verovering
van Friesland en Groningen te ondernemen, was zeer goed;
niet alleen om het dadelijk belang dat zij hadden in het bezit
van die gewesten, maar ook omdat zij daar het bijeentrekken
en vergrooten eener vijandelijke macht moesten verhmderen, die
de rechterzijde van hunne operatielijn bedreigde. Dat zij de stad
Groningen belegerden was eene gewaagde onderneming, evenals
het beleg van elke vesting die men niet kan insluiten; maar de
ontmoediging die aan de Hollandsche zijde bestond, en de vroe-
gere voordeden, zoo gemakkelijk door de vijandelijke aanvoerders
behaald, gerechtigden die aanvoerders om iets te wagen. Onnoodig
is het, te wijzen op het hooge belang dat Groningen toen had
als vesting; een belang dat het nóg zou kunnen hebben.
Die krijgsverrichtingen van 1672 bewijzen eindelijk het groote
verdediging^vermogen dat ons land heeft, en waardoor het zijne
onafhankelijkheid kan verdedigen tegen den aanval van den
sterksten vijand. Wij zwijgen hier van de macht, welke in dat
jaar ter zee de Republiek aanviel, en waartegenover zij eene
bijna even sterke macht stelde; alleen van den oorlog te lande
wordt hier gesproken. De krijgsmacht die te lande onze Republiek
aantastte, was in getalsterkte en in samenstelling zóó geducht, dat
zij zonder voorbeeld was in het verledene, en de toekomst er
mogelijk geen tweede voordbeeld van zal opleveren; het leger
der Republiek daarentegen was in allen deele zwak en slecht,
hare vestingen in den ellendigsten toestand, de bevolking zonder
militairen geest en bovendien verdeeld door staatstwisten ; — en
toch, wat is de uitkomst ? Het behoud van Holland, de geheele
mislukking der onderneming van Lodewijk XIV. Men moge die
uitkomst voor een deel toeschrijven aan de misslagen van de
vijandelijke aanvoerders, voor een grooter deel aan de uitstekende
bekwaamheden van een Willem III, voor het grootste deel is zij
WILLEM in. — I. 12
Digitized by
Google
178 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
te danken aan de natuurlijke sterkte van ons land, aan die krach-
tige verdedigingslijn die Holland omgeeft, en die den vijand zoo
geducht voorkwam, dat hij het zelfs niet waagde om haar aan
te vallen.
HOOFDSTUK VI.
OVERGANG VAN WILLEM III TOT DEN AANVAL; WOERDEN ;
TOCHT NAAR MAASTRICHT EN DE BOVENMAAS (NAJAAR VAN 1672).
Zoo zwak, ZOO weerloos als Holland was, toen de heirscharen
van Lodewijk XIV den breeden Rijnstroom doortrokken, zoo
sterk en krachtig was dat gewest drie maanden later; het was
herschapen in eene groote, bijna onaanvalbare vesting; een
sterke burcht voor de belaagde vrijheid. Aan de zeezijde strekte
De Ruyter's vloot den Staat tot bescherming; en daar, waar de
hulp dier vloot ontbrak, deed eene buitengewone lange ebbe de
voorgenomen landing van den vijand mislukken, hetgeen bij den
vromen zin onzer vaderen voor een duidelijk teeken werd aan-
gezien, dat het Opperwezen zijne beschermende hand over Neder-
land hield uitgebreid. Te land werd men door de onderwater-
zettingen beschut; en zelfs wanneer de vijand die doortrok, dan
zou hij nog op alle punten een geduchten tegenstand ontmoeten.
De eerste jaren van de worsteling tegen Spanje schenen terugge-
komen te zijn; geestdrift had aller gemoed ontvlamd en den
vreedzamen burger herschapen in een kloeken krijgsman. Stad
voor stad wilde zich tegen Luxembourg verdedigen, zooals zij
dit, eene eeuw vroeger, tegen Alva's barbaarsche horden hadden
gedaan.
Het machtige Amsterdam vooral gaf toen een uitstekend voor-
beeld van geestkracht en vaderlandsliefde; en wat het genie van
KrayenhofF in 1810 beraamde, werd reeds in 1672, op eenigszins
andere wijze, ten uitvoer gebracht. De Diemermeer- en Bijlmermeer-
polders waren onder water gezet; op alle toegangen de bruggen
afgebroken ; de wegen afgesloten door sterke dwarswallen en batte-
rijen; forten aangelegd op verschillende punten: aan den hoek
van den Diemermeer-polder, op een kwartieruur van de stad; op
den weg naar Ouwerkerk; aan den Overtoom, een halfuur van de
stad; op halfweg Haarlem en Amsterdam, en eindelijk een bij
Jaap Hannes. De bolwerken van de stad werden tevens opge-
maakt, van beddingen voor geschut voorzien en met een twee-
honderd vuurmonden bewapend; de grachten werden uitgediept,
Digitized by
Google
OVERGANG VAN WILLEM III TOT DEN AANVAL. 179
de Stad omgeven door oorlogsschepen en gewapende uitleggers.
De schutterij bestond uit 5 regimenten, 60 vendelen uitmakende,
die te zamen een 12000 goed gewapende mannen telden. Boven-
dien had men, uit de aanzienlijkste burgers, 3 compagnieën vrij-
willige ruiters samengesteld, en eindelijk 1600 matrozen en zee-
soldaten, onder den vice-admiraal Zweers voor de verdediging van
de stad bestemd. Amsterdam, dat door zijne afgevaardigden zoo
krachtig had medegewerkt om de vredesvoorslagen van Frankrijk
en Engeland te doen verwerpen, ging dus ook de anderen voor
in de wapening tegen de legers dier Staten ; maar ook de andere
Hollandsche steden hadden hetzelfde gedaan; alom had men,
met kracht van armen, de wallen en mureh weer in orde ge-
bracht, en alle maatregelen gehomen om de nabijgelegen gronden
onder water te zetten; de Zuiderzee was met oorlogsschepen
bezet om elke landing van den vijand in Holland onmogelijk
te maken.
Holland, «omheind door kracht, versterkt door orde," was
toen dus het sterke bolwerk dat Helmers zich in 1795 dweepte,
en veilig kon men daar het beuken van den stormram des vijands
trotseeren. Maar toch, hoe gunstig de kansen ook waren voor
de verdediging, oordeelde Willem III met reden, dat het verkeerd
zou zijn om zich tot die verdediging te bepalen. De Fransche
macht, te Utrecht, Naarden en Woerden aanwezig, bleef altijd
als een dreigend onweer boven Holland hangen; eene strenge,
lang aanhoudende vorst, die de onderwaterzettingen doelloos
maakte; verslapping en verflauwing bij de verdediging, niet
vreemd als die verdediging zeer lang moet worden voortgezet ;
onwil in het opbrengen van de lasten; binnenlandsche onlusten
door verminderde welvaart, door de kuiperijen des vijands teweeg-
gebracht; een niet te voorzien toeval; — dit alles kon mogelijk de
wapens uit de handen doen vallen, en den vijand den weg banen
tot de geheele verovering des lands. Want, welk eene onneem-
bare sterkte de grenzen van Holland ook hebben, zoo is het
toch altijd een zeer bedenkelijke toestand wanneer de vijand
meester is van de overige gewesten, daar dan de hulpmiddelen
dier gewesten verloren zijn voor onzen Staat, en de uitputting,
door buitengewone omstandigheden teweeggebracht, lichtelijk
onwil kan doen ontstaan en daardoor een einde maken aan de
verdediging. In 1672 was dit te meer waar, omdat, niettegen-
staande de overwinning van Soleba y, en niettegenstaande de
overgroote voordeelen door de Zeeuwsche kapers behaald, het
meesterschap ter zee toch in geenen deele voor ciis was ver-
zekerd. Die stand van zaken mocht dus in 1672 niet te lang
aanhouden; de vijand moest verder worden teruggedreven; hij
mocht niet blijven voor de poorten van Amsterdam; hij moest
worden aangevallen.
Digitized by
Google
l8o KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
De vijand moest worden aangevallen. — Maar alvorens dien
aanval te doen met dien nadruk die kon doen hopen daardoor
groote uitkomsten te verkrijgen, wilde de Stadhouder eerst de
kracht van zijn leger beproeven. Dat leger was, sedert het ver-
laten van den Rijn, aanmerkelijk verbeterd in getalsterkte, in
oefening, in krijgsgeest ; maar de indruk van de droevige gebeur*
tenissen waarmede de veldtocht begon, was nog niet uitgewischt ;
de overtuiging bestond nog niet, dat men met goed gevolg den
kamp kon wagen tegen de goede en krijgshaftige legers van
Lodewijk XIV. Die overtuiging wilde de Stadhouder aan zijn
leger geven, vóórdat hij met dat leger een veldslag leverde die
de beslissing van den oorlog kon aanbrengen ; kleine aanvallende
gevechten moesten eerst de Hollandsche bataljons doen inzien,
dat zij in dapperheid niet onderdeden voor hun vijand ; en vóór-
dat die bataljons in Duitschland of in de Spaansche Nederlanden
de legers van Condé en Turenne opzochten, moest eerst den
strijd op vaderlandschen bodem een waarborg geven dat er in
dat vooruitrukken op vreemden grond geen vermetelheid, geen
roekeloosheid was gelegen. De Stadhouder besloot dus pogingen
te doen, om den vijand zijne veroveringen in de Republiek weer
gedeeltelijk afhandig te maken; de vermeerdering van zijne
eigene strijdkrachten, de aanzienlijke vermindering van de Fransche
macht gaven die onderneming veel kans tot gelukken. Allereerst
wilde men op den vijand die versterkte punten hernemen, die,
als uiterste voorposten, Holland bedreigden; vandaar de aan-
slagen op Naarden en Woerden; in die aanslagen moet men
echter in hoofdzaak niets anders zien dan het middel om moed
en zelfvertrouwen bij eigen troepen te herstellen, bij den vijand
te verzwakken. Men moet er niet in zien eene poging van
Willem III om den vijand op die wijze weer uit de Republiek
te verdrijven: daartoe zou de Stadhouder middelen aanwenden,
meer krachtig, meer afdoende.
Nadat eene poging, op den 28sten September ondernomen, om
Naarden te verrassen, door eene toevallige omstandigheid mis-
lukt was, besloot de Sudhouder — in het begin van October —
een aanslag te beproeven op Woerden. Die stad, sedert i8 Sep-
tember weer bezet door de Franschen, was door hen versterkt
en voorzien van eene goede bezetting, volgens sommige opgaven
2000 man bedragende ; de bevelhebber was de graaf De la Marck.
Het voorname voordeel dat het bezetten van dit punt aan
Luxembourg verschafte was, dat het eene voorpost uitmaakte
voor Utrecht, men van daar het vooruitrukken der Hollanders
van de zijde van Bodegraven kon verhinderen, en men tevens
kon fourageeren in de omliggende landstreek.
Digitized by
Google
WOERDEN. l8l
De aaavals-dispositiëD van Willem III bestonden hoofdzakelijk
hierin :
Er zou eene demonstratie gedaan worden tegen Naarden^ ten
einde Luxembourg, met 'svijands hoofdmacht, daarheen te lok-
ken; evenzoo, om den vijand bezig te houden, zou Louvignies
van Schoonhoven een detachement afzenden om Vreeswijk aan
de Vaart te vermeesteren, waar de Franschen zich versterkt
hadden; die aanval zou worden ondersteund door gewapende
vaartuigen op de Lek; en terwijl de vijand dus op twee punten
werd verontrust, zouden Zuylestein en Hoorne, van Nieuwerbrug
en van Oudewater oprukken om Woerden in te sluiten. De eerste
zou zich plaatsen oostelijk van Woerden naar de zijde van
Utrecht^ aan de Grovenbrug, zich daar verschansen om op die
wijze den vijand den weg af te sluiten als deze de aangevallene
vesting te hulp wilde komen; het regiment van Solms met nog
eenige andere compagnieën voetvolk waren onder zijn bevel;
volgens eene der opgaven maakte dit een 1500 man uit. Hoome
had 12 compagnieën infanterie en zeesoldaten, alles te zamen een
tooo man met 12 stukken geschut bij zich; hij moest aan de
zijde van Polanen en het oostelijke front van Woerden aanvallen ;
om zijn terugtocht op Oudewater te verzekeren, werden 8 com-
pagnieën infanterie en eenige ruiterij, onder Liebergen, te Mont-
foort geplaatst. Dadelijk na de insluiting zou Willem in met
4 regimenten van Bodegraven oprukken, om Woerden aan de
westzijde aan te vallen. Men zal niet ver van de waarheid zijn,
als men de gehcele macht van den aanvaller op 6 è. 8000 man
stelt. De 10e October werd vastgesteld voor het begin der
onderneming.
Aanvankelijk scheen zij met geluk bekroond te worden. De
tijding van het bijeentrekken van troepen te Muiden en Weesp
deed Luxembourg vreezen voor Naarden; hij verliet daarop
Utrecht met het grootste gedeelte zijner macht, en stond, vol-
gens ééne opgave, den loen October met een 4000 man voet-
volk en eene sterke ruiterij te 's Graveland, een groot uur ten
zuiden van Naarden en 7 uren van Woerden verwijderd. Voor
die vesting waren, den loen October, Zuylestein en Hoome
verschenen; Zuylestein was voorbijgetrokken en had 's nachts
stelling genomen aan de Grovenbrug; hier had hij inderhaast
eene verschansing opgeworpen, waarachter teenig geschut" werd
geplaatst, — zeggen de opgaven van onze schrijvers; de Fran-
^c)len maken daarvap een volledig fort met 7 stukken bewapend.
Hoorne had nabij Polanen eene batterij voor 12 stukken opge-
worpen, om daarmede het vuur op de stad te openen. Oranje,
aan de westzijde van Woerden oprukkende, had een uitval afge-
slagen van 400 man der Fransche bezetting, ondernomen met
het doel om de pannebakkerijen in brand te steken, die der ver-
Digitized by
Google
l82 KRIJGS' EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
dediging hinderlijk waren; dat in brand steken was slechts ge-
deeltelijk gelukt.
Sein vuren, kanonschoten hebben intusschen Luxembourg be-
kend gemaakt met het gevaar dat Woerden bedreigt, en in den
nacht van lo op ii October gaat de Fransche bevelhebber in
persoon naar Utrecht, aan een zijner onderbevelhebbers, De
Genlis, lastgevende om hem onverwijld met de troepen derwaarts
te volgen. Den iien is het Fransche legerhoofd te Utrecht. Hoe-
wel zijne troepen nog achter zijn, gaat Luxembourg, door zijn
ongeduld aangespoord en met reden vreezende dat bij langer
verwijl de Hollanders hunne stelling onaanvalbaar zullen maken,
onverwijld op marsch met de te Utrecht voorhandene macht.
Omtrent de sterkte van die macht zijn de opgaven zeer ver-
schillend; onze schrijvers spreken van 8 a 9000 man, die der
Franschen zeggen 2 k 3000; — wij gelooven dat, indien het
eerste getal te hoog is, het laatste te laag wordt gesteld, ten
minste te oordeelen naar het aantal bataljons dat, volgens het
verhaal van De Saveuse, een deelgenoot aan den strijd, Luxem-
bourg vergezelde: hij noemt zes geheele bataljons, behalve nog
wat er te Utrecht aanwezig was van eenige andere door hera
genoemde regimenten. Trouwens, dit verschil in de opgave der
sterkte is van zeer weinig belang: wie bekend is met de land-
streek tusschen Utrecht en Woerden, weet dat zij volstrekt geen
uitbreiding van groote troepenmacht toelaat; het slagveld be-
paalt zich, om zoo te zeggen, tot den weg tusschen die beide
steden, ten zuiden besloten door den Rijn, ten noorden door
laag weiland, doorsneden, gedeeltelijk onder water staande. Het
is een slagveld waar duizend man het hoofd kunnen bieden aan
honderd duizend.
Vooruitrukkende komt Luxembourg te Harmeien, waar hij op
den toren lichten doet plaatsen om De La Marck kennis te
geven van zijne nadering; nog op den avond van den 11 en
stoot hij op den door Zuylestein bezetten post, valt dien aan,
maar wordt afgeslagen. De Fransche aanvoerder ziet dra in, welk
een geduchte sterkte de door de Hollanders bezette stelling heeft
en hoe een frontaanval bijna onuitvoerbaar is ; hij verneemt naar
wegen om die stelling te omtrekken en zóó Woerden te bereiken.
De Montbas, door wraakzucht aangespoord, had Luxembourg
bij zijn tocht vergezeld; die overlooper — of, volgens andere
opgaven, een ritmeester De Mélac, die, lang te Woerden geweest
zijnde, de omliggende landstreek kende — wijst een weg aan
die, rechts over Houtdijken naar het dorp Kamerijk voerende,
van daar verder, over half verdronken land, over de Kruip in,
uitkwam tusschen den post van Zuylestein en Woerden. Zuylestein
had op dien weg geen acht geslagen, op de verzekering van de
boeren, dat hij onbegaanbaar was. Luxembourg gaat nog 's nachts
Digitized by
Google
WOERDEN. 183
op marsch naar Kamerijk, met een gedeelte zijner infanterie, ter-
wijl het overige in front blijft van Zuylestein's stelling.
De marsch op Kamerijk moet gepaard zijn gegaan met de
grootste moeielijkheden. Tot aan de knieën — zeggen de Fransche
opgaven — trok men door het water, en gedurig ontmoette men
diepe slooten, waarover men horden wierp die een soort van
bruggen vormden. Zóó bereikte men Kamerijk. Om van daar te
komen op den weg van Utrecht naar Woerden, moest men de
hulp der inwoners inroepen ; Luxembourg verkreeg die door een
krijgslist: hij gaf zich uit voor den graaf van Hoorne, die, met
Spaansche hulptroepen, aan het beleg van Woerden wilde deel-
nemen, en verlangde daartoe den weg te kennen naar het kwar-
tier van Zuylestein. De landlieden, daardoor misleid, boden hem
hun bijstand aan; in hun valschen waan smeekten zij Luxem-
bourg, geknield, hen toch te verlossen van het vreemde geweld,
en vooral geen Franschman het leven te sparen; indien dit
feit, door den Franschen veldheer zelf vermeld, waarheid is, —
en bij de toenmalige gezindheid van het Hollandsche volk is het
niet onwaarschijnlijk — dan verklaart dit de wreedheid door
Luxembourg later betoond, — zij rechtvaardigt die niet. Er
moet echter bijgevoegd worden, dat Willem III in die hande-
ling van de Kamerijksche boeren opzettelijk verraad heeft gezien.
Hoe het zij, met hulp van die gidsen trok Luxembourg met
zijne bataljons over half verdronken land, en kwam in den vroegen
ochtend van den i2en in den rug van Zuylestein's stelling. Hij
stootte hier op verschansingen; — zeker kan dit echter niet
worden gezegd ; want een onzer schrijvers, Valckenier, zegt stellig,
dat de post van Zuylestein naar de zijde van Woerden on ver-
schanst was; — de P'ransche opgaven spreken zeer verward
en onduidelijk van twee sterke forten. Dit, ten minste, is geheel
onwaarschijnlijk; dit is de gewoi* Fransche overdrijving: de
kleine macht van Zuylestein was nog maar vier en twintig uur
op haren post, en kon dus hoogstens een paar in haast opge-
worpen dwarswallen op den weg hebben gemaakt; achter die
wallen stond echter geschut; dit erkennen ook ónze schrijvers.
Reeds voor het aanbreken van den dag, om twee of drie uur
's ochtends — bij maanlicht, zegt een der verhalers — begonnen
de aanvallen op Zuylestein's post van de zijde van Harmeien;
wat later verscheen ook Luxembourg van de andere zijde; en
er had een woedende strijd plaats, die vijf uren duurde, en
waarbij aan weerszijden uitstekende dapperheid werd betoond.
Het geschut- en geweervuur der Hollanders richtte groote ver-
woestingen aan in de rijen der aanvallers, die van hunne vuur-
wapens weinig of geen gebruik konden maken, en langzaam
vooruit kwamen over het moeielijke terrein. Alleen de buiten-
Digitized by
Google
184 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
gewone dapperheid van de Fransche officieren, het voorbeeld
van den koenen Luxembourg zelf, die met den blanken degen
in de vuist aan het hoofd der aanvallers was, deed de soldaten
vooruitgaan ; — dat dit niet ging dan ten koste van zeer groote ver*
liezen, kauF men opmaken uit de enkele omstandigheid, dat het
regiment Navarre, waarvan slechts één bataljon deelnam aan
den strijd, 21 officieren verloor aan dooden en gewonden. Maar
die dapperheid doet de sterke stelling vallen, vooral daar het
verschijnen van den vijand in den rug dier stelling noodwendig
een nadeeligen indruk maakte op Zuylestein's soldaten. De gracht
wordt doortrokken, de borstwering beklommen; maar zelfs toen
nog blijven de Hollanders zich met hardnekkigheid verdedigen;
eindelijk bezwijken zij en, alom door den vijand omringd, gaat
de afdeeling van Zuylestein grootendeels verloren. Die aanvoerder
zelf sneuvelt, met de sabel in de vuist, na achttien wonden te
hebben ontvangen. De dood van dien held wordt verschillend
verhaald: volgens sommigen viel hij door de hand van den
wraakzuchtigen Montbas; volgens Luxembourg's verhaal werd
hij gedood door een Fransch soldaat, nadat hij zich reeds had
overgegeven aan De Saveuse. Hoe het zij, hij sneuvelde op eene
roem vol Ie wijze, het bloed der Nassau 's waardig, waaruit hij ge-
sproten was.
Hoorne, door het vuren opmerkzaam gemaakt op 's vijands
aanval, had zijne macht in slagorde geschaard; de komst van
de vluchtelingen verkondigde hem Zuylestein's nederlaag; kort
daarop verscheen eene afdeeling Fransche troepen, die echter
spoedig werd teruggedreven door het musketvuur der soldaten
van Hoorne. Een uitval der bezetting van Woerden, gelijktijdig
gedaan, werd evenzoo afgeslagen. £en tweede aanval door de
troepen van Luxembourg verricht, had geen gelukkiger gevolg;
en Hoorne doet, na dien aanval te hebben afgeslagen, den overste
Palm, aan het hoofd der zeésoldaten, op den weg naar Utrecht
vooruitrukken. Met de blanke sabel storten zich die dapperen
op den vijand, die, verzwakt door de geledene verliezen, ont-
moedigd door den geduchten wederstand dien hij ontmoet, in
verwarring de wijk neemt, en door Palm vervolgd wordt tot
dicht bij de plaats waar Zuylestein had gestreden; een groot
aantal der dddr door de Franschen gemaakte gevangenen wer-
den toen — zeggen onze schrijvers — daardoor weer bevrijd.
Luxembourg wil zijne troepen tegen de Hollanders aanvoeren,
maar tevergeefs; het is onmogelijk hen weer vooruit te doen
gaan, zoozeer waren zij uitgeput door den moeielijken marsch
over het verdronken land; zoozeer, voegen wij er bij, waren zij
geschokt door de geleden verliezen. Niet meer dan vijf of zes
officieren kan de Fransche aanvoerder om zich heen vereenigen ;
stampvoetend van ongeduld ziet hij uit naar de troepen die De
Digitized by
Google
WOERDEN. 185
Genlis moet aanbrengen; maar deze zijn nog ver weg; en, zon-
der eenigszins het verder doorzetten van den aanval te beproeven,
is het Fransche legerhoofd tevreden dat hij in de reeds ver-
overde stelling kan blijven en daar niet wordt aangevallen.
Willem III, het verslaan van Zuylestein vernemende, zag in,
dat, al mocht Hoorne aanvankelijk den vijand hebben verhin-
derd om tot Woerden door te dringen, het evenwel te moeielijk
zou vallen om dien vijand op den duur tegen te houden op den
rechter Rijnoever; en zelfs, dat het gedeelte van Hoorne's macht
dat daar stond, gevaar zou loopen door de vereenigde aanvallen
van Luxembourg en van de bezetting van Woerden. Hij besloot
dus, de onden^jeming op te geven, en den terugtocht aan te van-
gen ; om 10 uur 's ochtends werd het bevel daartoe gegeven,
en die terugtocht uitgevoerd in de grootste orde en zonder ver-
lies. Willem in keerde naar Bodegraven terug; en Hoorne, de
bezetting van Woerden door artillerie-vuur bezighoudende, haar
zéifs opeischende tot overgaaf^ deed zijne troepen ongemerkt
teruggaan op Linschoten, waarheen, op zijn bevel, de afdeeling
van Liebergen van Montfoort was opgerukt om de terugtrek-
kende troepen op te nemen. Vervolging van de zijde der Fran-
^chen had er volstrekt niet plaats; maar, door de nalatigheid
van de manschappen, belast met het vervoer van de artillerie,
liet men, van de twaalf stukken geschut van Hoorne, er twee
achter.
Gelijktijdig met dien strijd had er een aanval plaats van een
gedeelte van Louvignies troepen op Vreeswijk aan de Vaart. Die
aanval schijnt niet met nadruk te zijn doorgezet en bleef zonder
gevolgen. Zestien gewapende uitleggers, de Lek opzeilende, ver-
schenen voor Vreeswijk, openden geschutvuur op die plaats en
zetten toen troepen aan wal, wier getal zeer verschillend] wordt
opgegeven. Volgens de Fransche opgaven werd die aanval, tot
tweemaal toe hervat, afgeslagen door de bezetting, die uit een ge-
deelte van het regiment van Auvergne bestond ; enkele van onze
schrijvers zeggen, dat de aanvallers tot binnen Vreeswijk drongen,
maar, na wat geplunderd te hebben, onverrichterzake weer weg-
gingen. Die plaats werd bij deze gelegenheid in brand geschoten,
zonder dat het duidelijk is, welke der beide partijen dit deed.
De verliezen in het gevecht bij Woerden zijn, zooals meestal,
op eene zeer uiteenloopende wijze vermeld. De Fransche opgaven
stellen ons verlies op 1500 man, het hunne op 200; wij daaren-
tegen begrooten het verlies des vijands op 2000 man, het onze
op 6 i 700 dooden en gewonden en 3 ^ 400 gevangenen; —
neemt men in aanmerking de overdrijving die bij dergelijke op-
gaven gewoonlijk plaats heeft^ dan ziet men dat de verliezen der
beide partijen waarschijnlijk even groot zijn geweest; indien aan
de eene zijde, van de afgesneden afdeeling van Zuylestein, weinig
Digitized by
Google
l86 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
zich kon redden, zoo heeft aan de andere zijde haar langdurige
tegenstand, haar geschut- en geweervuur groote verliezen moeten
veroorzaken bij den vijand, die onbedekt, en met moeite»
langzaam vooruit moest rukken. Maar aan onze zijde is geschut
verloren en het slagveld is in het bezit gebleven van de Fran-
schen; aan hen komt dus de eer der overwinning toe.
De aanslag op Woerden kan dus, in zoover die vesting niet
in handen der aanvallers kwam, als mislukt worden beschouwd;
— wil dit zeggen dat men haar moet beschouwen als eene
onderneming die slecht beraamd was, en die zonder gevolgen
bleef? Het tegendeel is waar. Die onderneming^ was zeer goed
beraamd; er waren kansen te over, om zich rondom Woerden
zoodanig te verschansen, dat het aan het Fransche leger niet
mogelijk zou zijn geweest om die stad te ontzetten ; de landstreek
rondom Woerden begunstigt den verdediger bijzonder; er was
.dus groote waarschijnlijkheid dat men Luxembourg zou verhin-
deren om die stad te hulp te komen; hare inneming was dus
te verwachten; en behalve het materieele voordeel dat de be-
raachtiging van die stad en van de niet onaanzienlijke Fransche
bezetting aan Holland zou geven, zou haar val ook eene groote
zedelijke uitwerking hebben, omdat zij het bewijs zou geven, dat
de meerderheid in strijdkrachten aan de zijde der Hollanders
was gekomen, en dezen verdediging met aanval wisselden. Er
waren dus veel redenen voor die onderneming tegen Woerden.
Dat die onderneming den val der stad niet ten gevolge had^
is toe te schrijven aan Luxembourg's voortvarendheid, aan de
meer dan gewone dapperheid van zijne troepen, en aan den
misslag van Zuylestein, die den weg, van Kamerijk naar Woerden
loopende, onbezet liet.
Luxembourg, in den nacht van lo op ii October te 's Grave-
land kennis krijgende van 's vijands verschijning voor Woerden^
is reeds op den avond van den iien voor de stelling van Zuy-
lestein ; terecht oordeelt de Fransche veldheer dat er geen oogen-
blik verloren mag gaan, en dat het er weinig toe doet met
hoeveel hij aanvalt, maar wel wanneer hij aanvalt. Hij zet
dien aanval door met een nadruk, met een stoutheid, met een
persoonlijke dapperheid, die waarlijk bewondering verdienen, en
die hier ook het eenige middel zijn om de overwinning te ver-
krijgen. Zuylestein 's misslag, hier, kan eene nuttige waarschuwing
zijn voor den verdediger van dijkstellingen ; die stellingen hebben
meestal in front eene geduchte sterkte; maar men moet tegen
omtrekkingen waken, vooral ook omdat bij dergelijke stellingei>
eene omtrekking den verdediger dikwijls den terugtocht onmo-
gelijk maakt, — zooals hier bij Woerden dan ook het geval
was. Het bezetten of doorsteken van den weg van Kamerijk
Digitized by
Google
WOERDEN. 187
naar Woerden zou Zuylestein's stelling onneembaar hebben ge-
maakt. — Feuquières zegt, dat het een misslag was van de Hol-
landers van niet te zijn vooruitgerukt tot Harmeien; maar dil
gevoelen komt ons ongegrond voor; want, hoe verder men
vooruit rukte, hoe minder tijd men had om zich te verschansen^
hoe eer men den vijand zou ontmoeten. De stelling aan de
Grovenbrug was even goed als die te Harmeien, mits men maar
den weg naar Kamerijk had bezet.
Maar, hoezeer Woerden niet in zijne handen was gevallen,
had Willem III door zijne onderneming tegen die vesting toch
gedeeltelijk het doel bereikt dat hij daarmede beoogde: hij had
daardoor moed en zelfvertrouwen bij zijne troepen opgewekt,
indruk op den vijand gemaakt. In dien strijd bij Woerden had-
den de Hollanders eene dapperheid betoond, niet onderdoende
voor die des vijands; zij hadden zich gemeten met die geduchte
legerscharen van Lodewijk XIV, die, door den roem van zooveel
overwinningen omgeven, tot nu toe hunne schrik waren geweest;
zij hadden hunne krachten leeren kennen, en zoo den grondslag
gelegd voor latere zegepralen.
Ook bij den vijand had die strijd van Woerden diepen indruk
gemaakt, en hem de overtuiging gegeven, dat de tijd der ge-
makkelijke overwinningen voorbij was. Men behoeft, om dien
indruk op te merken, nog geen geloof te slaan aan de soms
onwaarschijnlijke opgaven van onze schrijvers; men leze de
briefwisseling der Fransche bevelhebbers, en men zal er de be-
wijzen van vinden. Den 1300 October, nog onder den indruk
van den pas geëindigden strijd, schrijft Luxembourg aan Louvois,
dat hij eene herhaling wacht van den aanval des Stadhouders
en hij geeft zijne bekommering daarover te kennen. Later, den
iSen October, schrijft hij aan dien Minister: »Ik heb mijnheer
De Saveuse" (de overbrenger des briefs) > verzocht, u te zeggen,.
dat de vijand sterk is. Toen mijnheer De Turenne in onze nabij-
heid was, waar ik meende dat hij zou blijven, bekreunde ik mij
daar niet om; maar thans is het iets anders.'' In een brief van
den intendant Robert aan Louvois (13 October), wordt het ge-
beurde te Woerden genoemd »een van de hevigste en tevens
gelukkigste gevechten die in den oorlog kunnen voorkomen...
Ik geloof niet" — voegt de intendant daarbij — »dat mijnheer
De Luxembourg in zijn leven roemrijker daad heeft verricht."
Hij laat echter daarop deze opmerkelijke woorden volgen, die
bewijzen op hoe duren prijs de zege den Franschen was te staan
gekomen. > Wij verzoeken u, thans op de gevolgen te willen letten ;.
er is eene groote kracht bij onze troepen, maar gij zoudt die
niet meer vinden bij de regimenten van Picardië, Norman-
dië, Navarre, Piémont en van de Marine, — uithoofde van het
groot aantal officieren dat daarbij gedood of gewond is; zoodat^
Digitized by
Google
•t88 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
als wij een nieuw gevecht moesten leveren^ ik niet weet of wij er
zoo gelukkig af zouden komen . . . Wat gebeuren moge, mijnheer
•de hertog De Luxembourg zal zeker alles doen wat in zijn ver-
mogen is; want het ontbreekt hem noch aan doorzicht, noch aan
geestkracht, en dit laatste schitterende gevecht heeft het ver-
trouwen grootelijks vermeerderd, dat hij den troepen reeds had
ingeboezemd; maar wat zal hij kunnen doen, als de vijand met
.20000 man komt... Alle officieren hebben wonderen gedaan,
«n de uitkomst van den strijd is aan hunne dapperheid te dan-
ken; het is dus geen wonder, als wij er zooveel verloren heb-
ben..."
Deze en soortgelijke uitdrukkingen, gebezigd tegen een Minis-
ter, wien men zoo gaarne de zaken ten gunstigste afschilderde^
bewijzen overtuigend, hoezeer het overmoedig zelfvertrouwen der
Fransche bevelhebbers geschokt was door den aanval des Stad-
houders. Het bloed dat op de dijken van Woerden stroomde,
was niet nutteloos vergoten; want daardoor had de HoUandsche
veldheer zijn leger vertrouwen gegeven in zich zelf en in zijne
aanvoering; daardoor den vijand ontzag ingeboezemd; daardoor
dus latere overwinningen voorbereid. Wat Lodi was voor Bona-
parte bij zijn eersten veldtocht in Italië, was Woerden voor
Willem III.
Wat bij Rousset voorkomt over het gevecht van Woerden is
minder juist; wij deelen het hier kortelijk mede.
Rousset, na eerst een brief vermeld te hebbeu, den 23sten
Augustus 1672 door Louvois aan Turenne geschreven, laat
daarop volgen (i* deel, blz. 384 — 386):
. ...»Wat later gelastte Louvois aan de kolonels van de regi-
menten voetvolk om wervingen te doen, tot een geheel bedrag
van 15000 man; om daarmee nieuwe compagnieën te vormen,
•en in de oude aan te vullen de verliezen daarbij ontstaan door
's vijands vuur, door ziekten en door desertiën (15 September 1672).
Die krachtdadige handeling van Lodewijk XIV, de uitbreiding
van zijne wapen macht en Turenne's groote naam deden opnieuw
de Duitschers aarzelen, en maakten hen overdreven omzichtig.
Hunne legers bewogen zich met eene traagheid, die bijna be-
spottelijk was; het was half October voordat zij iets ernstigs
ondernamen.
Willem van Oranje verwenschte hunne aarzelingen, niet alleen
in het belang van zijn land, dat er behoefte aan had om verlost
'te worden van de Fransche wapenmacht, maar ook in zijn per-
soonlijk belang. De democratische factie en het leger hadden
hem tot het hoog gezag verheven, en om zich te handhaven
móést hij beiden voldoen. Aan de eerste had hij pas, ten koste
van zijn eer, een bloedig onderpand gegeven van zijn bondge-
nootschap of liever van zijn onderwerping. De moord der twee
Digitized by
Google
WOERDEN. l89'
De Witten (20 Augustus), die afschuwelijke wraak^ volvoerd door
een volkshoop dien Willem niet trachtte te beteugelen of te straffen^
had de verontwaardiging opgewekt van alle weidenkenden. Men
vond »die allereerste blijken van gezag^ die de Prins van Oranje gaf,
wel wat geweldig/' — zoo schreef Luxembourg den 22steQ Augustus-
aan den Koning. Maar dezelfde volkshoop begon te gelooven
aan een nieuw verraad, toen hij die Franschen, wier verdelging^
naar men beloofd had, dadelijk zou volgen op den dood der ver-
raders, aldoor op dezelfde posten zag blijven staan, en altijd even
dreigend. De achterdocht der menigte werd versterkt door de
zorg waarmede de Engelsche ministers de bijzondere belangen,
behartigden van den Prins, die verwant en verbonden was aan
htm Koning. 2^1fs aan de poorten van het stadhuis van Den
Haag werden geschriften geplakt, waarin men openlijk zeide, dat
als de Prins van Oranje de Franschen niet aanviel, men met
hem zou doen, zooals hij had laten doen met De Witt (brief
van Luxembourg aan Louvois van i November). Wat de mili-
taire partij betrof, die was minder onstuimig, maar even vurig
en met meer eerzucht; zij maande den Stadhouder aan, om het
leger eindelijk in de gelegenheid te stellen van door een schit-
terend wapenfeit zich op te heffen uit die onbeduidendheid, waartoe
De Witt's staatkunde het had doen dalen. Dit alles maakte het
voor den Prins van Oranje noodig om een voordeelig gevecht
te leveren."
Dit alles was, volgens Rousset, de aanleiding tot de onder-
neming van Willem III tegen Woerden. Geheel juist is die voor-
stelling niet, die de Fransche schrijver hier geeft: Willem III is
bij die onderneming veel meer te werk gegaan volgens eigene
inzichten, en heeft niet zoo den drang der partijen gevolgd; de
opgaven, door Luxembourg dienaangaande ingezonden, moet
men niet onbepaald vertrouwen: de Fransche bevelhebber is
denkelijk niet zoo nauwkeurig ingelicht aangaande den waren
staat van zaken in Holland zelve. De voorname reden waarom
Willem in tot die onderneming tegen Woerden overging, was
de wensch om den moed van het Hollandsche leger te ver-
hoogen, alvorens met dat leger oorlog te voeren in meer ver-
wijderde gewesten. Ddt doel is door den Stadhouder toen vol
komen bereikt.
Ook het gevecht zelf bij Woerden is bij Rousset minder
juist beschreven; en evenzoo is het minder nauwkeurig, wan-
neer hij het een 9 hardt coup de mairC^ noemt (blz. 388), dat
Luxembourg den aosten September Woerden had bezet; een stad,
die toen niet verdedigd werd, die niet bezet was en ternauwer-
nood versterkt!
Digitized by
Google
IQO KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
De Stadhouder, partij willende trekken van den indruk dien
iijne stoute aanvallende beweging op Woerden bij vriend en
vijand had gemaakt, besloot tot eene onderneming van grooter
belang en die, gelukkende, ten gevolge moest hebben de oogen-
blikkelijke ontruiming van het grondgebied der Republiek door
de Fransche legers; hij besloot de Hollandsche waterlinie bezet
te doen houden door een klein gedeelte zijner legermacht, en
met de hoofdmacht aanvallend te werk te gaan in de Zuidelijke
Nederlanden en naar de zijde van den Rijn. In een krijgsraad,
•den lyen October te Alphen gehouden, werden de maatregelen
vastgesteld voor die aanvallende beweging. De Ruyter woonde
'dien krijgsraad bij; en denkelijk heeft de groote vlootvoogd
•de verzekering gegeven, dat er geene landing van eene En-
gelsche krijgsmacht te duchten was; ten minste de ruiterij die,
om eene landing te beletten, gedurende een goed gedeelte van
den zomer bij Den Helder had gestaan, kreeg bevel op te bre-
ken om deel te nemen aan den tocht naar Braband. Een aantal
platboomde vaartuigen, volgens sommige opgaven 800 in getal,
werd op de Maas vereenigd, om de troepen, het geschut, de
munitie en levensmiddelen naar Noord-Braband over te brengen ;
en men gaf last om in de Baronie van Breda een aanzienlijke
hoeveelheid fourage bijeen te brengen, ten behoeve van de ruiterij,
<iie een aanzienlijk deel uitmaakte van het leger des Stadhouders.
De sterkte en samenstelling van dat leger worden zeer ver-
schillend opgegeven. Volgens een onzer schrijvers — Valckenier —
bedroeg het aanvankelijk ruim 23000 man, en later, versterkt
door Spaansche troepen, 30000; hieronder had men 18000 rui-
ters, 2000 dragonders en 10 000 man infanterie. Eene andere
opgave, — Hollandsche Mercurius — begroot de aanvankelijke
«terkte, zonder de Spaansche troepen, ook op 23 k 24000 man,
waaronder de ruiterij 54 eskadrons uitmaakte, ieder eskadron
verdeeld in 3 compagnieën; volgens die opgave zouden echter
dadelijk bij den opmarsch naar Braband, 5 regimenten infanterie,
al de artillerie en de bagage, naar Bergen op Zoom zijn terug-
gezonden, en daarentegen 3 regimenten van de bezetting van
Maastricht bij het leger zijn aangetrokken.
De opgaven der Fransche schrijvers zijn hiermede in strijd. Zoo
vermeldt Beaurain, dat het leger des Stadhouders in Noord-Braband
1 2 000 man infanterie en 9000 man kavalerie telde, en Monterey
eene versterking van 10 000 Spanjaarden had beloofd: dat echter
bij den opmarsch de Stadhouder zijne infanterie en een deel zijner
kavalerie in Noord-Braband achterliet, en slechts met 4000 rui-
ters op Maastricht trok, terwijl de versterking die de Spanjaarden
aanbrachten, slechts 7 k 8000 man bedroeg; — later, bij het
beleg van Charleroi, stelt Beaurain de macht der bondgenooten
evenwel op 30 000 man, — In de briefwisseling van de Fransche
Digitized by
Google
TOCHT NAAR MAASTRICHT EN DE BOVENMAAS. I9I
bevelhebbers vindt men, dat Duras den gen November aan Lou-
vois schrijft, >dat er berichten zijn dat Willem III eene macht
vereenigd heeft van 8000 man ruiterij en 8 è, 10 000 man voet-
volk, met 12 stukken geschut." In een lateren brief van Duras,
van 12 November, wordt echter gezegd: >dat de Stadhouder
noch infanterie, noch geschut bij zich heeft ; dat de Spanjaarden
hem 4000 ruiters gegeven hebben, behalve de dragonders; en
Willem III evenveel ruiterij heeft." Luxembourg schrijft, geheel
in strijd daarmede, den 29sten November uit Utrecht, idat de
Prins van Oranje, niet alleen zijne ruiterij, maar ook een groot
deel zijner infanterie had meegenomen, en er te Bodegraven
maar 2000 man zijn overgebleven."
Uit die opgaven moet men als het waarschijnlijkste opmaken :
<iat de Stadhouder werkelijk — om welke reden is onbekend —
bij het begin van den opmarsch een gedeelte van zijne infan-
terie in Noord-Braband heeft achtergelaten, en hij zijn tocht
naar Maastricht bijna uitsluitend met kavalerie heeft verricht,
maar dat later ook die infanterie is opgerukt, en toen de leger-
macht van Willem III een 30000 man zal hebben bedragen, de
Spaansche troepen daaronder gerekend.
Die legermacht, zoo voetvolk als ruiterij, was van de Hol-
landsche waterlinie gemarcheerd op Gouda en Rotterdam, daar
ingescheept en zoo naar Noord-Braband overgebracht; hier trok
zij te zamen bij Wouw en Roozendaal. Den yen November was
het HoUandsche leger daar vereenigd; den 8sten ving de tocht
naar Braband aan. £en gedeelte van de krijgsmacht, voornamelijk
voetvolk, was achtergelaten tot beveiliging van Holland en be-
zette de waterlinie; bevelhebbers van de verschillende deelen
dier linie waren: te Muiden en Weesp graaf Maurits van Nas-
sau; te Bodegraven de graaf van Königsmarck; aan de Goejan-
verwellesluis de graaf van Hoome; te Schoonhoven de markies
van Westerloo; en te Gorkum de veldmaarschalk Wirtz.
Terwijl nu de Stadhouder de HoUandsche legermacht in de
Zuidelijke Nederlanden geleidde om den strijd tegen Frankrijk
dür over te brengen, naderden gelijktijdig Duitsche legers den
Rijn en bedreigden dit rijk met een inval in de oostelijke ge-
westen ; en de samenwerking van die verschillende legermachten
zou, waren zij krachtdadig aangewend, zeker groote uitkomsten
hebben kunnen teweegbrengen. Die krachtdadigheid ontbrak
hier echter bij sommigen; de ontwerpen van de bondgenooten
werden hier weer verijdeld door de zoo gewone verdeeldheid van
inzichten, waartegenover Frankrijk, evenals bij zooveel latere oor-
logen, eene eenheid van handeling stelde, die alléén reeds vol-
doende was om het een groot overwicht te geven op zijne vijanden.
Twee Duitsche legers naderden den Rijn en bedreigden Frankrijk.
Digitized by
Google
192 KRIJOS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Het eene^ onder den keurvorst van Brandenburg, telde, volgens
de waarschijnlijkste opgaven, een 24 k 25000 man, en werd op
het einde van Augustus bij Halberstadt vereenigd; het andere^
een kleine 20000 man Keizerlijke troepen, onder Monte Cuculi^
ging den 29stea Augustus op raarsch, van Egra in Bohemen.
Half September was het Brandenburgsche leger nog te Hildes-
heim, dat van Monte Cuculi in Thuringen, en eerst in het begin
van October trokken die beide legers naar den Rijn, naar de
zijde van Keulen en Koblentz. — Wij drukken op dien laten
opraarsch, om daarmede onze vroegere bewering te staven: dat
het ongerijmd is, om aan den opmarsch van die Duitsche legers
de redding van Holland in 1672 toe te schrijven.
Eenheid van inzichten ontbreekt nogal dikwijls bij verbondene
legers, maar hier schijnt zelfs de goede trouw niet bij allen te
hebben bestaan. Wél aan de zijde van den Brandenburgschen
keurvorst, die het oprecht meende met zijn bondgenootschap,
met onzen Staat gesloten: de Keizer daarentegen schijnt noode
den oorlog tegen Frankrijk te hebben willen voeren, en zich ten
minste geen opofiferingen daarvoor te hebben willen getroosten.
Hij had dan ook aan zijn veldheer Monte Cuculi tot bepaald
voorschrift gegeven: »zoo weinig mogelijk te verrichten." Deze,
anders een aanvoerder van groote bekwaamheid, kwam dien
last goed na, speelde in dezen veldtocht eene onbeduidende rol,
verlamde daardoor ook de handelingen van het bij hem ge-
voegde Brandenburgsche leger en maakte op die wijze aan de
uitstekende Fransche legerhoofden hunne taak gemakkelijk.
Turenne en Condé waren hier belast met de verdediging van
Frankrijk's oostelijke grenzen ; de eerste stond aan den beneden-
Rijn, de tweede bij den Elzas. Condé had eene legermacht van
18000 man, die van Turenne bedroeg aanvankelijk slechts 12 è.
15000 man; bij verschillende gelegenheden werd zij echter ver-
sterkt; het juiste bedrag van die versterkingen wordt niet opge-
geven, maar Napoleon — in zijne kritiek over de veldtochten
van Turenne — stelt de legermacht van dien veldheer, op het
einde van 1672, even hoog als de beide Duitsche legers ver-
eenigd. Behalve die legers van Condé en Turenne en het leger
van Luxembourg in Holland, was er eene Fransche krijgsmacht
rondom Maastricht geplaatst, op de beide oevers van de Maas;
die krijgsmacht, vroeger aangevoerd door een der beide Cha-
milly's, was, na het overlijden van dien bevelhebber, onder den
hertog De Duras gekomen, en had tot taak om de bezetting
van Maastricht in bedwang te houden en Luxembourg's gemeen-
schap met Frankrijk te verzekeren. Eene andere Fransche leger-
macht, onder den maarschalk d'Humières, was verdeeld in de
vestingen die Frankrijk in de Spaansche Nederlanden bezette, en
in de sterke steden van het noorden van Frankrijk.
Digitized by VjOOQIC
TOCHT NAAR MAASTRICHT EN DE BOVENMAAS. 193
Terwijl Condé op den linker Rijnoever bleef, en, om den
vijand den overtocht van dien stroom te verhinderen, de brug
bij Straatsburg den i4en November deed verbranden, was Tu-
renne op den rechteroever van den Rijn overgegaan, en ver-
richtte hij wat volgens den kunststijl van Clausewitz eene actieve
rivier-verdediging wordt genoemd. Dit was in strijd met
de voorschriften die hij van de regeering had ontvangen, die
den raad inhielden om op den linkeroever des strooms te blij-
ven en dus eene lijdelijke verdediging te voeren. Turenne
sloeg die voorschriften in den wind en besloot den vijand op te
zoeken op den rechteroever.
Stout mag die handeling worden genoemd; want indien het
al waar is, dat later door de aangekomen versterkingen de
macht van Turenne met die der bondgenooten gelijkstond, zoo
was dit toch aanvankelijk niet het geval, de Fransche veldheer was
zeer in de minderheid. Maar Turenne rekende op de langzaam
heid en mindere bekwaamheid van zijne tegenstanders, op het
uitmuntende van de Fransche troepen en op de hulpmiddelen
die hij zou weten te vinden in zijn eigen beleid. Verschillende
voordeden waren verbonden aan dien overgang op den anderen
Rijnoever: daardoor kreeg het Fransche leger aan zijne zijde
het zedelijk overwicht, dat de aanvaller altijd op den verdediger
heeft; daardoor werden de bondgenooten zelve bedreigd, zelve
verhinderd den Rijn over te trekken, en dus die stroom even
goed verdedigd alsof men zich daarachter had geplaatst; daar-
door eindelijk deed Turenne zijn leger onderhouden door de
Duitsche Staten op den rechter Rijnoever, en beroofde hij de
landstreek op dien oever van levensmiddelen; — iets, wat bij de
wijze van oorlogvoren van dien tijdeen belangrijk voordeel was,
dewijl het daardoor aan den vijand onmogelijk werd gemaakt
om later zelf lang te verblijven in die landstreek.
Dat er gevaar was gelegen in dien overgang op den rechter-
oever des Rijns, — dit valt niet te ontkennen. Voor een veld-
heer van mindere bekwaamheid dan Turenne zou die handeling,
als zeer gewaagd, niet aan te raden zijn geweest; maar bij hem
werd dat gewaagde weggenomen door de voorzichtige, beleid-
volle wijze, waarop hij den strijd met den vijand wist te ont-
wijken. Stoutheid bij het ontwerpen, voorzichtigheid bij het uit-
voeren, — ziedaar het kenschetsende van Turenne*s strategie;
en onder andere bij die verdediging van den Rijn op het einde
van 1672 vindt men die beide hoedanigheden op eene mees-
terlijke wijze vereenigd: met een klein leger gaat hij den veel
sterkeren vijand te gemoet, blijft dezen geruimen tijd nabij,
houdt hem in bedwang, — maar zorgt wél van niet gedwongen
te worden tot een ongelijken strijd tegen de overmacht.
Op drie verschillende wijzen konden de Duitsche legers Hol-
wiLLEM ni, — I. 13
Digitized by VjOOQIC
194 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
land te hulp komen; zij konden op Holland trekken, ona zich
óéiéLT met Willem III te vereenigen ; zij konden Keulen bedreigen,
en daardoor de Keulsche krijgsmacht nopen om Holland te ont-
ruimen; zij konden, eindelijk, den Rijn overgaan en trachten Frank-
rijk binnen te dringen, hetzij door den Elzas, hetzij over den Moezel.
In de onzekerheid wat 's vijands voornemen was, plaatste
Turenne zich den loen September met zijn leger bij Wezel, op
den rechter Rijnoever. Toen in het begin van October de op-
marsch van de Duitschers plaats had naar het gedeelte van den
Rijn tusschen Keulen en Koblentz, trok Turenne langs den stroom
opwaarts en nam den 7en October stelling te Mulheim. Den
i2en October gingen het Brandenburgsche en het Keizerlijke leger
op marsch naar de zijde van Mainz en Frankfort. De bondgenooten
werden daar versterkt met 5 k 6000 man, die de hertog van Lotha-
ringen hun aanbracht. Voornemens bij Keulen den Rijn over te
trekken, deden zij schijnbewegingen om den vijand te misleiden,
en namen zij den 25stea October stelling te Höchst, tegenover
Mainz, een uur of drie daarvan verwijderd. Turenne was zijnen
vijanden gevolgd, altijd op den rechter Rijnoever, en nam den
óen November stelling te Neuwied, tegenover Andernach. Hier
deed hij, onderricht zijnde van den opmarsch van Willem III in
de Zuidelijke Nederlanden, en dien vorst het naderen van den
Rijn en eene vereeniging met de Duitsche legers willende ver-
hinderen, een brug slaan over den Rijn ; die brug te Andernach
werd verzekerd door een dubbel bruggenhoofd. Na daar eene
genoegzame bezetting te hebben achtergelaten, ging het Fransche
legerhoofd den i9eii November op den linkeroever van den Rijn
over, en nam stelling te Witlich, ten noorden van den Moezel,
op den weg van Aken en Maastricht naar Mainz. Hier was
Turenne den 23sten November in gemeenschap met het leger
van Condé, dat den Moezel was genaderd; en de Fransche veld-
heer, tusschen de Duitsche legers en dat van Willem III in staande,
was dus in de gelegenheid om de vereeniging te beletten van
die beide legers, en elk afzonderlijk met overmacht aan te vallen
en te verslaan.
Die korte opgave van de operaliën aan den Rijn was noodig
om de handelingen van Willem III in de Spaansche Nederlanden
te verklaren. Den 8sten November had die vorst den opmarsch
begonnen van Roozendaal naar Maastricht over Hoogstraten,
Castelré, Arendonk en Peer; den 11 en November bereikte men
Maastricht. Die marsch zou, zelfs in onzen tijd, voor een snellen
marsch worden gehouden; zij maakt het dan ook waarschijnlijk
dat de macht des Stadhouders aanvankelijk alleen uit ruiterij
bestond. Er hadden onbeduidende ruiterij-gevechten plaats bij
dien opmarsch; maar de macht van Duras was te gering om
Digitized by
Google
TOCHT NAAR MAASTRICHT EN DE BOVENMAAS. I95
het doordringen van het Hollandsche leger tot Maastricht te
verhinderen. Die Fransche bevelhebber had zijne infanterie groo-
tendeels als bezetting geplaatst te Tongeren en te Maaseyck;
met zijne ruiterij, volgens Beaurain 3500 paarden sterk, had hij
ten zuiden van Tongeren aan de Jeker gestaan, maar was, bij
de nadering van Willem III, te Maaseyck op den rechteroever
van de Maas teruggegaan; den ijen November nam hij stelling
te Wassenberg, achter de rivier de Roer. Hier wachtte hij ver-
sterking van ruiterij die Luxembourg hem uit Holland toezond.
Uit een der brieven van dien Franschen maarschalk aan Lou-
vois blijkt, dat die ruiterij uit 40 compagnieën bestond, en den
yen November te Nijmegen zou aankomen. Neemt men aan, dat
die compagnieën de gewone sterkte hadden, dan maakt die ver-
sterking een paar duizend man uit, zoodat de opgaven van onze
schrijvers, volgens welke Duras in het geheel een 6000 man
ruiterij bij zich zou gehad hebben, alleszins met de waarschijn-
lijkheid overeenkomen.
Het ontzetten van Maastricht, van een vesting die reeds bijna
een half jaar zoo goed als ingesloten was, de verschijning van
eene Hollandsche legermacht in de Zuidelijke Nederlanden op
een oogenblik dat de vijand nog voor de poorten van Amster-
dam stond, waren zeker gebeurtenissen, die een diepen indruk
moesten maken; het waren belangrijke zedelijke voordeelen voor
Holland. Maar, om die voordeelen door te zetten, om oorlog te
blijven voeren in de Spaansche Nederlanden en daardoor
I^uxembourg te dwingen om Holland te ontruimen, daartoe was
de macht van Willem III alleen te zwak, daartoe werd de mede-
werking vereischt van de Spaansche en vooral van de Duitsche
legermacht. Het hoofddoel van den Stadhouder schijnt dan ook
te zijn geweest, om door zijn marsch op Maastricht het leger
van Turenne naar de Maas te lokken, en het daardoor den
Duitschen legers gemakkelijk te maken om den Rijn over te
trekken; het was evenals bij een schaakpartij met vieren: de
bondgenoot van Willem III was mat, en het kwam er vooral
op aan dezen te ontmatten; gelukte dit, dan was er veel kans
om de partij te winnen. Maar dat ontmatten gelukte niet: Tu-
renne liet zich door de bewegingen van den Stadhouder niet
aftrekken van den Rijn; hij bepaalde er zich toe — zooals men
gezien heeft — eene brug te Andernach te slaan, waardoor hij
steeds in de gelegenheid was, met zijn leger dat des Stad*
houders te gemoet te gaan ; maar hij bleef vooreerst te Andernach;
en toen hij later den Rijn verliet, plaatste hij zich zoodanig te
Witlich, dat hij daardoor de vcreeniging van de Duitsche legers
met dat van Willem III nog belette. Verder vooruitrukken tus-
schen Maas en Rijn, het leger van Turenne opzoeken en slag
leveren, daartoe was de macht van Willem III veel te gering;
Digitized by
Google
196 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
en hij moest zich dus bepalen met in de nabijheid van Maastricht
te blijven, en hier, door het bedreigen van de sterke steden die
Frankrijk in de Spaansche Nederlanden had, of door het behalen
van voordeelen op Duras, eene afleiding te bewerken ten voor-
deele van de Duitsche legers aan den Rijn.
Zelfs hiertoe werd de komst van de Spaansche hulptroepen
gevorderd; en daar deze eerst den 24sten November aankwamen,
bracht men een dag of veertien door met onbeduidende verrich-
tingen bij Maastricht: den isen November trok de ruiterij des
Stadhouders door Maastricht, en breidde zich uit op den rechter
Maasoever tot Eysden; bij Navaigne werd een brug over de
Maas geslagen; en met Luik werd eene overeenkomst gesloten,
die den toevoer van levensmiddelen uit dit Bisdom aan het Hol-
landsche leger verzekerde. Toen nu de Spaansche generaal Marsin
met 7 k 8000 man op den linker Maasoever nabij Maastricht
was verschenen, ging men over tot de insluiting van Tongeren;
den 25sten November begonnen, werd zij den 26steii voltooid,
toen de hoofdmacht van de bondgenooten voor die stad ver-
scheen. Vóórdat die insluiting was voltooid, had zich Montal,
de Fransche bevelhebber van Charleroi, met eenige ruiterij bin-
nen Tongeren geworpen; het bevel tot die handeling vooruit-
loopende, dat hem eerst den 26sten door Louvois werd toege-
zonden. De komst van diei\ bekwamen en stouten Franschen
aanvoerder binnen de muren der bedreigde vesting, verminderde
voor de bondgenooten de kansen op hare vermeestering ; —
kansen, die toch niet zeer groot waren, daar uit verschillende
opgaven blijkt, dat Tongeren reeds maanden te voren door de
Franschen met zorg was versterkt, en toen eene bezetting had
die op een 3000 man wordt begroot.
Ernstig schijnen de bondgenooten die onderneming tegen Ton-
geren ook niet te hebben doorgezet; want reeds den 29sten No-
vember werd het beleger ingsgeschut teruggezonden naar Maas-
tricht; en den volgenden dag trok de Stadhouder met het
grootste deel zijns legers ook derwaarts, de onderneming tegen
Tongeren dus geheel opgevende. Aanleiding tot dit besluit schijnt
te zijn geweest de weinige kans die men had om Tongeren te
bemachtigen, en de hoop van een voordeel te behalen op Duras,
die men meende dat met zijne 6000 man ruiterij over Maaseyck
zoude oprukken, om de bedreigde vesting te hulp te komen;
denkelijk heeft de geheele onderneming tegen Tongeren alleen
gediend om Duras uit te lokken tot het leveren van een gevecht.
Dit doel was echter niet bereikt; de Fransche bevelhebber
was achter de Roer gebleven. Willem III, hem daar willende
opzoeken, trok op den 3osten November met 9000 man ruiterij
te Maastricht de Maas over en rukte op Linnick, voornemens
dd^r, in het gezicht van Duras, de Roer over te trekken. Die
Digitized by
Google
TOCHT NAAR MAASTRICHT KN DE BOVENMAAS. I97
rivier was toen echter door aanhoudende regens zeer sterk ge-
zwollen ; en daar Duras de bruggen vernield had, was hare over-
tocht ondoenlijk. De Stadhouder keerde, na een paar dagen aan
de Roer te hebben stand gehouden, naar Maastricht terug ; maar
toch iets willende verrichten, deed hij, op den 6en December,
het sterke kasteel van Valkenburg door 3 regimenten der bezet-
ting van Maastricht — Beaumont, Mannemaker en Kilpatrick —
met 4 stukken geschut aanvallen ; reeds den 7en was de Fransche
bezetting, een paar honderd man sterke genoodzaakt zich over
te geven. Duras, zijne stelling aan de Roer te gevaarlijk reke-
nende, had die in de eerste dagen van December verlaten, en
was den 5en te Oberwinter gekomen, tusschen Bonn en Ander-
nach, daardoor zijne gemeenschap met Turenne verzekerende.
Die terugtocht van den Franschen bevelhebber was, naar ge-
woonte, gedekt door eene achterhoede; — wat de Hollandsche
Mercurius, in zijne diepe kennis van de krijgskunst, als iets zeer
opmerkelijks vermeldt: >dit was de Fransche gewoonte als zij
het hazenpad kiezen, dat zij gedurig 10 è, 11 escadrons van verre
laten navolgen, altoos omkijkende of haar vijand volgde." (23*
deel, blz. 207).
Die operatiën aan de Maas bleven intusschen zonder invloed
op den gang der gebeurtenissen aan den Rijn: Turenne hield
nog altijd stand te Witlich, tevens het bruggenhoofd van Ander-
nach sterk bezet houdende ; en zijne vijanden gingen te werk op
eene wijze, die ten duidelijkste deed blijken, dat zij geen ernstig
voornemen hadden om den Rijn over te ga^n en den oorlog
over te brengen op den linkeroever van dien stroom. Den 7en
December deden zij eene zwakke poging om de brug te Ander-
nach te vernielen en een aanval op het bruggenhoofd op den
rechteroever; die poging mislukte, die aanval werd afgeslagen.
Met half December verlieten zij daarop den Main en trokken zij
naar de Lahn; en dit bewoog Turenne om den i7en December
ook zijne stelling te Witlich te verlaten en de brug te Ander-
nach meer nabij te komen. Op het bericht dat de Duitsche legers
uiteengaan en een gedeelte van de Brandenburgsche macht naar
het lagere gedeelte van den Rijn trekt, doet de Fransche veld-
heer de brug bij Andemach afbreken en volgt hij de bondge-
nooten naar de zijde van Wezel.
Met het einde van December is de Duitsche legermacht geheel
ontbonden; zij keert huiswaarts; en daar men, om de onzijdig-
heid van de Duitsche vorsten te ontzien, gedurig omwegen moest
maken, werden de marschen zoo vermoeiend, dat daardoor en
door de invallende koude meer dan 3000 paarden bezweken.
Het Brandenburgsche en het Keizerlijke leger hadden dus, in den
striktsten zin van het woord, in dezen veldtocht niets gedaan;
Digitized by
Google
198 KR^GS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
en dit was de bijstand die ons land in 1672 van Duitschland
ondervond ; hij had tot niets anders gediend dan om in de laatste
maanden van dat jaar een deel der Fransche krijgsmacht naar
den Rijn te doen trekken.
Oranje, nu aan zijne eigene krachten overgelaten, besloot nog
voor het einde van den veldtocht tot eene onderneming over te
gaan, die, gelukte zij, zijn krijgsroem zou verhoogen en een
zwaren slag zou toebrengen aan de Fransche macht; hij besloot
tot het beleg van Charleroi.
Stout mag die onderneming worden genoemd, wanneer men
in aanmerking neemt het vergevorderde jaargetijde, en de zeker-
heid dat men daarbij zonder ondersteuning zou blijven van de
Duitsche legers; maar er waren kansen voor het gelukken: men
wist dat Charleroi niet sterk bezet was, en zich daarin niet meer
dan 800 soldaten bevonden en 300 boeren, bestemd voor den
arbeid aan de vestingwerken; wat meer was, de bevelhebber der
vesting, Montal, wiens bekwaamheid men kende, was afwezig; en
de verdediging zou dus, — dit was te verwachten — met niet
veel kracht worden gevoerd. Ontzet zou de vesting niet spoedig
kunnen krijgen, daar de Fransche macht in de vestingen der
Zuidelijke Nederlanden op zich zelve hiertoe niet sterk genoeg
was, Turenne zich aan den Rijn ophield en Duras was terug-
gedrongen. De inneming van Charleroi was dus mogelijk en zelfs
alles behalve onwaarschijnlijk.
£n die inneming zou een belangrijk wapenfeit zijn geweest.
Men moet, om dit te erkennen, zich verplaatsen in de wijze van
oorlogvoeren van de 17e eeuw, en onze hedendaagsche denk-
beelden daarover ter zijde stellen. Bij een veldtocht van de 19e
eeuw zou de inneming van eene vesting als Charleroi een ge-
heel onbeduidende handeling zijn; in de 17e eeuw niet; toen-
maals was elke vesting van gewicht, en van zooveel gewicht, dat
men rekende dat een sterk, overwinnend leger een roemrijken
veldtocht had verricht, wanneer het, in den loop van dien veld-
tocht, een of twee vijandelijke vestingen had belegerd en inge-
nomen; — zie, ten bewijze, hoe verscheidene veldtochten van
Marlborough niets anders dan dit opleveren, en dat was reeds
18e eeuw! Wat moest het dan zijn, wanneer men een leger
dat bij het begin van den veldtocht zwak, geslagen en vluch-
tend was, een leger dat men bijna niet meer telde, plotseling
weer aanvallender wij ze zag te werk gaan, en eene vesting bele-
geren ên innemen, onmiddellijk aan de grenzen van het machtige
en overwinnende Frankrijk! Het lijdt geen twijfel, dat zoo iets
een verbazenden indruk moest maken; en dat, door die ver-
meestering van Charleroi, de zedelijke kracht van Lodewijk's
heerschappij een geduchten schok moest ondergaan.
Digitized by VjOOQIC
TOCHT NAAR MAASTRICHT EN DE BOVENMAAS. I99
Maar ook de materieele nadeelen zouden groot zijn voor
Frankrijk. Charleroi was toentertijd eene groote depotplaats voor
de Fransche krijgsmacht in Holland*, het onderhield, in verband
met de door Duras bezette sterke steden, de gemeenschap van
die krijgsmacht met Frankrijk ; van daar kon die krijgsmacht ge-
durig toevoer krijgen ; — maar viel Charleroi in handen van de
bondgenooten, dan hield dit alles op ; dan was die gemeenschap
verbroken; dan kwam geen toevoer meer van daar; dan was
— om eene nieuwere uitdrukking te bezigen — Luxembourg's
operatielijn door den vijand bemachtigd. De landstreek tusschen
Maas en Rijn was dén de eenige weg, waarlangs die Fransche
veldheer toevoer kon krijgen, waarover hij een terugtocht kon
verrichten; en daar die landstreek ernstig bedreigd kon worden,
èn door het leger van Willem III, èn door de Duitsche legers
aan den Rijn, zoo was het voortdurend behouden van toevoer
en van ongehinderden terugtocht voor Luxembourg iets zeer
onzekers; en die Fransche veldheer, wilde hij geen gevaar loe-
pen van door de bondgenooten te worden ingesloten, zou ge-
dwongen zijn om Holland te ontruimen.
Zulke groote en beslissende uitkomsten kon de vermeestering
van Charleroi teweegbrengen. Dat die vermeestering niet plaats
had, dat de onderneming mislukte^ dit bewijst niets: het ontwerp
tot de onderneming blijft daarom toch even stout en groot.
Oranje, zijne tegenpartij door schijnbewegingen misleidende,
deed Montal gelooven, dat bij de bondgenooten het voornemen
bestond om nogmaals Tongeren aan te vallen ; maar, terwijl een
gedeelte van de macht des Stadhouders die stad naderde, trok
eene afdeeling ruiterij den i5eu December plotseling naar Char-
leroi en berende die vesting ; den i yen verscheen de hoofdmacht
der bondgenooten aldaar en voltooide de insluiting. Er waren
regimenten infanterie van Bergen op Zoom aangekomen, tenge-
volge waarvan de geheele macht des Stadhouders tot 30000 man
klom. Belegeringsgeschut werd te Maastricht ingescheept, om
over de Maas en Sambre naar Charleroi vervoerd te worden.
Men viel dus met sterke middelen eene vesting aan met geringe
bezetting en zonder bevelhebber; een beleg van eenige dagen
kon haar doen vallen; Frankrijk lag dan open voor het leger
des Stadhouders; en de vrees voor een vijandelijken inval was
daar zóó groot, dat er ernstig sprake van was, dat Lodewijk XIV
zich in persoon aan het hoofd eens legers zou stellen. Verschil-
lende omstandigheden keerden echter dit gevaar van Frankrijk
af en deden het voorgenomen beleg mislukken.
Montal, wanhopig van zich door den vijand te hebben laten
misleiden, wil eene uiterste poging wagen om zich ie werpen
binnen de vesting aan zijne zorg toevertrouwd. Die onversaagde
bevelhebber verlaat met een honderdtal ruiters Tongeren, komt
Digitized by
Google
200 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
in den vroegen ochtend van den i8en nabij Charleroi en neemt
een list te baat om zich heen te slaan door de insluitende macht
van de bondgenooten. Hij heeft zijne ruiters van oranjesjerpen
voorzien, is — door den een of anderen overlooper — met het
wachtwoord bekend geworden, en nadert nu de legerplaats der
Spanjaarden van Marsin, waar hij zich uitgeeft als behoorende
tot de troepen van den hertog van Holstein. Twee veldwachten
laten hem ongehinderd door, maar bij de derde heeft oponthoud
plaats; en toen de Franschman ziet dat hij ontdekt zal worden,
werpt hij het masker af; op het door hem gegeven sein, — de
kreet van y^vive Ie Rot' de Francé*^ — schieten zijne ruiters hun
pistolen af, storten zich met de sabel in de vuist op de Span-
jaarden, slaan zich daar doorheen en bereiken Charleroi. Hunne
komst binnen die vesting wekt den neergeslagen moed der be-
zetting weer op, en Montal, van de eerste geestdrift gebruik
makende, doet dadelijk een krachtig geschutvuur op den vijand
openen en uitvallen doen; de bondgenooten lijden daarbij ver-
liezen: Louvignies wordt gekwetst en onder de gesneuvelden
wordt een van de Bijlandts genoemd.
De verdediging zou nu met kracht worden gevoerd, en aan
de Fransche zijde maakte men zich gereed om de benarde ves-
ting zoo goed mogelijk te hulp te komen. Duras had reeds
vroeger — 4 December — last ontvangen van Louvois om zich
te versterken met een 3 k 4000 man ruiterij van de Keulsche
en Munstersche krijgsmacht die te Wezel te zijner beschikking
zouden worden gesteld; alsook met een 1200 ruiters, onder
Calvo, door Luxembourg uit Holland afgezonden; en met die
vereenigde macht het leger van Willem III op te zoeken en
terug te drijven; — dit bevel was echter niet tot uitvoering ge-
komen, denkelijk omdat de overmacht des Stadhouders dit be-
lette. Óp de eerste tijding der berenning van Charleroi zond
Louvois — 17 December — andermaal bevel aan Duras om
onverwijld met zijn geheele macht de Maas over te trekken, op
Braine Ie Comte te marcheeren, en zich te Ath onder de be-
velen te stellen van den maarschalk d'Humières, die daar 7000
man infanterie en 1200 ruiters zou vereenigen; die gezamenlijke
macht moest dan Charleroi ontzetten.
Vóórdat dit leger oprukte, was echter het beleg van Charleroi
reeds opgebroken.
De voorname oorzaak hiervan was een plotseling ingevallen
vorst, die den aanvoer onmogelijk maakte van het belegerings-
geschut van Maastricht, het openen van de loopgraven belette,
de soldaten des Stadhouders zeer deed lijden en een aantal
hunner het leven kostte. Dit schijnt de hoofdoorzaak te zijn
geweest van het opbreken van het beleg van Charleroi; — hoe-
wel het zeer waarschijnlijk is, dat op dit opbreken ook niet
Digitized by
Google
TOCHT NAAR MAASTRICHT EN DE BOVENMAAS, 20I
zonder invloed is gebleven de dappere wederstand, door Montal
geboden, de tijding van het bijeentrekken van een Fransch leger
tot ontzet en de vrees dat, bij langer verwijl voor Charleroi,
Holland intusschen door Luxembourg gevaar zou kunnen loopen.
Den aasten December werd de kleine vesting Binche nog be-
machtigd door eene afdeeling van het leger des Stadhouders,
en de vijandelijke bezetting, 300 man sterk, krijgsgevangen ge-
maakt; men slechtte de vestingwerken van dat stadje en verliet
het toen. Daarna werd het beleg van Charleroi opgebroken en
Willem III trok met zijn leger terug naar Holland, zonder bij
dien terugtocht in het minst door den vijand gehinderd te wor-
den. Daarentegen leed de Hollandsche krijgsmacht veel door
de koude; en volgens Sylvius moeten de daardoor ontstane
ziekten die krijgsmacht met een derde hebben verzwakt. Den
3osteii December was de Stadhouder weer te Alphen.
Rousset, in zijn „Histotre de Louvois*^ toont aan dat die onder-
neming van Willem III op Charleroi >goed beraamd" was, en
van eene » uitnemende stoutheid" -getuigt ; ziehier wat daarover
voorkomt in het werk van den Franschen schrijver (i* deel,
blz. 403—407):
> Inmiddels had de Prins van Oranje zich een oogenblik ge-
vleid, het doel van zijn streven te hebben bereikt. Hij had
eenige troepen in Holland achtergelaten om de uiteinden der
dijken te bezetten en Luxembourg te misleiden; en met de
hoofdmacht was hij ongemerkt weggetrokken en snel, door
Braband heen, op Maastricht gegaan. Verrast door die onver-
wachte beweging had de hertog De Duras, die te Maaseyck
graaf Chamilly had vervangen," (in een noot: > Graaf Charailly
was den i8en October overleden"), >maar even den tijd gehad
om zijne te veel verspreide troepen wat samen te trekken; maar
het was hem onmogelijk den Prins van Oranje den overtocht van
de Maas te betwisten. Reeds had Prins Willem het kasteel van
Valkenburg vermeesterd en zijne voorposten vooruitgeschoven
tot aan de Roer ; maar twee of drie dagmarschen verder, en hij
was vereenigd met zijne Duitsche bondgenooten, toen hij het
ongeloofelijke bericht kreeg van hun aftocht, die alles weer
omverwierp. Nu gevaar loopende van ingesloten te worden tus-
schen Duras, die bekomen was van zijne verrassing, en Turenne,
die toen meer vrijheid van beweging had, trok de Prins terug
op Maastricht; maar de verbittering der Hollanders tegen Lode
wijk XIV, en zijne persoonlijke belangen gedoogden niet dat
hij zonder zwaardslag aftrok, zooals de Duitschers. Met eene
uitnemende stoutheid besloot hij, alléén, het groote ontwerp uit
te voeren, dat slechts door de vreesachtigheid van den Keizer
en van diens legerhoofden schipbreuk had geleden : het oogmerk
Digitized by
Google
202 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
om de gemeenschap van Turenne, van Duras en van Luxem-
bourg met Frankrijk af te snijden. Van Charleroi was het leger
uitgegaan, dat Holland was binnengedrongen; ook te Charleroi
wilde hij den terugtocht voor dat leger afsnijden. Gesteund door
graaf Monterey, den landvoogd der Spaansche Nederlanden, die,
zonder eenig bevel van zijn hof, niet schroomde, het in onge-
legenheid te brengen door Willem bij te staan met eene afdee-
ling van loooo man en met eene sterke artillerie, nam hij eerst
den schijn aan van Tongeren aan te vallen, en verscheen toen
plotseling, den 15 en December, voor Charleroi.
De ontroering van Lodewijk XIV, toen hij hiervan bericht
kreeg, bewijst genoegzaam, dat die onderneming hem gevoelig
trof en goed was beraamd. >Ik acht dit een toestand, zóó ge-
wichtig, als ik ooit zal beleven," schreef hij aan Louvois (21
December). Want Louvois was reeds niet meer bij hem : de rus-
telooze minister was vertrokken om het vuur van zijn ijver mee
te deelen aan de bevelhebbers en de troepen die van alle zijden
oprukten. Den 1760 December wist het hof dat Charleroi werd
aangevallen; na den nacht 4e hebben doorgebracht met het
uitvaardigen van bevelen, schreef Louvois, den i8en om vijf uur
's ochtends, uit Parijs: >ik kom van Versailles; over een uur
vertrek ik naar Vlaanderen. Morgen komt de maarschalk d'Hu-
mières met 10 000 man te Ath; en over vijf dagen trekt de
Prins van Condé met 6000 man op Charleroi. Ik hoop dat,
binnen weinige dagen, de vijand berouw zal hebben van zijn
dwaze onderneming." Bovendien had Duras bevel om met zijn
geheele macht van Maaseyck op te rukken."
Volgens Rousset was het 20 December toen Montal weer
binnen zijne vesting kwam. Na die terugkomst vermeld te heb-
ben, vervolgt de Fransche schrijver:
•Twee dagen later, den 22sten, brak Willem van Oranje het
beleg op en keerde naar Holland terug; zich met niets anders
kunnende troosten dan met twee gemakkelijke en zeer onbe-
duidende krijgsverrichtingen : het nemen van het kasteel van
Valkenburg en het plunderen van het stadje Binche. Zoo ein-
digde, even plotseling als zij begonnen was, hoewel met minder
luister, die onderneming, die aan Lodewijk XIV zulk een gruw-
zame onrust — yyune inquiétude furieusi'' — had ingeboezemd."
Van den invloed, die het plotseling invallen van een strenge
vorst deed gelden, wordt in die voorstelling van Rousset geen
gewag gemaakt ; maar toch wijst die voorstelling ten duidelijkste
aan, van welk een beslissenden aard deze strategische handeling
van Willem III had kunnen zijn. Die handeling alleen is reeds
voldoende om hem te kenmerken als een uitstekend legerhoofd*
Digitized by
Google
WREEDHEDEN DOOR LUXEMBOURG GEPLEEGD. 203
HOOFDSTUK VII.
wreedheden door luxembourg gepleegd; bodegraven en
zwammerdam: coevorden; strategische opmerkingen.
Op hetzelfde oogenblik dat Willem III de Hollandsere wapen-
macht tot aan Frankrijk's grenzen had doen doordringen, was
Luxembourg er op bedacht, om door een inval in Holland voor-
goed een einde te maken aan den wederstand van de Republiek,
en hij trok daartoe partij van dezelfde winterkoude die des
Stadhouders onderneming op Charleroi deed mislukken. Die
voorgenomen inval van het Fransche legerhoofd bewijst echter,
hoe gevaarlijk het is voor een vijandelijk leger om gebruik te
maken van den weg welke een strenge vorst het baant over
onze rivieren en on der water zettingen : een plotseling invallende
dooi kan het verloren doen gaan.
Na het gevecht bij Woerden hadden de krijgsverrichtingen in
Holland zich bepaald tot kleine strooptochten, waarbij — volgens
onze schrijvers — de Hollandsche partijgangers geen onaanzienlijke
voordeelen behaalden; daarentegen deed Luxembourg verschil-
lende dorpen die onder zijn bereik waren, bemachtigen, plun-
deren en meestal verbranden. Zoo werd onder andere in den
nacht van 26 — 27 November de Hollandsche post te Ameide
door de Franschen overvallen en vermeesterd; Bamphield, die
hier mee een gedeelte van zijn regiment was, moet, volgens
sommige opgaven, hier niet ten volle zijne verplichting zijn nage-
komen. Wirtz, met troepen van Gorkum oprukkende, hernam
Ameide, waarvan de vermeestering onder andereu het leven kostte
aan Castelnault^ den telg van een der oudste adellijke geslachten
van Frankrijk.
Al die kleine krijgsverrichtingen op te sommen, zou te uit-
voerig en van te weinig belang zijn; maar de algemeene opmer-
king mag niet achterwege blijven, dat uit die krijgsverrichtingen
ten duidelijkste blijkt, op welk een wreedaardige wijze Luxem-
bourg den oorlog voerde. Het plunderen en verbranden van de
dorpen, het vermoorden va» eene weerlooze bevolking, van
grijsaards, vrouwen en kinderen; ziedaar de middelen die, bij
gebrek ^an iets anders, het Fransche legerhoofd bezigde om
schrik in te boezemen en onzen voorouders de wapenen uit
de handen te doen vallen.
Er wordt soms beweerd, dat de oorlog tot zulke handelingen
gerechtigt; — die bewering is eene onwaarheid. Ook in den
oorlog mogen niet alle middelen worden gebezigd; alleen de
Digitized by
Google
204 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
eerlijke middelen mogen tot de overwinning voeren ; ook in den
oorlog gelden zekere regelen van recht en menschelijkheid, en
schande kleeft op hem die deze regelen met voeten durft treden.
Maar is er geen overdrijving in de tafereelen die verschillende
van onze schrijvers ons schetsen, van de wreedheden door het
Fransche leger in 1672 gepleegd? — Ja; wij geloo ven dat daarin
overdrijving is ; verschillende gebeurtenissen van dat jaar zijn op
eene vergroeiende wijze voorgesteld; van onbeduidende mishan-
delingen heeft men soms gruwelijke martelingen willen maken.
Wanneer wij bij voorbeeld in het bekende gedicht de Fransche
tiran ny e, het als een gruwel hooren voorstellen, dat de inboor-
lingen door de Fransche soldaten gedwongen werden om schui-
ten voort te trekken:
»Zij doen een paerdewerck en trecken voor de schuyten,"
dan kunnen wij, die vroeger in Vlaanderen op die wijze, als
iets zeer gewoons, soms de grootste vaartuigen hebben zien
voorttrekken, in die handeling geen zoo erge gruweldaad zien;
en wanneer de dichter verder uitroept:
»Wie schrickt niet voor dat boos en goddeloos bedrijf!"
dan moeten wij ronduit erkennen dat wij tot het getal der niet-
schrikkers behooren.
Andere schrijvers — onder anderen Wagenaar — zijn, mogelijk
door die overdrijving, juist in een tegenovergesteld uiterste ver-
vallen, en hebben getracht de legermacht van Luxembourg ge-
heel vrij te pleiten van de beschuldiging van wreedheid; maar
dit is evenzeer indruischende tegen de waarheid; en men be-
hoeft nog geen geloof te hechten aan Sylvius, Valckenier of de
Fransche tirannye om Luxembourg te beschuldigen van
onmenschelijke wreedheid; men vindt de gronden voor die be-
schuldiging in de brieven van den Franschen maarschalk zelf.
Zoo schrijft hij den 8sten November aan Louvois, — na den
aanval op een dorp (mogelijk Waverveen) en op een gewapenden
uitlegger vermeld te hebben:
>Mais il est arrivé un malheur dans cette action; c'est
que, comme les soldats étaient fort animés, il y avait force
de bateaux des environs, pleins de peuples et de hardes,
qui, sur Ie bruit de l'attaque de la frégate" (de uitlegger),
>se retiraient vers Amsterdam; nos gens tiraient dessus pour
les prendre, et par malheur il y eut force paysans et fem-
mes tués de coups de mousquets, d'autres même qui allaient
s'embarquer ont été tués encore, et dans ce désordre la,
cent cinquante maisons se sont trouvées brulées" enz.
Digitized by
Google
WREEDHEDEN DOOR LUXEMBOURG GEPLEEGD. 205
En wat verder in denzelfden brief:
>Je vous ai mande que CasleJnault avait brülé Ie village
et Ie chiteau de Liesfeld" (mogelijk Jaarsveld; op de juist-
heid der namen moet men bij de Franschen niet zien) . . .
»M. de Macquelines va, cette nuit, chitier des paysans qui
tirèrent l'autre jour sur un de nos partis; ils sont bien douze
OU quinze cent; je pense qu'il en tuera beaucoup s'il les
peut joindre, et ensuite il brülera deux de leurs villages.
Jamais d'accès de fièvre n'ont été si régies que Test notre
coutume de brüler, de deux jours Tun, ceux qui sont assez
sots pour nous y obligèr."
In een brief van den loen November meldt Luxembourg aan
Louvois, dat Macquelines het dorp Overmeer, bij Hinderdam,
verbrand heeft; met bijvoeging:
»et comme ce füt la nuit qu'il y arriva, et que les
maisons de ce pays sont fort combustibles, il est vrai que
rien ne s'est sauvé de ce qui était dedans; chevaux, vaches
et, k ce qu' on dit, assez de paysans, femmes et petits
enfans."
Verder zegt hij, dat Mélac het dorp Waarder, tusschen Bode-
graven en Oudewater, verbrand heeft:
>il y a brülé cinq granges et plus de cinquante bestiaux
dans chacune, aussi bien que les hótes du logis.*'
Wanneer men die uittreksels leest; wanneer men acht geeft,
dat zij voorkomen in brieven aan de Fransche regeering, waarin
Luxembourg zeker de zaken niet op het ergst zal hebben voor-
gesteld ; wanneer men opmerkt, op welk een koelen, onverschilligen
toon het Fransche legerhoofd die daden van brandstichting en
moord vermeldt, als betrof het de onbeduidendste zaken ter
wereld, dan heeft men geen ander bewijs noodig om hem te
veroordeelen als een tweeden Alva. Neen: bij de blijkbare, bij
de belachelijke overdrijving van sommige schrijvers, is er toch
een grond van waarheid in het tafereel dat zij schetsen van de
wreedheden der Franschen in 1672; en de overdreven onpar-
tijdigheid, welke de billijke verontwaardiging over die wreedheden
tracht te onderdrukken, bezondigt zich aan recht en waarheid.
Het is een allerongelukkigste verdediging, wanneer een Pieter
de Groot zegt: >dat het kleinigheden waren, in vergelijking met
wat de Franschen in Duitschland deden;" — met evenveel recht
kan men den verfoeielijken moord op de Chineezen op Java ver-
dedigen,, door te zeggen, dat de Spanjaarden in Amerika en de
Britten in Hindostan grootere gruwelen hebben bedreven.
Rousset — een eerlijk, waarheidlicvend schrijver — ontveinst
ook zijn afkeer niet van die wreedheden van Luxembourg;
toch tracht hij tot een min of meer verzachtend oordeel te
stemmen, door te wijzen op het oorlogsrecht — of oorlogs-
Digitized by
Google
2o6 KRTJGS- EN GESCHIXDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
gebruik — van dien tijd, dat toeliet om » brandschattingen'*
te heffen, en de plaatsen die weigerden om daaraan te voldoen,
uit te plunderen of af te branden; in het i* deel, blz. 392 — 393
van zijn y^Histoire de Louvoi5^\ zegt hij:
»Noch Louvois, noch Luxembourg hebben dus dit stelsel
uitgedacht; maar indien zij, wat dit aangaat, gewaarborgd zijn
tegen den blaam der geschiedenis, dan blijven zij toch altijd
verantwoordelijk voor de daden van wreedheid {actes sauvages)
die zij hebben bevolen, aangemoedigd of toegelaten. Als Luxem-
bourg aan Louvois schrijft: tik heb u bericht, dat wij den brand
hebben gestoken in het fraaiste huis van den aanzienlijksten
Amsterdammer {du plus haut huppé d'* Atmterdarfi) ; het had 25 000
kronen gekost van aanbouw; en toch hebben wij daardoor nog
niemand gewonnen" (27 September 1672); dan moet men de
verantwoordelijkheid hiervoor niet schuiven op Luxembourg, maar
wel op eene abstrakte onbelichaamde kracht, op het recht van
den oorlog. Maar zoodra men weer den mensch ziet, die door
zijn koude ongevoeligheid, zijn bijtenden spot de wreedheid ver-
dubbelt van de wet die hij uitvoert, dan heeft de geschiedenis
het recht om hem aansprakelijk te stellen en hem over te leveren
aan het strenge oordeel van de openbare meening..."
Eene enkele aanmerking hierop.
Het woord > brandschatting" duidt aan het heffen van eene
schatting of contributie, op straffe van, bij het niet voldoen van
die schatting, de woningen in brand te zien steken; het heffen
van brandschattingen was gebruikelijk bij de toenmalige oor-
logen; — zelfs in ónze dagen is dat gebruik nog niet verdwenen.
Op die gronden kan men dus Luxembourg's handelingen in 1672
eenigszins verdedigen. Maar het blijft toch eene jammerlijke
verdediging; want het is toch duidelijk, dat dit heffen van brand-
schattingen niet met onverbiddelijke strengheid behoeft te ge-
schieden ; het is toch duidelijk, dat men niet behoeft te beginnen
met de huizen te verbranden, terwijl men nog niet eens weet of
de eigenaars de gevorderde contributie willen betalen, terwijl
men die contributie nog niet eens heeft gevorderd! En dan, het
vermoorden van ongewapenden, van weerloozen, van vrouwen
en kinderen, door welk oorlogsrecht wordt dit gewettigd? —
Luxembourg en Louvois verdienen dus, om het toen gepleegde,
gebrandmerkt te blijven als gewetenlooze wreedaards; vooral
verdienen zij dit, wanneer men opmerkt, op welk een lossen,
spottenden toon zij van die gruwelen gewagen; men wordt ziek
van de geestigheid dier ellendelingen !
Te begrijpen is hun gedrag zeer goed; vooral van Luxem-
bourg: hij, afstammeling van de Montmorency's, en die, als her-
tog van Luxembourg, tot een stamhuis behoorde dat keizers had
opgeleverd, moest met minachting neerzien op een volk van
Digitized by VjOOQIC
BODEGRAVEN EN ZWAMHBRDAM. 207
kooplieden; hij, oorlogsman van top tot teen, kon misschien
vergevensgezind zijn ten aanzien van zijne vijanden die ook
oorlogslieden waren, maar niet ten aanzien van de burgerij, van
wat hij minachtend y^e bourgeois^'* noemde ; — men was toen in de
17e eeuw en niet in de 19e; — hij, aanbidder van de grootheid
zijns Konings, kon niets dan haat koesteren tegen hen die de
macht van Lodewijk XIV durfden trotseeren; hij, katholiek der
17e eeuw, kende geen raededoogen ten aanzien van ketters.
Want al was Luxembourg een man zonder eer of zedelijkheid,
die zelfs verdacht werd van giftmengerij, en die niet schroomde
om in zijne brieven zich schuldig te maken aan profane spot-
ternijen over het bijbelwoord, — dat belet niet dat hij een
ijveraar was voor zijn kerk. In die hooggeroemde zeventiende
eeuw kon men zonder eer en deugd zijn; men kon zedeloos
zijn in de hoogste mate; men kon de ergste gruwelen bedrij-
ven; — maar stipt moest men aan zijne kerk blijven hechten,
en haar, ten minste uiterlijk, diepen eerbied betoonen;
*zoo gij dat alles slechts met godsdienstschiJD omkleedt,"
zooals Vondel in den Palamedes zegt.
De wreedheden van den Franschen veldheer hadden haat, maar
ook schrik door geheel Holland verspreid; en met bezorgdheid
zag men daar den winter te gemoet, die mogelijk Luxembourg
een weg over de onderwaterzettingen zou banen, op een oogen-
blik dat Oranje met een goed deel van 's lands krijgsmacht
afwezig was. Om dien gevreesden aanval tegen te gaan, werden
krachtige maatregelen genomen : men gelastte dat bij het invallen
van de vorst, sommige vaarten en weteringen open gehouden
moesten worden; men deed 48 ijssleden maken, ieder voor
3 kleine stukken geschut moetende dienen; de Hollandsche
steden werden zooveel mogelijk in staat van verdediging ge-
bracht; alom was het landvolk gewapend; en het machtige
Amsterdam had zulk eene uitbreiding gegeven aan zijne ver-
dedigingsmiddelen, dat er, volgens enkele opgaven die mogelijk
niet vrij zijn van overdrijving, niet minder dan 60000 weerbare
mannen gereed stonden om Luxembourg*s leger het hoofd te
bieden.
In November, bij het invallen van de eerste koude, had de
Fransche maarschalk reeds eene sterke macht vereenigd bij
Utrecht, voornemens daarmede over de dichtgevrorene onder-
waterzettingen op Leiden en Den Haag te trekken; de wijze
waarop Luxembourg dien marsch wilde verrichten, komt overeen
Digitized by
Google
2o8 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
met de wijze waarop zij later plaats had. Eene verandering van
het weer en het ongegronde bericht dat Willem III uit de
Spaansche Nederlanden is teruggekeerd, doen Luxembourg van
zijn voornemen afzien. In December, vijf of zes dagen voor
Kerstdag, valt opnieuw een strenge vorst in; en Luxembourg
vereenigt nu uit de bezettingen der naburige plaatsen te Utrecht
eene macht die vrij algemeen op een loooo man wordt geschat,
waaronder een kleine 2000 man ruiterij. Een invallende dooi
doet den tocht opschorten; maar op Kerstdag begint de vorst
met nieuwe felheid ; en in den ochtend van den 27sien December
gaat de Fransche legermacht van Utrecht op marsch, om den
voorgenomen inval in Holland te verrichten.
Men komt te Woerden; daar schijnt het weder om te slaan;
het is een noordoostenwind en er valt sneeuw. Den geheelen
dag van den 27sten blijft de Fransche legermacht te Woerden
stand houden; maar de veldheer, die de onderneming niet zoo
spoedig wil opgeven, heeft Mélac met eene compagnie ruiterij
uitgezonden, om de sterkte van het ijs te beproeven. Deze komt
terug met het bericht, dat het ijs sterkte genoeg heeft om het
leger te dragen; en om 10 uur 's avonds verlaat dit Woerden,
om den tocht voort te zetten. Eene handeling, die stout, zelfs
bijna roekeloos mag genoemd worden!
Het voornemen was om van Woerden, ten noorden van den
Rijn, over de dorpen Zegveld, Nieuwkoop en Aarlanderveen
Alphen te bereiken; zóó de verschansingen der Hollanders te
Nieuwerbrug en bij Wiericken in den rug te komen, waar zij
minder versterkt waren; zich op die wijze van die schansen
meester te maken, daardoor een weg te banen voor ruiterij en
geschut, en dan met die vereenigde macht op Leiden en Deo
Haag te trekken. Die steden wilde men bemachtigen, uitplun-
deren, mogelijk verbranden, en op die wijze de Republiek dwin-
gen om zich aan Frankrijk te onderwerpen. De onderneming
kon beslissende gevolgen hebben ; zij had kans om te gelukken ;
maar zij was onzeker en vol gevaar.
De moeielijke tocht over het ijs van Woerden naar Zegveld
vangt aan. Het leger wordt voorafgegaan, bij wijze van voor-
hoede, door de twee bataljons van De Sault en Moussy, ieder
een 500 man sterk; hun volgt de overige infanterie in twee bri-
gades verdeeld, onder Sourches en De la Meilleraye; Gasston
blijft achter met de ruiterij en een bataljon van Picardië, om,
wanneer het overige des legers de verschansingen heeft omtrok-
ken en in den rug aangevallen, zich in front daarvan te ver-
toonen. Luxembourg zelf is aan het hoofd van de over het
ijs voorttrekkende macht; legt men dien veldheer de wreed-
heid van een Alva ten laste, de billijkheid vordert daarbij te
voegen, dat hij ook in stoutheid en geestkracht niet onderdeed
Digitized by
Google
BODEGRAVEN EN ZWAMMERDAM. 209
voor het Spaansche legerhoofd. Men bereikt Zegveld. Voort-
gaande, komt roen in den ochtend van den 28steD aan de
Slimme Wetering, een vaart die open was gehouden; men
slaat hier een brug over met planken en balken, uit de huizen
van Zegveld gehaald. Twee uren tijds verloopen hiermede, en
toen een klein gedeelte des legers den overtocht heeft gedaan,
is de brug geheel onbruikbaar geworden, en het overige van het
heir daardoor verhinderd om verder voort te rukken. Luxem-
bourg zet echter den tocht voort met de 3500 man die over
zijn; het andere gedeelte trekt, volgens sommige opgaven, op
Woerden terug; volgens andere volgt het na eenige uren tijds,
toen er eene nieuwe brug geslagen is over de Slimme Wetering,
den marsch van Luxembourg.
De veldheer gaat verder voort, niettegenstaande het ijs hier
en daar reeds bezwijkt onder het gewicht van de marcheerende
troepen. Men nadert de M ij e , een vaart die ook was opengehou-
den ; men valt eerst aan op een daar aanwezigen uitlegger ; maar
het geschutvuur dat van daar op de Franschen wordt geopend,
doet dezen afdeinzen en dwingt hen hunne marschrichting te
veranderen. Zij wenden zich nu naar de zijde van het dorp
Nieuwkoop; maar ontmoeten daar een geduchten wederstand
van vijf compagnieën gewapende boeren, die, wetende dat voor
hen bij het doordringen van den vijand geen genade was te
wachten, zich met den moed der wanhoop verdedigden. Luxem-
bourg heeft geen tijd om zich daar lang op te houden; hij staakt
het gevecht, wendt zich meer Unks en bereikt de kade, die langs
de Mije naar het dorp Zwammerdam voert. Sommige opgaven
zeggen, dat de Franschen op' Zwammerdam trokken over de
beide kaden van de Mije; volgens Sijpesteyn en De Bordes
was er echter geen kade aan de westzijde van de vaart, zoodat
de marsch op Zwammerdam alleen moet hebben plaats gehad
over de kade aan de oostzijde.
Königsmarck was bevelhebber van de troepen, die in en
bij Bodegraven geplaatst waren, en die uit 8 regimenten infan-
terie (4000 man) en 6 compagnieën ruiterij bestonden; uit alle
opgaven moet men opmaken, dat die aanvoerder hier noch de
geestkracht, noch het beleid betoonde, welke zijne gewichtige be-
trekking noodzakelijk vereischte. Op de eerste tijding van 's vijands
nadering was hij naar Zwammerdam gesneld, waar zich een 200
man voetvolk en een 30 ruiters bevonden; te gelijk met hem
kwam daar de kolonel Pain-et-Vin, bevelhebber van de forten
aan de Nieuwerbrug. Königsmarck gelastte aan Pain-et-Vin naar
de Nieuwerbrug terug te keeren en met een gedeelte van de daar
aanwezige macht de kleine bezetting van Zwammerdam te ver-
sterken; hij zelf keerde naar Alphen terug, om evenzoo van
daar versterking aan te voeren; — en op die wijze verlieten
WILLEM m. — I. 14
Digitized by
Google
210 KRIJGS- EM GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
die beide bevelhebbers Zwammerdam, op het ©ogenblik van
gevaar, op het oogenblik dat de vijand ten aanval naderde.
Dat zulk een handeling strijdig is met den plicht van een be-
velhebber, dat zij op de soldaten den meest ontmoedigen den
indruk moest maken, dit behoeft geen betoog. De wederstand die
Luxembourg bij Zwammerdam ontmoette, was dan ook uitermate
gering; volgens enkele opgaven schijnt het zelfs dat de aldaar en
bij Bodegraven geplaatste troepen bevel hadden om bij de nade-
ring van den vijand op Gouda terug te gaan ; — bij eene vaart
werden de Fransche troepen een korten tijd opgehouden door
de Hollanders, die zich achter de opgehaalde brug hadden ge-
plaatst: maar toen eenige Fransche musketiers de vaart waren
overgezwommen, namen de weinige verdedigers de vlucht. Zwam-
merdam werd door den vijand vermeesterd *, en de woede des
Franschen soldaats koelde zich aan de plundering en verbran-
ding van dat ongelukkige dorp. Ook Bodegraven onderging het-
zelfde lot.
Königsmarck was niet alleen in gebreke gebleven, met ver-
sterking te Zwammerdam te verschijnen, maar had zelfs, op de
tijding van het doordringen des vijands. Alphen verlaten en was
teruggetrokken op Leiden. Hier echter weigerde men hem bin-
nen te laten; en op den stelligen last van eenige afgevaardigden
uit de Staten van Ilolland, hernam hij zijne stelling bij Alphen
en bij de Goudsche Sluis.
In 't voorbijgaan gezegd: men deklameert soms te veel tegen
het gezag, dat de afgevaardigden van de toenmalige Staten in
k rijgszaken hadden; in den regel is zulk een gezag niet goed, hel is
slecht; er moet eenheid zijn in het krijgsbestuur, en zoodra een
groot aantal menschen zich daarmee moeit, gaat het verkeerd ; —
maar men moet zich die afgevaardigden niet voorstellen als zoo
geheel vreemd aan krijgskennis als onze hedendaagsche Staten-
Generaal; integendeel: dikwijls betoonden zij meer geestkracht
en beleid dan de bevelhebbers; staatsman en krijgsman waren
in die dagen niet zoo van elkander gescheiden als in onzen tijd ;
dezelfde man die in de raadszaal de belangen van het vaderland
regelde, was ook niet vreemd aan de bloedige taak des oor logs.
De Witt was Raadpensionaris en tevens vlootvoogd, en een ander
onzer Raadpensionarissen, Hop, nam persoonlijk deel aan den
roemvollen strijd bij Eekeren.
De Goudsche Sluis, ten oosten van Alphen, met de daarbijge-
legen schans, aan de samenvloeiing van den Rijn en de Gouwe
gelegen, werd toen bezet door het regiment van Van Dam; de
Boskoopsche en Waddinxveensche bruggen werden afgebroken;
de macht van Königsmarck te Alphen geplaatst als een reserve ;
Digitized by
Google
BODEGRAVEN EN ZWAMMERDAM. 211
en alom de gewapende boeren opontboden. Zóó, in front ge-
dekt door de Gouwe en door het voorwaarts liggende land, dat
door den dooi weer onbegaanbaar was geworden, Was men
spoedig in staat, den vijand het verder doordringen in Hol-
land geheel te beletten; en die vijand, met weinig munitie, bijna
zonder levensmiddelen, geheel zonder geschut, op een smallen
dijk opeengehoopt, de weg over het ijs waarover hij was ge-
komen onbruikbaar ziende door den dooi, en de weg op
Woerden afgesloten door de schansen bij de Nieuwerbrug, was in
het grootste gevaar van geheel ten onder te gaan. Het plicht-
verzuim van één HoUandsch bevelhebber was zijn redding.
Pain-et-Vin was op bevel van Königsmarck naar de zijde
van Bodegraven en Nieuwerbrug gegaan, om van daar verster-
king voor Zwammerdam te halen; toen hij met die versterking,
een 80 man, dat dorp naderde, was het door de Franschen reeds
in bezit genomen en daardoor de gemeenschap afgesneden van
den HoUandschen bevelhebber met Königsmarck. Op het gezicht
van den reeds zoo ver doorgedrongen vijand, verliest Pain-et-Vin
alle tegenwoordigheid van geest; hij geeft alleen aan zijn blinde
vrees gehoor; en zijne soldaten aan hun lot overlatende, rent hij
ijlings naar Gouda heen. In den avond van den 28sten bereikt
hij die stad; hij treft er het stedelijk bestuur en den bevelhebber,
den kolonel De Thouars, aan. Verbaasd hem daar te zien, vragen
hem dezen naar de reden. >Wij zijn afgesneden!" roept de ramp-
zalige vluchteling uit; »zijn de regimenten van de Nieuwerbrug
nog niet hier, dan moet ik ze halen, want anders zijn ze ver-
loren."— Te gelijk vraagt hij om gidsen en geleide. Pain-et-Vin
beweert, dat de regeering van Gouda de ontruiming van de
schansen bij de Nieuwerbrug zou hebben aangeraden, en er op
aangedrongen, de daar aanwezige macht — in het geheel 15 com-
pagnieën infanterie — voor de verdediging van Gouda te ge-
bruiken; die regeering heeft dit echter ten stelligste tegenge-
sproken. Verzeld van gidsen, vertrekt de bevelhebber daarop
naar de Nieuwerbrug j maar op een uur afstands daarvan, bij de
D r i e b r u g , houdt hij stil en zendt van daar een bode, met zijn
zegelring en het uitdrukkelijk bevel aan den kolonel Manger en
den luitenant-kolonel Feullana, om de schansen bij de Nieuwer-
brug te ontruimen, deze zooveel mogelijk te vernielen en met de
bezettingen zich te Driebrug bij Pain-et-Vin te voegen. Ongelukkig
wordt dit bevel zonder de minste tegenkanting uitgevoerd; de
schansen worden verlaten; een paar uur daarna zijn de bezet-
tingen aan de Driebrug, en Pain-et-Vin trekt daarmee terug op
Gouda.
Men weet dat die ongelukkige zijn laffe daad boette met den
dood en dat hij den 23steD Januari 1673, in het leger te Alphen,
Digitized by
Google
212 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
door beulshanden het leven verloor; twee vroegere vonnissen
van den krijgsraad, waarbij Pain-et-Vin veroordeeld was tot een
mindere straf dan den dood, werden door Willem III vernietigd,
die zich daarbij beriep op de stellige bepalingen, in de krijgs-
wetten voorkomende. De Stadhouder is soms om die handeling
gelaakt; ten onrechte. Laat het zijn, dat hij door het tweemaal
vernietigen van het vonnis van den krijgsraad inbreuk maakte
op de macht en vrijheid van dien krijgsraad; laat het zijn,
dat die handeling, uit een rechtskundig oogpunt beschouwd, is
te veroordeelen ; zij werd hier — wat meer beteekent — gebie-
dend voorgeschreven door billijkheid en rechtvaardigheid, door
het algemeen welzijn. De bepalingen der krijgswetten waren te
duidelijk, te stellig veroordeelend voor Pain-et-Vin; de krijgs-
raad deed aan zijn plicht te kort, door een vonnis uit te spreken,
met die bepalingen geheel in strijd; en moest dan nu, alleen
om dat vonnis te eerbiedigen, alle billijkheid en rechtvaardigheid
met voeten worden getreden ? — De dood was de straf voor
den soldaat die van het slagveld vluchtte; en de bevelhebber
die hetzelfde, neen, die veel erger deed; die een gewichtigen
post, aan zijn zorg toevertrouwd, zonder slag of stoot aan den
vijand inruimde; die daardoor een geheel vijandelijk leger redde
van een wissen ondergang ; deze zou minder straf ontvangen ! . . .
Dat mocht niet, dat zou een schreeuwende onbillijkheid zijn, dat
zou den slechtsten indruk maken op leger en volk. Daarom ver-
nietigde Willem III die vonnissen; daarom stelde hij de dood-
straf voor de uitgesprokene straf in de plaats; — en zeker, er
behoorde een ijzeren wilskracht toe om zóó te handelen, bij een
jong vorst, in weerwil en in strijd met het gevoelen van zooveel
bevelhebbers van jaren en van ondervinding. Maar de jonge
Stadhouder wilde allen doen zien, hoe onverbiddelijk hij was
jegens elke lafheid, jegens ieder plichtverzuim ; hij toonde door
dit voorbeeld, dat geen rang, hoe hoog, den schuldige zou
beveiligen voor de welverdiende straf. Hij handelde als een
Romeinsch veldheer uit den bloeitijd der Romeinsche Republiek.
En dat voorbeeld, aan Pain-et-Vin gesteld, was noodig; want
hier, bij dien inval van Luxembourg, ontmoet men bij de Hol-
landsche bevelhebbers noch geestkracht, noch dapperheid. Het
bevel tot ontruiming van de schansen van de Nieuwerbrug wordt
oogenblikkelijk uitgevoerd; — zeker, het was een stellig
bevel; de militaire ondergeschiktheid verplicht om zóó te han-
delen; — maar juist hier zou het prijzenswaard zijn geweest,
wanneer die ondergeschiktheid was ter zijde gesteld, 't Is waar,
in den regel is dit een misdaad; en hij, die dit bij uitzon-
dering doet, laadt een zware verantwoordelijkheid op zich ; —
maar een officier, vooral een hoofdofficier moet doorzicht ge-
noeg hebben om te weten wanneer hij die verantwoordelijkheid
Digitized by
Google
BODEGRAVEN EN ZWAMMERDAM. 2I3
mag op zich nemen; hij moet karakter genoeg hebben om dat
te durven doen. Aan dat doorzicht, aan dat karakter ontbrak
het den beiden bevelhebbers, die zich zoo haastten om Pain-et-
Vin's last tot ontruiming der schansen van de Nieuwerbrug op te
volgen.
Men heeft gezegd dat die schansen slecht te verdedigen waren,
omdat zij in de keel alleen door een Frieschen ruiter waren ge-
sloten; — uit de plans die wij daarvan hebben gezien, blijkt
integendeel, dat het geheel geslotene schansen waren; maar
zelfs indien zij alleen door een Frieschen ruiter in de keel ge-
sloten waren, dan nog was de verdediging zeer goed te voeren
tegen een vijand die geen geschut bij zich had, die alleen over
een smallen dijk kon voortrukken, en dien men ten hoogste
slechts een paar dagen behoefde tegen te houden om hem van
gebrek de wapenen uit de handen te doen vallen. In allen ge-
valle is de ontruiming onverantwoordelijk.
Ook het gedrag van Königsmarck verdient ten strengste ver-
oordeeld te worden ; hij is hier een laf, of onbekwaam bevel-
hebber geweest; en het is minder te verwonderen, dat Pain-et-
Vin toen het hoofd voor de voeten is gelegd, dan dat Königs-
marck toen zijn hoofd op zijne schouders heeft behouden; want
waarlijk, Königsmarck is even schuldig geweest als Pain-et-Vin;
en het is in Willem III minder te veroordeelen dat hij den
eenen heeft doen straffen, dan dat hij den anderen ongestraft
heeft gelaten. Königsmarck vond het volgende jaar den dood bij
het beleg van Bonn ; hij was, zegt men, sedert die gebeurtenissen
van Bodegraven en Zwammerdam, altijd gedrukt door het besef
van zijn plichtverzuim. Was men in die dagen het leven moede,
dan stelde men zich meer bloot aan het oorlogsgevaar; de zelf-
moord had toen een minder afzichtelijken vorm; het spleen
leidde tot heldenmoed.
Luxembourg — zeggen onze schrijvers — die met zijn paard
door het ijs was gezakt, was juist bezig zich te Zwammerdam
bij het vuur te drogen, en vol zorg en onrust over de wijze
waarop hij weer Woerden en Utrecht zou kunnen bereiken, —
toen hij tot zijn groote vreugde het bericht ontving dat de
schansen bij de Nieuwerbrug ontruimd waren. Oogenblikkelijk geeft
'hij bevel om die schansen in bezit te nemen; en nadat de
Fransche legermacht den 29sten December nog te Bodegraven
was gebleven, keerde zij den 3osten naar Woerden en Utrecht
terug, op den geheelen tocht slechts een vijftig man verloren
hebbende. De schansen aan de Nieuwerbrug werden door den vijand
• niet bezet gehouden, maar geslecht; Willem III deed ze dadelijk
weer herstellen.
Digitized by
Google ^
214 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Zoo eindigde die ondememing, die Holland ten val had kun-
nen brengen, en die nu geene andere uitkomsten opleverde dan
de barbaarsche verwoesting van Bodegraven en Zwammerdam;
de namen van die twee bloeiende dorpen zijn in onze geschied-
boeken opgeteekend als zinnebeelden van de Fransche wreedheid,
zooals die van Naarden en Oudewater het Spaansche geweld
herinneren. Meer dan zeshonderd huizen werden in Bodegraven
en Zwammerdam door de vlammen verteerd; en de soldaat,
door geen krijgstucht bedwongen en vreemd aan alle mensche-
l^kheid, gaf zich hier over aan wreedheden en gruwelen, die
zelfs door de Fransche schrijvers niet geloochend worden. Men
kent de aanspraak van Luxembourg aan zijne troepen bij hunnen
opmarsch uit Utrecht, — zooals onze schrijvers die den Fran-
schen veldheer in den mond leggen; — gerust kan men de
juistheid van die aanspraak verwerpen; zoo iets kan een leger-
hoofd niet zeggen ; — maar, indien Luxembourg het had gezegd,
dan zou hij zich niet hebben kunnen beklagen, dat zijne sol-
daten zijne aansporing tot rooven, moorden en branden slecht
hadden opgevolgd.
Wat in Rousset's werk voorkomt over die onderneming van
Luxembourg is in hooge mate onjuist. De Fransche schrijver
doet het voorkomen, alsof wij toen te Zwammerdam een groote
nederlaag hebben geleden ; terwijl in werkelijkheid daar bijna niet
is gevochten; onze eenige nederlaag is toen geweest de schande;
om Sheridan's bekende woorden te gebruiken: >het Hollandsche
bloed heeft toen niet gestroomd, maar de Hollandsche eer is
door alle poriën weggevloeid." — Ziehier wat in de Histoire de
Louvois (r deel, blz. 409) wordt gezegd:
>De vijand, dien men gehoopt had te verrassen vóór het aan-
breken van den dag, was op zijn hoede; het was midden op
den dag, toen men hem bereikte; maar de troepen, vol geest-
drift, vermeesterden toen in een oogenblik zijne stelling ; het was
waarlijk >de Fransche furie"; te Zwammerdam zwom men door
de kanalen, die den schansen tot grachten dienden; de borst-
wering werd beklommen, het kanon buiten werking gesteld, en
vijf Hollandsche regimenten vernietigd; wat daarvan overbleef
vond den dood in het water of in de vlammen van het bran-
dende dorp. Toen men wat verder voorttrok, tot Bodegraven,
vond men niemand meer; niets dan verlaten geschut, munitiën
en verspreide wapens.
Toch was Luxembourg uitermate bekommerd : aan de Nieuwer-
brug was een belangrijke schans, die achter hem den eenigen weg
afsloot die hem overbleef om op Woerden terug te trekken. De
schans moest genomen worden of men was verloren; toen men
daarheen trok, hadden de twee regimenten die daar in bezetting
Digitized by
Google
BODEGRAVEN EN ZWAMMERDAM. 21 S
lagen, vol schrik ijlings de schans ontruimd. Zelfs Luxembourg
was daarover uitermate verwonderd : > het was werkelijk een zeer
sterk punt," schreef hij aan Louvois, »en het verwondert mij dat
Königsmarck, bekwaam genoeg om zulk een sterk punt uit te
kiezen, niet bekwaam genoeg is geweest om zich daar te ver-
dedigen."
Borstweringen beklommen, geschut buiten werking gesteld,
vijf regimenten Hollanders gedood, — dat alles zijn fabeltjes,
van dat alles is niets gebeurd. Dat alles komt voor in de brie-
ven van Luxembourg aan Louvois; maar het bewijst alweer,
dat ook offïcieele stukken niet altijd de waarheid eerbiedigen.
Krijgsgevangenen hebben de Franschen bij die gelegenheid weinig
gemaakt; en ziehier hoe Rousset dit verklaart (i* deel, blz. 410).
> Luxembourg behoorde tot de waaghalzen; zijne stoutheid was
gelukt. Den isten Januari kwam hij te Utrecht terug, met niet
meer verlies dan een honderd man, die gesneuveld waren, ver-
dronken of gewond. >De Stoupe," zoo schreef hij aan Louvois,
izal u de bijzonderheden mededeelen van den tocht dien wij
hebben gemaakt ; had het weer het toegelaten, dan had die wan-
deling langer geduurd en zouden wij zeker niet zijn terugge-
keerd zonder Den Haag te hebben verbrand." Hij had ver-
brand alles wat hij maar had kunnen bereiken: ongeveer 2000
huizen en, in de vaart van Zwammerdam, 32 groote schepen,
met koopmansgoederen bevracht; als zegeteekenen bracht hij
3 vaandels mede en 20 kanonnen. Het aantal krijgsgevangenen
was niet groot, daar de soldaten, verbitterd door vermoeienis
en teleurstelling, geen mededoogen kenden..."
Rousset deelt verder, uit de briefwisseling van Luxembourg en
Louvois, eenige staaltjes mede van den spottenden toon, waarop
die heeren gewagen van de gruwelen van Bodegraven en Zwam-
merdam, en laat daarop volgen (i* deel, blz. 411 — 412):
>Als de hoofden en veldheeren in het treurspel van den oorlog
slof vinden tot zoodanigen spot en geestigheid, welke mensche-
lijkheid kan men dan verwachten van de soldaten ? — Niet slechts
dat zij hunne gewapende vijanden meêdoogenloos doodden, maar
ook jegens het weerlooze volk pleegden zij de ergste wreedheden.
Die buitensporigheden waren het behoud van den Prins van Oranje,
ook een man zonder mededoogen {eet autre impitoyable). Toen hij in
Den Haag terugkwam, vond hij het volk dol van schrik en van
woede; het uitte verwenschingen tegen de Franschen, tegen het
leger, tegen hem. Hij haastte zich, allereerst een offer te bren-
gen aan de volkswoede; twee kolonels en vele der officieren,
die de schans aan de Nieuwerbrug hadden verlaten, werden opge-
hangen ; daarna deed hij alle feiten, betrekking hebbende op de
jammeren van Bodegraven en Zwammerdam, opzamelen, in druk
Digitized by
Google
2l6 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN,
uitgeven en met de meeste overdrijving toelichten. Bijzonderheden,
die wreedheden vermelden en dierlijke lusten, zijn der menigte
aangenaam; hij gaf haar die tot verzadigens toe; de pen en de
teekenstift wedijverden in het schetsen van de stuitendste too-
neelen, een afzichtelijk mengsel van moorden en ongebondenheden.
Holland, Europa werden met die schotschriften overstroomd;
daardoor werd al de woede zijns volks en al de verontwaardiging
van het menschelijk geweten tegen Frankrijk opgewekt. Op die
wijze wist hij het onweer af te leiden, dat zich, ten gevolge van
onvervuld gebleven beloften en van zijne gedurige tegenspoeden,
boven zijn hoofd had samengepakt."
Dit is onjuist en onbillijk ten aanzien van Willem III.
Wij vallen juist niet over de uitdrukking, dat Willem III was
»een man zonder mededoogen"; — wat dit punt betreft, ver-
schillen wij niet zooveel in denkwijze met den Franschen schrij-
ver : ook wij zijn van meening, dat menschelijkheid juist niet de
heerschende karaktertrek was bij Willem UI. Maar ongegrond
is het, den Stadhouder ten laste te leggen, dat hij de gruwelen van
Bodegraven en Zwammerdam op de ergste wijze heeft overdreven^
om door die voorstelling den haat van het HoUandscbe volk en
de verontwaardiging van het menschelijk geweten tegen Frank-
rijk op te wekken: zulk een overdreven voorstelling was daartoe
niet noodig; wat er gebeurd was, was daartoe reeds voldoende.
Het ophangen van twee kolonels en van een aantal officieren
van de bezetting van de Nieuwerbrug, komt neer op het onthoofden
van Pain-et-Vin.
De laatste dagen van het jaar 1672 kenmerkten zich in de
oostelijke gewesten der Republiek, door een belangrijk voordeel.
Na het mislukte beleg van Groningen, had zich dddr de krijgs-
kans gewend ten voordeele van de Hollanders, en waren dezen
van verdedigers aanvallers geworden. Groot waren de voordeden
wel niet, die zij behaalden ; maar toch waren die voordeelen dien-
stig om moed en zelfvertrouwen op te wekken, en spoedig een
zedelijk overwicht op den vijand te verkrijgen. Zoo had er den
29steii September op de Steenwijksche heide een gevecht plaats
tusschen eene Friesche afdeeling onder Ripperda en een paar
duizend Munsterschen, waarbij wél Ripperda in 's vijands handen
viel, maar toch de overwinning aan de zijde der Friezen schijnt
gebleven te zijn. Daarentegen mislukte een aanslag, den 27sten
November ten tweeden male tegen Zwartsluis ondernomen ; maar
denkelijk is er groote overdrijving in de Fransche opgave, die
zegt, dat van de zeshonderd aanvallers er niet meer dan een
honderdtal zich redden. In Groningen deden de Munsterschen
in het laatst van October eene poging tot ontzet van de Bel-
Digitized by
Google
COEVORDEN. 21 7
lingwolderschans, die, nauw ingesloten^ groot gebrek had aan
levensmiddelen; eene afdeeling van 14 k 1500 Munsterschen trok
daartoe op van de Langakkerschans, maar werd den 2 5 sten Oc-
tober bij Stoxterhorn door eene veel minder sterke Hoilandsche
macht, onder den overste Wijiers, geheel verslagen; dit had ten
gevolge dat den 2 7 sten October de Belling wolderschans zich over-
gaf, waarbij de bezetting — een 300 man sterk — vrijen aftocht
naar Coevorden bedong. De Langakkerschans werd daarop inge-
sloten. De Dijlerschans was in het begin van November door
de Groningers bezet; maar werd drie of vier dagen later door
de Munsterschen hernomen.
Het invallen van den winter deed hier, volgens den gewonen
gang van zaken toentertijd, de krijgsverrichtingen staken en de
troepen in de verschillende steden uitrusten van de verduurde
vermoeienissen. De winter was echter toen ook de geschiktste
tijd voor verrassingen en overvallingen, voor de handelingen van
den kleinen oorlog; vooral waren die handelingen aanwendbaar
in een land als het onze, waar men daardoor belangrijke voor-
deelen kon behalen. Onze vestingen toch, welke groote sterkte
zij ook gewoonlijk bezitten, waren en zijn meest alle, door het
gemis van bekleedingsmuren, in het winterjaargetijde zeer bloot-
gesteld aan verrassende aanvallen; geen wonder dus, dat een
ondernemend vijand bij het invallen van vorst de kans van
eene overvalling waagde, om zich daardoor in het bezit te stel-
len van eene vesting, wier vermeestering door andere middelen
hem in de hoogste mate moeielijk, soms onmogelijk was; in een
tijd toen de oorlog bijna uitsluitend een vestingoorlog was,
was zulk eene vermeestering van te meer belang ; en de pogingen
tot die overvallingen komen dan ook veelvuldig voor in onze
krijgsgeschiedenis.
Eene dergelijke overvalHng wilde Rabenhaupt nu, op het einde
van December, tegen de vesting Coevorden beproeven. Dat die
handeling belangrijke gevolgen kon hebben, behoeft nauwelijks
te worden aangeduid: elke vesting was toentertijd belangrijk;
Coevorden was het steunpunt van de vijandelijke macht, die daar
een groot gedeelte van het geschut uit de genomene Overijselsche
steden had bijeengebracht, en die van daar uit de geheele omlig-
gende landstreek brandschatte en plunderde ; en de vermeestering
van die vesting, toen vermaard door hare sterkte, zou natuurlijk
grooten indruk maken en een gevoeligen knak geven aan den
wapenroem des Munsterschen bisschops.
Dat die handeling kon gelukken, hiervan was Rabenhaupt
overtuigd, doordien hij nauwkeurig bekend was met den toestand
en de inrichting van Coevorden. Meindert van Thijnen, volgens
sommige opgaven vroeger koster in die plaats, en tegelijk een
Digitized by
Google
2l8 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
goed ingenieur — twee betrekkingen, wier vereeniging ons tegen-
woordig vreemd zou voorkomen — had aan den bevelhebber
van Groningen eene nauwkeurige schets gegeven van de vesting-
werken van Coevorden en van de omliggende landstreek; en
die bevelhsbber had daardoor de overtuiging, dat bij winterdag,
wanneer moerassen en grachten waren dichtgevroren, de ver-
rassing van die vesting zeer veel kans had van te zullen ge-
lukken.
Toen Rabenhaupt door Van Thijnen alles had doen gereed
maken wat moest dienen voor de beoogde verrassing, oordeelde
hij gebruik te moeten maken van de vorst, en de onderneming te
kunnen wagen. Den 26sten December, 's namiddags om 3 uur, wor-
den de poorten van Groningen gesloten; en daar men het ijs in
de stadsgrachten heeft doen openbijten, belet men zóó, indien de
vijand verstandhouding in de stad mocht hebben, dat hem ken-
nis wordt gegeven van de gemaakte toebereidselen. Men neemt
36 vrijwilligers van elke compagnie der bezetting en gelast hen,
zich den volgenden ochtend om 10 uur marschvaardig te hou-
den, en voor drie dagen levensmiddelen mede te voeren; 5 com-
pagnieën ruiterij der bezetting zullen den tocht medemaken;
mét de infanterie wordt dit begroot op een kleine duizend man;
bovendien krijgen 3 compagnieën dragonders, die bij De Leek
staan, naar de zijde van Friesland, last om zich op marsch bij
die macht aan te sluiten. Bevelhebber is de luitenant-kolonel
Eijbergen; terwijl over het voetvolk het bevel krijgt de overste
Wijiers en over de ruiterij de majoor Sickinghe. Een aantal van
de voornaamste burgers van Groningen voegt zich, als vrijwilli-
gers, bij de geregelde krijgsmacht.
Den geheelen nacht van den 26sten December hield men zich
bezig met het opladen van de biesbruggen, ijssporen, koevoeten
en andere gereedschappen op de daartoe bestemde wagens; met
het begeleiden van die wagens waren belast eenige artilleristen^
of, zooals men ze toen noemde, konstapels en busschieters. In
de naïeve verhalen van onze schrijvers wordt vooral niet ver-
geten, dat een inwoner van Groningen den tocht medemaakte
met een wagen waarop zich een okshoofd brandewijn bevond,
die, geregeld aan de troepen uitgedeeld, niet weinig diende om
hen gedurende den marsch te verkwikken. Men moet dit niet
glimlachend of schouderophalend als iets geheel onbeduidends
beschouwen ; het is integendeel eene hoofdzaak, de troepen opge-
wekt te houden; de middelen hiertoe moeten zich wijzigen naar
den bijzonderen geest der troepen; en wie bekend is met den
geest van ónze soldaten, weet dat een middel als het hier ver-
melde, niet zonder goede uitwerking blijft.
In den namiddag van den 2 7sten December verlaat men Gro-
ningen. Den eersten dag gaat de marsch tot Gieten; den 28sten
Digitized by
Google
COEVORDEN. 219
tot Odoorn; den sQsten tot Erme, twee k drie uur ten noord-
oosten van Coevorden; met opzet had men de raarschen klein
gemaakt om de troepen niet veel te vermoeien. De ruiterij, die
den 27steii mét het voetvolk te Gieten had vernacht, was den
volgenden dag het overige der legermacht vooruitgegaan en had
den 28stca December Dalem bereikt, een klein uur ten noorden
van Coevorden; hier plaatste zij zich zoodanig dat zij de ver-
schillende toegangen tot de vesting bezet hield, om daardoor te
beletten dat de vijand kennis ontving van den opmarsch van
Eijbergen. Overloopers hadden er dien vijand echter reeds van
onderricht: een ritmeester Wolf, vroeger bij de Munstersche rui-
terij in dienst, maar, gevangen genomen zijnde, tot de Groningers
overgegaan, had bij den opmarsch uit Groningen de ruiterij van
Sickinghe in stilte verlaten en, denkende dat men een aanslag
beoogde op de Langakkerschans, was hij spporslags daarheen
gereden en had de bezetting van die sterkte gewaarschuwd ; ook
waren drie dragonders bij den opmarsch van De Leek tot den
vijand overgeloopen en hadden de bezetting van Coevorden
reeds vroegtijdig onderricht van de nadering der Hollanders.
Evenwel deed die waarschuwing niet d^t kwaad, dat men had
kunnen verwachten: de bezetting van Coevorden, ieder oogen-
blik en spoedig een aanval duchtende, die door den langzamen
opmarsch der Hollanders slechts later plaats had, bleef den
28sten en 29sten December dag en nacht, bijna onafgebroken
onder de wapens; en was daardoor zoo afgemat, dat toen de
aanval werkelijk werd gedaan, men moeite had om de verdedi-
gers op de wallen te doen komen.
Laat ons in het voorbijgaan opmerken, dat dit overgaan van
een officier van den dienst van de eene mogendheid in den dienst
van een andere mogendheid, dit overloopen tot den vijand, —
dat ons door de schrijvers van dien tijd als iets zeer gewoons
wordt vermeld — meer dan de uitvoerigste verhandeling aan-
toont, van welk gering zedelijk gehalte de officieren van dien
tijd over het algemeen waren.
Den 29sten, 's namiddags, doet Eijbergen kruit en lood en
ijssporen uitdeelen aan zijne troepen ; hij spreekt hen toe, maant
hen aan tot dapperheid en maakt hen bekend met de wijze
waarop de aanval zal plaats hebben. Op drie verschillende pun-
ten moet die aanval geschieden : Eijbergen zelf zal met 300 man
aanvallen op het bastion Gelderland, waar zich het Kasteel be-
vindt; Wijiers, met een even sterke macht, op het daarnaast
liggende bastion Holland; Sickinghe, ook met 300 man, op het
bastion Overijssel. Bij elke dier aanvalskolonnen zal een voor-
troep gevormd worden, met bijlen en pieken gewapend en voor-
zien van koevoeten, hamers, handgranaten enz.; geheel voorop
zullen zijn de manschappen die de in vakken verdeelde bies-
Digitized by
Google
2 20 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
bruggen dragen; dddr zal zich ook bevinden Van Thijnen bij
de kolonne van Eijbergen, andere geleiders bij de twee andere
kolonnen. Als woord wordt gegeven Holland; als veldgeschreeuw
God met ons; en als herkenningsteeken is voorgeschreven om
een bosje stroo aan den hoed vast te maken. Tien uur 's avonds
is het uur, bepaald voor den afmarsch van Erme.
In de grootste orde en stilte vangt die afmarsch aan ; om één
uur is men te Dalem; om drie uur zijn de kolonnen van Eij-
bergen en Wijiers bij de buitenwerken der vesting ; Sickinghe, die
een langeren weg moest afleggen, over den Holvert, komt iets
later bij het punt waar hij moet aanvallen. De onversaagde Van
Thijnen is voorop en, in weerwil van het aanroepen der Mun-
stersche schildwachten, nadert hij de voorgracht en de palissa-
deering van den bedekten weg; hij herkent het punt dat hij als
het geschiktste beschouwt voor de bestorming en waarschuwt den
voortroep om daarheen te snellen. Dit geschiedt; de voortroep
gaat de dichtgevrorene voorgracht over, bereikt de palissadeering
van den bedekten weg, springt daarover heen of hakt die met
bijlen omver, in weerwil van het musketvuur dat de vijand nu,
van den hoofdwal, op de aanvallers opent. Door de openingen
in de palissadeering gaan nu de beide kolonnen van Éijbergen
en van Wijiers; Van Thijnen wijst aan den laatste den weg
naar het bastion Holland, waarop hij moet aanvallen, en geleidt
daarna de troepen van Éijbergen naar het bastion Gelderland.
Sickinghe is kort daarop ook gekomen bij het bastion Overijssel;
een gedeelte van zijne ruiters neemt, afgestegen, vrijwillig deel
aan den aanval. De verdediger komt in verwarring onder de
wapens, maakt zich op den hoofdwal bereid tot tegenweer, opent
musketvuur op de kolonnen van Éijbergen en van Wijiers en
brengt door een kanonschot eenig verlies toe aan de kolonne
van Sickinghe bij haren opmarsch.
De bestormers snellen intusschen vol geestdrift voort. Een ge-
deelte van de gracht, dat open was gehouden, wordt overge-
trokken door middel van de biesbruggen ; en daar sommige van
die bruggen te zwak zijn om de overtrekkende troepen te
dragen, gaan eenige der bestormers in het water of op het ijs
staan, om de bruggen vast te houden. Nu geldt het den hoofdwal,
die door de vorst glad is en moeielijk te beklimmen en waar-
achter de verdediger met vuur- en blanke wapens den vijand
afwacht. Een doornheg aan den voet van den hoofdwal, zooals
men die meer vindt bij onze vestingen, is eene hindernis die
nog een geruimen tijd ophoudt, alvorens men met bijlen eene
genoegzame opening in die heg heeft gemaakt. Men wil dat een
der Hollandsche officieren, door een krijgslist veel heeft bijge-
bracht tot het gelukken van de bestorming; hij zou namelijk een
tamboer over de doornheg hebben gelicht en hem hebben
Digitized by
Google
COEVORDEN. 221
overgehaald, onder belofte van een rijkelijke belooning, om in
stilte ergens den wal te beklimmen en in het binnenste van de
stad den Prinsenmarsch te slaan; begunstigd door den zwaren
mist, die volgens sommige opgaven belette om de lengte van een
piek vooruit te zien, zou die tamboer onbemerkt in de stad zijn
doorgedrongen en dd^r, door het slaan van den Prinsenmarsch^
verwarring en vrees onder de verdedigers hebben doen ontstaan^
en den wederstand doen ophouden. — De zaak is mogelijk; zij
is ten minste niet zoo onwaarschijnlijk als de geschiedenis met
Bonaparte's trompetters bij Arcole.
Hoe het zij, de Hollanders, aan alle zijden den wal beklim-
mende, hebben weldra vasten voet daarop gekregen. DéAr heeft
nog een korte worsteling plaats; Mooij, de Munstersche bevel-
hebber, sneuvelt met de sabel in de vuist, door dien roemvollen
dood geheel uitwisschende wat mogelijk de verrassing van zijne
vesting krenkends had voor zijn eer; zijn dood doet zijnen sol-
daten den moed verliezen ; zij gaan terug en Eijbergen maakt zich
meester van het Kasteel. Sickinghe heeft bij het bastion Overijssel
meer wederstand ontmoet; den wal beklimmende heeft hij met
eigen hand een kanonnier des vijands gedood, op het oogenblik
dat deze een stuk geschut wil afschieten ; dapper strijdt de vijand
nog op den wal tegen de bestormers, totdat Eijbergen, met
40 man daarheen snellende, de verdedigers in den rug aanvalt
en daardoor in verwarring doet wijken. Te gelijk is de Friesche
poort door de Hollanders bemachtigd en geopend voor de rui-
terij; deze rent nu door de straten en doet weldra den weder-
stand des vijands, die naar het marktplein is teruggetrokken,
geheel ophouden. Van de vijandelijke bezetting, die bij de 8oa
man telde, redden zich een paar honderd door de vlucht naar
het Bentheimsche; een 150 waren gesneuveld; een groote 400
werden krijgsgevangen gemaakt. De aanvaller had zijn zege ge-
kocht met het sneuvelen van 55 der zijnen.
In de tachtig vuurmonden, een groot aantal andere wapens,
een aanmerkelijke voorraad munitie, een aanzienlijke buit, vielen
door dit wapenfeit in handen van de overwinnaars. Het zij her-
haald: men moet dit wapenfeit niet beoordeelen naar de begin-
selen der hedendaagsche oorlogsvoering; zeker, in ónze dagen
zou het vernielen van eene vijandelijke afdeeling van eenige
honderd man, het nemen van eene vesting als Coevorden altijd
beschouwd worden als een voordeel, maar toch slechts als een
voordeel van ondergeschikt belang. In de zeventiende eeuw was
het geheel anders: toen was het een uitstekend voordeel; een
voordeel, zooals een sterk leger, in den loop van een geheelen
veldtocht nauwelijks behaalde; een voordeel dat diepen indruk
maakte, de vijandelijke wapenkracht schokte, en hem, die het
verwierf, met lauwerkransen sierde.
Digitized by
Google
222 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Het gelukken dier verrassing van Coevorden moet worden toe-
geschreven aan de samenwerking van verschillende omstandig-
heden; aan de gesteldheid dier vesting, die, evenals vele onzer
vestingen, bij winterdag aan overvallingen was blootgesteld; aan
den mist, die de bedekte nadering van de troepen toeliet; aan
de afgematheid van de bezetting, die reeds sedert twee dagen
tegen een aanval had gewaakt; maar vooral moet de goede
uitslag worden toegeschreven aan de kracht en den nadruk waar-
mede de aanval plaats had. Eere aan de dappere overwinnaars;
en wanneer die overwinnaars, dadelijk na de behaalde zege, in
hun vromen eenvoud erkennen »dat dit niet anders was dan
Gods hand*', dan moet dit den nazaat niet verhinderen, lof toe
te zwaaien aan de onversaagde strijders, die in Gods hand het
werktuig waren om tot eene zoo schitterende uitkomst te geraken.
De krijgsverrichtingen van 1672 zijn hiermede ten einde ge-
loopen ; het is goed, vluchtig een oordeelkundigen blik te werpen
op de handelingen in het laatste gedeelte van dat jaar.
De tocht van Willem III, in November 1672 naar de Zuide-
lijke Nederlanden, is over het algemeen als eene handeling van
groote stoutheid bewonderd, ten minste wat het ontwerp aan-
gaat. Men behoeft niet, om die bewondering te verklaren, zijn
toevlucht te nemen tot de Romeinsche geschiedenis, zooals een
onzer schrijvers — Valckenier — doet, en in die handeling van
den jongen Stadhouder de wedergade te zien van Scipio's besluit
om in Spanje de Karthagers te beoorlogen, op het oogenblik
dat riannibal voor de poorten van Rome stond; men kan, door
die handeling op zich zelve te beschouwen, beter grond vinden
om haar te roemen, dan door het maken van eene vergelijking
met de oude geschiedenis ; — vergelijkingen, waarvan zoo dikwijls
misbruik wordt gemaakt en die zoo dikwijls geheel mank gaan.
Willem III kon zich in het najaar van 1672 zonder gevaar
van Holland verwijderen ; dat gewest was genoeg verzekerd door
de inundatie-linie en door de achtergebleven krijgsmacht; en
indien Luxembourg's inval het in gevaar heeft gebracht, dan
moet men dit niet wijten aan het ongenoegzame van de ver-
dedigingsmiddelen, maar wel aan de zwakheid en onbekwaam-
heid van de bevelhebbers. Willem III deed goed, zich van Hol-
land te verwijderen, want dddr was, door een rechtstreekschen
aanval op Luxembourg, weinig voordeel te behalen; ging alles
gunstig, dan zou die wijze van aanvallen den vijand nog gerui-
men tijd, nog jaren lang doen standhouden op het grondgebied
der Republiek, omdat men dan gewest voor gewest, stad voor
stad, zou moeten heroveren. Daarentegen, door in de Spaansche
Digitized by VjOOQIC
STRATEGISCHE OPMERKINGEN. 223
Nederlanden, door naar den Rijnkant vooruit te rukken, kon
men beslissende \iitkomsten verkrijgen: de Duitsche legers kon-
den den Rijnstroom overtrekken, de Stadhouder kon zich met
die legers vereenigen, hij kon eene overwinning op de Franschen
behalen; — dat alles was niet alleen mogelijk, maar zelfs waar-
schijnlijk; — en eene overwinning tusschen Maas en Rijn, bijna
aan de grenzen van Frankrijk behaald, zou oogenblikkelijk aan
den oorlog eene geheel andere wending hebben gegeven, zou
Luxembourg hebben gedwongen tot eene overijlde ontruiming van
de Noordelijke Nederlanden en zou dus in één oogenblik doen
verwerven wat men anders door jaren strijds moest verkrijgen.
Zelfs toen de Duitsche legers niet opdaagden, kon de vermees-
tering van Charleroi dezelfde uitkomst teweegbrengen.
Dat men die uitkomst niet verwierf, dat Charleroi gered werd
door de invallende winterkoude, dit bewijst niets; want men moet
bij de beoordeeling van eene handeling niet alleen letten op de
gevolgen die zij heeft, maar ook op de gevolgen die zij kon en
waarschijnlijk moest hebben; het eerste hangt af van het geluk,
het tweede bewijst de bekwaamheid. En wanneer men volgens
dien maatstaf oordeelt, dan zal men Willem III den hoogsten lof
moeten toezwaaien wegens dat besluit om den oorlog over te
brengen naar de Spaansche Nederlanden ; men zal moeten erken-
nen dat het een stout, beleidvol besluit was; dat daardoor de
vijand ééuAr werd aangevallen waar men de grootste uitkomsten
kon verwerven, d^r waar men hem doodelijke slagen kon toe-
brengen; dat dit besluit alleen genoegzaam is om de juistheid
der strategische inzichten van Willem III te bewijzen, om hem
als veldheer boven zijne tijdgenooten te verheffen. Dat overbrengen
van den oorlog in de Zuidelijke Nederlanden was werkelijk een
Napoleontische handeling; en hoe grooten indruk het teweeg-
bracht op de tijdgenooten van den Stadhouder, kan men daaruit
opmaken, dat zelfs de trotsche Lodewijk XIV, in een brief den
sisten December aan Luxembourg geschreven, het beleg van
Charleroi noemt „une action si hardie^
Maar is dit besluit des Stadhouders om den oorlog aanvallen-
derwijze te voeren algemeen bewonderd, de wijze waarop dit
besluit werd uitgevoerd heeft minder goedkeuring verworven.
Beaurain vooral gispt de handelingen van het Hollandsche leger-
hoofd. Sprekende van de inneming van Binche en Valkenburg
door Willem III, zegt hij: >ces faibles conquêtes furent Ie seul
fruit de son expédition. Le pro jet en avait été con^u avec har-
diesse, il ne füt pas poussé avec assez de vivacité et de vigueur.
Les moyens n'avaient pas été assez préparé, ou ne furent pas
fournis ^ temps par les Espagnols. La cour de France en eüt
néanmoins de Tinquiétude, on vit tout ce que le Prince d'Orange
pouvait oser, et les HoUandais entreprendre sous ses ordres."
Digitized by
Google
224 KRÏJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
{Campagne de 1674 ^'^ Flandre, Introduction). En in zijne Campagne
de Turenne komt zelfs de uitdrukking voor: *>la diversion du
Prince d'Orange, en faveur des alliés, avait été si mal conduite*^ enz.
Wij kunnen ons niet vereenigen met dit oordeel van den
Franschen schrijver, en zijn integendeel van gevoelen, dat de
Stadhouder niet anders kon doen dan hij heeft gedaan, en dat
de wijze van uitvoering zijner aanvallende beweging op het einde
van 1672, meer lof dan blaam verdient. — Eene korte opsom-
ming van de gebeurtenissen zal dit duidelijk maken.
Den 8sten November begint de opmarsch van Roozendaal; reeds
den iien is het Hollandsche legerhoofd te Maastricht. Die op-
marsch is met eene snelheid verricht, die hier te meer lof ver-
dient, omdat het daardoor mogelijk was, voordeden te be-
halen op de macht waarmede Duras op den linkeroever van de
Maas stond ; — dit heeft e ver wel niet plaats, doordat de Fransche
bevelhebber, met spoed de macht des Stadhouders ontwijkende,
achter de Maas en de Roer terug gaat. Men heeft toen aan de
Hollandsche zijde toch reeds de voordeelen verkregen, dat men
Maastricht gedeblokkeerd en eene legermacht in Limburg ver-
toond heeft, op een tijdstip, dat de vijand nog aan de grenzen
staat van het eigenlijke Holland; — maar tot die voordeelen
moet men zich vooreerst bepalen. Duras heeft den strijd ontweken,
en zoolang men nog niet versterkt is door de Spanjaarden, heeft
men te geringe macht om iets anders te ondernemen; want
Turenne heeft bij Andernach reeds een overgang over den Rijn,
en is gereed de zwakke krijgsmacht van den Stadhouder te ver-
pletteren, waagt deze het vooruit te rukken.
Den i5en November komt eindelijk de verwachte versterking
der Spanjaarden. Is Beaurain van meening, dat Willem III toen
naar den Rijn had moeten voortrukken en daar Turenne slag
leveren ? — Wij gelooven dat die handeling gewaagd en gevaarlijk
zou zijn geweest; het Fransche legerhoofd stond toen reeds in
zijne stelling te Witlich, den weg afsluitende van Willem III naar
de Duitsche legers; die legers stonden bovendien nog altijd op
den rechteroever van den Rijn, en op de vereeniging met die
legers was niet in het minst staat te maken; Turenne was toen
reeds in verband met de legermacht van Condé; en wanneer
dus Willem III vooruitrukte, liep hij gevaar van aangevallen te
worden door de groote overmacht der beide Fransche leger-
hoofden; en een nederlaag kon dan de bedenkelij kste gevolgen
hebben, door de aanwezigheid der macht van Duras in den rug
van het leger des Stadhouders. De voorzichtigheid schreef dus
gebiedend voor, niet verder voort te rukken tusschen Maas
en Rijn; er viel niets anders te doen dan bij de Maas te blijven,
en dddr, door kleine aanvallende bewegingen, door het bedreigen
van vestingen Duras en Turenne uit te lokken om ter hulp te
Digitized by
Google
STRATEGISCHE OPMERKINGEN. 22$
komen; voordeel te behalen, door aan den eerste slag te leve-
ren, of door het verwijderen van den tweede van den Rijn den
overtocht van dien stroom voor de Duitsche legers gemakkelijk
te maken, en zóó de vereeniging met die legers voor te bereiden.
Met dat inzicht bedreigt men Tongeren, maar zonder uitwer-
king: Turenne en Duras blijven onbeweeglijk, op de sterkte dier
vesting vertrouwende. Men verlaat toen Tongeren weer, welks
ernstige belegering geen voordeel kon aanbrengen; men wil
Duras opzoeken en slag leveren; maar de sterk gezwollen Roer
belet dit, en de Fransche bevelhebber voegt zich, zonder ge-
vecht te leveren, bij Turenne; — men verkreeg door dien af-
tocht evenwel het voordeel, dat daardoor — hoezeer kortston-
dig — de gemeenschap van Luxembourg met Frankrijk zoo goed
als afgebroken was. — Men bepaalt zich toen tot de vermees-
tering van Valkenburg.
Weldra blijkt het, dat men dit jaar volstrekt niet heeft te
rekenen op de hulp van de Duitsche legers, en Willem III gaat
nu over tot het beleg van Charleroi; eene onderneming die,
ware zij gelukt, Frankrijk een gevoeligen slag zou hebben toege-
bracht en denkelijk de ontruiming van Holland veroorzaakt.
Maar die onderneming gelukt niet; Montal's goede verdediging,
de bijeen trekking van Fransche legers tot ontzet en vooral de
invallende vorst, die de werkzaamheden van den belegeraar ver-
hindert en het geschut belet aan te komen, doen het beleg op-
breken; en de legermacht des Stadhouders, den veldtocht ein-
digende, keert naar Holland terug.
Wanneer men zoo de gebeurtenissen met aandacht overziet, dan
vraagt men zich af, wat Beaurain rechtigt tot zijne veroordeelende
uitspraak over de operatiën van Willem III bij dit gedeelte van
den veldtocht Zegt men van iemand dat hij niet goed heeft ge-
handeld, dan vordert de billijkheid dat men tevens zegge, hoe
hij had moeten handelen; en wanneer wij hier, bij de krijgsver-
richtingen van het Hollandsche legerhoofd, ons die vraag stellen,
dan zien wij niet in, hoe die op voldoende wijze kan worden
beantwoord. Wij voor ons zien niet in, wat de Stadhouder anders
had kunnen doen dan hij gedaan heeft; en hoezeer zijne onder-
neming mislukt is, kan men dit volstrekt niet wijten aan de wijze
van uitvoering die niet anders kon zijn, noch aan het ontwerp
zelf, dat stout en meesterlijk was.
Wanneer wij overgaan tot de beschouwing van Luxembourg's
handelingen bij dit gedeelte van den veldtocht, dan moeten wij
het gevoelen uiten, dat zij zich hier meer door stoutheid dan
door bekwaamheid kenmerken. Partij te trekken van de gunstige
kansen, die de winterkoude, de afwezigheid van Willem III en
de zwakheid van sommige van diens onderbevelhebbers aan-
wiLLEM III. — I. 15
Digitized by
Google
2 20 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
boden tot het doen van een inval in Holland, dit was zeker iets
goeds, en het besluit tot dien inval verdient in Luxembourg ge-
prezen te worden; want, mocht het Fransche legerhoofd zich al
niet meester maken van Amsterdam, hij zou toch eenige der Zuid-
Hollandsche steden kunnen bemachtigen, en door de bemachti-
ging van die steden, door de verwoesting van de landstreek,
denkelijk de Republiek dwingen tot vrede en onderwerping. Het
besluit tot den inval in Holland was dus goed; — maar dat
besluit door te zetten op een oogenblik dat de uitvoering zoo
goed als onmogelijk werd; den tocht naar Holland te beginnen op
het oogenblik dat de dooi reeds aanvangt, met het vooruitzicht
van spoedig niet verder te kunnen voortrukken en van niet te
kunnen terugkeeren; een geheel leger zoo bloot te stellen aan
een bijna wissen ondergang; — dit is, in ons oog, geen stout-
heid meer, maar roekeloosheid; dit toont weinig beleid; dit is
in een legerhoofd eene onverantwoordelijke handelwijze, die,
zonder het verlaten van de Nieuwerbrug door de Hollanders,
hare welverdiende straf niet zou hebben ontgaan. In de dagen
van het Schrikbewind heeft menig Fransch legerhoofd het leven
door de gerechtsbijl verloren, die niet het honderdste deel mis-
dreven had, van wat men hier, met grond, Luxembourg kan ten
laste leggen.
Die inval van Luxembourg toont ook aan, hoe weinig gegrond
de meening is, dat in den winter, door een strenge vorst, de
sterke verdedigingsmiddelen van ons land geheel te niet gaan.
Integendeel: wij zien dat in den winter van 1672, in weerwil
van de vorst, door krachtige inspanning hier en daar vaarten en
weteringen waren opengehouden, in verband waarmede een hand-
vol gewapende boeren bij Nieuwkoop en het geschut van een
uitlegger in de Mije er in slagen, de Fransche macht te doen
afdeinzen, en het doordringen van die macht te Zwammerdam
alleen aan het zwakke der verdediging is toe te schrijven. Zelfs
in het hart van den winter kan dus de verdediging van onze
onderwaterzettingen met goed gevolg plaats hebben; vooral ook
omdat de vijand het niet licht zal wagen, over het dichtgevrorene
water te trekken, terwijl door het omslaan van het weder — iets
dat men niet voorzien kan en dat ieder oogenblik kan gebeuren —
de o vergetrokken macht van eiken terugtochts-weg is afgesneden
en dus denkelijk geheel verloren gaat. Dat Luxembourg dit lot
ontging, waaraan heeft dit gelegen? — Aan het wangedrag van
één bevelhebber.
Juist diezelfde gebeurtenis, met vele andere in onze krijgsge-
schiedenis, bewijst welk een gewichtige taak zelfs een officier van
minder hoogen rang soms heeft te vervullen bij de oorlogen
in óns land. Van Königsmarck hing hier het behoud van het
vaderland af, en zijn zwak gedrag had Holland bijna doen ver-
Digitized by
Google
STRATEGISCHE OPMERKINGEN. 227
loren gaan; Pain-et-Vin*s plichtverzuim was de redding van
Luxembourg's leger: zonder dat had een maarschalk van Frank-
rijk, met eenige duizenden soldaten, de wapenen moeten neder-
leggen. Ieder generaal, ieder kolonel kan eene soortgelijke taak
te vervullen hebben als Königsmarck; en zelfs behoeft men geen
hoofdofficier te zijn om bevelhebber te worden van een even
belangrijken post als dien aan de Nieuwerbrug ; ieder onzer offi-
cieren kan zoodoende in een toestand komen, waarin hij geheel
op zichzelf staat, geheel naar eigen inzichten en ingeving moet
handelen, en waarin van z ij n e handeling mogelijk de val of het
behoud van het vaderland afhangt.
Daarom ook is het een hoofd vereischte, dat de officieren van
ons leger eene meer dan gewone bekwaamheid bezitten, en door
hunne vroegere opleiding, door verstandige studiën en oefeningen
juiste en ruime inzichten verkregen hebben over de verdediging
van ons land; om, wanneer zij op zichzelve staan, wanneer zij
zonder bepaalde bevelen of voorschriften moeten handelen, en
van hun besluit mogelijk de uitkomst van den oorlog afhangt,
altijd de beste partij te kiezen. Bij groote legers, — zooals bij
voorbeeld de Fransche en Oosten rijksche legers — , is het geen
zoo noodzakelijk vereischte, dat de officier wetenschappelijk
gevormd zij; het is voldoende dat de bevelhebbers van legers,
legerkorpsen en divisiën bekwame mannen zijn; voor de aan-
voerders der kleinere onderdeelen van het leger is dit minder noodig,
omdat zij bij de werking der groote vereenigde massa's meest-
tijds niets anders te doen hebben dan werktuigelijk de ontvangene
bevelen uit te voeren ; — bij een leger als het onze, dat door den
aard der landstreek waar het moet strijden, gewoonlijk in meer
of minder kleine deelen is gesplitst, moet ieder officier min of
meer de bekwaamheid bezitten van een opperbevelhebber.
De krijgsverrichtingen in de oostelijke gewesten gedurende de
laatste maanden van 1672 leveren weinig stof op tot opmer-
kingen. Men kan niet anders dan het beleid en de geestkracht
prijzen, hier betoond door de Hollandsche bevelhebbers, die
goed gebruik maakten van het voordeel, dat Groningen's dappere
verdediging hen op den vijand had gegeven, om dien vijand
verder afbreuk te doen; en die daartoe zoo goed partij wisten
te trekken van het middel der overvallingen.
Digitized by
Google
228 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
HOOFDSTUK VIII.
TOESTAND VAN DE OORLOGVOERENDE PARTIJEN BIJ HET BEGIN
VAN 1673; KRIJGSTOERUSTINGEN; KRIJGSVERRICHTINGEN
IN DE NOORDOOSTELIJKE PROVINCIËN EN IN HOLLAND.
De krijgs verrichtingen, die tot in de laatste dagen van 1672
waren voortgezet, hielden daarna eenigen tijd op; de winter gaf
eene korte poos van rust, die door de verschillende oorlogvoe-
rende mogendheden gebruikt werd om hunne krijgstoerustingen
uit te breiden, ten einde in een volgenden veldtocht opnieuw met
geduchte strijdkrachten op te treden.
Frankrijk — en Frankrijk wil zeggen Lodewijk XIV; zijne
bekende woorden yjTétai eest mor waren toentertijd eene waar-
heid; — Frankrijk had nog niet afgezien van zijne poging tot
vernietiging van de Republiek, welker macht en welker vrijheid toen
een ergernis waren voor den alleenheerscher, die geen perken
voor zijn gezag duldde en die er naar streefde, geheel Europa
aan zijn wil te onderwerpen. De trots des Franschen konings,
zoo verhoogd door de spoedige en gemakkelijke verovering van
een deel van Holland, was diep gekrenkt geworden door den
wederstand, dien het overige van dien Staat was blijven bieden;
en verontwaardiging, evenzeer als verbazing, vervulde geheel
Frankrijk, toen men den vijand, dien men reeds ten onder ge-
bracht waande, zich met kracht zag verheffen, en zijn leger
Frankrijk *s grenzen zag bedreigen. Die trotschheid moest beteu-
geld, die hoon gestraft worden. De Fransche natie, toenmaals
koningsgezind tot in het gebeente, kon er zich geen denkbeeld
van maken, dat een klein volk, zonder koning, zonder adel, een
volk dat men minachtte als alleen bestaande uit een hoop koop-
lieden en burgers, den kamp durfde volhouden tegen den groo-
ten monarch, voor wien zich de hoofden der oudste geslachten
van de Christenheid in het stof bogen, en die, door al den luister
van macht en roem omgeven, tot nu toe niets dan overwinningen
had gekend. Zoo iets was ongehoord, zoo iets mocht niet voort-
duren; en wanneer de krijgshaftige geest van het Fransche volk
het eiken oorlog met blijdschap deed tegemoet gaan, zoo was
toch de oorlog tegen Holland der natie bijzonder welgevallig.
Hier en daar mochten soms de zware lasten, welke die oor-
log noodzakelijk oplegde, gemor, weerspannigheid, openlijken
opstand doen ontstaan; maar dit was alleen het geval bij het
laagste gedeelte der natie, bij de boeren, bij den geringen bur-
gerstand, bij dat gedeelte dat toen even weinig werd geteld als
het plebs te Rome, als de lijfeigenen der Middeleeuwen; wat toen
Digitized by
Google
TOESTAND OORLOGVOERENDE PARTIJEN, BEGIN 1673, 229
het eigenlijke volk uitmaakte : de adel, de hoogere geestelijkheid,
het leger, de rechterlijke macht, de parlementen, de staatsamb-
tenaren, de hovelingen, — dat alles wat zich in den zonneschijn
der hofgunst koesterde en alleen aan Lodewijk XIV aanzien en
luister ontleende, dat alles gevoelde ook diep den hoon dien de
monarch leed door den strijd tegen zulk een vijand, en brandde
van verlangen om door schitterende overwinningen dien hoon
uit te wisschen.
Bij de schrijvers van dien tijd kan men de duidelijkste blijken
vinden van dien geest van haat en vijandschap tegen de Repu-
bliek der Vereenigde Nederlanden, — een haat, die niet het recht
had om nog langer minachting te blijven, toen men had onder-
vonden, welk eene sterkte die vijand bezat dien men aanvan-
kelijk zoo versmaadde ; men kan ten duidelijkste uit de geschriften
van dien tijd ontwaren, — neem slechts de brieven van Madame
de Sévfgné — hoe de Fransche koning geheel in overeenstemming
handelde met den geest zijns volks, toen hij den oorlog tegen Hol-
land bleef voortzetten. Zoo vindt men zelfs bij La Fontaine — die
anders te eenvoudig was om vleier te zijn, en die in zijne mees-
terlijke fabels den grooten der aarde dikwijls ernstig de waarheid
durfde zeggen — eene fabel ide zon en de kikvorschen",
waarin klaarblijkelijk de Fransche koning door den dichter wordt
voorgesteld onder het beeld van de zon, terwijl met de kikvor-
schen niets anders bedoeld wordt dan de landgenooten van De
Witt en De Rujrter. Men moet daarom den grooten fabeldichter
niet beschuldigen van blinde partijdigheid; men moet zoo iets
vergeven aan den tijd waarin hij leefde; maar het doet juist den
geest van dien tijd kennen; het doet zien, dat Lodewijk bij het
voortzetten van den oorlog, kon rekenen op den bijstand der
openbare meening, toenmaals zeker minder krachtig dan in onze
dagen, maar toch reeds eene macht die men niet straffeloos kon
veronachtzamen.
Bij Louvois ging de haat jegens Holland toen nog gepaard
met verregaande minachting, zich vaak uitende in hoonende en
verguizende woorden. In Rousset's werk (i' deeh blz. 445) vindt
men daarvan voorbeelden, bij gelegenheid dat die schrijver ge-
wag maakt van een vredes-congres dat in het begin van 1674 te
Keulen bijeenkwam, maar niets tot stand heeft gebracht:
> Waren de Hollanders mannen," zeide hij (Louvois), » dan zou-
den zij al lang vrede hebben gesloten; maar het z^'n ezels {des
bétes\ die zich laten leiden door menschen die alleen op hun
eigen belang bedacht zijn; en daarom is het beter zich voor
te bereiden ten oorlog, dan te verflauwen in de hoop van
vrede." Nog beleedigender toon bezigt hij, waar hij aan Luxem-
bonrg en d'Ëstrades gelast, om aan de HoUandsche gevolmach-
tigden, bij hun doortocht, de eerbewijzmgen te geven die htm
Digitized by
Google
230 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
toekomen : 1 de Koning heeft mij gelast u te melden," 200 schreef
hij hun, >dat, in weerwil van de verachting die men voor dat
volk moet koesteren, men hen toch moet behandelen als ge>
zanten."
Toen Hindostan in 1857 opstond, hebben de Engelschen met
niet meer haat en verachting kunnen gewagen van de volge-
lingen van Nena Sahih^ dan Louvois van de Hollanders van
1672. Wij hebben dus wel eenig recht, om zijn naam te ver-
foeien.
Engeland, dat ook den oorlog bleef voortzetten, deed dit
voornamelijk door het aandrijven van Karel II, een onzedelijk
en schandelijk vorst, die den troon onteerde; een vorst die, alle
gevoel van waardigheid en plicht afschuddende, een lijdelijk
werktuig was geworden in de hand van den Franschen koning,
door wien hij betaald en bezoldigd werd. Karel was, tot nu toe,
meester van zijn Parlement; kuiperijen, omkoopingen, bedrog,
openbaar geweld hadden tot op dien tijd het bestaan eener
volksvertegenwoordiging in Engeland tot een fabel gemaakt; en
bij die leden, wier onafhankelijkheid men vreesde, hadden de
staatsdienaren des Konings den ouden haat en vijandschap tegen
Holland opgewekt, — die mededingster in handel en zeevaart,
met wie men in Indië reeds zoo dikwijls in vijandige aanraking
was gekomen, en tegen wier vloten men zoo herhaaldelijk en
met zoo weinig vrucht gestreden had om de heerschappij over
de zeeën. Daardoor was het aan Karels ministers gelukt, de ver-
tegenwoordigers des volks te doen bewilligen in het voortzetten
van den oorlog; de muren van het Parlement weergalmden weer
van de heftigste taal tegen Holland; het iKarthago moet ver-
delgd worden" werd op dit land toegepast; en om dat doem-
vonnis ten uitvoer te brengen, besloot men eene meer dan ge-
wone uitbreiding te geven aan de krijgstoerustingen.
Maar, handelde de regeering zoo, de meerderheid van het
Engelsche volk hechtte hare goedkeuring niet aan die hande-
lingen. Er bestond, ja, naijver en vijandschap tegen Holland;
maar het gezond verstand der menigte deed haar inzien, dat de
ondergang van Holland ook voor Groot-Brittanje verderfelijk kon
worden; de natie was in haren trots gekrenkt door zoo aan den
leiband te moeten loopen van de Fransche staatkunde ; zij herin-
nerde zich hoe, onder Cromwell's krachtig bestuur, Engeland
een geheel andere rol had gespeeld op het staatstooneel ; dat
bestuur had republikeinsche indrukken bij de menigte achterge-
laten, en zij zag daarom noode, dat men nu streed tegen een
republiek en in het belang van een alleenheerscher ; bovenal
was het Engelsche volk door godsdienstige begrippen de zaak
toegedaan van de Nederlanden, — dien zetel en toevlucht van
Digitized by
Google
TOESTAND OORLOGVOERENDE PARTIJEN, BEGIN 1673. 23 1
het Protestantisme, toen bedreigd door een vorst, die zich voor-
deed als een krachtig voorstander van Rome's kerkleer; — dit
alles maakte, dat de oorlog tegen Holland in Groot-Brittanje
verre van populair was, dat de meerderheid des volks dien af-
keurde en veroordeelde, en dat weldra de openbare meening
zich zoo krachtig begon te uiten, dat Karel II daardoor ge-
dwongen werd vrede te sluiten.
Maar in 1673 woedde het oorlogsvuur nog met onverminderde
hevigheid; en in dat jaar spande de Britsche vorst nog zijne
uiterste krachten in, om onze Republiek ten val te brengen.
Keulen en Munster bleven ook den oorlog tegen de Neder-
landen voortzetten. Die twee kleine Duitsche Staten waren nog
altijd aan de zijde van Frankrijk en geheel onder den invloed
van dat Rijk. Hei weinig beduidende van de voordeelen, door
de Brandenburgsche en Keizerlijke legers in 1672 verkregen, en
de krachtige aanvallende houding, door Turenne tegen die legers
aangenomen, hadden Frankrijk het bondgenootschap met de
bisschoppen van Munster en Keulen doen behouden; — toch
was de macht van die beide vorsten aanmerkelijk verminderd
door de tegenspoeden van het vorige jaar, vooral door het mis-
lukte beleg van Groningen.
Ziedaar de oorlogvoerende mogendheden, die in 1673 de
eene partij uitmaakten. Hiertegenover had men nu, aan de
andere zijde: de Republiek der Vereenigde Nederlanden, Spanje
en het Keizerrijk.
De Republiek zag nog altijd de vijandelijke legers meester
van een groot gedeelte van haar grondgebied; maar toch was
zij in geheel anderen toestand dan in 1672: zoo zwak, zoo weer-
loos als zij, te lande, toen was, zulke geduchte verdedigingsmid-
delen kon zij nu tegenover de Fransche of Engelsche legers stellen.
Hare krijgsmacht was goed geworden, sterk, talrijk, had door
wervingen en door verbonden met verschillende Duitsche Staten
eene groote uitbreiding gekregen; hare vestingen, hare verdedi-
gingslijnen waren in den meest weerbaren toestand; de vloot,
door De Ruyler aangevoerd, kon Frankrijk's en Engeland's ver-
eenigde vloten het hoofd bieden; zelfvertrouwen, moed en geest-
drift waren teruggekeerd, toen men Willem III met zoo krachtige
hand het roer van het staatsvaartuig zag besturen; — in één
woord: de kansen van den oorlog tegen de verbondene vorsten
waren voor onze voorvaderen in 1673 oneindig gunstiger dan
het jaar te voren.
Spanje was voor de Nederlanden, evenals het jaar te voren,
een zwakke maar volijverige bondgenoot, waarvan de hulp en
Digitized by
Google
232 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
bijstand door ónze schrijvers mogelijk niet genoeg zijn erkend.
De monarchie, zoo krachtig ten tijde van KLarel V en Filips II,
was reeds lang ondermijnd en had plaats gemaakt voor een afge-
Icefden, uitgeputten en zwakken Staat, vol misbruiken en ver-
keerdheden, zonder eenheid van bestuur, zonder krachtigen volks-
geest, en waar men — zooals altijd in tijden van verval — de
hulpmiddelen des lands aan duizend overtolligheden besteedde,
en de krijgstucht en sterkte der legers te niet liet gaan. Maar, hoe
zwak de Spaansche monarchie ook was, de Zuidelijke Nederlanden
waren voor onzen Staat toch altijd een voormuur, die de Fransche
wapenmacht belette om met haar volle geweld op ons neer te
komen; Monterey wist met bekwaamheid en met zelfopoffering
de legermacht van Willem III te versterken door zijne Spaansche
krijgsbenden, die, zeker, niet meer de soldaten waren van Alva
en Parma, maar waarbij toch somtijds de herinnering aan den
aiouden wapenroem, enkele opflikkeringen van heldengeest deed
ontwaren. — Den i9cn October 1673 volgde er eindelijk eene
oorlogsverklaring van Frankrijk aan Spanje; de wettelijke erken-
ning van een toestand die reeds lang had bestaan.
Duitschland was toen, wat het nog in onze dagen is geweest,
de draak met honderd hoofden : eenheid en krachtdadigheid van
handeling moest men daar niet zoeken: te meer niet, omdat de
bekwame staatslieden waarover Lodewijk XIV kon beschikken
— en waaraan hij, mogelijk evenzeer als aan zijn groote leger-
hoofden, het overwicht had te danken dat hij in Europa uit-
oefende — , door allerlei middelen, door kuiperijen en omkoopingen,
verschillende Duitsche vorsten tot Frankrijk's belangen hadden
weten over te halen, en zelfs aanhangers te winnen onder de ver-
trouwdste raadslieden van den Keizer. Daaraan was dan ook toe
te schrijven het geheel onbeduidende aandeel door het Keizerlijke
leger aan den veldtocht van 1672 genomen; — onder de leiding
van een uitstekend veldheer is in 1673 ^^* aandeel verreweg ge-
wichtiger geweest
De Duitsche vorst, die in 1672 het eerst optrad als bondge-
noot van de Republiek, was ook de eerste die weer de wapenen
nederlegde: den locn April 1673 werd de vrede gesloten tus-
schen Frankrijk en den keurvorst van Brandenburg. Grootendeels
had Frankrijk dit voordeel te danken aan de stoute handelingen
van Turenne, die, na eerst in het najaar van 167a de Duitsche
legers te hebben belet den Rijn te naderen, zelf, in Maart
1673, naar de Wezer was vooruitgerukt en de vijandelijke legers
had doen teruggaan, het Brandenburgsche naar de zijde van
Halberstadt, het Keizerlijke naar Frankenland. De Keurvorst,
ziende dat hij, wel verre van Holland te bevrijden en op den
linker Rijnoever Frankrijk te beoorlogen, zelf, in zijn eigen Staten,
Digitized by
Google
KRUGSTOERUSTINGEN. 233
bedreigd werd, haastte zich den oorlog te eindigen, die hem
noch roem, noch voordeel aanbracht.
Die uitkomst was ten hoogste roemrijk voor Turenne: had
hij de voorschriften van het Fransche hof opgevolgd, was hij ter
verdediging van den Rijn op den linkeroever teruggegaan, dan
had dit mogelijk den overtocht van dien stroom en 's vijands
inval in Frankrijk toch niet verhinderd, en zeker was daardoor
de bisschop van Munster gedwongen geworden de zijde van
Frankrijk te verlaten. Turenne kiest de veel stoutere partij om
op den rechteroever van den Rijn te blijven; die stroom en de
Fransche grenzen worden daardoor even goed beschermd; Mun-
ster wordt voor het bondgenootschap met Frankrijk behouden, de
Fransche wapenen tot aan de Wezer uitgebreid en daardoor één
van de vijanden van Lodewijk XIV gedwongen vrede te sluiten.
Als veldheer ontwikkelde Turenne bekwaamheden, die zijner
tegenstanders verre overtreffende.
Door de wederzijdsche partijen werden gedurende den winter
de krijgstoerustingen met kracht voortgezet Engeland zou, be-
halve met zijne sterke zeemacht^ ook met een leger deelnemen
aan den oorlog; dit leger, bij de 20000 man sterk, was in de
zuidoostelijke havens en nabij den Theems vereenigd, gereed om
ingescheept en op het een of ander punt der HoUandsche of
Zeeuwsche kust aan wal te worden gezet, wanneer, door het ver-
slaan van De Ruyter's vloot, de Noordzee in de macht der
Britten zoude zijn. Bovendien zou eene afdeeling van 8000 En-
gelschen, onder Monmouth, een basterdzoon des Konings, naar
Frankrijk overgaan, om zich daar te voegen bij de legers van
Lodewijk XIV.
De Fransche legers werden door alle mogelijke middelen versterkt
en voltallig gemaakt; en juist die middelen toonen aan, hoe
moeielijk het toen was, zelfs voor de grootste monarchie, om
spoedig eene groote uitbreiding aan hare strijdkrachten te geven ;
en hoe die moeielijkheid, meer dan iets anders, de oorlogen van
die dagen onbeslissend en slepend moest maken.
Men wilde 30 nieuwe regimenten ruiterij en 50 nieuwe regi-
menten voetvolk oprichten. Men opende wervingen op alle punten,
men gaf bijzondere voorrechten aan hen die in den krijgsdienst
traden, men beloofde zelfs straffeloosheid aan de terugkeerende
overloopers. Van Sardinië nam men een 4000 man afgedankte
troepen over, van Genua 2000, van Engeland een 8000 man,
van de Zwitsersche kantons een groot aantal; en zoo bracht
men de legermacht op eene sterkte, die, volgens de waarschijnlijk
niet overdreven opgave van een onzer schrijvers (Valckenier),
140000 man voetvolk en 40000 ruiters uitmaakte; —is dit zoo,
Digitized by
Google
234 KRIJGS- EN GESCHMDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
dan waren de in den vorigen veldtocht geleden verliezen reeds
meer dan hersteld.
Drie legers wilde men samenstellen uit die krijgsmacht: het
eerste, volgens De Quincy een 40 000 man sterk, zou, onder per-
soonlijke aanvoering van koning Lodewijk, in Vlaanderen en
Braband werkzaam zijn; het tweede, de krijgsmacht in Hollands
vroeger door Luxembourg aangevoerd, kwam nu onder het bevel
van Condé; het derde, onder Turenne, moest aan den boven-
Rijn werkzaam wezen. — Bovendien had de bisschop van Mun-
ster, ondersteund door eenige Keulsche troepen en door 45 com-
pagnieën Fransche ruiterij, in Overijsel weer eene afdeeling van
bij de 8000 man bijeengebracht.
Bij de oorlogstoerustingen van Frankrijk worden ook de maat-
regelen vermeld, die het nam betreffende de in Holland ver-
overde vestingen. Een aantal dier vestingen, die men als onnoodig
of te onbeduidend beschouwde, werden ontruimd, ontwapend, zoo-
veel mogelijk geslecht; — zoo deed men met Doesburg, Wijk-
bij-Duurstede, Crèvecoeur, de Voornerschans, Engelen, Orsoy,
Burik, Emmerik, het Huis te Gennip, Ravestein en Deutekom.
Bij andere plaatsen daarentegen, zooals te Arnhem, Nijmegen,
Naarden en Utrecht, werden de vestingwerken verbeterd en uit-
gebreid.
Niettegenstaande deze meerdere samentrekking van de Fransche
strijdkrachten in Holland, waren die strijdkrachten daar nog veel
te veel versnipperd door het groot aantal sterke steden dat zi)
bezet moesten houden; en Condé klaagt in zijne brieven, »dat
hij, om 14 zwakke bataljons te vereenigen^ verscheiden plaatsen
bijna onbezet moet laten.'* Denkelijk werd die klacht geuit vóór
Juni, kort vóór de inneming van Maastricht, toen de veld-
tocht reeds eenigen tijd had geduurd en de Fransche macht in
Holland nog niet was vergroot door de later van het leger van
Lodewijk XIV daarheen gezonden versterkingen. Die bijzonder-
heid wordt hier aangehaald, omdat zij een juist inzicht kan geven
in de oorlogvoering van die tijden: de grootste en machtigste
monarchie van Europa heeft alle inspanning noodig, om een
krijgsmacht van nog geen tweemaal honderd duizend man op
de been te brengen ; en van die krijgsmacht wordt zooveel weg-
genomen door de vestingen, dat didr waar men den werkzaam-
sten en geduchtsten vijand heeft te bestrijden, het soms moeite
kost om een leger van 12 a 15000 man te vereenigen.
Wat bij Rousset voorkomt over de Fransche legers van 1673,
komt tamelijk wel overeen met de hier vermelde opgaven. In de
Histoire de Louvois (i' deel, blz. 427 — 430) leest men onder andere
het volgende:
iNog was de veldtocht van 1672 niet geëindigd toen Louvois
Digitized by
Google
KRIJGSTOERUSTINGEN. 235
reeds zijne beschikkingen nam, en, om het zoo eens uit te druk-
ken, zijn oorlogsbegrooting opmaakte voor den volgenden veld-
tocht. Hij rekende er op, tegen het voorjaar beschikbaar te
hebben 96 000 man voetvolk en 28 000 ruiters. Na daarvan afge-
nomen te hebben 8000 man voor Roussillon, 1000 voor de be-
zetting van Pignerol en 7000 voor Lotharingen, bleef hem nog
eene macht van 108000 man over, te verdeelen over Holland,
Duitschland en de Spaansche Nederlanden . . ."
...>De Koning had pas zijn traktaat vernieuwd met den keur-
vorst van Keulen en een ander gesloten met den keurvorst van
Beieren; ook was men bezig met onderhandelingen over een
derde traktaat met den hertog van Hannover. Dit kon ongeveer
een 30000 man hulptroepen opleveren, maar waarop men niet
veel mocht rekenen..."
Over de verdeeling van die 108000 man Fransche troepen
worden Turenne en Condé geraadpleegd, die het daarover niet
geheel eens zijn; eindelijk wordt het volgende bepaald:
...»Men wilde 30000 man aan den Rijn hebben, 30000 op de
grenzen van Vlaanderen en 48000 in Holland; van de laatste
moesten 25000 man het leger te velde uitmaken, en was het
overige bestemd om sterke bezettingen te geven voor de steden
aan de Maas, den IJsel en den Waal. De steden aan de Zuider-
zee moesten meerendeels worden ontruimd en ontmanteld."
Dit laatste is minder juist. Het waren niet i steden aan de Zui-
derzee" die toen door de Franschen werden ontruimd; maar wel
andere plaatsen die men als onnoodig of te onbeduidend be-
schouwde.
Voor het overige geven die cijfers bij Rousset wel stof tot
eenige aanmerkingen. Het is zeer duidelijk, dat er behalve die
»8ooo man voor Roussillon, 1000 voor de bezetting van Pigne-
rol en 7000 voor Lotharingen", toch ook nog troepen moeten
geweest zijn voor het bezetten van Frankrijk's vestingen; zoodat
daar er 108000 man te velde werd gebracht, de geheele sterkte
van Frankrijk's leger in 1673 ™cer moet zijn geweest dan
» 96 000 man voetvolk en 28000 ruiters." Rousset doet hier,
zooals de Franschen nogal dikwijls doen, als het cijfers betreft:
hij geeft zijne cijfers d'une maniere large^ waarbij men niet streng
moet letten op juistheid en nauwkeurigheid. Er is dus grond
voor, de opgave van onze schrijvers als waar aan te nemen,
dat de geheele sterkte van Frankrijk's legermacht in 1673 heeft
bedragen 140000 man voetvolk en 40000 ruiters.
Het op de been brengen en onderhouden van eene voor dien
tijd zoo sterke legermacht bracht noodwendig geldelijke bezwaren
mede; het maakte nieuwe belastingen noodig, die herhaaldelijk
onlusten en oproeren deden ontstaan. Toch was het niet Frankrijk
Digitized by
Google
236 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
alleen, dat den oorlog betaalde: die werd ook voor een deel be-
taald met de afpersingen die de Franschen in Holland deden. Om
een denkbeeld te geven, hoe toen in de door den vijand beiette
gewesten van de Republiek werd gehandeld, ontleenen wij aan-
halingen, niet aan ónze schrijvers — die men van overdrijving
kan verdenken — maar aan den Franschman Rousset, wiens
onpartijdigheid, over het geheel, hoogen lof verdient. In het
eerste deel van zijn werk (blz. 435) komt het volgende voor:
» Nooit en nergens ter wereld, in welken tijd en onder welke
regeering het ook zij, heeft de geest van fiskaliteit meer over-
maat van list en van stoutheid ten toon gespreid. De intendant
Robert is waarlijk een toonbeeld, en Luxembourg kan hem niet
genoeg bewonderen: > Robert," schrijft hij, • is rusteloos bezig
Xfnit Ie diahle d> quatre); bij zijn verbeurdverklaringen verkoopt
hij voor groote sommen slechte meubelen, waarvoor ik geen
stuiver zou willen geven ; ik geloof zelfs dat hij van de Staten
geld zal weten te halen, wat mij even rooeielijk voorkomt als
olie te slaan uit een muur." — Er bestaan eenige staaltjes van
die verwonderlijke bekwaamheid. Ontleenen wij die aan de Hol-
landsche schotschriften? — in geenen deele; wij ontleenen die
aan de briefwisseling van Robert zelf; en wij geven de verzeke-
ring, dat dezelfde feiten zich nog minder hatelijk en stuitend
voordoen in het hartstochtelijke verhaal van het verontwaardigde
schotschrift dan in het eenvoudig verslag van hem die ze pleegt."
Daarop laat Rousset eene uitvoerige opgave volgen van bijzon-
derheden over die geldafpersingen van Robert, en voegt daarbij
(blz. 411):
>Hoe is, het mogelijk dat Louvois niet eenig mededoogen ge-
voelde voor dat ongelukkige Holland, waar zulk een massa
menschen was gestorven en waar millioenen stuks vee door het
water werden aangespoeld." — Het is Luxembourg die zóó den
toestand afschildert; — maar Luxembourg vindt daarin alleen
aanleiding tot spotternij... en Louvois antwoordde hem op ge-
lijken toon... Louvois, Luxembourg en Robert waren voor
elkander geschapen" (blz. 442).
Fransche officieren — onder anderen Stouppa — zijn veront-
waardigd over wat in Holland gebeurt; zij brengen daarover
klachten in tot aan het hof van Lodewijk XIV, tot in Parijs.
Potsierlijk is Luxembourg's verontwaardiging daarover (Rousset
i« deel, blz. 443—444):
»Er zijn groote canailles in ons midden," riep Luxembourg.
Vergis u niet: Luxembourg doelde hiermede niet op de schurken,
maar op hen die de schurken bestreden en die zijne eigene hande-
lingen veroordeelden. Die canailles had men zelfs aan het hof, zelfs
in de anti-chambre van Louvois, zelfs in de vertrekken van Lode-
wijk XIV; de bisschop van Utrecht had ze daar gezien, bij een
Digitized by
Google
KRUGSTOERUSTINGCN. 237
reis die hij dien winter deed naar Saint-Germain. Eenige edellieden
hadden hem een bezoek gebracht in zijn herberg y^d rimage de
notre Damé'\ en hadden toen den jammerlijken toestand van zijne
provincie beklaagd, en met verfoeiing gesproken van het geweld
waaraan zij ter prooi was; een hunner was zelfs zóó ver gegaan
in zijne veroordeeling van de handelingen der Franschen, dai de
eenvoudige bisschop, toen hij te Utrecht terug was, op naïeve wijze
aan Luxembourg zeide: »in Frankrijk spreekt men vrijuit, en
iedereen zegt daar zijne meening." Louvois had gaarne die men-
schen willen kennen: Luxembourg ook: iwat mij betreft," zeide
hij, tik weet niet, waartoe ik niet in ^taat zou zijn, tegen zulk
canaille." Maar de Bisschop kon of wilde geen namen noemen;
hetzij uit voorzichtigheid, hetzij omdat hij werkelijk niet wist,
wie die onbekende vrienden van Holland waren. Maar voor ons
is het belangrijk om te weten en in het licht te stellen, dat er,
zelfs toen Lodewijk*s regeering ten toppunt van luister was, aan
het hof een soort van oppositie bestond en zekere vrijheid van
spreken."
Luxembourg verlaat Holland in het voorjaar van 1673; en de
Fransche Alva wordt daar in het opperbevel vervangen door
den Prins van Condé. Hebben wij daar veel bij gewonnen? Het
was zeer tegen zijn zin, dat Condé opperbevelhebber werd in
Holland; daar waren geen groote veldslagen te leveren; en
bovendien, wat hij in Holland zag, bedroefde hem, — zooals
men bij Rousset leest (i* deel, blz. 448):
»Maar wat hem vooral bedroefde, dat was de jammerlijke toe-
stand des lands. Condé, die ongetwijfeld te midden van een
veldslag, in zijn vuur en drift, een menschenleven niet hoog
schatte, was, buiten den strijd, zeer menschelijk gezind. Hij
voerde een geheel andere taal tegen Louvois, dan die van
den intendant Robert of van den hertog De Luxembourg. »Ik
kan niet nalaten u te melden," — zoo schreef hij hem — dat ik
hier de gezindheid van het volk geheel anders heb gevonden
dan ten vorigen jare; het is tot wanhoop gebracht door de
ondragelijke lasten die men het dagelijks oplegt. Het komt mij
voor dat het voordeel dat dit geeft boven hetgene men door zacht-
heid zou verkregen hebben, zeer luttel is, volstrekt niet waard
de woedende haat die men daardoor opwekt. Ik weet niet of
het wel in 's Konings belang is, op dien voet voort te gaan."
Maar Louvois gelast hem op dien voet voort te gaan:
(Blz. 449). iDe Koning" -^ antwoordde hij — > weet zeer goed,
dat toen hij, door herhaalde bevelen, den heer Robert aanschreef
om de Hollanders belastingen op te leggen, zij daardoor niet
vroolijk zouden worden gestemd of dat dit bij hen den wensch
zou doen oprijzen, om onder 's Konings heerschappij te blijven ;
Digitized by
Google
238 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
maar Zijne Majesteit oordeelt^ dat het geld meer waarde heeft
dan hunne goedgezindheid, en dat het bovendien zeer nuttig is<,
om in Holland het misnoegen op te wekken van al die men-
schen die hunne bezittingen kwijt raken. Daarom verlangt Zijne
Majesteit, dat er op dezelfde wijze voortgegaan worde als men
tot nu toe heeft gedaan; en zij verzoekt Uwe Hoogheid, om
tegen hen, die vertoogen dienaangaande bij u komen inbrengen,
even ruw en onverbiddelijk te zijn, als gij dit weinig zoudt
wezen, volgdet gij maar uw aangeboren aard. Zijne Majesteit
acht het dienstig, dat gij voortgaat met te doen afbranden, zoo-
veel gij maar kunt; opdat de Hollanders geen verzachting hoe-
genaamd ondervinden. Al deed Uwe Hoogheid in dezen veldtocht
niets anders dan de Hollanders te noodzaken om hunne dijken
doorgestoken te houden en het zeewater over hun land te laten
loopen, dan zou dit reeds een groot voordeel zijn, daar het dan
geen twee maanden zal duren of zij zullen onfeilbaar gedwongen
zijn vrede te sluiten, op de voorwaarden die wij zullen willen."
Cynieker taal is wel moeielijk te bedenken; maar Condé onder-
werpt zich daaraan.
Na zulke stellige en wreede bevelen te hebben ontvangen, ging
Condé, om zijn geweten gerust te stellen, nog over tot een laatst
protest; maar voegde er dan op droeven toon bij: » omdat gij
het zoo wilt, zal ik dan toch maar een stalen voorhoofd toonen,
en zoo onmeêdoogend zijn als het maar kan.*' (Brieven van den
5en en van den 8sten Mei 1673).
Overgaande tot de vermelding van de strijdkrachten der andere
partij, zal hier in hoofdzaak alleen gewaagd worden van wat be-
trekking heeft op onze verdedigingsmiddelen te lande; voor de
sterkte en samenstelling der vloot kan verwezen worden naar
Brandt's: Leven van De Ruyter. Van de legers onzer bond-
genooten behoeft alleen te worden gezegd : dat Spanje de steden
en vestingen der Zuidelijke Nederlanden bezet hield, en som-
wijlen eene legerafdeeling van een 15000 man, of daaromstreeks,
daaruit nam en deed aansluiten bij de Hollandsche krijgsmacht;
en dat het Keizerlijke leger, dat in Duitschland tegenover Turenne
stond, eene afwisselende sterkte had, die 25000 tot 35000 man
bedroeg.
Gedurende den winter waren bij de Republiek de wervingen
voor het leger onafgebroken voortgezet, voornamelijk in Duitsch-
land. Men had het besluit genomen om, buitenslands, 6 nieuwe
regimenten infanterie aan te werven, ieder van 12 of, volgens
andere opgaven, van 14 compagnieën, elke compagnie van 89
man. Die nieuwe korpsen moesten vóór half April in Holland
zijn. Bovendien werden er nog 4 andere regimenten binnenslands
Digitized by
Google
KRIJGSTOERUSTINGKN. 239
opgericht en de reeds bestaande zooveel mogelijk voltallig ge-
maakt; — in Juni 1673 werd een nieuw regiment opgericht van
de overgeloopen Fransche soldaten. Wanneer alles voltallig was
en alle nieuwe regimenten waren aangekomen, dan zou — vol-
gens Valckenier — , de landmacht van de Republiek sterk zijn:
76000 man infanterie, 13942 ruiters en 2000 dragonders.
Dat die landmacht in 1673 ^^^^ ^^ sterkte heeft bereikt, is
echter zeer onwaarschijnlijk, daar uit alles blijkt, dat de wer-
vingen niet die uitbreiding verkregen hebben, welke men daaraan
wilde geven. De monsteringen, die van tijd tot tijd plaats had-
den, leverden telkens de bewijzen op van bedrog en misleiding
ten opzichte der ware sterkte der regimenten, van eene oneer-
lijkheid die wij heden ten dage moeielijk kunnen begrijpen
en die ons een ongunstig denkbeeld geeft van de toenmalige
officieren. Het schandelijke misbruik, van meer soldaten op te
geven dan er werkelijk aanwezig zijn en de daarvoor door de
regeering betaalde gelden zichzelf toe te eigenen, schijnt toen
zóó algemeen en zóó diep ingeworteld te zijn geweest, dat men
het ieder oogenblik noodig achtte, bepalingen daartegen te
maken; dat men zelfs soms met het kwaad in onderhandeling
trad: onder andere werd bij plakkaat van den 2 7 sten Augustus
1673 vastgesteld, dat elke compagnie infanterie, die voor 89 man
werd goedgedaan, 70 man moest sterk zijn, en elke compagnie
ruiterij, die voor 80 paarden werd goedgedaan, er 57 moest
hebben. Gedurig vindt men bij onze schrijvers van dien tijd
bijzonderheden over die zoogenaamde mortepaaien of passevolan-
ten: menschen die men, voor eenig geld, bij eene monstering als
soldaten deed optreden, om het ontbrekende getal aan te vullen.
De ontdekking van zulk een bedrog had wel is waar zware
straffen ten gevolge; maar juist dat het zoo dikwijls ontdekt
werd, bewijst dat het zeer algemeen werd gepleegd. Zij, die zich
bij eene monstering valschelijk als soldaten voordeden, werden,
was dit bedrog ontdekt, tot straf gedurende eenige jaren tot den
krijgsdienst gedwongen; soms werden geheele regimenten weer
ontbonden, omdat men ontdekte dat de wezenlijke sterkte verre
beneden de voorgeschrevene was gebleven; officieren, bevelheb-
bers van compagnieën, kolonels van regimenten werden om
zulk een ontrouw gestraft met cassatie, met gevangenis, geld-
boete, soms met den dood door beulshanden; zoo werd, onder
andere in 1673 een kolonel, een Brabandsch edelman, wegens
veelvuldige ontrouw in de administratie met het zwaard gestraft.
Om die redenen kan men dus als waarschijnlijk aannemen,
dat het Hollandsche leger in 1673 op lange na niet die sterkte
heeft verkregen, die het volgens Valckenier moest verkrijgen.
Maar men moet daarbij in aanmerking nemen, dat, buiten dit
Digitized by
Google
240 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
leger, ook nog de schutterijen en de geheele weerbare bevol-
king konden worden aangewend tot verdediging des lands. De
schutterijen van de meest bedreigde steden bleven daar; die
der overige plaatsen begaven zich naar de uiterste liniën. Zoo
leest raen dat in Februari 1673 uit Den Haag 3 compagnieën
burgers, ieder van 150 man, uit Delft 4 compagnieën, ieder van
120 man, evenzoo schutterijen uit Rotterdam, Dordt, Leiden^
Haarlem en andere plaatsen naar de HoUandsche waterlinie trok-
ken; dat de schutterijen uit Noord-Holland in bezetting kwamen
te Amsterdam, en schutterij uit laatstgenoemde stad zich te Mui-
den en te Weesp plaatste. Evenzoo vmdt men vermeld, dat toen
Holland gedurende den winter van 1672 — 1673 met een inval
van Luxembourg werd bedreigd, overal de vierde man onder
de wapens was geroepen ; zulk een algemeene volkswapening vindt
men ook aangewend door Rabenhaupt in Groningen; die volks-
wapening, die in Groningen de tiende man was, diende dan
hoofdzakelijk om de bezetting der versterkte punten te vermeer-
deren; en ieder man ontving daarvoor tdes weeks drie Hol-
landsche guldens."
Gelijktijdig met de uitbreiding van het leger, had raen er ook
voor gezorgd, verbetering en uitbreiding te geven aan de ver-
sterkingen en verdedigingslijnen, waardoor men kon hopen het
verder doordringen van den vijand te beletten.
Naar Friesland en Groningen werd, op het einde van April
1673, als opperbevelhebber gezonden graaf Maurits van Nassau;
om daardoor meer eenheid te brengen in de krijgsverrichtingen,
daar tusschen Aylva en Rabenhaupt — de beide bevelhebbers
in Friesland en Groningen — niet de beste overeenstemming
schijnt te hebben bestaan. De nieuwe opperbevelhebber nam
dadelijk de geschiktste maatregelen, om een inval te wederstaan
van de Munsterschen, die naar men vreesde weldra versterkt zou-
den worden door Turenne's leger. Het pas vermeesterde Coevorden
was door Rabenhaupt reeds voorzien van de noodige bezetting^
en van eenige maanden leeftocht ; het had dus weinig te duchten
van eene insluiting door den vijand. Evenzoo werd de Bourtange
verzekerd, het hooge land bij Helpen afgegraven om de verde-
diging van Groningen niet hinderlijk te zijn, en het geheele ge-
west van dien naam, door het stellen van de onderwaterzettingen^
gewaarborgd tegen eiken vijandelijken inval.
De krijgsmacht in Friesland werd versterkt door de komst van
het regiment van Bamphield en van een aantal compagnieën
ruiterij. Te Heerenveen werd een groote schans opgeworpen en
de verschillende toegangen tot Friesland zooveel mogelijk door
versterkingen afgesloten. Die verschanste linie begon aan de Zui-
derzee, aan de Kuinder; hier had men, door het afdammen van
Digitized by
Google
KRIJGSTOERUSTINGEN. 24 1
het riviertje de Linde, een onderwaterzetting gemaakt. De linie
liep van de Kuinder over Slijkenburg, het Oude Veer en het
Oude Verlaat naar de Blesbrug, altijd de Linde volgende. Van
de Blesbrug ging zij in noordelijke richting naar het riviertje de
Kuinder, naar de verschanste Schooterbrug ; de ruimte tusschen
de Linde en de Kuinder werd nog afgesloten door eene schans
te Borkaf of Beekhof. Van de Schooterbrug liep de linie, over
de Bunsterschans, op Gorredijk, en van daar verder over de
schansen bij Breeberg en den Zwartendijk, waar zij tegen de
Groningsche linie aansloot.
Dus was, zooals dit bij ónze schrijvers voorkomt, de richting
van de versterkte linie, die in 1673 Friesland dekte; volgens de
opgaven van die schrijvers waren de hier opgenoemde punten
van die linie alle behoorlijk voorzien en volkomen versterkt.
Maar, in hoever die verschillende punten onderling goed waren
verbonden; in hoever zij, door onderwaterzetiingen, tegen om-
trekkingen waren beveiligd ; in hoever, onder anderen, het hooge
terrein aan weerszijden van de schans bij Breeberg goed voor
verdediging vatbaar was; dit wordt niet gezegd, daaromtrent
laten die schrijvers ons onkundig. Het is dus moeielijk om met
juistheid te oordeelen over de meerdere of mindere sterkte van
die Friesche linie.
Evenals bij de noordoostelijke gewesten, werd ook onvermoeid
gearbeid aan het versterken van de Hollandsche grenzen. Niet
alleen de verschillende plaatsen aan die grenzen gelegen, maar
zelfs de binnensteden werden zooveel mogelijk in staat van ver-
dediging gebracht; zoo leest men onder andere dat 's Graven-
hage gedurende dezen winter met eene palissadeering werd om-
geven, waartoe men de boomen van de Koekamp gebruikte;
soortgelijke voorzorgen nam men ook bij andere binnensteden.
De Hollandsche waterlinie verkreeg dag aan dag grooter sterkte;
Muiden en Weesp werden tot sterke vestingen gemaakt, de
posten langs de Vecht gedurig meer bevestigd, te Nieuwersluis
in Mei 1673 ^^^ schans opgeworpen, de forten bij de Nieuwerbrug
hersteld, en door het bevestigen van Alphen en van den post aan
de Goudsche Sluis, dit gedeelte der linie zóó sterk gemaakt, dat
men daar — volgens de uitdrukking van een onzer schrijvers —
>met een paar duizend man een leger van honderd duizend zou
kunnen afwijzen." Gorkum, Schoonhoven, Gouda en Oudewater,
werden evenzoo van nieuwe verdedigingsmiddelen voorzien. In
de maand April deed de veldmaarschalk Wirtz een inspectie-
reis langs de geheele Hollandsche linie en vond haar toen in
den besten en geduchtsten toestand.
Toen de volgende maand ook Nieuwersluis bezet en ver-
schanst werd, bestond de waterlinie uit de volgende punten:
WILLEM III. — I. 16
Digitized by VjOOQIC
242 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Muiden, Weesp, de Uitermeersche Sluis, de Hinderdam, Kronen-
burg, Nieuwersluis ; hier verliet de linie den Vechtstroom en
wendde zich over Wilnis, den Uithoorn en het Woerdensche Ver-
laat naar den Rijn, naar de Nieuwerbrug; de andere posten
waren ; Oudewater, Gouda, Schoonhoven, Nieuwpoort en Gorkum ;
door Loevestein had men een vast punt in de Bommelerwaard;
door Woudrichem was men in verband met Noord- Braband. —
De Hollandsche linie kon, zoodra de winter had opgehouden,
beschouwd worden als onaanvalbaar.
De zeeplaatsen waren evenzoo met den meesten ijver in staat
van verdediging gebracht, om eene mogelijke landing van den
vijand te kunnen weerstaan; vooral had men die voorzorgen ge-
nomen voor de provincie Zeeland, waarvan het zuidelijk gedeelte
— Staats-Vlaanderen — ook blootstond aan de invallen van
de Fransche legermacht. De verschillende versterkte punten, die
zich toen in zoo grooten getale bevonden op die smalle strook
gronds ten zuiden van de Wester-Schelde, waren genoegzaam
bezet, voorzien van krijgsvoorraad en levensmiddelen en daar-
door moeielijk aan te vallen. In April 1673, toen het gevaar
van eene landing van het Engelsche leger in Zeeland meer
dreigend werd, zond men Wirtz met 6 regimenten infanterie en
kavalerie daarheen; die bevelhebber trok later, in Staats-Vlaan-
deren, eene macht bijeen van een 8000 man, waarbij zich een
duizend man Spaansche troepen aansloten.
Van Noord-Braband was het grootste gedeelte in het bezit
van de Republiek gebleven; eigenlijk had de vijand daar geen
andere vesting dan het sterke Grave; daar — zooals vroeger is
gezegd — Ravestein, Crèvecoeur en Engelen wijselijk door de
Franschen werden ontruimd. De verschillende vestingen, door het
Hollandsche leger bezet, waren niet meer in den verwaarloosden
toestand, waarin zij bij het uitbreken van den oorlog verkeerden ;
integendeel, zij waren nu in staat om langen tijd het hoofd te
bieden aan sterke vijandelijke legers. Er wordt gewaagd van
onderwaterzettingen in de nabijheid van *s Hertogenbosch ; maar
voor het overige blijkt niet, dat toen die inundatiën werden
aangewend, die in latere dagen de Noord-Brabandsche water-
linie zijn genoemd. Altijd de gemeenschap open houdende met
Holland en Zeeland, was het gedeelte van Noord-Braband dat
de Republiek in bezit had, van zeer hoog belang, omdat het
gemakkelijk was te verdedigen en omdat Willem III déër het
Hollandsche leger kon bijeentrekken, als hij aan vallen derwijze
wilde doordringen in de Spaansche Nederlanden. — Maastricht
en Venlo waren nog altijd in het bezit van de Republiek en
genoegzaam bezet en voorzien; maar door den toestand van de
Digitized by
Google
KRUGSVERRICHTINGEN IN DE N.0. PROVINCIËN. 243
oorlogvoerende partijen zoo goed als geheel afgesneden en over-
gelaten aan eigen krachten.
Ziedaar den toestand, waarin zich de verdedigingsmiddelen van
Holland bevonden bij den aanvang van het jaar 1673; die toe-
stand was van dien aard, dat men met grond kon hopen, een
goede verdediging te zullen voeren. Daartoe wilde Willem III
zich dan ook bepalen, — ten minste in de eerste maanden van
het jaar; hij wilde eerst afwachten wat de vijand zou onder-
nemen, waarheen die legermacht zou trekken die Lodewijk XIV
aan de noordelijke grenzen van Frankrijk verzamelde, wat er
zou worden van de door den vijand beoogde landing in Hol-
land of Zeeland. Eerst wanneer het gevaar van die landing was
afgewend, eerst wanneer men bekend was met hetgeen het leger
van den Franschen Koning wilde ondernemen, eerst ddn wilde
de Stadhouder tot den aanval overgaan; — tot op dien tijd zou
hij den oorlog verdedigend blijven voeren.
Het Fransche leger in Holland had den Munsterschen bisschop
als hulp bij zijne operatiën; maar de tegenspoeden, door dien
vorst het vorige jaar ondervonden, hadden zijne macht zoozeer
geknakt, dat Luxembourg en Condé geen krachtdadigen steun
van zijne zijde ondervonden. De krijgsverrichtingen in de noord-
oostelijke gewesten van ons land waren dan ook niet van be-
langrijken aard.
Coevorden, op het einde van 1672 door de Hollanders ver-
oaeesterd, was dadelijk van eene bezetting voorzien, sterk ge-
noeg om elke poging te verijdelen, die de Munsterschen waar-
schijnlijk zouden beproeven om de verlorene vesting te her-
nemen. Er hadden verschillende kleine gevechten plaats in de
omstreken van Coevorden; deels ontstaande door de aanslagen
van de Munsterschen op de daarheen uit Groningen gezonden
konvooien; deels door de wederzijdsche strooperijen en aanvallen
op verschillende kleine versterkte posten; — zoo werd, in de
maand Mei, het huis te Gramsbergen, tusschen Coevorden en
Hardenberg, door de Bisschoppelijke troepen vermeesterd. De
inneming van dien, door slechts 36 man bezetten post was op
zich zelve een gebeurtenis zonder eenig belang; maar de Mun-
stersche bisschop trok daarvan partij, om de herneming van
Coevorden te beproeven. Die vesting te belegeren of te doen uit-
hongeren, meende hij, zou moeielijk gaan; maar hij wilde haar
door watersnood tot de overgave dwingen: hij wilde de Vecht
afdammen en door het wassende water Coevorden met een wis-
sen ondergang bedreigen, wanneer het zich niet wilde overgeven.
Met dat inzicht werd, tusschen Gramsbergen en het dorp Ane,
Digitized by
Google
244 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
een dam door de Vecht aangelegd, die gedurig verlengd, ver-
breed en verhoogd, eindelijk eene lengte verkreeg van bij de
2 mijlen, eene breedte van 15 ^ 18 el en eene hoogte van 4 a
5 el. Die dam werd door een aantal schansen verzekerd, goed
bezet en met een 60 stukken geschut bewapend.
Weldra bracht het afgedamde water, vermeerderd door zware
regens, de vesting Coevorden in groote ongelegenheid. Het water,
steeds hooger wordende, kwam gedurende den zomer tot in de
straten der stad, zoodat men den in de magazijnen aanwezigen
voorraad op de zolders moest bergen. Eijbergen, de bevelhebber
der vesting, dien treurigen toestand van zaken aan Rabenhaupt
meldende, verzocht te meer om hulp, omdat er bericht was
ingekomen, dat de Munstersche bisschop een groot aantal schui-
ten had vereenigd, — 400, zegt eene der opgavcfn; maar het
getal is wat te groot om waarschijnlijk te zijn: vierhonderd
schuiten in Drente! — om daarmede een aanval op Coevorden
te beproeven.
Gedurende dien tijd hadden er, aan de zijde van Friesland,
onbeduidende bewegingen en gevechten plaats. Hautain, een der
onderbevelhebbers van den Munsterschen bisschop, kwam meer
dan éénmaal de posten van de Friezen — vooral naar de zijde
van de Blesbrug — verontrusten; wat dan aanleiding gaf tot
schermutselingen. Den 2en Juli bad er, nabij Staphorst, een vrij
ernstig kavalerie-gevecht plaats. Graaf Maurits, al de ruiterij van
Friesland vereenigd hebbende, — hoeveel dit was, wordt niet
gezegd — voegde daarbij 8 compagnieën ruiters uit Groningen,
6 compagnieën dragonders van den overste Brant, 400 muske-
tiers en 4 veldstukken van 12 %* en marcheerde met die ver-
eenigde macht — de musketiers werden op wagens vervoerd —
op Staphorst; hier ontmoette hij den Munsterschen generaal Post,
aan het hoofd van 3 regimenten ruiterij en i regiment dragon-
ders; de Munsterschen werden geslagen en verloren nagenoeg
honderd man, terwijl hun aanvoerder, zwaar gewond, in handen
van de overwinnaars viel.
Bij dit gevecht, — waaraan behalve graaf Maurits verschil-
lende bevelhebbers, Aylva, Obdam, Van Haren, Mompouillan,
Brant en anderen, persoonlijk deelnamen — merkt men op, dat
de ruiterij, alvorens tot de charge over te gaan, weer eerst ge-
bruik maakte van hare vuurwapens; eene handelwijze die, hoe
strijdig ook met den geest der kavalerie-takliek, toch in die
dagen algemeen aangenomen was en zelfs bij enkele kavalerie-
gevechten van ónze eeuw nog is voorgekomen; — infanterie en
artillerie der Hollanders kwamen niet in werking en schijnen dus
enkel als reserve voor de ruiterij te hebben moeten dienen. Voor
het overige leverde dit gevecht bij Staphorst geen andere uit-
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN IN DE N.O. PROVINCIËN. 245
komsten op^ dan dat daardoor een einde werd gemaakt aan
'svijands kleine aanvallen op de posten die Friesland dekten.
Dit voordeel bij Staphorst werd, kort daarop, door een grooter
nadeel opgewogen. Den 2osteri Juli deed graaf Maurits nogmaals
een poging om zich meester te maken van Zwartsluis ; maar ook
ditmaal mislukte de aanslag, doordien Munstersche en Fransche
troepen spoedig, van de zijde van Zwolle, Hasselt en Steenwijk,
de bedreigde stad te hulp kwamen. Het schijnt dat het voor-
nemen tot dien aanslag bekend was geworden aan den vijand,
deze eene sterke macht had vereenigd om dien te verijdelen, en
de Friezen niet genoegzaam bekend waren met de verdedigings-
middelen van Zwartsluis, die veel sterker waren dan men zich
voorstelde. Het regiment van den overste Grim, dat den Has-
seltschen dijk had bezet en verschanst, bezweek daar voor de
woedende en herhaalde aanvallen der vijandelijke troepen, waar-
onder voornamelijk Chamilly's regiment wordt genoemd; de
dijk verschansing, niet van geschut voorzien, werd eindelijk door
den vijand vermeesterd, en Grim viel, dapper strijdende, in han-
den der overwinnaars; deze drongen toen door tot Zwartsluis en
dwongen daardoor graaf Maurits eene onderneming op te geven,
die hem, naar het schijnt, een aanzienlijk verlies veroorzaakte.
In Groningen was Rabenhaupt, in de maand Juni, overgegaan
tot de belegering van de Langakkerschans, langen tijd alleen
ingesloten; den loen Juni vereenigde hij voor die sterkte de
geheele ruiterij en een groot gedeelte der infanterie uit Groningen,
met eenige kanonnen en 4 mortieren. De Boonerschans werd
het eerst door hem bemachtigd, met gering verlies. Herhaalde
pogingen van den vijand om de Langakkerschans te hulp te
komen, werden door Rabenhaupt verijdeld; zoo werd den sQsten
Juni eene afdeeling van 3 a 4000 Munsterschen, die, onder Nagel,
tot ontzet oprukte, door den HoUandschen bevelhebber terug-
geslagen met een verlies van eenige honderd man. Den 22stcn
Juli werd eindelijk de schans door de Groningers bestormd en
genomen, waarbij een groote vierhonderd man der bezetting
krijgsgevangen werden gemaakt.
De benarde toestand waarin Coevorden was gebracht, maakte
het intusschen dringend noodzakelijk, die vesting te hulp te
komen ; en de Stadhouder schreef uit Holland aan zijne onder-
bevelhebbers in Friesland en Groningen, dat men daartoe alle
mogelijke krachten moest inspannen. In het hoofdkwartier van
graaf Maurits, te Heerenveen, werd een krijgsraad belegd, waar-
aan, behalve de graaf, deelnamen Aylva, Rabenhaupt, de kolonel
Van Haren en Scheltingu, een Friesch afgevaardigde van den
Digitized by
Google
246 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Raad van State. In die vergadering werd besloten, dat de door
de Munsterschen bezette dam in de Vecht moest worden ver-
meesterd en doorgestoken: en dat, tot dit einde, Rabenhaupt
met al zijn infanterie en kavalerie en met 20 stukken geschut,
over Assen naar Dalem zoude marcheeren ; en graaf Maurits, ook
met al zijne beschikbare macht, gelijktijdig over de Ommer-
schans in dezelfde richting moest trekken; de ruiterij van den
graaf zou echter achterblijven bij het huis te Ruinen, deels om
de kolonne in den rug te dekken tegen aanvallen van de zijde
der vijandelijke bezetting van Steenwijk, deels ook omdat de
moerassige weg langs de Ommerschans niet te gebruiken was
voor ruiterij. Tegelijkertijd zou Eijbergen van Coevorden uit met
een 14 of 15 van geschut voorziene vaartuigen aanvallen op den
dam bij Gramsbergen.
Maar die poging tot ontzet van Coevorden kwam niet tot uit-
voering, dewijl zij onnoodig werd. Een sterke oostenwind, gerui-
men tijd aanhoudende, had het opgezette water tegen den dam
aangedreven en dien eindelijk, den isten October, op drie
plaatsen doen doorbreken. Die doorbreking had zoo onverwachts
plaats, dat, naar men beweert, eenige honderden Munstersche
soldaten door de golven werden verzwolgen. Ook de verschan-
singen in de nabijheid van den dam werden daardoor gedeeltelijk
vernield; en het naar de beneden-Vecht wegstroomende water
bevrijdde Coevorden nu van alle gevaar. Nog eenige dagen
bleven de Munsterschen daar stand houden, den schijn aan-
nemende alsof zij de breuken in den dam weer wilden dichten
en de verschansingen herstellen ; spoedig echter zag men in, dat
die arbeid te zwaar was en te weinig hoop aanbood op goed
gevolg. De onderneming tegen Coevorden werd toen opgegeven;
de Republiek bleef in het bezit van die vesting, die — zooals
reeds meermalen is opgemerkt — toen als zeer gewichtig werd
beschouwd: >Coevorden*' — zoo schrijft Valckenier in zijn ge-
tabberden stijl — >is een poort van het landschap Drenthe; een
sleutel van Groningen en deszelfs Ommelanden; eene deur van
geheel Vriesland, en eenigermate een pas naar Overijssel." — Het
ontbrak den schrijver zeker aan middelen om die beeldspraak
voort te zetten, anders zou hij denkelijk ook wel gezegd heb-
ben wat Coevorden was voor de andere gewesten der Republiek.
Na dat ontzet van Coevorden poogde de Munstersche bisschop,
op het einde van October, nog een inval in Friesland te doen;
dit mislukte echter. Hiermede eindigen de krijgsverrichtingen in
de noordoostelijke gewesten van ons land; om den draad van
het verhaal niet af te breken zijn die krijgsverrichtingen hier
doorloopend vermeld, voor het geheele jaar 1673; thans volgt een
korte opgave van wat er, in de eerste helft van dat jaar, bij het
eigenlijke Holland bijzonders is voorgevallen.
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN IN HOLLAND. 247
Het is onnoodig hier te vermelden, al die kleine krijgsver-
richtingen over dit tijdvak, waarmee de werken van onze oudere
schrijvers zijn opgevuld; en waarbij zij, — denkelijk wel met
overdrijving — de voordeelen vermelden, door de Hollandsche
troepen op hunne vijanden behaald. Opmerking verdient, dat
die partijgangers-oorlog gedurende den winter van 1672 — 1673
soms op schaatsen werd gevoerd, zoodat de oefening in het
schaatsenrijden wel degelijk van nut kan zijn voor den Holland-
schen soldaat. De lang aanhoudende vorst bracht Willem III
op het denkbeeld, op zijn beurt daarvan partij te trekken en
over de vastgevrorene inundatiën den .vijand te Utrecht op te
zoeken en aan te vallen; in Februari werden met dat doel te
Alphen 18 regimenten infanterie, nagenoeg een 12000 man, be-
nevens ruiterij en geschut, vereenigd; de invallende dooi maakte
echter dat deze onderneming niet tot uilvoering kwam.
Het oprukken van nieuwe Fransche troepen naar Holland ; de
komst van Condé, die den istep Mei Utfecht bereikte, en daar
van Luxembourg het opperbevel overnam ; de zekere tijding dat
Lodewijk XIV zijn hof te Saint-Germain had verlaten, om zich
aan het hoofd te stellen van het sterke leger, dat aan Frankrijk's
noordelijke grenzen bijeentrok; — dit alles bedreigde Holland
met een nieuwen en geduchten aanval des vijands, en maakte
het daarom tot plicht, zich vooreerst uitsluitend tot de ver-
dediging te bepalen. Vooral was dit ook daarom zaak, omdat
de groote toerustingen ter zee van Frankrijk en Engeland ons
met een landing bedreigden, die, zooals de stand van zaken toen
was, de gevaarlijkste gevolgen kon hebben voor de Republiek.
Veel, zoo niet alles, hing dus in dezen tijd af van De Ruy-
ter's vloot; en, om Neerland's vlotelingen tot buitengewone dap-
perheid aan te sporen, sprak de Stadhouder hen aan, op een
wijze die zoozeer zijn heldenziel kenmerkt, dat het goed is
die aanspraak hier op te nemen ; zij is vervat in een brief aan
den admiraal De Ruyter. Ziehier dien brief, in zijn geheel, met
al die dwaze basterdwoorden die toen onze taal ontsierden; in
weerwil daarvan, moet men de krachtige welsprekendheid be-
wonderen, die in dien brief doorstraalt; er zijn uitdrukkingen in,
die Napoleon, die Nelson niet beter zouden hebben gekozen;
woorden, die niemand koel laten:
• Edele, Gestrenge, Vrome, Lieve, Bijzondere!
Wij hadden gewenscht dat de zaken van het Land ons hadden
gelaten de faculteit, om ons naar 's Lands vloot te vervoegen, en
het vergenoegen te hebben, daar bij een te zien zoo veel eerlijke
Patriotten, die cordatelijk de hand aan het werk slaan, om het
Vaderland tegen vijandelijk geweld te helpen dekken. De aan-
zienlijke zeemagt, welke ten dien einde bij een werd gebragt, is
Digitized by
Google
248 KRIJGS- EN OeSCHlEOKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
een van de noodige en considerabele middelen, die tot behou-
denis van den Staat aangewend werden, en is diensvolgens te
hopen, dat die aanmerking nieuwe vigueur zal geven aan de
courage van diegenen, die de eer hebben van dat ze aan haar
werd toevertrouwd. De oogen en de harten van alle ingezetenen
van het Land, ja van de gansche Christenwereld, zijn daar heen
.gewend, en observeren met groote reflexie, hetgeen met dezelve,
voorzigtelijk en kloekmoediglijk, of anders, zal worden onder-
nomen en uitgevoerd. En ware het over zulks van de uiterste
infamie, dat iemand aan zijnen pligt zou ontbreken, op zoo door-
luchtig een tooneel; wij verwachten zulks niet, maar integendeel,
dat door het vooriigtig en kloek beleid van UE. en van die-
genen die bij hem zijn, in deze gevaarlijke conjuncture, een
nieuwen luister aan de eer, bij onze natie ter zee bevothten,
onder Gods zegen, zal worden toegebragt, en dat zij oorzaak
zullen hebben om haar te verblijden, en wij mét haar van ge-
zegende instrumenten te zijn geweest tot het bewerken van een
goede uitkomst in onze goede zaak.
Wij zullen betrachten dat diegene die haar loffelijk zullen
hebben gekweten dankelijk zullen beloond en gevorderd worden,
en dat geene extraordinaire goede actiën blijven zonder extraordi-
naire vergelding. UE. gelieve alle die onder de vlagge zijn, van de
meeste tot de minste, des te verzekeren, en te gelijk een ieder
in te scherpen, dat geen hoop van ongestraft heid overig zal zijn
aan diegene die buiten verwachting haar aan eenige wande-
voiren zouden mogen schuldig maken; wezende de serieuse in-
tentie van de Heeren Staten, en de mijne, dat tegen de zoo-
danigen de verdiende straffe, volgens de rigueur van den
Artikelbrief, en andere orders van het Land, zonder eenige de
minste conniventie, exactelijk en promptelijk zal worden geëxe-
cuteerd. Zoo dat aan diegene die zich lafhartig, en anders als
een braaf soldaat en zeeman, voor den vijand zal dragen, niets
zoo gevaarlijk zal zijn als de havenen van den Staat, daar hij
niet zal kunnen ontgaan, noch de straffe hand van de Justitie,
noch de vloek en de haat van zijn medeburgers, die op hem zal
vallen en blijven. Wij belooven ons dat niemand en zal willen
vallen in zoodanig een verderf, maar dat een ieder met loffelijken
ijver en gemoed in deze importante tijden zich extraordinaris
zal evertuëren, en dat God uit den Hemel hetzelve zal zegenen,
ten beste van het Vaderland, en tot onsterfelijke eere aan die-
genen die hetzelve trouwhartiglijk gediend zullen hebben. Ik
bidde God, UE. en alle die bij hem zijn, te houden in Zijn
heilige protectie.
UE. Goedw. vriend,
G. Prince d'Orange.
In 's Gravenhage, den 22 Mei 1673."
Digitized by VjOOQIC
KRIJGSVERRICHTINGEN IN HOLLAND. 249
Zeker, in dien brief staan enkele, ons vreemd voorkomende
woorden of uitdrukkingen; maar niemand mag daarbij blijven
stilstaan of de krachtige kern miskennen, omdat het omhulsel
misschien minder behaaglijk is. Neen, ieder die het hart op de
rechte plaats heeft, zal erkennen, dat dit de taal is van een held,
van een groot man; dat die taal tot groote daden moet aan-
sporen, helden moet kweeken. Wanneer de Stadhouder aan de
wapenbroeders van De Ruyter toeroept, >dat de oogen en de har-
ten van alle ingezetenen van het land, ja van de gansche Chris-
tenwereld, naar *s lands vloot gewend zijn," moet dit dan niet
evenveel indruk hebben gemaakt, als toen Napoleon zeide: >Sol-
dats, du haut des Pyramides quarante siècles vous contemplent"?
Toen Nelson, bij Trafalgar, zijnen vlotelingen toesprak: «Engeland
verwacht dat ieder zijn plicht zal doen," herhaalde hij bijna
de woorden des Stadhouders: >en ware het over zulks van de
uiterste iofamie, dat iemand aan zijn pligt zou ontbreken, op
zoo doorluchtig een tooneel"; — en geen Romeinsch veldheer
heeft ooit op straffer, indrukwekkender toon gesproken, dan
Willem III, toen hij den lafaard 's lands havens als de gevaar-
lijkste wijkplaatsen voorstelde, >daar hij niet zal kunnen ontgaan,
noch de straffe hand van de justitie, noch de vloek en haat van
zijne medeburgers, die op hem zal vallen en blijven."
Het is bekend, hoe onze waterleeuwen aan die taal van den
Stadhouder hebben beantwoord, en met welk een onbezweken
dapperheid zij de kusten van Holland bleven beschermen. De
Noordzee was dit jaar weer driemaal getuige van een zeeslag:
den yen Juni, den i4en Juni en den 21 sten Augustus; tot drie-
maal toe kwam de vlag der Republiek weer in zegepraal terug
uit dien strijd; tot driemaal deed De Ruyter de vereenigde
Koningsvloten voor de HoUandsche zeemacht vluchten en ver-
stuiven.
De komst van Condé te Utrecht, en het bijeentrekken van
Fransche troepen te 's Graveland en in de nabijheid van Muiden,
schenen het voornemen des vijands aan te kondigen^ om iets te
ondernemen tegen de HoUandsche waterlinie. Oranje, die linie
zooveel mogelijk willende waarborgen tegen eiken aanval, besloot
om haar nog sterker te maken, ook bij Nieuwersluis post te
vatten. Daartoe liet hij bij Weesp een aantal uitleggers en andere
vaartuigen bijeen brengen; en den i3en Mei, daar in persoon
aangekomen, deed hij op den avond van dien dag den kolonel
Stokhem met een 1600 man infanterie en een duizendtal boeren
naar Nieuwersluis trekken; in den ochtend van den i4en kwam
dit detachement daar aan, en vond daar een kleine Fransche
afdeeling, die echter dadelijk aftrok. De Hollanders begonnen
zich oogenblikkelijk te verschansen, en hadden in een paar
Digitized by
Google
250 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
dagen tijds den post in een zeer goeden staat van verdediging
gebracht; die arbeid geschiedde onder bescherming van het
kanonvuur der uitleggers, en onder kleine gevechten die de be-
dekkende infanterie aan den vijand leverde; bij een dier ge-
vechten sneuvelde de kapitein Tout Ie Monde, een Hollandsch
officier, die zich door zijn onverschrokken moed in dezen oorlog
een naam had gemaakt. — Condé en Luxembourg kwamen met
een 4000 man te Breukelen, maar vonden de schans te Nieu-
wersluis reeds te ver gevorderd om die te durven aanvallen; zij
bepaalden zich toen tot het versterken van Breukelen.
De ongeduldige, vurige geest van Condé liet hem niet toe
werkeloos te blijven; en hij besloot eene poging te beproe-
ven om de HoUandsche waterlinie te doorbreken. Veel beleid
aan de zijde des Franschen veld heers kan men hierbij echter
niet opmerken; en het eenige waarmede men zijne handelingen
kan verschoonen, is, dat er eigenlijk niets beters of eigenlijk niets
goeds kon ondernomen worden tegen den geduchten slagboom
die Holland beschutte.
Eerst werd door de Franschen beproefd, het water dat aan
de oostzijde van de Vecht op het land stond en dat hun de
nadering tot Muiden bemoeilijkte, af te leiden en in de Zui-
derzee te doen afloopen; tot dat einde werd de zeedijk door-
stoken en daar eene sluis in gelegd om het zeewater te keeren
bij hoog water, en bij laag water de inundatie van de Vecht te
laten afloopen ; tevens damde men bij Utrecht de Vecht af, als-
ook de verschillende trekvaarten, die water naar de beneden-
Vecht konden aanvoeren. Spoedig echter kwamen de Fransche
bevelhebbers tot de overtuiging, dat dit door hen aangewende
middel zeer weinig hielp, daar, terwijl zij het water in de Zui-
derzee lieten afloopen, de Hollanders door de Uitermeersche
sluis het zeewater weer binnen lieten ; — het was het omgekeerde
van het vat der Danaïden.
Toen men het ijdele had ingezien van dit aanvalsmiddel, ging
men over tot een soort van belegering van Muiden; een soort
van belegering, — want het bleef bij het maken van eenige
loopgraven en het aanleggen van eenige batterijen; daar men al
spoedig weer de ondoenlijkheid inzag, om een vesting aan te
vallen, die men volstrekt niet kon insluiten, die men slechts over
een smallen dijk kon naderen, en waar men onophoudelijk bloot-
gesteld zou zijn aan het frontvuur uit de vesting, en aan het
flank vuur uit de met geschut voorziene vaartuigen op de Zuider-
zee en op de onderwaterzettingen.
De Muiderberg, een hoogte aan de Zuiderzee tusschen Naar-
den en Muiden, werd in het begin van Juni door Condé met
een aanzienlijke macht bezet en dadelijk verschanst. Van hier
Digitized by
Google
KRIJGS VERRICHTING EN IN HOLLAND. 25 1
gingen de Franschen in loopgraven vooruit tot bij de Hakke-
laarsbrug^ waar zij aan een soort van parallel en aan batterijen
arbeidden. Die arbeid werd bijzonder vertraagd, eensdeels door
het vuur eener groote contrebatterij, door de Hollanders opge-
worpen aan de andere zijde van de Hakkelaarsbrug ; anderdeels
door het geschut van een aantal uitleggers, op de Zuiderzee -en
het Naarder-Meertje geplaatst. De kanonnade werd van weers-
zijden eenige dagen voortgezet, maar tot groot nadeel van de
Franschen, wier aanvalswerken gedurig vernield, wier geschut
gedurig tot zwijgen werd gebracht. Dit was toe te schrijven, èn
aan de groote overmacht van de Hollandsche artillerie, èn aan
hare voordeelige, den vijand omringende stellingen, èn ook
daaraan dat aan de Hollandsche zijde zware kalibers in werking
kwamen, en Condé niets dan veldgeschut had. De Fransche be-
velhebbers staakten dan ook spoedig eene onderneming, die zij
verstandiger gedaan hadden, niet te beginnen. De Muiderberg
werd in het begin van Juli door Condé ontruimd.
Rousset is onbeduidend en onvolledig over die krijgs ver rich-
tingen in Holland, in de eerste helft van 1673; ^an die onder-
neming op Muiden gewaagt hij met geen enkel woord; wat hij
over die krijgsverrichtingen zegt, bepaalt zich tot het volgende
{Histoire de Louvois^ V deel, blz. 450 — 451):
• Wendde hij" (Condé) >zijn blik naar 's vijands zijde, dan gaf
hem dit even weinig bevrediging. De onderwaterzettingen had-
den eene verbazende hoogte bereikt, zij waren hooger dan in
1672; alle posten waren goed versterkt, goed bezet, ondersteund
door gewapende vaartuigen en kanonneerbooten. Aanvallen durf-
den de Hollanders toen niet; maar hun verdedigingsvermogen
was ontzagwekkend. Verveling maakte zich meester van de
Fransche troepen, die ook in sterkte afnamen door slechte voe-
ding; er was gebrek aan vleesch; de soldaten, die niet in be-
zetting lagen in de steden, waren in letterlijken zin op water en
brood : velen deserteerden. Dat belet niet dat als de gelegenheid
zich opdeed — ongelukkig te weinig — zij vaardig waren om
hunne mismoedigheid te verzetten ten koste van den vijand.
£r hadden enkele stoute en schitterende wapenfeiten plaats;
dit onder andere: een Hollandsch oorlogsfregat dat in de Zui-
derzee kruiste, zond, om versch water te halen, een sloep naar
de kust af; eenige ruiters reden toen stoutmoedig in zee, door-
stonden het vuur van hare twee kanonnen, ver meesterden de sloep
en staken haar in brand, onder het vuur van het fregat en van
andere sloepen, die vruchteloos bijstand poogden te bieden..."
Dit komt voor in een brief van Condé aan Louvois, van den
i6en Juni 1673. Wat is hiervan waar? — het doet denken aan
dat fabeltje, van het nemen van onze oorlogsschepen door Fransche
huzaren in 1795. ^Ü ^^^^ schrijvers komt niets voor van dit
Digitized by
Google
252 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
wapenfeit van Condé's ruiters in 1673; het waarschijnlijkste is
wel, dat, wanneer er al iets van waar is, het toch niet zóó is
voorgevallen als bij Rousset is vermeld.
HOOFDSTUK IX.
BELEG VAN MAASTRICHT; ONTBINDING VAN HET LEGER
VAN LODEWIJK XIV.
Terwijl dus Holland's sterke grenzen elke poging van den
aanvaller verijdelden, was gelijktijdig een groote grensvesting van
de Republiek door den Franschen koning aangevallen; en niets
bewijst meer dan dit beleg van Maastricht de veel hoogere
waarde van de natuurlijke verdedigingsmiddelen van ons land
boven de vestingen die alleen aan de kunst hare sterkte ont-
leenen: terwijl de eerste, niet een korte poos maar voortdurend,
een vijandelijk leger tegenhouden, bezwijken de laatste, hoe
dapper ook verdedigd, na weinige weken tegenover de hulpmid-
delen welke de belegeringskunst den aanvaller oplevert.
Alvorens dat beleg van Maastricht te behandelen, moet met
een enkel woord worden gewaagd van Turenne's handelingen in
de eerste helft van het jaar 1673.
Die veldheer had, — zooals reeds gezegd is — naar de Wezer
vooruitrukkende, door zijne stoute handelingen den keurvorst
van Brandenburg genoopt vrede te sluiten met Frankrijk. Tu-
renne was daarop, in de laatste dagen van April, naar den
Rijn teruggekeerd. Op het einde van Mei zond de Fransche
veldheer eene afdeeling van 4000 man voetvolk en 3000 ruiters
naar de zijde van Maastricht, om mede te werken tot de inslui-
ting en het beleg van die vesting ; met het overige van zijn leger
— 12000 man infanterie en 4000 ruiters — nam Turenne, in
Juni, stelling bij de Lahn; eene gierbrug te Bonn maakte de
gemeenschap uit tusschen zijn leger en dat van Lodewijk XIV
voor Maastricht. Toen in het begin van Juli, na de inneming
van Maastricht, de door Turenne afgezondene afdeeling zich
weer bij hem had gevoegd, drong die veldheer weer dieper in
Duitschland door, en noodzaakte het Keizerlijke leger Fran-
kenland te ontruimen en op Bohemen terug te gaan ; hier echter
kreeg dit leger versterkingen, en een aanvoerder die in bekwaam-
heid Turenne eenigszins nabijkwam. — Hoe daardoor de Kei-
zerlijken op hunne beurt aanvallend te werk gingen, zal later
worden gezegd; hier volsta het om kortelijk aan te duiden wat
Digitized by
Google
BELEG VAN MAASTRICHT. 253
de verrichtingen zijn geweest van Turenne's legermacht tot op
het einde van Augustus 1673.
Den isten Mei 1673 had de Fransche Koning zijne hofplaats
Saint Gerinain verlaten, en zich gesteld aan het hoofd van het
40000 man sterke leger; 's Konings broeder, de hertog van
Orleans, voerde onder hem het bevel. Dit leger trok, evenals
vroeger, de Spaansche Nederlanden binnen, zonder dat er toen
reeds eene oorlogsverklaring had plaats gehad tusschen Frankrijk
en Spanje. Maar de toestand van oorlog bestond reeds lang tus-
schen die beide Rijken; Frankrijk ontzag de onzijdigheid van
het Spaansche grondgebied niet in het minst; en Spanje onder-
steunde onze Republiek op eene openlijke wijze.
De marsch ging eerst langs de Lijs. Den 15611 Mei was het
leger te Kortrijk ; van daar trok men verder in noordelijke rich-
ting, en den 24sten was de hoofdmacht tusschen Deinze en Gent.
Er werden bruggen geslagen over de breede vaart tusschen Gent
en Brugge, en den 26sten Mei ging Orleans daarover, met eene
macht, die volgens sommige opgaven 9 k 10 000 man, volgens
andere slechts 4000 man sterk was, en trok daarmede naar Staats-
Vlaanderen, op Sas van Gent.
Naar de opgaven van onze schrijvers had die beweging ten
doel het vermeesteren van Sas van Gent, waarbinnen de Fran-
schen meenden verstandhouding te hebben; toen echter die toe-
leg mislukte, trok Orleans den aSsten Mei weer achter de Gent-
sche vaart terug. Het geheele Fransche leger brak den volgenden
dag op, ging de Lijs en de Schelde over en marcheerde over Aalst
op Brussel; den 2eQ Juni was het nabij laatstgenoemde stad.
Lodewijk XIV nam den schijn aan, alsof hij die hoofdstad der
Spaansche Nederlanden wilde belegeren, en bleef een paar dagen
in hare nabijheid vertoeven; de Fransche schrijvers zeggen, dat
die bedreiging en de vroegere beweging naar Staats- Vlaanderen
geen ander doel hadden dan den vijand te misleiden, en het
voornemen om Maastricht te belegeren te verbergen.
Spoedig werd de tocht naar die stad ondernomen; reeds den
6en Juni werd de insluiting begonnen, door eene afdeeling onder
Lorges op den linkeroever der Maas, en door eene andere af-
deeling onder Montal op den rechteroever dier rivier ; — andere
opgaven zeggen, dat de door Turenne afgezondene troepen —
4000 man infanterie en 3000 ruiters — de insluiting van Maas-
tricht op den rechter Maasoever hebben verricht. Die insluiting
werd, na kleine schermutselingen met de bezetting, geheel vol-
tooid; en den loen Juni verscheen Lodewijk XIV met de hoofd-
macht van het Fransche leger voor de muren van Maastricht;
en die stad, die Parma zoo dapper weerstand had geboden, welker
Digitized by
Google
254 KRÜGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
vermeestering alléén voldoende zou zijn om den naam van Fre-
derik Hendrik onvergetelijk te maken^ zag nu weer de vijande-
lijke wapenmacht zich heinde en ver over de haar omgevende
vlakten uitbreiden, en stond weer bloot aan aanvallen, geduchter
dan ooit, daar in de rijen van het Fransche leger zich de man
bevond, die de kunst om vestingen te vermeesteren reuzenschredcn
heeft doen maken.
De vesting, waartegen Vauban de hulpmiddelen zijner weten-
schap zou aanwenden, was in 1673 niet van zoo grooten omvang
als zij het tot in onze dagen is geweest: de forten Sint Pieter
en Koning Willem, en de fronten tusschen de Bossche en Brus-
selsche poorten bestonden toen niet. Toch kon Maastricht toen
als een belangrijke en sterke vesting worden beschouwd. Zij be-
stond, evenals later, uit twee onderscheidene deelen : de voorstad
Wijck op den rechter- en de stad op den linkeroever van de
Maas; beide deelen verbonden door een hechte steenen brug.
Wijck had een hoofdwal met drie bastions, natte grachten, eenige
voorliggende lunetten en een bedekten weg; naar de stadszijde
liep er langs de rivier een muur, en de Maasbrug was afgesloten
door een poort De stad zelve had — volgens De Quincy — een
sterken hoofdwal met een goeden muur, geflankeerd door eenige
bastions en door een aantal torens. Als buitenwerken had men
vijf hoornwerken — het plan van Maastricht vertoont er zes —
alle van binnenverschansingen voorzien; en verscheiden afzon-
derlijke bastions en ravelijnen, alle bekleed; en het geheel om-
geven door een uitmuntenden bedekten weg. — Valckenier geeft
een minder gunstige beschrijving van den toestand der vesting;
de stad was — volgens hem — omringd met een slechten muur
van anderhalf voet dikte, zonder torens of forteressen (?);
zij had evenwel zeer sterke buitenwerken, verscheidene ravelijnen,
halve manen en hoornwerken; maar alle grachten van die wer-
ken waren droog; en de Sint Pietersberg was meer nadeelig dan
voordeelig.
Hierop valt aan te merken, dat dit » zonder torens" van den
hoofdwal onjuist is, daar de hoofdwal ronde, uitspringende ge-
deelten had; en dat, wat de droge grachten betreft, dit waar
was voor het meerendeel der werken; maar de hoofdwal op
sommige gedeelten, — bij de Bossche poort, en van de Tongersche
poort tot nabij de Lieve Vrouwepoort — een natte gracht voor
zich had; op het overige gedeelte, waar de gracht droog was,
had deze een zeer groote diepte. Voor het overige erkent ook
Beaurain, »dat de vestingwerken van Maastricht in geen goeden
toestand waren." — Het voorname gebrek echter, dat, toen
evenals later, Maastricht als vesting aankleefde, was hare ligging,
die den vijand toeliet, haar zonder veel moeite geheel in te slui-
ten, en die geen natuurlijke sterkte aan de vestingwerken bijzette.
Digitized by
Google
BELEG VAN MAASTRICHT. 255
Valckenier heeft daarover opmerkingen, die bewijzen dat men
in z ij n tijd — in dien tijd van vestingen en liniën — soms reeds
gezonde denkbeelden daarover had; hij zegt: »ook lag deze
plaats te wijd van de andere frontieren en vestingen af, om haar
in zoo korten tijd te kunnen secondeeren; bovendien was de
stad Maastricht voor den Vereenigden Staat een zeer kostelijk
paard, dat jaarlijks eene bijna ongeloofelijke somme gelds van onder-
houd kwam te kosten... Daar waren veel menschen in Neder-
land, welke geloofden het onmogelijk zou zijn, dat de koning
van Frankrijk deze stad onder zijn geweld zou kunnen brengen,
wijl hen dezelve uitermate sterk, ja geheel onwinbaar scheen;
maar zij bedachten niet, dat eene plaats, hoe vast en sterk die
ook mag zijn, wel kan gedwongen worden, wanneer men dezelve
zoodanig kan besluiten, dat er niets in noch uit mag, noch
ook geene hulp, om dezelve van de belegering te bevrijden, voor-
handen zij."
De bezetting van Maastricht had niet meer de sterkte die men
haar bij het begin van den oorlog tegen Frankrijk had gegeven ;
maar was toch talrijk genoeg om een goede verdediging te ver-
richten. De Quincy en Beaurain schatten die bezetting op een
6000 man; de eerste zegt dat zij uit 5000 man voetvolk en
1000 ruiters bestond, niet medegerekend een groot aantal bur-
gers, die zich gewapend hadden. Wat dat laatste aangaat, is
denkelijk de opgave van den Franschen schrijver onjuist; onze
schrijvers gewagen er ook wel van, dat de Maastrichtsche bur-
gerij het stadhuis bezette en aan de veslingwerken arbeidde;
maar aan de eigenlijke verdediging schijnt zij geen deel te heb-
ben genomen; — de bevolking toonde dan ook niet den geest
om eene verdediging te voeren als vroeger die legen Parma.
Volgens onze schrijvers was de bezetting een duizend man min-
der dan de Fransche schrijvers opgeven; Sylvius zegt, dat die
bezetting 4000 man infanterie en 8 a 900 ruiters bedroeg; vrij
uitvoerig geeft hij de samenstelling van die bezetting op: aan
Hollandsche troepen 8 regimenten infanterie en 13 — volgens
andere opgaven 12 — compagnieën ruiterij; i regiment Ita-
lianen, dat 300 man telde ; en 2 zeer goede regimenten Spaansche
ruiterij. Maar, wat ons bij het verhaal van een heden daagsch
beleg vreemd zou voorkomen, men vindt geen opgave omtrent
de sterkte der artillerie, het wapen dat eigenlijk de ziel van
eene vesting-verdediging is: noch het aantal kanonniers, noch
het aantal stukken geschut wordt vermeld; alleen eene enkele
opgave hier en daar kan daarover eenig licht geven. Zoo wordt
er gezegd: »dat op den 26sten Juni de elf stukken nabij de
Tongersche poort, hevig door den vijand beschoten werden;
dat daardoor twee konstapels sneuvelden, dat er toen nog
maar dertien konstapels overbleven" (denkelijk niet in de ge-
Digitized by
Google
256 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
heele vesting^ maar alleen op dat punt) >en dat men daarom
genoodzaakt was^ soldaten te gebruiken voor de bediening van
het geschut." Op een andere plaats vindt men: tdat er bij de
overgave nog een 60 stukken geschut in de magazijnen aan-
wezig waren; ook was daar nog eenen aanzienlijken voorraad
aan krijgsbehocften en levensmiddelen ; zoodat" — wordt er uit-
drukkelijk bijgevoegd — >de stad niet overging uit gebrek daar-
aan, maar alleen door louter geweld." Alleen zegt eene andere
opgave, dat men in het laatsie tijdperk van het beleg gebrek
aan lonten begon te krijgen.
Uit die opgaven kan men besluiten, dat Maastricht in 1675
een genoegzame bewapening had ; grooter ten minste dan tijdens
het beleg door Frederik Hendrik, toen die bewapening uit slechts
45 stukken geschut bestond; — het is waar, sedert dien tijd was
het gebruik van de artillerie zeer toegenomen.
Vestingwerken, bezetting, bewapening en uitrusting van Maas-
tricht waren dus. zooveel men uit de verschillende opgaven kan
opmaken, ten minste in een voldoenden toestand; — maar hoe
was het met den bevelhebber, die dat alles voor de verdediging
moet aanwenden, en die de ziel van die verdediging moet zijn?
Het oordeel over dien bevelhebber — Fariaux, een officier die
eenige maanden te voren van Spaanschen in Hollandschen krijgs-
dienst was overgegaan, — is zeer uileenloopend geweest. Toen
Willem III hem tot bevelhebber van Maastricht aanstelde, had
Pariaux een zeer goeden militairen naam, en was hij bekend als
een dapper en bekwaam aanvoerder; zijne handelingen bij het
beleg van Maastricht worden door onze oudere schrijvers hoog
geroemd ; — maar latere beoordeelaars hebben er minder gunstig
over gedacht, en, de persoonlijke dapperheid van Fariaux erken-
nende, hebben zij evenwel zijn weinig beleid en zijne geringe
vasthoudendheid doen opmerken. Vooral het oordeel van de
Fransche schrijvers is weinig gunstig voor den bevelhebber van
Maastricht; zij beschuldigen hem van door zijne inhaligheid en
door zijn drukkende handelingen een kwaden geest te hebben
gebracht onder de bezetting, en nog meer onder de burgerij;
>le gouverneur," zegt Beaurain, »s'était fait haïr, soit par des
vexations, sait par la dureté de son caractère"; en de onbekende
schrijver van de ^^Guerre de Hollande*^ zegt, dat de uitvallen ge-
durende het beleg van Maastricht met weinig kracht werden g:e-
daan, omdat Fariaux uit overdreven zuinigheid naliet de uit-
vallende troepen met geld te beloonen. De opgaven van ónze
schrijvers zijn hiermede lijnrecht in strijd; zij stellen Fariaux
voor, gedurig gelden uitdeelende aan die troepen der bezetting,
die meer dan gewone vermoeienissen of gevaren doorstonden.
Wat nu is hier waarheid? — Het is moeielijk dit te zeggen;
maar toch zal uit het verhaal van het beleg blijken, dat Fariaux,
Digitized by
Google
BELEG VAN MAASTRICHT. 257
hoezeer veel persoonlijken moed betoonende, evenwel een te
hoogen en te onverdienden roem schijnt te hebben genoten; en
dat het verkeerd zou zijn hem voor te stellen als een voorbeeld
hoe de bevelhebber van eene vesting moet zijn.
Nu volgt het verhaal van het beleg.
Den loen Juni voor de muren van Maastricht verschenen, vond
het Fransche leger daar reeds het begin eener dubbele ver-
schanste linie, waarvan het eene deel tegen de vesting moest
dienen, het andere tegen den vijand die tot ontzet mocht komen
opdagen; die liniën, den 8sten Juni aangevangen, waren den
i4en geheel voltooid, en omgaven èn Maastricht, èn Wijck;
7000 boeren hadden aan die liniën gearbeid, waarvan de bin-
nenste of contrevallatie-linie gemiddeld een klein half uur gaans
van de vesting was verwijderd. Twee bruggen, boven en beneden
de stad, maakten de gemeenschap uit tusschen de beide oevers.
Gedurende den arbeid aan de liniën bracht men in het Fransche
legerkamp levensmiddelen en fourage bijeen; het artillerie-park
en alle benoodigdheden voor een beleg kwamen aan; hoe sterk
die artillerie was, is onzeker; maar in de 9 batterijen, die ge-
durende het beleg op den linkeroever van de Maas tegen de
vesting werden aangewend, kwamen 63 vuurmonden, en daarvan
kunnen, ten minste, een vijftig stukken gelijktijdig zijn werk-
zaam geweest. Als front van aanval nam men ddt gedeelte, dat
tusschen den linkeroever van het riviertje de Jeker en de Brus-
selsche poort is begrepen, — bijna hetzelfde gedeelte waar Parma
binnendrong en Frederik Hendrik aanviel; Orleans zou, op den
anderen oever van de Maas, een schijnaanval doen op Wijck;
en batterijen op den Sint Pietersberg door hun vuur den waren
aanval ondersteunen.
Fariaux, die in het begin van April het bevel over Maastricht
op zich had genomen, had dadelijk de werken der stad zooveel
mogelijk in staat van verdediging laten brengen en om verster-
king van de bezetting gevraagd; die versterking bestond echter
alleen uit het Italiaansche regiment, dat — zooals gezegd is —
maar een 300 man sterk was en uit een regiment Spaansche
ruiterij, dat op een 250 paarden wordt begroot; het eerste kwam
op het einde van Mei te Maastricht, het laatste in de eerste
dagen van Juni. Onderricht van den opmarsch des vijands, wiens
voorste troepen reeds voor de vesting verschenen, riep de be-
velhebber den 7en Juni een krijgsraad bijeen, waarin hij zijn
voornemen te kennen gaf de vesting krachtdadig te verdedigen,
ieder aanmaande om hem daarbij te ondersteunen, en aan elk
zijn taak toewees bij die verdediging; er werd kwijtschelding
gegeven van alle straffen voor geringe wanbedrijven, maar daaren-
tegen de doodstraf vastgesteld voor ieder die zich zou schuldig
WILLEM m. — I. 17
Digitized by VjOOQIC
258 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
maken aan ongehoorzaamheid of lafheid. Denkelijk was dit
laatste maar een herhaling of herinnering van wat de bestaande
bepalingen daarover voorschreven; eene herhaling, die, de samen-
stelling van de bezetting in aanmerking genomen, niet over-
bodig kon heeten, — zooais dit dan ook blijkt uit enkele bijzon-
derheden, door onze schrijvers opgeteekend. Zoo vermelden zij
onder andere dat bij de komst van het Fransche leger-een
officier der bezetting, Franschman van geboorte, maar reeds
zes en dertig jaar in dienst van de Republiek, tot den vijand
overliep; en dat twee vaandrigs door den krijgsraad ter dood
werden veroordeeld, omdat zij gedurende het beleg hunne pos-
ten op het aangevallen gedeelte van de vesting verlaten hadden; —
wegens den jeugdigen leeftijd der schuldigen werd die straf echter
niet uitgevoerd, maar daarin veranderd, dat zij van hun rang
werden ontzet en gedurende den ganschen tijd van het bele^
moesten blijven op het aangevallen gedeelte, nabij de Tongersche
poort; een hunner vond daar den dood door 'svijands vuur.
Fariaux deed, naast andere maatregelen van verdediging, eene
afdeeling samenstellen van 300 grenadiers, getrokken uit de
regimenten infanterie; men weet dat de grenadiers toen werkelijk
manschappen waren, wier bestemming was handgranaten te wer-
pen ; die van Fariaux werden daarin geoefend en ontvingen ieder
twee rijksdaalders belooning. — Ook werd de Maas afgesloten
door een ketting, en een vaartuig met een 25 musketiers als wacht
daarbij geplaatst. — Om de berenning en insluiting te vertragen,
werden gedurig kleine uitvallen gedaan, vooral door de ruiterij.
Men deed eene poging om den vijand in een hinderlaag te
doen vallen, door een 300 man infanterie bedekt nabij de ves-
ting te plaatsen, en de eigen ruiterij eerst uit te zenden en dan
terug te doen gaan, ten einde de ruiterij des vijands te lokken
naar de plaats waar die infanterie stond. Men slaagde hierin
echter niet. — Gedurig kwamen er nog verschillende officieren
de stad binnen, en er schijnt eene voortdurende gemeenschap
te hebben bestaan tusschen den bevelhebber en Monterey en
Willem III; hoe die briefwisseling plaats had, wordt echter niet
gemeld. — Patrouilles en verkenningen werden telkens uitge-
zonden om bij den vijand de toebereidselen tot den aanval waar
te nemen, en bericht te geven van het openen der loopgraven.
Het is moeielijk te begrijpen, dat over een zoo eenvoudig feit
als het openen der loopgraven bij het beleg van Maastricht, nog
verschil is in de tijdsbepaling tusschen onze schrijvers en de
Fransche; terwijl de laatste duidelijk en bepaald zeggen, dat de
loopgraven geopend werden in den nacht van 17 — 18 Juni, ver-
zekeren daarentegen de meeste van onze schrijvers, dat dit vier
dagen vroeger plaats had, in den nacht van 13 — 14 Juni; dat
Digitized by
Google
BELEG VAN MAASTRICHT. 259
de aanvallers daartoe partij trokken van twee holle wegen tegen-
over de Brusselsche en de Tongersche poorten; dat het bijeen-
brengen van fascinen de verdedigers daarop opmerkzaam had
gemaakt ; en dat eene afdeeling van een twintig ruiters met mus-
ketschoten teruggedreven werd door de troepen, die, op den
grond liggende, tot bedekking dienden van de arbeiders. Enkele
van onze schrijvers — De Hollandsche Mercurius en
Het ontroerde Nederland — zeggen, dat de opening der
Fransche loopgraven den 17 en Juni plaats had; zij voegen er
echter bij, dat reeds in den ochtend van den iSen drie Fransche
batterijen het vuur op de stad openden; — de bouw van die
batterijen moet dan toch vroeger zijn aangevangen dan in den
nacht van 17 — 18 Juni.
Als het waarschijnlijkste kan men aannemen, dat de loopgraven
werkelijk in den nacht van 13 — 14 Juni werden geopend; maar
dat eerst in den nacht van 17 — 18 Juni de batterijen voltooid
en bewapend werden; en dat de Fransche schrijvers eerst van
dat tijdstip af de belegerings-werkzaamheden rekenen, om daar-
door de eer der inneming van de vesting te verhoogen.
Op welken afstand van de vesting de eerste parallel werd
geopend, vindt men niet juist vermeld; maar wanneer men bij
diezelfde schrijvers, volgens welke het openen der loopgraven
plaats had in den nacht van 17 — 18 Juni, vermeld vindt, dat
den iQca Juni de Fransche loopgraven tot op 600 pas afstands
genaderd waren van de palissadeering van den bedekten weg,
dan kan men daaruit besluiten, dat de eerste parallel denkelijk
den gewonen afstand van een 600 el van de vesting zal gehad
hebben.
Uit die eerste parallel ging men in twee loopgraven vooruit:
de eene gericht op de werken onmiddellijk voor de Tongersche
poort; de andere op een hoornwerk, tusschen die poort en de
Brusselsche. Bij elke dier nadernissen kwam iederen dag eene
wacht van 3 bataljons infanterie, ondersteund door 8 eskadrons
ruiterij, achterwaarts geplaatst. Drie batterijen kwamen dadelijk
in werking: twee daarvan waren op den linkeroever van de
Jeker, en moesten rechtstreeks dienen tegen het aangevallen
front; de eene was met 6, de andere met 12 stukken bewapend,
en beide batterijen waren achter de eerste parallel. De derde
batterij, met 9 stukken bewapend, was op den Sint Pietersberg,
nagenoeg ter plaatse waar in later tijd het fort Sint Pieter is
gekomen; zij diende om de aangevallen fronten van ter zijde
met haar vuur te bestoken, en de uitvallen te bemoeilijken. Alle
stukken waren van zwaar kaliber, 24- en 36-ponders.
Den I Sen Juni om 3 uur 's ochtends begonnen, werd het vuur
der Fransche batterijen voortgezet tot 's avonds 9 uur; en in
dien tijd — zeggen ónze schrijvers — zijn meer dan 2500, vol-
Digitized by
Google
26o KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
gens anderen zelfs 3400, schoten gedaan. Dit hevige vuur bracht
schade toe aan een gedeelte van de borstweringen der vesting,
doodde en kwetste een aantal manschappen, en bracht zooveel
schrik en verwoesting teweeg, dat de verdediger zich met niets
anders bezig hield dan met het beantwoorden van dit vuur en
het herstellen der schade aan die werken, — zonder den voort-
gang aan den arbeid der loopgraven in het minst te vertragen.
Den volgenden dag werd door de belegerden gearbeid aan eene
batterij voor 4 stukken, aan de linkerzijde — wanneer men front
naar buiten maakte — van de Tongersche poort ; die batterij —
zegt Sylvius — deed aan de Fransche batterijen veel nadeel, en
leed zelve weinig of niets, behalve op het einde van het beleg,
toen van een der daar geplaatste 48-ponders de affuit werd
stuk geschoten.
Die laatste bijzonderheid wordt hier aangehaald om te doen
zien hoe onjuist het is, wanneer De Quincy zegt, dat f vier
dagen na het in werking komen van de Fransche batterijen, al
het geschut der vesting, op één stuk na, gedemonteerd was." —
Over het geheel is De Quincy een schrijver, op wiens nauwkeu-
righeid en waarheid men weinig staat kan maken.
Gelijktijdig met dien arbeid aan de batterij bij de Tongersche
poort werd er tusschen die poort en de Brusselsche gearbeid
aan het hoornwerk en het daarvoor liggend ravelijn; bij beide
werd de borstwering verbreed. De ruiterij liet men dienst doen
als infanterie; omdat — wordt gezegd — het doen van uitvallen
toch niet goed meer ging, daar de uitgangen der stad, bij de
Tongersche en Brusselsche poorten, onder het vuur stonden van
de vijandelijke batterijen. — Kon men dan de andere poorten,
de Bossche poort onder andere, niet uittrekken en zoo *s vijands
loopgraven van ter zijde aanvallen?
Aan de Fransche zijde werd den igen begonnen aan twee
nieuwe batterijen: de eene, voor 11 stukken, was op de helling
van den Sint Pietersberg, voorwaarts van de daar reeds aan-
wezige, en moest door haar vuur de werken voor de Tongersche
poort van ter zijde bestrijken, en alle uitvallen uit die poort be-
letten; de andere, voor 5 stukken, was voorwaarts van de eerste
parallel, naar de zijde van de Brusselsche poort. — De arbeid
aan de loopgraven ging snel vooruit; de Koning, gedurig in
persoon daar aanwezig, spoorde zijne soldaten tot voortvarend-
heid aan.
Den 2osten werd aan weerszijden het artillerievuur voortgezet
en aan batterijen gearbeid ; de palissadeering van den bedekten
weg werd zeer beschadigd, maar spoedig weer hersteld door
de belegerden, daartoe aangemoedigd door gelduitdeelingen ,
zegt Sylvius. Er werd beraadslaagd over het doen van een uit-
val; maar die werd ongeraden geoordeeld, omdat, wegens de
Digitized by
Google
BELEG VAN MAASTRICHT. 26 1
Sterke artillerie van den aanvaller en wegens de groote macht
welke hij in de parallel kon vereenigen, zulk een uitval weinig
voordeel kon opleveren. Aan de Fransche zijde was men nu de
vesting reeds genoeg nabij gekomen om verliezen te lijden door
het musketvuur der Hollanders.
Den 2isten ging alles denzelfden gang. Elf stukken van den
verdediger stonden toen bij de Tongersche poort in batterij en
deden den aanvaller veel nadeel; van andere batterijen des ver-
dedigers wordt niet gesproken. Om zijne troepen aan te moe-
digen deed de bevelhebber alle dagen bijzondere uitdeelingen
doen van brood, kaas, bier en brandewijn. — Aan de Fransche
zijde werd toen een zesde batterij opgeworpen van ii stukken,
tegenover het hoornwerk tusschen de Tongersche en Brusselsche
poorten.
De krachtige en beleidvolle wijze waarop de aanval werd be-
gonnen en voortgezet, had den belegeraar reeds den 2 2 sten met
zijne loopgraven het glacis doen bereiken. Hier echter staakte
hij voor het oogenblik den arbeid aan die loopgraven, om, door
mijnputten en mijngangen, te onderzoeken of de verdediger ook
een onderaardschen oorlog zou kunnen aanvangen. Het geschut-
vuur werd intusschen onafgebroken voortgezet, evenals de arbeid
aan de nieuwe batterijen.
Bij de belegerden werd weer het voorstel tot een uitval ge-
opperd, en beschikkingen daartoe genomen, maar later daar
weer van afgezien, omdat men de loopgraven van den vijand te
sterk bezet oordeelde. Men wilde toen partij trekken van het
mijnenstelsel dat Maastricht aan die zijde had; en door een
mijngang voort te zetten tot op 16 a 17 ellen van eene der
Fransche batterijen, wilde men daar eene mijn aanleggen om
die batterij te vernielen ; — maar hiertoe had men den tijd niet.
Ten einde zich te vrijwaren voor de werking van de mijnen des
verdedigers, besloot de aanvaller den bedekten weg niet voet
voor voet, maar stormenderhand te vermeesteren. Tot die af-
wijking van zijn gewone stelselmatige wijze van aanvallen werd
Vauban gebracht door de voordeelen welke aan die afwijking
waren verbonden: daardoor won men tijd, en belette men den
belegerde gebruik te maken van zijne mijnen, wier aanwending
niet alleen het beleg gerekt, maar mogelijk den aanvaller nog
grooter verliezen berokkend zou hebben dan de bestorming van
den bedekten weg kon veroorzaken. Hier was het verstandig de
regels op zijde te stellen en iets te wagen.
De nacht van den 24sten Juni was bepaald voor die bestor-
ming van den bedekten weg. Op twee punten zou zij onder-
nomen worden : links, tegen een ravelijn, nog vóór den bedekten
weg liggende, en vlak achter zich het hoornwerk hebbende, ge-
Digitized by
Google
202 KRIJGS- EN GKSCHIEDKUNDIGlC BESCHOUWINGEN.
legen tusschen de Tongersche en Brusselsche poorten; rechts,
op den bedekten weg vóór de werken die vlak voor de Ton-
gersche poort waren. De linker kolonne zou aangevoerd worden
door Montal, de rechter kolonne door Monmouth, den basterd-
zoon van koning Karel II; elke dier kolonnen zou bestaan uit
eene compagnie Mousquetatres — de keur van het Fransche
leger — een 300 grenadiers en 4 bataljons andere infanterie ; —
een menigte fascinen en schanskorven zouden worden medege-
nomen, de eerste om de gracht vóór het ravelijn te dempen, de
tweede om dadelijk een logement te maken in den bedekten
weg. Te gelijk zou Orleans op den anderen oever van de Maas
een schijnaanval op Wijck doen verrichten, om daardoor de
krachten van den verdediger te verdeelen. Tien uur was het
oogenblik, bestemd voor de bestorming; een algemeen salvo van
de batterij op den Sint Pietersberg zou het sein daartoe geven.
De belegerden waren niet geheel onkundig van dien toeleg,
hoezeer zij niet wisten wanneer zij zouden worden aangevallen;
krijgsgevangenen hadden verteld, dat in het Fransche leger het
gerucht liep van een aanstaanden storm, en van den wil des
Franschen konings om reeds den volgenden dag in Maastricht
de mis te hooren. Fariaux had dus alle maatregelen genomen
om den vijand af te wachten, en de waarschijnlijke aanvalspunten
sterk doen bezetten. De kolonel Carry stond met 200 man van
zijn regiment in den bedekten weg voor de Tongersche poort;
terwijl een ander Hollandsch regiment, dat van Hofwegen, aan-
gevoerd door den overste Commersteijn, in naastbijzijnde werken
als soutien gereed stond. Het ravelijn voor het hoornwerk was
bezet door het Italiaansche regiment onder Don Mario d'Orilla,
en het hoornwerk door het grootste gedeelte van het regiment
van Fariaux, aangevoerd door den overste Sanderland; in naast-
bijliggende werken waren 200 man van elke der beide Hollandsche
infanterie-regimenten Prins Maurits en Beaumont geplaatst, be-
nevens een gedeelte van de Spaansche ruiterij van het regiment
van Salms, hier als voetvolk optredende; het andere Spaansche
ruiter-regiment, onder Moerbeek, was, met de Hollandsche rui-
terij van Wel, nabij de Tongersche poort geplaatst. In Wijck,
slechts zwak bezet, voerde de overste Pfaffenrode het bevel.
Fariaux zelf, benevens de tweede bevelhebber (commandeur) Van
Weede, waren op het front van aanval.
Den geheelen dag van den 24sten Juni doet zich het Fransche
geschut onafgebroken hooren; het beschadigt de wallen en ver-
nielt een goed gedeelte der palissadeering van den bedekten weg;
te vergeefs trachten de belegerden dit te herstellen. Toen de
avond is gevallen houdt, zooals gewoonlijk, het vuur der batterijen
op; maar om tien uur doet zich eensklaps het kanon van den
Sint Pietersberg hooren; en op dit sein springen twee Fransche
Digitized by
Google
BELEG VAN MAASTRICHT. 263
kolonnen over de borstwering der loopgraven, en snellen met
onstuimigheid naar de vesting. Zeer verschillend is de uitkomst
van dien aanval, door de Fransche troepen met eene buitenge-
wone dapperheid verricht, bezield als zij waren door de hoop
om zich roemvol te onderscheiden onder het oog van hun Koning.
Aan de linkerzijde geleidde de dappere Montal het regiment
van den Dauphin, voorafgegaan door de Mousquetaires en gre-
nadiers, en gevolgd door andere bataljons, legen het ravelijn dat
hij moest bestormen ; hij zelf, Beringhen, de bevelhebber van dat
regiment, en de bloem van den Franschen adel streden hier, en
wedijverden om het eerst de vijandelijke wallen te beklimmen.
De grenadiers wierpen voortdurend handgranaten in het aange-
vallen werk, met fascinen werd de gracht spoedig voor een ge-
deelte gevuld, en weldra stormden de Fransche soldaten over
den aldus verkregen dam tegen het werk op. Hier echter von-
den zij een vijand, hunner waardig. d'Orilla sloeg met zijne
Italianen den aanval dapper af, en bracht door musketvuur en
het werpen van handgranaten den vijand geduchte verliezen toe.
De strijd was hier hevig, en werd met afwisselende kansen ge-
voerd. Sanderland kwam met het regiment van Fariaux den Ita-
lianen te hulp, en bood den vijand het hoofd ; spoedig werd die
bevelhebber gewond. Ook d*Orilla was buiten gevecht gesteld,
en de verdedigers begonnen reeds te wankelen onder den woe-
denden aanval, toen de twee afdeelingen der regimenten van
Prins Mauriis en van Beaumont ter hulp toesnelden en den
vijand op zijn beurt deden teruggaan. Ook de Prins van Salms
nam met zijne afgestegen ruiters deel aan den strijd en betoonde
daarbij een moed die door onze schrijvers hoogelijk wordt ge-
prezen. Eindelijk worden de Franschen geheel teruggeworpen;
de driemaal gedane aanval was driemaal afgeslagen; geen voet
gronds had Montal vermeesterd, en een aantal zijner soldaten
vonden den dood in dien strijd. — De Vos, een Hollandsch
officier, ging, nog gedurende het gevecht, met eenige manschap-
pen in de droge gracht en vernielde den fascinendam, door den
vijand daar gemaakt.
Bij den anderen aanval waren de FranscTien gelukkiger. Mon-
mouth bestuurde daar den aanval, en stelde zich in persoon aan
de gevaren van den strijd bloot, met eene onversaagdheid die
zijn benijders daardoor willen verklaren, dat hij een kogelvrij
harnas had aangedaan; — zoozeer schijnt men dus toen reeds
afkeerig te zijn geweest van de zware wapenrustingen, dat men,
wat vroeger onder bedreiging met strenge straffen was voorge-
schreven, thans als een soort van oneer beschouwde. De Mous-
quetaires, door d'Artagnan aangevoerd — een naam waarop
Alexandre Dumas zijne verdichtselen heeft gebouwd, maar die
in werkelijkheid de naam is geweest van een uitstekend oorlogs-
Digitized by
Google
204 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
man — storten zich op den bedekten weg, en Carry's regiment
is niet in staat dien onstiiimigen aanval te keeren; die bevelhebber
sneuvelt, en met hem een aantal der zijnen; het overige wijkt.
Commersteijn rukt toen op met het regiment van Hofwegen, en
houdt den vijand een langen tijd tegen ; maar voor en na vallen
een menigte officieren ; en toen Commersteijn zelf door een mus-
ketschot wordt gedood, houden de Hollanders niet langer stand,
maar wijken, en laten den vijand zich ongehinderd ingraven in
den bedekten weg. Niet tevreden met dit voordeel, valt d'Artagnan
nu met zijn Mousquetaires een vooruitspringend ravelijn aan,
nabij de Jeker; ook dat ravelijn wordt genomen. Fariaux wil het
laten hernemen door de ruiterij, zoo Hollandsche van Wel als
Spaansche van Moer beek, die, afgestegen, in de nabijheid stond
van de Tongersche poort; deze valt den vijand in het ravelijn
aan, en er heeft daar een hardnekkig gevecht plaats met de
blanke wapenen; dit eindigt in het voordeel van de Franschen;
de Hollanders moeten de wijk nemen naar de naastliggende
werken, en de vijand verschanst zich in het veroverde ravelijn.
De schijnaanval dien de hertog van Orleans door Lorges op
Wijck deed verrichten, was bijna in een wezenlijken aanval ver-
keerd ten gevolge van de weinige maatregelen die hier ter ver-
dediging waren genomen. Daar hier namelijk aan de Fransche
zijde volstrekt geen aanvalswerken waren gemaakt, meende de
verdediger hier niets te vreezen te hebben. De vijand drong dan
ook bij verrassing in den bedekten weg, maar werd daar na een
scherp gevecht met eenig verlies weer uitgeworpen. Pfaffenrode,
de Hollandsche aanvoerder, sneuvelde hier.
Tot in den vroegen ochtend van den 255100 Juni hield de
bloedige strijd aan ; toen staakte men het vuur, aan weerszijden ;
en Lodewijk XIV, die tot dat oogenblik van den Sint Pielers-
berg de storm had gadegeslagen, achtte nu de overwinning
beslist, en verliet zijn standplaats om zich in zijn vorstelijke
legertent ter ruste te begeven. Fariaux evenwel was op middelen
bedacht om het verlorene te herwinnen, ten minste den vijand
daaruit te verdrijven^ hij beraamde, op zijn beurt, een aanval
op het door de Franschen vermeesterde ravelijn; deed het regi-
ment van Hofwegen, dat veel had geleden en waarvan de meeste
officieren gevallen waren, aflossen door dat van Prins Maurits;
en het regiment van Kirkpatrick oprukken om als reserve te
dienen. Tevens liet hij de mineurs arbeiden aan twee mijnen
onder het ravelijn dat men wiide aanvallen.
Om elf uur 's ochtends, toen alles gereed is, doet men de twee
mijnen springen; een gedeelte van het ravelijn wordt door de
uitbarsting vernield, en dadelijk valt het regiment van Prins
Maurits met den blanken degen op den vijand; eenige grena-
diers ondersteunen dien aanval. Een groot aantal Franschen
Digitized by
Google
BELEG VAN MAASTRICHT. 265
waren als bezetting in het ravelijn, en dezen, met d*Artagnan aan
hun hoofd, verdedigen zich manmoedig en houden het gevecht
twee uur vol; eindelijk bezwijken zij, en de koene aanvoerder
sneuvelt hier met bijna al zijn soldaten. De Hollanders zijn
weer in het bezit van het verwoeste ravelijn; — maar een voor-
naam doel van den storm was door de Franschen bereikt, want
zij bleven hier meester van den nu bekroonden bedekten weg. De
Quincy beweert, dat, bij een hernieuwden aanval, Monmouth zich
nogmaals meester maakte van het ravelijn; eenige van onze
schrijvers spreken dit stellig tegen; andere echter erkennen het
eenigszins door te zeggen, tdat de belegerden, na een uur weer
in het bezit te zijn geweest van het verlorene ravelijn, op de
nadering van een sterke vijandelijke macht het weer verlieten,
en terugtrokken in dat gedeelte van den bedekten weg dat bij
de Jeker is."
Zoodanig was het beloop van dat gevecht in den nacht van
den 24sten en in den ochtend van den 2 5 sten Juni, waarbij, naar
de eenparige getuigenis van de schrijvers welke dit beleg behan-
delen, beide partijen een uitstekenden moed betoonden, en aan-
gevoerd werden door opperhoofden, die door hun voorbeeld
elke zwakheid on verschoon baar zouden hebben gemaakt. Evenals
Montal en Monmouth bij de Franschen, zoo nam ook Fariaux
persoonlijk deel aan het gevecht; en een aantal Hollandsche
bevelhebbers vonden den dood in dien glorievollen strijd. De
aanvallers waren slechts gedeeltelijk geslaagd in hun toeleg: de
bekroning van den bedekten weg naar de zijde van de Ton-
gersche poort was goed verricht; maar de aanval op het rave-
lijn vóór het hoornwerk was geheel en al mislukt. Wat de ver-
liezen betreft, die der Franschen bij dezen storm worden door
onze schrijvers begroot op meer dan 2000 man; er is mogelijk
overdrijving in die begrooting; maar zeker is het, dat de ge-
deeltelijke bekroning van den bedekten weg den aanvaller toch
op een duren prijs kwam te staan. Ook aan onze zijde moeten
de verliezen aanmerkelijk zijn geweest, te oordeelen naar die
enkele bijzonderheid door onze schrijvers vermeld, dat alleen bij
die poging om het verlorene ravelijn bij de Jeker te hernemen,
het regiment van Prins Maurits over de honderd man aan doo-
den verloor. — Als een bijzonderheid wordt vermeld, dat vier
majoors of kapiteins, die, door het buiten gevecht stellen van
hoogere officieren, bij dezen storm aan het hoofd van regimenten
stonden en met onderscheiding de wapens voerden, alle vier uit
Tiel afkomstig waren ; ook toenmaals leverde dus de geboortestad
van Chassé helden op.
Oogenblikkelijk na het eindigen van het gevecht begonnen de
batterijen van den aanvaller opnieuw het vuur. Fariaux deed,
van zijn zijde, arbeiden aan eene binnenverschansing achter den
Digitized by
Google
206 KRIJGS- EM GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
hoofdwal, van de Brusselsche poort tot nagenoeg halfweg de
Tongersche poort, — het punt waar zich toenmaals de Sint-
Servaas-poort bevond. Die arbeid ging echter traag voort, daar
de burgers die men daartoe gebruikte, hun arbeid telkens
staakten uit vrees voor de uitwerking van de vijandelijke batte-
rijen ; ook begon zich reeds duidelijk een geest van onwil bij de
burgerij te openbaren, zoodat de bevelhebber het noodig oor-
deelde, ter verzekering der orde, de uileinden van de Maasbrug
te bezetten, en sterke patrouilles ruiterij door de stad te laten gaan.
Volgens enkele van onze schrijvers moet Fariaux in den nacht
van den 25sten nogmaals een mijn hebben aangewend tegen het
verlorene ravelijn, en daardoor de laatste overblijfselen van dat
werk met de daar aanwezige Franschen in de lucht hebben
doen springen; in hoever dit al dan niet waar is, is nioeielijk
te zeggen; — maar zooveel is zeker, dat de aanvaller zich niet
verder rechts uitbreidde naar de zijde van de Jeker, maar de
bekroning van den bedekten weg verder links vervolgde, naar
den kant van het hoornwerk en van het daarvoor liggend rave-
lijn. Eene zevende batterij, voor 9 stukken, werd door de Fran-
schen aangelegd in de bekroning van den bedekten weg; die
batterij moest bresschieten in den hoofdwal bij de Tongersche
poort en in het daarvoor gelegen ravelijn. Door de achterlig-
gende batterijen waren reeds op andere punten van den hoofd-
wal, met name in de nabijheid van de Sint-Servaas-poort, aan-
merkelijke bressen geschoten; ook het hoornwerk was op ver-
schillende punten open, en andere werken zeer beschadigd.
Nadat eene poging van de vijandelijke loopgravenwacht, om
zich in den nacht van den 27sten meester te maken van het ravelijn
voor het hoornwerk, was verijdeld, werd die poging den 28stcn met
meer geluk hervat. Die storm werd aangekondigd door een paar
kanonschoten, 's avonds om 10 uur gelost; eene mijn, onder den
saillant van het ravelijn aangelegd, sprong; en dadelijk had nu
de aanval plaats, aan de rechterzijde door Fourilles met het
regiment van Picardie en eenige andere troepen, aan de linker-
zijde door Lorges met twee Fransche bataljons en twee bataljons
Zwitsersche garde. De Franschen houwen de palissadeering omver
en beklimmen den wal; de Italianen die in het ravelijn zijn,
ontzet door het springen van de mijn, zijn niet in staat aan
*s vijands overmacht weerstand te bieden, en wijken ijlings naar
het hoornwerk ; dit gaat, zooals uit den aard der zaak voortvloeit,
in groote wanorde; en de Franschen, de terugtrekkenden op den
voet volgende, dringen te gelijk met hen de bressen van het
hoornwerk binnen. Het regiment van Fariaux was daar als be-
zetting; maar vriend en vijand te gelijk het werk ziende binnen-
dringen, werd het daardoor zoodanig in wanorde en vrees ge-
Digitized by
Google
BELEG VAN MAASTRICHT. 267
bracht, dat een gedeelte ijlings, over borstwering en gracht
heen, de vlucht nam naar de stad; het overige gedeelte^ in ver-
warring, hield eenigen tijd een ongelijkep strijd vol, maar werd
eindelijk door de Franschen gedood of gevangen genomen. Groot
waren hier de verliezen der Nederlanders; onder anderen sneu-
velde toen de dappere Sanderland, drie dagen te voren reeds
gewond, bij de bestorming van den bedekten weg. £ene kleine
afdeeling Hollanders was teruggetrokken in de binnenverschansing
van het hoornwerk, en bleef zich hier handhaven tot den vol-
genden ochtend; toen, hevig bestookt door de handgranaten die
de vijand in menigte in die kleine verschansing wierp, trokken
de verdedigers door de droge gracht naar den hoofdwal terug,
en kwamen door een ingang bij de Brusselsche poort weer bin-
nen de stad. Lodewijk XIV, onderricht dat de aanval van zijne
troepen met geluk bekroond werd, zond dien troepen aan-
merkelijke versterkingen; zij zetten nu hunne voordeden voort,
en vermeesterden den geheelen bedekten weg en de verschillende
buitenwerken tusschen de Brusselsche en Tongersche poorten, op
het ravelijn na, vóór laatstgenoemde poort gelegen. De bezetting,
door schrik geslagen, betoonde op lange na niet die geestkracht,
die zij vier dagen vroeger had aan den dag gelegd: Fariaux,
Salms en andere bevelhebbers moesten, met de piek in de hand,
de vluchtelingen tegenhouden en op den hoofdwal herzamelen.
De laatste oogenblikken der verdediging waren gekomen; de
vijand stond nu voor den hoofdwal ; en den sQsteo deed zich de
donder van het Fransche geschut onafgebroken hooren, en wer-
den de bressen vergroot bij de Sint-Servaas-poort reeds aanwezig.
De batterij van 9 stukken tegen de Tongersche poort was reeds
genoegzaam voltooid, en zou binnen kort haar vuur kunnen
openen; de Franschen arbeidden bij het ravelijn voor die poort
aan eene afdaling in de gracht, later aan een grachtsovergang,
en eindelijk aan een mijn in den saillant van het ravelijn. Dat er
nabij de Tongersche poort binnen kort bres zou geschoten wor-
den, is zeker; dat die bres geschoten is, en, zooals Valckenier
zegt, een breedte had van 10 roeden, schijnt niet juist; — zooals
in het algemeen het dichterlijke verhaal van de belegering van
Maastricht, door dien schrijver gegeven, vol overdrijving en onjuist-
heid is. Fariaux nam, zoo goed en zoo kwaad als hij kon, alle
maatregelen ter verdediging: hij deed door de nog bruikbare
artillerie *s vijands vuur beantwoorden, liet onophoudelijk hand-
granaten werpen, en patrouilles rondgaan in de droge grachten,
ter ontdekking van 's vijands pogingen tot het maken van grachts-
overgangen of tot het ondermijnen van den hoofdwal; tevens liet
hij een aantal kruittonnen nabij de bressen brengen, om bij
een storm tegen den vijand te kunnen dienen. Achter die bres-
sen had men nog een binnenverschansing; maar die had men
Digitized by
Google
268 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
niet achter den hoofdwal bij deTongersche poort, waar het te voor-
zien was, dat weldra het vijandelijke geschut ook bres zou schieten.
Oudtijds, bij de belegeringen in de Nederlanden, rekende men
dat de verdediging eerst dln krachtdadig begon, wanneer de
vijand genaderd was tot den hoofdwal; de burgers van Haarlenu
van Alkmaar, ook eertijds die van Maastricht, en van zooveel
andere steden, hielden daar de geduchte Spaansche legerbenden
tegen, en beantwoordden toen reeds ten volle aan Carnot's stel-
regel : dat bij de ' bres de ware verdediging van eene vesting
moet beginnen. Zooveel geestkracht werd vroeger bij dit gedeelte
van het oorlogvoeren door ons betoond, zóó streng waren de
beginselen omtrent den plicht van den bevelhebber eener vesting,
dat in 1586 de bevelhebber van Grave door beulshanden het
leven verloor, omdat hij te vroeg zijn vesting had overgegeven;
toch was er toen reeds bres in den hoofdwal, en was er reeds
een storm afgeslagen. Maar die heldentijd was in 1673 voorbij;
en Fariaux, hoe uitstekend hij zich tot nu toe ook gedragen
had, was niet de man om, als een Ripperda, tot aan zijn laatste
krachten de in puin liggende wallen aan den vijand te betwisten ;
hij oordeelde reeds lang genoeg de verdediging te hebben vol-
gehouden tegen een zoo sterk leger; hij meende reeds roem
genoeg te hebben verworven door den kamp tegen den Fran-
schen koning; hij was nu bedacht op middelen om, door eene
voordeelige capitulatie, zijne troepen te behouden voor het land.
Het denkbeeld van eene verdediging tot het laatste oogenblik
schijnt bij Fariaux niet te hebben bestaan.
Om billijk te zijn moet hier worden bijgevoegd, dat de uit-
voering van zulk een denkbeeld ook te kampen zou hebben
gehad met den onwil en de openlijke wederstreving van de
Maastrichtsche burgerij.
Het was niet meer die burgerij, die, nog geen eeuw geleden,
met zoo onsterfelijke dapperheid hare wallen maanden lang be-
twistte aan het Spaansche leger; de helden die dit deden hadden
bijna allen den dood gevonden, en de bevolking was toen nage-
noeg uitgemoord geworden. Eene andere burgerij had haar ver-
vangen, die op lange na niet de volksdeugd der vroegere had,
van geen opofferingen voor de algemeene zaak wilde hooren,
en mogelijk in stilte verheugd was dat de Fransche wapenmacht
haar zoude afscheuren van eene Republiek, waar zij weinig of
geen deel had aan de staatsrechten, en in hare godsdienstige
gezindheid gekrenkt werd. Verre dus, dat de burgerij deel zou
nemen aan het bestrijden van den vijand, was zij integendeel
onwillig tot het verrichten van dien arbeid die de verdediging
moest verlengen; en toen de aanvalswerken des vijands reeds
tot den hoofdwal waren genaderd en zijn geschut wijde bressen
Digitized by
Google
BELEG VAN MAASTRICHT. 269
in dien wal had geopend, barstte die burgerij bijna tot een vol-
slagen opstand uit. Met een wezenlijken of voorgewenden schrik,
herinnerde men zich den jaardag van den agsten Juni, den dag
toen Parraa's leger als een alles overweldigende stroom de ves-
ting binnendrong, en de moord door de straten der stad voort-
holde. Men riep dat men zich niet moest blootstellen aan eene
herhaling van dien dag van jammer en toorn; dat het onverant-
woordelijk was, eene weerlooze burgerij door de krijgsbenden
van Lodewijk XIV te doen slachten, die, stormenderhand de
stad binnendringende, even weinig mededoogen zouden kennen
als vroeger de Spanjaarden: dat het dus plicht was, met den
vijand in vergelijk te treden en de stad over te geven, daar toch
geen ontzet was te wachten, en de verdediging onmogelijk nog
lang kon worden gerekt.
Fariaux poogde in den beginne de burgerij tot betere gedach-
ten te brengen, en haar aan te moedigen tot het voortzetten
van de verdediging; maar de herhaalde bezendingen van de
stedelijke regeering en van de geestelijkheid, de dringende ver-
loogen door die lichamen ingebracht, de volksoploopen die al
meer en meer ernstig en dreigend werden, het buiten gevecht
stellen van een aantal bevelhebbers en andere officieren, de
meening van den krijgsraad die tegen de voortzetting van de
verdediging was, — dit alles deed den opperbevelhebber be-
zwijken en toegeven. Den 3osten Juni werd het sein der over-
wonnenen, de Chamade^ op den hoofdwal geslagen; men trad in
onderhandeling met den vijand; en den isten Juli werd eene
capitulatie gesloten, waarbij de overgave der vesting werd be-
dongen tegen vrijen aftocht der bezetting met wapens en krijgs-
eer. — Den 2 en Juli defileerde de bezetting voorbij Lodewijk XIV
en bereikte den 6en 's Hertogenbosch.
Zoodanig was dat beleg van Maastricht, voor zoover men dit
kan opmaken uit de onvolledige, onduidelijke en tegenstrijdige
berichten der verschillende schrijvers. Wij waarborgen niet, dat
het verhaal dat wij daaruit hebben samengesteld, in alle bijzon-
derheden waar is; maar wij geven het als het meest waar-
schijnlijke. Aan nauwkeurigheid en waarheid heeft de krijgs-
geschiedenis sedert de 17e eeuw zeker zeer veel gewonnen; want
stellig zal men bij de schrijvers over een hedendaagsch wapen-
feit nooit zulke tegenspraak vinden als bij de schrijvers over
het beleg van Maastricht. Dat men de eene of andere verrich-
ting, het een of ander wapenfeit bij de eene partij wel eens
geheel anders ziet voorgesteld dan bij de andere en het belang
daarvan ziet vergrooten of verkleinen, naar gelang van den land-
aard des schrijvers, — dit zal men ook in de 19e eeuw nog
aantreffen; maar toch niet in die mate als vroeger. De eene
Digitized by
Google
270 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
schrijver over het beleg van Maastricht spreekt van een aantal
mijnen, waarvan de andere zwijgt; van bressen, die denkelijk niet
bestaan hebben; zelfs omtrent de datums bestaat verschil: de
eene schrijver stelt de inneming van het hoornwerk op den
aysien^ de andere op den aSsten Juni; volgens den een zijn
de loopgraven geopend in den nacht van den i3cn, volgens
anderen in den nacht van den i7en; volgens onze schrijvers
heeft het beleg geduurd 17 dagen, volgens de Fransche slechts
ï3i volgens Voltaire zelfs slechts 8; — 't is waar, de laatste
heeft als geschiedschrijver bij het vermelden van feiten eene
lichtzinnige oppervlakkigheid, die den lezer telkens de eigen
woorden des schrijvers in het geheugen roept : „e/ cependant, eest
ainsi quon écrit Vhhtoire^'*
Ook de opgaven van de verliezen zijn, zooals gewoonlijk, uit-
eenloopende. Bij de monstering, den 6en Juli te 's Hertogenbosch
over de uitgetrokkene bezetting gehouden, bleek het dat die toen
nog de volgende sterkte had: de 8 Hollandsche regimenten
infanterie 2230 man; het Italiaansche regiment 225; de 12 com-
pagnieën Hollandsche kavalerie — vroeger werd van 13 com-
pagnieën gesproken — 412 ruiters; de 2 Spaansche regimenten
van Salms en Moerbeek 350 ruiters; alles en alles 2455 ii^f2.n-
teristen en 762 ruiters. Men kan dus daaruit besluiten, dat het
verlies, in het beleg geleden, niet boven de 16 è. 1700 man
was, aan dooden en gewonden; de gevangenen waren, aan weers-
zijden, ontslagen. — Onder de gewonde officieren wordt Coehoorn
vermeld, toen kapitein der infanterie.
De verliezen der Franschen worden, volgens hunne eigene op-
gaven, op een groote 2000 man geschat; maar onze schrijvers
stellen die veel hooger, en begrooten ze op 6, op 8, zelfs op
10 000 man. De schrijver van de Guerre de Hollande zegt, dat
het Fransche leger bij het beleg van Maastricht een 3000 man
verloor.
Wat bij Rousset voorkomt over dit beleg van Maastricht ver-
dient hier kortelijk vermeld te worden, omdat het dit wapenfeit
voorstelt uit het gezichtspunt van den belegeraar. Het beleg van
Maastricht in 1673 was de eerste der groote belegeringen door
Lodewijk XIV in persoon bestuurd; vandaar dat de meeste
Fransche schrijvers dat beleg met zooveel ophef en met zooveel
welgevallen behandelen; de voorstelling die Rousset van het
beleg geeft, is duidelijk, goed beredeneerd en vrij onpartijdig.
{Hhtoire de Louvois^ i® deel, blz. 452). >De Koning wilde wer-
kelijk al den roem van den veldtocht voor zich behouden. Het
jaar te voren had hij Maastricht verwaarloosd, om sneller door
te dringen tot in het hart van Holland; daar dit jaar Holland
Digitized by
Google
BELEG VAN MAASTRICHT. 27 1
hardnekkig zijn grond onder water liet, liever dan dien over te
geven, was Maastricht het eenige kwetsbare punt, waar de toorn
van Lodewijk XIV het nog kon treffen. Meer uit hoogmoed dan
uit voorzorg, bracht Lodewijk XIV alles bijeen wat ter over-
winning kon leiden; een mislukte onderneming zou nog meer
kwaad hebben gedaan aan zijn roem dan aan zijn belangen;
alleen met wiskundige zekerheid wilde hij toeslaan. Daar de
32000 man, die hij zich voorbehouden had bij de verdeeling
van de strijdkrachten, hem niet genoegzaam voorkwamen tot
afwering van elke kwade kans bij een zoo groote onderneming,
had hij besloten, een deel van Turenne's leger aan het beleg te
doen deelnemen. Turenne werd dus evenzeer opgeofferd als
Condé ; maar hij had minder reden tot klagen, daar hij nog geen
vijand had te bestrijden. Indien 's Keizers troepen al tegen hem
zouden oprukken, scheen het toch dat zij nog niet gereed waren
om hunne kwartieren te verlaten; de traagheid van die troepen
was spreekwoordelijk geworden bij alles wat krijgsman was. Niet
alleen dat Turenne geen zwarigheid maakte om zich te berooven
van een deel zijner legermacht, maar hij achtte de inneming van
Maastricht zelfs van zoo hoog gewicht voor 's Konings belangen,
dat hij Louvois voorstelde om eene grootere macht af te zen-
den dan deze hem vroeg."
Den 6en Juni wordt Maastricht ingesloten op den linkeroever
van de Maas; den yen op den rechteroever. Door schijnbewe-
gingen heeft het Fransche leger de Spanjaarden misleid, die niet
vermoedden dat het Maastricht zou gelden (Rousset, blz. 458):
...>Wat graaf Monterey aangaat, hij was volkomen misleid
geworden; geen enkel Spanjaard had er aan gedacht, zich bin-
nen de vesting Maastricht te werpen. Toch was de bezetting,
hoezeer aan eigen krachten overgelaten, in geenen deele ont-
moedigd; zij bestond uit 6 k 7000 man goede troepen, aange-
voerd door een zeer verdienstelijk officier, een Franschman van
afkomst: zijn naam was Fariaux." — Niet geheel juist.
Den loen Juni komt Lodewijk XIV voor Maastricht; er wor-
den kampen gemaakt; circonvallatie- en contrevallatie-liniën ;
schipbruggen over de Maas, boven en beneden de stad:
(Blz. 458)...» Binnen de liniën hadden de Fransche troepen
eene werkelijke sterkte van 26000 man voetvolk en 19000 ruiters;
het artillerie-park bestond uit 58 vuurmonden ; in de magazijnen
van het kamp had men leeftocht en munitie voor zes weken."
Men maakt een begin met drie aanvallen : tegen Wijck, tegen
de Brusselsche poort, en tegen de Tongersche poort; »van die
drie aanvallen was alleen de laatste een ernstige aanval" (blz.
459). De loopgraven worden geopend, nabij de Jeker, in den
nacht van 17 op 18 Juni; — ook Rousset*s opgave is hier in
strijd met die van ónze schrijvers:
Digitized by
Google
272 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
(Blz. 459—468) . . . iDen volgenden dag ving het vuur van weers-
zijden, met ongewone hevigheid aan; in 30 uren tijds deden de
Fransche batterijen, met 26 vuurmonden bewapend, niet minder dan
5000 schoten; een dier batterijen, op den Sint Pietersberg, tusschen
de Jeker en de Maas, deed vooral eece groote uitwerking omdat
zij eenige werken der vesting van ter zijde nam (/) re^'ers)] het
geschut der vesiing, aanvankelijk zeer goed bediend en gericht,
werd dan ook spoedig gedemonteerd, of tot zwijgen gebracht.
Toch verbaasde die uitwerking van het geschut de verdedigers
van Maastricht nog minder dan de wijze waarop de aanvals-
werken werden geleid; zelfs bij de belegeraars wekte dit ver-
bazing op, en bewondering. Gewoonlijk gingen de loopgraven
vooruit met smalle gangen, op zichzelve staande, of ten minste
zonder geregelde gemeenschap. Vauban was op het denkbeeld
gekomen om de loopgraven breeder te maken, ze te verbinden
door parallellen, en deze van uitgebreide wapenplaatsen te
voorzien, waar de loopgravenwacht zich bij een uitval van den
vijand ongehinderd kon ontwikkelen. De parallellen waren, zeide
men, voor het eerst door de Turken gebruikt bij de belegering
van Candia; misschien was Vauban er mee bekend geworden
door een jong ingenieur, Paul genaamd, die bij de Venetiaansche
krijgsmacht had gediend;" (in eene noot wordt gezegd: ^die
jonge ingenieur, van wien men veel verwachting had, sneuvelde
juist bij dit beleg van Maastricht"), i zooveel is zeker, dat hij"
(Vauban) idit nieuwe aan valsmiddel dadelijk tot een hoogen
trap van volmaaktheid bracht. De wijze waarop de loopgraven
werden geleid" — zoo heeft Lodewijk XIV gezegd — t belette
den belegerden iets te ondernemen; want het was zoo goed als
in slagorde dat men de vesting naderde, met groote parallellen,
breed en ruim, zoodat men, met behulp van de banketten die
daarin waren, met een zeer groot front den vijand kon te ge-
moet gaan. De Gouverneur en de officieren die in Maastricht
waren, hadden nog nooit iets dergelijks gezien; hoewel Fariaux
reeds in vijf of zes belegerde steden was geweest, maar waar de
aanvaller alleen vooruitging met loopgraven, zóó eng, dat het
bij den minsten uitval onmogelijk was daar stand te houden. De
vijand, verbaasd ons op die wijze en met zoo sterke macht te
zien naderen, besloot niets te ondernemen, zoolang wij op zoo
omzichtige wijze bleven vooruitgaan." — Na die getuigenis van
Lodewijk XIV nu de getuigenis van een subaltern officier:
>in de eerste dagen hebben die loopgraven ons weinig gekost;
bij dit beleg, en bij vele andere, heeft Vauban door zijne kunde
veel menschenlevens behouden. Wie in de loopgraven gaat, gaat
ter slachtbank, — zeide men eertijds; thans richt hij ze zóó in,
dat men tehuis nauwelijks veiliger is." {Mémoires inédit% du Comie
d^Aligny; — hij was toen subaltern officier bij de Mousqueiaires).
Digitized by
Google
BELEG VAN MAASTRICHT. 273
»Het leven van den soldaat te sparen; te voorkomen dat het
altijd kostbare menschenbloed noodeloos werd vergoten; dit is,
inderdaad, altijd het voorname streven geweest van Vauban, zijn
eer, zijn roem. Niets evenaarde dan ook zijn misnoegen jegens
hen die roekeloos en onnoodig het leven waagden, tik weet
niet," zeide hij, >met wat naam ik het moet bestempelen, praal-
zucht, ijdelheid, of luiheid, die neiging die wij hebben om ons
ten ontijde door den vijand te laten zien, en om, zonder nood-
zakelijkheid, ons bloot te geven buiten de loopgraven ; maar ddt
weet ik, dat die luiheid of die ijdelheid — noem het zooals gij
wilt — ons gedurende dit beleg meer dan honderd man heeft
gekost, die gesneuveld zijn of gewond, geheel ten ontijde en
zonder nut. Dat is een erfzonde die de Franschen nooit zullen
afleggen, tenzij dat God almachtig het geheele ras van aard ver-
andert." — Lodewijk XIV zelf, was niet geheel en al vrij van
dit gebrek"
9 Naar gelang men de vesting meer nabij kwam, werd de nade-
ring met meer nadruk betwist door den verdediger; Louvois was
verplicht de waarde te erkennen van eene verdediging, idie
men," — zeide hij — » van de Hollanders niet had kunnen ver-
wachten." De loopgraven hadden intusschen den teen van het
glacis bereikt. In den nacht van 24 op 25 Juni snelden drie
stormkolonnen gelijktijdig uit de drie hoofden van aanval voor-
uit. Bij den aanval naar de zijde van de Tongersche poort
vermeesterden en behielden de bestormers den bedekten weg en
het ravelijn vóór het hoornwerk; vruchteloos waren het vreese-
lijke musket- en granaatvuur van de belegerden, de mijnen die
zij deden springen, en de tegenaanval door Fariaux in persoon
bestuurd. Bij de twee andere aanvallen, die alleen hadden
moeten dienen om de eerste te begunstigen, moest men zich
tevreden stellen met het verwoesten van de werken, die men
eenige uren in bezit had gehad; ongelukkig had, bij den linker
aanval^ naar de zijde van de Brusselsche poort, Montal,
door zijn drift vervoerd, zijne bevelen overschreden en nutteloos
veel volk opgeofferd. Over het geheel had men een belangrijk
voordeel behaald; maar, hoe duur gekocht! d'Artagnan, de ver-
maarde aanvoerder der Mousquetaires, was gesneuveld; 120 offi-
cieren, 80 mousquetaires en 700 soldaten waren gedood of ge-
wond. Zeker is het echter, dat dit gevecht, dat zoo duur betaald
was, het einde van het beleg toch zeer verhaastte. In den nacht
van 27 op 28 Juni werd het hoornwerk genomen, met veel minder
inspanning en verlies ; men groef zich daar in ; in den nacht van
29 op 30 werd eene bresbatterij opgeworpen^ en in het laatste
ravelijn vóór de Tongersche poort een mijnkamer gemaakt. Den
3osten, met het aanbreken van den dag, hadden alle batterijen
WILLEM IIL — I. 18
Digitized by
Google
274 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
haar vuur geopend, toen de belegerden vroegen om te onderhan-
delen. Spoedig werd men het eens over de voorwaarden der
overgave. Den 2en Juli trok de bezetting uit naar 's Hertogen-
bosch; zij had meer dan 2000 man verloren. Dank zij Vauban,
waren de verliezen van het Fransche leger minder, in weerwil
van den bloedigen strijd van den assten; zij bedroegen niet meer
dan 15 of 1600 man."
Het kan misschien bewezen worden, dat Amerika ontdekt is,
nog vóór Colurabus; toch is en blijft Columbus de ware ont-
dekker. Zoo is het ook met Vauban en de parallellen: al heb-
ben de Turken voor Candia gebruik gemaakt van parallellen;
al merkt men ook bij nog vroegere belegeringen aanvalswerken
op, die zeer veel hebben van eene aanwending der parallellen,
toch is en blijft Vauban de uitvinder; want hij is de eerste ge-
weest, die ze voortdurend en naar vaste stelregels heeft gebruikt.
Dat dit, wat de groote belegeringen betreft, het eerst voor Maas-
tricht is gebeurd, doet Rousset met recht uitkomen ; — over het
geheel is zijn verhaal van dat beleg goed.
Het is een oude opmerking, dat men bij de Fransche schrijvers
niet te veel moet bouwen op nauwkeurigheid van de cijfers ; het
is, alsof zij die nauwkeurigheid als iets van ondergeschikt belang
beschouwen; de toeleg om den lezer opzettelijk te misleiden be-
staat bij hen niet; want meestal geven zij zelve de middelen aan
de hand om het onjuiste in hunne opgaven aan te wijzen.
Rousset geeft hiervan weer het bewijs. Het verlies van de Fran-
schen bij den storm van den 24sten op den 25sten Juni begroot
hij, aan dooden en gewonden, op »i2o officieren, 80 Mousque-
taires en 700 soldaten"; dus dat maakt, goed geteld, te zamen
900 gesneuvelden en gewonden. Maar in een noot voegt hij er
bij: het Regiment du Rot had het meest geleden: 53 officieren
gedood of gewond, 200 soldaten gesneuveld, 330 gewond; dan
volgt het Regiment du Dauphin: 40 officieren en 300 soldaten aan
dooden en gewonden." — Telt men dit alles op, dan komt men
tot een cijfer van 923 man aan dooden en gewonden. Dus, alleen
die twee regimenten zouden reeds meer verloren hebben dan het
geheele leger, waarvan het verlies op 900 man wordt gesteld ! —
Dat zijn dus cijfers die maar onnadenkend zijn neergeschreven.
Toen Maastricht ingenomen was, vreesde Willem III dat het
nu de eene of andere Noord-Brabandsche vesting zou gelden,
Den Bosch of Breda. Om die vestingen te beschermen had de
Stadhouder, omstreeks half Juli, bij Greertruidenberg eene macht
vereenigd van een 18000 man; hij had de toezegging van de
zijde der Spanjaarden, dat dezen met een 15000 man zijn leger
zouden versterken ; — op die 15 000 Spanjaarden viel echter niet
Digitized by
Google
ONTBINDING VAN HET LEGER VAN LODEWUK XIV. 275
veel te rekenen, daar de Spaansche bewindhebbers van die dagen
milder waren met hunne beloften dan met htmne daden: het
was geen kwade trouw van hunne zijde, maar onmacht, die zij
poogden te verbergen onder grootspraak. Een oogenblik scheen
het, alsof het werkelijk Noord-Braband zou gelden; want den
i5en Juli verliet Condé, met een deel zijner macht, Utrecht;
trok eerst op Arnhem, en nam daarna stelling tusschen Grave
en Den Bosch: hier, versterkt door eenige troepen van het leger
bij Maastricht, had Condé een 12 a 14000 man bijeen, en maakte
hij verschillende toebereidselen die het voornemen schenen aan
te duiden om Den Bosch te belegeren.
Van dat beleg kwam echter niets. Lodewijk XIV oordeelde
genoeg gedaan te hebben met het nemen van Maastricht; daar
werd eene bezetting geplaatst van een 6000 man voetvolk en
een 1200 ruiters, onder d'Estrades; het overige van het Fransche
leger ging uiteen: de afdeeling, ontnomen aan Turenne's leger,
keerde derwaarts terug; eene andere afdeeling, onder Rochefort,
trok naar den Moezel, naar Trier; Condé ging met een 8000
man naar Vlaanderen, waar hij het opperbevel verkreeg. In
Holland werd Luxembourg weer opperbevelhebber. — Zoo loste
zich die onweerswolk op, die Holland had bedreigd.
Toentertijd begonnen er vredesonderhandelingen te Keulen ;
zij hebben tot niets geleid, en daarom zullen wij er ons niet bij
ophouden. Wij bepalen ons met in het algemeen te zeggen, dat
Frankrijk daarbij den afstand eischte van Maastricht, van Staats-
Braband en van Nijmegen. De zuidelijke grens 'van het grond-
gebied der Republiek zou dus dan zijn uitgemaakt door den
Waal en de Maas.
• Misschien," zegt Rousset (i* deel, blz. 473—474), «zouden
de Hollanders het jaar te voren op die voorwaarden vrede heb-
ben gesloten; maar de toestand was geheel veranderd. Holland
verkreeg met den dag bondgenooten, terwijl Frankrijk geïsoleerd
begon te worden ; de overwinningen, door De Ruyter en Tromp
behaald op de vereenigde vloten van Frankrijk en Engeland,
verzekerden niet alleen hun land aan de zeezijde, maar gaven
het zelfs een krachtig overwicht ter zee. Het was dus wel Lou-
vois* eigen schuld, als hij niet begreep idat de Hollanders zoo
door den duivel bezeten waren, van geen vrede te willen."
Openlijk werd nu bijstand toegezegd aan Holland, — toege-
zegd, dit moet niet altijd vereenzelvigd worden met gegeven — :
...iDen 3o5ten Augustus" (i 673) > werden in Den Haag drie offen-
sieve verbonden gesloten tusschen de Staten- Generaal, den Kei-
zer, den koning van Spanje en den hertog van Lotharingen. Het
was de aanvang der coalitiën tegen Frankrijk..." (Hhtoire de
Louvois^ I* deel, blz. 474).
Digitized by
Google
276 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
•Hoe!" — roept Rousset verder uit (blz. 477 — 478) — ihoe!
De diplomatie en de wapenmacht waren volkomen geslaagd bij
zooveel ondernemingen; zooveel steden waten veroverd, om
zoo te zeggen in het voorbijgaan; èn toch had men daardoor
ten vorigen jare geen vrede kunnen krijgen! Hoe! was dit jaar
alles niet ten einde gebracht, nu de keurvorst van Brandenburg
de wapenen had neergelegd, nu Maastricht was ingenomen!
Hoe! dat kleine Holland, waarvan de eene helft was veroverd
en de andere helft onder water stond, dat bood nog weerstand;
en niet alleen dat het nog weerstand bood, maar het hitste zelfs
een groot deel van Europa tegen Frankrijk op! En toch was
het zoo; de oorlog met Holland was geëindigd; de oorlog met
Europa begon."
Die opmerking van den Franschen schrijver is van eene tref-
fende waarheid ; wie met wijsgeerigen blik de geschiedenis gade-
slaat, zal in de gebeurtenissen van 1672 en van de volgende
jaren weer een opmerkelijk bewijs vinden hoe het kwaad zich
zelf straft, en hoe de vernedering vaak volgt op den hoogmoed.
Tegen alle recht in, begint Lodewijk XIV in 1672 den oorlog
tegen ons; hij overwint, spoedig en volkomen; de Republiek
ligt machteloos aan zijne voeten, zij smeekt om vrede, zelfs
onder harde, onder drukkende voorwaarden;. — vergeefs: de
trotsche overwinnaar, door zijn krijgsgeluk bedwelmd, luistert
naar niets en heeft slechts spot en hoon ten antwoord; — het
is, alsof men den Ilias leest, waar Homerus »de nederige beden
(de smeekgebeden, dochters van Jupiter)" afschildert, »die, met
gerimpeld gela*at en met kreupelen tred den hoon volgen, om
zijn vergrijp te boeten." — Maar die onverbiddelijkheid van den
overwinnaar strekt hem ten verderve; onze voorouders putten
moed uit hun wanhoop; zij gorden zich krachtig aan tot den
kamp tegen Frankrijk; met eiken dag winnen zij in sterkte en
zelfvertrouwen; weldra is het Frankrijk, dat, den krijg moede,
naar vrede streeft ; weldra is het de Republiek, is het Willem UI,
die van geen vrede willen weten; en de dag van vergelding zal
aanbreken, waarop de Fransche koning te vergeefs zijn trots zal
buigen voor dat Nederland, dat hij eenmaal zoo versmaadde. Er
is waarheid in de verzen van Helmers:
41
ȣen Fransche Sultan zendt zijn benden,
met ketenen naar Holland neer.
Één polsslag nog, — wij zijn niet meer!
Wie zal die rampen van ons wenden? —
Hoe! wanhoopt gij? — God kent uw wee;
de Sultan die in de arm der weelde,
reeds Neêrland's grond als buit verdeelde,
smeekt ras aan Nederland om vree."
Digitized by
Google
ONTBINDING VAN HET LEGER VAN LODEWlJK XIV. 277
Tegenwoordig wordt de grootheid van Willem III als staats-
man en regent door niemand betwijfeld, die niet geheel en al
vreemd is aan de studie der geschiedenis. In 1673 oordeelde
Louvois er nog anders over ; later is hij van meening veranderd.
Pas opgetreden als hoofd van de Republiek ontwikkelt de
Stadhouder, reeds toen, die groote staatkundige bekwaamheid,
die hem spoedig de ziel maakte van het aan Frankrijk vijandige
Europa; reeds toen poogde hij alom onderhandelingen aan te
knoopen, ten einde zich bondgenooten aan te werven in den
kamp tegen Lodewijk XIV; en de zomer van 1673 bewees reeds
hoe schitterend hij daarin was geslaagd. Maar natuurlijk was het,
dat Willem III bij die handelingen de miskenning ondervond,
die het genie bij zijn eerste optreden altijd ondervindt: alleen
na verloop van tijd wordt het naar waarde gehuldigd. Zie onder
andere in Rousset's werk (i* deel, blz. 432 — 433), op welk een
spottenden en minachtenden toon Louvois gewaagt van die eerste
staatkundige handelingen van den grooten Stadhouder:
... 1 Elders betrapt Louvois den Prins van Oranje, terwijl deze
bezig is Europa opnieuw te verdeelen, ten koste van Frankrijk,
van Zweden, van Holland zelf. Aan den hertog van Lotharingen
heeft Willem beloofd zijn hertogdom terug te geven; aan de
Spanjaarden de vestingen in Staats-Vlaanderen en in Staats- Br aband,
het doen vervallen van het traktaat van Aken, en het terug-
keeren tot het traktaat der Pyreneën ; aan den koning van Dene-
marken de teruggave van de gewesten hem door de Zweden
ontnomen; aan den keizer Brisach^ Philipsburg, den geheelen
Elzas, benevens het palatinaat van Sandomir, en dat van Krakau
en van Lublin — reeds, een eeuw vooruit, eene verdeeling van
Polen! — 't is waar, in ruil zouden de Polen Zweedsch-Pom-
meren erlangen. Louvois spot met die plannen: fde Prins van
Oranje" — schrijft hij aan Stoppa — 1 heeft ongetwijfeld hooren
zeggen, dat Alexander op die wijze over koninkrijken beschikte ;
en hoewel hij noch de dapperheid, noch het verstand, noch de
legers van Alexander heeft, meent hij toch de Alexander van
deze eeuw te zullen zijn, als hij hem maar navolgt in die lan-
denverdeeling, hoe hersenschimmig die ook moge zijn. Had ik
tijd genoeg om de geschiedenis te lezen van Don Quichotte, ik
zou een zeer juiste vergelijking kunnen maken tusschen dezen
en den man waarvan ik spreek..."
De dag zal komen waarop men op een anderen toon van
Willem III zal spreken.
In het voorbijgaan merken wij aan, dat Rousset hier verkeerd
doet, met, op grond van losse, door niets gestaafde ontwerpen,
den naam van den Stadhouder in verband te brengen met die
latere gruweldaad, de verdeeling van Polen. Dat Willem III
overal bondgenooten zocht voor de Republiek, en daarbij mis-
Digitized by
Google
278 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
schien niet zuinig is geweest met beloften en toezeggingen, dat
was zeer verklaarbaar, zeer natuurlijk; het was voor hem eene
hoofdzaak om het grondgebied van de Republiek zoo spoedig
mogelijk vrij te maken van de vijandelijke wapenmacht, die daar
op de ergste wijze huishield en zwaren druk, onlijdelijk wee
over het land verspreidde.
HOOFDSTUK X.
naarden; WINTERVELDTOCHT VAN 1673*, ONTRUIMING
VAN HOLLAND.
Toen de Ruyter's overwinningen de vrees voor eene landing
in Holland hadden doen verdwijnen, en Lodcwijk XIV na de
inneming van Maastricht zijn leger had verdeeld en tot onbe-
duidende verrichtingen aangewend, achtte Willem III het oogen-
blik gekomen om, op zijn beurt, tot den aanval over te gaan,
en, evenals het jaar te voren, den oorlog over te brengen naar
de Spaansche Nederlanden, of naar den kant van den Rijn, om
daardoor den vijand te dwingen het grondgebied der Republiek
te ontruimen. Er was nu meer hoop dat die aanvallende bewe-
ging voordeel zou aanbrengen, daar een bondgenootschap, den
isten Juli te 's Gravenhage met Spanje en den Keizer gesloten
en den 3osten Augustus bekrachtigd, de hulp van die bondge-
nooten bepaaldelijk had toegezegd; Monte Cuculi, het bekwame
legerhoofd van den Keizer, misnoegd over de jammerlijke ope-
ratiën van het voorgaande jaar, had dan ook het opperbevel
alleen willen behouden onder deze voorwaarde, dat hij eene
volkomen vrijheid van handelen zou hebben, en niet belemmerd
zou worden door de voorschriften van 's Keizers ministers.
Intusschen zou er nog eenige tijd verloopen, alvorens het
Keizerlijke leger aan den Rijn zou kunnen verschijnen. Turenne,
in Juni eerst stelling hebbende genomen nabij de Lahn en een
gedeelte zijner macht hebbende afgezonden om deel te nemen
aan het beleg van Maastricht, was, toen die afgezondene afdee-
ling terugkwam, Duitschland verder binnengedrongen, en stond
op het einde van Augustus nabij den Main. Het Keizerlijke
leger trok toen bijeen aan de westzijde van Bohemen, te Egra;
dat leger, aanvankelijk 15000 man voetvolk en 10 000 ruiters
sterk, klom later, volgens Beaurain, tot eene geheele sterkte van
35000 man; de Nieuwe Mercurius zegt, dat het den 22sien
Augustus te Egra sterk was 20000 man voetvolk, 12000 ruiters
Digitized by
Google
NAARDEN. 279
en 1000 dragonders. De macht van Turenne op dat oogenblik
kan op een 20 a 25000 man worden geschat. De overmacht
was dus aan de zijde van den Keizerlijken veldheer; wanneer
deze van die overmacht wist gebruik te maken, zou hij den
oorlog naar den Rijn kunnen overbrengen. Daar het Keizerlijke
leger zich echter eerst in het begin van September in beweging
stelde^ was daarvan nog geen spoedige medewerking in de
Nederlanden te verwachten ; daarom besloot Willem UI dien tijd,
dien men op dit hulpleger moest wachten, zich te nutte te
maken om in Holland zelf den vijand afbreuk te doen.
De Stadhouder koos hiertoe de belegering van Naarden. De
verovering van die vesting was belangrijk, omdat door die ver-
overing Ara sterdam meer werd beveiligd, en eene latere aanval-
lende beweging naar de zijde van Utrecht werd voorbereid; die
verovering was mogelijk in korten tijd te verkrijgen en met
weinig verlies, — zooals de beschrijving van den toestand dier
vesting zal doen zien.
Naarden was toentertijd omgeven met een gebastionneerden
zeshoekigen hoofdwal, met daarvoor liggende natte gracht, be-
dekten weg, glacis, en enkele buitenwerken (ravelijnen). Door hare
ligging heeft die vesting natuurlijke sterkte, wanneer de ver-
dediger tevens meester is van de Zuiderzee, waarvan zij slechts
een 800 pas is verwijderd, en waarmede zij gemeenschap had
door eene vaart; maar in 1673 misten de Franschen dit voor-
deel. Voor het overige ligt de stad in eene open landstreek, die
de werkzaamheden van den aanvaller niet in het minst belem-
mert. De hoofdwal en de ravelijnen waren aarden werken, zon-
der bekleedingsmuren ; de bedekte weg was gepalissadeerd, en
aan den voet van den hoofdwal bevond zich een doornheg. De
gracht werd gezegd op verschillende punten doorwaadbaar te
zijn; en bovendien had men enkele dammen daar doorheen,
van 6 ^ 8 el breedte, om de gemeenschap van den hoofdwal
met den bedekten weg uit te maken ; die dammen waren echter
afgesloten met palissaden. De buitenwerken waren klein, evenzoo
de bastions van den hoofdwal; en van binnenverschansingen
wordt geen gewag gemaakt.
Naarden was dus, op zich zelve, eene kleine vesting, van geen
bijzondere sterkte. Zij was echter voorzien van eene talrijke be-
zetting, die, behalve uit 180 ruiters, bestond uit 800 Zwitsers en uit
de regimenten van Turenne, Normandië, Navarre en Lamothe;
In het geheel maakte dit een kleine 3000 man uit; de bloem
van het Fransche leger, — zeggen ónze schrijvers; hoezeer —
zooals men zal zien, — dat oordeel niet wordt bevestigd door
de verdediging van Naarden. De bevelhebber was Dupas, «offi-
cier de réputation'\ zegt Beaurain, srecommandé au ministre
Digitized by
Google
28o KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
par M. De Turennc"; — ook op dat gunstig oordeel heeft de
verdediging van Naarden het zegel niet gedrukt. De bewapening
van Naarden was zwak : volgens ééne opgave had men er maar
19 stukken, waaronder verscheidene onbruikbaar, en geen enkel
van zwaar kaliber; Dupas zelf spreekt van slechts 13 of 14 stuk-
ken, en daarvan nog drie onbruikbaar. — Wat evenwel voor de
verdediging van Naarden eene gunstige kans opleverde, was de
weinige moeilijkheid om met een leger op te rukken tot ontzet
van die vesting: het omliggende terrein is bijna overal geschikt
voor bewegingen van groote troepenkorpsen; het is niet als bij
andere steden van ons land, zooals onder andere bij Woerden,
waar het leger dat tot ontzet oprukt slechts enkele wegen kan
volgen, die de belegeraar zorgvuldig kan bezetten en verschansen.
De toestand van Naarden, denkelijk aan de Hollandsche zijde
niet onbekend, gaf hoop op de vermeestering van die vesting;
de gemakkelijkheid voor een leger om tot ontzet op te dagen,
dwong den Stadhouder, den aanval op die vesting zooveel mogelijk
te verhaasten, en tijd te winnen door de tegenpartij te misleiden
aangaande het voornemen tot dien aanval. Die misleiding ge-
schiedde door het bedreigen van andere vijandelijke vestingen.
Terwijl de troepen, die in Zeeland geweest waren om de ver-
wachte landing des vijands te keeren, weer bij het leger terug-
kwamen; terwijl 8000 gewapende burgers uit de Hollandsche
steden werden opgeroepen om de Hollandsche waterlinie te be-
zetten, en daardoor een gedeelte der daar aanwezige krijgsmacht
beschikbaar te maken; terwijl het leger den 29sten Augustus uit
Noord-Braband naar Holland opbrak; trok eene afdeeling van
1500 ruiters tot nabij Grave voort, als om die vesting te beren-
nen; en een aantal gewapende vaartuigen verschenen op den
Waal voor Bommel, en deden een schijnaanval op die stad.
Luxembourg, daardoor misleid en vreezende voor Grave of Bom-
mel, verliet Utrecht en plaatste zich te Tiel; zijne daar aanwezige
macht wordt begroot op een 5 k 6000 man.
Van het Hollandsche leger werden 7 regimenten infanterie
ingescheept, en gingen over water door Holland naar Amsterdam ;
te Muiden werden zij weer ontscheept. De hoofdmacht van het
leger trok van Raamsdonk op Werkendam, ging de bruggen
over te Hardinxveld en te Schoonhoven, marcheerde op Alphen,
op Ouderkerk en werd in schuiten de Vecht overgezet naar
'sGraveland; eene aldaar bij de Vecht staande Fransche afdee-
ling van een paar honderd man werd spoedig teruggedreven op
Naarden. Fariaux komt den 6cn September met de ruiterij voor
Naarden, berent die vesting, en neemt eenige wagens met levens-
middelen die van Utrecht derwaarts waren gezonden. In den
loop van den dag komt het geheele leger aan ; en terwijl Waldeck
Digitized by
Google
NAARDEN. 28 I
met een gedeelte stelling neemt bij Loosdrecht, Ankeveen en
Hilversum, slaat zich de hoofdmacht meer in de onmiddellijke
nabijheid der vesting neder; het hoofdkwartier van Willem III
komt te Bussum. De geheele sterkte van het leger des Stadhou-
ders was een 25 000 man ; daarvan maakten de Spaansche regi-
menten, onder Don Francesco d'Aguerto, een 6000 man uit.
Hoewel sommige van onze schrijvers van het maken eener
circonvallati e-linie spreken, zoo is het toch waarschijnlijk,
dat dit op zijn hoogst zal hebben bestaan in het verschansen
van de kwartieren en van enkele posten; maar dat men zich
hier niet een doorloopende aaneengeschakelde linie moet voor-
stellen: daartoe was de ruimte die men moest verschansen te
uitgestrekt, de tijd dien men daaraan kon besteden te kort.
De aanvalswerkzaamheden tegen de vesting werden zonder
eenig verwijl begonnen en op het krachtdadigste voortgezet. Het
oostelijk gedeelte van Naarden was het front van aanval. In den
nacht van den 8sten op den gen September werden daar de
loopgraven geopend, 5 verder dan een musketschot van de ves-
ting af," zegt een der berichtgevers, — blijkbaar de dracht van
een musketschot voor eene vaste en bekende grootheid aan-
nemende. Dat openen van de loopgraven werd volstrekt niet
verhinderd door de belegerden, die het zelfs eerst ontdekten toen
de dag reeds was aangebroken.
In twee loopgraven naderde men de vesting; rechts werden
zij aangelegd door de Spanjaarden, links door de Hollandsche
troepen; die beide nadernissen waren, zegt eene opgave, ver-
zekerd door wapenplaatsen, of verschansingen, evenwijdig
aan de stad; — zoodat men hier moet denken aan de aan-
wending van parallellen. Het openen der loopgraven was
voorafgegaan door het aanleggen van batterijen aan verschillende
zijden der vesting^ zoowel bij het front van aanval als aan den
zeekant, en naar de zijde van de Muidensche vaart. Het aantal
dier batterijen wordt verschillend opgegeven ; maar zooveel schijnt
zeker, dat er tegen het front van aanval drie waren. Eéne op-
gave zegt, dat de belegeraars 40 vuurmonden in werking brach-
ten: 18- 24- en 36 ponders, benevens mortieren; dat geschut
was over zee, van Amsterdam aangevoerd en begon reeds den
Ssten het vuur te openen; volgens sommige opgaven werd door
twee batterijen dit vuur zelfs reeds op den yen begonnen.
Pe artillerie van den belegeraar had natuurlijk spoedig de
overhand op die des belegerden, die, volgens opgave van Dupas
zelf, op ieder bastion maar een paar vuurmonden had. Weldra
werd het Fransche geschut grootendeels tot zwijgen gebracht;
en dat der Nederlanders richtte nu groote verwoestingen aan in
de werken der stad, schoot poorten en palissadeeringen omver.
Digitized by
Google
282 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
vernielde den doornheg op de berm^ en maakte bressen in den
hoofdwal, — zegt De Quincy. Moet men dat alles maar voor
goede munt aannemen? — dat men een poort kleinschiet, en
eenige palissaden — daarom nog geen g e h e e 1 e palissadeering —
dat is te begrijpen; maar minder goed is het te begrijpen, hoe
men een doornheg vernielt, die toch altijd eenigszins gedekt is
door het voorliggende glacis; of hoe men bressen maakt in
een aarden wal zonder bekleedingsmuur : al maakt een kanons-
kogel eene opening in de doornheg, dit is daarom nog niet
hare vernieling; en al kantelt eenige aarde der borstwering af^
dit is daarom nog geen bres.
Maar zooveel schijnt ten minste zeker, dat het overmachtige
geschutvuur der Nederlanders hunne aanvalswerken geheel en al
bevrijdde van 's vijands vuur, en dat die werken dan ook zeer
spoedig voortgingen: in den nacht van 10 — 11 September was
men reeds genaderd tot op een 150 pas van den bedekten weg.
Ook door uitvallen werd de voortgang van den aanvaller zeer
weinig vertraagd ; er hadden 's nachts enkele uitvallen plaats,
maar van weinig of geen beduidenis. Bij een dier uitvallen, in
den nacht van 9—10 September gedaan, werd door de belege-
raars een ritmeester gevangen genomen, »die vroeger met het
geld van den Staat tot den vijand was overgeloopen."
De hoop der verdedigers van Naarden was nu geheel en al
gevestigd op een nabijzijnd ontzet. Men seinde met lichten, op
den stadstoren, naar Utrecht ; en hoezeer, naar de gewoonte van
die tijden, de aanvaller zijn geschutvuur ook richtte op den
toren en hooge gebouwen van Naarden, en — volgens Valcke-
nier's verzekering — tot driemaal toe die lichtseinen wegschoot^
zoo kon het gevaar, waarin de vesting verkeerde, te Utrecht
niet lang onbekend blijven. Maar, iets anders dan het gevaar
te kennen, was het dit af te wenden.
Luxemboyrg was nu te Utrecht teruggekomen, en had nabij
die stad, te Zeist, eene macht vereenigd van een 10000 man,
later nog versterkt door 4 regimenten ruiterij, die vroeger bij
het leger des Munsterschen bisschops waren geweest; een onzer
schrijvers — Van den Bosch — begroot de geheele legermacht
des Franschen veldheers op 13 a 14000 man. Maar met die
macht rekende Luxembourg zich nog niet sterk genoeg om het
leger des Stadhouders aan te vallen; hij bepaalde er zich toe,
afdeelingen ruiterij vooruit te zenden in de richting van Naar-
den, om de bondgenooten afbreuk te doen, en te trachten in
gemeenschap te komen met de vesting. Den 9"! September had,
voorbij Eemnes, een gevecht plaats tusschen eene dier afdee-
lingen, een duizend paarden sterk, onder Gassion, en een drie*
honderd ruiters van het leger van Willem III; de Hollanders
Digitized by
Google
NAARDEN. 285
ondervonden daarbij eenig verlies, en een dapper kavalerie-
officier, de ritmeester Heemskerk, sneuvelde in dat gevecht, —
een dood, dien beroemden naam waardig. — Denkelijk wachtte
Luxembourg nog versterking, alvorens ten aanval op te rukken
tegen het HoUandsche leger; maar voordat hij die poging tot
ontzet beproefde, was de vesting reeds gevallen.
De flauwe wederstand dien men ondervond, en de waarschijn-
lijkheid dat binnen weinige dagen een Fransch leger zou opdagen
tot hulp van Naarden, deden den belegeraar besluiten, den ge-
regelden gang van een beleg te verlaten, en onverwijld over te
gaan tot eene bestorming van den bedekten weg. Voornamelijk
schijnt men daartoe te hebben besloten op aandrijven van den
Spaanschen bevelhebber d'Agüerto, een man van veel stoutheid^
en met wiens inzichten Willem III zich dan ook dadelijk ver-
eenigde.
De nacht van den ii — i2en September is voor dien storm be-
paald; men zal het ravelijn aanvallen vóór de Huizerpoort, te
gelijk met den bedekten weg vóór de bastions aan weerszijden
van die poort. Aan de Spaansche zijde zal de storm verricht
worden door het regiment van den markies van Warignies ; aan
de HoUandsche zijde door het regiment mariniers van Palm,
ondersteund door de helft van het regiment van Wee. Ver-
scheiden hoofdofficieren zullen, als vrijwilligers, dien storm mede-
maken; men vindt daaronder genoemd Wijnbergen, den vroe-
geren bevelhebber van Rees.
Elf uur 's avonds is het uur, bepaald voor den storm. Aan
de eene zijde snellen de Spanjaarden van Warignies, aan de
andere zijde de zeesoldaten van Palm, naar den bedekten weg
van het front van aanval, waar 600 man der bezetting gereed
staan om hen te ontvangen. £en hevig musket vuur doet vele
der aanvallers sneuvelen; maar onversaagd blijven de anderen
voortgaan, bereiken den bedekten weg, houwen de palissadeering
omver, en storten zich nu, met den degen in de vuist, op den
vijand. De aanvallers betoonen hier een buitengewone dapper-
heid, vooral de HoUandsche zeesoldaten, wier koene aanvoerder.
Palm, hoezeer gewond en twee zijner zonen naast zich ziende
vallen, toch, onbezweken, het gevecht blijft volhouden. De moed
der verdedigers beantwoordt niet aan dien der aanvallers; Dupas
zelf is niet tegenwoordig op de plaats van het gevecht; hij was
op een ander gedeelte der vesting; en toen hij eindelijk daar-
heen ging waar de strijd woedde, waren bedekte weg en ravelijn
reeds verloren, en zag hij zijne soldaten in overijling vluchten
en hunne wajpens wegwerpen. Noch de stem des bevelhebbers,
noch het onverpoosde gelui der alarmklok waren in staat de
Fransche soldaten dddr te vereenigen, waar zij moesten zijn; en
Digitized by
Google
284 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
met moeite slaagde men er in meester te blijven van den hoofd-
wal, daar reeds enkele soldaten van Willem III, de vluchtelingen
op den voet volgende, tot in de stad waren doorgedrongen. In
dezen strijd, die drie uren duurde, waren, volgens onze schrij-
vers, de verliezen van den belegerde grooter dan die van den
belegeraar.
Toen de dag aanbrak ontdekte men uit de vesting, dat de
belegeraar zich reeds geheel had ingegraven bij den bedekten
weg. Een wapenstilstand, door de Franschen gevraagd, werd
geweigerd, en integendeel alle toebereidselen gemaakt om den
hoofdwal te bestormen. De batterijen hielden onverpoosd met
haar vuur aan om dien hoofdwal te vernielen of beklimbaar te
maken; fascinen werden bijeengebracht; aan den grachtsover-
gang begonnen; en, op des Stadhouders bevel, een algemeen
gebed gedaan om 's hemels zegen af te sraeeken over de Hol-
landsche wapenen. Dit alles maakte zulk een indruk op de ge-
heel ontmoedigde bezetting, dat zij aan geen wederstand meer
dacht, maar, ongewapend op den wal verschijnende, riep, dat
men in onderhandeling wilde treden. Spoedig was de onderhan-
deling afgeloopen. Een krijgsraad, door Dupas bijeengeroepen,
was eenparig van gevoelen, dat men de vesting moest overgeven ;
reeds op den middag van den iscq September werden de voor-
waarden van die overgave vastgesteld, en den volgenden och-
tend werd Naarden door de Nederlanders in bezit genomen;
de bezetting, nog 2700 man tellende, verkreeg een vrijen aftocht
naar Utrecht. Het geheele verlies van het leger van Willem III
bij dit zesdaagsche beleg wordt geschat op een 100 dooden en
een 200 gewonden.
Dat beleg van Naarden is eene handeling geweest, die zich,
van de zijde des aanvallers, heeft gekenmerkt door groote stout-
heid in het ontwerpen, en krachtdadigheid in het uitvoeren.
Vroeger is reeds gezegd, dat de open landstreek rondom Naar-
den zeer in het nadeel was van den belegeraar, in zoover, dat
zij weinig hulpmiddelen opleverde tegen een vijandelijk leger dat
het ontzet der vesting wilde ondernemen. Zich binnen verschanste
liniën te plaatsen, daartoe zou het waarschijnlijk aan tijd ont-
breken; en wanneer Luxembourg met een legermacht oprukte,
dan bleef er niets anders over dan met een gedeelte des legers
het beleg voort te zetten en met het andere gedeelte den vijand
het hoofd te bieden en slag te leveren. Maar zulk een handeling
mocht al aanvankelijk, bij de sterkte van het Hollandsche leger,
zonder gevaar zijn; het was wel te voorzien, dat wanneer het
beleg eenigen tijd duurde, het Fransche legerhoofd zooveel ver-
sterkingen aan zich zou trekken, dat het dan voor de macht
Digitized by
Google
NAARDEN. 285
des Stadhouders niet langer raadzaam zou zijn hem af te wach-
ten en slag te leveren. Het was dus noodzakelijk het beleg van
Naarden ten einde te brengen, vóórdat Luxembourg eene macht
zou kunnen vereenigen, groot genoeg om het ontzet te beproe-
ven; — in het voorbijgaan zij opgemerkt, dat wanneer Luxem-
bourg een 13 k 14000 man daarvoor nog niet voldoende
rekende, dit wel een bewijs is, dat hij volstrekt niet meer deelde
in die geringschatting welke de Fransche bevelhebbers bij het
begin van dezen oorlog voor de Hollandsche troepen koesterden,
en dat de strijd, het jaar te voren bij Woerden geleverd, hem
de waarde dier troepen had leeren kennen.
Het beleg van Naarden moest dus door alle mogelijke mid-
delen bespoedigd en verhaast worden; en dit heeft dan ook
plaats gehad. De weinig wetenschappelijke opgaven welke onze
schrijvers over dit beleg meêdeelen, laten niet toe met juistheid
te beoordeelen, of alle handelingen van den aanvaller goed en
doeltreffend zijn geweest; maar toch kan men het er voor hou-
den, dat die handelingen over het geheel allen lof verdienen en
de vesting op een beleidvolle, krachtdadige wijze werd aange-
tast. Men vindt melding gemaakt van wapenplaatsen en paral-
lellen; men merkt eene goede aanwending op van de artillerie;
noen bespoedigt de werkzaamheden, door de loopgraven zeer
nabij de vesting te openen, welker slechte bewapening dit weinig
gevaarlijk maakte; men verkort den tijd van het beleg, door
den bedekten weg te bestormen, wat, bij de zwakheid die de
bezetting betoonde, ook een zeer goede handeling was; en door
de geweldige wijze waarop men de vesting aangrijpt, doet men
den ontmoedigden verdediger de wapens uit de handen vallen.
Men belegerde Naarden, niet zooals men zou doen, als het vol-
strekt niet aankwam op verlies van tijd; maar men belegerde
het, zooals men moet doen, wanneer men daartoe slechts over
een beperkt aantal dagen heeft te beschikken, en wanneer het
dus goed is, den tijdduur te verkorten, zelfs met opoffering van
troepen ; — hier echter was, door de zwakheid der verdediging,
die opoffering niet bijzonder groot.
Er is veel overeenkomst tusschen het beleg van Naarden in
1673, ^° ^^^ ^^^ Ciudad-Rodrigo, in 181 2, toen Wellington die
vesting aantastte en innam. Bij beide belegeringen was men aan
een beperkten tijd gebonden, dewijl men bij een langeren duur
des belegs zeker kon zijn van vijandelijke legers tot ontzet te
zien opdagen; bij beide belegeringen moest men dus afwijken
van den regelmatigen gang die de wetenschap voorschrijft, om,
door krachtsaanwending, door opoffering van troepen, spoediger
tot het beoogde doel te geraken: beide belegeringen werden
met een goede uitkomst bekroond, en de aangevallene vesting
genomen vóórdat een hulpleger haar kon redden. Maar in het
Digitized by
Google
286 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
voordeel van den Oranjevorst moet men opmerken, dat, volgens
de krijgs voering van den tijd waarin hij leefde, de inneming van
Naarden een belang had, dat die van Ciudad-Rodrigo miste,
«n dat de inneming der eerste vesting voorbereid werd door
betere maatregelen, door een krachtiger aanwending van de artil-
lerie, dan men bij de belegering van de Spaansche vesting opmerkt.
De verdediging van Naarden is hierboven zwak genoemd ; een
beteren naam verdient zij niet. Het is bekend dat de Fransche
bevelhebber van die stad de gansche gestrengheid zijns Konings
moest ondervinden, en te Utrecht eene schavotstraf onderging
«n tot levenslange gevangenis werd veroordeeld, later echter,
in 1674, kwam daarin de verandering, dat hem vergund werd,
als vrijwilliger in de vesting Grave de wapenen te voeren; bij
het beleg van die vesting vond de ongelukkige den dood. De
Hollandsche schrijvers zijn over het algemeen van oordeel ge-
weest, dat men dat harde vonnis over Dupas geveld, als onver-
diend en onbillijk moet beschouwen; zij wijten het aan vijand-
schap van de zijde van Luxembourg, aan hofkuiperijen, zelfis
aan vrouwenhaat; — denkelijk is de zachte en menschelijke
wijze, waarop Dupas zich als bevelhebber van Naarden heeft
gedragen, niet zonder invloed geweest op dit gunstig oordeel
van onze schrijvers te zijnen opzichte. Maar ook Voltaire keurt
het vonnis, over Dupas geveld, geheel af; het was — zegt hij —
>une ignominie inutile pour les officiers francais, qui sont assez
sensibles k la gloire pour qu* on ne les gouverne point par la
crainte de la honte." Hij noemt hem >un tres brave officier";
wijt de schuld zijner veroordeeling aan Louvois; en zegt, na
het sneuvelen van Dupas vermeld te hebben: >son courage et
sa mort durent laisser des regrets au marquis de Louvois, qui
Tavait fait punir si durement. La puissance souveraine peut mal-
traiter un brave homme, m?iis non pas Ie déshonorer."
Iedereen zal die laatste woorden van den Franschen schrijver
beamen; en zeker zal niemand, die weet, hoe dwaling, partij-
zucht, of vijandschap van grooten en machtigen der aarde soms
gerechtigheid de plaats doen afstaan aan willekeur, zeggen, dat
hij die door een onteerend vonnis is getroffen, daarom altijd
€en man is zonder eer; — integendeel, meer dan éénmaal heeft
het nageslacht zulk een vonnis vernietigd, hem dien het trof in
zijne eer hersteld, en de schande en eerloosheid doen neder-
vallen op de onwaardige rechters. Wij twijfelen echter, of zoo
iets ten opzichte van Dupas gegrond is; wij willen het gaarne
gelooven dat hij, vroeger en later, een braaf krijgsman is ge-
weest, maar wij kunnen niet zeggen, dat hij zich bij Naarden
als zoodanig heeft betoond; wij meenen, mét Voltaire, dat ont-
eerende straffen onnoodig zijn om officieren aan hun plicht te
houden, en bij een vergrijp, als dat aan Dupas ten laste gelegd,
Digitized by
Google
NAARDEN. 287
ZOU de doodstraf verreweg de voorkeur verdienen; maar wij
zijn tevens van meening dat Dupas als bevelhebber van Naar-
den volstrekt niet gedaan heeft wat zijn plicht was, en dat zijn
gedrag aldaar niet ongestraft mocht blijven.
Naarden was geen sterke vesting, de werken waren misschien
niet in den besten toestand, de bewapening gering, — maar de
bezetting telde toch 3000 man, eene aanzienlijke sterkte voor
zulk een kleine vesting. Met zulk eene bezetting kon, en moest,
men meer gedaan hebben. Men doet zoo goed als niets ; 's vijands
overtocht van de Vecht wordt niet in 't minst belemmerd ; men
doet niets om het openen der loopgraven te beletten, om den
voortgang der aanvalswerken te vertragen; de enkele uitvallen
die men verricht, zijn geheel onbeduidend; geen moed, geen
geestdrift weet de bevelhebber bij zijne troepen op te wekken;
de zwakheid dier troepen doet den storm op den bedekten weg
gelukken; en de enkele bedreiging van eene bestorming van
den hoofdwal beslist de overgave der vesting. Dat kan men geen
goede verdediging noemen, geen plichtsbetrachting des bevel-
hebbers; en wanneer die bevelhebber zich daarop beroept, dat
er toch geen ontzet kwam en dat eene capitulatie ten minste
de bezetting zou redden, dan zijn dit niets dan nietige uitvluch-
ten: het beleg had nog slechts zes dagen geduurd; men moest
de verdediging voortzetten om Luxembourg tijd te geven een
leger tot ontzet te vereenigen; en op het behoud der bezetting
kwam het hier minder aan dan op het behoud der vesting en
vooral op het behoud der wapeneer. Dupas beroept zich op het
eenparige gevoelen van den door hem vergaderden krijgsraad,
die voor de overgave stemde ; maar ook dit verontschuldigt hem
niet; en toen hij tegen dien krijgsraad zeide: > mijne heeren,
dewijl dit uw gevoelen is, zoo moet het ook het mijne wezen",
toonde hij, door die woorden, dat hij geen begrip had van de
verplichting en de verantwoordelijkheid die op den bevelhebber
eener vesting rusten; de bevelhebber eener vesting beslist, alléén,
wat er gedaan moet worden, en geen stemming van een krijgs-
raad mag hij aanvoeren tot verschooning van een laffe daad.
Wat ook opmerking verdient, dat is de sterkte der Naardensche
bezetting, omdat men daaruit ziet welk een aanmerkelijk gedeelte
van de Fransche legermacht in Holland toenmaals buiten wer-
king werd gesteld door de vestingen. Mogelijk zal Naarden, als
onmiddellijk nabij den vijand gelegen, beter zijn voorzien ge-
weest dan andere steden; maar toch denkelijk niet beter dan
Woerden, Utrecht en Grave, — plaatsen die evenzeer blootge-
steld waren aan de aanvallen van de zijde der Hollanders; en
wanneer men dan ziet, dat door een vesting van zoo kleinen
omvang alleen reeds een 3000 man onnut worden gemaakt, dan
kan men zich een denkbeeld vormen van het geheele bedrag
Digitized by
Google
288 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
der legermacht, die versnipperd was in het groot aantal sterke
steden, door het Fransche leger in Holland bezet.
Uit Rousset (i« deel, blz. 481 — 482) kan men opmaken, hoe
die gebeurtenis van Naarden de hoofden van het Fransche
krijgswezen schokte; en met welk een diepe verontwaardiging
zij de smadelijke nederlaag vernamen, aan de Fransche wapenen
toegebracht door een tot nu toe geminachten vijand:
• Maar plotseling wordt men als door een bliksemstraal ge-
troffen, op het hooren van een verbazingwekkend nieuws. De
gouverneur Dupas, tot dien tijd een goed en dapper officier,
had alle beradenheid verloren, toen hij daar alléén stond, zonder
hulp, aan het uiteinde van Holland, en aangevallen werd te zee
en te land; hij had zich den i2en September overgegeven, na
een beleg van slechts vier dagen, terwijl de verdedigingswerken
nog weinig hadden geleden, terwijl hij nog eene bezetting had
van 2200 man, en nog voor een maand leeftocht en munitie.
Luxembourg was verbijsterd en woedend: »de vijand," zeide hij,
• heeft te Naarden eene bezetting gevonden, even laf als hij zelf;
en dat Dupas zich heeft overgegeven op de wijze zooals hij dit
heeft goedgevonden, dat is iets zonder voorbeeld. Hij heeft
zijne vesting overgegeven op zijn Hollandsch {è la Hollandaise) ;
iets wat ik nooit zou hebben geloofd." Louvois, van zijn kant,
was zoo vast overtuigd dat Dupas zijn plicht zou doen, dat hij
reeds bedacht was op diens belooning voor zijne goede verdedi-
ging; men verbeelde zich dus zijn toorn, op de tijding van »de
eerlooze overgave van Naarden". De prins van Condé was even-
zeer verontwaardigd: »die handeling," zeide hij, »is zoo te ver-
oordeelen, en maakt zulk een verderfelijk voorbeeld uit, dat zij
een zeer strenge straf verdient."
Het scheelde weinig, of Lodewijk XIV had zelf, en op het
eigen oogenblik, het doodvonnis uitgesproken over Dupas, >om
een voorbeeld te stellen," zeide Louvois, »dat andere bevelheb-
bers van vestingen tot waarschuwing kan dienen, en om den
vreemdeling te leeren, dat als de Franschen lafheden begaan,
die lafheden bij hen niet ongestraft blijven." Toch werden de
vormen der rechtspleging in acht genomen..."
Dat verlies van Naarden brengt de Fransche bewindhebbers
op het denkbeeld, dat zij in Holland te veel vestingen hebben;
dat het beter is dat aantal te verminderen: dan kunnen de
overblijvende beter worden verdedigd ; en dan kan men Willem III
beletten, zulk eene onderneming als die tegen Naarden te her-
halen. Maar Louvois wil dat de Hollandsche steden die men zal
verlaten, zooveel mogelijk worden verwoest of verbrand; de
tegenspoed verdubbelt de woede van den geweldenaar (Rousset,
I' deel, blz. 4S4 — 485):
Digitized by
Google
WINTERVELDTOCHT VAN 1673. 289
1 » Hadden wij eenige steden minder," zeide Luxembourg
(15 September), »dan hadden wij meer troepen om de andere
te bezetten.'* Louvois machtigde hem om, dadelijk en zonder
nader bericht, de steden te doen ontmantelen die hem daartoe
het meest geschikt zouden voorkomen; omdat het noodig was^
het kostte wat het wilde, den Prins van Oranje te beletten
nieuwe voordeelen te behalen; — en niet alleen moest men de
op te geven steden ontmantelen, maar men moest ze zelfs geheel
afbranden, opdat de vijand daar noch verweermiddel, noch
onderkomen vinde (20 September). De Intendant Robert, de
uitvoerder der wreede bevelen," — V executeur des hautes oeuvres;
strikt genomen: »de beul" — , had voorschriften die wreed en
nog meer bepaald waren: ontmantelen, afbranden en de inwo-
ners tot den bedelstaf brengen. Louvois schreef hem, den lóen
October: »ik ben overtuigd dat het niet zoo gemakkelijk is, om
de troepen te doen onderhouden door de steden die men wil
ontruimen; dat dit veel geschreeuw zal geven, dat de inwoners
misschien zullen wegloopen; maar het is beter dat alle Hol-
landsche steden teniet gaan, het is beter dat de inwoners weg-
loopen, dan dat 's Konings soldaten deserteeren. Men moet zich
niet laten afschrikken; en als men den eenen dag een twintig
huizen heeft omvergehaald, dan moet men den volgenden dag
er evenveel omverhalen, — onvermoeid. Toch is het goed, dat
gij begint met op de huizen der afwezigen eene belasting te
leggen, van zooveel daags; en, wordt die niet betaald, dat gij
dan begint met die huizen af te breken; het houtwerk en de
dakpannen moeten de soldaten hebben, opdat den eigenaar niets
overblijve."
Rousset laat daarop deze opmerking volgen:
•Die daden van geweld zijn niet te rechtvaardigen; zelfs kan
men ze niet verontschuldigen als uiterst middel om den tegen-
stand der Hollanders te doen ophouden. Het is niets anders dan
de jammerlijke wraak van teleurgestelden trots."
Spoedig echter zouden die geweldenarijen der Franschen in
Holland ophouden; want kort na de inneming van Naarden
hervatte Willem III zijne onderneming van den winter van 1672,
en ditmaal met beter gevolg. De meesterlijke strategische hande-
ling van den Stadhouder werd ditmaal bekroond met Holland's
bevrijding.
Verschillende omstandigheden, vooral het nog niet nabij ge-
noeg zijn van het Keizerlijke leger, deden na Naarden's val nog
eenige weken verloopen, alvorens Willem III zijne aanvallende
beweging naar de zijde van Duitschland begon; een gedeelte
zijner macht zou hem hierbij vergezellen: 6000 ruiters, J500
WILLEM III. — T. 19
Digitized by VjOOQIC
290 KRIJGS- EN (JESCHIKDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
dragonders en slechts 2500 man voetvolk; bij die 10 000 man
zou Spanje een legerkorps van 15000 man voegen, zoodat de
Stadhouder in het geheel aan het hoofd eener macht van 25 000
man zou staan. Intusschen zou Waldeck, met 6 regimenten rui-
terij en het grootste gedeelte der infanterie, Holland tegen de
aanslagen van Luxembourg beschermen, en dien Franschen aan-
voerder beletten troepen af te zenden naar den Rijn, of naar de
Spaansche Nederlanden.
Condé had toentertijd in het land van Aalst eene macht ver-
eenigd van 5000 man ruiterij en 7000 man voetvolk, kort daarop
nog versterkt door een tiental eskadrons (1200 paarden), door
Lodewijk XIV uit Lotharingen afgezonden; de Fransche veld-
heer begon zich al meer en meer vijandig te gedragen tegen de
Spaansche regeeringspersonen, die zoowel in Maastricht als voor
Naarden de Nederlanders hadden ondersteund; de oorlog was
nog niet verklaard, maar reeds deed Condé Vlaanderen brand-
schatten. Ook van de afpersingen en plunderingen door de
Fransche troepen in Holland geven onze schrijvers hoog op; —
zij voegen er echter bij, dat ook de eigen troepen, en vooral de
Spanjaarden die voor Naarden waren geweest, zich bij het heen
en weer marcheeren schuldig maakten aan erge buitensporigheden
jegens den landzaat Schiller's gezegde: >es ist der Krieg ein
roh gewaltsam Handwerk", is altijd eene waarheid, maar was het
toen vooral.
Den 29sten September begaf de Stadhouder zich naar het
leger te Rozendaal. Na eene samenkomst, den 4en October, te
Putten met Monterey en na dien Spaanschen landvoogd later te
Antwerpen te hebben bezocht en daar met uitstekende eerbe-
wijzingen te zijn ontvangen, ~ was men eindelijk tot overeen-
stemming gekomen omtrent de wijze waarop de Spaansche en
de Hollandsche legermacht zich zouden vereenigen ; er werd be-
paald, dat de eerste zou bestaan uit 4000 ruiters en 1 1 000 man
voetvolk, waarvan 8000 zouden zijn samengesteld uit Spaansche,
Italiaansche of Waalsche regimenten, en 3000 uit Duitsche.
Willem III zou het opperbevel hebben over die vereenigde
macht.
Den i2en en 13611 October begint de opmarsch van het Hol-
landsche leger van Rozendaal, Woensdrecht en Ossendrecht; het
trekt in de richting van Herenthals en Lier, waar het zich, den
i6en, met de Spaansche troepen vereenigt; toen marcheert de
vereenigde macht over de heide bij Mol en Balen, door het
Kempenland heen, naar de Maas. Over die rivier had men,
eerst nabij Roermond, een brug laten slaan; maar toen deze
door de Franschen werd bedreigd en zelfs aangevallen, oor-
deelde men het meer raadzaam eene andere brug te laten slaan.
Digitized by
Google
WINTERVELDTOCHT VAN 1673. 29I
onder het geschut van Venlo 5 in die vesting was ook een groote
voorraad levensmiddelen verzameld.
Laat ons hier weer opmerken, dat die omslachtigheid om te
voorzien in de voeding der legers, en die noodzakelijkheid om
zich bij rivieren van overgangspunten te verzekeren, in dien tijd
het gewicht verklaren van vestingen, tot dekking dier overgangs-
middelen en dier magazijnen van leeftocht. In ónze dagen heeft
een door de Nederlanden trekkend leger geen magazijnen noo-
dig om zich te voeden; en het pontonwezen is bij de heden-
daagsche legers zoozeer verbeterd en uitgebreid, dat men spoe-
dig, waar men wil, eene rivier kan overtrekken, zonder daartoe,
lang te voren, eene brug te hebben laten slaan.
Naar Venlo ging toen de tocht. Den 21 sten kwam het leger
in de nabijheid van die vesting, ging den volgenden dag de
Maas over, bleef den 23sten nabij Kaldenkirchen, op korten
afstand van Venlo, en trok den 24sten op Dalem, eene plaats
ruim 4 uren gaans verwijderd van Gulik en van Nuys, en met die
beide steden nagenoeg een gelijkzijdigen driehoek uitmakende.
Den 25sien werd de marsch voortgezet tot Gaster, op Guliksch
grondgebied; de Spaansche troepen kwamen dien dag te Bed-
burg, een plaatsje nabij Gaster, en evenals dit aan de Erfft. Den
aósten schijnt men rustdag te hebben gehouden. Den 2 7 sten werd
de marsch voortgezet tot Brouweler, een kleine twee uur van
Keulen; men bedreigde de bisschopsstad, maar viel haar niet
aan, daar het allereerst zaak was te streven naar eene vereeni-
ging met het Keizerlijke leger. De marsch werd dan ook, na
eenige dagen, in zuidelijke richting voortgezet; het kasteel van
Brühl was bezet door een 80 man Fransche troepen ; den 3osten
kwam men nabij dit kasteel, maar men hield zich natuurlijk bij
die onbeduidende sterkte niet op en zette den tocht verder voort
op Bonn.
In die geheel vreemde landstreek wilde de Stadhouder elk
begin van volkswapening van 's vijands zijde krachtig tegengaan.
Toen hij dus vernam dat zich in het stadje Rheinbach, een uur
of drie ten westen van Bonn, eenige Keulschc troepen en een
aantal gewapende burgers en boeren hadden vereenigd en twee
HollaQdsche officieren daar waren gedood, zond hij Valkenburg,
«en zijner onderbevelhebbers, derwaarts met 2 regimenten voet-
volk en 2 regimenten dragonders. Den 2en November kwam die
macht voor Rheinbach, en eischte de niet zeer sterke plaats op;
maar de Keulenaars, opgewonden door een vorigen burgemeester
van Rheinbach, een man van jaren, die zich hier aan het hoofd
der beweging had gesteld, weigerden hardnekkig zich te onder-
werpen. De stad werd toen bestormd, genomen, en al wat
wapens droeg gedood; het opperhoofd der verdedigers werd,
Digitized by
Google
292 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
met de stadssleutels om den hals en een degen in de hand, aan
een boom opgehangen.
Wil men zulk eene handeling onraenschelijk noemen, — wij
willen daarover niet twisten; maar wij zijn van oordeel dat bij
het begin van een volksopstand dergelijke strenge, of als men
wil wreede maatregelen, het best dienst doen om dien opstand
te onderdrukken, en dat zij eenigszins gerechtvaardigd worden,
zoowel door de rampen welke men daardoor voorkomt, als door
het ongeregelde, het onwettige, dat er meesttijds is gelegen in
elke volkswapening bij haar begin. — Maar heeft een volk dan
niet het recht om de wapenen op te vatten tot verdediging van
zijn geboortegrond? — Zeer zeker heeft het dit; en niemand
die meer achting heeft dan wij voor de volken die dit hebben
durven doen. Ook zullen wij nooit met strengheid oordeelen
over de uitspattingen en buitensporigheden, die meestal onaf-
scheidelijk zijn van zulk eene ongeregelde volkswapening ; het is
ons altijd eene onbillijkheid voorgekomen, om van zulk eene
volkswapening de tucht en orde te vorderen van een geregeld
leger. Maar, noemen wij het voor ieder volk een recht om de
wapenen te zijner verdediging op te vatten, zelfs zonder de op-
roeping van zijne regeerders, — aan den anderen kant zijn wij
van gevoelen, dat de bevelhebber eener geregelde legermacht
het recht heeft, die vijandige volkswapening, bij haar begin, door
strenge maatregelen tegen te gaan. Zelfverdediging geeft hem
dat recht; want in dat uitbreken van een volksopstand is voor
het geregelde leger altijd iets verrassends gelegen, iets verrader-
lijks, iets zeer gevaarlijks: de vreedzame stad waar het leger
zich bevond, is eensklaps herschapen in eene vijandelijke vesting;
en de burgerij, die men ontzag als ongewapend en als onzijdig,
verandert eensklaps in een vijandelijk heir, dat het geregelde
leger aan alle zijden omgeeft, en plotseling en geheel onver-
wachts met woede daarop aanvalt: — het valt niet te ontkennen,
dat zulk een strijd, waarbij men niet weet wien men al of niet
voor vijand moet houden, te ongelijk is voor het geregelde
leger; en dat dus de bevelhebber van dat leger, tot zijn eigen
verdediging, het recht heeft om de uitbarsting van zulk een volks-
opstand door gewelddadige middelen tegen te gaan.
Zóó is het door goede legerhoofden te allen tijde begrepen;
en men kan hier Willem III dus niet laken wegens eene hande-
ling, die, onder anderen, ook Napoleon aanwendde, bij zijn
eersten veldtocht in Italië, om den opstand van Lombardije te
beteugelen; zoo iets is een harde noodzakelijkheid waartoe de
aanvoerder van een geregeld leger bij het begin van een volks-
opstand gedwongen is. Wij zeggen herhaaldelijk: bij het be-
gin van een volksopstand; — want zoodra de opstand zich
eenmaal gevestigd en uitgebreid heeft, en overgegaan is in een
Digitized by
Google
WINTERVELDTOCHT VAN 1673. 293
geregelden strijd tusschen twee partijen of legers, duidelijk ken-
baar en onderscheiden door kleeding en vaandels, dan hebben
ook de gewone regels van den oorlog weer volle kracht, die ver-
bieden om weerlooze gevangenen te mishandelen en van het
leven te berooven.
Bij die bestorming van Rheinbach wordt de dapperheid ge-
prezen van Valkenburg, die, hoezeer gekwetst, voortging den
storm te besturen; na de inneming der stad werd hij tot bevel-
hebber daarvan benoemd. Wij vinden bij onze schrijvers ook
vermeld, dat drie Amsterdammers van goeden huize. De Graaf,
Reynst en Heermans, die met een 24 paarden zich als vrijwil-
ligers hadden gevoegd bij het leger van Willem III, zich bij die
bestorming van Rheinbach door hun moed hebben onderscheiden.
Wij halen die bijzonderheid aan, omdat zij, met vele andere,
het bewijs geeft, hoe krijgsmansgeest en vaderlandsliefde toen bij
alle standen aanwezig waren, en het verkeerd is zich voor te
stellen, dat de burgerstand toen zoo vreemd was aan oorlogs-
zaken als in latere dagen.
De tocht van Willem III naar de Maas en den kant van den
Rijn had natuurlijk de aandacht en bezorgdheid verwekt van
de Fransche bevelhebbers in de Nederlanden. Condé, die den
iQen October met een 14000 man nabij Oudenaarden stond,
schijnt van de Fransche regeering bevel te hebben ontvangen
daar te blijven, ten einde door het bedreigen van de Span-
jaarden den Stadhouder in de Nederlanden te doen blijven;
»afin" — komt in een brief voor, van den 21 sten October van
Louvois aan Luxembourg — »afin de contenir les Espagnols et
d'obliger Ie Prince d^Orange a crotter inutilement ses bottes dans
les Pays-Bas." Toen Condé echter zag, dat zijne stelling bij
Oudenaarden de Spanjaarden niet verhinderde om een sterk ge-
deelte van hunne macht bij Willem III te doen aansluiten, en
dat de Stadhouder voornemens scheen om » zijne laarzen vuil te
maken", niet in de Nederlanden maar in Duitschland, hield de
Fransche veldheer slechts zooveel troepen in de Nederlanden
als strikt noodig was, en zond hij d'Humières met het overige
— een 9000 man — Willem III achterna. Die Fransche bevel-
hebber, zijn marsch over Mons nemende, was den 31 sten Octo-
ber te Maastricht, ging daar den isten November de Maas over,
en kwam den 3en te Gulik.
Luxembourg van zijne zijde had, op het vernemen van den
opmarsch des Stadhouders, een gedeelte zijner macht vereenigd,
ten zuiden van Nijmegen, op de heide bij Mook; dit was echter
slechts een 8000 man, dewijl men maatregelen van voorzorg
moest nemen tegen de krijgsmacht die, onder Waldeck, in Hol-
land was achtergebleven; — zoo vindt men onder andere bij
Digitized by
Google
294 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
een onzer schrijvers, dat op dit tijdstip van den veldtocht in
Amersfoort eene bezetting was van 3000 man, in Utrecht eene
van 7000 man. Met zijn kleine macHt waagde Luxembourg het
niet, de bondgenooten na te trekken en zich daardoor bloot te
stellen aan een ongelijken strijd: hij zond twee sterke verken-
nings-detachementen uit, het eene van 200, het andere van 350
ruiters, om berichten in te winnen aangaande het leger des
Stadhouders; die ruiterij geraakte slaags met de ruiterij van
Willem III, en werd met groot verlies teruggeworpen. Luxem-
bourg nam toen stelling in de onmiddellijke nabijheid van
Nijmegen.
De veldtocht van 1673 ï" Duitschland tusschen Turenne en
Monte Cuculi is door verschillende krijgskundigen uitvoerig en
kritisch behandeld; wij zullen er ons hier maar kort mede
bezighouden; eensdeels, omdat die veldtocht niet rechtstreeks
tot ons onderwerp behoort ; en anderdeels omdat, welken eerbied
men ook moet hebben voor de groote bekwaamheden der beide
genoemde legerhoofden, het ons toch onmogelijk is veel belang
te stellen in de kunstige — wij zouden haast zeggen gekun-
stelde — wijze van oorlogen, toen door hen aangewend; eene
wijze van oorlogvoeren die toen het onderwerp van de studie
en de bewondering was van alle deskundigen, maar die voor de
hedendaagsche oorlogen niets belangrijks oplevert. De oorlogen
in óns land kunnen, door de bijzondere gesteldheid van den
grond, in de 19e eeuw nog eenigszins gelijken op wat zij waren
in de 17e; maar wij stellen de vraag: of, wanneer in onze dagen
twee vijandelijke legers in Midden -Duitschland tegenover elkander
staan, zij ooit den oorlog zullen voeren op eene wijze als Turenne
en Monte Cuculi dit in 1673 deden? of zij zich een paar maan-
den lang zullen bezighouden met niets anders dan onbeduidende
verrichtingen, met heen- en weder-marschen, met het bedreigen
van magazijnplaatsen , met het bezetten van rivierovergangen,
met het verontrusten van fourageeringen ? — Immers neen; die
legers zullen elkander te gemoet gaan, elkander opzoeken, elkan-
der slag leveren, — en daarmede uit; in vele opzichten is de
krijgskunst eenvoudiger, en dus beter, geworden.
Turenne had van zijne regeering tot voorschrift gekregen, om
vooral den boven-Rijn te beschermen tegen de Keizerlijke legers.
De maarschalk had daarom voorgesteld, om die legers op te
zoeken tot aan de Boheemsche grenzen, en, door ze dddr bezig
te houden, ze te beletten naar Frankrijk voort te rukken. Dit
echter strookte niet met de inzichten van Louvois, die ten ant-
woord gaf: >dat in dat voortrukken naar Bohemen wél voor-
deelen waren gelegen, maar dat, wanneer men lette op den
grooten marsch die Turenne*s leger dan moest doen, het beter
Digitized by
Google
WINTER VELDTOCHT VAN 1673. 295
was zich te bepalen tot het beletten van den vijand om ver door
te dringen aan gene zijde van Neurenberg."
Ingevolge dit voorschrift had Turenne zich, den 360 Septem-
ber, bij Aschaflfenburg op den linkeroever van den Main ge-
plaatst, de stad en hare brug bezet houdende. Den zelfden dag
kwam het Keizerlijke leger, dat in drie colonnen van Bohemen
was opgerukt, in de nabijheid van Neurenberg. Turenne rukte
toen, langs den linkeroever van den Main, het vijandelijke leger
te gemoet, dat, zoo beweerd wordt, schijnbewegingen maakte
om het Fransche leger van die rivier te verwijderen. Den laen
September stonden beide legers tusschen Winsheim en Rothen-
burg tegenover elkander, en scheen er een veldslag te zullen
plaats hebben, door Turenne gewenscht; van Monte Cuculi was
dit echter slechts een schijnvertooning: na zijn tegenstander in
front te hebben beziggehouden, deed hij een flankmarsch om
diens linkervleugel heen, en bereikte zoo den Main, nabij Och-
senfurt. Turenne volgde hem toen in die richting, nam stelling
in de nabijheid van zijn tegenstander, en er verliepen weer
eenige dagen met niets anders dan het verhinderen van foura-
geeringen.
Maar de bisschop van Wurzburg verklaart zich voor de Kei-
zerlijken, ontvangt Keizerlijke bezetting in zijne hoofdstad en
Monte Cuculi maakt nu gebruik van de daar aanwezige brug
over den Main om, in den rug van Turenne's leger, afdeelingen
uit te zenden die op den linkeroever van de rivier de Fransche
magazijnplaatsen aanvallen. De Keizerlijke veldheer ging in de
eerste dagen van October op den rechteroever van den Main
over, en trok om den Spessart heen naar de zijde van Hanau
en Frankfort; hij kwam dus nader bij het hoofddoel zijner be-
wegingen, daarin bestaande, dat hij zijne tegenpartij beducht
maakte voor een inval in Lotharingen of den Elzas, maar intus-
schen naar den beneden-Rijn trok, en zich daar met Willem III
vereenigde. Turenne stond toen op den linkeroever van den
Main, van nabij AschafFenburg tot bij Rothenburg, een afstand
van omstreeks 18 uren gaans, de kronkelingen van de rivier
medegerekend.
Monte Cuculi zette den marsch voort naar den mond van den
Main, en deed den i4en October eene brug over die rivier slaan,
iets beneden Frankfort. Die brug werd door een sterk bruggen-
hoofd verzekerd, en eene afdeeling van eenige duizend man
ging aldaar op den linkeroever der rivier over, denkelijk met
inzicht om Turenne te bedreigen met het verlies van zijne ge-
meenschap met den Rijn en met Frankrijk. Die veldheer, den
Elzas willende beschermen, verliet dan ook, den aosten, zijne
stellingen aan den Main, trok in zuidelijke richting naar de
Neckar, ging den 24sien bij Ladenburg achter die rivier terug.
Digitized by
Google
296 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
en den apsten October bij de vesting Philipsburg op den linker-
oever van den Rijn over. Vreezende dat de Keizerlijken, op den
linker Rijnoever doordringende, Trier zouden willen hernemen,
besloot Turenne den Moezel meer nabij te komen; in noorde-
lijke richting voortrukkende. was hij den yen November nabij
Creuznach aan de Nahe.
Monte Cuculi had zich den 21 sten October te Wiesbaden ge-
legerd, en begon aan een brug te arbeiden over den Rijn, be-
neden Mainz; men deed dit bij een eiland dat den stroom in
twee armen verdeelt, en men zette al dadelijk, met een gierbrug,
een 4000 man voetvolk, 1500 paarden en 6 stukken geschut op
den linkeroever over. Dit alles was evenwel maar een vertoo-
ning om den vijand beducht te maken voor Mainz, of voor
Trier; het wezenlijke overgangspunt van den Rijn was Coblenz,
waar de bisschop van Trier, de zaak der Keizerlijken toegedaan,
een ongehinderden overtocht toeliet, en waar men dichter bij
het leger van Willem III zou zijn.
Den 28sien en 29steii October verlaat het Keizerlijke leger den
Main, en marcheert over Langenschwalbach naar de Lahn; de
afdeeling die bij Mainz reeds op den linkeroever des Rijns was
overgegaan, keert op den rechteroever terug; de brug wordt
opgebroken, en de vaartuigen waaruit die brug was samenge-
steld, zakken de rivier af naar Coblenz. Op die vaartuigen was
een gedeelte der infanterie ingescheept; dit gedeelte kwam bij
Weissenthurm aan land, trok langs den linkeroever van den Rijn
voort, en vereenigde zich den 3en November, tusschen Bonn en
Andernach, met het leger van Willem III; het andere gedeelte
der infanterie, de artillerie begeleidende, zakte met vaartuigen
de rivier verder af, tot op een half uur boven Bonn. De hoofd-
macht van voetvolk en ruiterij ging te Coblenz den Rijn over,
en marcheerde voor een gedeelte in de richting van Bonn dat
men wilde belegeren; voor een gedeelte bleef het aan den lin-
keroever van den Moezel, om Turenne in het oog te houden.
Een afdeeling van 3000 Keizerlijke ruiters, en de vroegere be-
zetting van Wurzburg — 2 regimenten voetvolk en 2 regimenten
ruiterij — rukten op langs den rechteroever van den Rijn, om
aan die zijde de insluiting van Bonn te verrichten.
Het besluit der bondgenooten om Bonn te belegeren, was in
alle opzichten goed ie keuren; zoowel om de gegronde hoop
die men had van die vesting te doen vallen, als om de gewich-
tige gevolgen welke hare inneming moest na zich sleepen. Uit
de plaatsing en de sterkte der wederzijdsche legers blijkt dui-
delijk, dat de vijand weinig kans had om Bonn te ontzetten ; de
vermeestering van die vesting zou aan de bondgenooten een
Digitized by
Google
WINTERVELDTOCHT VAN 1673. 297
vast punt aan den Rijn verschaffen, de verbinding van de Kei-
zerlijke legers met de Hollandsche en Spaansche krijgsmacht
voortdurend verzekeren, den Keulschen bisschop dwingen de
partij van Frankrijk te verlaten, de gemeenschap der Fransche
krijgsmacht in Holland met haar eigen land bedreigen, en daar-
door denkelijk die krijgsmacht dwingen de Noordelijke Neder-
landen te ontruimen.
Bonn, in die dagen het gewone verblijf van den Keulschen
bisschop maar bij de nadering van de vijandelijke legers door
dien vorst verlaten, was toen, zooals bijna iedere stad, met ves-
tingwerken omgeven. Natuurlijke sterkte had de stad alleen in
zoover, dat hare ligging aan den Rijnstroom het onmiddellijk
aan die rivier gelegen stadsgedeelte tegen een aanval beschermde;
voor het overige liet de omliggende landstreek overal den aanval
toe, en kon men alleen aan de zuidzijde eene onbeduidende
inundatie stellen. De stad werd toen beschermd door een vrij
regelmatig gebastionneerden hoofd wal van negen fronten, met
ravelijnen vóór de courtinen; de grachten waren droog; aan de
rivierzijde was de stad afgesloten door een muur; — het brug-
genhoofd op den rechteroever van den Rijn, dat Coehoorn bij
het beleg van 1703 door zulk een geweldig geschutvuur deed
bezwijken, bestond in 1673 nog niet.
Volgens Beaurain waren de vestingwerken van Bonn in een
slechten toestand, de magazijnen slecht voorzien, en telde de
bezetting slechts i aoo man Fransche troepen, en 5 k 600 Keulsche.
Andere opgaven, zwijgende over den toestand der vestingwerken,
stellen de sterkte der bezetting iets hooger, een 2000 man, enkele
opgaven 2200: verder zijn zij geheel in strijd met Beaurain ten
opzichte der uitrusting en bewapening; zoo zegt De Quincy zelfs,
dat zich in Bonn 80 stukken geschut, en munitie en levensmid-
delen in overvloed bevonden. De bevelhebber van Bonn was de
in Keulschen dienst zijnde generaal Landsberg; maar het eigen-
lijke gezag werd uitgeoefend door den Franschman Reveillon,
die zich, toen de vijand Bonn naderde, met twee Fransche regi-
menten binnen die vesting had geworpen.
De sterkte van de macht des aanvallers wordt begroot, door
De Quincy op 45000, door Beaurain op 50000 man; dit komt
vrijwel overeen met de opgaven van onze schrijvers, die haar
op 48000 man stellen. Hoe sterk het observatie-corps was, aan
den Moezel achtergelaten, is onzeker; maar men zal niet ver
van de waarheid zijn, wanneer men de geheele legermacht der
bondgenooten, hier aan den Rijn, op een 60000 man begroot;
want wij hebben gezien dat Willem III met een 25000 man was
opgerukt, en bij een onzer schrijvers vindt men de macht, die
Digitized by
Google
298 KRIJGS- EM GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Monie Cuculi toen had, op 37000 man begroot. — Beaurain
zegt, dat de bezetting van Bonn tegen eene zoo sterke leger-
macht te zwak was voor eene goede verdediging; wij antwoorden
daarop: dat de uitkomst van een beleg meesttijds minder af-
hangt van de getalsterkte dan wel van de sterkte der artillerie;
en dat Bonn, met 80 stukken bewapend, in ddt opzicht niet
zwak kon worden genoemd.
Den 4en November trekt de Spaansche bevelhebber d'Assentar
met een gedeelte der ruiterij van Willem III naar Bonn, en be-
rent die vesting. Den volgenden dag komt de hoofdmacht der
bondgenooten daar aan en voltooit de insluiting; Willem III
neemt zijn hoofdkwartier te Rheindorf aan de noordzijde der
stad, d'Assentar ie Kessenich, Monte Cuculi op den Godesberg;
de troepen op den rechteroever van den Rijn stonden onder het
bevel van den generaal Sporck. Beneden Bonn, buiten het be-
reik van het vuur der vesting, wordt eene gierbrug gemaakt, om
de troepen op de beide oevers in gemeenschap met elkander te
houden. De aanvalswerkzaamhedcn werden oogenblikkelijk be-
gonnen; en aan twee zijden, ten noorden door Willem III, ten
zuiden door de Keizerlijken, twee nadernissen, beide nabij den
Rijn, tegen de stad gemaakt; sommige opgaven spreken van
eene derde nadernis; maar het schijnt dat men daaronder alleen
batterijen moet verstaan die, tusschen de beide aanvallen in, het
vuur openden op de vestingwerken, en — naar het Tartaarsche
gebruik dier tijden — ook op het Bisschoppelijk paleis en op
de hooge gebouwen van Bonn. Bijzonderheden omtrent de wijze
van aanval, en omtrent den afstand waarop het begin der loop-
graven verwijderd was van de vesting, hebben wij niet kunnen
vinden; zelfs geene aanduiding over de sterkte van de artillerie
des belegeraars, die denkelijk door Monte Cuculi uit Wurzburg
is medegevoerd.
Hoop op ontzet was er voor Bonn weinig of niet. Wij hebben
de sterkte van de legermacht der bondgenooten medegedeeld,
aan de Fransche zijde stonden veel minder strijdkrachten daar-
tegenover, en nog wel verdeeld en op groote afstanden : Luxem-
bourg's kleine legermacht was nabij Nijmegen ; Turenne kwam
den 7en November pas te Creuznach, en kon gemakkelijk wor-
den opgehouden bij den Moezel; d*Humières was den 360 No-
vember te Gulik, maar had slechts een (,000 man bij zich, groo-
lendeels ruiterij. Laatstgenoemde bevelhebber besloot echter eene
poging te doen, om versterking aan troepen binnen Bonn te
brengen. Hij rukte den 5en November vooruit tot Lechenich,
een uur of vier van Bonn verwijderd, en zond van daar ver-
schillende kleine ruiterafdeelingen uit, met last om al het moge-
lijke aan te wenden ten einde de macht der bondgenooten te
doorbreken en tot de stad door te dringen.
Digitized by VjOOQIC
WINTERVELDTOCHT VAN 1673. 299
Saint Silvestre, de bevelhebber van eene dier afdeelingen, komt
niet een honderdtal dragonders 's nachts in een bosch nabij de
legerplaats der Keizerlijken^ blijft zich in dat bosch bedekt op-
houden^ en neemt de veiligheidsmaatregelen bij den vijand waar.
's Ochtends tusschen 7 en 8 uur, toen — zeggen sommige van
onze schrijvers — de veldvvachten reeds afgelost waren en men
het woord niet meer vraagde, gaat de Fransche bevelhebber het
Keizerlijke leger door, zijn detachement uitgevende voor Lotha-
ringsche troepen, en bereikt eene der poorten van Bonn. Andere
afdeelingen, die bij de legerkampen van Willem III en van de
Spanjaarden hetzelfde beproefden, waren minder gelukkig, en
werden niet alleen teruggeslagen, maar grootendeels gedood of
gevangen genomen; en d'Humières, vernemende dat een sterk
gedeelte van de ruiterij der bondgenooten zich in beweging
stelde om hem op te zoeken, rekende zich te Lechenich niet
langer veilig, maar trok terug in noordelijke richting, op Nuys. —
Omtrent den dag waarop die poging van d'Humières' ruiterij om
binnen Bonn te komen werd beproefd, zijn de opgaven ver-
schillend: sommige van onze schrijvers stellen die op den 8sten^
Beaurain op den 6en November.
Het beleg van Bonn ging toen ongehinderd voort, en schijnt
den aanvallers geen bijzondere moeilijkheden te hebben opge-
leverd. Wél zeggen onze schrijvers, dat uit de vesti»g een sterk
geschutvuur op de loopgraven werd geopend; maar zij voegen
er tevens bij, dat dit vuur weinig verlies teweegbracht. De
Quincy beweert, dat de bouw van de batterijen des belegeraars
weinig hinder ondervond van de vesting, daar deze haar vuur
op de batterijen alleen opende, toen die reeds geheel voltooid
waren. Den 8sten kwamen de batterijen des belegeraars reeds in
werking; haar vuur richtte, volgens onze schrijvers, groote ver-
woestingen aan in de vijandelijke werken en in de stad ; Beaurain
zegt echter »dat de bommen, door de bondgenooten in de stad
geworpen, weinig uitwerking deden"; en hij erkent alleen »dat
twee 24-ponders, bij de nadernissen der Hollanders, den be-
legerden veel nadeel deden." Kleine uitvallen werden er van de
Fransche zijde gedaan, maar zonder dat dit iets uitwerkte; voor
het doen van belangrijke uitvallen was de sterkte der bezetting
te gering. De belegerden deden in den nacht van 6 — 7 Novem-
ber twee bakens wegnemen, die bij de Keizerlijken de richting
der loopgraven moesten aanduiden; daardoor kwamen die loop-
graven in een moerassig terrein terecht,, of hun verlengde kwam
uit op de vestingwerken, wat den aanvallers eenig verlies ver-
oorzaakte. Een soortgelijke krijgslist vindt men terug bij Philip-
pon's verdediging van Badajoz tegen de Engelschen, in 181 2;
zoo iets schijnt dus goed aan te wenden te zijn ; en hoezeer het
geen groote uitkomsten oplevert, is het toch altijd aan te raden,
Digitized by
Google
300 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
omdat de aanvaller daardoor verlies kan ondervinden, zoo aan
manschappen als aan tijd.
Niettegenstaande het geschutvuur der vesting waren de loop-
graven der Hollanders intusschen krachtdadig voortgezet, en
reeds aan den grachtsboord genaderd van het ravelijn voor de
Keulsche poort ; dat ravelijn, waarin het geschut des belegeraars
bres had gemaakt, werd op den avond van den ii en November
door de troepen des Stadhouders bestormd en na een scherp
gevecht en aanmerkelijke verliezen des aanvallers genomen.
Beaurain draagt die bestorming van het ravelijn op eene andere
wijze voor: hij zegt, dat zij plaats had in den nacht van 9 — 10
November; dat de aanval der Hollanders tot tweemaal toe werd
afgeslagen; en dat, toen hij, ten derden male gedaan, gelukte,
Reveillon een aantal gevulde bommen, in de borstwering van
het ravelijn gegraven, deed ontsteken, wat een zoodanige ver-
warring en schrik teweegbracht bij de troepen des Stadhouders,
dat zij het ravelijn verlieten, en de Fransche bevelhebber er weer
bezit van nam. Geen der andere schrijvers spreekt echter van
dien storm op den 9 — loen November; maar allen zeggen, dat
in den nacht van den iien het ravelijn werd bestormd en genomen.
Dadelijk na dit behaalde voordeel deed men, terwijl de artil-
lerie onafgebroken haar vuur op de vesting onderhield, mijnen
aanleggen onder den hoofdwal, aan eene grachtsafdaling begin-
nen, en door de ruiterij een aantal fascinen maken om voor den
storm te dienen. Bij de nadernis der Keizerlijken was men ook
tot aan den buitengrachtsboord genaderd, en maakte men zich
gereed tot de bestorming. Reveillon wilde dien storm afwachten,
en deed arbeiden aan binnenverschansingen om de bressen af
te sluiten die in den hoofdwal begonnen te ontstaan; maar de
Keulsche officieren wilden de verdediging niet langer voortzetten
en werden ondersteund door de oproerige gezindheid der bur-
gerij, die zich zelfs schuldig maakte aan mishandeling van den
Franschen bevelhebber. Men trad dus, den laen, in onderhan-
deling met Willem III; den 13611 werd de vesting overgegeven,
en trok de bezetting af naar Nuys.
De verliezen der beide partijen bij dit beleg moeten nagenoeg
gelijk gestaan, en 4 è. 500 man bij ieder bedragen hebben; vol-
gens onze schrijvers ten minste telde de bezetting toen zij uit-
trok nog een 1500 man, en verloren de bondgenooten bij dit
beleg een 400 man; Beaurain doet dit laatste getal tot 2000
klimmen, en zegt daarentegen dat de bezetting weinig verliezen
leed. In dit beleg sneuvelde Königsmarck, door dien eervollen
dood de herdenking uitwisschende aan de zwakheid die hij het
jaar te voren had betoond, toen hij, bij Luxembourg's inval in
Digitized by
Google
WINÏERVELDTOCHT VAN 1673. 30I
Holland, de stelling bij Bodegraven zoo overijld verliet. — Voor
het overige zijn de handelingen der beide partijen bij dit acht-
daagsch beleg van Bonn niet duidelijk en uitvoerig genoeg ver-
meld om daarover een juist oordeel te kunnen vellen; zooveel
schijnt te blijken, dat het Fransche gedeelte der bezetting zich
krachtdadig heeft verdedigd, maar zoo spoedig heeft moeten
zwichten^ door de weinige medewerking die het ondervond van
de zijde der Keulsche troepen, door den oproerigen geest van de
burgerij, en ook door de voortvarendheid en nadruk waarmede
de aanvaller te werk ging.
Het jaargetijde was te ver gevorderd om den veldtocht nog
langer voort te zetten. Nog werden het kasteel van Brühl, Leche-
nich en Kerpen in het Keulensche, en het stadje Duren in het
Guliksche aangevallen door de troepen van den Stadhouder, en
zonder veel moeite vermeesterd; die krijgsverrichtingen waren
echter onbeduidend, al is het dat onze schrijvers het doen uit-
komen, dat Guébriant — een der veldheeren van den dertig-
jarigen oorlog — in 1642 Lechenich zes weken lang te vergeefs
had belegerd. Van den i5en tot den 23sten November had
de inneming van die verschillende sterkten plaats. Toen ging
het leger der bondgenooten uiteen: de Keizerlijken betrokken
kantonnementen bij Bonn en op den rechteroever van den Rijn;
Willem III keerde met de Hollanders en Spanjaarden naar de
*Maas terug, naar Roermond en Venlo. Turenne betrok nog in
November, na eerst vooruitgerukt te zijn tot aan den Moezel,
winterkwartieren in Lotharingen en in den Elzas; d'Humières
trok naar Holland, en voegde zich bij de macht van Luxembourg.
Het lag in den aard van de zaak, dat de vermeestering van
Bonn en de voordeelen door de bondgenooten behaald op het
Keulsche grondgebied, al dadelijk groote en gewichtige gevolgen
moesten hebben voor de Republiek. De vermeestering van het
grootste gedeelte zijner Staten maakte het den bisschop van
Keulen onmogelijk langer aan Frankrijks zijde te blijven; en
toen die vorst den oorlog niet wilde voortzetten, was dit ook
een ondoenlijke zaak geworden voor den Munsterschen bisschop;
en de vredesverdragen door de Republiek met die beide geeste-
lijke vorsten, hoewel eerst in het voorjaar van 1674 gesloten —
22 April en II Mei 1674 — moeten evenwel beschouwd worden
als rechtstreeksche gevolgen van de voordeelen, in November
1673 aan den Rijn behaald. Het is uit de geschiedenis bekend,
dat die verdragen niet de minste verkleining ten gevolge hadden
van die Republiek, welker ondergang het doel van den oorlog
was geweest.
Een ander, nog gewichtiger gevolg van de operatiën aan den
Digitized by
Google
302 KRIJÜS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Rijn was de ontruiming van Holland door de legers van Lode-
wijk XIV. Die legers hadden, tot op dien tijd, de gemeen-
schap met Frankrijk onderhouden, hetzij door middel van de
vestingen welke zij in de Spaansche Nederlanden in bezit had-
den, hetzij door de Staten van den Keulschen bisschop. Maar
toen die Staten grootendeels in bezit waren genomen door de
krijgsmacht der bondgenooten ; toen de latere vereeniging der
Duitsche legers met die van Willem III zoo goed als verzekerd
was, en men gemakkelijk kon voorzien dat die legers het vol-
gende jaar hunne aanvallende operatiën zouden voortzetten — ,
toen was het voor de Fransche krijgsmacht niet langer mogelijk
in Holland te blijven, want een langer verblijf zou die krijgs-
macht geheel hebben doen insluiten en van Frankrijk afsnijden.
De overgave van Bonn was voor de Franschen het sein om tot
ontruiming van het grondgebied der Republiek over te gaan.
In November aangevangen, wordt die ontruiming in December
voortgezet. De Fransche troepen verlaten achtereenvolgens de
Utrechtsche en Geldersche steden, ook Crèvecoeur, Kampen en
Hattem; terwijl tegelijkertijd de Munsterschen Meppel en Steen-
wijk verlaten. De wijze waarop die ontruiming plaats had, het
slechten der vesting werken van een gedeelte der steden die men
verliet, de afpersingen waaraan de Fransche bevelhebbers zich
jegens de burgerijen schuldig maakten, en het medevoeren van
gijzelaars, — dit alles zijn maatregelen die hier niet uitvoerig'
worden vermeld, omdat zij weinig militair belang hebben. Ge-
noeg zij het, te zeggen, dat Lodewijk XIV van al zijne in Hol-
land gemaakte veroveringen niets anders wilde behouden dan
Grave en Maastricht, waarvan de bezettingen aanmerkelijk wer-
den versterkt; al het andere werd ontruimd, en achtereenvolgens
in bezit genomen door de troepen van Waldeck. Luxembourg,
zijne macht' bij Maastricht samengetrokken hebbende, gaat daar-
mede den iQcn December op marsch om naar Frankrijk terug
te keeren; hij had bij zich loooo man infanterie en 6000 rui-
ters, en begeleidde een konvooi van niet minder dan 3000 wagens.
De Fransche veldheer rukte langs den rechteroever van de Maas
voort, voornemens door de Ardennen op Mezières te trekken,
en zóó Frankrijk te bereiken.
Maar de Stadhouder, altijd onvermoeid en op geen jaargetijde
lettende (toujours infatigable et comptant la saison pour rien; woor-
den van Beaurain), wilde den vijand niet zoo ongehinderd met
den buit uit de HoUandsche steden naar Frankrijk laten aftrek-
ken. Op de eerste tijding dat Luxembourg zijne macht bij
Maastricht verzamelde om verder de Nederlanden te ontruimen,
rukte eene HoUandsche legerafdeeling, onder Waldeck, van de
Digitized by
Google
ONTRUIMING VAN HOLLAND. 303
Langstraat in Noord-Braband op, en kwam den 7011 December
te Herenthals. Hier vereenigd met Spaansche troepen, ruiterij
en voetvolk, maakte dit alles en alles een leger uit van 25 è
30000 man. Willem III stelde zich aan het hoofd daarvan, en
rukte naar de Maas, welke rivier hij den 28sten December bij
Hoey overging. Van daar trok het verbondene leger naar Marche
en Famine, en bereikte de Ourthe, juist op het oogenblik dat
het Fransche leger op den rechteroever van die rivier verscheen.
Luxembourg oordeelde met reden dat, belemmerd als hij was
door den grooten wagentrein, het voor hem geheel en al onge-
raden was een gevecht te leveren tegen den overmachtigen
vijand; en keerde, terwijl hij de bruggen over de Ourthe ver-
nielde om alle vervolging te voorkomen, met zijn konvooi in
allerijl naar Maastricht terug.
Willem III liet toen een gedeelte zijner macht, Spaansche rui-
terij onder den Prins de Vaudemont, op den rechter Maasoever
achter; de hoofdmacht keerde terug op den linkeroever, en nam
den schijn aan alsof zij uiteen wilde gaan, de Spaansche troepen
naar hunne garnizoenen, de Hollandsche naar hun land. Luxem-
bourg gaat toen nogmaals van Maastricht op marsch om Frank-
rijk te bereiken, maar ditmaal langs den linkeroever van de
Maas, den steenweg op Charleroi volgende. De Stadhouder,
onderricht van die nieuwe poging des Franschen veldheers, her-
zamelt ijlings zijne troepen en gaat zijn vijand tegemoet; maar
deze ontwijkt weer den strijd, en trekt terug tot onder het kanon
van Maastricht.
Willem III zag toen in, dat het ondoenlijk was, zijn tegen-
stander tot een veldslag te dwingen; en het vergevorderde jaar-
getijde, de vermoeienissen door zijne troepen verduurd, en de
tijding van het bijeentrekken eener Fransche legermacht aan de
Sambre, maakten het onraadzaam den vijand den weg naar
Frankrijk langer te willen afsluiten. De Stadhouder brak dan
ook op, en deed zijn leger uiteengaan en de winterkwartieren
betrekken. Luxembourg ging toen, ten derden male, van Maas-
tricht op marsch; en om hem te ondersteunen rukten 4000 man
Fransche ruiterij, onder Schomberg, van Charleroi tot Tongeren
vooruit. Den iien Januari 1674 had de vereeniging plaats van
de beide Fransche bevelhebbers; beiden rukten toen op Char-
leroi, en deden hunne troepen winterkwartieren betrekken in de
landstreek tusschen de Maas en de Sambre.
Die macht door Luxembourg naar Frankrijk geleid, maakte
slechts een gedeelte uit van de krijgsmacht die Lodewijk XIV
in Holland had gelaten ; het overige, samengesteld uit de bezet-
tingen van de het laatst ontruimde Hollandsche steden, trok
eerst in het voorjaar van 1674 — begin van Mei — te Maastricht
bijeen, om van daar verder Frankrijk te bereiken. Dit tweede
Digitized by
Google
304' KRIJGS- EN GESCHIEDfCUNDTGE BESCHOUWINGEN.
leger, onder den maarschalk De Bellefonds, telde een 22000
man; bijgevolg, wanneer men hierbij voegt, de sterkte van het
leger door Luxembourg reeds naar Frankrijk geleid, en die der
bezettingen in Grave en Maastricht achtergelaten, dan kan men
aannemen dat, op het oogenblik der overgave van Bonn, het
grondgebied der Republiek nog bezet was door een 50000 man
Fransche troepen.
De veldtocht van 1673 ^^ bepaald nadeelig voor Frankrijk;
het had daarbij bijna geen voordeelen behaald, maar integendeel
verloren wat het door den veldtocht van het vorige jaar, door
wat de vleiers van Lodewijk XIV tde verovering van Holland'*
noemden, had gewonnen; en het verlies van Bonn, de verschij-
ning van het Keizerlijke leger op den linkeroever van den Rijn,
de geheele ontruiming van het grondgebied der Republiek, waren
wederwaardigheden, die indruk maakten zelfs op de heldenziel
van een Turenne. Wij willen kortelijk vermelden aan welke oor-
zaken de uitkomst van dezen veldtocht kan geweten worden.
Als een eerste en als de voornaamste oorzaak noemen wij de
betrekkelijke sterkte der oorlogvoerende partijen, zoo geheel ver-
schillend van wat zij het vorige jaar was geweest Wij noemen
die oorzaak de voornaamste; niet dat wij van meening zijn,
dat de overmacht in strijdkrachten altijd de beslissing moet
aangeven, en dat de overwinning altijd is aan de zijde van de
sterkste bataljons ; integendeel, wij zijn wel degelijk van gevoelen,
dat de bekwaamheid van den legeraanvoerder van zeer grooten
invloed is op den gang der krijgsverrichtingen ; — maar, hoe
groot ook, die invloed heeft evenwel zijne perken; er kan eene
verhouding der strijdkrachten bestaan, die het den grootsten
veldheer onmogelijk maakt eene goede uitkomst te verkrijgen :
al het genie van Napoleon en al de onbekwaamheid van zijne
tegenstanders vermochten in 18 14 niet, bij de groote onevenredig-
heid der strijdkrachten, den val van Frankrijk te beletten. Even-
zoo was de nietigheid der middelen waarover Willem III in 1672
kon beschikken, de oorzaak dat hij de Fransche legers niet kon
beletten tot in het hart van Holland door te dringen, en dat hij
niet in staat was het verlorene te herwinnen; — en dat dit in
1673 wél gelukte, moet daaraan worden toegeschreven, dat de
Stadhouder toen in een geheel anderen toestand was dan in het
jaar te voren.
Vergelijk de sterkte der wederzijdsche partijen in de beide
jaren, en die verschillende toestand zal duidelijk blijken.
Frankrijk en zijne bondgenooten hadden in 1673 niet meer
strijdkrachten dan in 1672; men kan zelfs gerustelijk zeggen
minder, wanneer men let op de verliezen door de Munsterschen
Digitized by
Google
ONTRUIMING VAN HOLLAND. 305
en Keulenaars, voor Groningen, geleden. Maar bij de tegenpartij
was het geheel anders: in 1672 treden als bondgenooten der
Republiek op de keurvorst van Brandenburg en de Keizer;
maar die bondgenooten doen zoo goed als niets; zij komen laat
in werking, zij houden slechts een klein gedeelte van de Fransche
krijgsmacht bezig: zij kunnen eigenlijk niet medegeteld worden.
De geheele last des oorlogs, in 1672, komt neer op Spanje en
op de Republiek; het eerste, zwak en uitgeput, en nog in naam
in vrede met Frankrijk, neemt slechts zijdelings deel aan den
krijg; de Republiek... wij hebben gezien hoe ellendig het ge-
steld was met hare strijdmiddelen te lande. Aan die zwakheid
der oorlogvoerende Staten moeten de nadeelen worden toege-
schreven van 1672. Maar in 1673 is het geheel anders: wél is
de hulp van Spanje dezelfde als vroeger ; wél heeft de keurvorst
van Brandenburg zich onttrokken aan het bondgenootschap met
onzen Staat, en vrede gesloten met Frankrijk; maar de Keizer
neemt nu een werkzaam deel aan den oorlog, en is ons tot een
sterken steun; en de strijdkrachten der Republiek zelve hebben
eene zoodanige uitbreiding en verbetering ondergaan, dat zij
zelfs niet de minste vergelijking toelaten met wat zij waren in
1672, bij het begin des oorlogs. Aan die sterkte der bondge-
nooten moeten de voordeelen van 1673 voornamelijk worden
toegeschreven.
Een tweede oorzaak vinden wij in de bekwaamheid van de
legerhoofden der bondgenooten, Monte Cuculi en Willem III;
, de grijsaard die reeds de ondervinding van een lange veldheers-
loopbaan tot zijn dienst had, de jongeling die dadelijk bij zijn
eerste optreden den stoutsten heldengeest had doen blijken;
beiden betoonen zich hier groote en bekwame legerhoofden.
Wij zouden in herhalingen vervallen wanneer wij hier weer in
het breede wilden aantoonen hoeveel goeds, groots, beslissends
er was in dien marsch naar den Rijn, in dat beleg van Bonn;
hoe daardoor, het best en het zekerst, de ontruiming van Hol-
land kon worden verkregen; hoe zulk eene handeling alléén
reeds voldoende is om Willem III onder de groote en uitste-
kende veldheeren te doen rangschikken, onder die mannen die
de bekwaamheid voor hunne taak niet verkrijgen door de soms
duur gekochte lessen der ondervinding, maar door de ingevingen
van een stouten en helderen geest. Dat alles hebben wij reeds
aangetoond, bij het spreken over de aanvallende bewegingen
des Stadhouders op het einde van 1672; bewegingen die wij
even goed, even uitmuntend achten als die welke de ontruiming
van Holland hebben bewerkt; het is eigenlijk dezelfde hande-
ling, maar die daarom verschillend is beoordeeld, omdat zij den
eenen keer is gelukt, en den anderen keer niet. Daarom ver-
wijzen wij hier naar wat gezegd is over de krijgs verrichtingen
WILLEM iiL — I. 20
Digitized by
Google
306 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
van 1672, en zullen wij er ons toe bepalen met aan te merken,
dat Monte Cuculi hier krachtig medewerkte tot het doen ge-
lukken van de handelingen des Stadhouders.
Het vroegere beleg van Naarden door het HoUandsche leger-
hoofd is ook eene handeling geweest die zich door stoutheid en
krachtdadigheid kenmerkte; terwijl de latere pogingen des Stad-
houders om Luxembourg den aftocht naar Frankrijk te beletten,
niet slechts de onvermoeide werkzaamheid van eerstgenoemden
veldheer bewezen, doch ook lichtelijk aanleiding konden geven
tot het behalen van voordeelen op de minder sterke Fransche
macht, en op zijn minst genomen er toe moesten strekken den
bondgenooten een zedelijk overwicht te geven op hunne vijanden.
Als een derde oorzaak noemen wij de weinige bekwaamheid
waarmede de krijgsverrichtingen van 1673 aan de Fransche zijde
bestuurd werden.
Het zal wonderspreukig luiden, van weinige bekwaamheid
te gewagen, daar waar een Turenne en een Condé aan het hoofd
staan, aanvoerders wier welverdiende roem het kritische onder-
zoek der latere eeuwen heeft doorstaan. Ook zouden wij aarzelen
dit oordeel uit te spreken, wanneer het z u 1 k e n mannen betrof;
maar niet hun geldt ons afkeurend gevoelen; zij waren niet vrij
in hunne handelingen; alleen op hem die hunne handelingen
bestuurde, komt de verantwoordelijkheid neder van de krijgs-
rampen die Frankrijk in 1673 ondervond.
Lodewijk XIV, hoezeer zich soms vertoonende aan het hoofd
zijner legers, had evenwel volstrekt niet de bekwaamheden die
een legerhoofd moet hebben. Het geluk had in dit gemis voor-
zien door hem een Turenne, een Condé te geven, — om niet
te gewagen van zooveel anderen, die, bij de menigvuldige oor-
logen door den Franschen monarch gevoerd, zich als bekwame
veldheeren hebben doen kennen. Maar, ongelukkig voor dien
monarch, stelde hij geen genoegzaam vertrouwen in die veld-
heeren, liet hun geen vrijheid van handeling, en belemmerde
hen door voorschriften en bevelen van allerlei aard, waardoor
hunne beste ontwerpen dikwijls onuitgevoerd bleven. Ontstond
dit uit bezorgdheid voor zijn gezag, uit vrees dat de steeds toe-
nemende roem zijner legerhoofden zijn eigen roem zou over-
schaduwen, uit de herinnering aan de rol die sommigen hunner
gespeeld hadden in de onrustige tijden der Fronde? — Wij laten
dit daar; maar zooveel is zeker, dat Oostenrijksche Icgerhoofden
niet nauwer gebonden waren aan de voorschriften van den
Weenenschen hof krijgsraad dan de veldheeren van Lode-
wijk XIV aan de bevelen van dien Koning. Er is zoo weinig
overdrijving in die bewering, dat men gerustelijk kan zeggen,
dat Prins Eugenius van Savoye als veldheer veel vrijer te werk
kon gaan dan Turenne,
Digitized by
Google
ONTRUIMING VAN HOLLAND, 307
Louvois was in Frankrijk de man die alle oorlogszaken regelde,
die daarin het onbepaaldste vertrouwen zijns Konings bezat, en
die, evenals een groote eeuw later Carnot, in zijn schrijfkamer
bepaalde hoe Frankrijk's legers zich moesten bewegen, moesten
handelen en strijden om den oorlog tot een goed einde te
brengen. Maar wanneer wij die beide oorlogsministers naast
elkander plaatsen, dan willen wij daarom hunne wecking nog
niet gelijkstellen ; daarin bestond groot verschil. De oekwaam-
beden en verdiensten van Carnot, — heeft een latere beoordee-
laar, Clausewitz, gezegd — , zijn te hoog geprezen. Wij willen
dit niet tegenspreken; maar wij zijn nochtans van oordeel, dat
het bewind van Carnot als oorlogsminister in 1793 — 1794 zeer
goede vruchten heeft gedragen, en noodzakelijk was om eenige
eenheid te brengen in het toenmalige Fransche krijgswezen, zoo
pas in het leven geroepen, uit zoo vreemde bestanddeelen be-
staande, en waarbij zooveel legerhoofden waren, voor welke
hunne betrekking vreemd was, en die wel degelijk de leiding en
het bestuur van een verstandig hoofd behoefden. Maar met het
bestuur van Louvois als minister van oorlog was het geheel
anders: toen had Frankrijk goed geregelde legers, en had het
bekwame, ervarene veldheeren; veldheeren, die men gerustelijk
op zichzelve kon laten handelen; en die, beproefd door tal van
oorlogen en met eigen oogen ziende hoe het op het krijgstooneel
gesteld was, veel beter in staat waren om te beoordeelen wat
zij moesten doen, dan de minister die, te Parijs zijnde, minder
goed bekend was met den stand van zaken, en niet die onder-
vinding had welke de maarschalken van Lodewijk bezaten. Dat
men die maarschalken bond aan de bevelen en voorschriften
des Ministers, was dus geheel verkeerd.
Onbillijk zou het zijn, zich dien Minister voor te stellen als
een man zonder kunde of bekwaamheid ; het tegendeel was waar,
dit hebben wij reeds vroeger aangetoond. De geschiedenis heeft
Louvois met een zwarte kool geteekend, om zijn koele hard-
vochtigheid, om zijne onverbiddelijke wreedheid; de verwoesting
van de Paltz heeft zijn naam overdekt met een welverdiende
schande; iedereen heeft het recht, hem daarom te veroordeelen
en te verachten; — het valt niet te ontkennen, dat hij voor
Lodewijk XIV een dienaar was vol ijver, vol bekwaamheid. Maar
het vertrouwen dat hij zelf in die bekwaamheid stelde, verleidde
hem tot de dwaasheid van alles zelf te willen besturen, — ook
die legerhoofden, die zoozeer getoond hadden voor hunne taak
geheel berekend te zijn.
Ziedaar een misslag waarin een minister dikwijls vervalt, zelfs
met de bekwaamheden van een Louvois: hij meent dat hij,
alleen, alles kan regelen; hij vergeet, dat dit slecht gaat; dat
het integendeel zijne zaak is, bekwame mannen te kiezen, aan
Digitized by
Google
308 KRUGS- EN GKSCHIEDICUNDIGE BESCHOUWINGEN.
wie hij een deel zijner werkzaamheden kan opdragen, en die hij
vrijelijk en ongehinderd moet laten werken^ zoolang hij ziet dat
op deze wijze alles goed gaat; hij wil eenheid, hij overschat de
waarde daarvan, hij verkrijgt die eenheid ten koste van andere
goede beginselen ; hij wil alles tot in de minste kleinigheden door
vaste bepalingen regelen; en hij ziet niet in, dat hij daardoor
alles gebi^ekkig zal laten. Is zulk eene handeling soms te wach-
ten van een bekwaam staatsman als Louvois, nog meer is zij te
vreezen van die mannen met beperkte geestvermogens, die te
dikwijls, tot ongeluk van een volk, aan het hoofd der regeering
komen; en die, in hun dwaas en bekrompen pedantisme, ieders
verstand naar de maat van het hunne meten, en daardoor zelfs
de geringste en onbeduidendste handelingen willen binden aan
bepaalde voorschriften en regels. Zulke ministers zijn een ware
plaag voor een land en voor een leger.
Op Louvois, die de voornaamste strategische handelingen van
1673 voorschreef en bestuurde, komt dus de schuld neer van
de slechte uitkomsten welke die handelingen opleverden. De
Fransche legers werden door hem slecht geplaatst, slecht in wer-
king gebracht. Wilde men de veroveringen in Holland behou-
den, dan was het zaak allereerst meester te worden van de
Spaansche Nederlanden ; of ten minste in de landstreek lusschen
Maas, Rijn en Moezel eene legermacht te plaatsen, genoegzaam
sterk om daarmede de Keizerlijke legers in bedwang te houden.
Het eerste had men kunnen doen roet behulp van die sterke
macht, waarmede Lodewijk XIV, in Mei 1673, de Nederlanden
binnenrukte. Wij hebben reeds vroeger aangetoond, dat die macht
had moeten aangewend worden tot de verovering van de Spaansche
Nederlanden ; dat de belegering van Maastricht wel op zich zelve
geen verkeerde handeling was, maar dat het verkeerd was zich
tot die belegering te bepalen ; dat men de verschillende Spaansche
vestingen tusschen Maas en Schelde had moeten bemachtigen;
dat men daardoor de gemeenschap van het leger in Holland
met Frankrijk zou verzekerd hebben; en dat men dan de krijgs-
verrichtingen op het grondgebied der Republiek kon voortzetten
zoo lang men dit verkoos, zonder het minste gevaar te loopen
van afgesneden te worden.
Toen men die onderwerping der Spaansche Nederlanden ver-
zuimde, had men ten minste maatregelen moeten nemen om
den Keizerlijken legers te verhinderen zich te vereenigen met de
krijgsmacht van Willem III. Men kon daartoe Turenne's voorstel
opvolgen, en het leger van dien veldheer den vijand doen op-
zoeken in Bohemen, en dien vijand daardoor beletten den Rijn
te naderen. Oordeelde men die handeling te stout, dan kon men
Turenne voorschrijven, wanneer het hem niet langer mogelijk
was den vijand aan den Main tegen te houden, met het Fransche
Digitized by
Google
ONTRUIMING VAN HOLLAND. 309
leger terug te trekken naar den beneden-Rijn. altijd blijvende
tusschen de legers van Monte Cuculi en van Willem III, en
daardoor de vereeniging belettende van die beide legers der
bondgenooten. Op den linkeroever van den Rijn, of geplaatst in
een dubbel bruggenhoofd nabij Keulen, zou Turenne, in gemeen-
schap met Maastricht en met Luxembourg in Holland, zeer goed,
evenals het jaar te voren, den overtocht van den Rijn door de
Keizerlijken en de vereeniging van hun leger met dat van Wil-
lem III hebben kunnen beletten. Holland had dan niet ontruimd
behoeven te worden, en in den veldtocht zou het voordeel aan
Frankrijk's zijde zijn gebleven.
Maar Louvois was beducht dat het Keizerlijke leger zich naar
den boven-Rijn wilde wenden, en in den Elzas en Lotharingen
vallen ; daarom bleef Turenne volgens zijne voorschriften op den
linkeroever van den Main, terwijl hij zich op den rechteroever
had moeten plaatsen; daarom trok die Fransche veldheer terug
op Philipsburg, terwijl hij zijn terugtocht naar den beneden-Rijn
had moeten verrichten. Die handeling, die misslag was beslissend;
toen was het onmogelijk de vereeniging van de Keizerlijke en
Hollandsche legers te beletten; toen was het onmogelijk om
Bonn en de Staten van den bisschop van Keulen te hulp te
komen; toen was het onmogelijk om in Holland langer een leger
te laten, dat het dreigendste gevaar liep daar geheel ingesloten
te worden.
Ook kan men den noodlottigen invloed van een te groot
aantal vestingen bij dit gedeelte van den veldtocht weer opmerken.
Frankrijk had, zooals wij gezien hebben, op het grondgebied der
Republiek eene legermacht van een 50 000 man ; toch kost het
de grootste moeite om daarvan een 10 ^ 12000 man bijeen te
brengen ; zoozeer was die macht verdeeld en versnipperd in steden
en sterkten van allerlei aard. Wanneer dat niet het geval was
geweest, wanneer men alleen eenige weinige, bijzonder belangrijke
vestingen bezet had gehouden, en de overige ontruimd en ont-
wapend, dan had de helft van het leger in Holland in het veld
kunnen worden gebracht; en dan was er nog mogelijkheid ge-
weest om de vereeniging van de beide legers der bondgenooten
te beletten, en de Keizerlijken weer terug te werpen naar den
rechteroever van den Rijn. Nu was dit eene onmogelijkheid; nu
moest Holland ontruimd worden, in weerwil dat men daar zoo-
veel vestingen en vaste punten had.
Wat Rousset zegt over de krijgsverrichtingen van het einde
van het jaar 1673, komt ons voor, minder juist te zijn; die
Fransche schrijver doet het voorkomen, alsof de ontruiming van
Holland door de legers van Lodewijk XIV minder het gevolg
is geweest van de noodzakelijkheid, dan wel de vrucht van de
WILLEM in. — I. 20*
Digitized by
Google
3IO KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
goede strategische inzichten van Louvois. Ziehier wat voorkomt
op blz. 500 — 502 van het eerste deel der y^Hhtoire de Louroii'*',
» Zoodra de vredebreuk met Spanje eene besliste zaak was, en
terwijl de Prins van Oranje zich in beweging begon te stellen
om zich te vereenigen met graaf Monterey, had Louvois eens-
klaps door Lodewijk XIV een belangrijk besluit doen nemen.
»De Koning," — zoo schreef hij den aostcn October aan den
markies De Rochefort — >moet zich heden beraden over het
ontruimen van Utrecht ; en daar die ontruiming volstrekt noodig
is, zoo geloof ik u in vertrouwen te mogen mededeelen, dat
daartoe zal worden besloten, en dat dit binnen kort zal worden
ten uilvoer gebracht." — Niet alleen zou men Utrecht ontruimen,
maar ook alle steden aan de Zuiderzee, aan den IJsel en aan
de Lek; men behield alleen de steden aan Waal, Maas en Rijn,
met Arnhem als vooruitgeschoven post. Het was een mannelijk
besluit dat gunstig pleitte voor het oordeel, gezond verstand en
vastberadenheid van hem die daartoe aanspoorde. Turenne keurde
het goed: Condé keurde het af; hij grondde zich daarbij hierop:
>dat die ontruiming 'sKonings zaak in geheel Europa zou be-
nadeelen en bederven." Condé had hier de openbare meening
voor zich; in Frankrijk houdt men er niet van, om te wijken;
elke achlerwaartsche beweging wordt beschouwd als een inbreuk
op de nationale eer. Holland was de prijs van de overwinning;
vijftien maanden had men het bezet, en het daardoor gemaakt
tot een Fransch gewest; en toch ontruimde men het voor de
helft ; voor wien ? voor welken overwinnaar ? welken veldslag had
men dan verloren ? De volksmeening onderzocht niet, of de oorlog
met den Keizer en met Spanje het niet noodzakelijk maakte om
Frankrijk's strijdkrachten elders te doen optreden. Wél zag Condé
die noodzakelijkheid in, die het algemeen nog niet begreep;
maar, hoewel Louvois hem verzekerd had, dat het onmogelijk
was om nog meer uitbreiding te geven aan Frankrijk's strijd-
krachten, zoo maande hij den Minister toch aan, om, liever dan
Utrecht te ontruimen, nog eenige pogingen aan te wenden om
nieuwe troepen te lichten in Zwitserland, in Engeland, zelfs in
Frankrijk.
Louvois had moed genoeg om weerstand te bieden aan Condé
en aan de openbare meening; zonder aarzelen bracht hij zijne
populariteit ten offer aan het algemeen belang. Hij deed dit
zonder tweestrijd; en de voorschriften die hij opmaakte voor
den hertog De Luxembourg waren zoo duidelijk, zoo stelsel-
matig, zoo gemakkelijk op te volgen als maar zijn kon. Het
gunstige oogenblik was daar, — schreef hij hem — , nu de Prins
van Oranje er liefhebberij in had om zijne laarzen vuil te maken
in Vlaanderen," {pendant que Ie Prince d^ Orange s awmait a crotter
ses hottes en Flandre). De vestingen ontwapenen en ontmantelen.
Digitized by VjOÓQIC
ONTRUIMING VAN HOLLAND. 3II
al den krijgsvoorraad en leeftocht meenemen, een losgeld op-
leggen aan de sleden en dorpen die men voortaan niet meer
zou kunnen belasten, en toch alle wanorde en geweld voorkomen
of tegengaan, »daar Zijne Majesteit die gaarne zou willen ver-
mijden voor zoover die niet volstrekt noodig zijn," — dit alles
was overwogen, aangeduid, uitgewerkt. In de steden die hij be-
zet bleef houden, wilde de Koning 534 compagnieën voetvolk
laten, dat is bij de 20000 man onder de wapens; de bezettingen
der sleden die men ontruimde en de troepen die Luxembourg
op marsch tot zich moest trekken om ze naar Frankrijk te
brengen, zouden een leger uitmaken van 20000 man voetvolk
en 10 000 paarden.
Hoezeer het dringend noodig was om grooten spoed te maken,
zoo vorderde zulk een gewichtige operatie toch veel tijd; Luxem-
bourg was ternauwernood daarmede begonnen, toen de Prins
van Oranje, die onderweg een Spaansche legermacht aan zich
had getrokken, voor de muren van Bonn verscheen; terwijl
daarvoor, aan de andere zijde, de Keizerlijken kwamen, die van
Mainz naar het lagere gedeelte van den Rijn waren getrokken."
Enkele aanmerkingen hierop.
Vooreerst op de cijfers. Tot bezetting van de HoUandsche
steden die men niet ontruimde, moesten 534 compagnieën voet-
volk worden aangewend, die, onder de wapens, bij de 20000
man uitmaakten ; — dus zou de sterkte van elke compagnie nog
geen 40 man zijn geweest? Dit is niet waarschijnlijk.
Luxembourg's leger, dat geheel in het begin van 1674 Char-
leroi en Frankrijk bereikte, zou sterk zijn geweest 20000 man
voetvolk en 10000 man ruiterij; — andere opgaven geven een
veel mindere sterkte aan: 10 000 man voetvolk en 6000 man
ruiterij; — en die mindere sterkte is veel meer waarschijnlijk;
want als Luxembourg aan het hoofd had gestaan van zulk een
sterk leger, zou hij dan, zelfs belemmerd door een wagentrcin,
tot tweemaal toe zijn teruggegaan voor Willem III, die een min-
der sterk leger aanvoerde?
Het meest waarschijnlijke is — zooals reeds gezegd is — dat
er in het najaar van 1673 nog ongeveer een 50000 man Fransche
troepen in Holland waren; dat daarvan in Januari 1674 een
16000 man — laat het 20000 man zijn, maar meer niet —
door Luxembourg naar Frankrijk werden teruggebracht; dat.
eenige maanden later De Bellefonds met een leger van 22000
man Gelderland verliet; en dat de bezettingen die in Grave en
Maastricht achterbleven, te zamen een 10 è. 12000 man hebben
uitgemaakt.
Wij geven die cijfers als de meest waarschijnlijke, als
die waartoe men komt als men de verschillende opgaven raad-
pleegt en onderling vergelijkt. Zelden of nooit zal men bij een
Digitized by
Google
312 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
oorlog met wiskundige zekerheid de sterkte van de strij-
dende partijen kunnen kennen; en toch dient men zich een
eenigszins juist denkbeeld van die sterkte te maken, wil men
vruchten plukken van de studie van de k rijgsgeschiedenis.
Een tweede aanmerking betreft den invloed, dien het optreden
van den Keizer en van Spanje als vijanden van Lodewijk XIV
zou gehad hebben op de ontruiming van Holland. Die invloed
wordt door Rousset veel te hoog geschat; of, beter gezegd, hij
geeft hier een geheel onjuiste voorstelling van den gang van
zaken. De Fransche schrijver doet het voorkomen, alsof eerst
door de traktaten, die den 3osten Augustus 1673 in Den Haag
werden gesloten lusschen den Keizer, Spanje en de Republiek,
de Keizer en Spanje vijanden zijn geworden van Lodewijk XIV ;
alsof, vóór dien tijd, Frankrijk volstrekt geen vijandschap of
tegenwerking had te duchten van den Keizer of van Spanje;
alsof in den zomer van 1673 ^^ staatkundige toestand in eens
geheel en al was veranderd \ en alsof alleen die geheele omkee-
ring de oorzaak is geweest van de ontruiming van Holland.
Maar die voorstelling komt niet overeen met de werkelijkheid.
Spanje had ons hulp verleend, van het eerste oogenblik af dat
lodewijk XIV in 1672 de Republiek aanviel; het was onafge-
broken daarmede blijven voortgaan; het was een half Spaansch,
half Hollandsch leger, waarmede Willem III in 1672 Charleroi
aanviel; Spaansche regimenten namen deel aan de verdediging
van Maastricht; — in één woord, dat verdrag van 30 Augustus
1673 deed niet anders dan openbaarheid geven aan een toestand
van zaken, die reeds veel langer dan een jaar bestond, en die
voor niemand een geheim was. Evenzoo met den Keizer: reeds
in het najaar van 1672 verwachtte men een Keizerlijk leger in
de Rijnprovincien te zien komen; Willem III rekende daarop,
toen hij op het einde van 1672 naar die gewesten trok; en
Lodewijk XIV en Louvois zijn onmogelijk daarvan onkundig
kunnen wezen. Het kan dus niet zijn, dat de ontruiming van Hol-
land is teweeggebracht door de traktaten, in 1673 door de
Republiek gesloten met Spanje en met den Keizer; want die
traktaten leerden den Franschen koning niets, wat hij niet reeds
sedert lang wist.
Maar de ontruiming van Holland werd teweeggebracht door
de steeds toenemende bezorgheid van de Fransche bewindheb-
bers, dat hunne legermacht in Holland groot gevaar liep geheel
afgesneden te worden van Frankrijk, groot gevaar liep geheel
verloren te gaan. De stoute onderneming van Willem III, op
het einde van 1672, had reeds op dat gevaar opmerkzaam ge-
maakt; toenmaals was het echter afgewend, door het niet op-
dagen van het Keizerlijke leger, en door het niet gelukken van
den aanval op Charleroi. Maar toen de Stadhouder in het najaar
Digitized by
Google
ONTRUIMING VAN HOLLAND. 313
van 1673 de onderneming van het vorige jaar herhaalde, begon
men aan de Fransche zijde overtuigd te worden van de nood-
zakelijkheid om Holland te verlaten ; de datums toonen het aan,
dat het een het gevolg is geweest van het ander; den i2ea en
i3en October trekt het Hollandsche leger, uit Noord-Braband, de
Spaansche Nederlanden in; en den 2osteo October — toen men
in Frankrijk die aanvallende beweging van den Stadhouder dus
zeer zeker reeds heeft kunnen weten — , wordt aan den Fran-
schen koning voorgesteld om Utrecht te verlaten en de krijgs-
macht die in Holland is meer samen te trekken; en die samen-
trekking is ternauwernood aangevangen, of Willem III is reeds
meester van Bonn.
Over dat beleg van Bonn vindt men bij Rousset maar weinig;
«n dat weinige dient alleen om ten voordeele van de Fransche
wapeneer te pleiten:
(i* deel, blz. 503) ...iDe vestingwerken waren slecht, en niet
bewapend ; de magazijnen bijna leeg. Er werd een wonderdadige
werkzaamheid toe vereischt om de stad in weinige dagen zóó
te versterken dat zij niet met den eersten aanloop kon worden
genomen. Het beleg begon den 300 November; den I2en, na
eene krachtige verdediging waarvan al de inspanning en al de
eer toekwam aan de Fransche bezetting^ werd, door den onwil
van de troepen van den Keurvorst, de dwarsdrijverijen van hun
aanvoerder, en den opstand van de burgerij, Reveillon" (de
Fransche bevelhebber) > gedwongen om eene capitulatie te slui-
ten, die hij echter niet mede wilde onderteekenen."
Over het einde van den veldtocht vindt men bij Rousset het
volgende, dat slechts algemeene trekken geeft, en te wenschen
overlaat wat de juistheid der bijzonderheden aangaat (1* deel,
blz. 509—510).
iNa het nemen van Bonn beraadslaagden de hoofden der
bondgenooten over de verdere handelingen, maar konden het
<iaarbij niet eens worden. Monte Cuculi, wien al dat ijdel getwist
vermoeide, had plotseling die beraadslaging gestaakt en was
naar Weenen vertrokken; zijne onderbevelhebbers hadden last
om het leger weer naar den rechteroever van den Rijn te doen
teruggaan. Men meende dat de Prins van Oranje, hoezeer het
hem ook leed deed, naar Holland was teruggekeerd, toen er
van den hertog De Luxembourg — die intusschen te Maastricht
was gekomen, met de troepen die hij naar Frankrijk moest terug-
brengen — brieven werden ontvangen, waarin hij meldde, dat
hij tej^enover zich had staan, op den grooten weg van Maastricht
naar Charleroi, den Prins van Oranje en graaf Monterey, van
zins, naar het scheen, om hem den weg af te sluiten. Dadelijk
na de ontvangst van die tijding schreef Louvois aan Luxembourg,
Digitized by
Google
314 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
dat er bevelen waren uitgevaardigd om te Charleroi een leger
samen te trekken van 20000 man voetvolk en 10 000 ruiters,
dat hem binnen eenige dagen te gemoet zou gaan, aangevoerd
door Condé en Turenne. Geen van beiden behoefde te velde
te trekken : op het eerste bericht van het samentrekken van een
Fransch leger bij de Sambre, hadden de Prins van Oranje en
graaf Monterey het gevaar ingezien van tusschen twee vuren te
komen en waren zij daarom afgetrokken, na nutteloos hun voet-
volk te hebben vermoeid en hunne ruiterij te hebben uitgeput
in die moeielijke slijkgronden. Half Januari 1674 kwam Luxem»
bourg te Charleroi terug, zonder eenig ander bezwaar te hebben
ondervonden dan dat van een vermoeienden marsch.
Geëindigd was de veldtocht van 1673, — maar niet ten voor-
deele van Frankrijk. De oorlogsverklaring van den Keizer en
van Spanje; de lauwheid, ontmoediging, of zwakheid van 's Konings
bondgenooten ; de inneming van Naarden; Monte Cuculi's be-
wegingen; zijn vereeniging met den Prins van Oranje; de inne-
ming van Bonn; het verbreken van de gemeenschap langs den
Rijn ; het ontruimen van Utrecht en van zooveel andere sleden,
en — om het zoo maar eens te noemen — het herleven van
Holland; dit alles had den indruk van het veroveren van Maas-
tricht geheel en al uitgewischt. In werkelijkheid — zoo zou
een onpartijdige oordeelen — had Frankrijk slechts onbedui-
dende verliezen geleden; integendeel, het had zelfs gewonnen,
daar het zijne stellingen meer beperkte, en zijne strijdkrachten
meer samentrok; — maar zedelijk was het verzwakt door den
indruk dien de gebeurtenissen hadden gemaakt op de gemoederen,
zoowel binnen- als buitenslands. Frankrijk's vijanden hadden te
veel zelfvertrouwen om zoo kleine voordeden, het Fransche
volk te veel onmst om zoo kleine tegenspoeden ; maar die over-
maat van zelfvertrouwen aan den eenen kant, en van onrust aan
den anderen was juist een groot kwaad."
Met groote juistheid wordt hier door Rousset opgemerkt, dat
in 1673 Frankrijk niet zoo groot stoffelijk nadeel had onder-
vonden, maar dat het zedelijk sterk was achteruitgegaan; en de
zedelijke invloed doet bijna alles af in vele omstandigheden,
vooral in oorlogszaken. Zie hoe bij het begin van den oorlog
van 1672 alles voor Frankrijk buigt, hoe alvermogend Lodewijk XIV
schijnt, hoe in Europa niets tegen hem durft optreden, hoe ge-
makkelijk zijne legers overwinnen, hoe gering zij het strijdver-
mogen der HoUandsche troepen achten, hoe spoedig de Repu-
bliek haren ondergang nabij is; — zie hoe die Republiek zich
daarentegen op het einde van 1673 weer met veerkracht ver-
heft, hoe zij zich bondgenooten weet te verwerven, hoe hare
vloten op den oceaan zegevieren, hoe hare legers stoutmoedig
Frankrijk's legers ten strijde uitdagen, en tot tweemaal toe Luxem-
Digitized by
Google
ONTRUIMING VAN HOLLAND. 315
bourg zijn veiligheid doen zoeken onder het kanon van Maas-
tricht. Dat zijn uitkomsten die indruk maken, en die den groot-
sten invloed oefenen op den verderen gang der gebeurtenissen.
De veldtochten van 1672 en 1673 hadden ook Willem III als
legerhoofd aan Europa doen kennen; zijne strategische hande-
lingen die HoUand's geheele bevrijding ten gevolge hadden, zijn
alleen reeds voldoende om hem tot een groot veldheer te stempelen.
Maar hoe kan dat ? — hebben wij eens hooren aanmerken ; —
hoe kan Willem III zoo, bij zijn eerste optreden, dadelijk een
groot legerhoofd zijn; hij, zoo jong, en zonder voorafgaande
opleiding ? Dat waait iemand toch niet zoo in eens aan, de kunst,
de verheven kunst, om in den oorlog de bewegingen en han-
delingen der legers goed te besturen?
Dat waait iemand zoo in eens niet aan? — Neen, zeker niet;
wanneer men daaronder verstaat óéX gedeelte der veldheerskunst,
dat betrekking heeft op de kennis der bijzonderheden, op de
technische kennis; dat vereischt veel studie, veel ondervinding,
jaren tijds. Maar iets anders is het, wanneer het betreft het
juiste en heldere inzicht in de groote oorlogshandelingen, en de
vaardigheid om snel te besluiten tot datgene wat beslissende
gevolgen moet hebben; dat deel van de veldheerskunst is min-
der de vrucht van studie dan van aangeboren geestvermogens,
van genie, van heldenmoed. Het kan wellicht ahijd vreemd zijn
gebleven aan den ouden aanvoerder, die op de rijkste onder-
vinding kan bogen ; het kan wellicht het deel zijn van het jonge
legerhoofd, dat pas optreedt, dat nog geen ondervinding heeft,
maar dat door het vuur van het genie wordt bezield ; voor hem
gelden de woorden van Corneille's Cid:
»mes pareils k deux fois ne se font pas coonattre,
et pour leurs coups d'essai veulent des coups de mattre."
EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
Digitized by
Google
Digitized by
Google
Digitized by
Google
Digitized by
Google
KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN
OVER WILLEM DEN DERDE.
Digitized by
Google
Digitized by
Google
Krijgs- en Geschiedkundige
Beschouwingen
OVER
WILLEM DEN DERDE.
TWEEDE DEEL (1674-1688)
DOOR
W. J. KNOOP,
in leven Luitenant-Generaal v. h. Nederl. Leger
de jonge vorst, uit d'eelsten stam gesproten,
zweert d'eed van Hannibal voor 't oog der oppennagt:
„help God dat ik 's volks ketens slake !
'K zweer Frankryk onuitroeibre wrake;
breek ik mijn eed, dat mij dan 't voorgeslacht verzake,
mij uit haar krcits verstoote, en 't nakroost mij veracht,
gelijk een vreemde slaaf, in schande voortgebragt."
Gij weet het Lodewijk, heeft hij zijn eed betracht?
Hrlmers.
SCHIEDAM,
H. A. M. ROELANTS,
1895.
Digitized by
Google
Digitized by
Google
INHOUD VAN HET TWEEDE DEEL.
HOOFDSTUK XI.
Krijgsverrichtingen tegen de Munsterschen in 1674; oorlogstoe-
rustingen en oorlogsplannen van Frankrijk en van de bond-
genooten; verovering van Franche-Comté ; krijgsverrichtingen
bij de Pyreneën; oorlog ter zee; krijgsverrichtingen aan den
Boven-Rijn Bladz. i
Oorlogvoerende partijen in 1674.
Krijgsverrichtingen tegen de Munsterschen (Maart en April 1674). —
Gevecht bij Nordhorn (5 April 1674). — Inneming van Nienhuis (7 April
1674). — Hememing van Nienhuis door de Munsterschen (20 April 1674).
Krijgstoerustingen van Frankrijk. — Krijgstoerustingen der bondge-
nooten: Duitschland; Spanje; de Republiek; ontwerpen van verschanste
Uoiën; verzorging van zieken en gewonden. — Oorlogsplannen: van de
bondgenooten ; van Frankrijk.
Verovering van Franche-Comté (Februari — ^Juni 1674).
Krijgsverrichtingen bij de Pyreneën.
Tocht van De Ruyter naar de Antillen (Mei— October 1674). — Tromp
op de Fransche zeekusten (Juni— Juli 1674). — Samenzwering tegen
Lodewijk XIV. — Rousset over de verrichtingen der Hollandsche vloot.
Krijgsverrichtingen aan den Rijn (Juni 1674 — ^Januari 167$). — Ge-
vecht bij Sintzheim (16 Juni 1674). — Eerste verwoesting van de Paltz
(1674). — Slag bij Entzheim (4 October 1674). — Overvalling van de
Duitsche kantonnementen (December 1674 — ^Januari 1675).
HOOFDSTUK XII.
Krijgsverrichtingen van 1674 in de Nederlanden, tot aan den
slag van Séneffe Bladz. 25
De Bellefonds; opmerking. — Samentrekking van Condé's leger te
Doornik (10 Mei 1674). — Beschrijving van het oorlogstooneel. —
Marsch van Condé van Doornik op Maastricht (12 — 23 Mei); beschou-
wingen over dien marsch. — Beleg van Argenteau (16—17 Mei). —
Beleg van Navagne (17^22 Mei). — Vereeniging der legers van Condé
en De Bellefonds (23 Mei); opmerking. — Marsch van het Fransche
leger naar Thiraéon (25 — 29 Mei).
Digitized by
Google
Oorzaak van de werkeloosheid der bondgenooten. — Opmarsch van
het HoUandsche leger (13 — 17 Mei). — Sterkte van het Hollandsche
leger; sterkte van de Spaansche legermacht ;. sterkte vao het Duitsche
leger. — Beperkte macht van Willem III als legerhoofd. — Monterey. —
De Souches. — Condé. — Inzichten der bondgenooten. — Inzichten
van Willem III. — Onwil van De Souches om zich te vereenigen met
Willem m. — Aanvalsplan der Keizerlijken. — Verplaatsing van het
Hollandsche leger (ii Juni). — Operatiën van De Souches op den
rechteroever yan de Maas (16 — 27 Juni); opmerking. — Handelingen
van het Fransche leger tot het einde van Juni. -- Rousset over Condé ;
opmerking. — Rousset over de inzichten bij de bondgenooten. — Over
de verstandhouding van De Launoy met Frankrijk. — Samenkomst van
de hoofden der bondgenooten (2 Juli). — Bewegingen van het Keizer-
lijke leger; wijze van voeding van dit leger. — Maatregelen der Fran-
schen om Champagne te beschermen. — Bewegingen van het Fransche
leger (28 Juni— 15 Juli). — Nieuwe onderhandelingen tusschen de
hoofden der bondgenooten. — Marsch van het leger van Willem III
naar de Méhaigne (16 — 24 Juli). — Marsch van Condé naar den Piéton
(23 Juli). — Besluit van De Souches om zich te vereenigen met de
hoofdmacht der bondgenooten ; vereen* ging der drie legers (28 Juli). —
Sterkte van het leger der bondgenooten; weinige eensgezindheid bij de
bondgenooten; indeeling van het Hollandsche leger.
HOOFDSTUK Xffl.
Slag van Séneffe (11 Augustus 1674) Bladz. 60
Marsch van de bondgenooten op Nivelles (i — 4 Augustus). — Voorstel
van Willem III om Condé aan te vallen; beoordeeling daarvan; sterkte
van de stelling aan den Piéton; besluit der bondgenooten om niet aan
te vallen. — Opmarsch naar Séneffe (9 Augustus). — Marsch op Binche
(11 Augustus); beoordeeling van die beweging.
Slag van Séneffe (11 Augustus 1674). — Beschikkingen van Condé. —
Plaatsiog van de achterhoede der bondgenooten. — Gevecht bij het dorp
Séneffe. — Stelling van Willem III te Saint-NicoIas-aux-bois. — Gevecht
ten noorden van Saint-Nicolas-aux-bois. — Gevecht te Saint-Nicolas-aux-
bois. — Stelling van Willem III te Fay. — Aanvalsdispositiën van
Condé. — Gevecht bij Fay. — Afbreken van den strijd ; terugtocht van
Condé; terugtocht der bondgenooten. — Wederzijdsche verliezen.
Beschouwingen over den slag van Séneffe. — Wie is overwinnaar ge-
weest? — Over de handelingen van Condé. — Over den flankmarsch
der bondgenooten. — Oorzaken van de eerste nadeelen van de bond-
genooten. — Beleid van Willem III in het kiezen van sterke stellingen ;
persoonlijke dapperheid van den Stadhouder.
Rousset over Séneffe.
HOOFDSTUK XIV.
Oudenaarden; einde van den veldtocht van 1674 in de Spaansche
Nederlanden Bladz. 99
Toestand en bewegingen van de beide legers na den slag van Séneffe
(Augustus 1674). — Inzichten van de bondgenooten. — Insluiting en
beleg van Oudenaarden (15 — 21 September). — Marsch van Condé naar
Digitized by
Google
Oudenaarden (14—21 September). — De bondgenootcn breken het beleg
van Oudenaarden op (21 September). — Opmerkingen.
Einde van de krij^sverrichtingen in de Spaansche Nederlanden. —
Pogingen van Frankrijk om vredesonderhandelingen te openen. —
Rousset over Oudenaarden; opmerking.
HOOFDSTUK XV.
Beleg van Grave Bladz. 112
Het beleg van Grave te uitsluitend uit het oogpunt der Franschen
beschouwd. — Hel gebrekkige van de krijgsverhalen bij de oudere
Hollandsche schrijvers. — Toestand van de vesting; bezetting; bewape-
ning en uitrusting; beschikkingen van Chamilly voor het beleg. —
Eerste toebereidselen tot het beleg (Juni— 'Juli 1674). — Gevecht bij
Middelweert (15 Juli). — Pogingen tot afgraving van den dijk van
Maas en Waal (23—25 Juli). — Komst van het Hollandsche leger voor
Grave (27 Juli). — Gevecht bij Velp (29 Juli). — Opening van de
loopgraven (nacht 29 — 30 Juli). — Aanval aan de zijde van Ravestein. —
Aanval op het bruggenhoofd. — Aanval aan de zijde van Kuyck. —
Bombardement. — Uitval van 14 — 15 Augustus. — Sterkte en samen-
stelling van het Hollandsche leger. — Aanslag op *s Hertogenbosch ;
opmerking. — Wegvoering van de gijzelaars uit Grave (16 Augustus). —
Afleiding van de Raam. •-- Vermeestering van het btuggenhoofd. —
Drijvende schans. — Uitval van 30 Augustus. — Geringe vorderingen
van den aanval. — Toestand binnen Grave. — Geestkracht van Cha-
milly. — Aanval van de zijde van Den Bosch (half September). —
Aanval van de zijde van den rechteroever der Maas; voorstel van Coe-
hoorn. — Storm van 20 September. — Uitval van 28 September. —
Storm van 29 September. — Storm van i October. — Komst van Wil-
lem III (9 October). — Storm van li — 12 October.— Storm van 13 — 14
October. — Storm van 15—16 October, — Bestorming van den be-
dekten weg (16 — 17 October); tweede storm op den bedekten weg (17
October); vermeestering van den bedekten weg; zelfopoffering van zes
Hollandsche officieren. — Bressen. — Uitval van 23 October. — Over-
gave (28 October). — Verliezen der beide partijen.
Beschouwingen over dit beleg.
Rousset over het beleg van Grave.
HOOFDSTUK XVI.
1675; het hertogschap over Gelderland: Willem UI en Louvois;
veldtocht in de Spaansche Nederlanden, en in Duitschland; dood
van Turenne; laatste krijgsverrichtingen in 1675 . Bladz. 151
Schaduwzijde van het Fransche krijgswezen tijdens Lodewijk XIV.
Poging om Willem III Hertog van Gelderland te maken.
Pogingen van de Fransche regeering om Willem III voor zich te winnen.
Bemachtiging der citadel van Luik door de Franschen ("31 Maart
1675). — Sterkte en samenstelling van het leger van Lodewijk XIV, —
Beleg van Dinant (19 — 28 Mei). — Beleg van Hoey (1—6 Juni). —
Beleg van Limburg (9 — 22 Juni). — Verdere krijgsverrichtingen in de
Nederlanden. — Opmerkingen.
Dood van Turenne (27 Juli 1675)^ — Nederlaag van Créqui (11 Augustus
ï^75)- — Werkeloosheid aan den Rijn.
Laatste krijgsverrichtingen van 1675 in de Nederlanden. — Oproeren
in Guyenne en Bretagne in 1675. — Eindoordeel over 1675.
Digitized by VjOOQIC
X INHOUD.
HOOFDSTUK XVII.
1676; Condé en Bouchain; Maastricht; dood van De Ruyter;
krijgsverrichtingen aan Rijn en Moezel, enz. . . Bladz. 182
OnderhandelingeD te Nijmegen. — VaubaQ*s meening over den ves
tingoorlog in de Nederlanden. — Verdeeling van de Fransche strijd
krachten in 1676. — Beleg van Condé (17 — 26 April). — Opmarsch
van het leger van Willem III. — Lodewijk XIV besluit tot het beleg
van Bouchain. — Demonstratie van de bondgenooten tegen Kortrijk. —
Marsch van Willem III tot ontzet van Bouchain (7—10 Mei). — Stel-
lingen van de beide legers. — Vergeefsche aandrang van Willem III
om den vijand aan te vallen; ook aan de Fransche zijde valt men niet
aan. — Beleg van Bouchain (2 — 12 Mei). — Marsch van het Fransche
leger van Bouchain op Ninove (20 — 27 Mei). — Marsch van Willem in
van Valenciennes op Aalst (22 — 27 Mei). — Het Fransche leger te
Quiévrain (21 Juni); Willem III nabij Brussel (19 Juni). — Begin van
het beleg van Maastricht (Juli). — Beleg van Aire (19 Juli — i Augus*
tus). — Bewegingen van Villa Hermosa en Waldeck, — Opmerkingen. —
Besluit om Maastricht te hulp te komen. — Schomberg. — Slechte
krijgstucht bij het Fransche leger. — Schomberg aan den Piéton (15 — 21
Augustus;. — Waldeck en Villa Hermosa. — Marsch van Schomberg
op Tongeren (22-26 Augustus).
Beleg van Maastricht (7 Juli— 27 Augustus). — Toestand der vesting;
bezetting. — De belegerende macht. — Verdeeling van de troepen voor
Maastricht. — Engelsche troepen. — Komst van het belegeringsgeschut
(17 Juli); — Opening der loopgraven (19 — 20 Juli). — Bestorming van
het bastion Dauphin (30 Juli). — Tweede bestorming van het bastion
Dauphin (4 Augustus). — Aanvallen op andere punten. — Geringe be-
kwaamheid van de ingenieurs voor Maastricht. — Gang van het beleg
(5 — II Augustus). — Stormaan vallen op een hoornwerk (11 — 26 Augus-
tus). — Willem ni breekt het beleg van Maastricht op (27 Augustus). —
Opmerkingen. — Willem III over het beleg van Maastricht. — Eind-
oordeel over het beleg.
Bewegingen van de beide legers (29 Augustus — 10 September). —
Einde van den veldtocht.
Dood van De Ruyter (29 April 1676).
Krijgsverrichtingen aan den Rijn, In 1676. — Karel van Lotharingen. —
Beleg van Philipsburg (22 Juni — 10 September). — Weifelingen en
onzekere handelingen van Luxembourg. — Verdere krijgsverrichtingen. —
Krijgsverrichtingen aan den Moezel in 1676. — Krijgsverrichtingen in
Catsüonië en in Sicilië.
HOOFDSTUK XVm.
1677; beleg van Valenciennes, Kamerijk en Saint-Omer; veld-
slag van Cassel; Charleroi; krijgsverrichtingen aan den Rijn^
en in Catalonië Bladz. 236
Staatkundige toestand van Europa in 1677. — Volkshaat tusschen
Frankrijk en Engeland. — Misnoegen van Vauban. — De Fransche artil-
lerie. — Beleg van Valenciennes (i — 17 Maart). — Kamerijk en Saint-
Omer gelijktijdig aangevallen. — Beleg van de stad Kamerijk (22 Maart —
5 April). — Beleg van de citadel van Kamerijk (5 — 18 April). —
Saint-Omer.
Digitized by
Google
INHOUD. XI
Bericht van de nadering van Willem III. — Versterking van bet leger
van Monsieur. — Komst van Willem III in de Spaansche Nederlanden. —
Biddag in de Republiek. — Marsch van Willem III van Brugge naar
Cassel (4 — 10 April). — Slag van Cassel (11 April 1677). — Dapperheid
van Willem III; strengheid. •- De Staten-Generaal. — Beleg van Saint-
Omer (4 — 22 April), — Staking van de aanvallende operatiën. — Het
Fransche leger bij Condé (Mei). — Luxembourg opperbevelhebber, —
Slechte krijgstucht bij het Fransche leger. — Toebereidselen van Willem III.
Krijgsverrichtingen aan de Duitsche grenzen. — Verwoestingen, door
Lonvois bevolen. — Créqui. — Opmarsch van het Keizerlijke leger
naar de Sarre. — Operatiën nabij Metz, tusschen Créqui en den hertog
van Lotharingen (Juni, Juli). — Marsch van den hertog van Lotharingen
naar de Maas (14 Juli — 2 Augustus).
Voornemen van Willem III om Charleroi aan te vallen; ongeloof van
Louvois dienaangaande. — Insluiting van Charleroi (6 Augustus). —
Handelingen van Louvois. — Luxembourg te Walcourt (10 Augustus). —
Gebrekkige wijze van aanvallen tegen Charleroi. — Stellingen der
bondgenooten rondom Charleroi. — Marsch van Luxembourg op Ger-
pinnes (ii Augustus). — Marsch van Willem UI naar Gerpinnes (12
Augustus). — Opbreken van het beleg van Charleroi (14 Augustus);
honende taal van Louvois over dat beleg van Charleroi. — Poging, van
de Fransche zijde, tot toenadering tot Willem Hl (September). — Last
van Louvois om het land van Waas te verwoesten (einde Augustus). —
Willem ni neemt Binche, en bedreigt Dinant (Aug.— Sept.). — Voor-
nemen van de Franschen om Dixmude aan te vallen, — Aanval van de
Franschen op de Brasselsche vaart (10 September). — Beleg van Saint-
Ghislain (i — 10 December). — Verstand van de Fransche regeering;
onverstand van de Spaansche. — Wederrechtelijk geweld van Louvois.
Verdere krijgsverrichtingen bij den Rijn. — Overtocht van den Rijn
door Créqui (21 September). — Créqui terug op den linkeroever (i Octo-
ber). — Beleg van Freiburg (9 — 17 November).
Krijgsverrichtingen in Catalonië. — Gevecht bij Bagnols (3 Juli).
Huwelijk van Willem III (15 November).
HOOFDSTUK XIX.
1678; vredesonderhandelingen; begin van den veldtocht; beleg
van Gent en Iperen; Nijmeegsche vrede; slag van Saint-Denis;
krijgsverrichtingen bij den Rijn Bladz. 281
Over de Nijmeegsche vredesonderhandelingen. — Redenen voor den
vrede. — Onwil van Spanje en van Duitsche vorsten. — De Republiek
wil vrede. — Willem III wil oorlog. — Engelsche staatkunde, —
Beverningh.
Invloed van de staatkunde op de Fransche krijgsverrichtingen. —
Teekenen van verval in het Fransche krijgswezen. — Toebereidselen
tot het beleg van Gent — Vertrek van Lodewijk XIV naar de grenzen
(7 Februari). — De Franschen bedreigen verschillende vestingen. —
Toestand van Gent. — Beleg van Gent (5—12 Maart). — Beleg van
Iperen (18—26 Maart). — Schorsing van de vijandelijkheden. — Louvois
en Calvo; verrassing van Leeuwe (3—4 Mei).
Beleg van Puycerda (29 April— 28 Mei).
Lodewijk XIV weer aan het hoofd van het Fransche leger (16 Mei). —
Beverningh in het Fransche leger (31 Mei). — Vernielingen door Lou-
Digitized by
Google
vois bevolen. — Strijdige bevelen aan Laxembourg (28 Juni— 3 Juli). —
De Nijmeegsche onderhandelingen schijnbaar afgesprongen. — Verbond
lusschen Engeland en de Republiek (26 Juli). — Willem III naat het
leger (26 Juli). — Voorschriften van Louvois aan Luxembourg (9 Juli —
2 Augustus). — Vrede van Nijmegen (10 Augustus).
Slag van Saint-Denis (14 Augustus). — Sterkte van de beide legers. —
Luxembourg neemt stelling te Saint-Denis (12 Augustus). — Luxembourg
ontvangt bericht van den vrede (14 Augustus). — Opmerkingen. —
Opmarsch van Willem III van Brussel (11 — 14 Augustus). — Beschik-
kingen tot den aanvnl op de Fransche stelling (14 Augustus) — Aanval
op Saint-Denis. — De tweede linie van Luxembourg terug achter
de Haisne. — Gevecht bij Saint-Denis. — Kanonvuur, — Gevecht bij
Casteau. — Voorstel van Louvignies; opmerking. — Verder beloop
van den strijd bij Casteau. — Opmerking. — Verliezen. — Willem III
krijgt tijding van den vrede (15 Augustus). — Onderhandelingen; op-
merking. — Opheffing van de blokkade van Mons; samenkomst van
Willem III en Luxembourg; opmerking. — Wie was overwinnaar te
Saint-Denis? — Heeft Willem III goed gedaan met slag te leveren?
Vrede van Frankrijk met Spanje (17 September 1678).
K rijgsverrichtingen aan den Rijn. — Vrede van Frankrijk met den
Keizer (5 Februari 1679).
Vrede tusschen Frankrijk en Brandenburg (29 Juni 1679).
H(X)FDSTUK XX.
1678 — 1688: verhouding van de Republiek tot Frankrijk; over-
weldigingen van de zijde van Lodewijk XIV; vergeefsche
pogingen van Willem III om de Republiek daartegen te
wapenen Bladz. 327
Onzekerheid van den vrede. — Gezantschappen. — Voorstel van Lou-
vois aan de Hollandsche gezanten; opmerking. — De vriendschap van
de Republiek met Frankrijk, niet lang van duur. — Over de eerlijkheid
der Hollandsche regenten. — Chambres de rcunion, — Vrede of oor-
log? — Willem III. — Amsterdam. — Spanje. — Engeland; Van Beu-
ningen. — Waldeck. — Duitschland; de keurvorst yan Brandenburg; de
Keizer. — Verdrag van Laxenburg (10 Juni 1682). — Inval van de
Turken (1682— 1683). — Briefwisseling van Willem III met Waldeck
(1680 — 1684). — Willem III als staatsman. — Opmerking.
Digitized by
Google
HOOFDSTUK XL
KRIJGSVERRICHTINGEN TEGEN DE MUNSTERSCHEN IN 1674; OOR-
LOGSTOERUSTINGEN EN OORLOGSPLANNEN VAN FRANKRIJK
EN VAN DE BONDGENOOTEN ; VEROVERING VAN FRANCHE-
comté; krijgsverrichtingen bij de pyreneën;
oorlog ter zee ; krijgsverrichtingen aan
DEN BOVEN-RIJN.
lAlle wereldsche zaken verwisselen geduriglijk, en daar en is
op den ganschen aardbodem niets zoo bestendig dat de verande-
ring kan ontworstelen, bijzonder in de oorlogsgevallen/'
Met die wijsgeerige spreuk vangt de > Nieuwe Mercurius" het
verhaal aan der gebeurtenissen van 1674; en waarlijk, moge die
spreuk niet nieuw zijn, zelden zal hare waarheid beter blijken
dan wanneer men den toestand van Holland bij het begin van
1674, vergelijkt met wat die toestand was geweest, nog geen
twee jaar vroeger. Toen, aangevallen door talrijke, machtige
vijanden, zag Holland haar grondgebied overheerd, en was het
op het punt van te verdwijnen uit de rij der onafhankelijke vol-
keren; nu, het grondgebied weer van vijanden gezuiverd, de
wapenmacht des vijands voor zich uit drijvende, verhief de Repu-
bliek zich weer in haar vroegere kracht, en zag zij het getal
harer vijanden verminderen, talrijke bondgenooten tot hare hulp
toesnellen; in 1672 onder de drukkendste en vernederendste
voorwaarden den vijand een vrede afgesmeekt, dien men niet
kon verkrijgen; in 1674 dien vijand op eigen bodem aangetast,
en de Hollandsche driekleur zegevierend wapperende op Fran-
schen grond. O, wie een zoo snelle lotswisseling opmerkt, móet
tot de erkentenis komen, dat een volk, evenals ieder mensch op
zichzelf, altijd verkeerd doet, aan zijn behoud te wanhopen; en
dat, hoe donker do nacht is waarmede het heden ons omringt,
het toch altijd plicht is te vertrouwen op het licht dat de nabij-
WILLKM III. — II. I
Digitized by
Google
2 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
zijnde morgen zal aanbrengen, en moedig en onbezweken aan
tegenspoed en ongeluk het hoofd te blijven bieden.
De vredes-onderhandelingen, onder bemiddeling van Zweden
reeds in 1673 ^^ Keulen geopend, waren dat geheele jaar slepende
gebleven, zonder tot eenige uitkomst te leiden ; geen der oorlog-
voerende partijen verlangde naar den vrede, ten minste niet op
de voorwaarden die de tegenpartij voorschreef. Toen Keizerlijke
officieren vorst Wilhelm von Fürstenberg — die geheel en al de
belangen van Frankrijk toegedaan was — gevangennamen, was
het sein gegeven tot het geheel afbreken van die onderhande-
lingen, en tot het voortzetten van den oorlog, waaraan nu een
groot deel der vorsten van Europa zou deelnemen.
De Noordsche mogendheden kon men niet mederekenen onder
de oorlogvoerende partijen: noch Rusland, noch Polen, noch
Zweden, noch Denemarken zouden aan dien krijg deelnemen, —
ten minste niet dadelijk. Wél sloot Denemarken met de Repu-
bliek een verbond, waarbij het aannam om eene legermacht op
de been te brengen, ten behoeve van Holland en door Holland
te betalen; maar die verbintenis werd niet nagekomen; Dene-
marken werd verhinderd zijne legermacht naar het buitenland
te zenden, bevreesd als dit Rijk was voor een aanval van Zweden,
dat den Franschen belangen was toegedaan en dat daarvoor
later ook de wapenen opvatte; — in 1674 nam noch het eene
noch het andere Rijk deel aan de krijgsverrichtingen. Evenmin
deden dit Turkije, de Italiaansche vorsten en Zwitserland. Maar
Duitschland nam in 1674 krachtig deel aan den oorlog tegen
Lodewijk XIV; zoo krachtig ten minste als men het kon ver-
wachten van een in zooveel staten verdeeld Rijk, waar het ge-
brek aan eenheid zoo verlammend werkte op eiken buitenland-
schen oorlog. De Keizer had verschillende Duitsche vorsten tot
zijne belangen weten over te halen ; zelfs de keurvorst van Bran-
denburg, die pas het jaar te voren, zonder gegronde redenen,
met Frankrijk vrede had gesloten, begon nu op even ongegronde
wijze weer den oorlog, en zond in den zomer van 1674 eene
legermacht naar den Rijn. Spanje telde ook onder de vijanden
van Lodewijk XIV; te vergeefs trachtte die vorst Portugal te
bewegen, tegen eerstgenoemd rijk de wapenen op te vatten, en
daardoor eene afleiding te geven ten behoeve van Frankrijk.
Eindelijk, de eerste oorzaak van den oorlog, de Republiek, was
de voornaamste kracht der vijanden van Lodewijk XIV, de ziel
van dat bondgenootschap dat naar Frankrijk's fnuiking streefde.
Lodewijk XIV was in 1674 geheel zonder bondgenooten. De
Britsche koning had het gevaarlijke spel niet langer kunnen vol-
houden, om, tegen den wil zijns volks, zich met Frankrijk te
verbinden tot HoUand's ondergang; het Huis der Gemeenten
was hoe langer hoe dreigender geworden, en aanklachten van
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHriNGEN TEGEN DE MUNSTERSCHEN IN 1674. 3
hoogverraad tegen verschillende staatsdienaaars, tegen Bucking-
ham, Lauderdale en Arlington, waarschuwden Karel II dat het
geduid van zijne onderdanen ten einde liep ; — de monarch gaf
toe, en den igen Februari 1674 werd de vrede met de Republiek
gesloten. De beide andere bondgenooten des Franschen konings,
de bisschoppen van Munster en van Keulen, waren evenzoo ge-
dwongen geworden, den assten April en den iien Mei, vrede te
sluiten.
Vóór het sluiten van dien vrede hadden er tegen de Mun-
stersche troepen nog eenige krijgsverrichtingen plaats, waarvan
het kort verhaal hier volgt.
De bisschop van Munster, eene macht verzameld hebbende,
die volgens sommige opgaven een 4000 man sterk was, meest
ruiterij, deed die in het begin van Maart over de dichtgevroren
moerassen trekken, en langs het klooster Ter Apel in Groninger-
land vallen. Die woeste hoop drong door in het Oldambt en het
Westerwold, plunderde daar, volgens het krijgsgebruik dier tijden.
Winschoten en verschillende andere plaatsen, en keerde toen met
den buit naar Twenthe en Munsterland terug.
Om die ondernemingen tegen te gaan, verzamelde Rabenhaupt
een 3000 man, zoo voetvolk als ruiterij, en trok daarmede van
Gronmgen in zuidelijke richting naar Twenthe, terwijl hij zich
onderweg vereenigde met een 2000 man, die van de zijde van
Friesland opgerukt waren. Te Coevorden gekomen, trok de Hol-
landsche veldheer daar nog het regiment van Burmania tot zich,
rukte toen het graafschap Benthera binnen, en maakte zich daar
meester van Nordhorn, waar hij eene bezetting plaatste van
6 compagnieën voetvolk en 16 compagnieën ruiterij, onder den
overste Kingma. Na nog eenige onbeduidende plaatsjes in Twenthe
vermeesterd en bezet te hebben, rukte Rabenhaupt naar Nien-
huis, dat toen goed versterkt was, steile hooge wallen en eene
soort citadel had, en bezet was door 8 k 900 Munsterschen,
rijkelijk voorzien van krijgs voorraad en levensmiddelen.
Het Hollandsche legerhoofd maakte zich gereed om die ves-
ting aan te vallen, toen hij, op den 450 April, bericht kreeg dat
Nordhorn ernstig bedreigd werd door den vijand ; de Munstersche
generaal Nagel was voor die stad gekomen, met 5 regimenten
ruiterij, 3 compagnieën dragonders en een 300 man infanterie,
en had de voorposten der bezetting van Nordhorn genoodzaakt
om binnen die plaats terug te trekken.
Rabenhaupt wil Nordhorn te hulp komen, en, een gedeelte
van zijne macht voor Nienhuis latende, gaat hij den sen April
op raarsch naar eerstgenoemde plaats, met 4 regimenten infan-
terie en 7 compagnieën ruiterij. De vijandelijke ruiterij telde een
Digitized by
Google
4 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
3000 paarden ; en die groote overmacht des vijands in ddt wapen,
dat toentertijd voor het voetvolk veel meer was te vreezen dan
in ónze dagen, deed Rabenhaupt met de grootste omzichtigheid
voortrukken en zijne toevlucht nemen tot een bijzonder hulp-
middel om zijne infanterie te vrijwaren voor de aanvallen van de
vijandelijke ruiterij. Die infanterie rukte namelijk voort in eene
soort beweegbare verschansingen, gevormd door vier wagens,
geplaatst in een vierkant met 2S voet (bijna 9 el) lange zijden,
en verbonden — zegt Sylvius — » door lange houten met scherpe
pinnen," — denkelijk eene soort friesche ruiters; in elke van
die kleine schansen konden een honderd man infanterie en twee
kleine stukken geschut staan. In die orde rukte de infanterie
vooruit; de ruiterij volgde haar; en daar de opmarsch bij be-
dekt en mistig weer geschiedde, hadden de ruiters bevel om zich
bij de nadering des vijands op de paarden neer te leggen, dus
niet dadelijk te worden gezien, en daardoor zooveel te verras-
sender op te treden.
Rabenhaupt zelf was, met ontblooten degen, geheel vooraan ;
en bij het naderen des vijands sprak hij zijne troepen eenige
woorden toe, te kenschetsend om ze hier niet op te nemen :
» lieve krijgslieden, ik heb geen tijd om UwEd. met eene lange
rede aan te moedigen; een ieder betrachte zijn eer en eed; en
zoo wie zulks niet en doet, 't zal hem kwalijk bekomen. Zó6
zal zijn einde zijn;" — hiermede eene beweging aan hals en kin
makende, om het hangen aan te duiden.
Natuurlijk, dat dit niet juist de militaire welsprekendheid is,
waar wij het meest van houden ; en dat wij oneindig meer inge-
nomen zijn met die legerhoofden, die, om hunne soldaten tot
dapperheid aan te sporen, gesproken hebben van eer en roem,
van vrijheid en vaderland. Maar de welsprekendheid moet zich
wijzigen naar het gehalte van hen tegen wie gesproken wordt;
en denkelijk zou het beroep op die edele drijfveeren, die den
mensch gevaar en dood doen trotseeren, weinig weerklank ge-
vonden hebben bij de krijgsscharen van dien tijd; krijgsscharen,
zoo vreemdsoortig samengesteld, en meer strijdende uit zucht
naar buit en winst dan uit roemzucht en vaderlandsliefde. D^r
moest de plichtsbetrachting voornamelijk ontspruiten uit vrees
voor strenge en onvermijdelijke straffen ; dddr moesten dus Raben-
haupt's korte en bondige woorden indruk maken ; vooral omdat
men wist dat het geen ijdele woorden waren die hij bezigde,
maar dat hij de man was om ddt te doen waarmede hij dreigde.
Vooruitrukkende, ontmoet men weldra de Munstersche ruiterij;
deze wil op de Nederlandsche infanterie aanvallen, maar stuit
op de beweegbare wapenburchten. Het geschut- en geweervuur
der Nederlanders brengt verwarring teweeg bij de vijandelijke
ruiterij ; en nu deze wordt aangevallen door Rabenhaupt's ruiterij^
Digitized by VjOOQIC
KRIJGSVERRICHTINGEN TEGEN DE MUNSTERSCHEN IN 1674. 5
«n tegelijkertijd de ruiterij uit Nordhorn den vijand in den rug
aangrijpt, is die vijand daar niet tegen bestand; hij wordt over-
hoop geworpen, geheel uileengedreven en vlucht in de uiterste
verwarring, een aantal dooden en gevangenen achterlatende.
Zoodanig is het verhaal dat sommige van onze schrijvers —
Sylvius en Van den Bosch — ons geven van dat gevecht bij
Nordhorn, op den 5en April 1674; andere — Valkenier en de
Hollandsche Mercurius — stellen dien strijd als minder gewichtig
voor, en zeggen dat de vijand, steeds het gevecht ontwijkende
en terugtrekkende in zuidelijke richtyig op Brandlicht, alleen bij
de Heselerbrug, een half uur ten zuiden van Nordhorn, werd
ingehaald door de Nederlandsche troepen, en daar een 60 man
aan dooden en een 50 aan gevangenen verloor. — Het verlies
der Nederlanders was zeer gering; de ritmeester Mello Jacob
Broersma, eenige zoon van den verrader die in 1672 Deventer
aan de Munsterschen had overgeleverd, sneuvelde in dit gevecht;
door zijn dapper en roemvol uiteinde eenigszins den smaad uit-
wisschende, die op zijn naam was gebracht door het snood be-
staan zijns vaders.
Na door die overwinning Nordhorn te hebben verzekerd tegen
cene onderneming des vijands, keerde Rabenhaupt den 6en April
naar Nienhuis terug, en plaatste het voetvolk te Feldhausen en
de ruiterij te Uisen, ten noorden en ten oosten van die vesting.
Gedurende den nacht deed hij door den kapitein Siderius de
grachten van Nienhuis peilen, en gaf alle bevelen tot de bestor-
ming dier stad, die in den vroegen ochtend van den 700 April
moest plaats hebben; — de vrees dat de vijand andermaal zou
trachten om Nienhuis te hulp te komen, en dat het wassen van
het water het onraadzaam zou maken om langer in deze land-
streek te blijven, deed Rabenhaupt besluiten om zich niet met
een beleg in te laten, maar alleen door de dapperheid zijner
troepen de vermeestering te verkrijgen van de vijandelijke ves-
ting. Vijf regimenten voetvolk zullen, op vijf verschillende pun-
ten, den storm verrichten: de twee Friesche regimenten van
Swartsenburg en Burmania, aan weerszijden van de Prinsepoort;
de drie Groningsche regimenten van Rabenhaupt, Ëijbergen en
Gockinga, aan de Feldhauser-, Frensweger- en IJlsener-poorten;
bovendien zullen er, op drie andere punten, schijnaanvallen plaats
hebben. Zestien biesbruggen zullen onder de aanvallende regi-
menten worden verdeeld, om daarmede de gracht over te trek-
ken ; gedurende den nacht zullen die regimenten marcheeren naar
de haar aangewezene aanvalspunten ; en met het krieken van den
dag zullen twee kanonschoten het sein geven tot de bestorming.
Die bestorming wordt met de beste uitkomst bekroond. Wal-
raven, de Munstersche aanvoerder, had zijne kleine bezetting ver-
deeld op den hoofdwal der vesting: het voetvolk voornamelijk
Digitized by
Google
6 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
daar waar de Groningsche regimenten aanvielen; de afgezeten
ruiters en dragonders tegenover de Friesche regimenten. De
geringe sterkte der bezetting en het groot aantal aanvalspunten
waren echter oorzaak dat nergens de wederstand zeer krachtig
kon zijn; te meer doordat het oprukken der Hollanders, plaats
hebbende voordat de dag nog geheel was aangebroken, daardoor
de uitwerking van het geschut- en geweervuur der verdedigers
zeer werd verminderd. Rabenhaupt's troepen naderden vurende de
gracht; men weet dat dit de toen gevolgde wijze was om eene
vijandelijke verschansing te Jjestormen; eene wijze, die, hoe slecht
en gebrekkig ook, toch nog lang in zwang bleef; — zoo vindt
men vermeld, dat zelfs in den Spaanschen successie -oor log,
bij de bestorming van de verschansingen op den Schellenberg
(1704), de Hollandsche infanterie in linie vooruitrukte tot aan den
buitengrachtsboord der vijandelijke werken, en daar een geregeld
pelotonsvuur volhield tegen de achter de borstwering staande
Beierschen; eene handeling, welke zeker de uitstekende dapper-
heid van die infanterie bewijst, maar niet pleit ten voordeele van
de bekwaamheid der aanvoerders, welke op zulk eene wijze die
infanterie in gevecht brachten.
De gracht bereikt hebbende, plaatsen Rabenhaupt's soldaten
de biesbruggen daarin, en snellen daaroverheen tegen de wallen
op; hier wacht hen de vijand; maar na een strijd van drie
kwartieruurs is de aanvaller overal meester van den hoofdwal,
en wijkt de verdediger in verwarring naar het kasteel, een sterk
gebouw, met wallen omgeven, en bewapend met twee stukken
geschut. De overwinnaars, door de behaalde voordeelen aange-
moedigd, snellen met onstuimigheid naar het kasteel, bestormen
het in weerwil van 's vijands geschut vuur, en doen weldra allen
tegenstand ophouden. Nienhuis is veroverd, een groot aantal
Munsterschen zijn gedood, en meer dan zeshonderd hunner heb-
ben de wapens neergelegd; slechts een 12 of 14 dooden en
een klein aantal gewonden maakten het verlies der Neder-
landers uit.
Een wapenfeit als die vermeestering van Nienhuis, zou bij een
oorlog van den nieuweren tijd als onbeduidend worden beschouwd.
Maar men moet elke gebeurtenis beoordeelen naar den tijd waarin
zij plaats had, en als zoodanig was die inneming van Nienhuis
gewichtig door het behaalde voordeel, en roemvol door de dap-
perheid die de Nederlanders daar hadden betoond. De vreugde
over de behaalde zege was dan ook bijzonder groot; Nienhuis
weergalmde van feestgejuich en van > victorie schieten", dat —
naar de opgave van sommige onzer schrijvers — tot in de stad
Groningen werd gehoord; — eene opgave die vrij fabelachtig
luidt, let men op den afstand tusschen beide steden.
Dat voordeel v/erd echter een paar weken later gevolgd door
Digitized by
Google
OORLOGSTOERUSTINGEN EN OORLOGSPLANNEN. 7
een nadeel, en een nederlaag der Nederlanders was de laatste
gebeurtenis van den tegen de Munsterschen ge voerden oorlog.
Rabenhaupt, op bevel des Stadhouders naar Groningen terug-
gekeerd zijnde, had den kolonel Eijbergen, met 9 compagnieën
voetvolk en 5 compagnieën ruiterij, te Nienhuis achtergelaten,
om daar te blijven tot na de slechting der vestingwerken. Vóór-
dat die slechting geheel was verricht, verscheen de Munstersche
generaal Nagel, den 19611 April, met 2 regimenten voetvolk en
36 compagnieën ruiterij, voor Nienhuis, en eischte die plaats en
hare bezetting op. Eijbergen, hoezeer hij slechts 500 man had,
antwoordde, dat hij zich tot den laatsten droppel bloeds wilde
verdedigen. Den 2osien April heeft daarop de bestorming plaats;
en na een dapperen wederstand der Hollanders, die aan een
groot aantal Munsterschen het leven kost, wordt Nienhuis door
den vijand overweldigd, en gaat de bezetting geheel verloren;
wat niet gedood wordt, valt mét den bevelhebber in handen der
overwinnaars.
Kort daarop maakte de vrede een einde aan deze krijgsver-
richtingen, welke vrede aan de Republiek toeliet, om de krijgs-
macht die zij in de noordoostelijke gewesten onderhield, aan te
wenden tegen de vesting Grave.
Na dit verslag van de krijgsverrichtingen, die, in de eerste
maanden van 1674, nog plaats hadden tusschen de HoUandsche
en Munstersche troepen, zal hier met een enkel woord gewaagd
worden van de krijgstoerustingen der oorlogvoerende partijen ; —
voor zoover daaromtrent iets is op te maken uil de weinige,
onvolledige en gebrekkige opgaven van de verschillende schrijvers
over dezen oorlog.
Frankrijk, geheel op zichzelf staande, en, door het gemis der
Britsche vloten, niet langer verzekerd tegen eene landing op een
gedeelte zijner uitgestrekte zeekusten, was daardoor gedwongen
tot buitengewone inspanningen, om alle kwetsbare deelen des
Rijks te beschermen tegen de vijandelijke wapen macht. Aan die
inspanningen ontbrak het dan ook niet; en Lodewijk XIV toonde
aan Europa welke uitgestrekte hulpmiddelen zijn koninkrijk op-
leverde, en hoe eene krachtige eenhoofdige regeering daarvan
partij kon trekken, om zich door dat Europa te doen ontzien
en vreezen. Wel waren de lasten zwaar die op het volk drukten,
en brachten zij, door gedurige herhaling, de verarming des Rijks,
de ellende der groote meerderheid, de latere rampen en staat-
kundige omkeeringen van Frankrijk voort; maar wat bekom-
merde zich het heden om de toekomst: voor het oogenblik
brachten die lasten aan den gebieder van Frankrijk schatten op,
die hem in staat stelden de grootste uitbreiding te geven aan
Digitized by
Google
8 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
de krijgstoerustingen. De verschillende korpsen des legers wer-
den niet alleen aangevuld, maar zelfs versterkt; bij een onzer
schrijvers (Valkenier) vindt men, dat elke compagnie voetvolk
vermeerderd werd met lo man, en de 30 compagnieën Fransche
garde ieder zelfs met 50 man. Door die vermeerderde sterkte
— zegt die schrijver — wilde Frankrijk eene legermacht te velde
brengen, die in het geheel 200000 man zou bedragen; de door
Frankrijk onderhouden krijgsmacht in zijn geheelen omvang stelt
hij op 300000 man.
Denkelijk is er niet veel overdrijving in die opgaven. Men
merke slechts op, dat, afgezien van de krijgsmacht die nog bezig
was met de ontruiming van Holland, door Condé een leger in
Vlaanderen werd bijeengetrokken ; dat Turenne een tweede leger
aanvoerde, aan den .Rijn; dat de Koning zelf met een derde
leger de verovering wilde ondernemen van Franche-Comté; dat
zich in dat gewest reeds eene krijgsmacht bevond, onder Navailles ;
dat eene andere legermacht, in Roussillon, het hoofd moest bie-
den aan de Spanjaarden; en nog andere heirscharen de kusten
moesten beschermen tegen eene gevreesde landing des vijands.
Wanneer men dat alles in aanmerking neemt, dan komt men tot
de overtuiging, dat het niet te hoog is gesteld, wanneer men de
Fransche legermacht in 1674 in haar geheelen omvang op 300000
man begroot; — trouwens, het is bekend, dat die legermacht
in de latere regeeringsjaren van Lodewijk XIV nog grooter is
geweest.
De macht, door den Keizer en door de Duitsche vorsten tegen
Frankrijk aangewend, was veel geringer. Het doet hier weinig of
niets ter zake, hoeveel troepen door die vorsten in het geheel
werden onderhouden; genoeg zij het te zeggen, dat de krijgs-
macht die tegen Frankrijk werd aangewend, toen zij hare hoogste
sterkte bereikt had, op niet meer dan een 80 000 man kan wor-
den begroot. Nog moet men daarbij in aanmerking nemen, dat
die krijgsmacht zonder het goud der Republiek nooit die sterkte
zou hebben bereikt: zij betaalde een gedeelte der kleine 20000
man, waarmede de keurvorst van Brandenburg in het najaar van
1674 aan den Rijn verscheen; zij had met de vorsten van
Brunswijk en van Luneburg verdragen gesloten, waarbij deze
zich verbonden, op hare kosten, 16000 man op de been te
brengen. Zonder die geldelijke ondersteuning waren de Duitsche
legers geheel onbeduidend gebleven; en niets bewijst meer den
krachtigen invloed welke van de eenheid eener regeering uitgaat
dan de vergelijking van de strijdkrachten, in dien tijd te velde
gebracht door Frankrijk en door Duitschland, — twee landen
die toch, in grootte en bevolking, niet veel verschillen.
Digitized by VjOOQIC
OORLOGSTOERUSTINGEN EN OORLOGSPLANNEN. 9
Omtrent de krijgstoerustingen van Spanje weet men, dat het
«ene legermacht in Catalonië vereenigde om daarmede in Rous-
sillon te vallen, en dat Monterey in de Zuidelijke Nederlanden
de Spaansche krijgsmacht tot eene sterkte bracht, die door onze
schrijvers begroot wordt op 36000 man voetvolk, in 20 regi-
menten verdeeld, en 11 000 man ruiterij, 18 regimenten uit-
makende. Van die legermacht kon echter slechts een zeer klein
deel te velde komen; het overige was als bezettingen verdeeld
over de vestingen der Zuidelijke Nederlanden; dat wil zeggen
over de steden dier gewesten, daar elke stad toen eene ves-
ting was.
Monterey deed al het mogelijke om zijn legermacht sterker
te maken en de bezettingen der vestingen te vermeerderen. Zoo
vindt men vermeld, dat de Spaansche bezettingen van Venlo en
Roermond door eenige Keizerlijke troepen werden vervangen, en
gebruikt om de steden van Vlaanderen en Braband beter te
voorzien ; ook bevonden zich Holiandsche hulptroepen in Brugge
«n in andere Vlaamsche steden. In de Spaansche Nederlanden
moesten allen, die in de laatste vijf en twintig jaar den krijgs-
dienst hadden verlaten, zich aangeven in de naastbijzijnde stad,
of bij de regimenten waarbij zij vroeger hadden gediend ; waren
zij niet meer geschikt om te velde te dienen, dan moesten zij
de bezettingen der vestingen aanvullen. De dorpen moesten een
zeker aantal mannen leveren, ieder gewapend met een geweer
en kruit en lood voor zes schoten; in het Kamerijksche werden
alle mannen van 15 tot 55 jaar tot den krijgsdienst opgeroepen;
Henegouwen moest eene soort militie leveren, 4000 der meest
weerbare mannen, die men van vuurwapenen en van delfgereed-
schap zou voorzien; brood ontvingen die manschappen van de
Spaansche kroon, maar de gemeenten moesten de soldij betalen.
Voorden mijnen-arbeid in de vestingen waren veel arbeiders uit
de kolenmijnen bestemd.
Die maatregelen, die men bij de schrijvers over dit tijdvak
vindt opgeteekend, bewijzen ten duidelijkste, met hoeveel be-
kwaamheid Monterey wist partij te trekken van de verdedigings-
middelen der Zuidelijke Nederlanden; wanneer het uitgeputte,
vervallene Spanje in alle deelen des Rijks bestuurders had be-
zeten met evenveel geestkracht begaafd als de landvoogd der
Nederlanden, dan had dit rijk zich mogelijk nog kunnen ophef-
fen uit zijn niet, en weer worden wat het vroeger was.
De Republiek, ontheven van de vrees voor de Engelsche
vloten, kon in 1674 hare zeemacht eene mindere sterkte geven,
en meer besteden aan de landmacht; toch wilde zij ook dit
jaar eene niet onaanzienlijke vloot in zee brengen, eensdeels om
daarmede de Fransche volkplantingen in Amerika aan te vallen.
Digitized by
Google
lO KRIJGS- EM GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
anderdeels om de kusten van Frankrijk met eene landing te be-
dreigen, en daardoor een deel der krijgsmacht van Lodewijk XÏV
bezig te houden. Er werd besloten eene vloot uit te rusten van
90 oorlogsschepen, welker onderhoud gedurende zes maanden
tijds op zeven millioen werd begroot. Voor de landmacht ver-
schilde de buitengewone Staat van oorlog voor 1674 niet veel
van die van het vorige jaar; zij werd vastgesteld op 900 com-
pagnieën voetvolk, 148 compagnieën ruiterij, en 25 compagnieën
dragonders; die legermacht, die waarschijnlijk een 90 k 100 000
man zal hebben uitgemaakt, kostte iedere maand ƒ' i 472 303.
Natuurlijk kon slechts een gedeelte dier krijgsmacht legen Frank-
rijk in het veld komen: een gedeelte moest achterblijven tot
bezetting der vestingen; een ander gedeelte was, onder Raben-
haupt, eerst werkzaam tegen de Munsterschen, later bij de be-
legering van Grave; Hoorne kwam, met 154 compagnieën, voet-
volk en zeesoldaten, als landingstroepen aan boord der vloot: —
dit alles maakte dat de Stadhouder maar met een 30000 man
in de Spaansche Nederlanden kon te velde trekken.
Men vindt opgeteekend, in de Nieuwe Mercurius (jaar-
gang 1673, ^^2. 254), dat er toen beraadslaagd werd over het
aanleggen van eene verschanste linie aan de Vecht, van Muiden
tot aan de Vaart; de stad Utrecht zou begrepen zijn in die
linie, die dus denkelijk in richting overeengekomen zou zijn
met wat nu de Utrechtsche linie wordt genoemd. Anderen
echter waren van meening, dat men eene verschanste linie moest
aanleggen bij de Eem, welke linie, Amersfoort omvattende,
over Woudenberg naar de Lek zou loopen; die linie zou dus
niet geheel dezelfde zijn geweest als de tegenwoordige linie
van de Grebbe. Maar noch aan het eene, noch aan het
andere voorstel werd gevolg gegeven: voor het oogenblik
vreesde men geen inval des vijands, en voor de toekomst zorgde
men niet.
De zorg voor zieken en gewonden — dit zoo belangrijk ge-
deelte van de taak des veldheers, daar zonder die zorg het leger
waarmede hij den oorlog moet voeren, weldra te niet zou gaan —
stond in de zeventiende eeuw op een veel lageren trap dan in
onze dagen. Men kan dit opmaken uit een reglement over dit
onderwerp, op het einde van 1673 door de Staten -Generaal der
Vereenigde Nederlanden uitgegeven, en dat men vindt in Het
ontroerde Nederland (2' deel, blz. 780—782). In dat regle-
ment wordt voorgeschreven, dat er voortaan bij het leger te
velde altijd twee doctoren zullen aanwezig moeten zijn; en
meer, wanneer het leger groot is en verdeeld in vele posten;
die doctoren zullen onder hunne bevelen hebben de twee
chirurgijns-generaal van het leger. Bij ieder regiment moet
Digitized by
Google
OORLOGSTOERUSTINGEN EN OORLOGSPLANNEN. II
zijn een regiments- chirurgijn ; en bovendien, bij elke twee com-
pagnieën ten minste één chirurgijn. De chirurgijns-generaal moe-
ten voorzien zijn van de noodige geneesmiddelen, linnen enz.,
en bij ieder regiment moet een veldkist met die voorwerpen
voorhanden zijn; vóór de aflevering worden de medicamenten
in Den Haag nagezien door één of meer beëedigde dokters. Er
wordt een Intendant aangesteld, die van de doctoren en
chirurgijns verslag zal ontvangen van het getal der zieken, de
korpsen waartoe zij behooren, de plaats waar zij zich bevinden,
en van den aard der ziekten; ten minste eenmaal daags zal de
Intendant van dat alles bericht geven aan den generaal, of be-
velvoerenden officier. Voor den aankoop en de uitgave van spijs
en drank aan de zieken en gewonden, zal een * hospitaal-
meester zorgen; terwijl voor de oppassing een genoegzaam
aantal geschikte personen aangenomen zullen worden. Bij het
leger zullen eenige huizen, of tenten, uitsluitend bestemd zijn
voor de zieken en gewonden; evenzoo zal men daarvoor het
noodige nachtleger hebben. Zieken of gewonden, wier herstelling
een geruimen tijd zal vorderen, moeten zoo spoedig mogelijk
worden verzonden naar de gasthuizen van de naastbijzijnde steden
en garnizoenen, en daar verpleegd worden voor vier stuivers
daags; de noodige vervoermiddelen, wagens, karren, schepen of
schuiten, moeten tot dat einde altijd bij het leger zijn.
Ziedaar eenige der voornaamste bepalingen in dat reglement
voorkomende, dat zeker als een vooruitgang en verbetering moet
worden beschouwd, maar dat tevens aantoont hoezeer de zorg
voor den zieken of gewonden krijgsman in die dagen moest
achterstaan bij de middelen die in onzen tijd daarvoor worden
aangewend.
Wanneer wij zoo een blik vestigen op de krijgstoerustingen
en sterkte der oorlogvoerende partijen, dan is dit voornamelijk
om daaruit af te leiden, welke handelingen men had te wachten
van die partijen, en wat voor elke partij de beste wijze was om
oorlog te voeren. Oogenschijnlijk zou men zeggen, — wanneer
men daarop let, dat men aan de eene zijde had den Keizer,
ondersteund door geheel Duitschland, door Spanje met de schat-
ten der Nieuwe Wereld, door de Republiek met hare machtige
vloten, en aan de andere zijde Frankrijk alleen, — dat dit laatste
Rijk verreweg de zwakste partij moest uitmaken en zich dus tot
de verdediging moest bepalen. Maar let men daarop, hoe weinig
wezenlijke kracht èn Spanje èn de Keizer konden ontwikkelen,
welk eene groote uitbreiding daarentegen Lodewijk XIV aan
zijne strijdmiddelen had gegeven, en welke groote voordeelen
Frankrijk ontleende aan zijne centrale stelling, en aan de een-
heid in staats- en krijgshandelingen, scherp afstekende bij de
Digitized by
Google
12 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Steeds verdeelde en uiteenloopende inzichten der bondgenooten, —
dan is het duidelijk, dat de bondgenooten niet de sterkste partij
waren, en dat, minstens genomen, Frankrijk's macht wel tegen
de hunne opwoog.
Toch besloten die bondgenooten den oorlog aan vallenderwij ze
te voeren; en hun oorlogsplan in 1674 schijnt in het volgende
te hebben bestaan :
Ter zee zou Holland gebruik maken van zijne overmacht,
door met een gedeelte zijner vloot de Fransche Antillen aan te
vallen, en het andere gedeelte aan te wenden tot het doen van
eene landing in Bretagne of Normandië, waar men verstandhouding
had en een opstand tegen Lodewijk XIV meende te doen ont-
staan. Spanje vereenigde in Catalonië eene legermacht, bestemd
om de Pyreneën over te trekken en in Roussillon te vallen. In
de Zuidelijke Nederlanden zou een Keizerlijk leger zich ver-
eenigen met de krijgsmacht van Monterey en van Willem III;
en aan het hoofd dier verbondene macht hoopte de Stadhouder
door te dringen in het noorden van Frankrijk, en den oorlog
daarheen over te brengen. Eindelijk zou een ander Duitsch leger
den Rijn overgaan, om Frankrijk in zijne oostelijke gewesten
aan te vallen.
Dit oorlogsplan kan, over het geheel, goed worden genoemd.
Men was toen niet in den tijd der beslissende oorlogen; men
was toen niet gewoon om in één veldtocht een oorlog ten einde
te brengen, door dadelijk door te dringen tot in het hart van
's vijands land, of dadelijk 's vijands legermacht op te zoeken en
een hoofdslag te leveren; — zulke Napoleontische handelingen
waren toen geheel vreemd, en, door verschillende oorzaken, ook
moeielijk uitvoerbaar. Bovendien was er aan de zijde der bond-
genooten geen overmacht; of ten minste niet zulk eene over-
macht dat zij toeliet om te rekenen op het verkrijgen van zulke
groote uitkomsten. Alles wat de bondgenooten dus konden ver-
wachten van den veldtocht van 1674, was — niet den oorlog
daardoor te eindigen — maar daardoor Frankrijk's macht te
verminderen, de hunne te vermeerderen, en daardoor bij een
volgenden veldtocht gunstiger kansen aan hunne zijde te heb-
ben, of bij het sluiten van den vrede voordeeliger voorvaarden
te kunnen bedingen.
Om zulk een doel te bereiken, waren de genomen beschik-
kingen niet slecht. Het was goed dat er een Spaansch leger aan
de Pyreneën werkzaam was: Spanje kon natuurlijk niet al zijne
strijdkrachten overbrengen naar de Nederlanden; er moest eene
krijgsmacht zijn om de noordelijke gewesten van het Schiereiland
te beschermen ; die krijgsmacht, in Frankrijk doordringende, zou
den vijand noodzaken een gedeelte zijner legermacht daartegen-
over te stellen; en de veroveringen die het Spaansche leger in
Digitized by
Google
OORLOGSIOERUSTINGEN EN OORLOGSPLANNEN. IJ
Roussillon kon maken, zouden voordeelig kunnen zijn, omdat zij
bij den vrede mogelijk aan Span-e zouden blijven. Evenzoo was
de aanwending der Hollandsche zeemacht in allen deele goed;
zij moest gebruik maken van hare meerderheid; de verovering
van Fransche volkplantingen in Amerika zou een groot voor-
deel zijn, omdat die volkplantingen voortdurend aan Holland
konden blijven, en lichtelijk tegen Frankrijk's uitbreiding van
grondgebied in Europa konden opwegen, — op gelijke wijze als
in den nicuweren tijd, bij Napoleon's veroveringen, Engeland
zich daarvoor schadeloos stelde, door de buitenlandsche bezit-
tingen der Europeesche mogendheden te bemachtigen. De voor-
genomen landing in Frankrijk moge al minder kans van wel-
slagen hebben gehad dan men zich voorstelde, toch was zulk
eene handeling zeer aan te raden, omdat men daardoor den
vijand in onrust bracht en een groot getal zijner troepen bezig-
hield; de 9 è, 10 000 man Hollandsche landingstroepen, waarvan
nog een gedeelte naar Amerika ging, dwongen — volgens Valke-
nier — Lodewijk XIV om een 30000 man te laten op de
kusten van het kanaal en in Bretagne: dit was dus klaarblijkelijk
in het voordeel van de bondgenooten.
Eindelijk waren de voornaamste strijdkrachten der bondge-
nooten vereenigd in De Nederlanden, waar zij een 60 k 70000
man zouden uitmaken, en aan den Rijn waar zij tot bij de
60C00 man klommen. Op die beide oorlogstooneelen had men
ook het meest te vreezen van den vijand; Duitschland en De
Nederlanden moesten beschermd worden tegen dien vijand; en
begunstigde het geluk de wapenen der bondgenooten, en gingen
dezen te werk op eene stoute, zeker voor die tijden buitengewone
wijze, dan waren de aldaar opgestelde legers in de gelegenheid
om spoedig door te dringen tot in het hart van Frankrijk, en
de hoofdstad van dat Rijk te bedreigen.
Uit dit alles ziet men, dat het plan der krijgsverrichtingen
voor 1674 van de zijde der bondgenooten goed was; — de uit-
voering was het minder.
Lodewijk XIV schijnt zich van zijne zijde in 1674 tot de ver-
dediging te hebben willen bepalen, maar tot eene krachtige,
werkzame verdediging, die in aanval verkeert, zoodra zij daar
voordeel in ziet. De vloot — later door het genie van Colbert
geschapen, en die weer te niet ging, minder door de nederlaag
bij Kaap La Hogue dan door de onbekwaamheid der opvolgers
van den grooten staatsman — , bestond in 1674 nog niet; en de
Fransche zeemacht, die, met de Britsche vereenigd, de Republiek
had bestreden, was niet in staat om, alleen, De Ruyter's vloot
het hoofd te bieden. Dit was een groot nadeel voor Frankrijk;
niet alleen omdat daardoor zijn handel, zeevaart en volkplan-
Digitized by VjOOQIC
14 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
tingen zonder bescherming waren, maar ook omdat het ter ver-
dediging zijner kusten eene aanzienlijke macht moest aanwenden,
een 30 000 man, die men nu niet had aan de landgrenzen. Ook
in Roussillon moest tegenover het Spaansche leger een Fransch
leger worden gesteld, dat, een 20000 man sterk, onder het be-
vel van Schomberg kwam. In De Nederlanden zou Condé met
een groote 40000 man werkzaam zijn, de legermacht die bezig
was Holland te ontruimen niet medegerekend ; men schijnt hier
verdediging beoogd te hebben ; en de aanvallende inzichten van
den Franschen monarch gingen hier niet verder dan tot het
belegeren eener vesting, wat hij zijn veldheer aanbeval. Aan den
Rijn moest Turenne de Duitschers tegenhouden; hij had hiertoe
eene legermacht, die, aanvankelijk, slechts ruim 10 000 man, bij
het einde van den veldtocht tot een groote 30000 man klom;
eene macht die door de groote bekwaamheid des veldheers wel
geschikt was voor eene werkzame, indrukwekkende verdediging,
maar toch in vergelijking met die der bondgenooten te gering
van sterkte was om aanvallend te handelen.
Verdediging stond dus aan de Fransche zijde overal op den
voorgrond. Dit was evenwel slechts dan, wanneer de heirmachten
der bondgenooten in werking konden komen; maar daar dit
met de gewone traagheid ging, wilde de Fransche koning daar-
van partij trekken, door in het eerste begin van den veldtocht
aanvallend te handelen en de verovering te ondernemen van
Franche-Comté.
De verovering van Franche-Comté was voordeelig omdat dit
gewest voortdurend vereenigd kon blijven met Frankrijk. Die
verovering was ook uitvoerbaar, omdat zij niets anders vorderde
dan de belegering van eenige steden, door de Spanjaarden niet
genoegzaam bezet en voorzien. Legers zou men daarbij niet te
bestrijden hebben; want de Spaansche krijgsmacht, kon zij al zoo
vroeg te velde komen, was op zich zelve te onbeduidend; en
de legers van Willem III en de Duitsche legers zouden, op zijn
vroegst, eerst in Mei te velde kunnen verschijnen, en konden
dan nog in bedwang worden gehouden door de legers van
Condé en van Turenne. Het was dus aan de Fransche zijde
een zeer goed beraamd ontwerp, het voorjaar van 1674 te ge-
bruiken voor de verovering van Franche-Comté.
Reeds in Februari 1674 was Navailles, met een ii 000 man
Fransche troepen, Franche-Comté binnengerukt, en had in de
laatste dagen dier maand het beleg geslagen voor de stad Gray.
Die slecht bevestigde stad bood een onbeduidenden tegenstand.
Vésoul en Lous le-Saunier volgden dit voorbeeld en gaven zich
op de eerste opeisching aan den Franschen veldheer over. In
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN BIJ DE PYRENEÉN. I5
April trok Lodewijk XIV in persoon, aan het hoofd van een
leger van 20 a 30000 raan, naar het gewest dat hij wilde ver-
overen. Besangon, sedert den 25sten April door het Fransche
leger berend, werd door den prins De Vauderaont goed ver-
dedigd tot den i5en Mei; de Citadel gaf zich eerst den 22sten
over. Daarna sloeg de Koning het beleg voor Dole, dat zich
tot den 6en Juni verdedigde. De inneming van Salins en van
eenige kleinere sterkten voltooide, nog in de maand Juni, de
verovering van Franche-Comté.
De spoedige inneming van die verschillende vestingen bewijst,
dat indien de Fransche koning het jaar te voren zich niet be-
paald had tot het enkele beleg van Maastricht, maar de ver-
schillende Spaansche vestingen tusschen Schelde en Maas had
aangevallen, hij zich waarschijnlijk daarvan zou hebben meester
gemaakt, en dan Holland niet had behoeven te ontruimen. De
legermacht die Franche-Comté aanviel was kleiner dan die welke
Maastricht belegerde; en de tijd, waarover men in 1673 kon
beschikken, grooter dan die welke tot de verovering van genoemd
gewest werd besteed.
De Fransche monarch had dus, dank zij zijner werkdadigheid,
reeds een gewichtig voordeel behaald op zijne tegenpartij, vóór-
dat deze de krijgsverrichtingen begon; en het verhaal van die
krijgsverrichtingen zal aantoonen, dat de latere gebeurtenissen
niet van dien aard zijn geweest om de bondgenooten schadeloos
te stellen voor den reeds ondervonden tegenspoed. Alvorens den
veldtocht in De Nederlanden te behandelen, zal hier eerst ter-
loops vermeld worden, wat er in 1674 voorviel op andere ge-
deelten van het oorlogstooneel.
Aan de zijde der Pyreneën waren de krijgsverrichtingen niet
van belangrijken aard; of, beter gezegd, zij bleven zonder be-
langrijke gevolgen door de weinige voortvarendheid der aanval-
lende partij, de Spanjaarden.
De hertog De Saint-Germain, aanvoerder van het Spaansche
leger, was in het voorjaar van 1674 uit Catalonië opgerukt, de
Pyreneën overgegaan, en de Fransche vesting Bellegarde gena-
derd; die vesting gaf zich over aan de Spanjaarden, in weerwil
van de pogingen van Schomberg, het Fransche legerhoofd, om
haar te ontzetten. Beide legers bleven toen eenige weken geheel
werkeloos tegenover elkander liggen. Den iQcn Juni had er bij
Morillas een veldslag plaats, waarbij het Fransche leger eene
nederlaag leed, die het een 2 a 3000 man kostte. Indien De
Saint-Germain van die overwinning partij had getrokken en ver-
der was doorgedrongen, dan is het waarschijnlijk dat Perpignan
en andere plaatsen hem in handen zouden zijn gevallen; maar
Digitized by
Google
l6 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
dit geschiedde niet ; en de latere opstand van Messina tegen het
Spaansche gezag noodzaakte den Spaanschen koning om een ge-
deelte van zijne legermacht naar Sicilië te zenden, zoodat het
daardoor verzwakte leger van de Pyreneën buiten staat werd
gesteld om iets te ondernemen, en dan ook spoedig terugkeerde
naar Catalonië.
De krijgsverrichtingen op zee werden niet met geluk bekroond.
De Ruyter, den 24sicn Mei uit Texel gezeild, was den 19e»
Juli met een 20 oorlogs vaartuigen en 2S transportschepen voor
het eiland Martinique gekomen ; den volgenden dag had er eene
landing en aanval plaats, die in weerwil van de dapperheid der
Hollanders geheel en al mislukte door den krachtdadigen tegen-
stand der Franschen, welke hier eene sterke macht hadden ver-
eenigd. Eenige werken nabij de landingsplaats werden vermees-
terd door de infanterie van de kolonels Van Uyitenhoven, graaf
Jan van Hoorne, en Steeland, — daarbij ondersteund door 1500
matrozen ; maar daar de verdedigingsmiddelen van den vijand te
sterk waren, en van de Nederlanders reeds twee der bevelheb-
bers — van Uyttenhoven en Steeland — met bij de 600 man buiten
gevecht waren gesteld, deed De Ruyter de onderneming opgeven
en de troepen weer inschepen. De vlootvoogd verliet kort daarop
de Antillen, en kwam in het begin van October in het vader-
land terug.
Tromp was met het overige en grootste gedeelte der vloot
naar de Fransche kusten gestevend, en had Bretagne in onrust
gebracht. Men zeilde Brest voorbij, en landde den 27sten Juni
op het eiland Belle-Isle, bezet door eene Fransche macht van
bij de 3000 man. De generaal graaf Van Hoorne, die hier het
bevel had over de landingstroepen, ondervond weinig tegenstand,
en dreef den vijand terug naar het sterke kasteel. Bij die landing
wordt weer gewag gemaakt van soortgelijke wagens met friesche
ruiters als Rabenhaupt bij Nordhorn gebruikte. Eene opeischin^
van het kasteel van Belle-Isle werd afgeslagen; en daar men
oordeelde dat een beleg te veel tijd zou kosten, werden den
29sten Juni de troepen weer ingescheept.
Men stevende daarop naar het eiland Noirmoutiers, aan de
kust van Poitou gelegen, en van het vasteland alleen gescheiden
door een zeer smallen en ondiepen zeearm. Den 4en Juli had
daar eene landing plaats; en na een korten tegenstand, waardoor
een groote honderd man der Nederlanders buiten gevecht wer-
den gesteld, nam de Fransche bezetting de wijk naar Poitou, en
liet het eiland, met kasteel, batterijen en ruim 30 vuurmonden
en eenige schepen in handen der Nederlanders. Bijna drie weker>
lang wapperde de Hollandsche vlag van de muren der vijande-
Digitized by
Google
OORLOG TER ZEE. 17
lijke sterkte; en terwijl de vloot, zich verdeelcnde, overal vijan-
delijke schepen vermeesterde, was de geheele landstreek van
Brest tot Bayonne in onrust, en trokken op verschillende punten
sterke troepenafdeelingen samen om eene landing der Hollanders
te beletten. Den 23sten Juli werd Noirmoutiers weer verlaten,
nadat men het kasteel had doen springen en de kustbatterijen
geslecht. Eenigen tijd werd nu de Fransche kust in vrees ge-
houden ; en na de Middellandsche Zee nog te hebben aangedaan,
keerde de vloot van Tromp, met het einde van 1674, naar
Nederland terug.
Het is bekend dat die onderneming der Hollandsche vloot in
verband stond met eene samenzwering in Frankrijk tegen Lode-
wijk XIV. Is men met den eigenlijken aard dier samenzwering
genoegzaam bekend^ om te kunnen oordeelen wat daarvan was
ie verwachten? — Het is moeielijk die vraag met juistheid te
beantwoorden. Overal waar eene volstrekt eenhoofdige regeering
bestaat, is men er altijd op uit, alle handelingen welke ten
nadeele dier regeering zouden kunnen strekken, met den dicht-
sten sluier des geheims te bedekken, en het geheele volk voor
te stellen als, zoo niet verkleefd aan die regeering, dan ten
minste daaraan lijdelijk onderworpen ; elke poging tot verzet, tot
tegenstand wordt zooveel mogelijk geheim gehouden; voor het
oog der wereld heerscht overal de diepste rust; en alleen het
uitbreken van een opstand toont dat er ook woelingen in een
dergelijken staat zijn.
Zoo was het met het Frankrijk van Lodewijk XIV. De ge-
schiedschrijvers van dien tijd, zelfs de latere Voltaire, spreken
ternauwernood van die samenzwering van 1674; zij stellen haar
voor als geheel onbeduidend en als het werk van eenige weinige
edellieden en fortuinzoekers, die tot dit middel hunne toevlucht
namen, deels uit bijzondere vijandschap tegen Louvois, deels om
hunne berooide geldmiddelen te herstellen. Een lid van het vor-
stelijk geslacht der Rohan's, een ander edelman Latréaumont,
een schoolmeester Van den Ende, Hollander van geboorte, en
nog anderen traden in verbond met de bevelhebbers der Hol-
landsche vloot, en beloofden hun het havenstadje Quillebeuf in
handen te spelen en Normandië in opstand te brengen. De
schrijvers van dien tijd zeggen echter, dat die samenzwering niet
den minsten bijval of ondersteuning bij het volk zou hebben ge-
vonden, dwaaselijk beraamd was en tot niets kon leiden. Hoe
dit zij, die samenzwering werd ontdekt, vóórdat hare plannen
tot uitvoering konden komen; Latréaumont, die zich te weer
stelde toen men hem in hechtenis wilde nemen, werd doodge-
schoten ; Rohan, eenige andere edelen en Van den Ende vonden
den dood door beulshanden; de edelen door het zwaard, de
WILLEM III. — II. 2
Digitized by VjOOQIC
l8 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
schoolmeester aan een galg ; — hij stierf, zeggen de berichtgevers,
als een atheïst; — raen gaf toen zeer spoedig dien naam aan
ieder die niet tot een bekend kerkgenootschap behoorde.
Door het ontdekken van die samenzwering, was de Hollandsche
vloot niet in haar doel geslaagd om sommige Fransche havens
te bemachtigen en in Frankrijk een burgeroorlog te doen ont-
branden. Niettegenstaande die teleurstelling kan men echter zeg-
gen, dat die onderneming ter zee in 1674 wel voordeelen heeft
opgeleverd, daar zij Lodewijk XIV dwong zulk eene sterke
krijgsmacht aan te wenden tot de verdediging der kusten. Boven-
dien moet men ook acht geven op den zedelijken indruk welken
de verschijning van Tromp's vloot maakte: de kustlanden van
het Kanaal en van de golf van Biscaye werden in vrees ge-
bracht; op die kusten overal schepen door de Hollanders be-
machtigd ; en de Fransche legermacht, in Poitou bijeen getrokken,
zag weken lang de vlag der Republiek wapperen op het Fransche
eiland Noirmoutiers; — dit kon niet anders dan diepen indruk
maken op ieder die zich herinnerde hoe, pas twee jaar geleden,
Lodewijk XIV triomfbogen had doen oprichten, om de zooge-
naamde verovering van Holland te vereeuwigen. Ook daarom
kan die onderneming ter zee beschouwd worden als goed beraamd.
Wie meer wil weten over die samenzwering van 1674, kan
daarover bijzonderheden vinden in Sue's y^Histoire de la marim
fran(aise\ — een werk dat evenwel niet altijd uitmunt door
strenge geschiedkundige waarheid. Wat Rousset over deze aan-
gelegenheden zegt, en vooral over de verrichtingen der Hol-
landsche vloot, moet alleen met eenig voorbehoud worden aan-
genomen: Rousset schijnt hierbij uitsluitend te hebben geput uit
de papieren van Louvois, waarin die verrichtingen natuurlijk zoo-
veel mogelijk worden verkleind. In de ^Histoire de Louvois''' (2*
deel, blz. 115 — 117) vindt men hel volgende:
... 1 Reeds in het laatst van Maart waarschuwde hij** (Louvois)
«den maarschalk d'Albret en graaf Gadagne, die gouverneurs
waren van Guyenne en van Aunis, dat zij zich gereed moesten
houden om alle pogingen tot landing op de kusten van hunne
gouvernementen te verijdelen, die in den loop van de maand Mei
beproefd zouden worden door eene Hollandsche vloot, die een
5 a 6000 man landingstroepen aan boord had. Wat later noemde
hij als bijzonder bedreigde punten het eiland Ré, de monding
der Charente en de stad Bayonne. Eerst in het begin van Juni
ging de Hollandsche expeditie onder zeil. > De admiraal De Ruy-
ter" — zoo werd aan graaf d'Estrades geschreven door zijn
Hollandschen correspondent — »De admiraal De Ruyter heeft
volmacht om alles te ondernemen wat hem het raadzaamst voor-
komt; maar het hoofdpunt in zijne voorschriften is, te onder-
Digitized by
Google
OORLOG TER ZEE. I9
zoeken of het Fransche volk, gebukt onder drukkende belastin-
gen, en, voor zoover de Protestanten betreft, belemmerd in het
waarnemen van zijn godsdienstige plichten, niet geneigd is om
in opstand te komen tegen die onderdrukking; het dan de hulp
aan te bieden van een leger en eene vloot; en te landen, daar
waar het dit wenschelijk acht." — Slechts omtrent één punt had
de correspondent het mis : Tromp was het, aan wien die zending
was opgedragen; De Ruyter ging de Fransche Antillen aanvallen.
Tromp kruiste langen tijd op de kusten van Normandië; maar
nergens zag hij de afgesproken signalen; integendeel, op alle
gunstige landingspunten zag hij niets dan geregelde troepen, mi-
litie, geschut, die de bewegingen van de vloot volgden, maar
alleen om haar te bestrijden, niet om haar te steunen. Toen
ging hij kruisen op de kusten van Bretagne; — dezelfde vertoo-
ning. Iets willende doen om een einde te maken aan dien be-
spottelijken toestand, beschoot hij Quiberon en poogde hij Belle-Isle
te vermeesteren; maar de markies De Coëtlogon, met een dui-
zend man troepen, noodzaakte hem zich weer in te schepen.
Hij slaagde beter met het eiland Noirmoutiers, dat niet verdedigd
werd. Daar bleef hij drie weken, aldoor wachtende op een opstand
onder de Protestanten {les religionnairei) van Poitou, Aunis en
Guyenne; de Protestanten waren onder de wapenen, maar ston-
den tegenover hem. Het is waar dat Louvois, uit voorzichtigheid,
hun toen eenige toegevendheid had betoond. De gouverneur
van Poitou, de hertog De la Vieuville, was gemachtigd om de
Protestantsche edelen te vergunnen 's Zondags bijeen te komen
om hun godsdienstoefening te houden; >maar", — voegde Lou-
vois er bij — » gij moet zorgen dat dit geen opspraak geve, en dat
het oord waar zij bijeenkomen verre zij van de kerk van de
plaats, en dat de gunst die Zijne Majesteit thans verleent, op
kan houden zoodra de militie weer is teruggekeerd." Er was
niet veel uit te richten bij menschen, die zich met zoo weinig
Heten tevreden stellen. Tromp verloor zijn geduld en ging onder
zeil naar de Middellandsche Zee, waarheen de Spaansche regee-
ring hem riep, die ongerust was over de volksbeweging te Mes-
sina. Zoo ging dat dreigende gevaar voorbij, dat Louvois zooveel
zorg had gebaard. Was het uit spotternij, of in ernst, dat hij
den Prins van Oranje deed dankzeggen voor de menschelijkheid
die de graaf van Hoorne, zijn onderbevelhebber, te Noirmoutiers
en te Belle-Isle had betoond; »daar ik er niet aan twijfel," —
voegde hij er bij — » of die menschelijkheid van den graaf van
Hoorne is hem voorgeschreven door den Prins van Oranje." "
(Brief van den iien Juli van Louvois aan d*Estrades).
En op blz. 120 — 121 van hetzelfde deel:
• Indien Tromp zoo lang had gekruist op de Normandische
kust, dan was dit niet geweest op een los gerucht. Het was
Digitized by
Google
20 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
geweest om de gevolgen af te wachten van eene ernstige samen-
zwering, die in naam tot hoofd had den ridder De Rohan, een
groot heer die geheel verloopen was door zijne uitspattingen,
en die verbitterd was tegen eene maatschappij, waar zijn ver-
waten trots en zijne verfoeielijke driften geen stof ter bevrediging
meer vonden*, de ware aanvoerder der samenzwering, de man
die alles regelde en in beweging bracht, het hoofd en de arm
der onderneming, was een Normandisch edelman, die den krijgs-
dienst had verlaten, omdat hij niet kon en niet wilde gehoor-
zamen; Latréaumont, niet slechts een opstandeling, maar een
revolutionnair die zijn tijd vooruit was, die niet onder de regee-
ring van Lodewijk XIV had moeten leven, maar een honderd
twintig jaar later. Voeg bij die twee mannen een ouden Hol-
landschen professor. Van den Ende, een republikein, een staat-
kundig droomer, een ontwerper van constitutiën, en die, verbor-
gen door zijn onbeduidendheid, ten bate van de samenzwering
heen en weer reisde tusschen Brussel, Rouaan en Parijs; en dan
heeft men de hoofdpersonen van het drama, waarin het hof ei>
de hoofdstad, die op het punt waren van aan de handelingen
deel te nemen, veel meer belang stelden dan in den regel het
geval is als men met de zaak niets heeft te maken. Wat de
overige samenzweerders betreft, het waren medeplichtigen die
van de zaak weinig wisten of begrepen, en wier namen dus ge-
rust in die vergetelheid mogen blijven, die den figuranten in een
tooneelstuk ten deel valt."
Rousset verkleint ten onrechte de verrichtingen van Tromp's
vloot in 1674; het gebeurde bij Belle-Isle en Noirmoutiers is niet
zoo onbeduidend geweest als de Fransche schrijver, — denkelijk
op gezag van Louvois — wil doen gelooven. Maar wat de
samenzwering aangaat, Rousset erkent dat die «ernstig" is ge-
weest; en dat het Fransche hof en Parijs »op het punt waren
van daaraan deel te nemen." Die gebeurtenissen van 1674 'be-
wijzen ook, hoe weinig gegrond de bewering is, dat Lodewijk XIV
tot de herroeping van het Edikt van Nantes is gebracht, door-
dat zijne Protestantsche onderdanen heulden met de vijanden
van Frankrijk. Neen ! De Fransche Protestanten zijn hun Koning
trouw gebleven, zoolang die Koning nog niet hun dwingeland
was geworden ; eerst na de herroeping van het Edikt van Nantes,
eerst na de dragonnades, eerst na het met voeten trappen
van bezworen overeenkomsten en van de eeuwige beginselen van
recht en menschelijkheid hebben de Fransche Protestanten, óf
de wapenen opgevat tegen hqnne onderdrukkers, óf hebben zij
het Rijk verlaten en zijn in het buitenland vaak de bitterste
vijanden geworden van den despoot van Versailles. De dwinge-
landij heeft den afval teweeggebracht ; niet de afval de dwingelandij»
Digitized by
Google
KRIJGS VERRICHTINGEN AAN DEN BOVEN-RIJN. 21
Aan den Rijn konden de bondgenooten op voordeelen reke-
nen, omdat zij daar met groote overmacht optraden; want hoe-
wel de sterkte van de beide partijen in den veldtocht van 1674
daar gedurig afwisselde, zoo was toch altijd de meerderheid aan
de zijde van de Duitschers: in het laatste gedeelte van den
veldtocht telde het vereenigde Keizerlijke en Brandenburgsche
leger een kleine 60000 man, het Fransche een groote 30000.
Dit verschil van ruim 20000 man werd echter opgewogen door de
groote bekwaamheid van Turenne, en door de weinige eenheid
die er kan opgemerkt worden in de handelingen van de aan-
voerders der bondgenooten. '
De verbazende langzaamheid die men bij de krijgstoerustingen
der Duitsche vorsten aantrof, was ook oorzaak dat de Fransche
veldheer gedurende een groot gedeelte van het jaar een bijna
even sterke macht had als die welke tegenover hem stond, en
daarvan gebruik maakte om door aanvallende bewegingen den
vijand in ontzag te houden. Na eerst eene zwakke ruiterafdeeling,
onder den hertog van Lotharingen, belet te hebben Franche-
Comté te hulp te komen, ging Turenne den 14611 Juni bij Phi-
lipsburg op den rechteroever van den Rijn over, terecht oor-
deelende, dat, om den vijand den overtocht van dien stroom te
beletten, het de raadzaamste handeling was, zelf dien vijand op
den anderen oever op te zoeken.
Den i6en Juni ontmoet de Fransche veldheer nabij het stadje
Sintzheim een Keizerlijke legermacht onder den generaal Caprara ;
de Fransche legermacht telde een 9000 man, de Keizerlijke
slechts 7 k 8000, minder goede troepen; en algemeen oordeelt
men, dat Caprara goed zou hebben gedaan, met het gevecht te
ontwijken en naar de Neckar terug te trekken, om zich daar te
vereenigen met de Keizerlijke troepen, die onder den generaal
Bournonville in aantocht waren naar het tooneel van den oorlog.
De Keizerlijke aanvoerder meende echter, vertrouwende op de
voordeelen van zijne sterke stelling, den vijand te kunnen af-
wachten; maar hij onderging eene nederlaag in dat gevecht bij
Sintzheim en trok toen terug op Heidelberg. Turenne, van zijne
zijde, zette de vervolging niet voort; maar keerde reeds den
2osten Juni bij Phih'psburg terug op den linkeroever van den Rijn.
Waarom Turenne den rechteroever van den Rijn verliet, is
niet recht duidelijk. Versterkingen ontvangen hebbende die zijne
macht tot een 18000 man brachten, ging de Fransche veldheer
den 3en Juli nogmaals bij Philipsburg den Rijn over, en rukte
naar de Neckar vooruit, om daar het Keizerlijke leger op te
zoeken; dit leger, waarbij zich Bournonville had gevoegd, telde
toen slechts een 13000 man. De Keizerlijke aanvoerders, hunne
minderheid inziende, ontweken den strijd, en trokken in noorde-
Digitized by
Google
2 2 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
lijke richting naar den Main terug. Turenne, de vervolging sta-
kende, ging toen over tot de verwoesting van de Paltz.
Was dit eene uitvoering van de bepaalde bevelen van den
Franschen koning? of was die verwoesting — zooals Beaurain
beweert — alleen het gevolg van den moedwil der Fransche
soldaten, tot toorn aangezet door de vijandschap der Paltzsche
boeren? — dit kan ons onverschillig zijn: de barbaarsche han-
deling ono twee steden en vijf en twintig dorpen aan de vlammen
te prooi te geven, zal altijd een vlek blijven op den Franschen
naam, en een schande voor den veldheer, die óf de lijdelijke
uitvoerder is geweest van onmenschelijke bevelen, óf geen kracht
genoeg heeft bezeten om zijne plunderzieke benden in toom te
houden.
Maar tracht Beaurain die eerste verwoesting van de Paltz als
iets toevalligs voor te stellen, uit Rousset's werk moet men dien
gruwel beschouwen als iets voorbedachtelijks, waaraan alle toeval
vreemd is. Aan wien is dan die gruweldaad van 1674 te wijten? —
Natuurlijk het allereerst aan Lodewijk XIV, wiens machlwoord
de handelingen voorschreef; — maar ook de raadslieden van
den Koning, zijne ministers, zijne legerhoofden hebben hun aan-
deel gehad in wat er gebeurd is; Rousset wijt de schuld van de
eerste verwoesting van de Paltz, behalve aan den Franschen
koning, aan Louvois en aan Turenne. Ook aan Turenne: hec
beroemde legerhoofd muntte juist niet uit door menschelijkheid ;
hij berekende, dat het verwoesten van de Paltz het den Duit-
schen legers onmogelijk zou maken daar te verblijven of van
daar leeftocht te ontvangen; dat daardoor de operatiën van het
Fransche leger zouden worden begunstigd; en dat die verwoes-
ting van eene uitgestrekte landstreek dus kon bijdragen tot het
bereiken van het doel des oorlogs. Turenne schijnt van meening
te zijn geweest, dat in den oorlog ieder middel goed is dat tot
het doel voert ; — een schandelijk dwaalbegrip, maar dat, tot in
ónze dagen, soms met onbeschaamdheid wordt voorgestaan en
toegepast.
Intusschen waren de lang verwachte versterkingen van het
Duitsche leger op het punt van aan te komen. De Lunenburgsche
en Brunswijksche troepen trokken in het begin van Juli bij
Nienburg bijeen; zij bestonden uit 5 regimenten voetvolk, ieder
regiment van 10 vaandels van 120 man; i regiment dragonders,
en 5 regimenten ruiterij; in het geheel een 13000 man. Die
macht, benevens andere Duitsche troepen, rukte op om zich aan
te sluiten bij het leger van Bournonville; en Turenne werd daar-
door genoopt om den 28sten Juli, bij Philipsburg, weer op den
linkeroever van den Rijn terug te keeren.
De verwoesting van de Paltz maakte het Bournonville's leger
onmogelijk om in dat gewest te verblijven en daar den overtocht
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN AAN DEN BOVEN-RIJN. 23
van den Rijn te beproeven; dat leger trok daarop naar het
lagere gedeelte van den Rijn en ging na veel talmens eindelijk
den 29sieQ en 3osten Augustus in de omstreken van Mainz dien
stroom over. Het rukte toen vooruit naar de zijde van Spiers;
maar hoezeer het een groote tienduizend man sterker was dan
Turenne's leger, waagde het echter niet dien veldheer aan te
vallen en . slag te leveren ; maar ging den 2osten September in
de omstreken van Spiers weer onverrichterzake terug op den
rechteroever van den Rijn. Zelden heeft misschien de bekwaam-
heid des veldheers grooter gewicht in de schaal des oorlogs ge-
legd dan hier bij dezen veldtocht : Turenne, met mindere macht
altijd stout vooruitrukkende en aanvallende; de Duitsche aan-
voerders, met meerdere macht, altijd aarzelende, soms schroom-
vallig vooruitrukkende, maar om telkens weer terug te trekken.
De Keizerlijke aanvoerders weten intusschen de regeering van
Straatsburg — toenmaals een vrije Rijksstad — over te halen,
hun daar den overtocht van den Rijn toe te staan ; die overtocht
heeft den isten October plaats, en Bournonville's leger, 36 k
38000 man sterk, waarvan meer dan de helft ruiterij, bedreigt
opnieuw den Elzas. Om dat gewest te beschermen besluit Tu-
renne een veldslag te leveren, hoezeer zijn leger slechts 12000
man voetvolk en 10 000 man ruiterij sterk is. Die veldslag heeft
den 4en October plaats bij Entzheim, een paar uur ten zuid-
westen van Straatsburg; de Duitschers lijden daarbij de meeste
verliezen; maar het is voor Turenne slechts eene halve over-
winning, daar hij nog 's avonds het slagveld verlaat en terug-
trekt; — eene handeling, door Napoleon afgekeurd als al te
omzichtig.
Kort daarop, den 1 3en October, kwam ook het Brandenburgsche
leger, door den Keurvorst zelf aangevoerd, bij Straatsburg; dit
leger bestond uit 12000 man voetvolk, 6000 ruiters en 47 stuk-
ken geschut. Nog andere Duitsche troepen waren toen aange-
komen; zoodat de geheele macht daardoor klom tot een 57000
man, namelijk 33000 man voetvolk en 24000 man ruiterij. Ter-
wijl andere legers meestal bij het begin van een veldtocht het
sterkst waren, bereikten de Duitsche legers van dien tijd, door
verkeerde beschikkingen, hunne grootste sterkte dikwijls op het
oogenblik dat de veldtocht zou eindigen.
Turenne had ook versterkingen gekregen; onder andere was
van het leger van Condé in De Nederlanden een 10000 man
tot hem opgerukt. Maar in weerwil van die versterking had hij
slechts 20000 man voetvolk en 13000 man ruiterij; hij oor-
deelde dus terecht dat het onraadzaam was om tegen die groote
overmacht van den vijand een veldslag te wagen. Na eenige
onbeduidende bewegingen, en na zooveel mogelijk Lotharingen
Digitized by
Google
24 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
en den Ëlzas te hébben verwoest, ging bij dus in het laatst van
November naar de Vogezen terug, als ware hij voornemens ten
westen van die bergketen winterkwartieren te betrekken.
De Duitsche legerhoofden, daardoor misleid, meenden dat de
veldtocht geëindigd was, en begonnen hunne troepen ook te
verdeelen in winterkwartieren ; links zich uitstrekkende tot Béfort,
in het midden over Colmar naar de Vogezen, rechts lot nabij
Straatsburg. Die kantonnementen hadden eene zeer groote uil-
breiding, en de keurvorst van Brandenburg maakte Bournonville
opmerkzaam op het gevaar dat daarin was gelegen; maar tever-
geefs; misschien was die uitbreiding noodzakelijk wegens de ver-
woestingen welke Turenne had aangericht in de landstreek waar
het Duitsche leger was.
De Fransche veldheer, tot eiken prijs den vijand willende be-
letten om op den linker Rijnoever te verblijven, heeft nauwelijks
bericht dat het Duitsche leger in kantonnementen is verdeeld, of
hij doet z ij n e troepen de hunne verlaten, en stelt zich daarmede^
den 29sien en 3osten November, in beweging. De vijand, die
hierin aanvankelijk niets anders zag dan eene verschikking der
kwartieren, en die, later op verschillende punten met aanvallen
bedreigd door schijnbewegingen van Turenne, niet wist wat het
eigenlijke voornemen was van den Franschen veldheer, heeft den
tijd niet om zijne troepen samen te trekken uit hunne kantonne-
menten; plotseling staat de Fransche veldheer met een 30000
man te midden van de. landstreken door de Duitschers bezet;
sommige troepengedeelten der Keizerlijken, in hunne kwartieren
afgesneden en omsingeld door de snel doordringende Fransche
ruiterij, gaan geheel verloren en leggen de wapens neer; bii
Mühlhausen (29 December 1674), en bij Türkheim (5 Januari
1675) ontmoet Turenne gedeelten van het Duitsche leger die
zich daar bijeen hebben getrokken, slaat die, vermeestert Colmar,
en dwingt den vijand, geslagen en verzwakt, midden Januari
weer achter den Rijn terug te gaan en op den rechteroever van
dien stroom zijne winterkwartieren te zoeken.
Zoo eindigde een veldtocht, die, alleen, voldoende zou zijn
om Turenne met de grootste legerhoofden gelijk te stellen. Wél
mochten zijne tijdgenooten toen van hem zeggen, dat de Fabius
getoond had ook een Alexander te kunnen zijn ; zijn krijgsgenie
beschermde Frankrijk legen een inval der vreemde legers, en
stelde aan die legers geduchter slagboom dan de breede, snel
vlietende stroom die Frankrijk's oostelijke grenzen afsloot.
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN IN DE NEDERLANDEN.
HOOFDSTUK XII.
KRIJGSVERRICHTINGEN VAN 1674 IN DE NEDERLANDEN, TOT
AAN DEN SLAG VAN SÉNEFFE.
De ontruiming van Holland, in de laatste maanden van 1673
begonnen, werd in 1674 voortgezet en in de eerste helft van dat
jaar ten einde gebracht. Luxembourg was reeds geheel in het
begin van 1674 over Maastricht en Charleroi naar Frankrijk
teruggekeerd; het overige van de Fransche legermacht in Hol-
land zou in het voorjaar volgen.
Dat laatste gedeelte stond onder het bevel van den maarschalk
De Bellefonds. Reeds vroeger is, met een enkel woord, van dien
bevelhebber gezegd, dat hij zich soms eene vrijheid van taal en
van handelen veroorloofde, die, voor dien tijd, buitengewoon
was; dat men dit door de vingers zag, omdat men hem als een
zonderling beschouwde wien men wat moest vergeven, te meer
omdat niemand twijfelde aan zijne rechtschapenheid; maar dat
zijn verstand en oordeel te wenschen overlieten, zoodat zijne
onafhankelijkheid van karakter zich soms uitte, daar waar dit
volstrekt niet te pas kwam. Zoo hier.
Den 6en April 1674 is De Bellefonds te Nijmegen; hij heeft
last om Holland te ontruimen en den 3osien April met zijn ge
heele macht tusschen Maastricht en Maaseyck te zijn; maar hij
keurt die ontruiming af; — ook Condé had die afgekeurd, zooals
vroeger is gezegd. Maar De Bellefonds doet meer dan afkeuren :
hij weigert ronduit om te gehoorzamen; — en dat onder een
koning als Lodewijk XIV en onder een minister als Louvois!
Louvois ging hier op verstandige, gematigde wijze te werk,
tnaar tevens met vastberadenheid; hij wilde gehoorzaamd wor-
den, — dat spreekt vanzelf; maar tevens wilde hij alle erger-
lijke openbaarheid vermijden. Den i2cn April zond hij nogmaals
bevel aan De Bellefonds, om uiterlijk op den loen Mei Holland
te hebben ontruimd; en, voor het geval dat de Maarschalk in
zijn verzet mocht volharden, werd aan den intendant Robert eene
volmacht gezonden, krachtens welke de luitenant-generaal De
Lorge dan het opperbevel op zich moest nemen. Maar zóó ver
kwam het niet; het gelukte aan zijne raadslieden om De Belle-
fonds over te halen, gevolg te geven aan de ontvangen bevelen ;
«venwei kostte dit veel moeite; reeds had de Maarschalk eene
overeenkomst gesloten met den bisschop van Straatsburg, om
aan dien kerkvorst Nijmegen, Arnhem en andere Geldersche ves-
tingen af te staan, waarin dan Fransche bezettingen zouden
Digitized by VjOOQIC
20 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
blijven; en nog den 23sten April 1674 schrijft De Bellefonds aan
Louvois: » ...Het zou moeite kosten otn mij te overtuigen, dat
de Koning de goede trouw wil schenden, en zijn roem bezwal-
ken. Het teruggaan van onze krijgsmacht is eene schandelijke
vlucht en een prijsgeven van onze bondgenooten ; en, wat men
zegge, zoo iets is niet te verontschuldigen..."
Ziedaar — zal men misschien zeggen — alweer een bewijs hoe
verkeerd het is, wanneer een legerhoofd geheel onafhankelijk
wil zijn en geheel naar eigene inzichten wil handelen. Wij, die
zeer ijveren voor die onafhankelijkheid, die haar beschouwen als
eene noodzakelijke voorwaarde voor de goede uitoefening van
het legerbevel, wij antwoorden daarop: dat voorbeeld van De
Bellefonds bewijst niets; het bewijst alleen, dat De Bellefonds
niet het verstand had dat een legerhoofd moet hebben; men
had hem niet moeten plaatsen aan het hoofd van een leger.
Het oordeel van een goed legerhoofd zal er hem toe leiden, om
van de vrijheid van handelen die hem toekomt, gebruik te
maken, en geen misbruik; hij zal begrijpen dat, indien er ge-
vallen zijn waarin hij mag en moet afwijken van ontvangene be-
velen der regeering, er ook andere gevallen zijn waarin die be-
velen geheel en oogenblikkelijk moeten worden uitgevoerd; dat
het niet gehoorzamen niet het gevolg moet zijn van eene gril of
luim, van een dwaas begrip van onafhankelijkheid, maar moet
voortspruiten uit de overtuiging, dat die afwijking van de ont-
vangen bevelen, dat eigenmachtig handelen gebiedend wordt
voorgeschreven door het algemeen welzijn; en dat de gevolgen
van dat eigenmachtig handelen dan ook geheel en al te zijner
verantwoording blijven, op zijn hoofd nederkomen.
Nijmegen, Arnhem, Schenkenschans, Emmerik, Rees, Wezel,
Rhijnberg en Nuis werden in de laatste dagen van April. en in
de eerste dagen van Mei ontruimd; De Bellefonds, naar de Roer
trekkende, maakte zich in het voorbijgaan, den loen Mei, stor-
menderhand meester van het stadje Erkelens, bezet door een
3 a 400 Spanjaarden ; de Roer bij Linnich overtrekkende, kwam
hij den laen Mei bij Valkenburg, nog drie uur van Maastricht;
zijn leger telde toen volgens een onzer schrijvers omstreeks
20000 man; Beaurain stelt het op 22000; Valkenier op 25000-
man voetvolk en 3000 ruiters; beiden begrijpen daaronder eenige
Keulsche troepen die in sommige Hollandsche steden in bezet-
ting waren geweest. Al het geschut en al de oorlogsbehoeften
in die steden voorhanden, waren door de Fransche troepen óf
meegevoerd, óf vernield; een goed deel bleef in Grave, waar
men ook de gijzelaars bracht, die men meegenomen had tot
verzekering van de betaling der opgelegde brandschattingen.
Grave kreeg eene bezetting van een groote 4000 man, onder
den wakkeren Chamilly; die stad en Maastricht waren de eenige
Digitized by
Google
KR1JG3VERRICHTINGEN IN DE NEDERLANDEN. 2^
plaatsen welke Frankrijk behield van zijne veroveringen op Hol-
landsch grondgebied.
Gelijktijdig met die ontruiming van Holland door De Belle-
fonds^ trok aan de noordelijke grenzen van Frankrijk de leger-
macht bijeen, die, onder Condé, bestemd was om in De Neder-
landen oorlog te voeren. Men vindt bij een onzer schrijvers —
Nieuwe Mercurius — dat die Fransche veldheer den 6en Mei
met een 8 k loooo man te Doornik aankwam; en dat, weinige
dagen later, het daar vereenigde leger eene sterkte had van ruim
20 OOG man, waaronder 60 vaandelen Zwitsers, ieder van 200
man ; bij dat leger had men 30 stukken geschut, 3 mortieren en
500 munitiewagens. Hoezeer die sterkte van Condé's leger hier
vermeld wordt tot in bijzonderheden en al onze schrijvers in
hunne opgaven daarin vrijwel overeenstemmen, zoo gelooven wij
toch dat die opgaven geheel onjuist zijn, en de sterkte van het
Fransche leger veel hooger moet worden gesteld. Immers vindt
men bij Beaurain — die, bij het samenstellen van zijne geschie-
denis van den veldtocht van 1674, de brieven en aanteekeningen
van Condé zelf heeft kunnen raadplegen, en die dus voor de
opgaven van Fransche zijde gezag bezit, — dat den loen Mei
het op den linkeroever der Schelde bij Doornik vereenigde
Fransche leger sterk was 44 bataljons voetvolk, 121 eskadrons
ruiterij en 10 eskadrons dragonders, — alles en alles een 45000
roan. Dit groote verschil tusschen die opgave en die van onze
schrijvers ontstaat mogelijk daardoor, dat de laatsten alleen op-
noemen de troepen door Condé uit Frankrijk aangebracht, en
niet mederekenen die welke reeds vroeger aan de noordelijke
grenzen stonden of door Luxembourg uit Holland waren aan-
gevoerd.
De eerste handeling waartoe Condé overging, was de vereeni-
ging te bewerkstelligen met de legermacht van De Bellefonds. —
Alvorens dien marsch te vermelden van het Fransche leger, van
Doornik naar de zijde van Maastricht, zal het goed zijn met een
paar woorden te zeggen, hoedanig de gesteldheid van zaken
toenmaals was in de Spaansche Nederlanden, het oorlogstooneel,
om daardoor te kunnen zien, welke zwarigheden zich bij dien
marsch konden voordoen.
Stad en vesting, dit is reeds vroeger gezegd, waren toen
woorden van gelijke beteekenis; wij herinneren ons ten minste
geen plaats van eenige beduidenis in de Zuidelijke Nederlanden,
die toenmaals niet bevestigd en bezet was. Ten gevolge van den
vroegeren inval van Lodewijk XIV in de Zuidelijke Nederlanden
en van den vrede van Aken was Frankrijk in het bezit gebleven
van eenige vestingen dier gewesten; zoodat daardoor de sterke
Digitized by
Google
28 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
punten, door de weder zijdsche partijen bezet, op een wonderlijke
wijze waren dooreengemengeld en verward.
Zoo was Frankrijk — met de zeekust beginnende — meesier
van de vestingen Grevelingen, Duinkerken, Veurne en Winox-
bergen. Hier sprong dus het Fransche grondgebied in hetSpaansche;
maar oostelijk daarvan, in de ruimte tusschen de Iperlee en de
Lijs, had weer het omgekeerde plaats: daar hadden de Span-
jaarden de vestingen Aire, Saint-Oraer, Cassel en Iperen. Tus-
schen Lijs en Schelde had Frankrijk weer Arras, Douay, Rijssel,
Doornik, Kortrijk en Oudenaarden; Gent, aan de samenvloeiing
der beide rivieren, behoorde den Spanjaarden ; evenals de andere
Vlaamsche en Brabandsche steden, Antwerpen, Mechelen, Leu
ven, Brussel enz. De vesting Ath was weer een vooruitspringend
punt, in het bezit van Frankrijk; daarentegen waren Mons,
Saint-Guislain, Condé, Valenciennes, Maubeuge en Kamerijk aan
Spanje. Bij de Sambre bezette Frankrijk Binche en Charleroi;
Spanje had Namen, Charlemont en Givet; terwijl Huy en Dinant,
tol Luik behoorende, onzijdig waren, evenals de stad van dien
naam. Verder aan de Maas had Frankrijk: Maastricht, Maaseyck
en Grave; terwijl de Spanjaarden boven Maastricht de kasteelen
van Navagne en van Argenteau hadden en, beneden die stad, de
vestingen Venlo en Roermond.
Wanneer men op de kaart de ligging nagaat van de verschil-
lende hier opgenoemde sterke steden, dan zal men inzien, hoe
die ligging sommige dier vestingen blootstelde aan een beleg, en
hoe zij aan den anderen kant geschikt waren toe het doen van
strooptochten, van brandschattingen in 'svijands land, van aan-
vallen op 's vijands konvooien, — in één woord tot al die
plagerijen die zulk een gewichtige rol speelden in de oorlogen
dier tijden. Het groote aantal der vestingen was hier weer een
nadeel voor de zwakkere partij: de Spanjaarden, met reden be-
ducht dat de vijand zou trachten eenige van hunne sterke steden
te bemachtigen, waren gedwongen die steden in het bezit te
laten van genoegzame bezettingen, en vandaar, dat zij slechts
eene onbeduidende macht konden te velde brengen; Condé
daarentegen liet de Fransche vestingen slechts zwak bezet, voor-
nemens om, wanneer de vijand de belegering van eene dier
vestingen ondernam, met het sterke Fransche leger ter hulp op
te rukken, en een veldslag te leveren; voor de verdediging van
die vestingen rekende hij meer op zijn leger dan op de bezet-
tingen.
Die dooreengemengde ligging van de sterke steden der weder-
zijdsche partijen had len gevolge, dat men gewoonlijk bij eiken
marsch in de nabijheid was van eene vijandelijke vesting en dus
maatregelen van voorzorg moest nemen tegen hare bezetting;
aan den anderen kant had men ook weer het voordeel van,
Digitized by VjOOQIC
KRIJGSVERRICHTINGEN IN DK NEDERLANDEN. 29
waar men ook heen trok, meestal in de nabijheid eene eigene
vesting te hebben, waarvan men als steunpunt kon partij trekken.
Den i2en Mei begint Condé zijne beweging: hij marcheert
over Leuse, Lens, Ville-sur-Haine, Merlauwelz, Thiméon, Gem-
blours, Avesnes- sur-Méhaigne, en Freren, op Lichtenberg, waar
hij den 22sien Mei aankomt en kampeert op den St. Pietersberg,
roet het front naar de Maas, den linkervleugel nabij Maastricht,
den rechtervleugel tegenover het kasteel van Navagne. Elf dagen
waren dus doorgebracht om den afstand van Doornik tot Maas-
tricht, bij de dertig uren gaans, af te leggen. Het nagaan van
dien marsch, eenigszins in bijzonderheden, kan eenig inzicht
geven in de wijze van oorlogvoeren dier tijden.
Na het einde van eiken marsch wordt er een kamp betrok-
ken; dit is een vaste regel. Zulk een kamp strekt zich, zooals
vanzelf spreekt, in eene rechte lijn uit; en het moet dikwijls
moeite hebben gekost, een terrein te vinden dat dit toeliet.
De grootte van het kamp moet in verhouding staan tot de sterkte
van het leger, dat zich daar, in eene gunstige stelling, in slag-
orde moet kunnen scharen. Geen terreinafscheidingen moeten de
onderlinge gemeenschap verbreken tusschen de verschillende
deelen van het kamp; de vleugels moeten aangeleund zijn; de
rug verzekerd, het front zooveel mogelijk een beek of riviertje
vóór zich hebben. Daaraan wordt zooveel waarde gehecht, dat
Beaurain niet nalaat, om bij ieder kamp aan te wijzen, dat aan
die verschillende voorwaarden is voldaan; en waar dit niet bi)
alle het geval is, verontschuldigt hij dit daarmede, dat het toch
maar een kamp was dat slechts in het voorbijgaan werd bezet
(tm camp de passage).
De marschen worden meestal in drie of vier colonnen gedaan.
Laat ons, om aan te wijzen hoe dit gebeurt, eens den eersten
marsch nemen, die den i2cn Mei plaats had, van Doornik op
Leuse.
Het leger van Condé was gekampeerd op den linkeroever van
de Schelde, front makende naar die rivier, en met den rechter-
vleugel sluitende aan de vestingwerken van Doornik. De marsch
naar Leuse — nog geen 3 uur afstands van Doornik verwijderd —
heeft plaats in vier colonnen, die zooveel mogelijk op gelijke
hoogte blijven, en onderling geen grooten afstand hebben: daar
waar die afstand het grootst is, bedraagt hij niet meer dan een
half uur gaans, op enkele pupten slechts eenige honderd el; —
belangrijke terreinafscheidingen zijn er niet tusschen de wegen
door die colonnen gevolgd. De beide vleugelcolonnen, — de
eerste en de vierde — bestaan geheel uit ruiterij; de tweede
colonne — van den rechtervleugel af gerekend — bestaat uit
Digitized by
Google
30 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
het geschut, de levensmiddelen en den wagentrein van het leger,
begeleid door eenige detachementen infanterie, — meestal een
700 man die zich verdeelden in eenige pelotons tusschen de
wagens, — en door twee eskadrons die aan het hoofd, en twee
andere die aan den staart der colonne marcheeren. Eindelijk, de
derde colonne bestaat uit de infanterie, die ook een klein ge-
deelte der bagage met zich medevoert.
Wat de veiligheidsmaatregelen op raarsch betreft, die bestonden
daarin, dat de rechtercolonne eene afdeeling van 100 ruiters af-
zond in de richting van Condé en Saint-Guislain, om de Spaan-
sche bezettingen van die vestingen in het oog te houden; en
dat de linkercolonne evenzoo eene ruiterafdeeling van gelijke
sterkte als linkerflankdekking deed marcheeren, hoezeer hier
minder reden was om te vreezen voor een vijandelijken aanval.
Bij andere gelegenheden, toen men meer in de nabijheid van
den vijand was — zooals bij den marsch van den 1 4en Mei van
Lens op Ville-sur-Haine, toen men bijna onder het geschut van
de Spaansche vesting Mons marcheerde — nam men meer voor-
zorgen: men zond dan, op de beide vleugels, patrouilles uit en
flankdekkingen {des partis et des détachements\ en men deed elke
colonne volgen door een sterke achterhoede. — Evenzoo nam
men maatregelen voor de veiligheid van de kampen. Maar zoo-
zeer was men geneigd om de tegenpartij eene rust te gunnen,
waarin men zelf niet gaarne werd gestoord, dat er bijna geen
voorbeelden voorkomen, dat een leger gedurende zijn marsch
door den vijand werd aangevallen \ en het is daarom ook minder
te verwonderen in Willem III, dat hij zich bij Séneffe blootstelde
aan dat gevaar.
En toch, wanneer ooit bij den aanval op een marcheerend
leger voordeel was te behalen, dan was het 'wel op de wijze
zooals de legers van de 17e eeuw hunne marschen uitvoerden.
Zulk een leger was wel, evenals bij de oorlogsmarschen der
19e eeuw, in verschillende colonnen verdeeld; maar terwijl de
nieuwere krijgskunst voorschrijft, om ieder dier colonnen uit de
drie wapens samen te stellen, — opdat zij dus een klein leger
uitmake, dat in staat is eenigen tijd op zichzelf te staan en zelfs
tegen overmacht den strijd vol te houden — was bij de marschen
van de 17e eeuw elke colonne dikwijls uit slechts één wapen
samengesteld : het voetvolk marcheerde over den eenen weg, de
ruiterij over een anderen, het geschut weer over een derden; en
natuurlijk was het dus, dat wanneer zulk eene colonne plotseling
werd aangevallen, zij een zeer opgelijken strijd moest voeren.
Bestond de colonne soms uit voetvolk en ruiterij, dan ontbrak
toch de artillerie, die altijd een afzonderlijken weg volgde. Op
de spoedige komst en ondersteuning van de andere colonnen
viel ook niet te rekenen; want hoezeer de onderlinge afstand
Digitized by
Google
KRlJGSVERRICHriNGEN IN DE NEDERLANDEN. 31
van die colonnen niet groot was, zoo waren die colonnen echter
niet zeer beweegbaar; en daar de bagage een der middelste colon-
nen uitmaakte, zoo was het daardoor voor de vleugelcolonnen
zeer bezwaarlijk zich te vereenigen. Van de aanwezigheid eener
sterke voorhoede, die den marsch des legers verzetert en den
eersten aanval des vijands afkeert, vindt men hier geen spoor.
De marschvorm van elke colonne op zichzelve was ook in de
hoogste mate gebrekkig. Bij een hedendaagschen oorlogsmarsch
heeft men dit wapen vooraan, dat het eerst in werking moet
komen; ieder korps is op zichzelf, ieder officier marcheert bij
de door hem aangevoerde afdeeling; geen onnoodige wagens of
voertuigen zijn gemengd tusschen de verschillende korpsen ; ver-
schijnt de vijand onverwachts, dan is men spoedig in staat hem
het hoofd te bieden: ieder korps trekt zich samen in geslotene
colonne, en marcheert naar ddt gedeelte der stelling dat aange-
wezen wordt ; — dit kan wel eens eenigen tijd kosten, wanneer,
bij lange vermoeiende marschen, de afstanden tusschen de afdee-
Hngen wat groot zijn geworden en er eenige wanorde is ont-
staan; maar spoedig is de orde hersteld en zijn de afstanden
hernomen. Bij een goed geoefend leger van ónzen tijd is de
overgang van den marschvorm lot den gevechtsvorm niet moeielijk
en vereischt niet veel tijd.
Dat het bij de legers der 17e eeuw geheel anders moet zijn
geweest, is gemakkelijk te begrijpen, wanneer men slechts opmerkt
hoe die legers marcheerden. Bij de hier vermelde marschen van
Condé had elke colonne hare tenten en kampgoederen geheel
vooraan ; een stout partijganger kon dus, daarop aanvallende, die
toen zoo noodzakelijke voorwerpen nemen of vernielen, vóórdat
de nakomende troepen iets konden doen om dit te beletten. Die
troepen zelve marcheerden met een volslagen gemis aan orde,
waarvan wij ons moeielijk een denkbeeld kunnen maken: de
officieren bekommerden zich niet om hunne soldaten, maar gin-
gen, in een groot aantal vereenigd, zooals het hun goeddacht;
de soldaten, dit behoeft niet gezegd te worden, volgden dit
voorbeeld; aan een bijeenblijven der manschappen van dezelfde
pelotons en compagnieën, aan het afzonderlijk houden dier ver-
schillende afdeelingen werd niet in het minst gedacht; integen-
deel, zelfs de regimenten waren dooreengemengd ; en dit ging
zóó ver, dat men een zeventig jaar later, bij den Oostenrijkschen
Successie-oorlog, bij de Fransche legers het toppunt van orde
meende te hebben bereikt, als men bij een marsch zorgde dat
ten minste ieder regiment op zichzelf bleef. Meestal maakte de
geheele colonne bij een marsch eene verwarde, dooreengemengde,
zich ver uitbreidende massa uit, die zich alleen eenigszins ordende
bij het naderen van de legerplaats waar de marsch zou eindigen,
of wanneer om de eene of andere reden een opmarsch moest
Digitized by
Google
32 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
plaats hebben. Het behoeft geen betoog, dat zulk een opmarsch,
zulk een in slagorde komen eene handeling was die met de
grootste moeielijkheden ging gepaard en veel lijd kostte. Behoeft
er nog meer te worden gezegd om de waarheid te betoogen
van het hiervoren beweerde, dat nooit de aanval op een marchee-
rend leger meer gunstige kansen heeft opgeleverd dan bij de
raarschen van de legers der 17e eeuw; het is vreemd, dat die
aanvallen daar zoo zelden voorkomen: eene kleine afdeeling
welberadene troepen, met bekwaamheid aangewend, zou in staat
geweest zijn een geheel leger in verwarring te brengen.
Condé had ten minste de wijze van marcheeren eenigszins
verbeterd, door voor te schrijven, dat men bij de colonne, uit-
gemaakt door de voertuigen der artillerie en de bagage, daar
waar de breedte van den weg dit toeliet, met twee of drie voer-
tuigen naast elkander zou marcheeren. Bij latere oorlogen, zegt
Beaurain, week men weer af van dit goede voorschrift, en liet
men nooit meer dan één voertuig in front marcheeren, al gaf
de weg gelegenheid om er twee of drie naast elkander te heb-
ben. Maar al werd, door dit goede voorschrift van den Fran-
schen veldheer, de lengte van den wagentrein eenigszins be-
kort, toch ging die trein langzaam voort, en dwong daardoor
ook de andere colonnen om traag te marcheeren.
Wat ook veel oponthoud en tijdverlies teweegbracht bij de
toenmalige oorlogsmarschen, dat was de dwaze gewoonte om
er aan te hechten, dat in de kampen ieder korps juist die plaats
innam, welke hel vast was toegewezen in de slagorde. Het ge-
beurde soms, dat de troepen die in de slagorde den rechter-
vleugel hadden, na het einde van een marsch aan de linkerzijde
aankwamen van het kamp dat men wilde betrekken; en omge-
keerd de troepen van den linkervleugel aan de rechterzijde van
het kamp. Dan moesten die beide colonnen, om hunne plaats
in de slagorde in te nemen, nog de geheele frontlengte van het
kamp afleggen, omwisselen, elkander kruisen; wat, in aanmerking
genomen dat het colonnen waren van 10, 15, 20000 man, eenige
uren tijds deed verliezen. Het was zeker oneindig beter geweest
iedere colonne dddr te laten kampeeren waar zij aankwam, zon-
der op de plaats in de slagorde te letten; maar dan had de
rechter- op de plaats van den linkervleugel gestaan, en deze
was op de plaats van den rechter gekomen; en zulk eene omwis-
seling zou toen voor ieder een ongehoord iets zijn geweest; —
eiét révolte torn les esprits^ zegt Beaurain.
Zijn wij thans geheel vrij van zulke dwaze opvattingen ? —
Het is nog zoo lang niet geleden, dat een bataljons commandant
der infanterie zou meenen dat de wereld ten einde liep, als, in
de slagorde, de derde compagnie rechts van de tweede kwam
te staan, in plaats van links.
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN IN DE NEDERLANDEN. 33
Hoezeer de marschen 's ochtends vroeg begonnen, en de sol-
daat, uitgeput van vermoeienis, eerst met het vallen van den
avond het nieuwe legerkamp bereikte, werd er evenwel iederen
dag slechts een geringe afstand afgelegd. De volgreeks der dag-
marschen zal dit aantoonen. Den 1 2en Mei gaat men van Doornik
op Leuse, den i3eii van Leuse op Lens; dit zijn, beide, mar-
schen van een drie uur gaans. £erst wil Condé den i4en rustdag
houden bij Lens; maar hij ziet daarvan af, omdat de bij het
Fransche leger plaats hebbende desertie het onraadzaam maakt
om in de nabijheid te blijven van de vijandelijke vesting Mons.
De marsch wordt dus den i4cn voortgezet op Ville-sur-Haine,
— een marsch van twee uur gaans; den i5en op Merlauwelz,
den i6en op Thiméon. Ieder van die beide laatste marschen kan
men op niet meer stellen dan op een drie uur gaans; toen
echter hebben die vijf achtereenvolgende marschen — ieder van
twee of drie uren gaans! — het leger, en vooral de ruiterij, zoo-
zeer vermoeid, dat men den lyen te Thiméon rustdag moet
houden. Men maakt daarvan gebruik om nieuwen voorraad van
levensmiddelen te doen komen van Charleroi, waar men tot dat
einde brood had doen bakken. Den i8en marcheert men op
Gemblours, een afstand van drie uur; den I9en irekt men op
Avesnes-sur-Méhaigne, en den 2ostcn op Freren; beide marschen
waren voor dien tijd zeer groot, en kunnen ieder op een vijf
uur gaans gesteld worden. Den 21 sten houdt men dan ook weer
rustdag; en den 22stcn marcheert men van Freren naar den
Sint Pietersberg, niet meer dan drie uur gaans.
Men ziet dus welk een onmetelijk verschil er bestaat tusschen
den slakkengang der legers van de 17e eeuw en de verbazende
snelheid waarmede Napoleon zijne talrijke legerscharen wist te
bewegen.
Maar — wordt soms aangemerkt — wanneer de hedendaagsche
legers zich zooveel sneller bewegen, dan geschiedt dit ten koste
van de landstreek waar de oorlog wordt gevoerd ; die landstreek
wordt door zulke marschen geweldig gedrukt en geteisterd; bij
de langzame bewegingen van de legers der vroegere eeuwen
voerden die legers met zich mede alles wat zij noodig hadden
voor hun onderhoud; de landstreek behoefde het niet op te
brengen; zij leed daardoor niet; orde en krijgstucht bleven beter
bewaard.
Ook die bewering is onjuist ; en ook dét voordeel dat men de
vroegere, langzamere wijze van oorlogvoeren wil toeschrijven, is
denkbeeldig.
Wij stemmen toe, dat bij de nieuwere oorlogen de landstreek
waar een leger snelle marschen verricht, wel eens daardoor lijdt;
maar dit hangt grootendeels af van de bevelhebbers; daar waar
deze goede maatregelen nemen, kunnen zij het onderhoud van
WILLEM rrr, — II. -?
Digitized by
Google
34 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
hunne troepen verzekeren, zonder dat de krijgstucht wordt ver-
broken, zonder dat de landzaat wordt gedrukt of mishandeld.
Snelle marschen, snelle doortochten zullen over het algemeen
eene landstreek minder uitputten dan wanneer een leger, zich
langzaam bewegende, langen tijd in hetzelfde gewest blijft. De
langzaamheid, waarmede Condé's leger zich bewoog, waarborgde
bij dat leger in geenen deele het behoud van orde en krijgstucht ;
integendeel, men vindt vermeld dat die krijgsmacht in dit op-
zicht zeer veel te wenschen overliet. Het gebrek aan krijgstucht
was — volgens Beaurain — bovenmate groot, en de desertie
niet minder ; als een bewijs van het eerste haalt hij aan, dat, bij
den marsch van den i6en van Merlau wel z naar Thiméon, Fransche
soldaten een dorp en de woning eens edelmans geheel uitplun-
derden en vernielden, in weerwil van eene veiligheidswacht
{sauvegardé)^ door Condé daar geplaatst. Die veldheer deed een
der plunderaars ophangen, en aan het geheele leger een dag
soldij inhouden, om de schade der geplunderden te vergoeden.
Wij hervatten nu het verhaal der krijgsverrichtingen, na die
uitweiding, die noodig was om beter door ie dringen in den
geest der toenmalige oorlogsvoering en de handelingen der vroe-
gere veldheeren te kunnen begrijpen en met juistheid te beoor-
deelen. Wat ook verminderd of verbasterd zij, stellig niet de
krijgskunst; wij overtreffen daarin verreweg onze voorgangers;
vooral in ddt gedeelte der kunst dat betrekking heeft op de
marschen en bewegingen des legers: de meest langzame en orde-
looze marsch uit Napoleons tijd zou in de dagen van Condé en
Turenne geprezen zijn als een meesterstuk van orde en snelheid.
Dat dit grootendeels is te wijten aan de verschillende samenstel-
ling des legers, is reeds vroeger aangetoond.
Gedurende den opmarsch van Condé naar Maastricht, had
De Bellefonds zich beziggehouden met de belegering der kas-
teelen van Argenteau en van Navagne; twee kleine sterkten,
maar niet zonder belang, omdat zij, tusschen Maastricht en Luik
liggende, de vaart op de Maas tusschen die beide steden be-
heerschten. De nabijheid van Maastricht stelde den Franschen
veldheer in de gelegenheid om gemakkelijk belegeringsgeschut
voor die sterkten te brengen. Na een paar dagen rustens te
Valkenburg stelde de Bellefonds zich den isen Mei in bewe-
ging; en den volgenden dag kwam eene afdeeling van zijn leger,
met twee 24-ponders en één mortier, voor Argenteau. Dit slot
was alleen sterk door zijne ligging op een steile rots, en door
de zware muren die het omgaven; maar de bezetting was zeer
zwak, — ten minste volgens Valkenier, die haar op slechts
40 man stelt ; Beaurain begroot haar echter op bij de 200 man.
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN IN DE NEDERLANDEN, 3,5
Op den avond van den lóen Mei werd het geschutvuur des aan-
vallers tegen Argenteau geopend; dit vuur werd voortgezet gedu-
rende den nacht en den ganschen dag van den 1760. 's Avonds
had er eene opeisching plaats, met bedreiging aan den Spaan-
schen bevelhebber, dat men hem zoude ophangen, wanneer hij
eene bestorming van de bres durfde afwachten. Die wijze van
handelen, onridderlijk als zij was, had evenwel ddt gevolg, dat
zij de overgave bespoedigde; de Spaansche bevelhebber, ver-
schrikt door de gedane bedreiging, sloot nog dien nacht eene
capitulatie, en legde met zijne bezetting de wapens neer.
Toen gold het Navagne, een regelmatig versterkten vierhoek,
volgens Beaurain bezet door een 4 k 500 Spanjaarden; onze
schrijvers brengen die sterkte terug tot op een 300 man. Hier
had een geregeld beleg plaats, en er werd een vrij aanmerkelijke
artillerie tegen de aangevallen sterkte gebezigd: die artillerie
bestond uit 10 24- ponders, 3 mortieren en 18 veldstukken. Den
lyen Mei wordt Navagne op den rechteroever der Maas berend ;
den i8en komt De Bellefonds met de hoofdmacht zijns legers
voor de vesting, verschanst zich, om elke poging tot ontzet tegen
te gaan, en doet het belegeringsgeschut in batterij komen; den
volgenden dag worden de loopgraven geopend en begint een
hevig vuur op de vesting. De wederstand van de Spanjaarden
was zeer goed, en werd voortgezet tot den 2 2sten Mei, toen de
komst van Condé op den linkeroever van de Maas, tegenover
Navagne, hun de overtuiging gaf, dat er aan geen ontzet viel te
denken. Zij traden toen in onderhandeling met de Fransche
legerhoofden, die als voorwaarde van de overgave stelden, dat
de bezetting krijgsgevangen moest blijven ; dit werd echter stand-
vastig geweigerd door den Spaanschen bevelhebber; en Condé,
die niet meer tijd wilde verliezen mei dit beleg, stond aan de
bezetting van Navagne een vrijen uittocht toe, met wapens en
krijgseer, naar Leuven.
Argenteau en Navagne bleven nog eenigen tijd bezet door de
Franschen; maar d'Estrades, de bevelhebber van Maastricht, deed
in Juni de vestingwerken van Argenteau springen, in Juli die van
Navagne slechten, en trok de daar aanwezige troepen en krijgs-
voorraad tot zich, in Maastricht.
Te Eysden, een kwartieruurs beneden Navagne, was reeds den
iScD Mei door de Franschen een schipbrug geslagen over de Maas;
den 23stcD ging het leger van De Bellefonds daarover, en voegde
zich op den linkeroever bij dat van Condé. De vereenigde krijgs-
macht — zegt Beaurain — moest toen een 60000 man zijn, maar
telde er inderdaad nog geen 50 000 ; — zoozeer waren beide legers
verzwakt, door desertie, door zieken, door achterblijvers.
Digitized by
Google
36 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Die vermindering komt ons verbazend voor. Immers was, vol-
gens denzelfden schrijver, Condé's leger bij Doornik, den loeu
Mei, 45000 man sterk; en kwam De Bellefonds, den i2en Mei,
met 22000 man te Valkenburg. Laatstgenoemde veldheer zendt
een paar Keulsche regimenten naar Maastricht, maar neemt in
de plaats daarvan ook weer Zwitsersche en Fransche troepen
uit die vesting bij zijn leger; de belegeringen van Argenteau en
Navagne veroorzaken geen noemenswaardige verliezen ; de daar
achtergelaten bezettingen kunnen ook geen groote getalsterkte
hebben uitgemaakt, en zijn mogelijk van de bezetting van Maas-
tricht genomen; Condé heeft bij zijn opmarsch naar de Maas
nergens gevechten behoeven te leveren : — men zou dus zeggen,
dat door de vereeniging der beide Fransche legers eene macht
moest ontstaan van ten minste 60000 man, en toch bedraagt die
macht er nog geen 50000! Dat korie tijdvak van 10 tot 22 Mei,
dat kleine gedeelte van den veldtocht, waarin eigenlijk niets
.noemenswaardigs is gebeurd, heeft dus het Fransche leger reeds
meer dan 10 000 man gekost, het zesde gedeelte der geheele
sterkte! Men ziet hieruit, dat, bij die kleine, langzame marschen,
een leger niet minder verloor aan zieken en achterblijvers dan
bij de krachtige oorlogen van onzen tijd.
Evenwel moeten wij daarbij opmerken, dat in die tijden de
desertie gewoonlijk het sterkst was bij het begin van een veld-
tocht; een groot gedeelte van de toenmalige soldaten voerde
niet vrijwillig de wapens, maar was daartoe gebracht door dwang
of door misleiding, en maakte dus gebruik van de eerste gele-
genheid, die zich bij het begin van een veldtocht aanbood, om
de gelederen te verlaten.
Condé, de Maas willende verlaten en stelling nemen nabij
Charleroi, breekt den 25sten Mei zijn kamp op, op den Sint
Pieiersberg, en trekt, met kleine marschen, naar Thiméon, waar
hij den agsteu aankomt en een kamp opslaat, ongeveer anderhalf
uur ten noorden van Charleroi. Wij noemen die marschen klein,
en zullen dit aantoonen door de opgave van de afstanden : den
25sten gaat de raarsch van Lichtenberg op Freren, drie uren
gaans; den aósien op Hologne, drie uren; den aysten op Neu-
ville-sur-Méhaigne, vijf uren; den aSsten op Gemblours, twee uren;
den QQsien op Thiméon, drie uren; — in het geheel zestien
uren afstands, in v ij f dagen tijds. — Toch zegt Beaurain, dat de
troepen, en vooral de ruiterij, rust noodig hadden, daar men
sedert den i ^en Mei bijna onafgebroken had gemarcheerd ;
de infanterie — voegt hij er bij — was zeer goed {étaif tres
bellé)^ maar de ruiterij was in een zeer slechten toestand; de
marschen van de maand Mei hadden haar bedorven, en in het
begin van Juni had ieder eskadron gemiddeld slechts een hon-
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN IN DE NEDERLANDEN. 37
derd paarden beschikbaar. Daarom besloot Condé eenigen tijd
in het kamp van Thiméon te verblijven; zijne troepen konden
daar uitrusten ; de nabijheid van Charleroi begunstigde den aan-
voer van levensmiddelen ; en de centrale stelling die het Fransche
leger daar bezette^ maakte het gemakkelijk om in alle richtingen
op te rukken, en elke onderneming des vijands tegen te gaan.
Tot den Ssten Juni bleef het Fransche leger in het kamp van
Thiméon.
Het moet den lezer opgevallen zijn, dat, terwijl Willem III op
het einde van 1673 met zooveel on vermoeidheid trachtte Luxem-
bourg's aftocht van Maastricht naar Frankrijk te beletten, de
aftocht van het leger van De Bellefonds en de vermeestering
van Argenteau en Navagne in het voorjaar van 1674, van de
zijde der bondgenoolen bijna geen beletselen ondervonden. Terecht
merkt Beaurain op, dat men de schuld van die werkeloosheid
niet moet wijten aan den Stadhouder, maar wel aan den aard
der door hem aangevoerde legermacht. Die legermacht zou be-
staan uit Hollandsche, uit Spaansche en uit Keizerlijke troepen;
en wanneer al aan Willem III het opperbevel was opgedragen over
die vereenigde macht, dan zal' men toch spoedig zien, hoe be-
perkt dat opperbevel en hoe moeielijk het was om eenige over-
eenstemming te brengen in de inzichten van de verschillende be-
velhebbers. Maar zelfs met de Hollandsche legermacht alleen
was de Stadhouder niet in staat, spoedig genoeg te velde te
komen om den aftocht van De Bellefonds te verhinderen, of
Navagne en Argenteau te ontzetten.
Eenmaal te velde zijnde, had de Stadhouder eene bijna onbe-
paalde macht over zijn leger; — maar het kostte veel moeite,
eer men zoover was dat het leger te velde kwam; en de mid-
delen om dit te bewerkstelligen stonden niet geheel in de macht
van den Stadhouder. Bovendien, de Hollandsche en gedeeltelijk
ook de Spaansche troepen, waren tot in de maand Januari 1674
te velde geweest, en hadden dus tijd noodig om uit te rusten
en hunne verliezen te herstellen. Vooral de Hollandsche ruiterij
had door het oorlog voeren in het slechte jaargetijde veel ver-
loren; en het was dus onmogelijk om daarmede vroeg te velde
te komen. De verschillende Hollandsche bevelhebbers hadden
dan ook slechts den last om te zorgen dat tegen den isten Mei
hunne troepen weer voltallig waren.
In de eerste dagen van Mei trekt het Hollandsche leger samen
in de omstreken van Bergen op Zoom. De Stadhouder, den 1 len
Den Haag verlatende, komt bij het leger, monstert het den 1300
en rukt er toen Braband mede in; den i7cn neemt de vorst zijn
hoofdkwartier te Duffel, terwijl zijne troepen verdeeld worden in
Digitized by
Google
38 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
kwartieren tusschen Antwerpen en Leuven. Wanneer men zich
herinnert, dat op dienzelfden dag De Bellefonds voor Navagne
kwam en Condé te Thiméon stond nabij Charleroi, en dat vijf
dagen later de legers dier beide veldheeren zoogoed als ver-
eenigd waren, dan 'ziet men, dat het den Stadhouder onmogelijk
was die vereeniging te beletten, of Navagne te hulp te komen.
Bovendien, al werd den i7en Mei Duffel bereikt, zoo wil dit
nog niet zeggen, dat het geheele Hollandsche leger aldaar aan-
wezig was: een gedeelte van het geschut was nog achter, en er
moesten nog nieuwe manschappen^ nieuwe paarden, en krijgs-
benoodigdheden aankomen. Spoedig echter ontving men dit
alles; en het leger moet toen eene sterkte hebben gehad, die
vrij algemeen op een 30000 man wordt geschat. De opgaven
van de verschillende schrijvers zijn daaromtrent niet zeer uit-
eenloopend: Beaurain begroot die sterkte op 30000 man, de
Nieuwe Mercurius op 31000, Sylvius op 18000 man voet-
volk en 8000 man ruiterij, Valkenier op 16000 man voetvolk
en 8000 ruiters; laatstgenoemde schrijver zegt echter, dat het
Hollandsche leger omstreeks half Juli een 30 000 man sterk was,
bestaande uit 32 regimenten voetvolk, 26 regimenten ruiterij en
2000 dragonders; — eene opgave, vrijwel overeenkomende met
een staat der sterkte en samenstelling van het Hollandsche leger,
die men in de Nieuwe Mercurius vindt. Het leger was over het
geheel in een zeer goeden toestand; maar de ruiterij beter dan
het voetvolk, waarbij veel nieuwe manschappen waren. Naar de
gewoonte dier tijden had men een menigte goederen, en ook
vrouwen, bij het leger; een nasleep die, zoolang men in Holland
was, langs de rivieren en kanalen gemakkelijk kon worden ver-
voerd ; maar die zeer belemmerend moest worden, daar waar het
vervoer te water ophield.
Oranje begaf zich den i8en Mei naar Mechelen, waar hij Mon-
terey, den Spaanschen landvoogd, vond; in die samenkomst
werd nog de vraag gesteld, of het raadzaam zou zijn op te ruk-
ken ter hulp van Navagne, maar met reden geoordeeld, dat het
hiertoe de tijd niet meer was, en dat het Hollandsche leger zich
door dat oprukken slechts nutteloos zou blootstellen aan een
ongelijk gevecht. Want van de hulp der Spanjaarden, ontdekte
men spoedig, viel niet veel te verwachten; al de inspanningen
van Monterey hadden niet meer vermocht, dan bij Brussel en
Leuven eene legermacht te vereenigen, door Beaurain op een
15000 man begroot, door onze schrijvers op slechts 12000; —
het overige was weggenomen door het groot aantal vestingen.
Men rekende dus de kansen te ongelijk om Condé een veldslag
te leveren ; en men besloot dus de troepen vooreerst nog te laten
uitrusten in hunne kwartieren. — De Stadhouder, die den sasten Mei
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN IN DE NEDERLANDEN. 39
Brussel had bezocht en daar met groote eerbewijzingen was
ontvangen, keerde daarop terug naar Duffel; hij hield zich toen
onledig met de oefening der nieuwe manschappen van zijn leger.
Sylvius vermeldt, dat, bij den opmarsch van het HoUandsche
leger, de hertog van Holstein vooruit werd gezonden met een
ruiterafdeeling, om berichten in te winnen van het vijandelijke
leger, en dat het dien bevelhebber gelukte eene afdeeling Fransche
ruiterij te verslaan, en loo ruiters gevangen te nemen ^ — andere
schrijvers zwijgen echter van dit voordeel.
Het derde leger der bondgenooten dat in De Nederlanden
werkzaam zou zijn, was het Keizerlijke leger, dat het jaar te
voren 'onder Monte Cuculi tot de vermeestering van Bonn had
medegewerkt en daarna winterkwariieren had betrokken aan den
beneden-Rijn, op de beide oevers van dien stroom. Aanvankelijk
had Bournonville het bevel over die krijgsmacht; in het laatst
van Mei werd hij daarin vervangen door De Souches. De op-
marsch van De Bellefonds deed de Keizerlijke troepen hunne
kwartieren verlaten, en zich samentrekken te Lechenich, nage-
noeg op gelijken afstand van Keulen en van Bonn; den i8cn
Mei had hier de vereeniging plaats van het leger, dat volgens
onze schrijvers 25000, volgens Beaurain 27000 man telde. De
ruiterij was, zooais gewoonlijk de Duilsche ruiterij, zeer goed:
ook talrijk: zij telde 15000 man. Het leger was weer overladen
met een overgrooten wagentrein, en met volgelingen van allerlei
aard; men had daarbij — wat nauwelijks is te gelooven — niet
minder dan zesduizend vrouwen. Ordeloosheid, plundering en
roof waren de onvermijdelijke gevolgen van zulk eene samen-
stelling.
Bournonville, van Lechenich opgerukt, was De Nederlanden
genaderd, en had den 2 2sten stelling genomen tusschen Limburg
en Verviers. Het was te laat om Navagne te ontzetten ; — maar
toen de Fransche legermacht de Maas had verlaten en naar de
zijde van Charleroi trok, spoorde Willem III den Keizerlijken
bevelhebber aan om Navagne en Argenteau te hernemen of zich
in het bezit te stellen van de stad Luik; — het was er den
Stadhouder vooral om te doen, het Duitsche leger op den lin-
keroever van de Maas te doen komen, en daardoor de vereeni-
ging te verzekeren van die krijgsmacht met de HoUandsche en
Spaansche legers.
Bournonville, die naar het schijnt tot voorschrift had, zijn
leger zoo weinig mogelijk aan nadeelen bloot te stellen, deed
hoegenaamd niets; en zijn opvolger. De Souches, gaf bij zijne
komst — 28 Mei — dadelijk bevel dat het leger terug zoude
keeren naar de Roer. Hier betrok het weer kantonnementen, die
grootendeels op den rechteroever dier rivier waren, en zich uit-
Digitized by
Google
40 KRIjGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
breidden tusschen Duren en Lechenich; er werden afdeelingen
vooruitgeschoven, aan de eene zijde naar den Moezel, aan de
andere zijde naar de Maas, tot nabij Roermond; hierdoor werd
de vijand in het onzekere gelaten aangaande de voornemens van
den Keizerlijken aanvoerder, — wat te gemakkelijker is, wanneer,
zooals hier, die aanvoerder zelf nog niet weet wat hij voor-
nemens is te doen, — Het Duitsche leger bleef tot half Juni in
die kantonnementen.
Telt men de getalsterkte van de drie legers der bondgenooten
te zamen, dan vindt men in De Nederlanden eene legermacht
van omstreeks 70000 man; eene macht, voor de oorlogen van
dien tijd zeer aanzienlijk. Maar men moet daarbij in het oog
houden, dat die legers zulk eene sterkte hadden bij het begin
van den veldtocht; de vermoeienissen der raarschen en de
desertie zouden zeer spoedig die sterkte doen verminderen : men
heeft gezien, dat de legers van De Bellefonds en Condé in de
eerste twee weken dat zij te velde waren, meer dan tiendui-
zend man verloren. Een dergelijk verlies stond ook den bond-
genooten te wachten ; en daarna zou dan hunne overmacht over
het Fransche leger zeer onbeduidend zijn, vooral wanneer men
in aanmerking neemt, dat de militaire waarde van de Fransche
troepen, over het geheel genomen, die van de troepen der
bondgenooten overtrof. Toch lijdt het geen twijfel, dat wanneer
de drie legers vereenigd waren geweest en Willem III de vrije
beschikking daarover had gehad, de Stadhouder zou zijn over-
gegaan tot een krachtige, aanvallende oorlogsvoering; dat hij
dan het vijandelijke leger zou hebben opgezocht, slag geleverd,
en, overwinnaar, Frankrijk zou zijn binnengedrongen, om daar,
in verband met de voorgenomen landing, met de verstandhouding
vroeger vermeld, en met de Duitsche legers die den Rijn zouden
overtrekken, den vijand beslissende slagen toe te brengen, en tot
een nadeeligen vrede te dwingen.
Maar hoe geheel anders was de toestand van zaken, en hoe
verschillend van wat de ongeduldige, vurige geest des Stadhou-
ders wenschte! De bondgenooten hadden in De Nederlanden,
niet een leger, maar drie; en mocht de aanvoerder van het
Hollandsche heir naar de spoedige vereeniging dier drie leger-
machten streven, de beide andere aanvoerders hadden geheel
andere inzichten en waren er op uit om zoo lang mogelijk ge-
scheiden te blijven, ten einde zoo lang mogelijk zei ven het
opperbevel te kunnen voeren. Het kostte de grootste moeite om
die zoo noodzakelijke vereeniging te bewerkstelligen; onderhan-
delingen zonder einde, inschikkelijkheden zonder tal waren daar-
toe noodig; en een goed gedeelte van den zomer verliep, alvorens
men daartoe kwam.
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICUTJNGEN I>ï DE NEDERLANDEN. 41
Maar zelfs na die vereeniging was het er verre van verwijderd,
dat de Stadhouder over het leger der bondgenooten die vrije
beschikking had, die ieder veldheer, wil het goed zijn, moet
hebben. Monterey en De Souches waren, als raen wil, onderbe-
velhebbers van Oranje; maar onderbevelhebbers, die men moest
ontzien, die men moest raadplegen, van wie men zwarigheden,
tegenwerpingen, en — zooals de uitkomst heeft bewezen — open-
lijken tegenstand had te wachten ; zij stonden aan het hoofd der
legermachten van bondgenooten, wier vriendschap men op prijs
moest stellen; zij hadden voorschriften van hunne vorsten; zij
beriepen zich gedurig op de verantwoording, hun daardoor op-
gelegd.
Bovendien, zij — mannen van jaren en van ondervinding, in
staats- en krijgszaken grijs geworden — konden zich moeielijk
voorstellen, dat een jonge vorst, pas den mannelijk en leeftijd
ingetreden, verstand en* bekwaamheid genoeg had, om, alleen,
aan het hoofd te staan van zulk een machtig leger, en tegen
«en zoo geduchten vijand de krijgs verrichtingen te besturen. Er
kon een heldengeest zijn in dien jongen vorst; hij kon bekwaam-
heid hebben; maar toch, ondervinding moest hem ontbreken;
hij was jong, hij moest geleid en bestuurd worden; — 700 zul-
len de Spaansche en Duitsche bevelhebbers over Willem III
hebben geoordeeld. Want ddt is de vloek die op het Genie
rust, dat het lal van jaren noodig heeft om zich door de mid-
delmatigheid te doen erkennen; zijne stoutste ingevingen vinden
geen weerklank, juist omdat zij zoozeer afwijken van het gewone,
van het alledaagsche, van het door de regels vastgestelde; na
jaren, ja, dan zal men de juistheid en grootheid dier ingevingen
beseffen; maar voor het oogenblik worden zij beschouwd als
halve ongerijmdheden, die iedereen zich gerechtigd waant te be-
rispen en af te keuren; men beroept zich dan op zijne meerdere
jaren, op zijne meerdere ondervinding; — Bonaparte was reeds
de veroveraar van Lombardije, toen toch een Augereau het nog
waagde, zich als zijn raadsman op te werpen!
De billijkheid vordert echter, te zeggen, dat Willem III veel
meer kon rekenen op de medewerking van den Spaanschen aan-
voerder dan op die van den Keizerlijken bevelhebber. Verschil-
lende schrijvers hebben gezegd, dat er oneenigheid heeft bestaan
tusschen Willem III en Monterey, die met weerzin den Stadhou-
der boven zich zag gesteld, en hem door het Spaansche hof
vereerd zag met den titel van Hoogheid. Het kan zeer goed
zijn, dat zulke gevoelens bij Monterey bestaan hebben; en het
is niet te verwonderen dat hij. Grande van Spanje, landvoogd
der Nederlanden, en — - wat meer zegt — een man van talent
en karakter die zijn land groote diensten had bewezen, zich ge-
krenkt achtte in zijn rechtmatigen hoogmoed, door te moeten
Digitized by
Google
42 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
gehoorzamen aan den afstammeling van een klein Duitsch vor-
stenhuis, wiens voorvaderen, nog geen dertig jaar vroeger, door
de Spanjaarden beschouwd werden als de hoofden van tegen
hun Koning opgestane rebellen. Maar dat misnoegen, indien het
bij den Spaanschen landvoogd bestaan hebbe, heeft echter geen
merkbaren invloed gehad op zijne handelingen als legerhoofd;
en indien de Stadhouder van de zijde van Spanje niet die kracht-
dadige ondersteuning ondervond waarop hij rekende, dan moet
men dit wijten aan de uitputting van dat Rijk, en geenszins aan
de maatregelen van den landvoogd der Spaansche Nederlanden,
die door zijne bekwaamheid en zijne buitengewone inspanning
zooveel mogelijk trachtte te herstellen en te verbeteren wat er
gebrekkigs en onvolledigs was in het Spaansche krijgswezen.
Het was van de zijde van het Keizerlijke legerhoofd, dat de
Stadhouder de meeste tegenwerking zou óndervinden. De Souches,
een Franschman van geboorte, van geringe afkomst, was op jeug-
digen leeftijd in Keizerlijken krijgsdienst getreden, en had zich na
verloop van tijd van rang tot rang verheven, totdat hij eindelijk
Veldmaarschalk en Graaf was geworden. Van de laagste sporten
der krijgsrangen was De Souches door langdurige diensten, door
krijgsdeugd en dapperheid tot de hoogste waardigheid opge-
klommen; hij bezat het vertrouwen des soldaats, die in den met
rijkdom en eeretitels overladen bevelhebber nog altijd zijn gelijke
bleef zien, en die hem eerbiedigde en vreesde om zijn ruw, streng
en onverbiddelijk karakter. Het was een soort van Marius; —
maar een Marius zonder diens bekwaamheid; een man, die zeer
goed, zeer verdienstelijk zou zijn geweest als onderbevelhebber,
maar altijd iemand boven zich had moeten hebben. Hoe dik-
wijls, zoowel in het verledene als in de dagen waarin wij leven,
ontmoet men niet dergelijke aanvoerders; menschen die door
eene langdurige ondervinding zeer goed bekend zijn geworden
met al het werktuigelijke van den oorlog; die weten hoe een
leger zijne marschen moet doen, zijne stellingen moet nemen,
zijne gevechten moet voeren ; — maar wier wetenschap zich ook
daartoe bepaalt, en die niet begrijpen dat die marschen, stel-
lingen en gevechten niet op zichzelve staan, maar slechts de
middelen zijn om het doel des oorlogs te bereiken, en die
niet weten hoedanig en wanneer die middelen moeien worden
aangewend. Zulke menschen kunnen zeer nuttig zijn, wanneer zij
door een bekwaam veldheer worden geleid; — maar, staan zij
op zichzelve, zijn zij zelf veldheer, dan zullen hunne beperkte
inzichten, hun gebrek aan oordeel en verstand, aanleiding geven
tot maatregelen en handelingen, die soms het verderf zijn van
het door hen aangevoerde leger, en oneer en schandt? werpen
op hun naam als oorlogsman.
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGBN IN DE NEDERLANDEN. 43
Ziedaar de legerhoofden der bondgenooten; — Willem III is,
door het verhaal der twee voorgaande veldtochten, reeds zoo-
zeer bekend, dat het hier niet noodig is over hem te spreken.
Wij hebben het dienstig geacht, eenigszins in bijzonderheden te
vermelden, hoedanig het gesteld was met het legerbestuur bij de
bondgenooten, om daardoor duidelijk te maken welk een groot
voordeel, ook in dit opzicht, Frankrijk aan zijne zijde had.
Bij het Fransche leger daarentegen was Condéde eenige veld-
heer; De Bellefonds was teruggeroepen en boette in ballingschap het
niet gehoorzamen van de bevelen zijns Konings. Condé, verwant
aan het Koninklijk geslacht, omgeven door den luister van menige
overwinning, reeds meer dan dertig jaar legers hebbende aange-
voerd, een roem van stoutheid en buitengewone dapperheid be-
zittende, — zooals eenmaal Pappenheim in den dertigjarigen
oorlog, zooals later Ney bij de oorlogen van Napoleon — , had
al die voordeelen aan zijne zijde die de taak eens veldheers ge-
makkelijk maken: hij werd weinig of niet belemmerd door de
voorschriften zijner regeering; hij was geheel vrij in zijne hande-
lingen, kon geheel vrijelijk beschikken over zijn leger; hij boe-
zemde dat leger het grootste vertrouwen in, zijnen vijanden be-
zorgdheid en vrees. De Fransche veldheer was niet jong meer;
maar, al was ook de kracht zijns lichaams enkele keeren door pijnlijke
ziekte gekluisterd, zijn geest was even stout, even ondernemend
als ooit, en hij had aan zijne zijde onderbevelhebbers, die dadelijk
zijne taak konden overnemen en als legerhoofd optreden. Het
zal genoegzaam zijn, om dit aan te toonen, te zeggen, dat Luxem-
bourg een dier onderbevelhel^bers was.
Moeielijk valt het te zeggen wat bij dezen veldtocht de voor-
nemens waren van de oorlogvoerende partijen ; een bepaald krijgs-
plan schijnt er niet te hebben bestaan. Bij de bondgenooten had
elk der drie verschillende volkeren verschillende bedoelingen : de
Republiek was het vooral te doen om Grave en Maastricht te
hernemen ; de Spanjaarden beoogden het herwinnen van de vroe-
ger door Lodewijk XIV op hen gemaakte veroveringen; de
Keizerlijken streefden er voornamelijk naar, in de Nederlanden
zooveel Fransche troepen bezig te houden als maar mogelijk
was, ten einde daardoor den inval van het Duitsche leger in de
gewesten aan den boven-Rijn gemakkelijker te maken.
Oranje, wiens staatkundige en krijgskundige inzichten oneindig
hooger en juister waren dan die van elk der drie Staten, hechtte
weinig belang aan dit verschil van gevoelen ; hij oordeelde terecht,
dat, waar men ook het algemeene welzijn van de bondgenooten
bevorderde, waar men Frankrijk ook nadeelen toebracht, dit
Digitized by
Google
44 KRIJGS* ES GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
altijd in het voordeel moest zijn van ieder der bondgenooten in
het bijzonder. Bij voorkeur was hij gezind om het beleg te
ondernemen van eene der vestingen, vroeger door Frankrijk
veroverd in de Spaansche Nederlanden; omdat zulk een beleg
het spoedigst tot een veldslag aanleiding kon geven., en een
lateren inval in Frankrijk gemakkelijk maakte. Maar ook tot elke
andere handeling wilde de Stadhouder zijne toestemming geven:
het was hem vrij onverschillig wat er gedaan werd, mits er maar
iets gedaan werd, mits het maar met kracht en snelheid ge-
schiedde, mits men maar den tijd niet zoo onverantwoordelijk
liet verloopen. Daarom drong de Stadhouder er zoo gedurig en
met nadruk op aan, dat het Duitsche leger zich zou aansluiten
bij de Spaansche en Hollandsche krijgsmacht. Eenmaal het leger
geheel bijeen hebbende, kon men overgaan lot eene belangrijke,
beslissende onderneming; gescheiden, zou men niets gewichiigs
kunnen uitvoeren.
Die waarheid, zoo duidelijk, zoo eenvoudig, vond evenwel geen
ingang bij den Keizerlijken veldheer; en zijne traagheid en onwil
stelden het geduld van Willem III op een zware proef. Eer er
iets gedaan werd, moest er weer worden beraadslaagd. Den 8sien
Juni had er eene samenkomst plaats te Venlo; De Souches was
daar in persoon, Waldeck en d'Assentar als vertegenwoordigers
van Willem UI en van Monterey. Men trachtte, maar tevergeefs,
den Keizerlijken veldheer over te halen, om met zijn leger op
den linkeroever van de Maas over te gaan, en zich te voegen
bij de Spaansche en Hollandsche legers; het eenige wat hij be-
loofde, was, dit te zullen doen wanneer Condé overging tot een
belangrijk beleg: dan zouden de drie vereenigde legers oprukken
tegen den Franschen veldheer en hem slag leveren ; of, zoo men
hierin niet slaagde, zelf Maastricht belegeren. Maar zoolang Condé
niets bijzonders verrichtte, wilde De Souches blijven op den
rechteroever van de Maas; hij gaf de toezegging van Argenteau
en Navagne te hernemen, mogelijk Visé te versterken, zich van
Luik te verzekeren, en zich verder uit te breiden naar de Ar-
dennen en het hoogere gedeelte van de Maas. Zoodoende zou
het Keizerlijke leger den vijand bedreigen roet een inval in
Champagne, terwijl intusschen Condé in bedwang zou worden
gehouden door de Spaansche en Hollandsche krijgsmacht.
Dat er \an zulk een operatieplan niet veel bijzonders viel te
verwachten, dat is vrij duidelijk: onbeduidende vestingen bele-
geren, zich van eene onzijdige plaats verzekeren, eene kleine stad
versterken, op het eene gedeelte van het oorlogstooneel den
vijand bedreigen, op het andere den vijand in bedwang
houden, — dat zijn geen handelingen waardoor men een oorlog
ten einde brengt, zelfs al voert men alles uit wat in het operatie-
plan is bepaald; en meestal gebeurt zelfs ook dat niet. Willem III
Digitized by
Google
KRTJGS VERRICHTINGEN IN DE NEDERLANDEN. 45
zag dan ook in, dat er vooreerst in de Zuidelijke Nederlanden
niets viel te verrichten; en, om den tijd niet geheel ongebruikt
voorbij te laten gaan, was hij bedacht op het beleg van Grave.
Reeds in de laatste helft van Juni trokken Hollandsche troepen
samen om die vesting, welker belegering eerst later zal worden
besproken, ten einde het verhaal van de krijgsverrichtingen in
de Spaansche Nederlanden niet telkens te moeten afbreken.
Gedeeltelijk omdat de tot 'nu toe bezette landstreek uitgeput
raakte, gedeeltelijk ook om zich meer aan te sluiten bij het
Spaansche leger, den vijand meer bezig te houden en dus de
operatiën tegen Grave meer te beschermen, deed de Stadhouder
het Hollandsche leger andere kantonnemenlen betrekken. Den
iien Juni brak dat leger uit de omstreken van Duffel op, en
plaatste zich gedeeltelijk te Mechelen en Brussel, grootendeels
echter bij Vilvoirden, op den linkeroever der Senne; de ruiterij
breidde zich uit naar de zijde van Dendermonde. Op eenige goed
gelukte strooptochten na, door de bezettingen van de Spaansche
vestingen in de noordelijke Fransche gewesten gedaan, werd
door de bondgenooten niets op den linkeroever van de Maas
verricht.
Wat op den rechteroever van dien stroom geschiedde, was ook
niet veel bijzonders. De Souches had zich eindelijk in beweging
gesteld, den i6en Juni zijne troepen van de Roer doen opbreken
en op Eschwciler trekken. Den i7en was hij tusschen Aken en
's Hertogen rade (Rolduc); den i8cn ging de marsch naar het
riviertje de Geule, en kwam het leger te Gulpen. Den volgenden
dag naderde men de Maas tot nabij Navagne en verkende men
die sterkte, die door d'Estrades weer goed in staat van verdedi-
ging was gebracht en voorzien van eene bezetting van 800 man ; —
Argenteau was toen reeds geslecht. De Keizerlijken oordeelden
het ongeraden zich in te laten met het beleg van Navagne; het
voorstel werd geopperd, om Visé te versterken en bezet te hou-
den, en daardoor de gemeenschap te belemmeren tusschen Luik
en Maastricht; maar ook van die handeling werd afgezien, en
op den namiddag van den 2ostcn Juni brak het Keizerlijke leger
op naar Dalem, waar het den 2isten bleef. Den 22sten rukte De
Souches op Luik, en sloeg zijn leger neer in de onmiddellijke
nabijheid dier stad ; de veldheer werd in de Bisschoppelijke ver-
blijfplaats ontvangen met een 4 a 5000 man van zijn leger; en
niets was dus gemakkelijker geweest dan zich van die onzijdige
stad te verzekeren, daardoor een vast overgangspunt over de
Maas te winnen, en zich ongehinderd te verecnigen met de
andere legers der bondgenooten. Maar De Souches wilde die
vereeniging niet; en, na een paar dagen in de omstreken van
Digitized by
Google
46 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Luik te zijn gebleven, werd den 24steii de marsch voortgezet;
dien dag en den volgenden ging men de Ourthe over, kwam den
26stcu nabij Huy, en den 2751611 te Andenne.
Dus, als men vraagt: wat deed het Keizerlijke leger in die
twaalf dagen van 16 lot 28 Juni, in dat tijdvak toen het heette
werkzaam te zijn, — dan kan men gerustelijk antwoorden: niets.
Het had eenige zeer kleine raarschen verricht en de landstreek
op den rechteroever van de Maas een weinig uitgeplunderd,
niettegenstaande de strenge bevelen die De Souches daartegen
gaf. Men wordt getroffen door het grootsche en reusachtige der
oorlogsplannen van dien veldheer: Maastricht verontrusten, Na-
vagne aanvallen, Visé versterken, en zóó de vaart op de Maas
belemmeren, — wat een beslissende handelingen zouden dit zijn !
Of, om in ernst te spreken, wat een kinderachtigheid om op
zulk een wijze oorlog te voeren! Nochtans kwam geen van die
handelingen tot uitvoering; en met het einde van den marsch
was men nagenoeg in denzelfden toestand als bij het begin.
Men wordt ongeduldig wanneer men .zulke verrichtingen moet
boeken of lezen ; men kan zich dus het ongeduld voorstellen dat
den naar daden dorstenden Stadhouder verteerde, toen hij op
zulk een ellendige wijze den kostbaren tijd zag verspillen, en
de sterke strijdkrachten der bondgenooten onnut maken. Dadelijk
toen het Duitsche leger de Maas naderde, had Willem III eene
afdeeling van 3 a 4000 man, grootendeels ruiterij, tot aan gene
zijde van Hasselt doen vooruitrukken, om als De Souches iets
wilde ondernemen op Maastricht, hem daarbij de behulpzame
hand te bieden; maar die afdeeling vond geen gelegenheid om
werkzaam te zijn en keerde terug, de Spaansche troepen mede-
nemende, die nog in bezetting lagen te Gelder, Roermond, Ste-
vensweert en Venlo. Het was maar al te duidelijk, dat er weinig
of niet viel te rekenen op de medewerking van de Duitschers;
en dat De Souches geen andere inzichten had dan om, zonder
iets te doen, zijn leger te onderhouden ten koste van de Neder-
landsche gewesten. Het is zeer waarschijnlijk dat De Souches
hierbij de bevelen zijner regeering opvolgde, en er is niet de
minste reden om dien veldheer te verdenken van verstandhouding
met Frankrijk; — maar dit is zeker, dat indien hij door Lode-
wijk XIV was betaald geworden, hij niet beter had kunnen
werkzaam zijn in het belang van dien vorst. Onkunde doet soms
evenveel kwaad als verraad.
Aan de Fransche zijde werd de maand Juni gekenmerkt door
even geringe werkdadigheid als aan de zijde der bondgenooten ;
maar wat bij dezen slecht was, was bij genen goed; want, zwak-
ker zijnde dan zijne tegenpartij, en den oorlog verdedigend
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN IN DE NEDERLANDEN. 47
moetende voeren, was voor Condé elke dag die werkeloos voorbij
ging, een wezenlijk voordeel. De Fransche koning had zijn veld-
heer doen aanschrijven, om, indien het doenlijk was, eene der
vestingen van de Spaansche Nederlanden te belegeren; wijselijk
besloot Condé echter, niet over te gaan tot zulk een beleg, dat
lichtelijk de vereeniging van de legermachten der bondgenooten
kon teweegbrengen, en den Franschen veldheer wikkelen in een
veldslag die zooveel mogelijk moest worden vermeden; immers
maakte de overmacht van de bondgenooten eene nederlaag van
het Fransche leger mogelijk, en zulk eene nederlaag kon, bij de
verschijning van de Duitsche legers aan den Rijn, en bij de be-
dreiging van de kusten door eene Hollandsche vloot, noodlottige
gevolgen hebben voor Frankrijk. Daarom besloot Condé zich
uitsluitend te bepalen tot de verdediging, en door zijne stellingen
en bewegingen den vijand wel in bedwang te houden en beducht
te maken voor een beleg, maar dat beleg niet te ondernemen,
ten einde altijd de vrije beschikking te blijven behouden over
zijn leger.
Tot den 8sten Juni was het Fransche leger in het kamp te
Thiméon, nabij Charleroi, gebleven ; toen brak het op om Mons
meer nabij te komen, en den Spanjaarden onrust in te boezemen
voor hunne vestingen in Henegouwen. Den 8sten komt het leger
te Haine-Saint-Pierre en Haine-Saint-Paul; het blijft daar twee
dagen, en marcheert den iien op Ville-sur-Haine, een klein uur
ten noordoosten van Mons. Hier blijft Condé tot in het laatst
der maand Juni, zijne levensmiddelen en krijgsbeh oeften gedeel-
telijk uit Charleroi trekkende, gedeeltelijk uit Ath; de aanvoer
daarvan werd gedurig belemmerd door de strooptochten der
partijgangers uit de naastbijzijnde Spaansche vestingen, en er
hadden herhaalde gevechten om konvooien plaats. Het bege-
leiden en verdedigen van konvooien was bij de krijgskunst van
die eeuw een zaak van het hoogste belang, veel meer dan in de
oorlogen van onzen tijd.
Bij dit gedeelte van den oorlog zijn wij voornamelijk te rade
gegaan met Beaurain,« — een goed, degelijk krijgskundig schrijver,
wiens heldere en uitvoerige uiteenzetting van de oorlogshande-
lingen een duidelijk en juist inzicht geeft van de krijgskunst dier
dagen, en die bij het schrijven zijner geschiedenis van Condé's
laatsten veldtocht inzage heeft gehad van de papieren en aan-
teekeningen van dat legerhoofd zelf. Niet ondienstig echter is
het, ook over te nemen wat Rousset zegt over Condé's beleid,
dat hij hier eenigszins schijnt te veroordeelen. Wij vinden daar-
over in de Hhtoire de Louvois (2* deel, blz. 26—27):
»Hij" (Condé) >was nog niet oud, nog maar drie en vijftig
jaar; maar hij werd geteisterd door vroegtijdige lichaamskwalen.
Digitized by
Google
48 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
De jicht was eene belemmering voor zijne physieke werkzaam-
heid; en soms werkte de eene of andere zedelijke invloed nadeelig,
zoo niet op zijn oordeel, dan toch op zijn wilskracht; gedurig
weifelde hij.
De geheele maand Mei verliep, zonder dat hij iets deed, ter-
wijl de Prins van Oranje van dien tijd gebruik maakte om graaf
Monterey te hulp te komen. Condé kon niet klagen, als bij den
veldtocht van het vorige jaar, over de te geringe sterkte zijner
krijgsmacht, of over hare ondeugdelijkheid; ten minste niet wat
betreft de infanterie: »dat is zeker," schreef hij den 3eu Juni aan
Louvois, »dat men niets beters kan verlangen dan de infanterie
die ik aanvoer; daarmee is alles te ondernemen." 't Is waar,
dadelijk laat hij daarop de tegenstelling volgen, dat de ruiterij
hiermede een groot verschil maakte en in den slechtsten toestand
was. Maar bij een beleg kwam het aan op de infanterie, en zou,
bovendien, de Koning hem de beste ruiterij van het leger doen
toekomen. Hijzelf gevoelde hoezeer het hem ontbrak aan wils-
kracht. »Ik moet bekennen" — voegde hij er bij in dat schrijven
van den 3en Juni, — tdat ik nog tot geen besluit ben gekomen,
welke vesting ik zal aanvallen." Hij noemde Mons op, Valeh-
ciennes, Condé, Iperen, Kortrijk, en bij elke dier steden de
zwarigheden die hem weerhielden om aan te vallen ; hij eindigde
met een raad te vragen, die zeer zeker wel iets meer beoogde
dan het streelen van de bekende neigingen van Louvois: tik
moet erkennen dat ik wel wenschte dat het Zijne Majesteit had
behaagd, mij mee te deelen wat zij het best oordeelt, en dat gi)
mij wildet meiden wat gij gelooft dat, bij den stand van zaken
dien ik u heb geschetst, de beste handeling is." Den i4en Juni
schreef hij nogmaals: >ik schaam mij dat, terwijl de Koning met
zooveel ongeduld uitziet naar tijdingen van de stad die wij zul-
len aanvallen, wij er nog niet ééne aangevallen hebben." Lode-
wijk XIV en Louvois gaven hem ten antwoord, dat zij hem niets
konden voorschrijven; maar dat, als het te moeielijk was om een
groote vesting ie nemen, zij er op rekenden dat hij dan de
kleinere vestingen zou aanvallen. Hij viel er geen enkele aan;
en de buitengewone renbode dien hij af moest zenden, t zoodra
hij een besluit had genomen," is nooit uit zijne legerplaats
afgezonden."
Die beoordeeling van Condc als legerhoofd is niet gunstig; —
maar is zij juist en billijk? Wij gelooven van niet. Al dadelijk
stuiten wij bij Rousset hier op eene overdrijving: >de geheele
maand Mei verliep zonder dat hij iets deed;" — de geheele
maand Mei? en pas den 23sten Mei is Conde aan het hoofd van
de vereenigde Fransche legermacht; en na den 23sten blijft er
zoo heel veel niet over van de maand Mei; dus, overdreven is
Digitized by
Google
KRIJGS VERRICHTING EN IN DE NEDERLANDEN. 49
de voorstelling alsof Condé de geheele maand Mei 1674 tot
zijne beschikking had, en dien tijd ongebruikt heeft laten voor-
bijgaan .
Wat Rousset zegt over de verminderde geestkracht van Condé,
is ook zoo onvoorwaardelijk niet aan te nemen; ten minste,
daarvan is niets gebleken bij den slag van Séneffe; toen be-
toonde het Fransche legerhoofd te veel geestkracht.
Naar onze meening was het in Condé eene voorzichtige en
goede handeling, zich in den zomer van 1674 niet in te laten
met het belegeren van eene der vestingen van de Spaansche
Nederlanden. Men wist dat op óii oorlogstooneel de bondge-
nooten hunne sterkste macht wilden doen optreden, en dddr naar
de grootste uitkomsten streefden ; het belang van Frankrijk bracht
dus mede om op dét oorlogstooneel zooveel mogelijk elke be-
slissende handeling te ontwijken, zooveel mogelijk tijd te winnen,
zooveel mogelijk niets te doen. Toen, in de tweede helft van
Mei, Willem III en Monterey zoo goed als vereenigd waren, was
die vereenigde macht toch nog minder sterk dan het leger van
Condé; daartegen dus was Condé zeer goed bestand; en, had
hij alleen daarmede te doen gehad, zeer goed had hij een beleg
kunnen ondernemen. Maar daar moest nog een derde leger van
de bondgenooten in De Nederlanden komen: het Keizerlijke
leger, onder De Souches, een 25 k 30000 man; was dat leger
gekomen, dan zou de overmacht aan de zijde van de bondge-
nooten zijn; en de komst van dit derde leger zou zeer zeker
verhaast worden, wanneer de Franschen eene der vestingen in
de Spaansche Nederlanden gingen belegeren. Daarentegen, nu
Condé niets deed. bleef ook aldoor het Keizerlijke leger weg;
De Souches heeft er onmiskenbaar naar gestreefd om zoo weinig
mogelijk deel te nemen aan de krijgsverrichtingen ; hetzij dat hij
daarbij de voorschriften van zijne regeering, hetzij eigene inzich-
ten volgde; gebrekkige staatkundige of wel gebrekkige krijgs-
kundige beginselen zijn toen* de drijfveeren geweest van zijne
handelingen. Onder allerlei voorwendselen bleef het Keizerlijke
leger voortdurend op zichzelf, in de landstreek tusschen Maas,
Rijn en Moezel; en er verliepen maanden, en het kostte Wil-
lem III eindelooze onderhandehngen, eer het zoover kwam, dat
het Keizerlijke leger op den linkeroever van de Maas verscheen,
en zich, den 28sien Juli, bij de Méhaigne, bij de andere legers
der bondgenooten aansloot. Zeer zeker zou De Souches die ver-
eeniging niet zoo lang hebben durven uitstellen, indien Condé
tot den aanval was overgegaan, een beleg had begonnen; en
daarom was het van Condé zeer verstandig, niet aan te vallen,
niet te belegeren.
Toen de Duitschers voornemens schenen om een inval te doen
in Champagne, kwam Condé, in het laatst van Juli, de Sambre
WILLEM III. — II. 4
Digitized by
Google
50 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGB BESCHOUWINGEN.
meer nabij, en betrok hij eene zeer sterke stelling achter het
riviertje den Piéton; eene afdeeling, onder Luxembourg, kwam
tusschen Maas en Sambre; eene andere afdeeling, onder Roche-
fort, bezette de grenzen van Lotharingen en Champagne. Over
die verdeeling van Condé's leger zegt Rousset (2* deel, blz. 30)
het volgende:
» ... De hertog De Navailles voerde de hoofdmacht van het
leger aan, 40 bataljons en 98 eskadrons. De afdeeling van den
hertog De Luxembourg bestond uit 10 bataljons en 20 eskadrons;
die van den markies De Rochefort, in de drie bisdommen, uit
7 bataljons en 29 eskadrons; en eindelijk was de ridder De Fou-
rilles nog aan het hoofd van eene reserve van 8 bataljons en
van 1800 paarden..."
Rousset voegt er bij, dat Luxembourg zeer ontevreden was,
van in eene zoo ondergeschikte betrekking te zijn geplaatst, dat
er onder de onderbevelhebbers van Condé oneenigheid bestond,
maar dat Louvois hen allen tot rede bracht. — De voorname
goede eigenschap van dien minister was, dat hij zich wist te doen
gehoorzamen.
Na dus de leemten en gebreken bij het Fransche leger in De
Nederlanden te hebben aangewezen, laat Rousset de erkenning
volgen, dat het hiermede bij de bondgenooten al niet beter was
gesteld (2* deel, blz. 36—38):
» Gelukkig was het niet Frankrijk alleen^ dat onder zulke
inwendige verdeeldheden had te lijden ; dat land had, buitendien,
boven de verdeelde krijgsbevelhebbers, een krachtig bewind dat
hen tot hun plicht wist te brengen. Dat voordeel hadden de
bondgenooten niet: niet slechts de legerhoofden, maar ook de
regeeringen waren het daar oneens. De Duitsthers waren alleen
bedacht op het heroveren van Philipsburg, van den Elzas en
van Lotharingen: de Hollanders wilden zich weer in het bezit
stellen van Grave en van Maastricht; de Spanjaarden wilden
alles herwinnen wat zij in De Nederlanden hadden verloren; —
ieder hunner streefde er naar, de legermacht der bondgenooten
op zijn grondgebied te brengen. Misschien heeft het staatsmans-
genie van Willem van Oranje nooit verwarder toestand te regelen
gehad. Van al die krijgsplannen was dat der Spanjaarden hem
het meest welgevallig, omdat hij meende dat in De Nederlanden
het kwetsbaarste punt was van Lodewijk's heerschappij; hij was
daarvan overtuigd, — evenals in 1672, toen hij, zijp land bloot-
stellende aan een inval van de Franschen, Charleroi ging be-
legeren. De tegenspoed, toen ondervonden, had zijne vaste over-
tuiging niet aan het wankelen gebracht. Na veel inspanning, en
veel tijdverlies, was hij er in geslaagd de verschillende belangen
van de bondgenooten met elkander in overeenstemming te brengen.
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGBN IN DB NEDERLANDEN. 51
Zoo zouden de troepen van den Keizer en van Duitschland twee
legers vormen, waarvan het eene, onder het opperbevel van den
hertog van Lotharingen, den oorlog moest overbrengen in het
Rijndal en in dat van den Moezel; en het andere, onder het
bevel van den graaf De Souches, zich in De Nederlanden zou
voegen bij de Spaansche krijgsmacht van den graaf De Monterey,
en bij het Hollandsche leger van den Prins opperbevelhebber;
tevens, om meer bijzonder te voldoen aan de vertoogen der
Staten-Generaal, moest een Hollandsch legerkorps, onder Raben-
haupt, Grave belegeren; en twee eskaders, aangevoerd door
Tromp en De Ruyter, het eene de kusten van Frankrijk zelve
bedreigen, het andere de Fransche Antillen.
Het beleg van Grave, de ondernemingen ter zee, zelfs de
krijgsverrichtingen aan den Rijn, waren — naar het oordeel van
den Prins van Oranje — maar bijzaken, diversiën ten voordeele
van den grooten slag dien hijzelf wilde toebrengen in De Neder-
landen aan het hoofd van een leger van 90000 man, waarmede
hij — naar zijne grootspraak — >de dames van Versailles ge-
noegen wilde komen doen {traiter les dames ^ Fersailles)^ en in
Frankrijk overwinteren." (Ruvigny aan Lodewijk XIV). Louvois
was op de hoogte van al die plannen; door tusschenkomst van
graaf d'Estrades, den bevelhebber te Maastricht, onderhield hij
briefwisseling met een der vertrouwdste dienaren van den Prins
van Oranje, De Launoy geheeten."
Wie de geschiedenis van dien tijd heeft bestudeerd, zal moge-
lijk de aanmerking maken, dat het weinig waarschijnlijk is, dat
Willem III de woorden gebezigd heeft, die Ruvigny hem in den
mond legt: de Stadhouder was niet de man voor die grootspraak
of voor het bezigen van eene eenigszins losse uitdrukking, un
propos leste^ zooals de Franschen dat noemen.
Die De Launoy, die dienaar van den Prins van Oranje en
tevens correspondent van Louvois, komt in Roussct's werk meer
dan eens voor. De ware beteekenis van die verstandhouding tus-
schen De Launoy en den Franschen minister is ons niet duidelijk
gebleken: wij weten niet, of die verstandhouding eene schuldige
of eene onschuldige zaak is geweest. Het kan zeer wel zijn, dat
het met voorkennis en goedkeuring van Willem III is geweest,
dat De Launoy briefwisseling onderhield met Louvois en d'Ës-
trades; de Stadhouder zal misschien daardoor op de hoogte
hebben willen blijven van de gezindheid der Fransche regeering
en van den stand van zaken in Frankrijk; mogelijk heeft hij
daardoor den vrede — waartoe het toch eindelijk eens moest
komen — willen voorbereiden ; want zeer waar is het, wat Schiller
zijn Wallenstein doet zeggen: » indien men niet reeds gedurende
den oorlog begint 'met het doen ophouden van den oorlog, hoe
Digitized by
Google
52 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
zal men dan ooit tot vrede geraken." — Zoo iets is volstrekt
niet af te keuren; integendeel, het is lofwaardig; maar zoo iets
is toch altijd eene zeer moeielijke en gevaarlijke handeling, vooral
voor de ondergeschikte agenten; want bij die verstandhouding
met den vijand gaat men lichtelijk te vér, en dan wordt het
landverraad. Buat, tijdens den tweeden Engelschen oorlog, houdt,
met voorkennis van den raadpensionaris De Witt, briefwisseling
met Engeland, en doet daarmede niet anders dan wat goed en
geoorloofd is; maar Buat overschrijdt bij die briefwisseling zijne
lastgeving, en schrijft ten voordeele van de vijanden der Repu-
bliek; en daardoor viel hij onbetwistbaar onder bet bereik
der strafwet. Is het met De Launoy misschien ook zoo gegaan;
was hij misschien door Willem III tot die briefwisseling gemach-
tigd, maar heeft hij mogelijk een misdadig gebruik gemaakt van
die machtiging ^ of heeft hij mogelijk geheel zonder machtiging
die briefwisseling met den vijand aangeknoopt?
Wij weten het niet; wij kunnen die vragen niet op stelligen
toon beantwoorden. Moesten wij eene meening uitbrengen, dan
zou het zijn, dat die briefwisseling van De Launoy van tamelijk
onschuldigen aard is geweest. Wij gronden die meening daarop,
dat in de aanhalingen uit die briefwisseling die bij Rousset te
vinden zijn, eigenlijk niets voorkomt waardoor Frankrijk zeer
wordt bevoordeeld, of de bondgenooten zeer worden benadeeld;
het zijn gewoonlijk zaken waaraan men in Frankrijk niet bijzon-
der veel heeft, of welke men aldaar reeds vroeger had kun-
nen weten.
Na deze uitweiding naar aanleiding van Rousset wordt het
verhaal der krijgsverrichtingen vervolgd.
Oranje en Monterey, den Keizerlijken veldheer gedurig aan-
sporende om zich met hunne legers te vereenigen, deden dezen
besluiten om nogmaals eene samenkomst voor te stellen; die
samenkomst had den 2en Juli plaats, in de abdij van Heylisem,
nabij Thienen: en de Stadhouder en de Spaansche landvoogd
namen ditmaal in persoon daaraan deel. Feesten en maaltijden
waren toen onafscheidelijk van alle staats- of krijgsvergaderingen ;
en zij ontbraken ook hier niet, bij die samenkomst van de leger-
hoofden der bondgenooten. »Men dronk," zegt Beaurain, >alle
mogelijke gezondheden, die van den Keizer, van den Koning en
de Koningin van Spanje, van den Prins van Oranje, van Mon-
terey, van De Souches enz."; maar het plengen van den beker
maakte De Souches niets rekkelijker, en de wijn was niet in
staat om de minste vonk van genie in hem op te wekken. Op
alle vertoogen van de Hollandsche en Spaansche legerhoofden,
— die met kracht aanwezen, dat men alleen door zich te ver-
eenigen, kon hopen voordeel te behalen op Frankrijk, en dat
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN IN DE NEDERLANDEN. 53
het onverantwoordelijk was om geen gebruik te maken van de
sterke legermachten die men in De Nederlanden had, — ant-
woordde De Souches eerst met ijdele uitvluchten, met zwarig-
heden over het opperbevel, met klachten over gebrek aan geld
en aan leeftocht; en toen het ijdele van die uitvluchten overtui-
gend was aangetoond, verklaarde hij ronduit, dat hij niet op
den linkeroever van de Maas wilde overgaan, maar doordringen
in Frankrijk, in Champagne. Vergeefs was het dat Willem in
hem voorstelde, om, indien hij al het ge heel e Keizerlijke leger
de Maas niet wilde laten overtrekken, dan ten minste een ge-
deelte van dat leger te voegen bij de Hollandsche en Spaansche
krijgsmacht; De Souches bleef weigeren, en stelde van zijn kant
voor, dat, terwijl de hoofdmacht der Hollanders en Spanjaarden
Condé in het oog bleef houden, een ander gedeelte van het
leger van Willem III zich bij de Keizerlijken zou voegen, en
deelnemen aan den inval in Champagne : — met reden weigerde
de Stadhouder zijne toestemming tot zulk eene handeling, die
geen betere benaming dan dwaas en ongerijmd zou hebben verdiend.
Sommige onderbevelhebbers van De Souches poogden hun
veldheer over te halen om gehoor te geven aan de verstandige
voorstellen van het Hollandsche legerhoofd, maar tevergeefs;
en alles wat men van den Duitschen generaal kon verkrijgen,
was de toezegging dat hij zich nog een dag of acht zou be-
denken, en intusschen zijne legermacht uitbreiden naar de zijde
van Namen en Dinant. Zoo bleef die krijgsraad zonder eenige
gevolgen; — oude Homerus! hoezeer hadt gij toch gelijk, toen
gij zeidet: >'t veelhoofdige gezag is schaadlijk."
Het Keizerlijke leger brak den 5"! Juli op uit het kamp van
Andenne, rukte in de richting van Dinant, en bleef eenige dagen
in de nabijheid dier stad, toen behoorende tot het onzijdige
Luikerland. Den 11 en stelde het leger zich weer in beweging,
trok de Maas hooger op. en was den 1300 in de nabijheid van
Givet. De Souches deed het gerucht verspreiden, dat hij, steeds
zuidwaarts gaande, Champagne wilde binnentrekken ; hij bepaalde
den dag waarop hij in Sedan het middagmaal wilde houden ; en
streelde zijne troepen door de toezegging van plundering op het
Fransche grondgebied ; trouwens, reeds in De Nederlanden oefen-
den deze troepen zich in het plunderen. Maar van die groot-
spraak werd niets bewaarheid ; en het Keizerlijke leger bepaalde
er zich toe, den i7en weer terug te gaan op Dinant, zich den
i8cn van die kleine vesting te verzekeren en daar eene bezetting
van 1800 man te plaatsen. Het was eene schending van de
onzijdigheid, — eene handeling die evenwel niet kan worden
beschouwd als een erge misdaad; maar, wanneer men toch de
onzijdigheid wilde schenden, waarom dit dan niet gedaan toen
Digitized by
Google
54 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
er meer voordeel in was gelegen? waarom Luik niet bemach-
tigd? — dat ware van oneindig meer belang geweest dan het
bezetten van Dinant.
Gedurende dien marsch op den rechteroever van de Maas
ging het Duitsche leger ten opzichte van zijne voeding op eene
andere wijze te werk dan men toen gewoon was; er hadden
geen regelmatige uitdeelingen plaats, maar men behielp zich dik-
wijls met de hulpmiddelen die de landstreek opleverde. Er werd
wel brood gebakken te Namen en te Givet, Spaansche vestingen ;
ook graan en meel aangevoerd van Luik; maar dit was niet in
genoegzame hoeveelheid, en herhaaldelijk moesten de troepen
zelve hun onderhoud zoeken. De paarden werden gevoed met
het te veld staande voeder; voor de menschen maaide men het
rijpe graan, droogde dit, maalde het door middel van hand-
molens, waarvan men er een paar honderd had meegenomen uit
Luik, en bakte daarvan op de plaats zelve eene soort van koe-
ken of brooden. — Beaurain maakt hier de opmerking, dat,
hoezeer zulk eene wijze van voeding voor een leger veel minder
goed is dan de regelmatige uitdeelingen uit magazijnen, zij even-
wel soms hare voordeelen kan hebben, en een leger zich dus
moest wennen om somtijds op die wijze zijne voeding te zoe-
ken. Men had dus reeds toen (Beaurain schreef in het midden
der achttiende eeuw) eenig denkbeeld van de groote voordeelen
die konden voortvloeien uit het verlaten van het magazijnstelsel;
voordeelen, waaraan de Fransche legers in de eerste jaren der
omwentelings-oorlogen grootendeels hunne overwinningen hebben
te danken gehad.
Aan de Fransche zijde had men intusschen eenige maatregelen
genomen om den gevreesden inval in Champagne tegen te gaan.
Condé kreeg last om de Sambre meer nabij te komen, en tus-
schen die rivier en de Maas eene troepenafdeeling onder Luxem-
bourg te plaatsen, om het Keizerlijke leger in het oog te houden.
Een ander bevelhebber, Rochefort, moest, na de verovering van
Franche-Comté, met eene troepenmacht oprukken om de grenzen
van Lotharingen en Champagne te bezetten; die macht van
Rochefort zou bestaan uit eenige bataljons voetvolk die in
Franche-Comté werkzaam waren, uit de garde-ruiterij {la maison
du Rot\ en uit eenige regimenten die Turenne zou afzenden ;
Rochefort moest, naar gelang van de bewegingen der Duitschers,
in Lotharingen blijven, naar het leger van Turenne oprukken^
of wel zich, mét Luxembourg, aansluiten bij Condé. Charleroi
was voorzien van eene sterke bezetting, door een onzer schrijvers
— Nieuwe Mercurius — begroot op 2000 man voetvolk en 1200
ruiters, onder Montal.
Digitized by
Google
KRUGSVERRICHTINGEN IN DE NEDERLANDEN. 55
Condé was tot den 28stcn Juni in zijn kamp van Ville-sur-Haine
gebleven, en den 29sten opgerukt in noordwestelijke richting, om,
tusschen Mons en Ath, nabij het dorp Brugeletle, zijn leger neder
te slaan; hier bleef hij weer een paar weken standhouden, niet
dadelijk gehoor gevende aan de aanmaningen van zijn hof om-
De Souches te beletten een inval te doen in Frankrijk. Condé
begreep zeer goed hoe weinig die inval was te vreezen, en hij
wilde zijn leger geen enkele noodelooze beweging laten verrich-
ten ; »hij had," — zegt Beaurain — » die stoute gerustheid, grooten
veldheeren eigen, die hunne troepen niet vermoeien door nutte-
looze marschen, en die, hunne bewegingen met juistheid rege-
lende, altijd zeker zijn, van tijdig de verdediging tegenover den
aanval te kunnen stellen." Den i3cn Juli stelde hij zich in be-
weging^ maar rukte niet verder voort dan tot Estinnes, nabij
Binche; hier achtte hij zich dicht genoeg bij Charleroi om een
beleg van die vesting te kunnen verhinderen. De sterkte der
stelling waarin hij zijn leger plaatste, liet den Franschen veldheer
ook toe zijne macht te verminderen door het afzenden van eene
legerafdeeling naar de landstreek tusschen Sambre en Maas.
Luxembourg werd met een 8 k 9000 man derwaarts gezonden,
kwam den isen Juli daarmee te Philippeville, en deed vergeefsche
pogingen om het bezetten van Dinant door de Keizerlijken te
verhinderen. De macht van Rochefort trok, eerst in den loop
van de maand Juli, in Lotharingen bijeen; in de eerste dagen
bestond zij alleen maar uit ruiterij en uit de bezettingen der
steden aan de boven-Maas; later versterkt, moeten Rochefort en
Luxembourg aan het hoofd van een 20 000 man hebben gestaan ;
De Souches had toen volgens Beaurain ruim 25000 man; —
maar, mocht die kleine getalmeerderheid een inval doen vreezen
in de noordelijke gewesten van Frankrijk, spoedig verdween die
vrees, daar de Keizerlijke veldheer nu weer een ander besluit nam.
Oranje en Monterey hadden na de mislukte onderhandelingen
te Thienen, De Souches weer gedurig aangespoord om toch zijn
leger bij hunne legers te voegen, maar te vergeefs; deze beloofde
alleen, dat, wanneer men zijn leger wilde versterken met 7 k
8000 man Hollandsche en Spaansche troepen, hij het beleg zou
slaan voor Mezières of eene der andere vestingen aan de boven-
Maas. Willem III gaf zijne toestemming tot dit plan ; — niet,
dat hij , het als goed beschouwde, maar hij oordeelde het nog
beter, ddt te ondernemen, dan niets te doen. Maar toen het nu
tot eene uitvoering zou komen, trad de Keizerlijke veldheer
weer terug, en kwam met een ander voorstel voor den dag,
daarin bestaande, dat Willem III in persoon met een 1 5 000 nrian
wch zou aansluiten bij het Keizerlijke leger, het bevel op zich
nemen over die vereenigde macht, en dan het beleg slaan voor
Digitized by
Google
56 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
eene der noordoostelijke vestingen van Frankrijk. Ook daarin
stemde de Stadhouder toe; niettegenstaande het gewaagde dier
handeling, het gevaar waaraan hij de Spaansche Nederlanden
blootstelde door het aftrekken met een zoo sterk gedeelte van
zijne macht, en de onzekerheid van voortdurend te kunnen
rekenen op de vrije beschikking over het Duitsche leger. Het
Hollandsche legerhoofd oordeelde dat dit de eenige wijze was
waarop men partij kon trekken van het Keizerlijke leger; en
dat, wanneer hij eenmaal bij dat leger was, hij het door zijne
werkdadigheid en geestkracht wel zou kunnen leiden naar zijne
inzichten; evenwel way hij tegen het beleg van Mezières, en
wilde liever Rocroy en Philippeville aanvallen, en nóg liever
Charleroi, — eene zijdelingsche wijze om het leger van De Souches
toch te doen aansluiten bij de andere legers. Men kwam nu overeen,
dat, om die vereeniging van de legerafdeeling van Willem III
met de Keizerlijke krijgsmacht te begunstigen, de Hollandsche
en Spaansche legers de Maas zouden naderen, De Souches van
zijne zijde op Namen trekken en dan een ruiterkorps van 3000
paarden op den anderen oever van de Maas doen overgaan, om
daardoor den marsch van het legerkorps des Stadhouders te
ondersteunen.
Den i6en Juli begint het voetvolk van het Hollandsche leger
zich in beweging te stellen; het breekt op van de omstreken
van Vilvoorden en rukt op Leuven, waar het zich plaatst bij
het klooster van Beerthem, — of van Bethlehem, zooals de naam
bij onze schrijvers voorkomt, — een half uur ten westen van
Leuven; ook de ruiterij is den 17611 daar; het geschut wordt te
Willebroek ingescheept, en zoo over de Dijle nagezonden. Den
i8en trekt het leger des Stadhouders de Dijle over, en slaat zijn
kamp neer tusschen Leuven en de abdij van het Park, ten
zuidoosten van die stad. De Spaansche troepen, wier werkdadig-
heid al niet veel grooter was dan die der Keizerlijken, kwamen
eerst den 1960, door d* Assen tar aangevoerd, op den linkeroever
der Dijle, bij het klooster van Bethlehem. De zoon van De Souches
kwam toen om nogmaals de voorgenomene vereeniging nader te
bepalen ; en hij beloofde dat, in plaats van 3000 ruiters, het Keizer-
lijke leger er 5000 zou afzenden om die vereeniging te verzekeren,
en dat hij zijn vader zou trachten over te halen om nóg grootere
macht op den linkeroever van de Maas te doen overgaa^i, zelfs,
als het kon, het geheele leger; — den 235100 zou de Souches te
Namen zijn, en de Stadhouder daarnaar zijne bewegingen regelen.
Den 2 2sten brak dan ook de Hollandsche en Spaansche ruiterij
op van de omstreken van Leuven en rukte naar de Geete, tus-
schen Thienen en Guldenaken (Jodoigne); den 23sten volgde
Willem III met het overige des legers; den 24sten werd de
Digitized by
Google
KRIJGS VERRICHTINGEN IN DE NEDERLANDEN. 57
marsch voortgezet tot de vlakte van Mierdorp, tusschen de beide
Geete's en de Méhaigne. De Souches, eerst eene achter waartsche
beweging makende op Chinay, was den 2 2sten op Namen ge-
trokken, had den 23steD daar 6000 man ruiterij de Maas doen
overgaan, en was den volgenden dag met nog 2000 ruiters ge-
volgd; zoodat hij zich den 24sten met 8000 man uitmuntende
ruiterij bij de Spaansche en Hollandsche legers aansloot.
Condé, onderricht van den marsch der Keizerlijken op Namen,
en vermoedende dat het hun voornemen was om de Maas over
te gaan, besloot Charleroi meer nabij te komen, de legerafdee-
ling van Luxembourg weer tot zich te trekken, en Rochefort te
belasten met het bezetten van de landstreek tusschen Sambre en
Maas. Den 23sten breekt Condé zijn kamp op bij Binche en rukt
naar den Piéton, een kleine rivier die zich nabij Charleroi in de
Sambre werpt; hij bezet hier eene zeer sterke stelling, voor die
tijden bijna onaanvalbaar. Luxembourg heeft den 23sien *s ochtends
te Philippeville het bevel gekregen om zich weer bij de hoofd-
macht te voegen ; hij marcheert nog dien dag op Marchienne-au-
Pont, gaat den 24sten de Sambre over, en neemt stelling bij
Fontaine-rEvêque ; zoodat hij zoo goed als vereenigd is met
Condé, wiens rechtervleugel hij beschermt. Rochefort, den 25 sten
van Sedan opgebroken, is den 26sten te Philippeville; de Maison
du Rot blijft daar niet, maar rukt op naar het hoofdleger van Condé.
Of nu die bewegingen van den P'ranschen veldheer Oranje
en Monterey werkelijk deden gelooven, dat de vijand voornemens
was hun te gemoet te rukken en aan te vallen, is onzeker; maar
zij hielden zich ten minste alsof zij dit geloofden ; en zij drongen
daarom nogmaals aan bij De Souches op eene geheele vereeuiging,
hem ten breedste de gevaren en rampen uitmetende, onvermij-
delijk verbonden aan eene splitsing der strijdkrachten tegenover
een ondernemend vijand die de zijne vereenigd hield. Na: veel
sprekens, beraadslagens en tegenstrevens zwichtte De Souches,
en gaf hij zijne toestemming tot den overgang van het geheele
Keizerlijke leger op den linker Maasoever. Maar den volgenden
dag in zijn kamp teruggekeerd, veranderde de Keizerlijke veld-
heer weer van voornemen en kwam terug op zijne vroegere
voorstellen tot een inval in Lotharingen en Champagne. Oranje
en Monterey, het behaalde voordeel niet meer willende verliezen,
kwamen nogmaals op de reeds gebezigde drangredenen terug,
en deden De Souches, met hoeveel weerzin dan ook, eindelijk
aan zijn leger het bevel geven tot den overtocht van de Maas.
Die overtocht had met groote langzaamheid plaats^ en duurde
de drie dagen van 25, 26 en 27 Juli; eerst den 28sten Juli ge-
schiedde aan de Méhaigne de vereeniging van de drie legers der
bondgenooten.
Digitized by
Google
58 KRITGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Om het zoover te brengen had Oranje mogelijk evenveel be-
kwaamheid moeten gebruiken als noodig was voor het behalen
van eene schitterende overwinning, en stellig veel meer geduld;
en toch, eer het zoover was, was reeds het beste gedeelte van
den zomer verloopen, zoodat er slechts een klein gedeelte van
het jaar overbleef om iets tegen den vijand te ondernemen. Dien
ongelukkigen toestand moet men niet uit het oog verliezen, wil
men de strategische handelingen van Willem III, van dien tijd,
beoordeelen: hij is niet vrij in die handelingen: hij is het genie,
worstelende tegen traagheid, kleingeestigheid en onkunde, die
tegenover de diepst doordachte, best berekende ontwerpen niets
anders stellen dan een onwil en eene onwerkzaam heid, die soms
het onuitputtelijkste geduld wanhopend moeten maken.
Beaurain stelt de sterkte der verbondene legers na hunne
vereeniging in het geheel op een 65 k 70000 man; bestaande
uit 30000 man Hollandsche troepen, 12000 Spanjaarden en
25000 Duitschers. Wij gelooven dat die sterkte te hoog is ge-
steld en op niet meer dan een 60000 man mag worden geschat.
De opgaven van Beaurain gelooven wij niet onnauwkeurig ten
aanzien van de Hollandsche en Spaansche troepen, waarvan de
sterkte door onze schrijvers nagenoeg evenzoo wordt vermeld;
maar het Duitsche leger kan geen 25000 man zijn geweest. Dat
leger toch telde bij het begin van den veldtocht, volgens de
hoogste opgave, 27000 man; op den rechteroever van de Maas
bleef, nabij Chinay, onder den Prins van Baden, eene afdeeling
achter van een 6000 man, die later, in Augustus, naar den Rijn
trok en zich bij Bournonville neerslaat; Dinant was bezet door
1800 man; het Duitsche leger was — volgens de opgave van
Beaurain zelf — , aanmerkelijk verzwakt door desertiën; — de
macht waarmede De Souches zich aansloot bij Willem III, moet
dus stellig beneden de 20000 man zijn geweest, en dus de ge-
heele sterkte van de bondgenooten ongeveer een 60000 man
hebben bedragen. — Natuurlijk is het niet noodig het cijfer van
90000 man te bespreken, dat bij Rousset voorkomt voor de
sterkte van het leger der bondgenooten.
Maar, hoezeer vereenigd, bleef er toch nog altijd eene scherpe
afscheiding bestaan tusschen de drie verschillende legers, en op
eenheid van handelen viel niet veel te rekenen; er was nog
dezelfde verdeeldheid en oneensgezindheid tusschen de onderbe-
velhebbers, en dus dezelfde wankeling in hunne handelingen. De
Souches was misnoegd op Willem III en Monterey, omdat deze
hem tegen zijn zin, half door misleiding, hadden doen besluiten
tot eene vereeniging, die hij niet had gewild, en die hij bij de
eerste gelegenheid de beste weer wilde doen ophouden. Dat
misnoegen was bekend en deelde zich mede aan de officieren,
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN IN DE NEDERLANDEN. 59
aan de soldaten, zoodat er bij de Keizerlijke troepen eene bijna
vijandige gezindheid bestond jegens de andere troepen der bond-
genooten. Dit was te meer te betreuren, omdat de troepen van
De Souches toen gerekend werden de meeste militaire waarde
te bezitten : de Spaansche regimenten, niet voltallig, en gebrekkig
uitgerust, stonden op een lageren trap ; en het Hollandsche leger,
nog onder den indruk van de tegenspoeden van 1672, had dien
nog niet kunnen uitwisschen, en nog geen overtuigende blijken
kunnen geven van de uitstekende dapperheid die het sinds be-
toonde.
Van het Hollandsche leger vindt men bij onze schrijvers eene
soort van slagorde, waarvan eene nadere mededeeling hier niet
onbelangrijk is te achten.
Dat leger bestond uit een rechter- en linkervleugel;
ieder samengesteld uit 2 brigaden ruiterij en 2 brigaden voetvolk.
De rechtervleugel stond onder het bevel van den ouden graaf
Maurits van Nassau, de linkervleugel onder Waldeck. £lke brigade
ruiterij telde 5 of 6, elke brigade voetvolk 8 of 9 regimenten;
bovendien had men nog — niet ingedeeld — de lijfgarde onder
Ouwerkerk, en het regiment garde-ruiterij onder Bentinck.
De ruiterij van den rechtervleugel stond onder het bevel van
den graaf van Nassau.
In de eerste linie had men, behalve de lijfgarde van Ouwer-
kerk en Bentinck's regiment, de eerste ruiterij-brigade, onder
Ginkel, samengesteld uit de 6 regimenten: van den graaf van
Nassau, Ginkel, Langerak, Obdam, van den Prins van Koerland,
en van Flodorp.
De tweede linie van de ruiterij stond onder den Commis-
saris-generaal De Mompouillan, en werd uitgemaakt door de
tweede brigade, onder het bevel van den heer Van der Lek, en
samengesteld uit de 5 regimenten: van Mompouillan, Van der Lek,
*s Gravenmoer, Hoorenberg en Kroonenburg.
De infanterie van den rechtervleugel werd aangevoerd door
den generaal Aylva ; onder zich hebbende Fariaux, den vroegeren
verdediger van Maastricht.
In de eerste linie stond de eerste brigade, onder Solms,
bestaande uit de 9 regimenten: van de garde, van vorst Maurits,
Stirum, Solms, Vilaumaire, van den jongen Prins Maurits, Stok-
heim, Berkevelt en Turck.
In de tweede linie had men de tweede brigade, onder Wee,
en bestaande uit de 8 regimenten: van Aylva, Fariaux, Wee,
Thouars, Amema, Schwartsenburg, Momout en Cassiopijn.
Van den linkervleugel werd de ruiterij aangevoerd door
den generaal Steenhuyse.
De eerste linie werd uitgemaakt door de derde brigade,
Digitized by VjOOQIC
6o KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
onder Weybnum, en was samengesteld uit de 6 regimenten: van
Waldeck, Steenhuyse, Weybnum, Sander van Welle, Eppe en
Brederode.
In de tweede linie stond de vierde brigade, onder Witt-
genstein, tellende de 5 regimenten: van Prins Hendrik Casimir
van ïViesland, Wittgenstein, Prins Frits van Nassau, Kingma en
Schellaert.
Bij de infanterie stond in de eerste linie de derde brigade,
onder Heeswijk, bevattende de 9 regimenten: van Waldeck, Hees-
wijk, Sedlenitzky, Mario, Brantswart, Burmania, den Prins van
Holstein, Palm en Polants.
In de tweede linie stond de vierde infanteriebrigade, onder
Erpach, bestaande uit de 8 regimenten: van Erpach, Eijbergen,
Gockinga, Leendorf, Veersse, Laverne en Cornaal. (Hier worden
dus maar zeven regimenten genoemd, van de acht).
Van de dragonders wordt niet afzonderlijk gesproken 5 mogelijk
zijn die bij de infanterie gerekend.
HOOFDSTUK XIII.
SLAG VAN SÉNEFFE (ll AUGUSTUS 1674).
Den 28steii Juli aan de Méhaigne vereenigd, bij Perwijs, bleef
het leger der bondgenooten daar nog drie dagen werkeloos,
denkelijk om de gewichtige vragen te bespreken van het opper-
bevel en van de orde waarin de verschillende legers zouden
marcheeren. Den isten Augustus begint de marsch, in westelijke
richting; dien dag komt men te Conroy; den 2en te Ottignies,
aan de Dijle; den 300 gaat men die rivier over en bereikt
Genappe; den 4en slaat men een kamp op, nabij Nivelles.
Groot waren die marschen niet, gemiddeld ruim twee uur
daags, en de bewegingen van de bondgenooten dragen geheel
en al het kenmerk van de onzekerheid die er is in de inzichten
der aanvoerders. Sommige dier aanvoerders, vooral Willem III,
wilden met het geheele vereenigde leger Condé opzoeken in
zijne stelling achter den Piéton ; anderen, daaronder De Souches,
oordeelden zulk eene handeling te gevaarlijk, en wilden daarom
voortrukken tusschen het Fransche leger en Vlaanderen, en het
beleg slaan voor eene der vijandelijke vestingen.
Er waren redenen voor, en redenen tegen dien aanval op
Condé's stelling.
Digitized by
Google
SLAG VAN SÉNEFFE (ll AUGUSTUS 1674). 61
Aan den eenen kant was het eene stellige waarheid, dat, wilde
men eene belangrijke uitkomst verkrijgen, wilde men aan den
krijg eene beslissende wending geven, het leveren van een veld-
slag noodzakelijk was. Dit had Willem III zeer juist ingezien ; en
men kan het ook bij meer andere veldtochten van dien vorst
opmerken hoezeer hij streeft naar het leveren van een veldslag
en weinig hecht aan het belegeren en innemen van eene enkele
vesting, — eene handeling waarin de legerhoofden van dien tijd
soms het eenige doel zagen van den oorlog. Eene overwinning
op het Fransche leger kon de bondgenooten in Frankrijk doen
doordringen, kon beslissende voordeden doen behalen; en de
sterkleverhouding van de beide partijen — 60 000 man der bond-
genooten tegen 45 k 50000 man van Condé — mocht eenigs-
zins doen rekenen op die overwinning.
Maar, kon eene overwinning der bondgenooten den oorlog
naar Frankrijk overbrengen, eene nederlaag kon ook de Spaansche
Nederlanden in groot gevaar doen verkeeren; het eene woog
het andere op. Zooeven is gezegd, dat de overmacht van de
bondgenooten hen bij een veldslag eenigszins mocht doen
rekenen op de overwinning; maar die overwinning werd weer
minder waarschijnlijk door andere omstandigheden. De troepen
der bondgenooten waren troepen van verschillende staten, en,
reeds daarom alleen, minder goed dan het Fransche leger. De
aanvoering bij de bondgenooten werd ook minder goed geacht
dan bij de Franschen; — spreekt iemand dit tegen en beweert
hij, dat Willem III als veldheer niet beneden Condé moet wor-
den gesteld, dan antwoorden wij daarop: dat de latere beoor-
deelaar, dat de nakomelingschap zeer goed en met grond zulk
een gevoelen kan aankleven, maar dat de tijdgenooten in 1674
niet zoo oordeelden; voor hen was Willem III een jong veld-
heer, in wien de kiemen van groote hoedanigheden schenen te
rusten, maar die nog niet in het minst kon worden vergeleken
met den ouden, beproefden Condé, die reeds voor meer dan
dertig jaar als zegevierend veldheer was opgetreden, en zich,
door strijd op strijd en overwinning op overwinning, beroemd
en geducht had gemaakt. Het is dus den opperhoofden der
bondgenooten volstrekt niet ten kwade te duiden, dat zij, de
beide veldheeren vergelijkende, daarin eene minderheid aan hunne
zijde zagen, die eene overwinning op het Fransche leger minder
waarschijnlijk maakte.
Wat eindelijk de onzekerheid van zulk eene overwinning ver-
meerderde, was de sterkte van de stelling waarin zich het Fransche
leger had geplaatst.
Die stelling bevond zich in de nabijheid van de rivier den
Piéton. Die kleine stroom, zijn oorsprong nemende op een klein
Digitized by
Google
02 KRIJGS- EN GKSCHIKDKUNOIGE BESCHOUWINGEN.
kwartieruurs westelijk van Fontaine-l'Evêque, stroomt over eene
lengte van omstreeks anderhalf uur gaans in de richting van het
zuiden naar het noorden, wendt zich dan naar het oosten, en,
na een klein uur in die richting te hebben geloopen, buigt hij
zich weer om naar het zuiden, in eene richting nagenoeg even-
wijdig aan de in den beginne gevolgde; alleen in het laatste ge-
deelte van haren loop wendt de beek zich meer naar de zijde
van Charleroi, en stort zich in de nabijheid van die stad in
de Sambre. Tusschen die beide evenwijdige gedeelten van den
Piéton bevond zich het legerkamp van Condé, met de rugzijde
onmiddellijk geleund aan het meest westelijke gedeelte der
beek, en front makende naar het oostelijk gedeelte waarvan
het kamp een drie kwartier gaans verwijderd was. Drie kwartier
gaans was ook nagenoeg de frontlengte van het kamp, dat links
leunde aan het gehucht Chaufour, rechts aan het bosch van
La Marche.
Van de zijde van de Méhaigne komende, was dit kamp moeielijk
aan te vallen; want het leger der bondgenooten moest dan den
Piéton overtrekken, op geen uur afstands van den vijand, en die
overtocht zou bezwaarlijk zijn, omdat de beek daar zeer moe-
rassig was; bovendien, was men de beek over, dan had men bij
een veldslag altijd het nadeel van eene moeielijke terreinhindernis
in den rug des legers te hebben. Het terrein tusschen het ooste-
lijke gedeelte van den Piéton en het Fransche legerkamp was
ook alles behalve gunstig voor den aanvaller: het was bedekt
en doorsneden, men had daar bosschen en kleine beken, het
dorp Trasignies met het kasteel van dien naam, het dorp Forsies,
en het kasteel La Marche ; zulk een slagveld was dus zeer voor-
deelig voor de verdediging, en maakte vooral de sterke en over-
machtige ruiterij der bondgenooten schier onnut. De linkervleugel
van de Fransche stelling werd goed beschermd door de kleine
beek van Trasignies, die zich nabij Chaufour in den Piéton
werpt; de rechtervleugel was sterk door het bosch en kasteel
van La Marche, en door verschansingen die Condé had laten
opwerpen, van het bosch tot waar de beek van Trasignies be-
gint. Eene omtrekking van den rechtervleugel werd bovendien
verhinderd door de legerafdeeling van Luxembourg, die de
ruimte afsloot tusschen het rechteruiteinde van het kamp van
Condé en de Sambre. Eindelijk, wanneer men de stelling der
Franschen wilde naderen van den kant van Séneffe, aan de
achterzijde, dan ontmoette men hier het westelijk gedeelte van
den Piéton, dat de rugzijde van het kamp beschermde, en in welks
onmiddellijke nabijheid Condé eene verschanste linie had doen
opwerpen ; aan die zijde kon men ook van de dorpen en kasteelen
van Piéton en Arloimont en van het dorp Gouy gebruik maken
om den aan vallenden vijand te weerstaan. — De nabijheid van
Digitizecf by
Google
SLAG VAN SÉNEFFE (l I AUGUSTUS 1674). 63
Charleroi verzekerde altijd den aanvoer van levensmiddelen naar
het Fransche legerkamp.
Zulk eene stelling zou zelfs bij de nieuwere oorlogen als sterk
worden beschouwd; in een tijd toen de legers zooveel minder
beweegbaar waren, zooveel minder artillerie met zich mede-
voerden — en artillerie van zooveel mindere waarde — en daar-
door zooveel minder geschikt waren voor den aanval, — in zulk
een tijd moest eene stelling als de hier beschrevene worden ge-
rekend als buitengewoon sterk, als bijna onaanvalbaar ; en het is
derhalve in De Souches niet af te keuren, dat hij niet wilde
overgaan tot den aanval.
Het voorstel tot dien aanval, door Willem III gedaan, werd
in een krijgsraad van de legerhoofden der bondgenooten ver-
worpen, en daarentegen het vrij onbepaalde besluit genomen om
»tusschen het Fransche leger en de vestingen van Vlaanderen
voort te rukken." Daardoor zou men Condé's gemeenschap met
Frankrijk bedreigen en hem op die wijze dwingen om zonder
slag of stoot zijne stelling te verlaten; dan warefi de Fransche
grensgewesten blootgesteld aan een inval, en van de achterlig-
gende Vlaamsche vestingen kon men dan uitkiezen welke men
wilde belegeren. Het voorstel vond zooveel bijval, juist omdat
het zoo onbepaald was, zoo weinig beslissend, omdat men zich
daarbij zoo weinig verbond, zich zoo weinig aan gevaar bloot-
stelde; want het is geen nieuwe, maar toch eene ware aanmer-
king die Beaurain hier maakt: dat men, bij de krijgsraden tus-
schen bondgenooten meest altijd de voorkeur geeft aan die
handeling, die men de voorzichtigste noemt, maar die stel-
lig de langzaamste en minst beslissende is.
Toch, hoezeer dat besluit genomen was om Condé niet aan
te vallen, besloot men dien veldheer te gemoet te rukken en
zijne stelling te naderen om zich meer te overtuigen van de
groote sterkte dier stelling. Men moet dat besluit eenigszins
aanmerken als eene soort van inschikkelijkheid van de andere
legerhoofden der bondgenooten ten opzichte van Willem III:
vastelijk voornemens om niet te voldoen aan den wensch van
dien vorst om Condé aan te vallen, wilden zij evenwel, door
de Fransche stelling te naderen, den schijn aannemen alsof zij
niet ongezind waren tot dien aanval, maar daarvan alleen afjagen
om de groote sterkte van 's vijands stelling.
Den 9eD Augustus breekt het leger der bondgenooten zijn
kamp bij Nivelles op, en stelt het zich in beweging; het mar-
cheert uit de rechterflank, gaat de kleine rivier de Senne over,
en plaatst zich in een kamp aan de overzijde, de rechtervleugel
nabij het dorp Famille-^-Roeulx, de linkervleugel bij Arquennes;
Digitized by
Google
04 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
voorwaarts van den rechtervleugel had men het dorp Séneife,
met de daar aanwezige bosschen en beken. Dddr was men slechts
op een uur afstands van het Fransche kamp.
Den loen Augustus bleef men in die stelling. De verkenningen
die men van de vijandelijke stelling deed, gaven de overtuiging
dat die stelling te sterk was, en deden afzien van eiken aanval.
Maar nu deed zich de vraag voor : wat men ddn wilde doen ? —
De voorzichtigsten stelden de belegering van Ath voor; de
stoutsten merkten daartegen aan, dat de belegering van die ves-
ting tijd zou doen verliezen, omdat Ath goed bezet en goed
voorzien was; en dat, wanneer men die vesting had ingenomen,
men nog maar een onbeduidend voordeel had behaald, dat
Frankrijk niet in het minst in gevaar bracht; zij sloegen daarom
voor, den marsch naar de Fransche grenzen voort te zetten, den
oorlog over te brengen in Frankrijk zelf, dddr de eene of andere
groote vesting te belegeren, of door te dringen tot de Somme
of tot de Oise: zulk eene handeling was veel meer beslissend,
en niet gevaarlijk, omdat men in de Spaansche vesting Kamerijk
een steunpunt had, waaruit men toevoer kon trekken. — Het
stoutste gevoelen behield ditmaal de overhand; en er werd be-
sloten, den II en op marsch te gaan naar Binche, en van daar
Frankrijk binnen te rukken.
Bij dien marsch zou men zich geruimen tijd bewegen op kor-
ten afstand van het vijandelijke leger, dat men daarbij op de
linkerflank had; sommige aanvoerders der bondgenooten, onder
anderen de Spaansche generaal d'Assentar, oordeelden die be-
weging te gevaarlijk; maar de meerderheid, — vooral De Souches —
ontkende dat gevaar, wees de weinige waarschijnlijkheid aan dat
Condé zou aanvallen, en toonde aan, dat, wanneer men al een
flankmarsch op korten afstand van den vijand ging verrichten,
men toch tusschen het marcheerende leger en den vijand een
moeilijk terrein had, met beken en bosschen, door middel waar-
van men een vijandelijken aanval genoegzaam kon afweren.
Dit gevoelen behield de overhand, en in den vroegen ochtend
van den iien Augustus ving de marsch aan. Men volgde daarbij
drie verschillende wegen : de meest linksche, die het meest nabij
den vijand was, diende voor de ruiterij; de middelste voor het
voetvolk; de meest rechtsche voor geschut en bagage. De drie
verschillende legermachten der bondgenooten marcheerden ieder
op zichzelve: vooraan De Souches met de Keizerlijken, in het
midden de Hollandsche krijgsmacht, achteraan de Spanjaarden.
Om den marsch te dekken werd bij Séneffe eene achterhoede
geplaatst, bestaande uit 4000 ruiters en 7 ^ 800 dragonders, ge-
trokken uit de drie verschillende legermachten, en vereenigd
onder het bevel van den Prins De Vaudemont.
Digitized by
Google
SLAG VAN SÉNEFFE (ll AUGUSTUS 1674). 65
Wanneer men op de kaart dien marsch nagaat, dan ziet men,
dat hoezeer het een üankmarsch was op korten afstand van den
vijand, die marsch evenwel op zichzelf geen gevaar opleverde,
en de daarbij genomen dispositiën zeer goed waren : het moeilijke
terrein, de beek en de bosschen die men gedurende den marsch
op de linkerflank had, maakten een aanval aan die zijde weinig
waarschijnlijk; en de sterke afdeeling ruiterij van De Vaudemont
moest den rug van het leger dekken^ wanneer Condé aan die
zijde wilde aanvallen; die ruiterij zou den vijand lang genoeg
kunnen ophouden om aan het leger den tijd te geven van terug
te keeren en zich tegen den vijand te wenden. — Dat zou ook
waar zijn, werd de marsch goed uitgevoerd; maar de troepen
van dien tijd waren hierin niet zeer geoefend; het bedekte,
moeilijke terrein waardoor men trok, begunstigde bovendien den
marsch niet ; en — wat het voornaamste was — de weinige een-
heid die er bestond tusschen de verschillende deelen van der
bondgenooten legermacht, had moeten doen inzien, dat men
niet te veel moest rekenen op de wederkeerige ondersteuning
van die deelen; en dat, al kon het hoofd des legers tijdig ge-
noeg komen tot ondersteuning der aangevallen achterhoede, dit
daarom nog geen bewijs was, dat het dit zou doen.
Condé, een aanval des vijands verwachtende, nam de grootste
waakzaamheid in acht, en was den iien reeds met het krieken
van den dag te paard om de bewegingen van dien vijand gade
te slaan. Weldra krijgt hij bericht van den marsch der bondge-
nooten en ziet spoedig hunne colonnen voortrukken in de rich-
ting van Famille-êi-Roeulx en Séneffe. Dadelijk besluit de Fransche
veldheer den vijand bij zijn marsch aan te vallen, zich te Séneffe
op de achterhoede te werpen, en deze te verslaan voordat het
marcheerende leger haar kan te hulp komen; de groote uitbrei-
ding die de vijandelijke colonnen hebben, de moeilijkheid der
wegen die zij volgen, en de snelheid en onstuimigheid waarmede
zijn eigen troepen weten te handelen, — dit alles doet Condé
op eene overwinning rekenen.
Besluit, bevel en uitvoering volgden bij dien veldheer elkan-
der op den voet, en oogenblikkelijk zijn de beschikkingen uit-
gevaardigd voor den voorgenomen aanval. Reeds den dag te
voren waren twee regimenten voetvolk en eene brigade ruiterij
te Gouy, bij eene waadbare plaats van den Piéton, gesteld om
de bondgenooten tegen te houden, wanneer dezen daar den over-
tocht van de beek wilden beproeven; die troepen doet Condé
de beek doortrekken, en zich plaatsen tusschen den Piéton en
de beek van Séneffe, bedekt achter eene hoogte waarop de
Franschen een vooruitgeschoven post hebben. Het regiment van
Navarre en andere infanterie volgen die beweging, gaan bij het
WILLEM iiL — II. 5
Digitized by
Google
66 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
dorp Montago — nabij Gouy — den Piéton door, en plaatsen
zich, ook bedekt, achter de hoogte, op den rechtervleugel van
de aldaar reeds staande troepen; de infanterie heeft 6 stukken
geschut bij zich. Het geheele Fransche leger ontvangt bevel om
op te breken en naar Gouy te trekken, ten einde, als het noodig
is, de troepen te ondersteunen die den aanval zullen beginnen;
de afdeeling van Luxerabourg volgt de beweging, en die aan-
voerder voegt zich in persoon bij Condé. Eene afdeeling van
400 ruiters, onder Saint-Clar, is afgezonden om het hoofd van
de colonnen der bondgenooten te verontrusten, dür met een
ernstigen aanval te bedreigen en zoodoende te verhinderen dat
de aangevallene achterhoede te hulp wordt gekomen.
De Vaudemont had zich met zijne ruiterij geplaatst op eene
kleine vlakte, achterwaarts van Séneffe en evenals dat dorp ge-
legen op den linkeroever van de beek die daar in noordelijke
richting stroomt en zich verder in de Senne werpt. Die ruiterij
had haar rechtervleugel geleund aan moerassig terrein, waardoor
een tak van de beek van Séneffe stroomt; de linkervleugel
leunde aan een bosch, westelijk van Séneffe. De beperkte ruimte
had hier genoodzaakt de ruiterij op drie liniën te stellen ; 6 es-
kadrons waren geheel aan het uiteinde van het bosch geplaatst
om den weg te dekken, door het geschut en de bagage gevolgd;
de dragonders hielden Séneffe bezet en hadden posten vooruit-
geschoven op de hoogte op den rechteroever van de beek, waar
ook de voorste Fransche posten stonden. Door die dragonders
onderricht van de dreigende bewegingen der vijandelijke troepen,
zond Vaudemont daarvan bericht aan den Stadhouder, dezen een
paar bataljons voetvolk als versterking vragende. De Stadhouder
gelastte onverwijld aan den jongen graaf Maurits van Nassau om
met zijn regiment en dat zijns vaders, vereenigd drie bataljons
uitmakende, naar Séneffe terug te keeren ; die Hollandsche infan-
terie werd geplaatst in een soort van bosch, voorwaarts van het
dorp, op den rechteroever van de beek. De Stadhouder was in
persoon ijlings naar de achterhoede gesneld, en kwam daar nog
voor de komst der drie bataljons aan.
Het was toen 10 uur 's ochtends geworden; de marsch der
bondgenooten had reeds eenige uren geduurd, en Condé oor-
deelde dat de colonnen van den vijand reeds ver genoeg ver-
wijderd waren om de achterhoede niet spoedig te kunnen onder-
steunen, en dat de opmarsch van het Fransche leger al genoegzaam
gevorderd was om den aanval te kunnen beginnen. Hij gelast
aan De Rannes om met een regiment dragonders, ondersteund
door eene brigade ruiterij, vooruit te gaan, en de vijandelijke
dragonders en infanterie, die nog voorwaarts van Séneffe staan,
te verdrijven. De Rannes wordt op den voet gevolgd door
Digitized by
Google
SLAG VAN SÉNEFFE (ll AUGUSTUS 1674). 67
MoDtal en Moussy, aan het hoofd van 3 regimenten voetvolk
en 6 stukken geschut.
De hoofden der bondgenooten, den marsch van hun leger
reeds ver genoeg gevorderd ziende, besloten de achterhoede die
beweging te laten volgen, en hadden daarom het voetvolk en
de dragonders, die nog voorwaarts van Séneffe op den rechter-
oever der beek stonden, bevel gezonden om terug te gaan op
den linkeroever. Die troepen voegden zich toen bij de dragon-
ders die reeds te Séneffe waren, ten einde, mét deze, het dorp
en de brug die dür over de beek is, te verdedigen. Volgens de
Fransche opgaven werden de huizen, de kerk en het kasteel van
Séneffe door de Hollandsche infanterie bezet; — dit moet dan
echter zeer inderhaast zijn geschied, en veel verdedigingsmaat-
regelen zijn er zeker niet genomen, daar de aanval oogenblik-
kelijk volgde.
De ruiterij van Condé ondervond dus bij den opmarsch naar
Séneffe weinig of geen tegenstand; en indien daarbij nog een
gevecht heeft plaats gehad met eenige van de dragonders der
bondgenooten, dan moet dat gevecht toch geheel onbeduidend
zijn geweest. Maar nu gold het Séneffe; en de strijd om dat
dorp was van ernstiger aard. Condé bestemde de dragonders
en de infanterie van Montal om Séneffe te bestormen; de zes
stukken geschut zouden door hun vuur dien storm voorbereiden ;
die Fransche artillerie werd zoodanig geplaatst bij de beek, be-
neden het dorp, dat zij de ruiterij der bondgenooten, achter
Séneffe staande, tevens in de flank beschoot. De Fransciie ruiterij
werd verdeeld: een gedeelte, onder Fourilles, moest eene om-
trekkende beweging in vrij grooten kring verrichten in de rich-
ting van het dorp Renisart; ter hoogte van dat dorp, op een
klein half uur beneden Séneffe, de beek overtrekken, en zich
daarna wenden tegen den linkervleugel der bondgenooten; het
andere gedeelte van de Fransche ruiterij zou ook beneden Séneffe
den overtocht van de beek verrichten, maar op zeer korten af-
stand van het dorp; Condé voerde in persoon die ruiterafdeeling
aan, en zijn zoon Enghien, met Luxembourg en Navailles, waren
bij hem.
Séneffe, met groote onstuimigheid door Montal aangevallen,
wordt vermeesterd; met weinig verlies voor de aanvallers, —
zegt Beaurain; na een > goede resistentie", — zegt Willem III in
zijn verslag aan de Staten; — en men kan den Stadhouder ge-
looven daar waar hij zijne soldaten prijst; want hij is ook onpar-
tijdig genoeg om hen te laken, daar waar zij zich slecht gedragen.
Het oude Fransche voetvolk moet hier met groote dapperheid
gestreden hebben, aangevuurd als het was door het voorbeeld
van den koenen Montal, die bij dezen strijd zwaar gewond werd.
Digitized by
Google
68 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Het HoUandsche voetvolk, uit het dorp verdreven, herzamelde
zich onder de bescherming van de ruiterij; maar toen deze kort
daarop geslagen werd, schijnt ook het voetvolk nog groote ver-
liezen te hebben ondervonden, en de drie bataljons, die daar
gestreden hadden, zoo goed als uiteen te zijn geslagen. De aan-
voerder, de jonge graaf Mauriis, vie\ in 's vijands handen.
Gelijktijdig met dien aanval was Condé begonnen, met zijn
ruiterij de beek over te trekken; hoe die overtocht plaats had,
over bruggen of waadbare gedeelten, worde niet gezegd; het
laatste is het waarschijnlijkste, omdat het een geheel onbedui-
dende beek was. Om den overtocht van de beek te verhinderen,
gingen enkele eskadrons der bondgenooten vooruit, maar werden
teruggeslagen door de Fransche eskadrons. Willem III zegt in
zijn verslag, dat de ruiterij der bondgenooten op de vijandelijke
wilde chargeeren, maar daarin verhinderd werd door de moei-
lijkheid van het terrein; — men zou er uit kunnen besluiten,
dat die ruiterij slecht geplaatst was. De Fransche ruiterij, de
beek overgetrokken zijnde, schaarde zich in slagorde, de rech-
tervleugel geleund aan het bosch, waarbij de linkervleugel van
de bondgenooten stond, en de linkervleugel geleund aan Séneffe,
dat toen reeds was vermeesterd. Terwijl nu het Fransche voet-
volk uit het dorp deboucheert, en van achter de heggen het
vuur opent op de ruiterij der bondgenooten, gaat Condé tot den
aanval over, en, zich aan het hoofd stellende van de Maison du
Rot\ houdt hij daarmede links aan, en valt op den rechtervleugel
van de ruiterij der bondgenooten aan. Twee HoUandsche eska-
drons en één Spaansch gaan den Franschen veldheer te gemoet,
maar worden geslagen en overhoop geworpen; verschillende bevel-
hebbers. Van Kaam, Holstein, Langerak, Ginkel en Solms, worden
daarbij gekwetst en gevangengenomen. De nederlaag van die eerste
eskadrons maakt den meest ontmoedigenden indruk op de overige;
vier andere eskadrons, die men tegen den vijand wil aanvoeren,
maken rechtsomkeert; de geheele voorste linie vlucht, de beide
andere linien met zich medesleepende. Vergeefs is het, dat Wil-
lem III en Vaudemont zich, lyet den degen in de vuist, te mid-
den der vluchtelingen werpen, en door woorden en bedreigingen
hen willen tegenhouden; de blinde vrees heeft alle plichtbesef
verbannen, en in overijling en verwarring verlaat de ruiterij der
bondgenooten het slagveld.
Zulk eene gebeurtenis is niet zeldzaam in de krijgsgeschiedenis;
en men weet dat zelfs de beste ruiterij hare oogenblikken van
zwakheid kan hebben. Van Frederik's ruiters, die bij Molwitz
hun Koning rnedesleepten in hun wilde vlucht, tot aan Napoleon*s
ruiterij die bij Arcis onder, het oog des Keizers het slagveld
zonder strijd verliet, zijn de voorbeelden menigvuldig die be-
wijzen, hoe gemakkelijk de eene of andere omstandigheid plotse-
Digitized by
Google
SLAG VAN SÉNEFFE (ll AUGUSTUS 1674). 69
]ing zulk een diepen indruk op dit wapen kan maken, dat het
daardoor allen moed verliest en zonder gevecht teruggaat; bij
de ruiteiij is alles op grootere schaal, zoowel haar vooruit-
rukken ais haar wijken. De overijlde vlucht van de ruiterij der
bondgenooten bij Séneffe is bovendien door verschillende om-
standigheden te verklaren : het onverwachte van 's vijands aanval,
de uitstekende dapperheid der Fransche ruiterij, de indruk door
Condé*s heldennaam gemaakt, de verliezen, door 's vijands ge-
schutvuur geleden, — dit alles had ontmoediging veroorzaakt;
en die ontmoediging werd algemeen, toen de eerste eskadrons
werden geslagen; de voorste linie ging geheel terug; en de ge-
brekkige wijze waarop Vaudemont die ruiterij op kleine ruimte
had opeengehoopt, maakte het bijna onvermijdelijk dat de beide
achterste liniën moesten deelen in de nederlaag der voorste. De
vlucht dier ruiterij is dus zoo vreemd niet, — hoezeer men haar
altijd moet veroordeelen ; wel zeggen ónze schrijvers, dat de
Spaansche en Keizerlijke ruiterij het eerst het slagveld verlieten,
en de Hollandsche eerst later; maar dit is mogelijk niets andeis
dan eene poging om den volkstrots te vleien; en al was dit waar,
dan zou dit nog maar bewijzen dat de Hollandsche ruiterij eerst
later was gevlucht; het zou nog volstrekt niet bewijzen, dat zij
haar plicht had gedaan.
Fourilles, de beek overgegaan zijnde op de hoogte van Reni-
sart, viel daarna aan op de zes eskadrons, geheel op den lin-
kervleugel der bondgenooten aan het uiteinde van het bosch
geplaatst, den weg dekkende door de bagage gevolgd. Die eska-
drons, geheel afgescheiden van de hoofdmacht der ruiterij, waren
ontmoedigd door de nederlaag dier hoofdmacht, en vreesden bij
langer standhouden te worden afgesneden door den uit Séneffe
deboucheerenden vijand. Toen Fourilles zich dus vertoonde,
gingen die eskadrons der bondgenooten in allerijl terug, den weg
inslaande door de bagage gevolgd. De Fransche bevelhebber
bield zich niet op met het nazetten van den vijand, maar sloot
zich weer bi| Condé aan.
. Die veldheer had nu reeds een schitterend voordeel behaald,
en de achterhoede der bondgenooten grootendeels vernield. Maar
dit voordeel was voor Condé niet genoeg; integendeel, het
spoorde hem slechts aan tot nieuwe ondernemingen. Terwijl hij
aanvankelijk misschien geen ander voornemen had, dan om, door
een aanval in den rug, den marsch der bondgenooten te ver-
ontrusten en de achterste troepen van den vijand verliezen toe
te brengen, zoo vatte hij nu het besluit op, zijn voordeel te ver-
volgen en 's vijands leger eene geheele nederlaag te doen onder-
gaan. Zóó was Condé, dat, wanneer hij eenmaal in een strijd
was gewikkeld, bedaardheid en overleg hem verlieten, en hij
alleen luisterde naar de ingevingen eener onstuimige dapperheid,
Digitized by
Google
70 KRIJGS- EN GESCHIBDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
die soms groote overwinningen doet behalen, maar ook meer-
malen nederlagen teweegbrengt; de jaren hadden hem niet kalm
gemaakt, en zelfs op het einde van zijn veldheersloopbaan had
hij nog al het vuur en al de onberadenheid eens jongelings. —
Hij doet de ten zuiden van Séneflfe reeds aanwezige troepen
voortrukken; en het overige van het Fransche leger krijgt bevel-
om bij Gouy den Piéton over te gaan en met spoed naar het
slagveld te trekken.
Oranje van zijn zijde, niet ontmoedigd door een eersten tegen-
spoed, heeft zijne vluchtende troepen herzameld, en dadelijk met
het meeste beleid maatregelen genomen om in eene sterke stel-
ling 's vijands latere aanvallen af te wachten. Die stelling neemt
hij te Saint-Nicolas-aux-bois, een half uur gaans ten zuiden van
Séneffe. Saint-Nicolas-aux-bois was een klein gehucht, alleen be-
staande uit eene priorij en eenige huizen daartoe behoorende;
maar, omringd met boomgaarden en heggen, was het zeer gun-
stig voor de verdediging. Voorwaarts, ten noorden van het ge-
hucht, naar de zijde van SénefFe, bevond zich eene kleine vlakte,
geschikt ter plaatsing van eene ruiterafdeeling ; de toegang tot
die vlakte van den kant van Séneffe werd moeielijk gemaakt
door de aanwezigheid van heggen en boomgaarden, die men
links, of westelijk daarvan had; bijgevolg kon men, die terrein-
voorwerpen met infanterie bezettende, hier reeds, voorwaarts van
Saint-Nicolas, den vijand afwachten in eene stelling die gunstig
was, en moeielijk te omtrekken, omdat zij rechts leunde aan de
beek van Séneffe en links aan het doorsneden terrein.
Met veel beleid had Willem III dadelijk partij getrokken van
de voordeelen welke die stelling opleverde. De eerste IJoUandsche
macht die hij tot zijne beschikking vond, was de infanterie-brigade
van Wee, waarvan evenwel een paar bataljons afwezig waren tot
dekking van de bagage. Die Hollandsche infanterie werd dadelijk
in en nabij het gehucht Saint-Nicolas geplaatst; en de regimenten
van Aylva en Schwartsenburg, benevens een bataljon van dat van
Thouars, kregen bevel om de heggen en booingaarden voorwaarts
van Saint-Nicolas, naar de zijde van Séneffe, te bezetten. Op de
vlakte ten noorden van Saint-Nicolas stond Spaansche ruiterij,
onder Villa Hermosa en d*Assentar; de van Séneffe gevluchte
ruiters verzamelden zich daarbij; terwijl wat er van de infanterie
was overgebleven, zich bij de brigade Wee aansloot. De Hol-
landsche brigaden Heeswijk, Erpach en Solms, benevens de
ruiterij, hadden reeds bevel ontvangen om terug te keeren, en
naderden toen het dorp Fay, een klein kwartieruurs ten zuiden
van Saint-Nicolas; als bevelhebber der brigade Solms, waarvan
eenige bataljons reeds bij Séneffe hadden gestreden, wordt, na
het gevangennemen van Solms, Vilaumaire genoemd. De Souches
Digitized by
Google
SLAG VAN SÉNEFFE (il AUGUSTUS 1674). 71
was met de Keizerlijke krijgsmacht reeds aan de'Haine gekomen,
een paar uur ten zuiden van Séneffe, toen hij het eerste bericht
kreeg van den bij dat dorp gevoerden strijd; het duurde echter
geruimen tijd, voordat de Keizerlijke bevelhebber voldeed aan
de uitnoodiging van den Stadhouder om terug te keeren, tot
ondersteuning van het aangevallen gedeelte des legers. Van de
Spaansche infanterie wordt nergens bijzonder gewag gemaakt:
wanneer men opmerkt, dat de geheele Spaansche krijgsmacht
maar een 1 2 000 man telde, dat mogelijk de helft daarvan heeft
bestaan uit ruiters en dragonders, dat er ook infanterie aanwezig
zal geweest zijn bij de bagage, dan is het duidelijk dat, op de
plaats van het gevecht, het Spaansche voetvolk maar eene onbe-
duidende sterkte zal hebben gehad.
De ruiterij van Condé had die der bondgenooten vervolgd
tot aan de heggen en boomgaarden ten noorden van Saint-
Nicolas, had toen halt gehouden en zich in slagorde geschaard
op een musketschot afstands van die heggen; hier bleef zij de
van Séneffe komende infanterie en dragonders afwachten. Toen
deze waren aangekomen, verdeelde zich de ruiterij op de beide
vleugels; de infanterie plaatste zich in het midden; de zes stuk-
ken geschut, op den rechtervleugel opgesteld, begonnen dadelijk
hun vuur te openen op 's vijands stelling. Toen dit vuur een
korten tijd had aangehouden, deed Condé het voetvolk en de
dragonders vooruitrukken tot den aanval op de heggen ; door de
aanvallers werd hier dezelfde dapperheid als bij Séneffe betoond,
maar zij ondervonden krachtiger wederstand, daar Willem III in
persoon zijne soldaten aanspoorde tot plichtsbetrachting. Het
gevecht om de heggen bleef aanvankelijk onbeslist; maar Condé,
ongeduldig over dit oponthoud, gelast nu aan de ruiterij, door
te dringen over de wegen te midden dier heggen, en zóó het
Hollanc&che voetvolk in den rug aan te vallen. De Maisondu Rot
is weer daar, om die gevaarlijke taak op zich te nemen; Fou-
rilles stelt zich aan het hoofd van twee eskadrons dier uitste-
kende ruiterschaar; Condé en d'Enghien volgen met een derde
eskadron; en, in weerwil van de moeielijke wegen en van het
geweervuur der Hollanders, dringt de Fransche ruiterij door,
werpt eenige vijandelijke eskadrons terug, waarmede de vijand
het deboucheeren wil beletten, en stort zich nu op de Hollandsche
infanterie, die in verwarring wordt gebracht. Het Fransche voet-
volk en de dragonders, nu minder tegenstand ondervindende,
bemachtigen de boomgaarden en heggen, en maken daardoor
op hunne beurt het vooruitrukken gemakkelijk voor de overige
Fransche ruiterij; die ruiterij deboucheert op de vlakte tus-
schen de heggen en Saint-Nicolas, en schaart zich daar in slag-
orde tegenover de ruiterij der bondgenooten ; er heeft ten tweeden
Digitized by
Google
72 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
male een cavaleriegevecht plaats^ ten tweeden male ten nadeele
van de bondgenooten, die reeds eenigszins in verwarring zijn
gebracht door de nederlaag van de regimenten van Aylva,
Schwartsenburg en Thouars, en van de eerste eskadrons die de
Maison du Roi wilden tegenhouden. De HoUandsche en Spaansche
ruiterij wordt overhoop geworpen, en neemt de wijk achter Saint-
Nicolas; dit gehucht, sterk bezet met infanterie, houdt de zege-
vierende Fransche ruiterij tegen; en achter dit steunpunt her-
zamelt zich weer eene sterke linie van de ruiterij der bondgenooten.
Nu beveelt Condé, ook het gehucht Saint-Nicolas aan te val-
len ; maar een zijner onderbevelhebbers, Fourilles, waagt het om
hem onder het oog te brengen, dat de vijand daar eene sterke
stelling heeft, die mogelijk niet kan worden bemachtigd, of niet
dan ten koste van groote verliezen, vooral daar die vijand zoo
krachtigen wederstand biedt. Driftig antwoordt hem de veldheer,
» dat hij geen raad vraagt, maar gehoorzaamheid ; en dat hij hem
reeds sinds lang kent als iemand die sterker is in het redeneercn
dan in het vechten." — Het krenkende van die taal wordt alge-
meen, en met reden, in Condé veroordeeld; — evenwel is het
aan den anderen kant moeilijk te begrijpen, hoe, op een slag-
veld, een onderbevelhebber tegenwerpingen maakt, als hem het
bevel tot aanvallen wordt gegeven; als hij het bevel ontving,
niet aan te vallen, dan zouden mogelijk die tegenwerpingen
van pas kunnen zijn, bij het bevel om aan te vallen nooit.
Fourilles stelt zich aan het hoofd van een gedeelte der infan-
terie, en doet daarmede een krachtigen aanval op 's vijands stel-
ling; maar de wederstand dien hij daar ontmoet, is te groot;
zijn aanval wordt afgeslagen; en hij zelf, met groote dapperheid
zijne soldaten aanvoerende, wordt getroffen door een musket-
kogel die een einde maakt aan zijn leven. Condé verneemt den
dood van den dappere, en wil dien wreken door eene overwin-
ning : hij moet hier den vijand verdrijven, doen wat hij Fourilles
beval, of, door een roemrijk sneuvelen, zijne onrechtvaardigheid
ten aanzien van dien aanvoerder uitwisschen. Hij stelt zich aan
het hoofd van voetvolk en dragonders, en stormt daarmede op
de abdij van Saint-Nicolas: dapperen wederstand ontmoet hij
daar; maar wat is in staat den geduchten Franschen veldheer
tegen te houden, die doldriftig, als het ware beeld van den oor-
logsgod, zich in de dichte drommen der vijanden stort, en door
zijn voorbeeld de dapperheid der zijnen ten hoogsten top doet
stijgen! De HoUandsche troepen zijn niet lang bestand tegen
dien geduchten schok; zij worden uit de abdij van Saint-Nicolas
geworpen, en wat aan het staal der Fransche keurbenden ont-
komt, teruggedreven op de achter de abdij staande ruiterij.
Condé's voetvolk en dragonders plaatsen zich nu in de huizen,
Digitized by
Google
SLAG VAN SÉNEFFE (ll AUGUSTUS 1674). 73
heggen en boomgaarden ; terwijl, onder bescherming daarvan, de
Fransche ruiterij op verschillende punten voortrukt, en zich in
slagorde schaart aan de zuidzijde van Saint-Nicolas. Hier ont-
moet men de ruiterij der bondgenooten, en er heeft ten derden
male een ruiterij gevecht plaats.
De bijzonderheden van dien strijd, verward zooals meestal een
cavaleriegevecht, kunnen hier niet worden vermeld ; maar zooveel
schijnt daaruit te blijken, dat ook hier de dapperheid van de
Hollandsche en Spaansche eskadrons niet gelijk stond met die
des vijands. Aan uitstekende en moedige bevelhebbers ontbrak
het den bondgenooten echter niet: Willem III en Hendrik Casimir,
de jonge Stadhouder van Friesland, waren overal in het heetste
van den strijd; Waldeck, zijne eskadrons tegen den vijand aan-
voerende, werd gewond, en ontkwam met moeite de krijgsge-
vangenschap; Villa Hermosa ging zijne ruiterij moedig voor; en
vooral onderscheidde zich de Spanjaard d'Assentar, die, dapper
strijdende, zevenmaal werd gewond en, in 's vijands handen ge-
vallen, kort daarop den heldengeest gaf. Maar al die dapperheid
der aanvoerders kon de overwinning niet brepgen aan de zijde
van de ruiterij der bondgenooten; die ruiterij was nog te veel
onder den indruk van de twee vroegere nederlagen; zij werd
eindelijk overhoop geworpen en, vluchtende, teruggedreven op
het dorp Fay.
Na de vermeestering van Saint-Nicolas-auxbois gelukte het
ook aan het Fransche leger om de bagage der bondgenooten te
bereiken; Luxembourg wierp zich daarop, verdreef de bedekking,
nam en plunderde of verbrandde een aantal wagens, terwijl de
overige in alle richtingen werden verspreid. Dit nadeel trof alleen
de Spaansche en Hollandsche troepen, daar De Souches de
bagage van de Keizerlijken tijdig had doen teruggaan.
Het was toen twee uur na den middag geworden. De strijd
had bijna vier uur geduurd en was ontegenzeggelijk in het voor-
deel geweest van het Fransche leger; tot driemaal toe, bij Séneffe,
voorwaarts van Saint-Nicolas, en eindelijk te Saint-Nicolas, had
het de bondgenooten uit hunne stellingen verdreven ; en hoezeer
het ook aanmerkelijke verliezen had geleden door den steeds
krachtiger wordenden tegenstand van den vijand, zoo had die
vijand echter grooter verliezen ondergaan; en een aantal ge-
vangenen, veroverde vaandels en vermeesterde bagage zouden
Condé het volste recht hebben gegeven zich de overwinning toe
te schrijven, wanneer hij toen den strijd had geëindigd.
Maar zulk een voorzichtige handeling streed geheel met het
karakter van den Franschen veldheer, voor wien de behaalde
voordeelen slechts ten spoorslag diendqn tot nieuwe onder-
nemingen; hij wilde alles doen wat mogelijk was, de nederlaag
van den vijand voltooien, en door één slag de uitkomst van den
Digitized by
Google
74 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
veldtocht, mogelijk van den geheelen oorlog beslissen. Zijne nog
achter zijnde troepen met spoed doende oprukken, maakte hi)
zich gereed om den vijand nogmaals aan te vallen en hem geeiv
tijd te laten tot het bezetten van eene nieuwe verdedigende stel-
ling. Dit vermetel voortrukken van den Franschen veldheer —
dat, wanneer hij een minder fjoed leger tegenover zich had ge-
vonden, lichtelijk eene luisterrijke overwinning had kunnen teweeg-
brengen — had hier een nadeeligen strijd ten gevolge, bijna ge-
lijkstaande met eene nederlaag; omdat men te doen had met
dappere troepen, en met een legerhoofd dat met uitstekend be-
leid van die dapperheid wist gebruik te maken.
Oranje — niet in het minst terneergeslagen door de onder-
vonden nadeelen, en integendeel in stoute geestkracht toenemende
naarmate zijn vijand zich geduchter betoonde — had, dadelijk
na het verlies van Saint-Nicolasaux-bois, bij Fay eene nieuwe
stelling ingenomen, die zeer sterk was. Fay was een groot dorp ;
de huizen waren nog[al uiteenliggende, maar werden verbonden
door hopvelden (houblonnièrei)^ met stevige heggen omgeven, zoo-
dat ieder van die velden afzonderlijk kon verdedigd worden; in
den omtrek van het dorp had men soortgelijke met heggen om-
geven velden. Eene kerk en een kasteel te Fay waren als zeer
gunstig voor de verdediging te beschouwen. Het dorp zelf was
ten opzichte van het overige der stelling een vooruitspringend
punt, als een bastion ten opzichte der courtines, om die dikwijls
gebezigde vergelijking hier eens te gebruiken. De rechterzijde
van de stelling breidde zich uit tot ten noorden van Le Hestre^
een gehucht, een klein kwartieruurs ten zuidoosten van Fay. Die
rechterzijde werd uitgemaakt door boomgaarden, met heggen
omgeven; voorwaarts en naar de rechterzijde had men een moe-
ras;— die hindernissen sloten den toegang niet geheel af, en er
waren enkele opene gedeelten waar de ruiterij door kon drin-
gen; maar dit moest dan toch altijd geschieden onder het vuur
van de bij de heggen en boomgaarden geplaatste infanterie. Ge-
heel op het uiteinde van den rechtervleugel had men houtgewas
en moeras, waaruit een der zijtakken der beek van SénefFe voort-
komt. De linkerzijde der stelling werd uitgemaakt door een ravijn,
achter het dorp Fay beginnende, en waardoor eene kleine, geheel
onbeduidende beek stroomde ; dit ravijn strekte zich uit tot nabij
het groote bosch van Roeulx, dat een kwartieruurs ten western
van Fay begon. Achter Fay, of ten zuiden, had men eene uit-
gestrekte opene vlakte, zeer geschikt voor de ruiterij, en lang-
zaam rijzende, zoodat zij het voorliggende terrein beheerschte.
Hier nu nam Willem III stelling, met de infanterie- brigaden
Heeswijk, Erpach en Solms, van welke laatste echter reeds
eenige bataljons bij Séneffe in gevecht waren geweest; met de
Digitized by
Google
SLAG VAN SÉNEFFE (ll AUGUSTUS 1674). 75
ruiterij, en met de Keizerlijke krijgsmacht, die, van de Haine
terugkeerende, omstreeks i uur 's middags Fay bereikte. Van de
Spaansche troepen wordt geen andere melding gemaakt, dan dat
eenige Spaansche infanterie, onder De Grana, deelnam aan de
verdediging van Fay; — denkelijk had het grootste gedeelte der
Spaansche krijgsmacht door de voorafgegane gevechten reeds alle
strijdvaardigheid verloren. De artillerie schijnt toen ook, voor een
gedeelte, te zijn aangekomen, en werd dadelijk geplaatst bij de
wegen en toegangen naar Fay, en verder aangewend tot ver-
dediging van het ravijn. De infanterie .werd in grooten getale
geplaatst in Fay, achter de heggen en in de boomgaarden, en
bij het ravijn voor den linkervleugel; zelfs werd de oostelijke
rand van het bosch van Roeulx bezet met infanterie. Op de
vlakte achter Fay werden sterke reserven geplaatst, voornamelijk
bestaande uit de ruiterij, waarbij zich ook de reeds geslagene
had aangesloten. Alle opgaven stemmen daarin overeen, dat die
stelling bij Fay met veel beleid was gekozen, en eene zeer groote
sterkte moet hebben gehad. De Keizerlijke troepen maakten
hoofdzakelijk den linkervleugel uit, hoezeer enkele Keizerlijke
bataljons ook in ï'ay moeten zijn geweest; de Hollanders be-
zetten dit dorp en het rechtergedeelte van die stelling.
Condé deed zooveel mogelijk den marsch zijner regimenten
verhaasten, die, over Gouy en Séneffe, achtereenvolgens op het
slagveld kwamen. Met de reeds aanwezige korpsen wilde de
Fransche veldheer, in persoon, het dorp Fay aanvallen ; Luxem-
bourg moest den linkervleugel der bondgenooten, het ravijn,
aantasten, en daartoe gedeeltelijk de troepen aanwenden, die de
bagage van de bondgenooten hadden genomen; Navailles zou
den aanval doen op 's vijands rechtervleugel. De aard van het
terrein bracht mede, dat die aanvallen hoofdzakelijk alleen door
infanterie konden geschieden, en dat de ruiterij, achterwaarts ge-
plaatst, moest wachten totdat sommige heggen en boomgaarden
vermeesterd waren, om, daartusschendoor, te deboucheeren op
de vlakte achter Fay. Eene omtrekking van de vijandelijke stel-
ling was niet uitvoerbaar; en de frontaan vallen konden ook
weinig worden voorbereid door geschutvuur, omdat een goed
gedeelte der Fransche artillerie nog achter was, en de bondge-
nooten, wat dit wapen betreft, de overmacht hadden. Maar Condé
rekende op de dapperheid zijner soldaten, en op de ontmoediging
die drie achtereenvolgende rampspoedige gevechten bij den vijand
moesten hebben doen ontstaan.
Nu vangt hier een strijd aan, die den geheelen dag voortduurt,
en zelfs, bij het schijnsel der maan, tot ver in den avond wordt
voortgezet; een strijd, waarbij de beide partijen eene dapperheid
Digitized by
Google
76 KRIJGS- E>f GFSCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
betoonen, aan verbittering grenzende, en waarbij de roem even-
zeer het deel moet zijn van hem die aanviel als van hem die
verdedigde, van hem die verwonnen werd als van hem die zege-
vierend bleef standhouden. Fay wordt op drie verschillende
punten aangevallen: links door de regimenten van d'Enghien,
Condé, Conti en Auvergne, in front door het regiment des
Konings, dat van Royal des Vaisseaux, van Navarre, en dat van
de Koningin, rechts door de Fransche en de Zwitsersche garde,
en door de Zwitsersche regimenten van Stoupa, Erlach, Pfeiffer
en Salis. Natuurlijk viejen die regimenten niet gelijktijdig maar
achtereenvolgens aan, en losten zij elkander af bij dien hevigen
en bloedigen strijd; sommige dier korpsen waren bij het begin
van dien strijd zelfs nog niet op het slagveld, enkele werden
later ook tegen de overige deelen van de stelling der bondge-
nooten aangewend.
Condé en zijn zoon d'Enghien voerden die troepen in persoon
tegen den vijand aan, en wierpen die regimenten met onstui-
migheid den Hollanders te gemoet, die hen met geschut- en ge-
weervuur ontvingen en eindelijk met de blanke wapens bevoch-
ten. Oranje, overal tegenvvoordig waar gestreden werd, was overal
de ziel der verdediging, en zijne soldaten, met geestdrift vervuld
door het voorbeeld van hun veldheer, streden met evenveel
koenheid als die oude beproefde Fransche regimenten, die om-
straald waren door den roem van twintig overwinningen. Hoe
hevig de aanval ook werd verricht, telkens werd die afgeslagen;
eenige der buitenste heggen en boomgaarden mogen door Condé*s
troepen zijn bemachtigd, het eigenlijke dorp bleef voortdurend
in het bezit van de Hollandsche en Keizerlijke bataljons; op den
rechtervleugel gelukte het eenmaal aan de Fransche regimenten,
in het dorp door te dringen en drie stukken geschut te veroveren;
maar Willem Hl, dadelijk met eene reserve oprukkende, wierp
den vijand weer terug en hernam de verloren stukken. Toen
's avonds de strijd hier eindigde, waren de Hollanders, onver-
deeld, in het bezit van Fay, en waren Condé's troepen van aan-
vallers verdedigers geworden.
Tegen de linkerzijde van de stelling der bondgenooten was
Luxembourg's aanval met even weinig geluk bekroond geworden.
De troepen van dien bevelhebber waren door de plundering van
de bagage der bondgenooten eenigszins in wanorde geraakt, en
het kostte eenigen tijd alvorens men ze kon verzamelen tot den
aanval; >de krijgstucht der Fransche troepen," zegt Beaurain,
• was toen minder dan hunne dapperheid" {alors la discipline des
troupes frangaises nétait pas egale a leur bravoure). Luxembourg
valt dert oostelijken rand aan van het bosch van Roeulx; maar
de daar geplaatste infanterie der bondgenooten slaat dien aanval
af; — toch schaart de Fransche bevelhebber zich in slagorde
Digitized by
Google
SLAG VAN SÉNÊFFE (ll AUGUSTUS 1674). 77
tusschen Fay en dien boschrand, de verdedigers van het bosch
in bedwang houdende door eenige infanterie en dragonders. Het
overige deed hij voortrukken tot den aanval op het ravijn; en
Condé ondersteunde dien aanval, met een gedeelte der troepen
die tegen Fay waren bestemd.
Het is duidelijk dat de vermeestering van het ravijn voor de
Franschen van het hoogste belang was; want was dit eenmaal
verricht, dan kon hunne ruiterij in werking komen, aan de andere
zijde van het ravijn de ruiterij der bondgenooten aanvallen, Fay
aan de achterzijde aantasten, en op die wijze den tegenstand van
dat dorp doen ophouden en de daar geplaatste troepen verloren
doen gaan. Oranje, het hooge belang van dat ravijn inziende,
had het dan ook sterk bezet met infanterie en geschut; terwijl
Keizerlijke ruiterij, onder Chavagnac, als ondersteuning daarvan
was geplaatst. Het ravijn, over het geheel diep en steil, kon
evenwel op enkele punten door de ruiterij doortrokken worden,
vooral bij het begin, nabij Fay. Bij een der aanvallen, die door
Condé's troepen hier met de gewone dapperheid werden gedaan,
gelukte het hun het ravijn in de nabijheid van Fay door te
trekken, de Keizerlijken terug te werpen, en artillerie te ver-
meesteren ; eenige Ffansche eskadrons deboucheerden toen op de
vlakte aan de zuidzijde van het ravijn; maar Willem III, den
vijand geen tijd gevende om zich uit te breiden, deed die eska-
drons ©ogenblikkelijk chargeeren door de ruiterij van Chavagnac.
De Fransche ruiterij werd overhoop geworpen, en vluchtte achter
het ravijn; de Fransche infanterie, die daar was doorgedrongen,
werd weer teruggedreven, het verlorene geschut hernomen. De
Keizerlijke ruiterij ging nu op hare beurt aanvallend te werk ten
noorden van het ravijn, maar werd teruggeworpen door de ruiterij
van Condé.
Condé wilde toen — omstreeks vijf uur 's namiddags — twee
bataljons van de Gardes Suisses den aanval op het ravijn doen
hervatten; maar die bataljons, die reeds in gevecht waren ge-
weest bij Fay, hadden daar zooveel geleden, dat zij weinig of
geen strijdvaardigheid meer hadden; dit deed den Franschen
veldheer van zijn voornemen afzien, en hij bepaalde er zich toe,
die infanterie in slagorde te laten ten noorden van het ravijn.
Daar was die infanterie, evenals de ruiterij, gedurende eenige
uren tijds blootgesteld aan het geschutvuur dat Chavagnac daarop
richtte uit zes stukken — uit vier, zegt het verslag van Wil-
lem III — , achter het ravijn geplaatst; die stukken moeten op
zeer korten afstand hebben gestaan van de Fransche bataljons,
dewijl, volgens de opgave van Chavagnac, de beide partijen zelfs
in woordenwisseling kwamen. Chavagnac — die vroeger, tijdens
de onlusten der Fronde^ onder de banieren van Condé had ge-
streden, en mogelijk daardoor wel eenigszins ingenomen was met
Digitized by
Google
78 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
de Fransche troepen — , prijst de bewonderenswaardige stand-
vastigheid waarmede die troepen het vuur doorstonden van zijne
artillerie : > bij eiken kogel die de Fransche eskadrons trof, hoorde
ik nooit iets anders," zegt hij, >dan: » het is niets, kinderen, sluit
op;" — en oogenblikkelijk werd het rot weer aangevuld, dat
door den kogel was weggenomen. Ik riep hun toe: »dathetwél
iets was"; men antwoordde mij tdat men 's avonds afrekening
zou houden", en ik antwoordde hun, »dat zij, in afwachting, dit
maar moesten nemen." Men oordeele daaruit, of wij dicht bij
elkander waren."
Dat standhouden van de Fransche ruiterij onder het geschut-
vuur dat van achter het ravijn op haar werd gericht, was noodig
om Condé's rechtervleugel, bij zijne aanvallen op Fay, te dekken
tegen de ondernemingen van de bondgenooten. Willem III deed
hier, naar de zijde van het bosch van Roeulx, eene aanvallende
beweging verrichten. Eene sterke afdeeling ruiterij en voetvolk
trok, van achter den linkervleugel der bondgenooten, door het
bosch van Roeulx heen, om den vijand in de rechterflank te
vallen; de oostelijke rand van het bosch was in het bezit ge-
bleven van de bondgenooten, en dit scheen het deboucheeren
van die omtrekkende afdeeling te zullen begunstigen. Tegenover
dien boschrand had Luxembourg de brigade infanterie van Picardië
met eenige eskadrons dragonders achtergelaten. Toen hij die
omtrekkende beweging van de bondgenooten ontwaarde, begaf
hij zich in persoon, met de brigade Gens (Tarmes^ naar dien
uitersten rechtervleugel. De Fransche bevelhebber, zijne troepen
plaatsende bij den boschrand en bij een open gedeelte van het
bosch, hield daarmede de bondgenooten in bedwang, en belette
hen uit het bosch te deboucheeren. Luxembourg, zich hier sterk
genoeg achtende, zond zelfs een eskadron der Gendarmerie terug
naar de zijde van het ravijn.
Op den linkervleugel der Franschen had Navailles den strijd
met evenveel dapperheid maar met even weinig gevolg gevoerd.
De herhaalde aanvallen van zijne infanterie op de door de Hol-
landers bezette heggen en boomgaarden werden alle afgeslagen;
en de Hollandsche ruiterij, van tijd tot tijd aanvallende bewe-
gingen verrichtende door de opene gedeelten, wikkelde zich met
de ruiterij van Condé in gevechten, die nu eens voor-, dan eens
nadeelig waren, maar voor geen der beide partijen beslissend.
Alleen tegen 7 uur 's avonds scheen de krijgskans eenigszins
over te slaan ten voordeele van Navailles. Twee bataljons van
Willem III waren geplaatst op eene alleen liggende weide, met
eene stevige heg omgeven; achterwaarts werden zij ondersteund
door 12 eskadrons. Navailles rukte tegen dit gedeelte der stelling
vooruit, met voetvolk en ruiterij ; het voetvolk, aangevoerd door
De Moussy, bestond uit het regiment Ro-^al des Vameaux^ en ge-
Digitized by
Google
SLAG VAN SÉNEFFE (ll AUGUSTUS 1674). 79
deeiten van andere regimenten; bij de ruiterij wordt de vermaarde
Mahon du Rot genoemd. Terwijl nu het Fransche voetvolk zich
bedekt opstelt in de nabijheid van de weide, gaat de ruiterij
vooruit om die hegstelling in den rug aan te vallen; vijf Hol-
landsche eskadrons gaan die ruiterij te gemoet, maar worden
geslagen, — voornamelijk door de uitwerking van het vuur der
Fransche infanterie. De zeven andere Hollandsche eskadrons
rukken nu op, en werpen op hunne beurt de ruiterij van Navailles
overhoop; maar deze krijgt versterking, valt opnieuw aan, en,
na een hevig en langdurig gevecht in de onmiddellijke nabijheid
van de door de Hollandsche infanterie bezette heggen, wordt
de ruiterij des Stadhouders geslagen en overhoop geworpen. De
infanterie van De Moussy is de zegevierende ruiterij van nabij
gevolgd; zij stort zich nu dadelijk met onstuimigheid op de
heggen, dringt daarin door, en verslaat de twee Hollandsche
bataljons, waarvan het grootste gedeelte wordt gedood of ge-
vangengenomen.
Dit voordeel had den toestand der bondgenooten bedenkelijk
kunnen maken, wanneer niet dadelijk krachtige maatregelen ge-
nomen waren om 's vijands doordringen tegen te gaan. Willem III
en de grijze graaf Maurits van Nassau snellen oogenblikkelijk
met ruiterij naar den rechtervleugel, her zamelen de geslagene
eskadrons, en vallen aan op Navailles, die intusschen ook versterkt
is door nieuwe troepen. Er heeft een strijd plaats, die lang onbe-
slist blijft, maar waarbij het eindelijk aan de Hollanders gelukt
hunne tegenpartij terug te werpen. De dapperheid van een aantal
bevelhebbers had het grootste aandeel aan die zege; en onder
die aanvoerders deden zich vooral opmerken de jonge Stadhouder
zelf en de zes en zeventigjarige graaf Maurits, die, als een andere
Blücher, niettegenstaande zijn ouderdom en de zware ziekte
waarvan hij nog niet geheel was hersteld, zich hier door helden-
moed onderscheidde, »sonder," — zoo luiden de woorden in
het bericht van Willem III, — »sonder voor de jongste lieden
te wij eken."
De uren waren intusschen voorbijgegaan, de dag liep ten einde.
en naar het scheen zoude de toenemende duisternis den strijd
doen staken. Op eenige regimenten van Luxembourg na, waren
alle korpsen van het Fransche leger op het slagveld aangekomen,
en hadden zij gestreden op het een of ander gedeelte van de
stelling der bondgenooten, en daar hunne rijen zien dunnen door
's vijands staal en vuur. De aanvaller, uitgeput van vermoeienis,
verzwakt door de geduchte verliezen die hij leed, was ten laatste
bijna van alle strijdvaardigheid beroofd; op het einde van den
dag was het schier Condé alleen, die nog den strijd wilde voort-
zetten. Die veldheer zag eindelijk in, dat hij zijne onvermoeide
Digitized by
Google
8o kRUGS- EN GKSCHIEÜKUNDIGE BESCHOIAVINGEN.
drift niet aan allen kon mededeel en ; en dat, hoe dapper en uit-
muntend zijne soldaten ook waren, er toch perken waren voor
hunne inspanningen. Langzamerhand deed hij dan ook den strijd
afbreken; het eerst ging de ruiterij iets achterwaarts, maar het
voetvolk bleef, in het maanlicht, nog tot lo of ii uur het ge-
weervuur voortzetten tegen de bedekt staande infanterie van den
Stadhouder, en nog een aantal Fransche soldaten vonden den
dood in die laatste ©ogenblikken van den slag. Condé, voor-
nemens den volgenden dag den strijd te hervatten, deed zijne
troepen op het slagveld blijven, en met de wapens in de hand
uitrusten te midden der gewonden en stervenden; hijzelf, zich
in een mantel wikkelende, wierp zich achter eene heg neder,
ongeduldig hakende naar het morgenrood, dat voor hem het
teeken moest zijn tot een nieuwen strijd, tot een nieuwe over-
winning.
Ook de bondgenooten waren in hunne stellingen gebleven; en
beide legers rustten daar nu, onbeweeglijk en stil, op korten
afstand van elkander, toen zich eensklaps, tegen middernacht,
een sterk geweervuur deed hooren, denkelijk door het voorbarig
schieten van een schildwacht of door een andere toevallige
omstandigheid veroorzaakt. Een aantal manschappen werd aan
weerszijden daardoor gedood, en bij het Fransche leger ontstond
daardoor een groote verwarring : de ruiterij, die zich wat achter-
waarts had gelegerd, geraakte geheel uiteen, en er verliep eenigen
tijd eer men haar kon herzamelen. Die verwarring, en de be-
richten welke inkwamen aangaande de groote verliezen die het
Fransche leger had geleden, deden Condé eindelijk besluiten
af te zien van zijn eerste voornemen, en geen nieuwen strijd
aan te vangen, die lichtelijk op den geheelen ondergang van het
Fransche leger kon uitloopen en den vijand den weg banen naar
Frankrijk. Hij gaf bevel tot den terugtocht; — en die terugtocht
moet wél eene noodzakelijkheid zijn geweest, dat zulk een
bevel kwam van zulk een veldheer. De ruiterij trekt het eerst
af, het voetvolk volgt haar, bij het einde van den nacht, en de
dag brak reeds aan, toen de laatste troepen van de achterhoede
het slagveld verlieten, 's Ochtends tusschen 8 en 9 uur was het
Fransche leger weer in het kamp bij den Piéton.
Die terugtocht, aanvankelijk niet bemerkt door de bondge-
nooten, werd ook later door hen niet bemoeilijkt; want ook zij
waren aanmerkelijk verzwakt door den bloedigen strijd. Oranje
was gezind tot het voortzetten van den strijd, maar andere be-
velhebbers, vooral De Souches, waren daar sterk tegen, en hun
gevoelen behield de overhand; twee uur nadat het Fransche
leger het slagveld had verlaten, begonnen ook de bondgenooten
Digitized by
Google
SLAG VAN SÉNEFFE (l C AUGUSTUS 1674). 8l
hun terugtocht. Die terugtocht geschiedde eerst op Haine-Saint-
Pierre en Haine-Saint-Paul, waar men halt hield, eenige uren
liet uitrusten, en door een drievoudig salvo de behaalde zege
bij Séneffe vierde. De gewonden en de overblijfselen van de
bagage waren intusschen naar Mons gezonden; het leger trok
toen ook daarheen, en sloeg, op den avond van den i2en Augustus,
een kamp op nabij die vesting.
Evenals bijna bij eiken veldslag zijn de opgaven omtrent de
verliezen van de beide partijen in dien slag van Séneflfe uiteen-
loopend en strijdig. Beaurain beweert dat het Fransche leger ten
minste 7 k 8000 man aan dooden en gewonden verloor, maar
de bondgenooten een 10 ^ 12000 man, daaronder echter ge-
rekend de gewonden, die zich onder de 350© gevangenen be-
vonden, welke Condé meevoerde naar zijn legerkamp; aan de
Fransche zijde moet het aantal gevangenen minder groot zijn
geweest. Natuurlijk, dat volgens onze schrijvers de verliezen
van het Fransche leger grooter, die van de bondgenooten kleiner
zijn geweest. Men kan als het waarschijnlijkste aannemen, dat
elk der beide legers nagenoeg hetzelfde verlies heeft ondergaan ;
maar dat, door den aard zelven van het gevecht, het Fransche
leger meer aan dooden en gewonden moet hebben geleden, de
bondgenooten meer aan gevangenen.
Bij de bondgenooten was het de Hollandsche krijgsmacht die
het voornaamste deel aan den strijd had gehad en het grootste
verlies ondervonden; daarna volgde de Spaansche legermacht,
terwijl de Keizerlijke troepen het minst hadden verloren. Aan
weerszijden waren bevelhebbers van naam gesneuveld of gewond ;
onder de eersten noemt men bij de Franschen Fourilles, onder
de tweeden Luxembourg, Montal, Rochefort, Feuquières, en
d'Enghien, den zoon van Condé. Bij de bondgenooten waren
d'Assentar, Wee en Palm — de dappere aanvoerder der zeesol-
daten — gesneuveld; en Waldeck, Erpach, Solms, Aylva, Ginkel,
Ouwerkerk, en een aantal andere bevelhebbers, gewond. Geschut
hadden de Franschen slechts weinig vermeesterd, volgens hunne
eigene opgaven maar 2 kanonnen en 2 mortieren; maar zij be-
roemen zich op de verovering van 107 vaandels, en op het
nemen of vernielen van een paar duizend wagens. Mogelijk is
er overdrijving in die opgaven; zoo zeggen de berichten van
onze zijde slechts, dat de wagentrein uiteenraakte en later weer
grooten deels terugkwam bij het leger, zoodat slechts een vijftigtal
wagens door den vijand werden genomen. Dit schijnt echter niet
juist; integendeel, uit verschillende omstandigheden moet men op-
maken, dat een groot gedeelte der bagage van de Hollandsche
en Spaansche legers hier, bij Séneffe, verloren ging; en dat de
noodzakelijkheid om dat verlorene te herstellen, eene voorname
WILLEM HL — II.
Digitized by
Google
82 KRIJGS- EN GKSCHIBDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
oorzaak is geweest van de werkeloosheid der bondgenooten na
den slag bij Séneffe.
Die slag is een van de belangrijkste veldslagen van de zeven-
tiende eeuw geweest en maakt vooral in ónze krijgsgeschiedenis
eene roemrijke gebeurtenis uit. Het is dus noodzakelijk om de
handelingen van de beide partijen bij dien slag eenigszins nader
te overzien en te onderzoeken in hoever die handelingen lof of
blaam verdienen, voorbeelden zijn ter navolging of ter vermijding.
De eerste vraag die zich hier voordoet, is: wie was overwin-
naar in dien strijd bij Séneffe? — Men weet dat beide partijen
zich 'de eer van die overwinning hebben toegeschreven; beide
met evenveel, of met even weinig recht.
Wij gelooven dat men, om hier billijk te zijn jegens de beide
legers, den slag in twee gedeelten moet splitsen, of aan moet
nemen, dat er op den iien Augustus 1674 twee veldslagen
hebben plaats gehad: eerst een bij Séneffe en bij Saint-Nicolas-
auxbois, later een bij Fay.
In den eersten veldslag is ontegenzeggelijk de overwinning
aan de zijde van Condé gebleven; want telkens heeft hij daar
de bondgenooten uit hunne stellingen verdreven, hen uiteenge-
slagen, hun groote verliezen toegebracht; en had de Fransche
veldheer zich tot dien eersten veldslag bepaald, dan zou niemand
kunnen ontkennen dat hij overwinnaar was gebleven ; — evenals
niemand aan de Oostenrijkers de eer der overwinning te Marengo
zou hebben kunnen betwisten, wanneer zij dien slag hadden af-
gebroken vóór de komst der divisiën van Désaix.
Maar even zeker als bij dien tweeden, lateren strijd op het
slagveld van Marengo, Napoleon overwinnaar is gebleven, even
zeker is bij het tweede gedeelte van den strijd te Séneffe, bij
wat men den slag van Fay zou kunnen noemen, alleen aan
Willem III de overwinning toe te kennen; want die Stadhouder
bleef onverdeeld meester van de door hem bezette stellingen,
alle aanvallen waren afgeslagen met groot verlies voor den aan-
valler, en het verzwakte Fransche leger gaf den strijd op, en
ruimde het slagveld aan de bondgenooten in. Indien dit den
bondgenooten niet het recht geeft om zich de eer der overwin-
ning toe te schrijven, dan weten wij niet wat de ken teekenen
zijn van eene overwinning.
Den iicQ Augustus 1674 behaalde dus elke partij eene over-
winning, en elke partij leed eene nederlaag. Men kan gerustelijk
aannemen dat het voordeel het nadeel opwoog, en dat de strijd
van Séneffe, roemrijk voor beide partijen, voor geene beslissend
is geweest. Wil men aanmerken, dat het einde van den strijd
dan toch in het voordeel was van de bondgenooten en zij
Digitized by
Google
SLAG VAN SÉNEFFE (il AUGUSTUS 1674). 83
meester bleven van het slagveld, — dan is het antwoord daarop :
dat dit toch eigenlijk weinig of niets beduidde, daar het Fransche
leger niet in het minst vervolgd werd bij zijn terugtocht, en ook
de bondgenooten kort daarop wegtrokken. Aan de Fransche
zijde deden aanvankelijk de gevangenen en de veroverde vaan-
dels aan eene groote overwinning gelooven; Lodewijk XIV en
zijne staatsdienaars vleiden zich met de hoop, dat de bondge-
nooten door den slag van Séneffe buiten staat waren gesteld om
in dezen veldtocht iets anders te ondernemen, en dat dus een
deel der troepen van Condé uit De Nederlanden kon worden
weggenomen om Turenne aan den Rijn te versterken. Het kostte
Condé moeite om die dwaling te doen ophouden, en de Fransche
regeering aan te toonen, dat hij, wel verre van troepen te kun-
nen missen, integendeel dringend versterking noodig had; dat
hij zeer groote verliezen had geleden, en de vijand nog altijd
overmachttg bleef; dat verschillende korpsen van het Fransche
leger geheel ontbonden waren, en al de andere eene aanmerke-
lijke versterking behoefden aan manschappen en aan paarden. —
Wij halen die bijzonderheden niet uit onze schrijvers, maar uit
Beaurain, die er bijvoegt: >in stilte had men bijna spijt over de
zege waarop men roemde." {Peu len faUüt qu*on ne regrettnt
secret ement les succes dont on se glorifiait).
Wij gelooven daarom, dat men de vraag: wie was overwinnaar in
den slag bij Séneffe? — aldus kan beantwoorden: niemand; het
was een veldslag waarbij beurtelings de eene en de andere partij
overwon, en beide gelijke verliezen leden; het was een onbesliste
veldslag.
Omtrent Condé*s handelingen kan men opmerken, dat zij zich
onderscheiden door dat stoute, dat beslissende, dat rustelooze,
dat ter overwinning geleidt, dat den grooten veldheer kenmerkt,
die dadelijk de kans bespeurt om zijne tegenpartij eene nederlaag
toe te brengen, en, zonder een oogenblik te verliezen, van die
kans gebruik maakt. Condé*s handelingen bij het eerste gedeelte
van den slag van Séneffe zijn altijd het voorwerp geweest eener
onverdeelde bewondering, die zij dan ook ten volle verdienen ; —
maar even eenparig is het afkeurend oordeel over dat hardnekkig
voortzetten en volhouden van den strijd, waardoor de Fransche
veldheer alle vruchten der eerst behaalde overwinning weer ge-
heel verloor.
Is dat afkeurend oordeel verdiend ? Heeft men daarbij, zooals
zoo dikwijls geschiedt, mogelijk niets anders geraadpleegd dan de
uitkomst ? — Het is moeilijk die vragen voldoende te beantwoor-
den ; — maar als vast en zeker kan men aannemen, dat wanneer
die uitkomst anders ware geweest, wanneer Willem III ook
uit zijne stelling bij Fay ware geslagen en het leger der bond-
Digitized by
Google
84 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
genooten daardoor grootendeels ware te niet gegaan^ het den
Franschen veldheer niet ontbroken zou hebben aan uitbundige
lofredenaars over dat voortzetten en volhouden van den strijd,
wat nu zoo wordt gelaakt. Gemakkelijk valt het te begrijpen
hoe een veldheer als Condé, aan het hoofd van troepen zoo
dapper en uitmuntend als de door hem aangevoerde, na de
groote voordeelen die hij reeds op den vijand had behaald, er
toe gebracht werd om dien zoo verzwakten vijand verder aan
te vallen, dien zoo mogelijk geheel te vernietigen, en daardoor
wellicht den oorlog ten einde te brengen. Die grootsche, be-
slissende uitkomst was mogelijk, was niet onwaarschijnlijk ; al de
bekwaamheid en geestkracht van Willem III, al de dapperheid
van zijne soldaten waren noodig om die uitkomst te verhinderen ;
plaats tegenover Condé een minder uitstekend veldheer, een
minder goed leger, en de slag van Séneffe zal Lodewijk XIV
in staat stellen om aan Europa wetten voor te schrijven. Let
men op die mogelijke uitkomsten, dan zal men dat voortzetten
van den strijd in Condé niet zoo afkeuren.
üat Condé, om het vijandelijke leger gedurende zijn marsch
aan te vallen, een omweg maakte over Gouy en Séneffe, en van
daar verder op Fay, dat hij den kortsten, rechten weg niet
volgde, die van het dorp Piéton naar Fay geleidt, dit lag eens-
deels aan den aard van het terrein tusschen Piéton en Fay,
anderdeels aan het doel dat Condé met dien aanval beoogde.
Het terrein tusschen de beide genoemde dorpen was geheel
ongeschikt voor den marsch van een leger, geheel ongunstig
voor den aanval: het doorsneden bedekte terrein, de daar aan-
wezige bosschen, en de moerassige oevers van de beek van
Séneffe begunstigden daar de verdediging uitermate, en zouden
het voor de bondgenooten gemakkelijk hebben gemaakt om dddr
den vijand tegen te houden. Condé beoogde dan ook volstrekt
geen aanval op de linkerflank der bondgenooten, die hij — met
reden — goed verzekerd achtte door die terreinbeletselen; hij
beoogde aanvankelijk niets anders dan een aanval op 's vijands
achterhoede, bij Séneffe; en alleen door den loop van het ge-
vecht werd hij er toe gebracht, om van daar voort te rukken
tot Saint-Nicolas-aux-bois, en van daar tot Fay; — maar het
voornemen om een flankaanval te doen, heeft bij Condé niet
bestaan.
Dit brengt er ons vanzelf toe, de handelingen van Willem III
te bespreken, en allereerst dat dwaalbegrip te bestrijden, alsof
de Stadhouder zich te Séneffe door een gevaarlijken en onbe-
dachten flankmarsch aan een geheele nederlaag zou hebben
blootgesteld. Het is een vooroordeel, een flankmarsch als zoo
gevaarlijk voor te stellen, en er is veel waarheid in wat Beaurain
Digitized by
Google
SLAG VAN SÉNEFFE (ll ATGUSTUS 1674). 85
daarover zegt: »wat doet het er toe, in welke richting een
leger marcheert, als het zich maar tijdig in slagorde kan plaat-
sen, geheel of gedeeltelijk, naar gelang van de macht door
welke het kan worden aangevallen, en van het terrein dat het
heeft te verdedigen ?" (^// impoi'te dans quel sens twe armee marche^
pounni qu elle puisse se fonner assez d temps pour combattre^ en totit
OU en partie^ selon les forces qui peur ent Vattaquer^ et Ie terrain oü
elle doit se défendre?)
Bij een flankmarsch kan men zich even spoedig of spoediger
in slagorde stellen dan bij een front- of een terugtochtsmarsch ;
alles hangt af van de wijze waarop de flankmarsch wordt ver-
richt. Zeker, wanneer men in onze dagen een flankmarsch op
korten afstand en in het gezicht van den vijand wilde doen,
zooals Frederik II dit te Praag en te Kollin, en Soubise te Rosz-
bach deed, dan zou men gevaar loopen van eene geheele neder-
laag te ondergaan, want zulke flankmarschen zijn, ten minste
bij de hedendaagsche krijgskunst, als slecht te beschouwen. Maar
doet men een flankmarsch op dezelfde goede wijze als het leger-
korps van Masséna dit deed op den tweeden dag van den slag
van Wagram, dan zal men daardoor even weinig nadeel lijden
als de Fransche maarschalk dddr leed. De flankmarsch op zich-
zelf is niet gevaarlijk: alleen de slecht uitgevoerde flank-
marsch is het, en dit heeft hij gemeen met ieder en anderen marsch.
Een flankmarsch, waardoor men zich verwijdert van het eigen
land, van de eigen magazijnplaatsen, kan soms het nadeel op-
leveren, dat men daardoor de gemeenschap van het leger met
dat land of met die magazijnplaatsen in gevaar brengt 5 — maar
dit is eigenlijk meer een strategisch gevaar. Het taktische
gevaar dat een flankmarsch, volgens veler oordeel, kenmerkt, is,
dat het leger gedurende dien marsch gemakkelijk in de flank
kan worden aangevallen, doorbroken, en geheel geslagen. Wij
ontkennen dat gevaar bij eiken goed uitgevoerden flankmarsch;
en hier, bij dien flankmarsch te Séneffe, bestond dat gevaar zóó
weinig, dat de aanval van Condé niet heeft plaats gehad op de
linkerflank van het marcheerende leger der bondgenooten, maar
alleen op hunne achterhoede; een aanval, die evenzoo had kun-
nen worden gedaan wanneer de bondgenooten in plaats van een
flankmarsch een terugtochtsmarsch hadden verricht. De linker-
flank des legers, die gedurende den marsch naar den vijand was
gekeerd, was genoegzaam beveiligd door de hindernissen van het
terrein; gevaar bestond dus dddr niet; en wij halen weer het
oordeel aan van Beaurain over dien flankmarsch der bondge-
nooten, wanneer hij zegt: >op zichzelf was die marsch noch
onvoorzichtig, noch zelfs bijzonder stout; is hij gevaarlijk ge-
worden, dan was hij dit alleen door de wijze van uitvoering."
(Cette marche tCétait en elle-méme^ ni imprudente^ ni méme tres-
Digitized by
Google
86 KRIJGS- EN GBSCHIKDK.UNDIGK BESCHOUWINGEN.
hardie; et si elle devint périlleuse^ ce ne fut que par la maniere dont
on Veicécutd),
De voordeelen door Condé behaald in het begin van dien
slag van Séneffe, moeten dus volstrekt niet worden geweten aan
een roekeloozen of zelfs maar onvoorzichtigen marsch, door
Willem III uitgevoerd: in dien marsch was geen roekeloosheid,
zelfs geen onvoorzichtigheid. Maar waaraan moeten die voor-
deelen dan worden toegeschreven ? — Wij gelooven dat men die
moet toeschrijven aan de samenwerking van verschillende oor-
zaken, die hier zullen worden opgenoemd.
Vooreerst was Condé zeer in het voordeel, alleen reeds door
de omstandigheid, dat hij een marcheerend leger aanviel. Vroeger,
bij de behandeling van de oorlogsmarschen in de 17e eeuw, is
aangetoond hoeveel de regeling en uitvoering dier marschen te
wenschen overlieten, en hoe gemakkelijk het toenmaals moest
zijn, een leger gedurende zijn marsch gevoelige nadeelen toe te
brengen. Dit was in het algemeen waar bij alle marschen van
dien tijd, en zal het dus ook wel geweest zijn bij den marsch,
hier door den Stadhouder uitgevoerd. De marschen geschiedden
toen met te weinig orde, en de troepen waren te weinig beweeg-
baar, te veel gebonden aan lastige vormen en slagorden, dan
dat men bij een aanval gedurende een marsch op een gedeelte
der troepen, er op kon rekenen, dat de overige deelen spoedig of
tijdig ter hulp zouden komen. Te verwonderen is het, dat zulke
aanvallen als Condé bij Séneflfe deed, niet herhaaldelijk voor-
komen in de oorlogen van dien tijd, want van die aanvallen was
altijd voordeel te verwachten.
Eene tweede oorzaak van de zege door Condé behaald, is ie
vinden in de wijze waarop de marsch werd verricht door een
gedeelte van het leger der bondgenooten. Verschillende verhalen
wijten de schuld van de nederlaag, aanvankelijk door de bond-
genooten ondervonden, aan het Keizerlijke leger, of aan zijn
veldheer. De Souches, — zeggen zij — ging te spoedig met zijn
leger op marsch, verrichtte den marsch met te veel overhaasting,
kwam te traag opdagen tot hulp der Hollanders en Spanjaarden,
en liet dezen daardoor te lang alleen den strijd volhouden tegen het
Fransche leger. Verschillende beschuldigingen worden ingebracht
tegen den Keizerlijken veldheer: het niet gehoorzamen aan be-
velen van Willem III; het uitsluitend zorgen voor het behoud
van z ij n e troepen, en vooral van z ij n e bagage, zonder aan de
ondersteuning van zijne bondgenooten te denken ; het terugzenden,
tot dekking dier bagage, van drie regimenten, die echter door
een der onderbevelhebbers, in weerwil van dien last, naar het
slagveld werden gevoerd ; het niet gehoor geven aan het voorstel
van den generaal Sporck om met ruiterij het verlaten kamp van
Digitized by
Google
SLAG VAN SÉNEFFE (ll AUGUSTUS 1674). 87
Condé aan te vallen ; — ziedaar feiten, die, wanneer zij waar zijn,
het bewijs opleveren van de weinige medewerking die Willen» III
hier, bij Séneffe, van de Keizerlijke krijgsmacht ondervond.
Evenwel moet men voorzichtig zijn met het aannemen van die
beschuldigingen, die mogelijk voor een deel haar aanzijn te dan-
ken hebben aan de vroegere en latere handelingen van De Souches,
en aan de tegen hem bestaande vijandschap, niet alleen bij de
Hollandsche en Spaansche krijgsmacht, maar ook bij zijn eigen
onderbevelhebbers, waarvan één — Sporck — zich soms uitliet:
>dat hij niet in het Paradijs zou willen zijn, als hij wist dat De
Souches daar ook was." Bij die beschuldigingen kan dus zeer
goed partijdige voorstelling, overdrijving hebben bestaan ; — maar
een kern van waarheid lag er toch in: het Keizerlijke leger
verrichtte den marsch te spoedig, en kwam te langzaam terug;
want reeds om lo uur *s ochtends, op het oogenblik dat de
achterhoede bij Séneffe werd aangevallen, had het Keizerlijke
leger den marsch geëindigd en stond het aan de Haine; en het
was reeds i uur in den namiddag, toen dat leger weer te Fay
kwam, hoezeer de afstand van dat dorp tot de Haine niet meer
is dan een uur gaans.
£en derde oorzaak vindt men in de wijze waarop het gevecht
bij Sénefife werd gevoerd, in de zwakheid, dddr en te Saint-
Nicolasauxbois door sommige gedeelten van de legermacht der
bondgenooten betoond, en in de buitengewone dapperheid van
Condé*s soldaten.
Uit de bijzonderheden die vermeld worden omtrent den strijd
bij het dorp Séneffe, moet men opmaken, dat De Vaudemont
zijne ruiterij daar op eene gebrekkige wijze heeft geplaatst en
in gevecht gebracht: zij is de beek genoeg nabij om verliezen
te lijden door het Fransche artillerievuur; zij is evenwel te ver
van de beek om den overgang aan Condé's ruiterij te betwisten ;
ten minste, zij betwist dien niet ; zij laat die ruiterij ongehinderd
overtrekken; zij wil daarna aanvallen, maar het terrein verhin-
dert of bemoeilijkt dit; en daar men op zoo kleine ruimte was
geplaatst — in het verslag van Willem III komt voor, dat de
troepen >bij gebrek aan plaatse zeer benaauwt waren, en bijnaar
d* eene op d' andere stonden" -^ worden door de nederlaag der
eerste linie, ook de twee daarachter staande liniën geslagen en
op de vlucht gedreven. Dit alles bewijst, dat die ruiterij bij
Séneffe met niet veel beleid in gevecht is gebracht.
Voeg hierbij den heldenmoed van Condé's regimenten, en de
zwakheid, aanvankelijk door sommige gedeelten van de ruiterij
der bondgenooten betoond, en dan zal het duidelijk zijn, waar-
aan de overwinningen moeten worden toegeschreven, die de
Fransche veldheer behaalde in het eerste gedeelte van den
strijd. — En wanneer hier gesproken wordt van zwakheid van
Digitized by
Google
88 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
een gedeelte der ruiterij van Willem III, dan neemt dit niets
weg 'van den roem, dien de soldaten van den Stadhouder zich,
over het geheel, door hun onbezweken dapperheid in dien slag
hebben verworven; die roem kan door niemand worden betwist
of betwijfeld, en de onverschrokken legerscharen van Condé
vonden hier vijanden hunner waardig; zij leerden hier de kracht
kennen van die geduchte Hollandsche infanterie, die zich later
op zooveel slagvelden door den sterksten vijand deed ontzien,
en wier waarde zelfs door den bekenden Folard, een Fransch-
man, wordt erkend.
Maar de roem dien men aan de dapperheid is verschuldigd,
wordt niet verhoogd door het verzwijgen of bewimpelen van de
zwakheid of lafhartigheid ; ook die moet in het daglicht worden
gesteld; ook die moet de berisping der geschiedenis niet ont-
gaan, want juist door die berisping wordt de lof dien zij aan de
krijgsdeugd toezwaait van zooveel te grooter waarde. Bovendien,
het beste leger heeft zijne oogenblikken van zwakheid, de dap-
perste krijgsmacht telt lafaards in hare rijen: die zwakheid, te
Séneffe ook door Hollandsche ruiterij betoond, bewijst dus niets
ten nadeele, uitgewischt als zij werd door latere uitstekende
wapenfeiten ; en dat er vluchtelingen waren bij Willem IIFs leger,
dat de Stadhouder zelfs een dier lafaards — een majoor der garde,
Erik Dieur Klouw — het hoofd voor de voeten deed leggen,
dit vermindert in geenen deele de glorie, die de verdedigers van
Fay zich door hunne onsterfelijke dapperheid hebben verworven.
Ziedaar de oorzaken, waaraan Condé zijne overwinningen had
te danken; — die oorzaken getuigen niet tegen het beleid des
Stadhouders.
Maar wat in de hoogste mate voor zijn beleid getuigt, dat
is de wijze waarop hij die overwinningen van Condé weet te
stuiten, en in nederlagen te verkeeren; dat is de keus van de
stellingen waarin hij zijne troepen weet te plaatsen. Uit alle op-
gaven blijkt, dat die stellingen, door Willem III bij Saint-Nicolas-
aux-bois en bij Fay ingenomen, eene groote sterkte hadden, en
dat daarbij op eene uitmuntende wijze partij werd getrokken van
de voordeden die het terrein opleverde ; dat daarbij het bezetten
en verdedigen van dorpen, boomgaarden, heggen en ravijnen
plaats heeft op eene wijze, zooals men het in onze eeuw niet
beter zou doen, zooals men dit tevergeefs zal zoeken bij de
meeste veldslagen van den zevenjarigen oorlog. Wanneer de
veldheer der bondgenooten over ruimte van tijd had te beschik-
ken gehad om die stelling uit te kiezen en te bezetten, dan nog
zou men het beleid moeten bewonderen waarmede dit is verricht ;
maar hoeveel hooger moet die bewondering klimmen, wanneer
men opmerkt, dat er weinig tijd was om die stellingen uit te
Digitized by
Google
SLAG VAN SÉNEFFE (ll AUGUSTUS 1674). 89
kiezen en te bezetten; dat dit op dat oogenblik gedaan moest
worden ; dat op dat oogenblik, en te midden van de verwarring
door den woedenden aanval des vijands veroorzaakt, de bevelen
daartoe moesten worden gegeven. Gewis, de veldheer die in zulk
een toestand zich weet vrij te houden van misslagen; die met
helderen blik dadelijk het gunstigste slagveld voor zijn leger
weet te kiezen, en spoedig, bepaald en kort datgene weet voor
te schrijven wat noodig is om den vijand te weerstaan; — zoo
iemand is geen gewoon veldheer, zoo iemand verdient te worden
bekroond met den lauwerkrans van het genie.
Laat ons nog dit er bij opmerken, dat, om het verdienstelijke
van het uitkiezen dier uitmuntende stellingen naar waarde te
schatten, men wel moet in het oog houden, dat Willem III niet
dezelfde hulpmiddelen tot zijne beschikking had, die een heden-
daagsch veldheer zoude hebben. Een hedendaagsch veldheer, in
den toestand geplaatst waarin de Stadhouder te Séneffe verkeerde,
zou bij het uitkiezen en bezetten van eene stelling met veel
minder bezwaren hebben te kampen dan Willem III in 1674:
het terrein zou hem niet vreemd zijn, al was het voor de eerste
maal dat zijn leger daar verscheen, want heden ten dage heeft
men meestal uitvoerige kaarten van het oorlogstooneel, die in
staat stellen om dadelijk eene goede stelling voor een leger te
kiezen; en hij wordt ondersteund door een generalen staf, die,
de veldheerskunst tot zijne hoofdstudie gemaakt hebbende, de
bekwaamheid heeft om de bevelen en voorschriften van het
legerhoofd dadelijk te begrijpen, in bijzonderheden uit te voeren,
desnoods te verbeteren en aan te vullen. In de 17e eeuw, toen
men die hulpmiddelen niet kende, was de toestand des veldheers
veel bezwaarlijker; en ook dit verhoogt het uitstekende van
Oranje's beleid in dien slag van Séneffe.
Wij zouden aan den roem van den grooten Stadhouder tekort-
doen, wanneer wij zwegen van de persoonlijke dapperheid, door
hem in den strijd bij Séneffe betoond. £n niemand zegge, dat
dit eene krijgsdeugd is, alleen noodzakelijk in den soldaat, maar
in den veldheer overtollig, zoo niet schadelijk. Dit is slechts in
het algemeen waar; het is, in het algemeen, goed, dat de veld-
heer blijft buiten het gewoel van den slag, om dezen daardoor
zooveel te beter te kunnen leiden en besturen; — maar wel
degelijk komen er ook gevallen voor waarin het voor den veld-
heer plicht is, zich aan het hoofd der strijdenden te stellen en,
door zich in persoon in het midden van het gevaar te storten,
den moed en de geestdrift zijner soldaten ten hoogsten top te
doen klimmen. Zóó deed Napoleon te Arcole, zóó deed de
aartshertog Karel te Essling, zóó dïeed de Oranjevorst te Quatre-
Bras, zóó deden èn Alexander, èn Caesar, èn Gustaaf Adolf, en
Digitized by
Google
9© KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
allen die, in ouderen of nieuweren tijd, op veldheersroem kun-
nen bogen. De held is als zoodanig nog geen veldheer; maar de
veldheer, die waarlijk dien naam verdient, moet een held zijn.
Willem III was een held, op het slagveld van Séneffe evenals
op al die menigvuldige slagvelden waar de oorlogskans hem
heeft gebracht. Dat zwakke, ziekelijke lichaam des Stadhouders
scheen te midden van strijd en doodsgevaar eene ongekende
sterkte en veerkracht te verkrijgen ; en dat onbeweeglijke, onver-
schillige van zijn voorkomen maakte dan plaats voor het vuur
van de hoogste geestdrift. Er is maar ééne stem over de ontem-
bare dapperheid, door den Oranievorst in dien strijd van Séneffe
ontwikkeld *, eene dapperheid, die vermetel zou moeten worden ge-
noemd, ware zij niet noodzakelijk geweest om den moed op te
wekken van zijne soldaten, verrast en in verwarring gebracht door
Condé's onverwachten aanval en door hunne eerste nederlagen.
Alle verhalen stellen Oranje voor, onverschrokken zich in het
midden van het strijdgewoel werpende, overal daarheen rennende,
waar zijne tegenwoordigheid werd vereischt, door woord en daad
zijne troepen tot heldenmoed opwekkende, en ieder oogenblik
zijn leven en vrijheid in het hoogste gevaar brengende. >Ik schricke
nog" — zegt een ooggetuige, bij Sylvius — >als ik denke in
wat perykel hem Zijne Hoogheyt gestelt heeft ; het is een teeken,
dat hem God almachtig sonderling bewaart; want alle die omtrent
hem geweest zijn, zijn doot of gequetst geweest, behalve de jonge
Prins van Friesland die, hoe jong hij is, nooit en heeft geweken
van de zijde van Zijne Hoogheyt, en noch een of twee anderen
op het hoogste." De Souches zeide, dat Willem III te Séneffe
>het beleid van een oud veldheer, de dapperheid van een Caesar
en de onverschrokkenheid van een Marius had doen blijken,"
Condé verhief den lof van zijn tegenstander, en zeide dat deze
>zich als een beproefd veldheer had gedragen, behalve daarin,
dat hij zijn persoon te veel had blootgesteld;" — een vreemd
verwijt in den mond van Condé, die zelf als de dapperste sol-
daat had meêgestreden, en wien drie paarden waren gedood.
Beaurain, eindelijk, zegt: »maar wie vooral aan de nakomeling-
schap moet worden genoemd, dat is de Prins van Oranje, en
zijn krachtige, onverschrokkene, koele dapperheid. Bij de laatste
gevechten, vooral bij Fay, was hij bijna altijd in het heetste der
gevaren ; verscheiden paarden werden onder hem gedood ; Ouwer-
kerk, de bevelhebber zijner lijfwacht, kreeg eene zware hoofd-
wonde, toen hij een pistoolschot van hem wilde afweren; die
officier viel in handen van de Franschen, maar ontkwam later
weer in het strijdgewoel. De jonge Prins .van Friesland, twintig
jaar oud, verliet den Prins van Oranje niet; de Stadhouder was
toen vier en twintig; zoo jong, met weinig ondervinding, nog
nooit een grooten veldslag hebbende bijgewoond, zag hij er niet
Digitized by
Google
SLAG VAN SÉNEFFE (n AUGUSTUS 1674). 9I
tegen op om het hoofd te bieden aan den reeds overwinnenden
Prins van Condé." (Mats Ie Prince d'Orange est celui dont la
valeuf\ /J la fois active^ intrépide et froide^ mérite surtout d'^ètre
transmise a la postérité. Dans les derniers combats^ et principalement
dans celui de Fay^ il fut ptesque toujours au fort du danger; il cut
plusieurs che^'aux tués sous lui; son capitaine des gardes^ D'* Ouwerkerk^
ft'it grièvement blessé a la tête^ en voulant Ie garantir d^un coup de
pistolet; eet officier füt pris par les Frangais, et se sauva ensuite de
leurs mains dans Ie tumulte du combat. Le jeune Prince de Frise^ dgé
de ringt ans^ ne quitta pas le Prince d'Orange; le Stadhouder en
avait alors vingt-quatre ; ^ eet dge^ avec peu d^expérience^ nayant
point encore vu de grande bataille^ il ne füt point étonné de ridée de
résister au Prince de Condé^ déjd victorieux).
In de jaarboeken van onzen wapenroem, in het verhaal van
de grootsche feiten der Nassausche helden, moet de slag bij
Sénelfe een uitstekende plaats beslaan en naast Nieuwpoort
prijken; Willem III is een waardige telg van Maurits geweest
en heeft den veldheersroem zijns voorzaats geëvenaard. Te allen
tijde moet de herinnering aan dien slag bij Séneflfe onzen recht-
matigen volkstrots opwekken, bij de herdenking van wat wij
vroeger waren, toen wij, kleine republiek, tegen Europa's mach-
tigsten koning in het strijdperk durfden treden, en onze Stad-
houders, in een bloedigen, roemvollen kamp Frankrijk's grootste
veldheeren den palm der overwinning konden betwisten. Séneffe
is een dag van glorie en grootheid geweest, die geen HoUandsch
hart koel en onbewogen kan laten.
Men kent het cynische gezegde van Condé, toen men hem
den omvang van het verlies zijns legers berichtte: y^bon; une
nuit de Paris réparera cela''\ Die woorden, denkelijk los en on-
bedacht weg gesproken, hebben den Franschen aanvoerder even-
wel veel kwaad gedaan, omdat zij meestal worden voorgesteld
als de beredeneerde, onbeschaamde hardvochtigheid van iemand
die, om zijn doel te bereiken, op tal van menschenlevens vol-
strekt niet let. Dit is eene opmerking die men bij de studie
van de geschiedenis kan maken, dat wreede daden soms nog
meer vergeten en vergeven worden dan wreede woorden;
men zal eer aan een Alva het ter dood brengen van zooveel
duizenden vergeven dan aan een Vargas de lichtzinnige, honende
wijze waarop hij die doodvonnissen verdedigde; en Barnave, een
van de minst berispelijke karakters uit de eerste Fransche om-
wenteling, staat evenwel met een zwarte kool geteekend, omdat
hij eens, bij het vernemen van door het volk gepleegde moor-
den, de noodlottige woorden bezigde: „/^ sang qui coule^ est -il
donc si pur?^""
Evenals bij de vroegere en latere oorlogsdaden van Willem III,
Digitized by
Google
92 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
is hier bij het verhaal van den slag van Séneffe gebruik gemaakt
van de verschillende schrijvers over dit wapenfeit; hunne opgaven
zijn onderling vergeleken, getoetst, en daaruit is afgeleid wat,
naar waarschijnlijkheid, de ware toedracht der zaken is geweest ;
vooral is daarbij geraadpleegd Beaurain, iemand die als krijgs-
kundig schrijver gezag bezit^ en die tevens vrij onpartijdig is.
Maar ook op Rousset*s voorstelling van den slag van SénefFe
moet hier gelet worden; al kan niet ontkend worden dat die
voorstelling op enkele punten aan juistheid te wenschen overlaat,
en wel eenigszins onbillijk is zoowel ten aanzien van Condé als
van Willem IIL Ziehier wat voorkomt in de Histoire de Louvoss^
2' deel, blz. 41 en volgende:
> ...Ziehier hoe het in Augustus 1674 in De Nederlanden met
de oorlogszaken gesteld was : het leger van den Prins van Oranje,
dat de coalitie op 90000 man had hopen te brengen, telde er
niet veel meer dan 50000, waarvan de helft uit Hollandsche
troepen bestond; maar, hoezeer dus veel minder dan men hoopte,
was het toch nog sterker in getal dan het leger van den Prins
van Condé, dat, nadat Luxembourg en Rochefort zich daarbij
hadden aangesloten, slechts ongeveer 40000 man op het slag-
veld kon brengen. Condé bezette, een weinig ten noordwesten
van Charleroi, eene verdedigende stelling, die meesterlijk was
gekozen: het was eene hoogvlakte {plateau)^ half met hout-
gewas bedekt, en aan drie zijden omgeven door de beek den
Piéton, een kleinen zijstroom van de Sambre; de hoogvlakte
eindigde aan de zuidzijde, bij het stadje Fontaine-l'Evêque. In
die stelling bij den Piéton dekte Condé Champagne, en kon hij
den bondgenooien in de flank vallen, als zij de eene of andere
vesting van Fransch- Vlaanderen of Henegouwen wilden aantasten,
zooals Ath, dat naar de meening van Louvois meer bijzonder
werd bedreigd. Wat betreft een aanval op het Fransche leger
in die stelling, dat was een te moeielijke zaak. »De Souches
heeft aan Zijne Hoogheid, mijn meesier, gezegd," — zoo werd
aan graaf d'Estrades door zijn Hollandse hen berichtgever ge-
schreven — >dat de stelling, door den Prins van Condé bezet,
evenveel geldt als vijftienduizend man, en dat men er niet aan
denken moet om hem daar aan te vallen, maar moet trachten
hem uit die stelling te doen komen.
Van den uitersten linkervleugel van de Fransche legerplaats,
in de richting van het westen, zag men, op eenigen afstand, aan
gene zijde van een tweede beek die evenwijdig liep aan den
Piéton, de tegenoverliggende helling van een heuvel, doorsneden
met heggen, boomgaarden, groepen boomen, en op den top met
bosch bedekt; rechts, in de laagte, was het dorp SéneflFe; vlak
vooruit ter halver hoogte van de helling, de priorij van Saint-
Nicolas-auxbois; links, wat meer naar achter, en hooger gelegen,
Digitized by
Google
SLAG VAN SÉNEFFE (ll AUGUSTUS 1674). 93
het dorp Fay. Aan de noordzijde kon men duidelijk de voor-
posten van de bondgenooten zien, die in den omtrek van Nivelles
legerden. Eenige dagen verliepen zoo, terwijl men niets deed dan
elkander wederkeerig observeeren; en elke parlij wachtte het
af, dat gebrek aan leeftocht en aan paardevoeder de andere
partij zou noodzaken om elders nieuwe hulpmiddelen te zoeken.
Condé vreesde het eerst te moeten opbreken. Het tegendeel
gebeurde.
Den II en Augustus, met het krieken van den dag, bespeurde
de commandant van de voorposten op den linkervleugel een
ongewone drukte in de legerplaats van de bondgenooten, en
kort daarop zag hij de hoofden der colonnes, die in de richting
van Séneffe schenen te trekken. Condé, die dadelijk was gewaar-
schuwd, kwam in haast aangesneld, met zijn zoon, en met de
luitenant-generaals van het leger. Een buitengewoon schouwspel
deed zich toen aan zijne oogen voor. De Prins van Oranje had
zijn geheele leger in beweging gesteld, niet voor een aanval,
maar voor een marsch. Onzeker was het, of hij op Binche wilde
trekken, of stelling wilde nemen onder het kanon van Mons;
maar ddt was duidelijk, dat hij naar het dal van de Haisne trok,
en daartoe een weg insloeg, die ontegenzeggelijk de kortste,
maar ook de gevaarlijkste was. Was dit onverstand, verzuim, of
versmading van het meest gewone beginsel der oorlogskunst, dat
voorschrift om zich niet onnoodig bloot te geven? Was het niet
veeleer een honende uitdaging ? Het had er den schijn van toen
men een geheel leger op zorgelooze wijze, op korten afstand
voorbij het Fransche kamp zag trekken. En onder welke om-
standigheden werd die flankmarsch gewaagd? Met al den nasleep
der bagage, op een zeer doorsneden terrein, over een slechte
heirbaan of over dorpswegen. Het gevolg daarvan was, dat de
colonnes uitgerekt werden en aan vasten samenhang verloren, en
dat de voorhoede, bestaande uit de Duitsche troepen van De
Souches, reeds voorbij Fay was verdwenen, terwijl in het midden
de HoUandsche massa's langzaam vooruitkwamen op de wegen
die dat dorp verbonden met de priorij van Saint-Nicolas, en de
achterhoede — waar de Spanjaarden waren met bijna al de ruiterij
en de ontzaggelijk groote bagage — zich in SénefFe ophoopte^
of zelfs dat dorp nog niet had bereikt.
Getroffen door het zien van die wanorde, en ongetwijfeld ook
gekrenkt door de zijdelingsche verwijten hem door Lodewijk XIV
en Louvois gedaan, besloot Condé den strijd te beginnen, en de
verwatenheid of onvoorzichtigheid van Willem van Oranje te
straffen. Maar van het leveren van een grooten veldslag was nog
geen sprake; men beoogde niets anders dan de achterhoede
aan te vallen, haar uiteen te slaan, en de bagage te nemen..."
Men ziet, dat Rousset het leger van Willem IlI begroot op
Digitized by
Google
94 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
50000 man, dat van Condé op 40000; naar onze meening zijn
andere cijfers meer waarschijnlijk: Willem III een 60000 man,
Condé 45 k 50000; maar altijd komt het daarop neer, dat er,
wat de getalsterkte betreft, te Séneffe eenige overmacht is ge-
weest aan de zijde van de bondgenooten. Men ziet ook, dat
Rousset zeer ongunstig oordeelt over den flankmarsch, door de
bondgenooten verricht ; — de gronden voor het tegenovergestelde
gevoelen zijn reeds aangegeven: dat die flankmarsch niet ge-
vaarlijk was; dat de beschikkingen, door de bondgenooten bij
dien marsch genomen, zeer goed waren; en dat, als iedereen
zijn plicht had gedaan, die marsch geen nadeelige gevolgen zou
hebben gehad. Maar bij een leger, samengesteld als dat der bond-
genooten, ware het voorzichtig geweest, er niet zoo vast op te
vertrouwen, dat iedereen zijn plicht zou doen.
Over het eerste gedeelte van den slag van Séneffe heeft Rousset
niets nieuws. Opmerkelijk alleen is het, dat hij wel het sneuvelen
van Fourilles vermeldt, maar niet gewaagt van het onrecht, hem
door Condé in zijn blinde drift aangedaan. Die bijzonderheid is
echter, gelooven wij, te duidelijk geboekstaafd, dan dat het ver-
gund zij haar in twijfel te trekken ; — dat doet Rousset dan ook
niet, hij spreekt er alleen niet van.
Ziehier wat verder voorkomt bij den Franschen schrijver (2" deel,
blz. 46 en volgende):
>Ora half elf was de aanval op Séneffe begonnen; om twee
uur was de priorij van Saint-Nicolas vermeesterd. In minder dan
vier uren tijds had Condé dus voordeden behaald, buiten alle
verhouding met de strijdkrachten die hij in gevecht had gebracht
en met de verliezen die hij had geleden, — de dood van Fourilles
uitgezonderd — : het vernielen van een vijandelijk legerkorps, het
gevangennemen van 3000 man des vijands, het veroveren van
een honderdtal vaandels en standaarden, van vijftig pontons, van
de rijtuigen van den Prins van Oranje en van de generaals der
bondgenooten, van een vijftienhonderd voertuigen van allerhanden
aard, van de krijgskas, van de munitie, van de geheele bagage,
kortom het nemen of vernielen van alle hulpmiddelen van den
vijand.
Moest Condé zijn onderneming niet staken, nadat hij zooveel
voordeelen had behaald, en terwijl hij aanvankelijk niet van zins
was een grooten veldslag te leveren? — Dit is een gewichtige
vraag, in zijn nadeel beantwoord door de uitkomst, door het
algemeen gevoelen en door de geschiedenis. Maar de uitkomst
had ook in zijn voordeel kunnen zijn, en zonder twijfel zouden
dan het algemeen gevoelen en de geschiedenis zijn handeling
hebben geprezen. Maar men kan een andere vraag doen, van
meer gewicht, van hooger beteekenis, en waarop het antwoord
in geenen deele afhankelijk is van geluk of van ongeluk.
Digitized by
Google
SLAG VAN SÉNEFFE (l I AUGUSTUS 1674). 95
Hoe komt het dat Condé, tot op den dag vóór den veldslag
voorzichtig en bedachtzaam tot schroomvalligheid toe, zich plot-
seling laat vervoeren tot de meest roekelooze handelingen ? Dat
komt omdat hem — men moet het erkennen — die zedelijke
kracht ontbrak, die zelfbeheersching, die op geest en karakter
den stempel drukken van de ware grootheid. Ais staatsman was
de driftige rebel die de wapenen tegen zijn vaderland voerde, ver-
keerd in den buigzaamsten en meest gedweeën hoveling. Als
krijgsman was de held van den dertigjarigen oorlog de weife-
lende, zwartgallige en zwaarhoofdige veldheer van den oorlog in
Holland geworden. Maar daar doet zich een gelegenheid op,
onverwacht, uitlokkend, de vijand schijnt zich ten val te willen
brengen, en in de hitte van den strijd herleeft nu eensklaps dat
vuur, dat men uitgedoofd waande. Het is alsof de Prins door de
stoutheid van éénen dag de weifelingen van een ganschen veld-
tocht wil doen vergeten, en daarmede de verwijten beantwoorden
die hem diep hebben gegriefd. Hij is overwinnaar, hij wil zijne
overwinning tot het uiterste voortzetten. Turenne heeft eenige
zwakke oogenblikken gehad, maar nooit die uitersten, nooit zulk
een plotselingen en geheelen ommekeer; hij had meer zelfbe-
heersching, meer matiging; daarom is hij de grootste onder de
groote legerhoofden van zijne eeuw; hij is het ideaal van een
krijgsheld. Het roemrijk en voordeelig gevecht bij Séneffe,
waarmede Turenne zich tevreden zou hebben gesteld, bevredigde
Condé niet; hij wilde en waagde meer; hij leverde den veld-
slag van Séneffe, die bloedig is geweest en onbeslist"
Ook Rousset zegt, dat de voornaamste strijd gevoerd is bij
het dorp Fay (2« deel, blz. 49).
>De wezenlijke veldslag werd in het centrum geleverd, tusschen
de infanterie van de beide partijen. De driften en eigenaardig-
heden van de twee legerhoofden hadden zich medegedeeld aan
hunne soldaten: de Franschen onstuimig en vol vuur, evenals
de Prins van Condé; de Hollanders hardnekkig en volhardend,
evenals de Prins van Oranje. Het eene regiment wisselde het
andere af, hetzij om Fay te bestormen, hetzij om het te ver-
dedigen. Het werd avond ; nog betwistte men elkander het bezit
van dit ellendige dorp, dat opgevuld was met dooden en gewon-
den. Het werd nacht; men streed zonder ophouden, bij het
flauwe licht der maan ; toen zij te middernacht onderging achter
den boschrijken heuvel, streed men nog; er was noch overwin-
naar noch overwonnene. Eindelijk hield de worstelstrijd op, dank
zij ook de duisternis en de vermoeidheid..."
Onze opgaven beweren — en wij gelooven op goeden grond — ,
dat de bondgenooten het slagveld verlieten, eerst eenige uren na
den aftocht der Franschen, Rousset daarentegen dat de bondge-
nooten vroeger dan Condé zijn afgetrokken.
Digitized by
Google
96 KRTJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Te Versailles werd de slag van Séneffe aanvankelijk voor een
overwinning gehouden; weldra kreeg men echter de overtuiging
van het tegendeel, vooral toen men bekend werd roet den om-
vang der verliezen van het Fransche leger. De indruk door die
krijgsgebeurtenis in Frankrijk teweeggebracht, wordt door Rousset
op de volgende wijze geschetst (2* deel, blz. 51):
tDit was die bloedige slag van Séneffe, geduchter strijd dan
elke andere tijdens Lodewijk's regeering, de groote veldslagen
van den Spaanschen Successie- oorlog uitgezonderd. De bondge-
nooten hadden 10 ^ 12000 man verloren; maar hun onwrikbare
tegenstand, gedurende tien uren tijds, had den zedelijken indruk
uitgewischt van hunne eerste nederlagen. Wat den Franschen
betreft, bij hunne zegeteekenen van dien ochtend konden zij nog
eenige honderden krijgsgevangenen voegen en 3 of 4 stukken
geschut; maar werkelijk overwonnen hadden zij niet, en zij had-
den overgroote verliezen geleden. Een buitengewoon feit en dat
de hardnekkigheid van den worstelstrijd bewijst, is, dat het getal
dooden schier even groot was als dat der gewonden; de inten-
dant Robert deed bijna 4000 gewonden wegdragen van het slag-
veld en meer dan 3000 dooden begraven.
Het Regiment du Roi — dat model- regiment — had de eer
van zijn naam gehandhaafd, op waardige maar smartelijke wijze :
het had 500 dooden, 600 gewonden ; van de kapiteins waren er
34 buiten gevecht gesteld. Na den naam van dat regiment prijkten
de namen van Navarre, Picardië, Les Vaisseaux en Les Fusiliers
in die glorievolle maar droeve opgave. Du Metz, de bevelhebber
der artillerie, en 19 van zijne officieren waren gevallen of meer
of minder zwaar gewond bij de 6 stukken geschut — naar het
schijnt de eenige artillerie die door de Franschen bij dezen slag
is in werking gebracht. Condé had het voorbeeld gegeven,
en zijn leven gewaagd, zeker meer dan het een legerhoofd be-
taamde; drie paarden waren onder hem gedood; zijn zoon.
Monsieur Ie Duc^ werd gewond, maar licht. De verhouding van
de officieren die men had verloren tot de soldaten, was ook
grooter dan gewoonlijk: 1 officier op 7 soldaten. Toen de op-
gewondenheid van den strijd voorbij was, werd Condé zelf
droevig aangedaan door dit alles : > De Intendant" — zoo schreef
hij aan Louvois — >zal u de naamlijst zenden van al de offi-
cieren die de Koning heeft verloren; dat getal is groot, wat mij
zeer bedroeft; maar waarlijk, het vuur was ook hevig en hield
zoo lang aan. De geheele Fransche infanterie heeft zich voor-
beeldig gedragen; alleen de Zwitsers maken hierop eene uitzon-
dering." (14 Augustus). Werkelijk hadden de Zwitsers der garde
hun ouden roem niet gehandhaafd. Eene batterij vóór zich heb-
bende, die genomen moest worden door een ravijn over te gaan,
> deden zij niet anders," — zegt de markies De La Fare — »dan
Digitized by
Google
SLAG VAN SÉNEFFE (ll AUGUSTUS 1674). 97
het hoofd bukken {plier les épauUs) wnder vooruit te gaan ; en
zij Heten zich doodschieten als menschen die bang zijn." Het is
dus in het nadeel en niet in het voordeel geweest van hun
militairen naam, wanneer zij hier 102 dooden en 140 gewonden
hadden."
Een oogenblik breken wij die aanhaling uit Rousset af, om
hier eene enkele aanmerking te maken op dien blaam, uitge-
sproken over de Zwitsersche garde te Séneffe; wij begrijpen
dien blaam niet, of, beter gezegd, wij achten dien onverdiend
en onbillijk. Wat toch is het geval geweest: omstreeks 5 uur
's namiddags wil Condé twee bataljons van de Zwitsersche garde
een nieuwen aanval laten doen, op het ravijn westelijk van Fay ;
maar ziet van dat voornemen af, omdat die bataljons door hunne
vroegere verliezen bij Fay weinig strijdvaardigheid meer hebben ;
toch blijven die bataljons, achter het ravijn, nog uren lang stand-
houden onder 's vijands kanonvuur, om het deboucheeren van
de bondgenooten uit het bosch van Roeulx te beletten. — Het
komt ons voor, dat hierin niets gelegen is, wat den militairen
naam van de Zwitsersche garde benadeelt; en wij begrijpen dat
gezegde niet, dat >zij zich lieten doodschieten als menschen die
bang zijn." Menschen die bang zijn, laten zich niet doodschieten,
maar loopen weg. Wij gelooven dat Condé hier onrechtvaardig
is geweest ten aanzien van de brave Zwitsers; hij zal zijn kwade
luim op iemand hebben willen uitstorten.
Wij gaan voort met de aanhaling uit Rousset:
>Den dag na een grooten veldslag heeft een intendant een zeer
moeilijke taak ! Weer moet men den intendant Robert dat recht
laten wedervaren, dat hij, toen Condé zoo plotseling zoo over-
groote verliezen had geleden, geen oogenblik verloren liet gaan
om bijstand te verleenen aan hen, wier lijden niet reeds geëin-
digd was door den dood. >Ik heb gemeend," — zoo schreef hij
aan Louvois — >dat het beter was zich wat meer uitgaven te
getroosten, dan het aan iets te laten ontbreken bij de verzorging
van de gewonden. Ik heb meer dan 230 heelmeesters verdeeld
over drie dorpen, waarin ik ook andere hospitaalbeambten heb
geplaatst, en menschen die moeten zorgen voor de voeding van
de gewonden." Louvois, die aanvankelijk aan Turenne had ge-
schreven— meenende de waarheid te zeggen — >aan dooden en
gewonden hebben wij meer dan 100 officieren verloren, en 1000 è.
1200 manschappen": Louvois, die meende goed te hebben ge-
zorgd voor de gewonde officieren, door op de eerste tijdingen
• vier der beste heelmeesters van Parijs" naar het leger te zen-
den; Louvois was geheel buiten zichzelven, toen hij van den
intendant Robert de opgave kreeg van de dooden en gewonden.
WILLEM IIL — II. 7
Digitized by VjOOQIC
98 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
»De officieren," zoo schreef hij aan Condé, » moeten die opgave
verbazend hebben vergroot; want ware zij jubt, dan zouden er
van Zijner Majesteit's leger bij dien veldslag meer dan 7000
man buiten gevecht zijn gesteld." Maar de tijd van de passei'o-
lanterjy van de denkbeeldig gesneuvelden, van de verdichte ver-
liezen, was geheel voorbij; Louvois moest weten, dat hij die
bedriegerijen had doen ophouden. Toch moest de intendant Robert
hem nogmaals de verzekering geven, dat de opgaven juist waren,
vóórdat hij dit wilde erkennen.
Toen de bijzonderheden van den veldslag te Parijs bekend
werden, bracht dit daar eene gerechtvaardigde treurigheid teweeg,
waarvan de indruk aldus wordt geschetst door Madame De
Sévigné: >bij die overwinning," — schrijft zij aan Bussy — > heb-
ben wij zooveel verloren, dat men, zonder het Te Deum en eenige
vaandels die naar Notre-Dame zijn gebracht, zou meenen dat wij
eene nederlaag hadden geleden."
Nog eene bijzonderheid om aan te toonen hoe weinig de
Franschen Séneffe als eene overwinning kunnen beschouwen. £en
leger dat door den vijand is geslagen, gaat niet dadelijk na die
nederlaag een vesting belegeren van dien overwinnenden vijand,
dat is zoo duidelijk als dat tweemaal twee vier is; — en toch,
reeds den 23steQ Augustus — dus pas twaalf dagen na den
slag van Séneffe — schrijft Vauban aan Louvois, dat hij (Vauban)
vreest dat de bondgenooten de eene of andere vesting, Arras,
Dourlens of Doornik zullen belegeren, of in Picardië stroopen.
Louvois betuigt zijne verbazing over die vrees: teen beleg is
eene onmogelijkheid voor den vijand, in den toestand waarin hij
thans verkeert ..."
Maar een brief van Condé, de dagteekening voerende van den
iQCQ Augustus, moest Louvois nog vrij wat meer verbazen. De
toon van dien brief was niet meer die van een overwinnaar. De
Minister, vol zelfvertrouwen, had het afzenden van eenige troepen
gelast; Condé maakt daarop de volgende tegenwerpingen: >ik
hoop dat de Koning de redenen zal billijken, die ik heb gehad
en nóg heb om die troepen geen bevel te geven tot marcheeren ;
daar ik zeker ben dat de vijand, hoezeer hij een gevoelig nadeel
heeft geleden, toch nog altijd bij machte is om iets te onder-
nemen, zoozeer overtrof zijne sterkte de onze; en zonder de
medewerking van die troepen zou ik misschien niet in staat zijn
om hem te beletten tot eene belangrijke onderneming over te
gaan. Daarom verzoek ik den Koning het goed te vinden, dat
ik die troepen bij mij houde totdat gij den brief gelezen hebt
dien ik u schrijf, en, hebt gij dien gelezen, dan hoop ik dat die
troepen bij mij zullen blijven."
Acht dagen na den slag van Séneffe was dus de staat van
zaken in De Nederlanden volkomen dezelfde als acht dagen
Digitized by
Google
OUDENAARDEN. 99
voor dien slag. De Prins van Oranje, vol geestkracht en onver-
biddelijk, had, ook door schrik in te boezemen, zijn leger weer
in orde gebracht en vasten samenhang gegeven; hij had een
majoor der garde doen onthoofden, die zich bij dezen veldslag
slecht had gedragen, vele andere officieren terechtgesteld voor
een krijgsraad, en graaf Monterey genoopt om 18000 man uit
de vestingen te trekken ten einde het leger weer op eene sterkte
van 50000 man te brengen. Zich bewegende in de nabijheid van
Condé, die in zijn legerkamp bleef, hoopte hij hem uit te lokken
tot een nieuwen veldslag; maar ditmaal was Condé verstandig
genoeg om weerstand te bieden aan de verleiding. Toen besloot
Willem III over te gaan tot een beleg..." (Rousset, 2» deel,
blz. 60 — 61).
HOOFDSTUK XIV.
oudenaarden; einde van den veldtocht van 1674 IN DE
SPAANSCHE NEDERLANDEN.
De slag bij SénefTe maakte een stilstand in de krijgsverrich-
tingen noodzakelijk, daar beide partijen behoefte hadden aan het
herstellen van de geledene verliezen. Bij de bondgenooten wer-
den de Spaansche regimenten, die het meest hadden geleden, in
bezetting gelegd in de vestingen van Henegouwen, en de troepen^
die daar waren, aangetrokken bij het leger; evenzoo wilde men
doen met eene afdeeling van 4000 man Spaansche ruiterij, die,
onder d'Aguerto, zich bij Leuse bevond en de Franschen in
onrust hield over hunne nabijliggende vestingen. De Fransche
maarschalk d'Humières, die te Rijssel was geweest, wierp zich,
op bevel van Louvois, met eene kleine afdeeling binnen Ath om
die vesting te beschermen, die men door den vijand bedreigd
meende. Het leger der bondgenooten trok den i8en Augustus
op Quiévrain, tusschen Mons en Valenciennes ; hier vereenigde
zich d'Aguerto daarmede. De bondgenooten waren nu Frankrijk
meer nabij, en Willem UI drong er ten sterkste op aan, weer
aanvallend te handelen ; evenwel moest hiermede worden gewacht
totdat de verlorene bagage, ten minste gedeeltelijk, weer door
andere was vervangen. Met kracht werd in de Brabandsche
steden gearbeid aan het bijeenbrengen van een wagentrein, en
ter vervanging van de verloren krijgskas werd uit Holland eene
som van f 500 000 toegezonden ; van daar kwam ook versterking
aan manschappen, paarden en krijgsvoorraad.
Digitized by
Google
lOO KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Condé, die reeds geruimen tijd aan den Piéton doorgebracht
en de levensmiddelen van de omliggende landstreek opgeteerd
had, besloot zijn kamp te verlaten en tevens den bondgenooten
meer nabij te blijven. Den 2 2 sten Augustus brak hij op van den
Piéton naar Ham-sur-Heüre, op den rechteroever der Sambre;
den volgenden dag ging hij op Bussières, tusschen Thuin en
Solre-sur-Sambre. Uier bleef hij de bewegingen van den vijand
afwachten. Condé's leger was tot op een 35 000 man verminderd;
dat van Willem III zou — volgens Beaurain — weer 55 000 man
hebben bedragen. Het gevaar van een inval in Frankrijk bleef
dus even dreigend; daarom weigerde Condé met reden, om toe
te stemmen in de door Louvois verlangde afzending van een
gedeelte zijns legers naar den Rijn. — Het was toen, dat Lode-
wijk XIV bevel gaf, dat op alle plaatsen die minder dan honderd
uur van de grenzen waren verwijderd, de helft der edellieden
gewapend moesten opkomen om te dienen tot het bezetten van
de vestingen ; — een van de laatste voorbeelden van het oproepen
van den zoogenaamden ban en arrière-ban.
Het kwam evenwel niet tot een inval in Frankrijk. De aan-
sporingen van Willem III vonden geen ingang bij de andere
bevelhebbers; hetzij dat zij het leger te veel verzwakt rekenden
door de bij Séoefïe ondervonden verliezen; hetzij dat zij het
jaargetijde te ver gevorderd oordeelden om nog iets in Frankrijk
te kunnen ondernemen. Eene belegering werd nu voorgeslagen, en,
op aandrang van Monterey, de keus bepaald op Ath; alle be-
schikkingen daartoe waren reeds genomen, en den 7en September
zou eene afdeeling van 5000 man ruiterij de berenning van die
vesting verrichten, toen, vóór dien datum, De Souches weer
aankwam met bedenkingen tegen die onderneming, en eindelijk
ronduit weigerde om tot dat beleg mee te werken.
Er bleef nu niet de minste twijfel meer over, of de Keizerlijke
veldheer wilde in De Nederlanden niets verrichten, en den tijd
nutteloos doen verloopen. Om evenwel nog een glimp te geven
aan zijn gedrag en die schandelijke werkeloosheid eenigszins te
verbergen, stelde De Souches voor, om, in stede van Ath,
Oudenaarden te belegeren; — denkelijk hopende, dat dit voor-
stel tegenstreving zou ontmoeten bij de andere bevelhebbers, en
er dus niets zou worden gedaan. Maar Oranje, ongeduldig om
toch iets te verrichten, stemde dadelijk toe in het voorstel van
den Keizerlijken aanvoerder, en de belegering van Oudenaarden
werd vastgesteld. — Er was anders weinig of geen reden om de
belegering van die vesting te verkiezen boven de belegering van
Ath, want beide plaatsen waren nagenoeg even sterk, even goed
voorzien, en konden evenzeer versterking krijgen door d'Humières,
die toen met eene troepenafdeeling te Doornik stond; Ouden-
Digitized by
Google
OUDENAARDEN. I O I
aarden had zelfs ddt voordeel boven Alh, dat het aan de noord-
en zuidzijde kon worden beschermd door inundatiën.
Den i2en September brak het leger der bondgenooten op van
Quiévrain, ging de Haine over, en kwam te Blaton, tusschen
Leuse en de vesting Condé; den i3en kwam men nabij Ath, den
i4en tot op slechts drie uur afstands van Oudenaarden; 's nachts
werd die vesting berend door eene afdeeling ruiterij, en den i5en
was het geheele leger voor Oudenaarden. Er werden bruggen
geslagen over de Schelde; de Keizerlijken bleven op den rech-
teroever, tusschen het dorp Ettikhoven en de abdij van Ename ;
de Hollanders en Spanjaarden gingen op den linkeroever over;
de eersten plaatsten zich naar de zijde van het dorp Asperen,
de laatsten tusschen de abdij van Peteghem en het kasteel van
Moreghem. Een detachement der bondgenooten was op Harle-
beeke getrokken om te doen gelooven dat men Kortrijk wilde
aanvallen.
Condé — niet wetende welke plaats de bondgenooten wilden
aanvallen, maar het meest vreezende voor Ath, Oudenaarden en
Kortrijk — had eene afdeeling ruiterij en dragonders, onder De
Rannes, naar eerstgenoemde vesting gezonden, met last om daar
te blijven wanneer het bleek dat de bondgenooten Ath wilden
belegeren, maar zich anders naar die plaats te begeven welke
door hen werd bedreigd. De omstreken van Ath werden door
de Franschen zooveel mogelijk verwoest, leeftocht en fourage
opgehaald, en de stadjes Lessines, Chièvres en andere nabij-
zijnde plaatsen in brand gestoken. Het Fransche dagblad van
dien tijd, La gazette de France^ zegt dat die brandstichtingen
plaats hadden op bevel van Condé; Beaurain trekt dit in twijfel
en oordeelt, dat het verbranden van die plaatsen denkelijk moet
worden toegeschreven aan het toeval of aan den moedwil des
soldaats, maar dat het niet te gelooven is dat Condé ooit zulk
een wreed bevel heeft gegeven. Als men zich herinnert wat
Luxembourg in Holland deed en Turenne in de Paltz, dan
komt eene soortgelijke handeling van Condé minder ongeloo-
felijk voor.
De Rannes, bemerkende dat het niet op Ath was gemunt
maar wel op Oudenaarden, verliet eerstgenoemde vesting en
wierp zich intijds, met een deel zijner ruiterij, binnen Ouden-
aarden ; Vauban vergezelde hem. Die beide bevelhebbers schijnen
voornamelijk met de taak der verdediging te zijn belast, dewijl
de opperbevelhebber De Rochepère, vroeger een dapper officier,
thans door zijn hooge jaren minder geschikt was voor die taak.
De bezetting van Oudenaarden bestond toen uit 2500 man, ge-
noegzaam voorzien van levensmiddelen en krijgsbehoeften. De
vesting was niet bijzonder versterkt, de werken waren niet gere-
Digitized by
Google
102 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
vêteerd, eene hoogte op den rechteroever domineerde die wer-
ken van nabij; — maar de onderwaterzettingen maakten een
goed gedeelte van de vesting onaanvalbaar, en gaven daardoor
gelegenheid het overige krachtdadiger te verdedigen; de tegen-
woordigheid van Vauban, de gegronde hoop die men koesterde
van spoedig Condé ter hulp te zien opdagen^ moesten aanmer-
kelijk bijdragen om het krachtdadige van die verdediging te ver*
hoogen.
Dadelijk bij de insluiting van de vesting, den i sen September,,
deed De Rochepère met een 700 man een uitval, die echter met
verlies werd teruggeslagen. De bondgenooten gingen toen onver-
wijld over tot het aanleggen van eene circumvallatie-linie, waar-
toe een aantal arbeiders waren bijeengebracht; er wordt vermeld,
dat die arbeid door de Keizerlijken weer met de meeste traag-
heid werd verricht, hoezeer zij het grootste aantal arbeiders tot
hunne beschikking hadden. Eerst den 1700 's avonds werden de
loopgraven geopend ; op den linkeroever van de Schelde werden
twee nadernissen gemaakt, door de Hollanders over den weg naar
Gent, door de Spanjaarden rechts daarvan en sluitende aan de
onderwaterzetting; de Fransche ingenieurs, die na het opbreken
van het beleg de aanvalswerken zagen, zwaaien hoogen lof toe
aan de door de Hollanders gemaakte loopgraven. De aanval op
den rechteroever, door de Keizerlijken, was zeer onregelmatig,
en bestond hoofdzakelijk in het opwerpen en in werking brengen
van eenige batterijen. Er moeten op eiken oever van de Schelde
drie batterijen zijn geweest, in het geheel bewapend met 50 stuk-
ken zwaar geschut, behalve nog de mortieren ; die artillerie was,
over water, van Gent gekomen.
Volgens sommige opgaven werden de batterijen der belegeraars
den tóen en i7ea September opgeworpen en begonnen zij dade-
lijk haar vuur; volgens andere opgaven gebeurde dit eerst twee
dagen later. Dit vuur, met hevigheid aangevangen, kon niet vol-
doende worden beantwoord door de minder sterke artillerie van
de belegerden; en de aanvalswerken werden met zooveel nadruk
voortgezet, dat de Stadhouder reeds den iQcn een gedeelte van
den bedekten weg deed bestormen ; die storm werd echter afge-
slagen. In den nacht van den iQcn op den 2osten September
waren de loopgraven tot op een honderd pas afstand s van de
palissadeering van den bedekten weg gekomen; er werd toen
bepaald dat den volgenden nacht een algemeene aanval op dien
bedekten weg verricht zoude worden. — Maar de komst van
Condé verhinderde de uitvoering van dit voornemen.
Op het eerste bericht dat de bondgenooten waren opgebroken
van Quiévrain, had de Fransche veldheer zich ook in beweging
gesteld, om den vijand meer nabij te komen en beter gade te
Digitized by
Google
OUDENAARDEN. 103
slaan. Den 1400 September trok het Fransche leger van Bussière
op Feignies, aan gene zijde van de Sambre, voorbij Maubeuge*^
den i5en ging de niarsch op Bavay, den i6en op Quiévrain»
Condé had toen de zekerheid, dat de bondgenooten voornemena
waren om Oudenaarden te belegeren, en de Fransche veldheer
besloot een veldslag te wagen om die vesting te hulp te komen»
Vereenigd met eene afdeeling van 7 k 8000 man, door d'Humières
uit verschillende vestingen van het noorden van Frankrijk bijeen-
gebracht, zou Condé eene legermacht van ruim 40000 man
hebben, — volgens Rousset 50000; — de vijand mocht al iets
sterker zijn, toch oordeelde Condé dat het zaak was om slag te
leveren : de betere samenstelling van het Fransche leger gaf het
meer kansen op de overwinning; bovendien zoude hij, — en dit
besliste alles, — door ongehinderd toe te laten dat Oudenaarden
werd ingenomen,' het bewijs leveren dat SénefTe eene nederlaag
was geweest voor het Fransche leger. De eer der wapenen vor-
derde hier gebiedend Oudenaarden te hulp te komen, en de later
ontvangen bevelen van het Fransche hof stemden dan ook over-
een met die inzichten van Condé.
Het Fransche leger brak op van Quiévrain, ging de Haine
over, en kwam den lyen te Peruwelz, twee k drie uur ten noord-
westen van de vesting Condé. De marsch, herhaaldelijk plaats
hebbende in de nabijheid van de vijandelijke vestingen, werd
evenwel daardoor weinig bemoeilijkt, omdat de vijandelijke be-
zettingen daartoe te zwak waren. Den i8en ging de marsch op
Doornik; den 19611 trok men daar de Schelde over, en kwam
men te Ëspierre; dien dag had de vereeniging plaats met de
legerafdeeling van d'Humières. Te Ëspierre was men nog een
uur of vijf van Oudenaarden verwijderd.
Den 20sien September rukte het Fransche leger naar die ves-
ting op^ en daar Condé dien dag een veldslag verwachtte, waren
er bij dien marsch meer dan gewone veiligheidsmaatregelen ge-
nomen. Het leger was daarbij in drie colonnen verdeeld: de
rechter colonne, onder Navailles, volgde den weg van Doornik
op Oudenaarden, die langs den linkeroever der Schelde liep ; de
middelste colonne, onder Luxembourg, liet het dorp Saint-Genois
ter linkerhand liggen, en marcheerde op Tighem; de linker
colonne, door d'Humières aangevoerd, liet Saint-Genois rechts
liggen, en marcheerde op Otteghem. Die colonnen bestonden uit
ruiterij en voetvolk, en aan het hoofd van elke colonne had men
4 stukken geschut (4- ponders), en wagens met munitie en ge-
reedschappen benevens de noodige pioniers. Bij elke colonne
had men een vrij sterke voorhoede, bestaande uit ruiterij en
dragonders. De wegen, door die drie colonnen gevolgd, waren
nagenoeg evenwijdig ; de afstand tusschen de beide uiterste wegen
bedroeg gemiddeld een uur gaans; aanmerkelijke terreinhinder-
Digitized by
Google
104 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
nissen daartusschen waren er niet. De colonnen hadden last om
halt te houden nagenoeg halfweg Oudenaarden, de rechter colonne
te Warmaerde, de middelste te Tighem, de linker te Otteghem;
óéiéLr zouden zij nadere bevelen ontvangen.
De bondgenooten, voor Oudenaarden gelegerd, hadden zich
omgeven met eene verschanste linie; maar volgens alle opgaven
moet die linie, in haast opgeworpen, slechts eene geringe sterkte
hebben gehad; bovendien was hare uitgestrektheid zeer groot,
omstreeks drie uren gaans, 'en werd zij doorsneden door de
Schelde, over welke men alleen door bruggen beneden Ouden-
aarden de gemeenschap tusschen de verschillende deelen kon
onderhouden. Bovenwaarts werd dit belet door de onderwater-
zetting, die zich uitstrekte tot de abdij van Peteghem, op bijna
een uur gaans van de stad. Het omliggende terrein had, op den
linkeroever der Schelde, domineerende hoogten, welke zeer nabij
de liniën der bondgenooten waren; ook daardoor leverde de
verdediging van die zwakke verschansingen weinig gunstige kan-
sen op. Buiten de liniën hadden de bondgenooten de abdij van
Peteghem bezet met eene kleine afdeeling, die zich daar zoo
goed mogelijk ter verdediging had ingericht.
Toen dan ook de tijding inkwam van den opmarsch van Condé,
oordeelde Willem III het ongeraden om binnen de liniën den
aanval van het Fransche leger af te wachten; hij stelde daarom
aan de andere bevelhebbers voor, den vijand oogenblikkelijk te
gemoet te rukken, en hem gedurende den marsch aan te vallen ;
of wel, wanneer men die handeling te stout oordeelde, ten minste
stelling te nemen op de hoogten buiten de liniën, en daar den
aanval van Condé af te wachten. Maar ook hier ondervond de
Stadhouder weer de gewone tegenwerking van De Souches, zijn
kwaden genius gedurende dezen geheelen veldtocht. De Kei-
zerlijke aanvoerder had weer honderd bedenkingen, zwarigheden
en tegenwerpingen; zoodat de dag van den 2osten September
verliep zonder dat er aan het eene of andere van de voorstellen
des Stadhouders eenig gevolg werd gegeven. Wel ging het Kei-
zerlijke leger den aosteo op den linkeroever van de Schelde over,
maar dat De Souches stellig voornemens was geen deel te nemen
' aan een veldslag tegen Condé, blijkt ten duidelijkste daaruit, dat,
toen gedurende den nacht de bondgenooten hunne bagage naar
Gent verzonden, de Keizerlijke aanvoerder ook het grootste ge-
deelte van zijn geschut en van zijne munitie derwaarts deed ver-
trekken.
Condé, die bij het vooruitrukken zich bij de voorhoede op-
hield, ontdekte tot zijn groote blijdschap, dat de hoogten nabij
Oudenaarden onbezet waren gebleven. De Fransche veldheer kon
die hoogten niet dadelijk in bezit nemen, omdat hij nog maar
weinig troepen bij zich had, en het dus te vreezen was dat de
Digitized by
Google
OUDENAARDEN. 105
overmacht van den vijand hem spoedig weer van die hoogten
zou verdrijven. Hij bleef dus in de nabijheid bedekt standhouden,
aan de verschillende colonnen bevel zendende om den marsch
voort te zetten. Langzaamheid was toen echter onafscheidelijk
van eiken marsch, en hoezeer het Fransche leger zich met het
krieken van den dag in beweging had gesteld, was het toch avond
toen het hoofd der colonnen te Ëlseghem aankwam, een klein
kwartieruurs ten westen van de abdij van Peteghem; men had
toen een afstand van 4 uur afgelegd.
Om den vijand in den waan te brengen dat de aanval ook op
den rechteroever van de Schelde zou plaats hebben, deed Condé
een brug slaan bovenwaarts van de onderwaterzetting, en tegen
den avond de abdij van Peteghem aanvallen. Die aanval, voor-
bereid door geschutvuur, werd uitgevoerd door dragonders en
door andere troepen. De bondgenooten verdedigden zich tot in
den nacht, en ontruimden toen dien post: hierbij verzuimden zij
eenige vaartuigen te vernielen, die zich bij de abdij bevonden.
Dadelijk maakte Condé daarvan gebruik om, over de onder-
waterzetting, een zijner officieren binnen Oudenaarden te doen
komen; deze berichtte daar de nabijheid van den Franschen
veldheer en zijn voornemen om den vijand aan te vallen, en
bracht tevens het bevel over, om, door het openen der sluizen
in de stad, de bruggen te vernielen van de bondgenooten op
het lagere gedeelte van de rivier. Dit geschiedde, maar bleef
zonder de verlangde uitwerking, hoezeer men zware boomstammen
de rivier deed afdrijven ; van de drie bruggen ondervond slechts
ééne eenige schade, die spoedig werd hersteld; zoodat de over-
gang van het Keizerlijke leger ongehinderd kon voortgaan.
Na de vermeestering der abdij van Peteghem, deed Condé zijn
rechtervleugel daar aanleunen; zijne slagorde volgde de richting
der hoogten tot het dorp Hoeike waar de linkervleugel aan-
leunde; door die slagorde der Franschen werd een goed ge-
deelte van de verschansingen der bondgenooten op den linker-
oever van de Schelde omgeven. Het leger van Condé bracht
hier — iets ongewoons — den nacht door in een bivot4ac^ en
wachtte daar den ochtendstond af als het oogenblik voor den
aanval op de vijandelijke liniën.
Te laat zag men bij de bondgenooten in, dat men den tijd
met raadplegen had verspild, en dat het gunstige oogenblik om
slag te leveren en het beleg voort te zetten, vervlogen was:
Condé *s leger gedurende den opmarsch aan te vallen ging niet
meer; de hoogten bij de liniën waren door den vijand bezet;
den aanval afwachten binnen die liniën was onraadzaam; — er
bleef dus niets anders over dan het beleg op te breken, de
liniën te verlaten, en meer noordwaarts eene betere stelling te
Digitized by
Google
I06 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
kiezen. Nóg vereischte die terugtrekkende beweging, in het ge-
zicht van een sterken en werkzamen vijand, eene groote mate
van beleid, wilde men zich daarbij niet aan eene nederlaag
blootstellen.
In den vroegen ochtend van den sisten September wordt die
terugtocht ondernomen; en, met veel bekwaamheid uitgevoerd
en begunstigd door een zwaren nevel, geschiedt hij zonder eenig
verlies. Het Keizerlijke leger neemt hierbij de taak waar van
eene achterhoede ; het plaatst zich nabij den vijand, het bedreigt
de linkerflank en den rug van Condé's leger, en belet dit daar-
door de Hollandsche en Spaansche troepen te vervolgen, die
over en nabij den weg van Gent terugtrekken, > nogal in wan-
orde" — zegt Beaurain. Tegen den middag, toen de nevel op-
trekt, staat het leger der bondgenooten in slagorde achter een
beekje dat langs het dorp Asperen loopt, een paar uur ten
noorden van Oudenaarden. Condé volgde den vijand derwaarts,
en nam stelling aan deze zijde van de beek, tegenover de bond-
genooten. Gedurende den geheelen dag van den 21 sten, en den
voormiddag van den 22stcn stonden de beide legers zoo in
elkanders nabijheid; alles bepaalde zich tot een wederzijdsch
kanonvuur. Oranje, die een veldslag wilde, vond daarin de hard-
nekkigste tegenkanting bij De Souches, en was genoodzaakt toe
te geven; en op den middag van den 2 asten had de terugtocht
plaats op Gent, die door Condé niet in het minst werd be-
moeilijkt.
Zoo eindigde die onderneming op Oudenaarden geheel in het
nadeel van de bondgenooten, geheel in het voordeel van Condé,
die, door zijn stout vooruitrukken tot hulp van die vesting, het
bewijs gaf dat hij bij Séneffe niet was geslagen. Moet men even-
wel, uit dat mislukken van die onderneming, met Feuquières
besluiten, dat het belegeren van Oudenaarden bij den Stadhouder
aanduidt vermetelheid en gemis aan ondervinding f — verre van
daar; zulk een oordeel is, gelooven wij, geheel onrechtvaardig.
Het was niet de Stadhouder, die dat beleg van Oudenaarden had
voorgestaan: hij had alleen zijne toestemming daartoe gegeven,
omdat men niets anders wilde doen, en omdat hij — en terecht! —
niet werkeloos wilde blijven. Die werkeloosheid toch zou den
opgeblazen berichten der Franschen over hunne zege bij Séneffe
een schijn van waarheid hebben bijgezet; terwijl daarentegen
de vermeestering van Oudenaarden, zelfs de enkele poging daar*
toe, Europa het bewijs zou geven, hoe weinig recht Condé had
om zich overwinnaar te noemen in den strijd bij Séneffe. En
die inneming van Oudenaarden was in geenen deele onmogelijk
of onwaarschijnlijk: wanneer aan Oranje's voorstel was gehoor
gegeven om Condé's leger aan te vallen gedurende den opmarsch,
Digitized by
Google
EINDE VAN DEN VELDTOCHT VAN 1674, ENZ. I07
of om Stelling te nemen op de hoogten nabij de liniën^ dan
was het zeer goed mogelijk geweest het vijandelijke leger terug
te slaan, en daarna de vesting te doen vallen. Dat dit niet is
gebeurd, waaraan is dat te wijten? — niet aan den Stadhouder;
maar aan de tegenwerking, de ongehoorzaamheid, men mag
bijna zeggen het verraad van De Souches.
Het is uit de geschiedenis bekend, welk een hevige en recht-
matige toorn Oranje bezielde over dat onwaardig gedrag van De
Souches, en hoe hij met moeite weerhouden werd om over te
gaan tot daden van geweld tegen dien aanvoerder. De Stadhouder,
de Staten-Generaal en de landvoogd der Spaansche Nederlanden
brachten hunne klachten in bij den Keizer over de handelingen
van diens veldheer ; die klachten hadden niets anders ten gevolge
dan de terugroeping van De Souches en zijne vervanging door
Sporck; hierbij bepaalde het zich, en er werd geen verdere af-
keuring uitgesproken over verrichtingen, die denkelijk door de
Keizerlijke staatsdienaars zoo waren voorgeschreven.
Die terugroeping van De Souches had echter eerst later plaats.
Intusschen verliet Oranje, onwillig om langer samen werkzaam
te zijn met dien aanvoerder, na eenige onderhandelingen met
Monterey, den 6en October het kamp te Afflighem, nabij Aalst,
om naar Holland terug te keeren. De Stadhouder wilde in per-
soon de belegering van Grave voortzetten; — reeds vroeger
waren een 3000 man voetvolk en 3000 ruiters uit het Hollandsche
leger derwaarts gezonden.
De krijgsverrichtingen van 1674 in de Spaansche Nederlanden
kunnen gezegd worden hiermede op te houden; er hebben
daarna slechts onbeduidende bewegingen plaats. De bondge-
nooten waren den 26sten September overgegaan op den rechter-
oever van de Schelde, trokken den 3en October de Dender over
bij Aalst, en sloegen een kamp op bij AfBighem. Condé's leger
had den 27sten September Oudenaarden verlaten, en stond den
2en October nabij Ath; van daar trok het den i2en naar Door-
nik, ging den 1360 de Schelde over, en verdeelde zich toen in
winterkwartieren. Reeds vroeger waren 50 eskadrons en 10 of
12 bataljons naar den Elzas gezonden, om Turennc te verster-
ken. Aan de Hollandsche zijde waren ook reeds eenige regi-
menten, de bagage en het zware geschut naar Holland terugge-
zonden. De Spanjaarden verdeelden zich ook van lieverlede over
hunne steden, en met het einde van October was de geheele
macht der bondgenooten uiteen.
De Keizerlijke krijgsmacht, alles plunderende en verwoestende
alsof zij • in het land was van den ergsten vijand, keerde terug
naar den rechteroever van de Maas; zij maakte zich daar meester
Digitized by
Google
I08 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
van Hoey, en hernam Dinant, waaruit de Luikenaars vroeger de
Keizerlijke bezetting hadden verdreven. Sporck deed toen zijn
leger winterkwartieren betrekken in Bergsland, Gulik en op
Keulsch grondgebied. Eene Hollandsche troepenafdeeling van
een 3 a 4000 raan, onder Fariaux, was ook voortgerukt op Keulsch
grondgebied om kracht bij te zetten aan eenige geldelijke vor-
deringen tegenover den Keurvorst; korten tijd bestond ook het
voornemen om door die afdeeling van Fariaux, in verband met
het Keizerlijke leger en met de Spaansche troepen die in het
Luxemburgsche kantonneerden, Trier te doen belegeren *, — van
dat beleg kwam echter niets, en Fariaux keerde naar de Maas terug.
Rousset schaart zich bij wat hij zegt over de onderneming
tegen Oudenaarden, aan de zijde van hen die ongunstig oor-
deelen over het beleid van Willem III bij deze gelegenheid.
Alvorens mede te deelen wat de schrijver der Histoire de Louvois
over dit onderwerp zegt, laten wij hier voorafgaan wat die
schrijver zegt over de stappen, toen door Louvois gedaan om
vredesonderhandelingen te beginnen met de Republiek.
Ternauwernood was de kruitdamp van Séneffe opgetrokken,
of Louvois maakte gebruik van de overwinning, die Frankrijk daar
naar hij meende had behaald, om bij de Republiek — beter
gezegd, bij Willem III — aan te komen met voorstellen tot
vrede. Wat waren, in twee jaren tijds, de rollen omgekeerd: in
den zomer van 1672 de Republiek aan Frankrijk den vrede af-
smeekende, en tevergeefs; in den zomer van 1674 Frankrijk dien
vrede aanbiedende aan de Republiek, maar op zijn beurt daar
niets ontmoetende dan onwil en weigering! Over de opening tot
vredesonderhandelingen vindt men bij Rousset het volgende
(2« deel, blz. 56—58):
> Reeds den 29sten Mei had hij" (Louvois) »aan graaf d'Estra-
des — wiens oude betrekkingen met het huis van Oranje opnieuw
waren aangeknoopt door tusschenkomst van den heer De Launoy —
voorschriften gezonden, ten doel hebbende tot eene rechtstreeksche
onderhandeling te geraken tusschen den Prins van Oranje en
Lodewijk XIV. De Prins, zeide men, had ongetwijfeld te veel
verstand om geloof te slaan aan wat kwaadwilligen valschelijk
verspreidden, dat de Koning van Frankrijk hem ongenegen was
en hem verachtte ; terwijl de waarheid was, dat de Koning niets
liever wenschte dan den Stadhouder behulpzaam te zijn in het
handhaven van diens gezag, tegen de welbekende ijverzucht van
de Staten-Generaal." (In eene noot leest men: > Alles wat te
Utrecht gezegd is tegen Zijne Hoogheid, geeft hem de over-
tuiging dat de Koning van Frankrijk weinig met hem op
heeft." — Brief van den 3osten April van den correspondent van
d'Estrades).
Digitized by
Google
EINDE VAN DEN VELDTOCHT VAN 1674, ENZ. I09
> Hoewel die poging tot toenadering geen weerklank had ge-
vonden, werd Louvois daardoor niet afgeschrikt. Ternauwernood
had hij de eerste tijding gekregen van den slag van Séneffe, of,
er niet aan twijfelende dat daardoor verslagenheid en onderlinge
verdeeldheid zou ontstaan bij de bondgenooten, hervatte hij
zijne poging, en stelde voor om den knoop door te hakken en
msLSLT dadelijk vrede te sluiten te Maastricht, voordat iemand er
iets van wist. *t Is waar, moet men den correspondent van d*Es-
trades gelooven, dan had de Prins van Oranje in het eerste
oogenblik eene hevige verbittering aan den dag gelegd tegen de
Spanjaarden: >hij is,*' — zeide die briefschrijver — iten hoogste
vertoornd tegen dat vervloekte ras." (Brief van den i4en Augustus
aan d'£strades).
Tot nu toe had Louvois slechts onbepaalde en algemeene
voorstellen gedaan; den iQen Augustus kwam hij voor den dag
met iets stelligst voor den Prins van Oranje, de erfelijkheid van
het Stadhouderschap in het huis van Nassau, en de handhaving
van de buitengewone macht thans uitgeoefend door den Stadhou-
der; >het aanzien van den Prins van Oranje," — zeide hij —
>dat thans alleen schijnt te berusten op een geweldigen toestand
van zaken die waarschijnlijk niet kan duren, zou dan een vasten
steun vinden in de vriendschap van Zijne Majesteit. Wat Duitsch-
land aanging, daarmede moest men terugkeeren tot den vrede
van Westfalen ; met de Spanjaarden, tot den vrede van Aken, —
behalve dat Franche-Comté aan Frankrijk werd afgestaan; ein-
delijk, een wapenstilstand van twee maanden om aan de Duit-
schers en Spanjaarden tijd te geven om die voorwaarden te over-
wegen en aan te nemen; maar in ieder geval zou de vrede
worden gesloten en geteekend door den Koning van Frankrijk
en door den Prins van Oranje, handelende voor de Staten-Gene-
raal. — Het is van belang hierbij op te merken, dat Louvois
zich volstrekt niet uitliet over de vorderingen van de Hollanders,
met name over het teruggeven van Grave en Maastricht.
Maar de Prins van Oranje had zich reeds weer verzoend met
de Spanjaarden, en was besloten zijne belangen niet af te schei-
den van die van Holland, en de belangen van Holland niet van
die harer bondgenooten. Toch, — meer om de geheime en
wezenlijke bedoelingen van Lodewijk XIV te leeren kennen, dan
om in ernst vredesonderhandelingen te beginnen — , stemde hij
er in toe, den griffier van de Provincie Utrecht, Pesters, een
bloedverwant en vriend van den raadpensionaris Fagel, naar
Maastricht te zenden, naar graaf d'£strades. Louvois, van zijne
zijde, gaf den graaf de aanbeveling om den Hollandschen ge-
machtigde te laten spreken, zijne voorstellen aan te hooren, en
niet dan met de uiterste omzichtigheid 'sKonings laatste besluit
kenbaar te maken, daarin bestaande om Grave terug te geven,
Digitized by
Google
IIO KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
maar Maastricht 'te behouden onder betaling van eene aanmer-
kelijke somme gelds aan den Prins van Oranje. Graaf d'Estrades
had geen gelegenheid om veel slimheid aan den dag te leggen,
want Pesters begon met te verklaren, dat hij alleen kon onder-
handelen op den grondslag van den Westfaalschen en van den
Pyreneeschen vrede, daaronder begrepen het herstel van de
heerschappij van den hertog van Lotharingen; toch gaf hij te
verslaan, bij een tweede samenkomst, dat de Prins van Oranje
de Spanjaarden er toe zou kunnen overhalen om niet aan te
dringen op een geheelen terugkeer tot den Pyreneeschen vrede,
mits de koning van Frankrijk hun, behalve Franche-Comte, nog
Ath en Charleroi in De Nederlanden teruggaf. Onder die voor-
waarden was het onmogelijk om tot een vergelijk te komen; en
de onderhandelingen werden, zoo niet afgebroken, ten minste
geschorst door het vertrek van Pesters, die naar den Prins van
Oranje ging om. zoo hij zeide, nieuwe voorschriften te ontvangen."
Die onderhandelingen leiden dus tot niets; de vijandelijkheden
gaan voort; elk der wederzijdsche legerhoofden wil het bewijs
geven, dat hij de overwinnaar is geweest te Séneffe; de onder-
neming op Oudenaarden heeft plaats. Ziehier wat Rousset van
die onderneming zegt (Hhtoire de Louvoh^ 2" deel, blz. 61—63):
>De Prins van Condé had zich gehaast om den maarschalk
d'Humières, met een troepenkorps uit de vestingen van Fransch-
Vlaanderen bijeengebracht, tot zich te trekken. Na hunne ver-
eeniging bij Doornik was het leger weer ongeveer 50000 man
sterk. Den 21 sten, 's ochtends, was Condé voornemens de cir-
cumvallatie-linie van de belegeraars aan te vallen; een zware
nevel deed dien aanval uitstellen tot negen uur; toen die optrok,
was de linie verlaten. De vijand had 's nachts het beleg opge-
broken, met zooveel overhaasting, dat men in zijn legerplaats
12000 zakken met meel vond, veel gereedschappen, en krijgs-
behoeften. Maar de Prins van Oranje wilde den schijn niet heb-
ben van de vlucht te nemen voor den vijand dien hij zoo vaak
had uitgedaagd. Vier en twintig uur lang bleven de twee legers
tegenover elkander staan, zonder slaags te raken. Condé oor-
deelde terecht, dat het verstandiger was om zich tevreden te
stellen met het zedelijk voordeel dat noodwendig moest voort-
spruiten uit het doen opbreken van het beleg; de ondervinding
van Séneffe had hem overtuigd en bekeerd. >Tot op den middag
van heden," — zoo schreef hij den 2 2 sten September aan Lou-
vois — > hebben de vijand en wij tegenover elkander gestaan;
eene beek en eene breede sloot tusschen de beide legers, hebben
ons wederzijds verhinderd in gevecht te komen, en alles heeft
zich bepaald tot een aantal kanonschoten van onze zijde, terwijl
wij zelven daarbij geen gevaar liepen, omdat zij al hun geschut
en de bagage reeds vooraf hadden teruggezonden naar Gent.
Digitized by
Google
EINDE VAN DEN VELDTOCHT VAN 1674, ENZ. III
Heden zijn zij afgetrokken in die richting; De Souches, met het
Keizerlijke leger, maakte de achterhoede uit, en heeft zich zeer
goed van zijn taak gekweten."
Alle moeite die de Prins van Oranje zich gaf om aan dien
terugtocht een krachtig en ordelijk aanzien te geven, nam
niet weg, dat het toch een terugtocht was, dat wil zeggen een
wezenlijk nadeel voor hem, en voor Frankrijk >een voordeel,
belangrijk op zichzelf, in den toestand waarin men verkeerde."
(Brief van Louvois aan Condé; 23 September). Hoe was het
mogelijk, dat hij die onderneming op Oudenaarden waagde? Het
terrein was ongunstig voor den belegeraar, het was slecht ge-
kozen, het werd gedomineerd door hoogten, en doorsneden door
de Schelde, die de onderlinge gemeenschap van de kwartieren
moeilijk maakte; Vauban was binnen de vesting; en, wat alles
afdeed, de hoofden der bondgenooten waren het onderling oneens.
Tusschen den Prins van Oranje en graaf Monterey was geen
goede verstandhouding meer mogelijk. £enige dagen later ging
dit groote leger uiteen. De Spanjaarden keerden terug naar
hunne steden ; de Duitschers, naar hun land terugkeerende, von-
den eene gemakkelijke maar vrij onbeteekenende voldoening in
het ver meesteren van Hoey en van Dinant, twee kleine steden
aan de Maas gelegen, tusschen de Fransche grenzen en Maas-
tricht; en de Prins van Oranje, die niet wilde terugkomen in
Holland zonder zelf een voordeel te hebben behaald, vertrok
naar Grave, naar Rabenhaupt, zijn onderbevelhebber, die reeds
meer dan twee maanden die vesting vruchteloos belegerde."
Het gaat niet aan, om, tegen de waarheid in, alle militaire
handelingen van Willem III te willen roemen en als meesterlijke
handelingen voor te stellen; neen, ook het gebrekkige daarin
moet worden erkend; en zeer zeker, wanneer men alleen het
oordeel volgt van de meeste Fransche schrijvers, dan moet ge-
zegd worden, dat het laatste gedeelte van den veldtocht van
1674 door den Stadhouder gebrekkig is geleid. Maar is dat oor-
deel van die Fransche schrijvers juist en waar? — Het is ge-
oorloofd dit te ontkennen, als men let op de volgende niet te
loochenen feiten : dat, na Séneffe, Willem III een inval in Frank-
rijk heeft willen doen; dat hij, op aandrang der andere leger-
hoofden afziende van dien inval, toen, in overeenstemming met
Monterey, Ath heeft willen belegeren ; dat, ook hierin, De Souches
hinderpalen in den weg heeft gelegd; dat, eerst toen, de Stad-
houder besloten heeft tot het beleg van Oudenaarden, omdat hij
beter oordeelde, ddt te doen, dan niets te doen; en dat de
Prins van Oranje wel degelijk het voornemen had om Condé bij
Oudenaarden slag te leven, maar dit voornemen weer is verijdeld
door de schuld van De Souches. — Ziedaar eene voorstelling,
Digitized by
Google
112 KRIJOS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
die een gunstig denkbeeld geeft van de handelingen van Willem III
als legerhoofd, bij dit einde van den veldtocht van 1674 in de
Spaansche Nederlanden.
Maar is die voorstelling ook misschien te partijdig, te Hol-
landsch, te Oranjegezin d ? — Geenszins; want de feiten waarop
die voorstelling is gebouwd, zijn hoofdzakelijk ontleend aan het
werk van Beaurain over den veldtocht van 1674; en Beaurain is,
met al zijn nauwkeurigheid en waarheidsliefde, toch altijd Fransch-
man, en heeft voornamelijk gebruik gemaakt van de papieren en
opgaven van Condé zelven; Beaurain kan dus niet verdacht
worden van partijdigheid ten voordeele van het HoUandsche
leger en van Willem III.
HOOFDSTUK XV.
BELEG VAN GRAVE.
Het beleg van Grave in 1674 heeft eene welverdiende ver-
maardheid verkregen en mag aan geen krijgskundige vreemd
zijn gebleven. Maar juist dit maakt de behandeling van dit beleg
moeilijk: er valt bijna niets nieuws meer van te zeggen; het is
een afgemaaid veld waarop weinig meer valt te lezen. Bekwame
schrijvers hebben, vooral in deze eeuw, dat beleg zoo uitvoerig
en goed beschreven, dat er aan die beschrijving bijna niets valt
toe te voegen; en wij zullen ons dus dikwijls moeten bepalen^
met hier slechts kortelijk die feiten te vermelden, die reeds zoo
algemeen bekend zijn.
Ééne aanmerking — moeten wij zeggen, een verwijt? — kun-
nen wij echter niet achterwege laten ten opzichte van de meeste
schrijvers die het beleg van Grave van 1674 hebben behandeld;
het is: dat zij dat beleg te veel, te uitsluitend uit het oogpunt
der Franschen hebben beschouwd; dat zij te uitsluitend hebben
gebruik gemaakt van de opgaven van de Fransche zijde afkom-
stig, en ónze schrijvers te weinig hebben geraadpleegd, of te
weinig hebben geloofd; dat zij daardoor de ontegenzeggelijk
groote daden van Chamilly hebben overdreven en nog grooter
hebben gemaakt dan zij werkelijk geweest zijn; en dat zij te
weinig recht hebben gedaan — wij zullen niet zeggen aan de
bekwaamheid, want die is niet uitstekend geweest, maar — aan
de buitengewone dapperheid van de belegeraars.
't Is waar, wanneer men bij het behandelen van krijgskundige
Digitized by
Google
BELEG VAN GR AVE. 1 13
onderwerpen voornamelijk Fransche schrijvers raadpleegt en volgt,
dan is daarvoor eene zeer verschoonende reden aan te voeren:
het zijn deskundigen; zij stellen de gebeurtenissen begrijpelijk,
duidelijk, helder voor; zij oordeelen met juistheid daarover; zij
overdrijven wel, zij maken zich soms wel schuldig aan onwaar-
heid ; maar zelfs die onwaarheid weten zij waarschijnlijk te maken.
Hoe verward, hoe duister, hoe onhandig zijn daarentegen de
krijgsverhalen door onze schrijvers gegeven ! wat een volslagen
onkunde in krijgszaken, wat een volkomen gemis aan oordeel is
op schier elke bladzijde bij hen op te merken ! Hoe is hun ver-
haal opgevuld met tegenstrijdigheden en onwaarschijnlijkheden;
hoe boeken zij daarbij met den belachelijksten ernst de beuzel-
achtigste bijzonderheden, en verzuimen zij te vermelden wat
wezenlijk gewichtig en belangrijk is ! Waarlijk, wanneer de groote
krijgsdaden van Willem III dikwijls zoo miskend zijn, dan is dit
voor een groot gedeelte te wijten aan de gebrekkige en ellendige
wijze, waarop die daden door den tijdgenoot zijn geboekt.
Wij hebben, zooals natuurlijk is, ook de oudere Hollandsche
schrijvers over het beleg van Grave van 1674 gelezen; — maar
wat hebben wij er ons over moeten ergeren, dat die schrijvers
zoo verre beneden hun onderwerp zijn gebleven!
Wil een onzer lezers zich van die waarheid overtuigen, hij
neme, onder anderen, Sylvius maar eens onder handen, — Syl-
vius, waarlijk geen schrijver van vlugschriften, zooals de lijvigheid
zijner boekdeelen ten volle getuigt. Men zal daar ieder oogen-
blik de vreemdste tegenspraak en de zonderlingste, kinderach-
tigste bijzonderheden vinden; maar wij tarten den bekwaamste
om zich uit diens geschriften een duidelijk denkbeeld te maken
van het vermaarde beleg. Hetzelfde feit wordt daar op twee
verschillende plaatsen dikwijls ook geheel verschillend verhaald,
en de schrijver denkt er niet in hei minst aan, die tegen-
strijdigheid op te helderen. Zoo, bij voorbeeld, vermeldt hij op
bladzijde 91 het gevecht van Middelweert — bij Mook — op
den isen Juli 1674, en zegt dat de Franschen daar verloren
> 1 5 gevangenen waaronder 7 officieren, en dat zij wel 20 wagens
met dood^n en gewonden naar Grave voerden"; — en een
twintig bladzijden verder — zeker vergetende wat op bladzijde
91 was gezegd — , wordt het verlies der Franschen begroot op
1250 dooden en 40 gevangenen, waaronder 9 officieren, en dat
zij wel 30 wagens met dooden en gewonden mede voerden." Zoo
wordt op ééne plaats gezegd, > dat op den 1 5en Juli de generaal-
majoor Spaan met 1500 man Brandenburgsche ruiterij in het
leger voor Grave kwam"; en eenige bladzijden verder >dat
Spaan, met 3000 Brandenburgers, den 1 2 en Augustus voor Grave
aankwam". Welke opgave is nu de ware? — ziedaar de vraag
WILLEM m. — IL 8
Digitized by
Google
114 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BfiSCHOUWINOEN.
die zich hierbij telkens voordoet. Zoo zal men bij dien schrijver
tevergeefs zoeken naar een geregelde beschrijving van de aan-
valswerkzaamheden, naar de juiste plaatsing en bewapening van
de batterijen; — maar wat men er wél zal vinden, dat zijn be-
langrijke bijzonderheden, in den trant van deze: iden 3en
dito" (September) »werd een kogel uit de stad geschoten, tref-
fende in een van onze stukken, zijnde een twaalfponder, hetwelk
geladen stond, zoodat hetzelve daardoor aangegaan zijnde, beide
de kogels in de stad heeft geschoten."
Die weinige proeven van de krijgskennis onzer oudere Hol-
landsche schrijvers zou men met een aantal andere kunnen ver-
meerderen, maar wij achten dit genoeg bm aan te wijzen waaróm
de nieuwere schrijvers bij voorkeur de opgaven der Franschen
hebben gevolgd, en waaróm in het buitenland de kennis van het
beleg van Grave alleen aan die opgaven is ontleend. — Wij
zullen trachten, in ons overzicht meer waar, meer billijk te zijn
jegens onze voorouders.
Grave was, met Maastricht, het eenige wat de Fransche legers
in 1674 hadden overgehouden van hunne veroveringen in Hol-
land. Hadden die legers zich vroeger op de ondoelmatigste wijze
verdeeld om een overgroot aantal vestingen te bezetten, thans,
bepaald slechts tot het bezit van die twee versterkte punten, had
men daar dan ook strijdkrachten vereenigd, welke in staat stel-
den die punten hardnekkig te betwisten aan den vijand. Dit be-
wees in 1674 de verdediging van Grave, een paar jaar later die
van Maastricht; en mocht de eerste van die verdedigingen niet
eindigen, zooals de andere, met het aftrekken van den belegeraar,
men schrijve dit alleen daaraan toe, dat in 1674 geen leger op-
daagde tot ontzet van Grave, zooals dit Maastricht in 1676 te
beurt viel.
De ligging en inrichting van de vesting Grave, zooals die nog
eenige jaren geleden bestond, kwamen, ten minste wat den linker
Maasoever betreft, vrijwel overeen met wat die vesting in 1674
was. In dat jaar was de stad omgeven door een gebastionneerden
hoofdwal, vier geheele en twee halve bastions hebbende; de
laatste, die aan de Maas sloten, waren gerevêteerd ^n werden
verbonden door een gemetselde keel langs de rivier; de bastions
waren niet gerevêteerd. De hoofdwal was omgeven door eene
breede en diepe natte gracht; vóór drie der courtinen had men
ravelijnen ; een hoornwerk, vóór het front dat, naar de zijde van
Ravestein, aan de Maas sloot; een ravelijn en een hoornwerk
vóór het front van de Brugpoort, bij het hoogere gedeelte van
de Maaó, naar de zijde van Kuyck; een derde hoornwerk vóór
het naar de zijde van Den Bosch uitspringende bastion. Die
buitenwerken waren weer omgeven door een natte gracht; daar-
Digitized by
Google
BELEG VAN GR AVE. II5
vóór had men een bedekten weg, glacis, en eindelijk weer een
diepe natte voorgracht, gevuld door het water van het riviertje
de Raam, dat zich te Grave in de Maas werpt.
Een schipbrug voerde van de vesting naar den rechteroever
van de Maas; en als bruggenhoofd had men daar een gereve-
leerde lunet met droge gracht Op den rechteroever van de Maas
was, op een musketschot afstands van de rivier, de dijk die het
Maas-en-Waalsche beschermt; op den linkeroever liet de dijk
die bovenwaarts van Kuyck komt, evenals die welke beneden-
waarts naar Ravestein geleidt, tusschen haar en de rivier eene
smalle strook gronds over. Op veel grooteren afstand van de
Maas, beneden Grave, liep een zomerdijk langs het dorp Velp;
die zomerdijk kwam bij het huis Den Elft uit op den weg
naar Den Bosch. Het terrein dat Grave omgeeft is over het
algemeen open en vlak ; maar tusschen den weg naar Den Bosch
en den dijk naar Kuyck was het moerassig en daardoor weinig
geschikt voor belegerings-werkzaamheden.
Voor eene vesting van zoo kleinen omvang als Grave was de
bezetting in 1674 bijzonder sterk: zij telde niet minder dan 4000
man. Zij was samengesteld uit 71 compagnieën voetvolk, waar-
van er 27 behoorden tot het regiment van Normandië, 10 tot
dat van Bourgogne, 10 tot dat van Languedoc, 12 tot Dam-
pierre, en 12 tot Vendóme; en uit 9 compagnieën ruiterij,
namelijk 6 van het regiment van Saint-Louis, en 3 van dat van
Carcado. De sterkte van het artillerie-personeel wordt weer niet
vermeld. De bevelhebber van de infanterie was de kolonel Guiscard,
van de ruiterij de Mestre-de-Camp De Saint-Louis. De Beton was
Lieutenant du Ros\ zooveel als commandant der stad ; onder hem
waren Saint-Just en Violaine. Slechts twee ingenieurs bevonden
zich in de vesting. De Paxis en De Belle-Isle; de intendanten
waren Des Madrys, Hubert en Sauvé. Aan het hoofd der uitge-
lezen troepen die de bezetting uitmaakten, stond een aanvoerder
hunner waardig: Bouton, markies van Chamilly, een krijgsman
die toen, op acht en dertigjarigen leeftijd, reeds in verschillende
landen van Europa de wapenen met roem had gevoerd, en zijne
jaren met zijn heldenfeiten telde. Reeds toen bezat de Fransche
aanvoerder een schitterenden militairen naam, maar de verde-
diging van Grave heeft daarop de kroon gezet; en met het
volste recht wijst de nakomeling op hem, als op een ideaal, dat
ieder bevelhebber eener vesting voor den geest moet zweven.
De bewapening en uitrusting van de vesting beantwoordden
aan de sterkte der bezetting. Het grootste gedeelte der artillerie
van de verlaten Hollandsche vestmgen hadden de Franschen
naar Grave overgebracht, zoodat zich daar niet minder dan 450,
Digitized by
Google
Il6 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
volgens sommige opgaven zelfs 500 vuurmonden bevonden; 140
daarvan kwamen in batterij^ op de verschillende werken van de
vesting. Niet minder dan i millioen pond buskruit bevond zich
in Grave, zoodat er niet de minste spaarzaamheid met de muni-
tie behoefde te worden in acht genomen. Evenzoo was men
rijkelijk voorzien van palissaden, friesche ruiters, fascinen, schans-
korven en wat verder noodig is tot het doorstaan van een beleg.
Van levensmiddelen had men voorraad voor eenige maanden;
nog vóór het beleg had Chamilly door zijne ruiterij een duizend-
tal stuks rundvee uit de omliggende landstreek doen ophalen, en
kort vóór de insluiting werd nog een aanzienlijke voorraad fou-
rage in de vesting gebracht.
Chamilly besloot de bezetting niet in de vesting op te sluiten,
maar haar zoo lang mogelijk daarbuiten te doen blijven; hij
deed buiten de Brugpoort, op een musketschot afstands van de
werken, een versterkt kamp betrekken, links leunende aan de
Maas, rechts aan het moerassig terrein. In die stelling wilde hij
den vijand afwachten, en Grave alleen beschouwen als een soort
van reduit^ dat zijne magazijnen bevatte en dat in den uitersten
nood tot wijkplaats moest dienen.
Dit is eene handeling die bij de verdediging van eene vesting
altijd navolging verdient. De bezetting moet zich zoo lang mogelijk
buiten de vesting staande houden; zij moet zich daar zoo sterk
mogelijk verschansen, in eene stelling die, aan de vesting ge-
leund, altijd een vrijen terugtocht verzekert, en dus zonder ge-
vaar is. Zulk eene stelling is zeer voordeelig; zij kan hardnekkig
worden betwist aan den vijand; zoolang men haar behoudt^
is het beleg meestal ondoenlijk: en verliest men haar, dan
heeft men toch tijd gewonnen, en dus den duur. van de ver-
dediging verlengd. Door dat standhouden buiten de vesting ver-
mindert het zelfvertrouwen van den aanvaller, vermeerdert de
moed des verdedigers; het denkbeeld van minderheid, dat de
verdediging gewoonlijk aankleeft, wordt daardoor weggenomen;
de zedelijke kracht van de bezetting wordt daardoor verhoogd, —
en dit is de hoofdzaak.
Eiken dag trok uit dat kamp van Chamilly eene afdeeling van
500 man om de wachten in de werken der vesting te bezetten.
Vergelijkt men die sterkte der wachten met de geheele sterkte
der bezetting, dan ziet men dat die bezetting niet afgemat werd
door een te drukken garnizoensdienst. Dit is ook een punt waarop
de bevelhebber van eene vesting wel mag letten, en waartegen
te dikwijls wordt gezondigd: voor den veiligheidsdienst moet
men niet meer troepen nemen dan noodzakelijk is; men moet
de troepen niet onnoodig vermoeien. Wanneer men in sommige
handboeken van de versterkingskunst leest, dat bij het beleg
Digitized by
Google
BELEG VAN GRAVE. II7
eener vesting een derde der bezetting de wachten moet betrekken,
een ander derde als piket of soutien moet dienen, en alleen het
laatste derde gedeelte mag rusten^ — dan is dit een voorschrift,
dat in de meeste gevallen verkeerd en slecht is. Wanneer gij
den soldaat zoo, van de drie dagen, er twee onder de wapens
laat blijven, en hem alleen den derden dag laat rusten, dan kunt
gij er ook op rekenen dat uwe bezetting spoedig afgemat, uit-
geput en ontmoedigd zal zijn^ en dat, komt het aan op een
storm of op een uitval, gij er geen bijzonder krachtsbetoon van
moet verwachten. £r kunnen oogenblikken voorkomen in een
belegd waarin het noodzakelijk is om die inspanningen van de
troepen te vorderen, — vorder ze dan; maar bij de meeste be-
legeringen, en gedurende den meesten tijd van een beleg, zijn
zij niet noodzakelijk ; en dèn is het verkeerd om zulk een groot
aantal troepen te plaatsen op hoofdwal en buitenwerken 5 dit
dient dan tot niets anders dan om het vijandelijke vuur meer
trefkans te geven en de krachten van de troepen te verspillen.
Veel beter is het dan, de werken der stad slechts met dat aan-
tal troepen te bezetten, dat volstrekt noodig is, eene sterke af-
deeling binnen de stad gereed te houden om eiken on ver wachten
stormaanval te keer te gaan, en het overige van de bezetting te
laten rusten, totdat de tijd zal gekomen zijn om te waken bij
eene wijd openliggende bres.
Behalve de wachten trokken ook dagelijks uit het kamp sterke
afdeelingen vrijwilligers om te arbeiden aan de uitbreiding en
voltooiing van de vestingwerken. In de vroegere verhalen van
dit beleg wordt die arbeid omstandig beschreven; hier worde
die maar met een enkel woord vermeld.
Zoowel op den dijk naar Kuyck als op dien naar Ravestein
deed Chamilly, nog buiten waarts van de voorgracht, groote
wapenplaatsen aanleggen, die den aanvaller de nadering tot die
voorgracht moesten verhinderen en de uitvallen van den belegerde
gemakkelijk maken; die wapenplaatsen werden door eene soort
van loopgraven verbonden met den bedekten weg, en bovendien
in de dijken mijngalerijen gemaakt, die zich uitstrekten tot aan
de voorgracht. Op verschillende uitspringende punten van het
glacis werden kleine rédans of flêches opgeworpen om daarmede
den overgang van de voorgracht krachtdadig te betwisten. Op
de waarschijnlijke punten van aanval deed men boomstammen,
fascinen en puin, alles zoo goed mogelijk verbonden, ingraven
en overdekken met eene dunne laag aarde, ten einde daardoor
de werkzaamheden van den aanvaller te bemoeilijken. De ruimte
tusschen de Maas en het halve bastion dat naar de zijde van
Ravestein aan die rivier sluit, werd verdedigd door eene zesvou-
dige rij van palissaden; en toen de fronten van aanval eenmaal
bekend waren, deed Chamilly, bij de reeds bestaande rij palis-
Digitized by
Google
Il8 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
saden, daar een tweede maken, op 5 voet binnenwaarts van de
eerste, en daarmede eene gang vormende, die van 50 tot 5a
pas, afgesloten werd door eene dwarsrij van palissaden; in die
tweede palissadeering en in de dwarsrijen had men kleine deu-
ren, waardoor men van het eene gedeelte kon komen in het
andere. De borstweringen der verschillende werken werden opge-
maakt, en vooral de batterijen met de meeste zorg aangelegd,
niet alleen de schietgaten sterk bekleed, maar ook de kasten
(deelen der borstwering tusschen de schietgaten) bijna on verniel-
baar gemaakt door middel van ingegraven en goed verankerde
fascinen. Eindelijk werden er in de walgang van de bastions
bomvrije plaatsen gemaakt, vooral tot berging van den grooten
voorraad buskruit, dien Chamilly — tegen het gevoelen van zijne
officieren — onverminderd wilde behouden, al mocht dan ook
daardoor de vesting gevaar loopen van door eene ontploffing
geheel vernield te worden. (Rousset heeft aangaande dit buskruit
eene andere lezing, zooals men zal zien).
Eerst in het midden van den zomer vangen de eerste toebe-
reidselen aan tot de belegering van Grave. Den 2 2 sten Juni wordt
Ravestein door eene HoUandsche krijgsmacht bezet en versterkt,
en evenzoo Boxmeer, den yen Juli, door eene afdeeling Span-
jaarden. Rabenhaupt wordt eindelijk door de Staten belast met
de taak om Grave te bemachtigen; en^ vergezeld van den raad-
pensionaris Fagel, gaat dat legerhoofd den 8sten Juli van Den
Haag naar Nijmegen, om het bevel op zich te nemen van de
daar verzamelde krijgsmacht, toen samengesteld uit een honderd
compagnieën voetvolk en eenige compagnieën ruiterij. In de
Nieuwe Mercurius wordt gezegd, dat van die macht 6 com-
pagnieën infanterie en 3 compagnieën ruiterij, onder den overste
Dutil, het kasteel van Gennep bezet hielden, en dat 600 man voet-
volk en 2 compagnieën ruiters geplaatst waren in de kasteelen
van Wichen en Duyckenburg, — tusschen Wichen en Nijmegen.
Rabenhaupt, den 1300 Juli te Nijmegen gekomen, verneemt
daar dat de vijand te Kuyck nog een aanzienlijken voorraad
fourage heeft, en eenige vaartuigen met wijn ; zooals zeer natuur-
lijk is, wil de HoUandsche bevelhebber beletten dat die voorraad
in Grave wordt gebracht, en tot dat einde doet hij het kleine
eiland Middelweert bezetten, tegenover Kuyck : t Het oogmerk was
goed," zegt de schrijver eener memorie over de verdediging van
Grave i), voorkomende in den eersten jaargang van den Nieuwen
Spectator, >het oogmerk was goed, de uitvoering slecht."
De macht, die afgezonden werd tot bezetting van het eiland
i) De kolonel der artillerie Knoop, broeder van den schrijver dezes.
/Google
Digitized by ^
BELEG VAN ORAVE. II9
Middelweert, bestond — volgens Sylvius — uit 3 compagnieën
ruiterij onder den overste Schwartsenburg ; terwijl de infanterie,
onder het bevel van den overste-wachtmeester Boot van het
regiment van Golstein, 1 met 3 kapiteins en onderhoorige officie-
ren^ te zamen eenen troep uitmaakte van 200 zoo snaphanen als
musketten/' Valkenier spreekt van 180 man infanterie; Beaurain,
die de bezetting van het eiland op een 300 man stelt, begrijpt
daaronder denkelijk ook de ruiterij, die echter op den rechter
Maasoever schijnt te zijn gebleven.
Boot is den 15^0 Juli met zijn voetvolk op Middelweert ge-
komen, en begint zich te verschansen op dit eiland, slechts vier
morgen groot; maar nauwelijks is men een anderhalf uur bezig
met dien arbeid, of daar daagt Chamilly op, aan het hoofd zijner
ruiterij — 4 k 500 paarden — , gevolgd door een 300 man voet-
volk onder Guiscard. In afwachting van de komst der infanterie
doet Chamilly de ruiterij afstijgen en haar vuur openen op de
Hollanders, ten einde dezen daardoor te beletten met den schans-
arbeid voort te gaan. Zoodra Guiscard aankomt doet Chamilly
de infanterie door de rivier heentrekken naar het eiland. Die
eerste aanval mislukt echter: de Maas, gewoonlijk daar maar 4
voet diep en doorwaadbaar^ is nu door den regen bijzonder
hoog geworden, zoodat de Fransche troepen, die de doorwading
willen verrichten, daar niet in slagen ; een twintigtal hunner ver-
drinkt, en zeven officieren, die het eiland bereiken, worden daar
gevangengenomen door de soldaten van Boot. Chamilly, door
dien eersten tegenspoed niet afgeschrikt, hervat de onderneming
met de ruiterij; hij gelast den infanteristen om zich vast te hou-
den aan de manen der paarden; en, zelf zich aan het hoofd
stellende, werpt hij zich in de rivier en valt nogmaals het eiland
aan. Die aanval, met groote dapperheid verricht, gelukt, in weer-
wil van de bezwaren welke de steile oever en het vuur van de
verdedigers daaraan in den weg leggen; de Hollanders worden
van het eiland verdreven, met groot verlies aan dooden en ge-
wonden; maar ook aan de Franschen komt dit gevecht op een
honderd man te staan. Rabenhaupt is van Nijmegen opgerukt
tot ondersteuning der afdeeling van Boot, maar te laat; hij kan
alleen de overblijfselen dier geslagen afdeeling opnemen. Chamilly
laat het eiland Middelweert door 150 man bezet houden, totdat
de fourage — die niet minder dan eene vracht voor 1600 wagens
uitmaakte (?) — en de vaartuigen met wijn, binnen Grave zijn
gebracht. Toen wordt het eiland ontruimd.
Zoodanig is het verhaal van de Fransche schrijvers van dat
gevecht van Middelweert. De verhalen van onze schrijvers ver-
schillen alleen daarin, dat volgens deze het eiland door de Hol-
landers werd ontruimd, omdat men het marktschip van Venlo
zag naderen, dat men meende dat door de Franschen zou worden
Digitized by
Google
120 KRIJGS- EN GESCHlEDlvUNDIGE BESCHOUWINGEN.
gebruikt om troepen over te zetten op het eiland; daarom —
zeggen de Hollandsche schrijvers — verliet men toen, te scheep
of zwemmende, het eiland. Ook stellen de Hollandsche opgaven
het verlies van den vijand veel grooter; Boot verloor aan dooden
en gevangenen maar een 20 è. 30 man, maar hij en bijna al
zijne officieren waren gewond.
Zooveel schijnt uit dit alles te blijken, dat het voordeel, hier
door de Franschen behaald, hun nog al duur is te staan ge-
komen, en dat er aan weerszijden met dapperheid is gestreden.
Maar onvoorzichtig was het, die kleine afdeeling van Boot
zoo alleen bloot te stellen aan de aanvallen van een sterken,
ondernemenden vijand; waarom die afdeeling niet tijdig onder-
steund? Waarom de troepen te Wichen en te Gennep hiertoe
niet gebezigd?
Chamilly, al meer en meer ziende dat hij met een beleg werd
bedreigd, besloot den dijk van het Maas-en-Waalsche, op den
rechteroever van de Maas, te doen afgraven, omdat de belege-
raar zich daarachter bedekt kon plaatsen; den 23sien en 24sien
Juli doet hij daaraan werken, door een 1500 arbeiders. Raben-
haupt, hiervan onderricht, zendt den 24sien Juli 3 regimenten
infanterie met 3 compagnieën ruiterij, eenige kleine stukken ge-
schut en wagens met schoppen, spaden, houweelen enz. naar
dien dijk; in den vroegen ochtend van den 2 5sten Juli komt die
Hollandsche afdeeling daar aan, en verdrijft de Franschen. Chamilly
tracht toen dien dijk te vernielen door kanonvuur, wat natuurlijk
weinig uitwerking deed, maar daarom nog niet was af te beuren,
omdat in Grave toch zulk een overvloed van munitie was.
De Hollandsche legermacht begint Grave nu meer ernstig te
bedreigen, en den 275100 Juli brengt Rabenhaupt zijn hoofdkwar-
tier over in het kasteel van Balgoyen. Een brug wordt over de
Maas geslagen, beneden Grave, bij het dorp Neer-Asselt; en
eenige regimenten, onder Hundebeek, gaan den 2 7 sten Juli over
op den linkeroever, en sluiten zich aan bij de troepen die
Ravestein reeds bezet hielden; volgens een onzer schrijvers —
Sylvius — bestond die macht van Hundebeek uit een gedeelte
der bezetting van *s Hertogenbosch. Een tweede brug werd boven-
waarts van Grave geslagen, bij het dorp Over-Asselt; en de
kolonel Golslein ging daar met een troepenafdeeling op den
linkeroever over; wanneer — dit is niet geheel duidelijk ; volgens
Sylvius zou dit eerst den 8stcn Augustus zijn geschied; maar de
opgaven van dien schrijver zijn niet veel te vertrouwen, en het
schijnt dat daar reeds veel vroeger Hollandsche troepen zijn
geweest; ten minste kan men dit eenigszins opmaken uit de
omstandigheid, dat Chamilly reeds in het laatst van Juli zijn
Digitized by
Google
BELEG VAN GRAVE. 121
kamp buiten de Brugpoort verliet en slechtte, en zijne infanlerie
toen stelÜDg deed nemen op het glacis naar de zijde van Den
Bosch, waar de vesting nog niet was ingesloten.
De Fransche verhalen zeggen ook, dat twee batterijen op den
rechteroever der Maas, achtereenvolgens tot zwijgen werden ge-
bracht door het vuur der vesting, en dat de brug over de be-
neden-Maas, te dicht bij Grave geplaatst, vernield werd door het
Fransche geschut. Bij een van onze schrijvers — de Nieuwe
Mercurius — vindt men wel de opgave, dat den 26sten Juli het
eerste kanonvuur werd geopend op de vesting, maar van het
demonteeren van batterijen en van het vernielen der brug zeggen
zij geen woord; die omstandigheden zijn dus twijfelachtig.
De macht van Hundebeek, aan het lagere gedeelte der rivier,
had een kamp betrokken dicht bij het dorp Velp, achter den
dijk van Ravestein, met den linkervleugel geleund aan de Maas ;
in Velp was een voorpost geplaatst van een 60 man, die zich
ophield in de kerk aan den ingang van dat dorp, als men komt
van de zijde van Grave. Die kerk was slechts een musketschot
van het Fransche kamp verwijderd, tn dubbel zoo ver van dat
van Hundebeek. Chamilly zag daarin de mogelijkheid om zijn
vijand afbreuk te doen, en hem te beletten zich zoo nabij de
vesting te plaatsen.
Den 29sien Juli, op klaarlichten dag, doet Chamilly dien post
te Velp aanvallen. In plaats dat de nieuwe wacht, 500 man
sterk, naar hare posten trekt, krijgt zij plotseling bevel om Velp
aan te vallen; tot hare ondersteuning wordt zij daarbij gevolgd
door 3 eskadrons ruiterij. De post des belegeraars wordt onver-
wachts aangevallen, de kerkhofmuur beklommen, de poort der
kerk met bijlen opengehouwen, de Hollandsche bevelhebber en
eenige zijner soldaten gedood, en de overigen gevangengenomen.
Uit het kamp van Hundebeek rukken troepen op ter ondersteu-
ning; maar de Franschen, beschermd door hunne ruiterij, ver-
richten ongehinderd hun terugtocht naar Grave, hoewel eenige
hunner officieren, door eene vergissing achtergebleven in den
kerktoren van Velp, daar worden gevangengenomen door de
troepen van Hundebeek. — Die uitval was gelukt, niettegen-
staande op datzelfde oogenblik het springen van eenige tonnen
buskruit, in het bastion naar de zijde van Den Bosch, niet weinig
verwarring en onheil in de vesting aanrichtte.
Dat gevecht bij Velp wordt door onze schrijvers eenigszins
anders voorgedragen, en de verliezen van Chamilly's troepen
daarbij veel hooger gesteld. Volgens de Nieuwe Mercurius wer-
den 9 Fransche officieren en 20 soldaten in de kerk van Velp
afgesneden, en door de Hollanders gedood of gevangengenomen ;
Valkenier begroot die afdeeling op een 50 man ; Sylvius en Van
Digitized by
Google
122 KRIJGS* EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
den Bosch zelfs op 130 man. Wat is hier nu de waarheid? —
Als waarschijnlijk kan men aannemen, dat het door Chamilly in
dat gevecht bij Velp behaalde voordeel niet bijzonder groot is
geweest; maar ddt was een voordeel, dat door die aanvallende
beweging de moed der bezetting toenam; en dat weegt wel op
tegen het verlies van eenige manschappen.
Het eigenlijke beleg begint den 2Qsten Juli. Op den avond van
dien dag worden door Hundebeek de loopgraven geopend.
Het is een der eerste beginselen van de belegeringskunst, dat
de geheele insluiting der aan te vallen vesting aan de belegering
moet voorafgaan. Dit beginsel nu werd hier, bij het beleg van
Grave, geheel verwaarloosd: aan de zijde van Den Bosch was
de vesting niet ingesloten, en volgens Beaurain ook den 29steD
Juli nog niet aan de boven-Maas, op den linkeroever. Daar wordt
gezegd, dat de belegeraar de insluiting onnoodig achtte, omdat
de vesting toch reeds genoegzaam van alles was voorzien; —
maar dit is een verkeerde redeneering; want de insluiting moei
niet alleen dienen om de vesting eiken toevoer van buiten te
ontnemen, maar ook om de uitvallen van de bezetting beter
tegen te gaan.
Ook de wijze van aanvallen was geheel verkeerd. De loop-
graven van Hundebeek bevonden zich tusschen de Maas en den
dijk van Ravestein: gedeeltelijk werden zij door dien dijk be-
schermd ; maar de ruimte tusschen dien dijk en de rivier is zó6
gering, vooral wanneer men de stad naderbij komt, dat men met
die loopgraven niets anders omvatte dan het laatste halve bas-
tion aan de Maas. Terecht maakt Beaurain daarop de aanmer-
king : t dit was, om zoo te zeggen, een aanval in colonne op de
vesting"; {cétait^ pour ainsi dire^ attaquer une place en colonne).
De aanval van Hundebeek werd ondersteund door een twee-
den aanval op den rechteroever van de Maas, gericht tegen de
lunet die als bruggenhoofd dienst deed; de batterijen bij dien
aanval richtten tevens haar vuur op het halve bastion van den
Ravesteinschen aanval en op de voorliggende werken. Door dat
vuur, en door het vuur van een batterij van 7 vuurmonden, op
den linker Maasoever tusschen den Ravesteinschen dijk en de
rivier aangelegd — die haar vuur tevens op het halve bastion
richtte — , gingen de loopgraven van Hundebeek snel vooruit, en
reeds op den 2en Augustus moeten zij de voorgracht tot op een
pistoolschot afstands genaderd zijn. Chamilly — wordt gezegd —
was bijzonder beducht, dat de aanvaller tot aan die voorgracht
zou doordringen, omdat die aanvaller dan, den dijk doorste-
kende, het water, zoo van de voorgracht als van de hoofd-
grachten die daarmede in verband stonden, in de Maas kon doen
Digitized by
Google
BELEG VAN GRAVE. I23
afloopen, en de verdediging der vesting dan >geen veertien
dagen" meer kon worden voortgezet.
Die bewering is — wij gelooven met reden — tegengesproken.
Beaurain reeds maakt de aanmerking, dat, wanneer die inrich-
ting van de grachten werkelijk zóó is geweest, men zich dan
moet verwonderen, dat door den verdediger geen ander middel
was aangewend om het water in de voorgracht op te houden.
Neemt men in aanmerking de groote bekwaamheid des verdedi-
gers en den geruimen tijd waarover hij kon beschikken om zijn
vesting in goed weerbaren toestand te brengen, dan zou zulk
een verzuim inderdaad bevreemdend zijn. Daarom ook oordeelt
de schrijver der reeds vroeger aangehaalde > Memorie van ver-
dediging van Grave": dat die vrees voor het droogloopen van
de grachten niet heeft bestaan of denkbeeldig is geweest. Want
— zegt die schrijver — was er mogelijkheid om de grachten te
doen droogloopen, dan kon de belegeraar dit op andere wijze
verrichten, door verschillende kolken en slooten, die met de
voorgracht in verbinding stonden, te verlengen tot aan de Maas;
of wel, door het riviertje de Raam af te tappen, dat met de
grachten in verbinding was. Bovendien — vervolgt hij — het
blijkt nergens dat de belegeraar later, toen hij de dijken in bezit
had, eenige poging heeft gedaan om op die wijze het water uit
de grachten af te leiden. (Nieuwe Spectator, i* jaargang, blz.
238). — Wij gelooven dat die redenen gegrond zijn, en dat
men dus mét den schrijver dier memorie kan aannemen : dat de
wapenplaatsen, door Chamilly op de dijken vóór de voorgrachlen
aangelegd^ niet tot doel hebben gehad het doorsteken van de
dijken te verhinderen, maar wél de aanvallende bewegingen der
bezettingen gemakkelijker te maken.
Chamilly ging intusschen den aanval aan de Ravesteinsche
zijde op de krachtdadigste wijze te keer. Eiken avond deed hij
aan die zijde 8 stukken geschut op het glacis komen en die ge-
durende den ganschen nacht onafgebroken vuren op de nader-
nissen van de Hollanders; — alweer eene handeling, die goed
aanwendbaar was, omdat men zulk een overvloed van munitie
had, maar die tevens schijnt aan te toonen, dat Chamilly nogal
beweegbare artillerie had, iets wat wij zeer wenschelijk achten
in iedere vesting. Naar onze inzichten zal een sterke veldartillerie
groot voordeel aanbrengen bij de verdediging van eene vesting;
de artillerie des verdedigers moet niet als vastgenageld zijn aan
dezelfde plaats, om d^r door 'svijands artillerie kleingeschoten
te worden ; maar men moet haar kunnen wegnemen zoodra zij te
veel lijdt van het vuur des belegeraars, en spoedig, bijna oogen-
blikkelijk kunnen overbrengen naar die gedeelten der vesting,
waar zij eene voordeelige -werking heeft.
Aan de andere zijde van de voorgracht waren vroeger uitgra-
Digitized by
Google
124 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
vingen gemaakt, om aarde te verkrijgen voor andere werken;
de verdediger trok nu partij van die uitgravingen, om daar
's nachts een 30 a 40 infanteristen te plaatsen, wier hevig vuur,
in verband met dat der artillerie, den aanvaller gevoelige ver-
liezen toebracht.
Aan de zijde van Kuyck was door Golstein een derde aanval
begonnen ; dddr had de verdediging bijna op dezelfde wijze plaats
als aan de zijde van Ravestein. Behalve de bezetting van het
bruggenhoofd, was Chamilly's macht nu, bij de beide aanvallen,
aldus verdeeld : De Beton verrichtte de verdediging aan de
boven- Maas, met de regimenten van Vendóme, Dampierre en
Languedoc; Saint-Just was aan de beneden-Maas met de regi-
menten van Normandië en Bourgogne ; tegen eiken aanval werden
drie bataljons gebezigd, waarvan beurtelings één belast was met
de verdediging; de overige kampeerden in den bedekten weg.
De stad was door het hevige en onverpoosde vuur van de
batterijen des belegeraars bijna in puin geschoten; de vesting-
werken daarentegen leden niet veel. Oppervlakkig beschouwd,
zou men zeggen, had de aanvaller juist het omgekeerde moeten
doen: de stad sparen, en de vesting werken vernielen. Maar dat
vernielen van de vestingwerken was, door de goede inrichting
der batterijen van den belegerde en door de weinige volmaakt-
heid der artillerie van den aanvaller, zoo goed als onuitvoerbaar;
en het vernielen van de stad, — wél uitvoerbaar — , was geen
nuttelooze wreedheid ; want daardoor ontnam men den vijand
de gebouwen, waarin hij zijn voorraad kon bergen of zijne
troepen verplegen ; en wanneer Chamilly minder beleidvolle maat-
regelen had genomen, en zijne troepen minder geestkracht had-
den betoond, dan lijdt het geen twijfel, of die verwoesting van
Grave zou het oogenblik van de overgave even zeker hebben
verhaast, als dit in 1833 ^^' geval was bij de overgave van de
Citadel van Antwerpen, door de vernieling van de daarin aan-
wezige gebouwen. Een bombardement is een wreed, barbaarsch
middel, maar een middel dat sonis afdoende is, vooral bij ves-
tingen van kleinen omvang.
Wij zullen ons hier niet ophouden met alle batterijen te ver-
melden, door den belegeraar aangelegd, of de uitwerking van
die batterijen te beschrijven, of te zeggen, hoe de belegerde die
batterijen poogde te vernielen, of gedurig door kleine uitvallen
den aanvaller verliezen toebracht en zijn arbeid vertraagde; —
behalve dat de opgaven omtrent dit een en ander bij de ver-
schillende schrijvers te duister en te onbepaald zijn, zoo zou dit
ook doen vervallen in eene uitvoerigheid, die vermeden moet
worden bij dit zoo dikwijls beschreven beleg.
Digitized by
Google
BELEG VAN GRAVE. I25
Alleen zij dus vermeld, dat in den nacht van 14 — 15 Augustus
aan de zijde van Ravestein een groote uitval werd gedaan door
een 300 man infanterie, ondersteund door de ruiterij, die bij de
Hampoort uitviel. Volgens de Fransche opgaven had die uitval
de gunstigste gevolgen, bleven de troepen van Chamilly eenige
uren meester van de aanvalswerken, verloren zij slechts zeer wei-
nigen, deden den vijand een honderd man verliezen aan dooden
en gewonden, vernagelden eenige stukken geschut of wierpen die
in het water, en lieten door 500 werkers, welke den uitval waren
gevolgd, de loopgraven vernielen tot aan de eerste batterij, en
den dijk gedeeltelijk slechten. Bij dien uitval verloor Dupas, de
ongelukkige bevelhebber van Naarden, op eene roemvolle wijze
het leven.
Er is denkelijk wel weer overdrijving in die Fransche opgaven.
Onze schrijvers erkennen, dat de Hollandsche troepen, verrast
door den aanval en weinig strijdvaardig door den sterken regen,
' in het eerst teruggingen ; maar dat spoedig daarop de kolonel
Lutzow, ter ondersteuning oprukkende, de belegerden weer ver-
dreef en vervolgde »tot aan de poorten der vesting". — Dat
laatste zal ook wel weer niet letterlijk moeten worden opge-
nomen. — De sterke regen moet toentertijd den belegeraar
groote moeilijkheden hebben veroorzaakt; de loopgraven, vol
modder en slijk staande, moesten begaanbaar worden gemaakt
door middel van beddingen.
Gaandeweg had Rabenhaupt's leger versterking gekregen ; vol-
gens Sylvius had het midden Augustus de volgende samenstelling.
Aan ruiterij had men daarbij, de regimenten van Schwartsen-
burg, Amama, Wittgenstein, Burum, 2 compagnieën van dat van
Wrangel, 2 compagnieën uit Groningen, 6 compagnieën Span-
jaarden, en 12 compagnieën Brandenburgers.
Aan voetvolk had men het regiment van Rabenhaupt van
12 compagnieën, dat van 'Golstein ook van 12, Beaumont 12,
Nieulant 12, Dutil 6. Klooster 12, Uilenburg 11, Lutzow 22,
Lange n, Hoorn 6, Verken 5, Hundebeek 11, Stek 6, Wagen-
heim 12, Wijnbergen 9, het regiment van Hendrik Casimir 10,
de Koerlanders 12, Holstein-Plön 5, het regiment van graaf Frits
van Nassau 12; bovendien nog 2 compagnieën uit Bommel, en
2 uit Sint-Andries : alles te zamen 192 compagnieën infanterie.
Wij merken op die opgave aan : dat ook bij de indeeling van
het leger van Willem III, kort vóór den slag van Séneffe, voorkomt
een regiment ruiterij van Wittgenstein, en een regiment infanterie van
Holstein; indien dus die regimenten niet dubbel zijn geweest, moet
er eene vergissing zijn in de eene, of de andere dier opgaven. —
Beaurain stelt de geheele sterkte van Rabenhaupt's leger toen op
een 16000 man; — eene begrooting die nog al waarschijnlijk is.
Digitized by
Google
126 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Chamilly, niet tevreden met zijn vesting te betwisten aan dat
leger, moet toentertijd, — volgens de Fransche verhalen — , het
ontwerp gesmeed hebben om zelf zich door verrassing meester
te maken van het sterke 's Hertogenbosch. De Fransche bevel-
hebber, — zeggen die verhalen — wist, dat het grootste gedeelte
der bezetting van Den Bosch met den bevelhebber van die
vesting, den kolonel Kirkpatrick, voor Grave stond, en in eerst-
genoemde plaats slechts een zeer geringe troepenmacht was
achtergebleven; hij wist dat de veiligheidsdienst door die bezet-
ting van Den Bosch op een zeer nalatige wijze werd verricht,
en dat de burgerij weinig gezind was om bij eene verschijning
van den vijand de bezetting bijstand te bieden.
Op dit alles, — dat Chamilly was te weten gekomen door
een officier van de HoUandsche bezetting, die vroeger in Mun-
sterschen krijgsdienst was geweest, en daar Chamilly had ge-
kend — , bouwde deze het ontwerp eener verrassing: zij zou
ondernomen worden door eene afdeeling van 5 k 600 man, zoo
voetvolk als ruiterij, die in stilte Grave zou verlaten in den
nacht van 15 op 16 Augustus, en nog vóór den dag zich zou
meester maken van de slecht bewaakte Hinthamerpoort te 's Her-
togenbosch. Die afdeeling achtte men sterk genoeg om de ver-
rassing te verrichten; en om later Den Bosch tegen de Hollan-
ders te verdedigen, rekende men er op, dat van Condé's leger
wel versterking daarheen zou worden gezonden.
Ongelukkig kreeg Chamilly juist op den avond van den
15611 Augustus het bericht dat eene ruiterafdeeling, uit Maastricht
opgerukt, Grave naderde, om de daar aanwezige gijzelaars over
te brengen naar eerstgenoemde vesting; dit noodzaakte den
Franschen bevelhebber af te zien van die onderneming op Den
Bosch, daar hij zijne bezetting gereed moest houden om die
ruiterafdeeling uit Maastricht te ondersteunen, en te recht be-
greep, dat juist de nadering van die ruiterij den vijand opmerk-
zaam zou maken op het gevaar dat Den Bosch bedreigde, en
dat daardoor eene latere poging tot verrassing onraadzaam zou
worden.
Ziedaar wat de Fransche schrijvers zeggen over dien aanslag
op Den Bosch en wat tot dusver maar gaaf als waarheid is
aangenomen. Wanneer wij dat niet doen, dan is dit niet uit
zucht om anders te oordeelen dan het algemeen, om iets nieuws
te zeggen; maar het is, omdat dit ontwerp van het verrassen
van Den Bosch ons zoo onwaarschijnlijk en ongeloofelijk voor-
komt, dat wij niet kunnen aannemen dat het in ernst heeft bestaan.
Wij willen toestemmen, dat Chamilly door het niet geheel
insluiten van Grave, in de mogelijkheid was om een gedeelte
zijner bezetting naar Den Bosch te doen marcheeren; wij willen
Digitized by
Google
BELEG VAN GRAVE. 127
toestemmen, dat, wegens de slechte maatregelen van den be-
legeraar, die marsch in stilte en onbemerkt had kunnen plaats
hebben ; wij willen toestemmen, dat de verrassing van Den Bosch
mogelijk is geweest, veel kansen had van te zullen gelukken;
maar meer stemmen wij ook niet toe; — en als de Fransche
schrijvers zeggen, dat indien die verrassing al eens mislukte, de
uitgezonden afdeeling toch weer ongehinderd binnen Grave zou
kunnen terugkeeren, dan antwoorden wij daarop : dat het dwaas-
heid zou geweest zijn om op zoo iets te rekenen, en dat men
bij zulk eene mislukking die afdeeling verloren moest achten.
Was het nu zaak, terwijl men eene vesting had te verdedigen
die zoo krachtdadig werd aangevallen, zich bloot te stellen aan
het gevaar van 5 k 600 man der bezetting te verliezen, op de
onzekere kans van eene andere vijandelijke vesting te verrassen,
die men toch niet .zou kunnen behouden? Want ddt was wel te
voorzien, dat, indien 's Hertogenbosch door de Franschen ver-
rast werd, aan de Hollandsche zijde alle pogingen zouden wor-
den in het werk gesteld om het te hernemen, en dat men met
een 5 k 600 man bezetting niet kon denken aan eene ernstige
verdediging van die vesting.
Maar Chamilly vertrouwde er op, dat Condé in dat geval
versterking zou zenden naar Den Bosch; — Chamilly, — ant-
woorden wij — moet genoeg bekend zijn geweest met den toen-
maligen toestand van zaken in de Spaansche Nederlanden om
te weten, dat het hoofdleger der Franschen toen niets kon doen
om versterking te zenden naar het verraste 's Hertogenbosch.
Maar bovendien, wat een tegenstrijdigheid: vriiwillig hadden de
Franschen een aantal vestingen verlaten in de Noordelijke Neder-
landen, om hunne macht samen te trekken in Grave en Maas-
tricht; en nu zouden zij die macht weer verdeelen, om weer
eene vesting meester te worden ; zulk eene handeling kon moeilijk
opkomen in een verstandig hoofd! Dan was het immers veel
eenvoudiger, en veel gemakkelijker geweest om bij voorbeeld
Nijmegen of Schenkenschans in bezit te blijven houden, en van
den beginne af aan dddr een gedeelte van de macht te laten die
toen in Grave of Maastricht was.
Het kan zijn, dat Chamilly verstandhouding heeft gehad in
Den Bosch; het kan zijn dat er kans heeft bestaan om die
slecht bezette en slecht bewaakte vesting te verrassen; — maar
dat Chamilly daar ernstig naar heeft gestreefd, en dat de uit-
voering van die verrassing alleen verhinderd is geworden door
eene toevallige omstandigheid, — dit kunnen wij niet gelooven,
dit is in ons oog eene onware bewering. Wij zien daarin weer
de uitwerking van die gewone zucht der Fransche schrijvers om
de groote daden hunner landgenooten door overdrijving nóg
grooter en bijna wonderdadig te maken. Het klinkt zeer goed,
Digitized by
Google
128 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
het maakt indruk, als men zegt : de verdediging der vesting werd
met zooveel geestkracht gevoerd, dat de aangevallen bezetting,
te midden van het beleg, bijna eene groote vesting van den
vijand had vermeesterd ; — maar zoo iets kan den toets van
het onderzoek niet doorstaan; zoo iets is onwaar; zoo iets is
ook onnoodig, want ook zonder dat is de roem van Chamilly
groot genoeg.
De gebeurtenis die volgens de Fransche opgaven de verrassing
van Den Bosch verhinderde, kan er tevens toe bijdragen, ons
een ongunstig denkbeeld te geven van Rabenhaupt's bekwaam-
heid. In Grave waren eenige gijzelaars, uit verschillende Hol-
landsche steden meegenomen, om ten waarborg te strekken voor
de betaling eener oorlogsbelasting van 800000 livres, opgelegd
door de Fransche bevelhebbers bij hun vertrek uit die steden.
De bevrijding dier gijzelaars zou de Hollandsche steden ont-
lasten van de betaling dier som, en daarom waren de Fransche
bevelhebbers er op bedacht om die gijzelaars uit het bedreigde
Grave te verwijderen en over te brengen naar Maastricht. Chamilly
had aan Louvois voorgesteld om tot dat einde eene afdeeling
ruiterij van Maastricht naar Grave af te zenden; de Fransche
minister had dit voorstel goedgekeurd; en ten gevolge daarvan
was de brigadier De Melin met 600 ruiters uit Maastricht opge-
rukt, en kreeg Chamilly op den avond van den 1560 Augustus
bericht, dat die ruiterij genaderd was tot op weinige uren van
Grave, en den volgenden ochtend die vesting kon bereiken.
Het kwam er nu op aan, te beletten dat het Hollandsche
leger die zwakke ruiterafdeeling den weg tot de stad afsloot, of
haar, was zij tot daar doorgedrongen, het terugkeeren verhin-
derde. De Melin. van de zijde van Den Bosch naderende, met
de moerassen van de Peel aan zijn rechterhand, oordeelde het
te gevaarlijk om tot Grave voort te rukken, daar het grootste
gedeelte van de Hollandsche ruiterij gelegerd was aan het hoo-
gere gedeelte der Maas, ten zuiden van Grave; hij hield dus
halt, Chamilly kennis gevende van zijne aarzeling. Die bevel-
hebber wachtte vol ongeduld op de komst dier ruiterij, die naar
zijne berekening reeds met het aanbreken van den dag te Grave
had kunnen zijn ; het was toen al 9 uur, en met ieder oogenblik
vermeerderde het gevaar, dat Rabenhaupt de ruiterij van Melin
zou aanvallen; Chamilly zond daarom bevel aan Melin om
onverwijld vooruit te rukken tot aan de gerichtsplaats, op den
weg van Den Bosch, slechts een musketschot afstands verwijderd
van de vesting. Alle maatregelen werden genomen om de nade-
rende ruiterbende te beschermen. Het grootste gedeelte van de
bezetting trok met slaande trom en vliegende vaandels de Brug-
poort uit, en kwam in slagorde op het glacis, alsof men voor-
Digitized by
Google
BELEG VAN GRAVË. I29
nemens was, dddr aan te vallen op de belegeraars; de 6 com-
pagnieën ruiterij van Saint-Louis trokken naar het begin van
den dijk, dien de belegeraar dwars door de Raam en het moe-
rassig terrein had aangelegd, en hielden daardoor de Hollandsche
ruiterij in bedwang, die zich gereed maakte om over dien dijk
De Melin te gemoet te gaan; en Chamilly zelf, aan het hoofd
der 3 compagnieën ruiterij van Carcado, ging tot de gerichts-
plaats vooruit, gaf daar de gijzelaars over aan De Melin, ontving
van dezen eene aanmerkelijke somme gclds voor de soldij der
bezetting, en bleef toen nog eenige uren in slagorde buiten de
vesting, daardoor de Hollandsche troepen in bedwang houdende
en De Melin gelegenheid gevende om ongehinderd weer weg te
trekken. Behalve eene korte maar vruchtelooze vervolging door
de ruiterij van Spaan werd aan de Hollandsche zijde hoegenaamd
niets gedaan om die handeling van den vijand te beletten, en
de gijzelaars werden zonder moeite binnen Maastricht gebracht.
Die gebeurtenis is weinig eervol voor de belegeraars, vooral
voor Rabenhaupt: niets te vernemen van de nadering van die
vijandelijke ruitermacht, geen poging te doen om haar tegen te
houden, aan te vallen, en te verslaan, haar ongehinderd tot de
vesting te laten doordringen, haar ongehinderd te laten weg-
trekken, zich door de bezetting van Grave, zooveel minder sterk
dan het Hollandsche leger, in bedwang te laten houden en vrees
te doen aanjagen, — dit bewijst een gebrek aan waakzaamheid,
een gemis aan beleid, eene traagheid, eene zwakheid, die ten
zeerste zijn te veroordeelen ; en waarlijk, wanneer bij deze be-
legering van Grave de dapperheid der troepen meestal hoogen
lof verdient, zoo kan men hetzelfde niet zeggen van het beleid
des veldheers; wil men Rabenhaupt's roem vermelden, dan moet
men hem den verdediger van Groningen maar niet den aanvaller
van Grave noemen. De handelingen van dat legerhoofd moeten
dan ook het rechtmatig misnoegen van Willem III en van de
Staten hebben opgewekt, en den geest van het algemeen zeer
tegen hem hebben ingenomen; men kan dit onder andere op-
maken uit eene plaats in Sylvius, waar gezegd wordt: iden
2osten Augustus," — dit is een vergissing; het moet zijn, den
lóen — , 1 hebben de Franschen twee wagens met ostagiers, met
een groote behendigheid uit De Graaf naar Maastricht gevoerd,
hetwelk bij sommigen veel ombragie heeft gegeven."
Door dat wegvoeren van de gijzelaars schijnt men aan de
Hollandsche zijde intusschen de overtuiging te hebben gekregen,
dat het toch goed is om eene vesting die men belegert in te
sluiten; en men gaat daartoe over. Eene soort van circumvallatie-
linie wordt aangelegd, die den aanval aan de zijde van Rave-
stein verbindt met dien aan de zijde van Kuyck; de rivier de
WILLEM iii. — II. Q
Digitized by
Google
130 KRIJG3- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Raam, die men door eene andere bedding beneden Grave in de
Maas deed uitloopen, diende die linie tot gracht. Dat afleiden
van de Raam is door de Fransche schrijvers hoogelijk geprezen,
en genoemd: teen arbeid^ den Romeinen waard". Het was een
moeilijke, grootsche arbeid; en in zoover kan men hem verge-
lijken met de werken der Romeinen; maar de werken der
Romeinen waren meestal ook nuttig; was het afleiden van de
Raam dit ook? — Wij gelooven van niet; wij deelen ten volle
de meening van den reeds meermalen aangehaalden schrijver
der «Memorie van verdediging van Grave", die in die afleiding
van de Raam eene geheel onnoodige krachts verspil! ing ziet. Welk
nut — zegt hij — kon die arbeid verschafi'enf Was het alleen
te doen om de Raam af te leiden, dat kon korter geschieden
door dat riviertje niet beneden-, maar bovenwaarts van Grave
in de Maas te doen uitstorten; en om de circumvallatie-lijn te
versterken was het overbodig ; want ontzet was niet te wachten ;
en dan had men ook op den rechteroever van de Maas die ver-
sterkingsmiddelen moeten aanwenden, en dat deed men niet.
De aanvalswerkzaaraheden werden nu op den rechteroever
met de meeste kracht voortgezet, en de brug door de batterijen
der Hollanders vernield; de gemeenschap van de bezetting van
het bruggenhoofd met de stad had toen plaats door middel van
schuiten. Ook hier deed de verdediger herhaaldelijk kleine uit-
vallen om den voortgang van den aanval te vertragen. Eene
batterij van vier 24-ponders van den aanvaller maakte ein-
delijk bres in het bruggenhoofd; en hoezeer dit werk voorzien
was van eene binnenverschansing, oordeelde de verdediger het
echter niet raadzaam om in die laatste wijkplaats een storm
af te wachten, maar ontruimde het bruggenhoofd den isten Sep-
tember.
Bij de Fransche schrijvers wordt gewag gemaakt van een
bijzonder verdedigingsmiddel, van een zoogenaamde drijvende
schans {redoute flottante\ gevormd door het verbinden van twee
vaartuigen. Die schans, aan een lang kabeltouw vastgemaakt, liet
men dan bij donkeren nacht de Maas afzakken naar de zijde
van Ravestein; een paar honderd man infanterie, op die vaar-
tuigen geplaatst, openden dan plotseling en van nabij een hevig
geweervuur op de loopgraven des belegeraars, wat, in verband
met een gelijktijdigen uitval, den vijand veel verlies veroorzaakte ;
door middel van den kabel werd de schans daarna weer voor
Grave gebracht. De Fransche schrijvers zeggen, dat dit middel
slechts tweemaal werd aangewend, en dat de schans toen in den
grond werd geschoten door het geschutvuur des vijands; —
onze schrijvers zwijgen geheel en al over die drijvende schans,
Digitized by
Google
BELEG VAN GRAVE. I3I
zoodat de geheele zaak twijfelachtig is. De aanwending van dit
verdedigingsmiddel zoude ten minste vóór den isten September
plaats gehad moeten hebben, dat is: vóór de bemacbtiging van
het bruggenhoofd door de Hollanders.
Terwijl de aanvaller dus op den rechteroever van de Maas
vorderingen maakte, deed Chamilly den vijand op den linker-
oever afbreuk door krachtige uitvallen. De parallel aaa de zijde
van Den Bosch, aanvankelijk sterk bezet, was later met minder
troepen voorzien, die ook vaak de noodige waakzaamheid niet in
acht namen, Chamilly, daarvan onderricht, doet, zonder dat de
bezetting van iets weet, op den middag van den josten Augustus
de geheele ruiterij onder de wapens komen en een honderdtal
uitgelezen infanteristen achter een gelijk aantal ruiters te paard
stijgen. Die macht trekt de Hampoort uit, en stort zich in vollen
ren op de parallel van den aanvaller; dddr gekomen springen
de honderd infanteristen van de paarden en beklimmen de borst-
wering der loopgraaf, terwijl de ruiterij daaromheen rijdt, om
den terugtrekkenden vijand neer te sabelen. Die aanval gelukt
volkomen: de drie compagnieën van Rademaker, Van Campen
en Uiterwijk, die zich dddr in de parallel bevinden, verrast door
dien plotselingen aanval, zijn niet in staat weerstand te bieden
en gaan grootendeels verloren; Van Campen en Uiterwijk wor-
den doodelijk gewond, en volgens Beaurain moeten hier de Hol-
landers een 200 man verloren hebben; eene opgave, die niet
zeer overdreven schijnt, wanneer men opmerkt dat — volgens
Sylvius — de Franschen een 70 gevangenen meevoerden naar
Grave, en dat van eene der Hollandsche compagnieën maar 10,
van eene andere maar 9 man overbleven.
Bij den Ravesteinschen aanval was men er eindelijk toe ge-
komen om er zich niet toe te bepalen, de loopgraven tusschen
den dijk en de rivier te maken; den 26sten Augustus maakte
men, op een honderd pas afstands van de voorgracht der ves-
ting, een doorgraving in den dijk en breidde toen de parallel
uit naar de zijde van den weg van 's Hertogenbosch. Vorderingen
maakte de aanval daar echter niet ; evemin als de aanval aan de
zijde van Kuyck; in het begin van September, meer dan een
maand na het openen van de loopgraven, had men, behalve de
bemachtiging van het bruggenhoofd, nog geen wezenlijk voordeel
behaald op de aangevallen vesting.
Toch behoorden er al de geestkracht en het beleid van den
verdediger toe om de ontmoediging tegen te gaan, teweegge-
bracht door de vernieling die het geschutvuur van den aanvaller
in Grave aanrichtte. Die stad was nagenoeg in puin; mét de
zieken en gewonden had de burgerij de wijk genomen in de
Digitized by
Google
132 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
kelders, en hield zich daar op last van Chamilly onledig met
door middel van handmolens het graan te malen voor de be-
zetting; van koren was men rijkelijk voorzien, en daarom deed
Chamilly het rantsoen brood verdubbelen, eene maatregel te
meer noodzakelijk, omdat het vleesch schaarsch begon te worden.
In het begin van September waren er nog maar eenige weinige
koeien voorhanden, die men bespaarde voor de zieken en ge-
wonden; «toen werd er paardevleesch gegeven aan de bezetting,
en ging Chamilly zelf zijn soldaten voor in het gebruiken van
dit ongewone voedsel. De ontberingen en vermoeienissen van
het beleg begonnen ontmoediging te doen ontstaan onder de
bezetting; en er hadden herhaaldelijk desertiën plaats, waartoe
de belegeraar op alle mogelijke wijzen aanspoorde.
Om die ontmoediging tegen te gaan, om de geestdrift zi)ner
soldaten op te wekken, daartoe was een man als Chamilly noo-
dig; en vooral in ddt opzicht verdient de Fransche held eene
onbegrensde bewondering. De verschillende schrijvers over dit
beleg van Grave hebben uitvoerig de middelen opgenoemd, door
den bevelhebber aangewend om zijne troepen te doen volharden
in de taak die zij zoo roemrijk hadden begonnen. Het is onnoodig
om die middelen hier te herhalen; in zulk een toestand hangt
alles af van het karakter des aanvoerders: waar deze in alle
vermoeienissen en ontberingen zijner soldaten deelt, waar hij
altijd vooraan is in strijd en gevaar, waar hij in de hachelijkste
omstandigheden een kalm en lachend gelaat bewaart, daar kan
men verzekerd zijn dat er geen lafheid of zwakheid bij zijne
onderhoorigen zal plaats hebben; en zoo was Chamilly; en dit
was het geheim, waardoor hij de ontmoediging deed verdwijnen.
de desertie ophouden, en in zijne troepen zulk een heldengeest
opwekte, dat zij, tot het laatste oogenblik van het beleg, met
onbezweken moed den vijand het hoofd bleven bieden. Het
maakte geen indruk, dat Rabenhaupt op den 26sten Augustus
den slag bij Séneffe als een schitterende zege van de bondge-
nooten deed vieren en daaruit aanleiding nam om de vesting
op te eischen; Chamilly — nauwkeurig onderricht van wat er
in de Spaansche Nederlanden voorviel door een ondernemend
soldaat, die, de Maas doorzwemmende, gedurig de vesting in-
en uitging, en berichten van Maastricht aanbracht — Chamilly
deed van zijn zijde den slag van Séneffe vieren en sloeg de
opeisching van Rabenhaupt op trotschen toon af.
Bij de belegeraars begon, omstreeks het midden van Sep-
tember, een nieuwe aanval aan de zijde van Den Bosch; en de
verdediger was verplicht daartegenover een gedeelte der troepen
te stellen, die eerst op de twee andere aangevallene fronten
Digitized by
Google
BELEG VAN GRAVE. I33
waren. Die aanval aan de Bossche zijde^ genaderd tot aan een
breede kolk door de voorgracht gevormd, werd daar niet verder
voortgezet, raaar toen in verband gebracht met den aanval aan
de zijde van Ravestein. Gedurende een paar weken had er nu
niets anders plaats dan kleine uitvallen en een hevig vuur uit
de vesting. In weerwil daarvan was de belegeraar genaderd tot
op den rand der voorgracht en deed hij pogingen om die over
te trekken, maar vruchteloos; de verdediger, partij trekkende
van de kleine redan-vormige ingravingen op het glacis, hield
van daar zulk een hevig geweervuur vol, dat het den aanvaller
niet gelukte dammen te maken in die voorgracht. Die ingra-
vingen waren zoo nabij de voorgracht, dat de fascinen, door den
aanvaller in de gracht geworpen, dikwijls door den verdediger
met haken daaruit werden gehaald.
Van den rechteroever van de Maas hielden de batterijen van
den aanvaller een hevig vuur vol op het gedeelte der vesting
dat aan de rivier sluit, en vooial op het bastion aan de zijde
van Ravesiein; die batterijen waren bewapend met geschut van
z^aar kaUber, 33- en 48-ponders; en hoezeer Fransche schrijvers
zeggen, dat die batterijen gedemonteerd werden door het geschut
uit de vesting, zoo schijnt dit toch niet juist en zijn andere om-
standigheden hiermede niet in overeenstemming te brengen. Inte-
gendeel, ook door Beauiain wordt gezegd, dat aan die zijde de
batterijen van de vesting gedurig werden tot zwijgen gebracht,
maar telkens weer in werking kwamen omdat men in de vesting
een groot aantal affuiten had ter verwisseling. Het geschutvuur
van den aanvaller werd ondersteund door geweervuur van achter
eene borstwering van schanskorven, onmiddellijk aan den oever der
rivier opgeworpen. Het bastion aan de zijde van Ravestein was
weldra in puin geschoten, en eene groote, goed beklimbare bres
daarin gemaakt; Chamilly, voor een storm vreezende, doet daar
telkens bij het invallen van den nacht een groot aantal friesche
ruiters plaatsen, die bij het aanbreken van den dag weer worden
weggenomen om te beletten dat zij vernield zouden worden door
het vijandelijke kanonvuur.
Het moet toen geweest zijn, dat Coehoorn, die als kapitein
der infanterie bij het leger aanwezig was, een voorstel deed tot
bestorming \ an de vesting. Dit voorstel bestond daarin, dat men
door middel van eenige vlotten een bataljon overzette van den
rechteroever der Maas naar den linkeroever, en deed aanvallen
op de bres van het bastion naar de zijde van Ravestein. Dit
voorstel werd echter niet aangenomen. Het niet beproeven van
die wijze van aanvallen wordt afgekeurd door sommige onzer
schrijvers, die van oordeel zijn dat een storm, op die wijze ge-
daan, veel kans had van te zullen gelukken. Wij zijn niet van
Digitized by
Google
134 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN,
dat gevoelen en gelooven integendeel dat het overzetten van
troepen over een rivier, zelfs al zijn er aan de overzijde vol-
strekt geen vestingwerken, een ondoenlijke zaak is, wanneer op
den anderen oever een dappere vijand gereed staat om dit te
beletten. Met allen eerbied voor den grooten naam van Coe-
hoorn gelooven wij toch, dat de door hem voorgeslagen storm
tot niets anders kon leiden dan tot een nuttelooze opoffering van
troepen, en dat Rabenhaupt dus gelijk had, daaraan zijne toe-
stemming te onthouden. Op eene betere wijze droeg Coehoorn
bij tot den val der vesting door de aanwending van de naar
hem genoemde mortieren, die den belegerde gevoelige verliezen
deden ondergaan.
Het zou te uitvoerig zijn hier in bijzonderheden te vermelden,
hoe Chamilly in het begin van September 's nachts eene vruch-
telooze poging deed om den dam in de Raam te doorsteken,
hoe Golstein den 2osten September aan de boven-Maas een
stormaanval deed op het voorwerk dat de Franschen daar op
den dijk hadden; een storm, die afgeslagen werd en het leven
kostte aan den dapperen Verschoor, den vroegeren bevelhebber
van Knodsenburg; en hoe Chamilly van zijne zijde op den avond
van den 2 «sten September een uitval deed naar de zijde van Den
Bosch; een uitval, waarvan de Fransche schrijvers hoog opgeven,
maar die, als men de zaak nauwkeuriger onderzoekt, mislukt
schijnt, hoezeer zij den belegeraar verliezen veroorzaakte, en,
onder anderen, een moedig officier, den kapitein Tengnagel, daar
den dood deed vinden. De voorgracht en de logementen op
den dijk waren de beletselen die den aanvaller tegenhielden; en
Rabenhaupt, in de kunst geen middelen vindende om die be-
letselen te boven te komen, en wanhopig over den langen duur
van het beleg, besloot tot zijn doel te geraken door geweld en
door opoffering van troepen en alles dus te laten aankomen op
de dapperheid zijner soldaten.
Er waren dan ook redenen om te gelooven, dat de kracht
des verdedigers aan het wankelen zou zijn geraakt en dat hij
moeilijk een hevige bestorming zou kunnen weerstaan. Het in-
wendige van de stad was verwoest, en zelfs in den bedekten
weg werd de bezetting geteisterd door het worpgeschut van den
vijand. Het getal gewonden was reeds geklommen tot 8 k 900,
en het kostte moeite daar berging voor te vinden. Van een goed
gedeelte der burgerij had Chamilly zich ontlast door die te doen
uittrekken naar de zijde van Den Bosch, en den daar aanwezigen
Hollandschen bevelhebber te misleiden, door de verzekering, dat
het de wil van Rabenhaupt was om die weerlooze menigte door
te laten. Alle omstandigheden overtuigden den aanvaller, van
den benarden toestand waarin zich zijne tegenpartij bevond; —
Digitized by
Google
BKLEG VAN GR AVE. I35
maar de aanvaller, daarop de kansen bouwende op de overwin-
ning, vergat bij die berekening den ontembaren moed van het
vijandelijk legerhoofd.
De storm heeft plaats op den avond van den 29sten Sep-
tember. Terwijl de belegerde door schijnbewegingen bedreigd
wordt met een storm aan de zijde van Kuyck, en terwijl van
den rechteroever der Maas de batterijen der Hollanders onop-
houdelijk vuren op de vesting, rukt 's avonds tusschen 4 en 5
uur het regiment van Tamminga, gevolgd door die van Hunde-
beek er Wagenheim, langs den dijk van Ravestein voort en
werpt zich op de logementen die de Franschen ddir hebben.
Het regiment van Bourgogne is daar, maar tracht tevergeefs de
soldaten van Tamminga tegen te houden, die met onstuimige
dapperheid de verschansing bemachtigen en doordringen tot de
tweede rij palissaden, tusschen de werken der vesting en de
rivier. Chamilly is oogenblik keiijk naar de plaats van den storm
toegesneld, en doet Guiscard met het regiment van Normandië
van de Brugpoorl oprukken naar het Ravesteinsche front, om
daar de verdedigers te versterken 5 hijzelf plaatst zich met 200
man voetvolk in het naastbij zijnde hoornwerk en doet de afge-
zeten ruiterij bet bastion aan de Maas bezetten.
Guiscard, met het regiment van Normandië aangekomen zijnde,
valt daarmee onverwijld op de bestormers aan. Deze, geteisterd
door het geschutvuur dat uit het bastion op hen is gericht, zijn
toen bovendien in verwarring geraakt door het springen van
eene mijn, nog vóór de voorgracht aangelegd ; en toen Guiscard's
soldaten zich nu met den degen in den vuist op hen werpen,
worden zij op hunne beurt verdreven, en verliezen weer alles
wat zij hadden vermeesterd. Maar de dapperheid der Hollanders
deed niet onder voor die des vijands; niet ontmoedigd door het
aanvankelijk mislukken van den storm, vallen zij ten tweeden
male aan, met kracht en met goed gevolg {avec vigueur et avec
succes zijn de woorden die Beaurain gebruikt); zij bemachtigen
nogmaals de aangevallene werken, daarin begunstigd doordien
het toevallig springen van kruittonnen en gevulde granaten in
de wapenplaatsen van het glacis verwarring en verlies bij den
belegerde teweegbrengt. Chamilly wil den vijand dit voordeel
niet laten ; hij doet Guiscard ten tweeden male op de bestormers
aanvallen; ten tweeden male worden deze teruggeworpen; en
toen 's avonds om 8 uur de bloedige kamp eindigde hadden de
belegerden niet het minste gedeelte van hunne verschansingen
verloren.
Stroomen bloeds had die strijd, aan weerszijden, gekost: de
Fransche schrijvers begrooten de verliezen der Hollanders op
meer dan 600 man, terwijl zij zelven erkennen, een 200 man
Digitized by
Google
136 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
aan dooden en gewonden te hebben verloren, waaronder een
groot aantal officieren; volgens Sylvius was het verlies van Raben-
haupt's krijgsmacht slechts 200 man, en de Nieuwe Mercurius
vermindert dit tot op 100. Zooveel is zeker, dat hier tusschen
de stadswerken en de rivier een vreeselijk bloedbad plaats had,
en dat een Fransche schrijver met waarheid zegt, >dat nooit op
zoo kleine ruimte een zoo groot getal dappere strijders vielen."
Den volgenden dag had er een wapenstilstand plaats van eenige
uren om beiden partijen den tijd te geven hunne dooden te
begraven; maar reeds den isten October deed Rabenhaupt den
storm hervatten, — met even ongelukkigen uitslag als twee dagen
vroeger. Om 1 1 uur 's ochtends bestormt het regiment van Beaumont
de Fransche verschansingen op den dijk van Ravestein; met
opzet wordt dit werk slechts zwak verdedigd; de Hollanders
bemachtigen het en dringen door tot de volgende afsnijding.
Maar eensklaps springt een mijn onder de vermeesterde ver-
schansing, en doet een aantal soldaten van Rabenhaupt sneu-
velen. Gelijktijdig komt Chamilly uit de vesting, valt aan op den
in verwarring zijnden vijand en werpt hem weer terug naar zijn
loopgraven. Ook hier moet het verlies van de Hollanders be-
langrijk zijn geweest.
Chamilly, de toenemende hevigheid van den aanval opmer-
kende, oordeelde het te gevaarlijk om de bezetting nog langer
gelegerd te houden in den bedekten weg; hü deed die bezetting
toen teruggaan in de hoornwerken van de aangevallen fronten,
en liet alleen kleine afdeelingen achter om den bedekten weg
bezet te houden. Maar Rabenhaupt was te zeer afgeschrikt door
de ondervondene verliezen om den storm te hervatten; en ge-
durende eenige dagen bestonden de handelingen van den bele-
geraar in niets anders dan in een bijna onafgebroken geschutvuur.
De komst van den held van SénefFe werd vereischt om de zoo
hardnekkig verdedigde vesting te doen vallen. Willem III had
reeds vroeger 3000 man voetvolk en evenveel ruiterij van zijn
leger afgezonderd om de macht van Rabenhaupt te versterken;
zelf verliet hij, den 6en October, de Spaansche Nederlanden, met
graaf Hendrik Casimir, Ouwerkerk, Bentinck en een klein ge-
volg, en kwam, den 9^11, »s avonds, in het leger van Grave aan ;
hij had dien dag 17 uren te paard afgelegd, om te ontkomen
aan een Fransche troepenafdeeling, uit Maastricht afgezonden,
en die op de Peel den Stadhouder afwachtte. — Sylvius, die
deze bijzonderheid mededeelt, maakt haar echter fabelachtig door
te zeggen » dat die troepenafdeeling 4000 ruiters sterk was, ieder
met een infanterist achter zich"; — zoo weinig oordeel is er
bij dien schrijver.
Digitized by VjOOQIC
BELEG VAN GR AVE. I37
Voor het overige moet hier in het voorbijgaan worden bijge-
voegd, dat d'Ëstrades^ de Fransche bevelhebber van Maastricht,
ongehinderd strooptochten verrichtte in de omstreken van de
vesting, zijne ruiterij lang te Tongeren liet, overal brandschat-
tingen ophaalde, en zelfs, toen na den slag van Séneffe sommige
gemeenten en bezitters van heerlijkheden nalieten om die brand-
schattingen te betalen, op een strenge en wreede wijze te hunnen
aanzien te werk ging: >een Heer' — zegt Beaurain — > dreef
de halsstarrigheid zóó ver, dat hij zich mét de zijnen liet ver-
branden in een toren van zijn kasteel waarin hij de wijk had
genomen; eerst toen de onderste verdieping afbrandde, vroeg
hij kwartier, en toen was het te laat." (Utj Seigneur poussa rob-
stination jusqu' a se laisser hrüler^ lui et ses gens, dans une tour de
son chdteau oü il sétait réfugié; il ne demanda quartier que torsque
Ie premier étage füt brülé^ et alors il rCétait plus temps), — Men
beweert dat, in 1 831, de Fransche maarschalk Gérard, de zachte,
raenschelijke wijze opmerkende, waarop het HoUandsche leger
in België was te werk gegaan ten aanzien van den landzaat,
tegen officieren van dat leger zeide : „V0//5 a\'ez fait la guerre en
demoiselles*'' ; — de bevelhebbers der legers van Lodewijk XIV
hebben zelden of nooit den roem van zulk een verwijt verdiend.
Nog op den avond van den 96x1 October gaat Willem III de
loopgraven rond, en wordt daar begroet door het vreugdege-
schreeuw zijner soldaten ; terwijl de daartegenover staande Fransche
posten en wachten dit beantwoorden met het „v/V^ ie Roi^\ Den
volgenden ochtend neemt de Stadhouder nogmaals de aanvals-
werken in oogenschouw ; hij was daarmede niet bijzonder tevreden,
zooals blijkt uit zijn bericht aan de Staten, >dat hij de belegering
in zoodanigen staat niet had gevonden als hij wel verhoopt had ;
maar dat hij evenwel alles zou bijbrengen om daar een gewenscht
gevolg van te zien." Fascinen en biesbruggen worden, op zijn
last, vervaardigd; later van Nijmegen veel smids en timmerlieden
ontboden >met vaten, zakken om met aarde te vullen, balken,
rijs, en andere materialen tot het stormen dienstig"; ook worden
bij elke compagnie 4 tot 15 vrijwilligers gevraagd om granaten
te werpen, en aan die grenadiers als toelage gegeven, 8 stuivers
de dagen dat zij niets doen, en 9 gulden de dagen dat zij gra-
naten werpen. — Een hevig geschutvuur wordt voortdurend op
de stad gericht, en dient om den storm voor te bereiden die
Grave moet doen vallen.
In den nacht van 11 op 12 October heeft die storm plaats.
Terwijl de verdedigers op andere punten door schijnaanvallen
worden beziggehouden, rukt Willem III, om 11 uur, in persoon
vooruit aan het hoofd van 3 regimenten infanterie, en valt daar-
mee de verschansing aan die zich op den dijk van Kuyck be-
Digitized by
Google
138 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN,
vindt. Het regiment van Vendóme verdedigt dien post, maar kan
de aanvallers niel weerstaan, tot buitengewone dapperheid aan-
gespoord door het voorbeeld van hun koenen aanvoerder; de
verschansing op den dijk wordt veroverd, en de Hollanders
dringen door in den bedekten weg. Maar Chamilly komt aan-
snellen met de twee regimenten van Dampierre en van Lan-
guedoc; »de vijand heeft den bedekten weg vermeesterd", roepen
hem de terugtrekkende soldaten van Vendóme toe; » zooveel te
beter", antwoordt de held, >wij zullen er hem weer uitwerpen";
en met den degen in de vuist valt hij uit aan het hoofd der
zijnen. Op dat oogenblik springen weer twee mijnen bij het door
de Hollanders vermeesterde werk ; verwarring en schrik doet dit
ontstaan; en toen Chamilly zich met onstuimigheid op de be-
stormers stort, worden deze met verlies teruggeworpen, en de
verschansing op den dijk hernomen. Bij een nieuwen aanval
maken de troepen van Willem III zich nogmaals meester van
het logement op den dijk, maar worden nogmaals daaruit ver-
dreven door een uitval van de bezetting; en zoo verloopt de
nacht in afwisselende gevechten, waarin zoowel de eene als de
andere partij uitstekende bewijzen van dapperheid geeft, beide
groote verliezen lijden, maar die eindelijk de Franschen geheel
en al meester doen blijven van de bestormde punten.
De dagen van 12 en 13 October verloopen, zonder dat er iets
bijzonders wordt ondernomen; maar in den nacht van 13 op 14
October heeft een algemeene storm plaats, op alle fronten van
aanval. De aanval aan de zijde van Ravestein mislukt; en het
hevige geschut- en geweervuur van de Franschen maakt alle
pogingen van den aanvaller om de voorgracht over te trekken,
vruchteloos. Maar de aanval op het daarnaast liggende front
scheen aanvankelijk betere kansen op te leveren: de kleine
redan-vormige ingravingen bij de saillanten der voorgracht schij-
nen door den verdediger niet, of te zwak, bezet te zijn geweest;
het gelukt ten minste aan Coehoorn om hier in stilte en onbe-
merkt biesbruggen in de voorgracht te plaatsen ; en bijna zonder
wederstand trekken de regimenten van den Stadhouder daarover-
heen, breiden zich uit op het glacis, vallen aan op den bedekten
weg, en dringen daar op verschillende punten binnen. Maar ook
hier ontmoeten zij weer dien man, die, alleen, een leger waard
is; Chamilly verdedigt met leeuwenmoed den bedekten weg, en
het vuur dat hij van daar rifcht op den onbedekt staanden vijand,
doet een aantal Hollanders vallen. Nu geeft de Fransche aan-
voerder bevel om uit te vallen aan eene kleine afdeeling ruiterij,
die zich gewoonlijk in den bedekten weg bevond; de Fransche
ruiters vallen eensklaps op het glacis het HoUandsche voetvolk
aan, en dit brengt zooveel verwarring teweeg, dat dit voetvolk
Digitized by
Google
BELEG VAN GRAVE. I39
in de grootste haast de wijk neemt over de biesbruggen; velen
worden neergesabeld door Chamilly's ruiters, of vinden den dood
in de voorgracht.
Terwijl aan de noordzijde der vesting de strijd zoo hevig
woedde, had aan de zijde van de Brugpoort het regiment van
Vendóme na een scherp gevecht de verschansing op den dijk
moeten afstaan aan de derde aanvalscolonne van den Stadhouder ;
de Hollanders trokken toen de voorgracht over, en twee van
hunne bataljons breidden zich uit op het glacis en poogden zich
daar in te graven. Op dat oogenblik waren de aanvallen op de
andere gedeelten der vesting reeds afgeslagen; en Chamilly, de
vorderingen vernemende die de vijand bij de Brugpoort maakte,
haastte zich daarheen te trekken met de regimenten van Dam-
pierre en van Languedoc. De komst van die versterking en
vooral de tegenwoordigheid van den aanvoerder herstelde hier
weer alles; en de Hollandsche troepen, op de nadrukkelijkste
wijze aangevallen, werden weer met groot verlies teruggeworpen
over de voorgracht.
De strijd had den ganschen nacht geduurd, en volgens de
Fransche schrijvers verloor het leger van den Stadhouder in die
beide nachten van ii en van 13 October niet minder dan 1700
man aan dooden en gewonden. Er is denkelijk overdrijving in
die opgave; nochtans moet die strijd veel gekost hebben aan
het leger van Willem III. Maar ook van de bezetting waren een
groot aantal officieren en soldaten gevallen.
Op den i4en October diende een wapenstilstand van eenige
uren aan de beide partijen weer om hunne dooden te begraven ;
ook de volgende dag verloopt zonder strijd ; maar in den nacht
van 15 op 16 October wordt de bestorming hervat. De bezetting,
geschokt door de gevechten van de vorige dagen, voert nu de
verdediging met minder geestkracht; zoowel aan de zijde van
Ravestein als aan die van Kuyck worden de verschansingen op
den dijk vermeesterd door de Hollanders; dezen trekken de
voorgracht over en graven zich in op den teen van het glacis.
Dit ging echter niet zonder hevigen strijd en aanmerkelijk ver-
lies; telkens werden door de bezetting kleine tegenaanvallen be-
proefd, vooral aan de zijde van de Brugpoort, waar Saint-Just
met veel dapperheid de verdediging bestuurde. Hier vindt men
weer gewag gemaakt van een aanval van een vijftigtal Fransche
cavaleristen op de Hollanders die op het glacis waren doorge-
drongen ; die beweging had echter noodlottige gevolgen. Willem III
deed friesche ruiters voor zijne troepen plaatsen ; en de Fransche
cavalerie, door dit beletsel tegengehouden, werd bijna geheel
vernield door het geweervuur van de Hollanders. Over het ge-
heel kan men aannemen, dat in eene vesting van zoo kleinen
Digitized by
Google
I40 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
omvang als Grave, en in deze periode van het beleg, de aan-
wending van ruiterij bij de verdediging weinig voordeel oplevert;
en dat, wanneer hier Chamilly er soms wél voordeel uit trekt,
dit toe te schrijven is aan zijne groote bekwaamheid of aan de
misslagen van zijne vijanden, maar volstrekt niet beschouwd
moet worden als eene handeling, die men moet opvolgen als
gedragsregel in een dergelijken toestand.
Chamilly, die den volgenden nacht — van i6 op 17 Octo-
ber — eene bestorming van den bedekten weg verwachtte, deed
tegen den avond een groot aantal kruitzakken met granaten op
het glacis plaatsen, en van die zakken naar den bedekten weg
een kruitloop maken ; om het ontvlammen van dat kruit te voor-
komen, verbood hij om uit den bedekten weg te vuren. Zooals
de Fransche bevelhebber verwachtte, rukken werkelijk, tusschen
10 en II uur *s avonds, twee stormcolonnen van de zijde van
Kuyck en Ravestein voort. Willem III is in persoon daarbij, en
stelt zijn leven bloot met een aan roekeloosheid grenzenden
moed. Maar toen de aanvallers nabij den bedekten weg zijn ge-
komen, steken Fransche officieren den kruitloop aan; de plotse-
linge ontploffing, de aan alle zijden heenspnngende granaten
verbreken de rijen van de bestormers, en doen deze in het
eerste oogenblik terugdeinzen. Oranje voert hen nogmaals tegen
de vesting aan, en bij herhaling heeft de bestorming van den
bedekten weg plaats. Wij kunnen hier niet alle bijzonderheden
vermelden van dien verwarden en bloedigen strijd, aan weers-
zijden gekenmerkt door eene dapperheid, die boven allen lof is
verheven. Genoeg ?[} het te zeggen, dat de Stadhouder telkens
zijne soldaten ten aanval voortstuwde en wanhopige pogingen
deed om de bekroning van den bedekten weg te verrichten; hij
zelf, te paard te midden der strijders, bracht bij herhaling fas-
cinen aan voor die bekroning; en nooit heeft mogelijk een
legerhoofd zijn leven zoo in de waagschaal gesteld als Wil-
lem III bij dien nachtelijken strijd voor Grave. Maar de tegen-
stand was te groot: bij herhaling drongen de Hollanders door
de eerste rij der palissaden van den bedekten weg heen, maar
werden telkens teruggedreven door het hevige vuur dat de
verdediger van achter de tweede rij op hen richtte; zij moesten
teruggaan en de voorgenomene bekroning van den bedekten
weg opgeven. Chamilly, die fascinen noodig had voor de her-
stelling van zijne batterijen, had aan de Fransche soldaten eene
belooning van twintig francs toegezegd voor elke honderd fas-
cinen die zij zouden vermeesteren; en het gelukte aan zijne sol-
daten om een groot aantal dier bekleedingsmiddelen machtig te
worden.
Eene poging, door de Hollanders gelijktijdig beproefd, om
Digitized by
Google
BELEG VAN GRAVE. I4I
aan de zijde van Den Bosch de voorgracht over te trekken, was
evenzeer mislukt.
»Maar het was moeielijk," — zegt Beaurain — »om het den
Prins van Oranje af te winnen in moed en in volharding. In
weerwil van de herhaalde nachtelijke gevechten, die hij aange-
wakkerd had door zijn bijzijn en zijn voorbeeld ; in weerwil van
de vermoeidheid van zijne troepen, en van de verliezen die zij
hadden geleden, wilde hij den bedekten weg bij het Ravesteinsche
front vermeesteren, en deed daarop nogmaals een aanval om 7 uur
's ochtends. Met de grootste dapperheid vielen zijne colonnes
aan." {Mats il était difficik de vaincre Ie Prince d'*Orange en courage
et en opinidtreié, Malgré les combats répétés de la nuit^ qi^il avait
animés par sa présence et son exemple; malgré la fatigue de ses
troupes et les pertes qü* elles avaient essuyées^ tl voulait etnporter Ie
chemin couvert de Ravestein; il Ie fit réattaquer tl sept heures du
matin. Ses détachements y marchèrent avec la plus grande valeur . . .).
Maar ook die nieuwe aanval, in den ochtend van den lyen Oc-
tober verricht, stuit af op den onwrikbaren tegenstand des ver-
dedigers. Wél bemachtigen de bestormers een gedeelte van den
bedekten weg, en dooden zij het grootste gedeelte van de daar
aanwezige verdedigers; maar de Franschen houden stand achter
de traversen, en richten van daar en van de overige werken een
hevig vuur op den vijand. De Hollanders graven zich in; kun-
nen zij daarin slagen, dan hebben zij een gewichtig voordeel
verkregen, omdat zij van daar gezicht hebben op een aanmer-
kelijk gedeelte van den bedekten weg en op de brug die van
daar naar het hoornwerk geleidt Chamilly, doordrongen van het
belang om die ingraving te beletten, doet negen 24-ponders, in
de lunet links van het hoornwerk, onverpoosd vuren op de
werkers van den vijand, en een bataljon van het regiment van
Bourgogne houdt zich gereed om daar op aan te vallen. Met
buitengewone onverschrokkenheid zetten de Hollanders den arbeid
voort onder het moordende geschutvuur; maar de pas begonnen
ingravifig is dra vernield door de Fransche artillerie; en het
bataljon van Bourgogne, op den vijand uitvallende, drijft dezen
weer uit den bedekten weg.
Nieuwe aanvallen eindigen even slecht voor den aanvaller; tot
pp het glacis zet de bezetting den strijd voort; en toen, tegen
den middag, die strijd ophoudt, zijn Chamilly*s soldaten meester
gebleven van den geheelen bedekten weg. Beaurain zegt van dien
kamp: »aan weerszijden werden wonderen van dapperheid ver-
richt; de verliezen waren overgroot, vooral die der aanvallers..."
(„// s'y fit de part et d*autre des prodiges de valeur; la perte fut
énorme,^ surtout pour les assiégeans . , ."). Maar ook in Grave waren,
op dat oogenblik, bijna duizend gewonden, — en gebrek aan
geneesmiddelen ; Chamilly, door den chirurgijn- majoor onderricht
Digitized by
Google
142 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
van die laatste omstandigheid, gelastte hem dit geheim te hou-
den, en den lijders middelen toe te dienen die noch goed noch
kwaad deden.
Chamilly, zijne bezetting gaandeweg ziende verminderen, be-
sluit den bedekten weg nu niet zoo ernstig meer te verdedigen,
maar daar alleen zwakke detachementen te laten, die in last
hebben om bij een ernstigen aanval terug te trekken op de
hoornwerken. Bij den aanvaller schijnt men door de ondergane
verliezen eenigszins afgeschrikt te zijn van groote stormen. In
de volgende dagen worden door de Hollanders, zoowel op
den boven- als op den beneden- aan val, logementen gemaakt op
de kruin van het glacis; zij werpen veel granaten in den be-
dekten weg tusschen de beide rijen palissaden en brengen daar-
door den verdediger verliezen toe. Om die verliezen te vermin-
deren doet Chamilly tegen de tweede rij palissaden fascinen
plaatsen, waarachter de verdedigers zich kunnen nederleggen. Er
hebben gedeeltelijke aanvallen op den bedekten weg plaats; som-
mige gelukken, andere niet; totdat de verdediger eindelijk alleen
meester blijft van eenige wapenplaatsen in dien bedekten weg.
Veelvuldig zijn, zoo bij de eene als bij de andere partij, de
voorbeelden van dapperheid, die de schrijvers over dit beleg
hebben geboekt; maar het zou te wijdloopig zijn, ze hier op te
noemen. Toch kunnen wij niet nalaten hier een feit te vermelden,
dat men bij de Fransche schrijvers vindt: dat zes officieren van
Willem III, om den bedekten weg en de inrichting van de palis-
saden te verkennen, zich met Spartaanschen heldenmoed, aan de
zijde van Kuyck, in dien bedekten weg wierpen, maar bij hunne
roemvolie onderneming allen den dood vonden. — Onze jam-
merlijke geschiedschrijvers van dien tijd zeggen niets van die
daad, die Griekenland en Rome bekroond zouden hebben met
den lauwerkrans der onsterfelijkheid.
Nu gold het den hoofdwal der aangevallen vesting, en de
Stadhouder nam maatregelen om die laatste wijkplaats des vijands
binnen te dringen; hij deed twee bresbatterijen opwerpen, de
eene op den linkeroever der Maas, tegen het bastion dat aan
het hoogere gedeelte van die rivier sluit, de andere op den
rechteroever, tegen het linker halve bastion van het hoornwerk
op hetzelfde front; beide werken lagen weldra in puin. De aan-
val gold nu voornamelijk het front naar de zijde van Kuyck,
maar ook op de overige deelen der vesting bleef de belegeraar
een krachtig geschutvuur volhouden, minder krachtig beantwoord
door het geschut van den belegerde, die gebrek begon te krijgen
aan kanonniers. Toch wil de verdediger door alle mogelijke
Digitized by
Google
BELEG VAN GRAVE. 143
middelen het oogenblik van den val van Grave vertragen, en
wendt daartoe weer mijnen aan, waarvan er eene, vóór het hoorn-
werk bij de Brugpoort, den 21 sten October door den belegeraar
wordt ontdekt en onschadelijk gemaakt. De belegeraar, voor-
nemens bij dat hoornwerk te stormen, had daartoe een aan-
zienlijken voorraad fascinen bijeengebracht om te dienen tot
demping van de gracht; bij een uitval, op 23 October gedaan,
worden die fascinen door de soldaten van Chamilly in brand
gestoken.
Dit was het laatste belangrijke feit van dit beleg. In den avond
van den 24sien October ontvangt Chamilly door middel van zijn
gewonen boodschapper machtiging van Lodewijk XIV om zijn
vesting over te geven aan den vijand, mits onder eervolle voor-
waarden. Het kan zijn dat de dappere krijgsman ongaarne die
machtiging ontving; maar wanneer de meeste Fransche schrijvers
beweren, dat zonder dien last de verdediging nog lang had
kunnen worden voortgezet en de aanvaller mogelijk onverrich-
terzake had moeten afdeinzen, dan is dit naar onze meening
niets dan ijdele grootspraak: de verdediging kón nog worden
voortgezet; de kamp op de wijdgapende bressen kón nog bloe-
dige offers kosten, en nog verheerlijkt worden door menige dap-
pere daad; maar toch, de verdedigingsmiddelen waren bijna ten
einde, en de val der vesting — eenige dagen vroeger, eenige
dagen later — zeker. Chamilly trad dan ook, den 25sten, met
den vijand in onderhandeling; en na eenig verschil, dat vooral
betrekking had op het meevoeren van geschut, werd den 2 7steD
eene capitulatie gesloten, en den volgenden dag de vesting over-
gegeven. Met wapens en krijgseer verliet de dappere bezetting
de vesting; en Chamilly ontving van Willem III de sprekendste
bewijzen van de hoogachting, welke zijne uitstekende verdediging
den Stadhouder had ingeboezemd; aan den Franschen bevel-
hebber werd vergund om twee kleine stukken geschut meê te
nemen, hem vroeger geschonken door de stad Zwolle. De Fransche
bezetting nam bovendien, bij haren uittocht naar Charleroi, 24
stukken geschut mede, aan Frankrijk toebehoorende {pux armes
de Franc e).
Zoo eindigde dit altijd merkwaardige beleg, waarvan de duur
door sommige Fransche schrijvers overdreven, op vier maanden
tijds wordt gesteld; overdreven, want hoezeer de insluiting van
Grave reeds op het einde van Juni plaats heeft, worden de loop-
graven toch eerst den 29sten Juli geopend ; eerst van dat oogen-
blik kan het begin van het beleg worden gerekend, en het heeft
dus niet langer dan drie maanden geduurd. Maareene verdedi-
ging van drie maanden tegen een aanval die zóó krachtig werd
gevoerd, en waarbij de aanvaller zooveel dapperheid betoonde
Digitized by
Google
144 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
en zooveel soldaten opofferde, verdient met recht bewondering;
en menige gewonnen veldslag heeft toentertijd Frankrijk niet
meer voordeel aangebracht of zijnen vijanden niet meer verliezen
dan die verdediging van Grave.
Beaurain begroot de verliezen van het HoUandsche leger bij
dit beleg op een 7 k 8000 man. De Nieuwe Mercurius zegt:
»men wil dat van de onze wel 5000 zijn gebleven"; en Sylvius
zegt, dat dit verlies »wel 8000 man was aan dooden en gewon-
den, waaronder 300 officieren en daarbij 7 kolonels en 1 40 kapi-
teins". Die opgaven loopen dus niet veel uiteen, en bewijzen tot
hoe duren prijs de vesting werd gekocht. De verliezen van den
verdediger waren uit den aard der zaak veel kleiner; Sylvius
zegt vrij onbepaald, dat zij bestonden in »36 kapiteins en 134
officieren, behalve een groot aantal soldaten"; De Nieuwe Mer-
curius zegt: »2ooo waren er wel, van die van binnen, zoo ge-
dood als gewond" ; en Beaurain begroot het verlies der bezetting
op 2300 k 2400 man aan dooden en gewonden. Die bezetting
was, — volgens dien Franschen schrijver — , bij den uittocht
nog maar iioo k 1200 man sterk, — wat niet geheel overeen-
komt met de aanvankelijke sterkte; Sylvius zegt, dat de bezet-
ting, bij het uittrekken, nog 1536 soldaten sterk was, behalve de
officieren; de ruiterij, — denkelijk begrepen onder die geheele
sterkte — , telde 280 man, behalve de officieren. In de stad
vond men 345 metalen stukken, uit de HoUandsche vestingen
afkomstig, 44 met 's Konings wapen, en veel ijzeren geschut;
bovendien was daar een aanmerkelijke voorraad munitie, en
daaronder 125000 pond buskruit.
De langdurige wederstand van Grave, en de groote verliezen
waarmede de vermeestering van die vesting werd gekocht, heb-
ben den verdediger eene wereldvermaardheid verschaft, die ver-
diend is; — maar wat niet geheel verdiend is, dat is de blaam
die men gewoonlijk werpt op de handelingen van den aanvaller.
Zeker, de aanvaller heeft misslagen begaan, groote misslagen;
en voor een gedeelte is het toe te schrijven aan zijn gemis aan
bekwaamheid, dat Grave zoo lang weerstand heeft geboden en
zoo bloedige offers heeft gekost. Die misslagen vielen bij het
verhaal van de belegering te duidelijk in het oog, dan dat het
noodig zou zijn er hier over uit te weiden; wij bepalen er ons
toe ze op te sommen, zooals de schrijver der » Memorie over
de verdediging van Grave" dit doet; mét hem noemen wij het
misslagen: dat de vesting te laat werd ingesloten; dat men te
weinig uitbreiding gaf aan de aanvalswerken aan de zijde van
Ravestein en Kuyck; dat men de batterijen na elkander en
zonder eenheid in werking bracht; dat men geen gebruik maakte
Digitized by
Google
BELEG VAN GR AVE. I45
van mijnen; dat men aan het afleiden van. de Raam een onnoo-
digen arbeid besteedde; en dat men den aanval op het brug-
genhoofd te laat verrichtte, en met te weinig kracht. Dat zijn
misslagen, die getuigen tegen het beleid van Rabenhaupt; en
wanneer voor dien veldheer ooit een standbeeld wordt opgericht,
dan moet — dit is reeds vroeger aangemerkt — hem die eer
aangedaan worden als verdediger van Groningen, niet als aan-
valler van Grave.
Waren die misslagen niet begaan, dan zou de vermeestering
van Grave minder tijd, minder bloed hebben gekost; maar toch
zou zij altijd eene zeer moeielijke handeling zijn geweest, en niet
dan ten koste van groote opofferingen zijn ten einde gebracht.
Voor den tijd waarin zij plaats had, was de belegering van
Grave eene onderneming, waarvan de uitkomst zeer onzeker
was; en men moet, om die belegering met juistheid te beoor-
deelen^ zich wel herinneren, dat de aanval toen op lange na
niet die hulpmiddelen had, waarover zij heden ten dage kan
beschikken.
Gezwegen nog van de overgroote, bijna dagelijks toenemende
werking van de artillerie ; ons slechts houdende aan den toestand
zooals die was in het midden van de negentiende eeuw, dan was
toch een beleg van dien tijd geheel iets anders dan een beleg
in de zeventiende eeuw. Bij een hedendaagsch beleg toch zou
de aanvaller door eene betere aanwending van de artillerie, door
de ricochet-schoten in staat zijn om de batterijen van de vesting
tot zwijgen te brengen en de palissadeeringen te vernielen, in
1674 niet; toen moest de aanvaller de vesting naderen, terwijl
de palissadeeringen van den bedekten weg ongedeerd bleven, en
het geschutvuur van de vesting zijn volle kracht behield.
Onder zulke omstandigheden is het niet te verwonderen, dat
men een geduchten tegenstand ondervond van eene talrijke, dap-
pere bezetting, voorzien van eene buitengewoon sterke artillerie
en van alles wat bij een beleg noodig is, en eene vesting ver-
dedigende die slechts op enkele gedeelten kon worden aange-
vallen, en waar het geschut met zooveel zorg en met zooveel
beleid in batterij was geplaatst, dat het weinig of niets had te
lijden van de rechtstreeksche schoten, de eenige die men toen
aanwendde. Had men Grave dadelijk ingesloten, had men aan
de aanvalswerken meer uitbreiding gegeven en de batterijen beter
aangewend, dan had men *s vijands uitvallen beter kunnen tegen-
gaan ; misschien had men ook, door van mijnen gebruik te maken,
eenige vernieling kunnen teweegbrengen in de werken des ver-
dedigers; — maar in weerwil van dat alles zou de belegering
lang en bloedig zijn gebleven. Het vermijden van de opgenoemde
misslagen zou den duur der belegering iets verkort, de verliezen
des aanvallers iets verminderd hebben; maar langdurig zou de
WILLEM III. — II. 10
Digitized by
Google
146 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
belegering nog altijd zijn gebleven, aanzienlijk nog altijd de ver-
liezen van den aanvaller.
Wat viel hier dus te doen ? — Een van tweeën : óf zich de
groote, onvermijdelijke verliezen van een beleg getroosten, óf de
vesting winnen door het langzame, geen verlies aanbrengende
middel van eene nauwe insluiting en uithongering.
Wij gelooven dat, onder de omstandigheden waarin men zich
in 1674 bevond, dit laatste middel het verkieslijk ste zou zijn ge-
weest. Men had, evenals Prins Maurits dit deed bij de belegering
van 1602, moeten beginnen met de stad te omgeven met eene
verschanste linie, met dit onderscheid, dat die linie minder had
moeten dienen tegen den vijand van buiten, dan legen de ves-
ting; dit was het eerst noodig; later kon men arbeiden aan eene
circumvallatie-linie, en was deze voltooid, dan kon men gerust
elke poging tot ontzet afwachten, — eene poging die bij de be-
staande omstandigheden niet waarschijnlijk was. Zoo handelende
kon men de vesting doen vallen in denzelfden tijd als nu door
het beleg; want nu reeds was er bij de overgave gebrek aan
leeftocht; en dat gebrek zou dan natuurlijk spoediger zijn ont-
staan, daar de bezetting dan grootere sterkte zou behouden heb-
ben. Men had dan evenzeer de vesting gewonnen, en ddt zonder
verlies van menschenlevens, zonder verspilling van munitie, alleen
ten koste van tijd en arbeid. Daar waar de aanvaller geen reden
heeft om zich te haasten, verdient, zelfs in ónzen tijd, de uithon-
gering van eene vesting de voorkeur boven hare belegering;
zooveel te meer moest dat waar zijn in de zeventiende eeuw,
toen bij een beleg de aanvaller zooveel minder kansen had van
te slagen dan in onzen tijd.
Maar men verkoos een beleg; en die keus bracht noodwendig
de groote verliezen meê, die men geleden heeft; want — het
zij herhaald — het vermijden van de opgenoemde misslagen kon
die verliezen iets minder maken, maar veel toch niet. De ves-
ting was nu alleen te winnen ten koste van menschenlevens; zij
kon alleen worden gewonnen door volhardende, uitstekende dap-
perheid. En die dapperheid ontbreekt dan ook niet bij de be-
legeraars; daaraan wordt te weinig recht gedaan, te weinig lof
toegezwaaid! Men roerat Chamilly, en den onbezweken tegen-
stand door zijne bezetting geboden; maar men waardeert niet
genoeg de helden, wier leeuwenmoed dien tegenstand te boven
kwam; en toch, hij die met aandacht de bijzonderheden leest
van dit altijd merkwaardige beleg, zal tot de overtuiging komen
dat zelden of nooit op een slagveld met meer hardnekkigheid
en zelfopoffering is gestreden dan hier voor Grave door den
Stadhouder en door zijne dappere soldaten. Caesar's legioenen,
de onbezweken krijgsscharen van een Gustaaf Adolf, de dapperen
door Napoleon aangevoerd tegen de brug van Arcole, de batal-
Digitized by
Google
BELEG VAN GR AVE. I47
jons waarmede Wellington de muren van Badajoz beklom of
waarmede hij op het slagveld van Waterloo zegevierde, — zij
allen hebben geen hooger aanspraak op krijgsroem dan de regi-
menten van Willem III, die alleen door hunne volhardende stout-
heid den tegenstand van een Chamilly konden overwinnen.
De roem van den Franschen held... Wie zal hem dien ont-
zeggen, wie zal dien verkleinen? wij, niet. Wij hebben gezegd,
dat er overdrijving en grootspraak is in de voorstelling, door de
Fransche schrijvers van de verdediging gegeven ; wij hebben aan-
getoond waarom wij niet gelooven aan dat bijna verrassen van
's Hertogenbosch of aan de bewering dat zonder den uitdrukke-
lijken last van Lodewijk XIV de vermeestering van Grave den-
kelijk niet zou hebben plaats gehad; — maar dit belet niet, dat
wij de hoogste bewondering koesteren voor de uitstekende dap-
perheid en bekwaamheid van Chamilly; dat wij zijn naam eer-
biedigen als den naam van een der beroemdste aanvoerders van
zijn tijd ; dat wij in hem het ideaal zien van wat de bevelhebber
eener aangevallen vesting moet zijn. Vergelijk eens de verdedi-
ging van Grave in 1674 met die van Maastricht het jaar te
voren, — die dan toch nog niet slecht was; — en zie hoe on-
gunstig die vergelijking uitvalt voor den Hollandschen bevel-
hebber van laatstgenoemde vesting; en hoe klaarblijkelijk men
daaruit kan zien wat één man kan doen en hoe bijna alles af-
hangt van den bevelhebber.
Ook wij hebben in onze geschiedenis tal van schitterende
steden- verdedigingen aan te wijzen, vooral in onzen tachtigjarigen
oorlog; en meer dan één onzer vestingen, met minder hulpmid-
delen voorzien dan Grave in 1674, heeft langer tijd weerstand
geboden aan nog krachtiger aanval dan die waarvoor Chamilly
heeft moeten bukken. Maar men moet hierbij wel in het oog
houden, hoezeer de drijfveeren, die in dien oorlog onze voor-
ouders aanspoorden tot hardnekkigen wederstand, verschillend
waren van de drijfveeren die Chamilly zoo lang de wapens in
de hand deden houden.
Onze voorouders streden niet enkel uit roemzucht en vader-
landsliefde, niet enkel voor hunnen godsdienst of voor hunne
vrijheid; maar zij streden ook om te ontkomen aan den dood,
aan de ergste onderdrukking, aan de wreedste mishandelingen.
Wanneer de burger van Haarlem en Alkmaar met leeuwenmoed
de wallen zijner stad aan Alva*s wreede horden betwistte, wist
hij dat van het behoud dier stad zijn leven afhing, het behoud
van have en erf, de eer zijner vrouw en dochteren. De harde
nooddwang die, in de oudheid, Tyrus, Carthago, Numantia en
zooveel andere steden tot wanhopigen wederstand aanspoorde;
die, in den kamp tusschen de Christenheid en de aanhangers
der halve maan, Rhodus en Szigeth zich met bijna fabelachtige
Digitized by
Google
148 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
volharding deden verweren; diezelfde nooddwang is voor een
gedeelte de oorzaak geweest van den heldenmoed der Ripperda's
en der Van der Werfs.
Voor Chamilly bestond, in 1674, die krachtige drangreden
niet: hij had met een vijand te doen, van wien niets dan men-
schelijkheid was te wachten; en het einde van het beleg, de
overgave van Grave, zou de Fransche bezetting noch aan levens-
gevaar blootstellen, noch denkelijk zelfs de vrijheid doen ver-
liezen; maar die bezetting integendeel bevrijden van de ver-
moeienissen, ontberingen en gevaren, onafscheidelijk van een
beleg. Indien dus Chamilly de verdediging zoo lang mogelijk
heeft voortgezet, de overgave zoo lang mogelijk vertraagd, dan
is dit enkel geweest omdat hij zijn koning wilde gehoorzamen,
zijn vaderland dienen; dan is dit enkel geweest om zijn solda-
tenplicht te vervullen, om zijn eer als krijgsman te verhoogen,
om roem te behalen. De heldenmoed van Chamilly is dus veel
minder de vrucht der noodzakelijkheid geweest, veel meer het
gevolg van vrijen wil; en ddt maakt dien heldenmoed nóg ver-
dienstelijker, nóg schitterender. Laat ons dus, met waarheid en
onpartijdigheid, den naam van Chamilly vereeren als dien van
een uitstekend krijgsman; wij, Hollanders, hebben in onze ge-
schiedenis voorbeelden genoeg van heldengrootheid om zonder
naijver ook bij den vreemdeling te huldigen wat groot is en
verheven.
Wat Rousset over het beleg van Grave heeft, bevat weinig
meer dan het bekende; alleen verdient overgenomen te worden
wat de Fransche schrijver zegt over de munitie in de vesting,
en over de onderscheiding waarmede Chamilly bejegend werd
door Willem III. In het tweede deel van de y^Hhtoire de Louyois'\
blz. 64 — 68, komt daarover het volgende voor:
»Had men Grave kunnen behouden, zooals men Oudenaarden
behield, dan had Lodewijk XIV niets beters kunnen verlangen;
maar Grave was te ver af, en de tijd was verloopen. O.n tijdig
en met vrucht te kunnen handelen had de Prins van Condé
reeds bij het begin van den veldtocht eene beslissende overwinning
op den Prins van Oranje behaald moeten hebben. Zonder dat
kon men aan de verdedigers der vesting geen anderen eisch
stellen dan de verdediging zoo lang mogelijk te rekken en den
vijand zooveel afbreuk te doen als maar kon
De bezetting was vier duizend man sterk, met buitengewoon
groote verdedigingsmiddelen, met te veel geschut en te veel
buskruit.
Men weet op welk een behendige wijze Louvois, vóór den
oorlog, in Holland den krijgsvoorraad van de Hollanders had
Digitized by VjOOQIC
BELEG VAN GR AVE. I49
doen opkoopen ; wat men minder algenaeen weet, dat is hoe hij,
door een aardigen ommekeer van zaken, in 1674 gedrongen
werd om er op bedacht te zijn, hun die munitiën weer te ver-
koopen. Den 29sten Mei, lang voordat er sprake was van het
beleg van Grave, schreef hij uit de legerplaats voor Döle aan
den markies De Chamilly: »die groote hoeveelheid buskruit die
gij hebt, is een lastige item in eene vesting ; want daar zij bijna
geheel opeengehoopt is op hetzelfde punt, zou er, kwam er een
ongeluk te gebeuren door het springen van eene bom of door
het een of ander toeval, in de geheele vesting geen huis, geen
mensch overblijven. Zie dus of er geen kans is, dat kruit voor
goed geld aan den vijand — dat is aan de Hollanders, — te
verkoopen, in schijn alsof gij den Koning daarmede besteelt; gij
zoudt hun de helft kunnen verkoopen van wat gij hebt; dan
houdt gij nog volop over." Wat nog verbazender is dan deze
uitvinding van Louvois, dat is de onvergelijkelijke eenvoud,
waarmede Chamilly met die handeling instemde. »Men moet be-
denken" — antwoordde hij den Minister (12 Juni) — »dat wij
hier achthonderd duizend pond buskruit hebben; volgens uwe
bedoelingen heb ik menschen uitgezonden om slechts de helft
van dat kruit aan de Hollanders te verkoopen, alsof ik daarmee
den Koning besteel." (Nergens blijkt echter, dat die verkoop
van buskruit werkelijk heeft plaats gehad).
• Die heldhaftige aanvoerder, die zich zoo kalm aan het gevaar
blootstelde van voor een dief en verrader te worden gehouden,
werd aangebeden door zijn soldaten, wier diensten hij wist te
doen gelden. Toen Rabenhaupt dan ook op het einde van Juli
roet een 12000 man Grave kwam belegeren, vond hij een zoo
bekwaam en vastberaden tegenstander, dat hij, na verlies van
veel volks, zijne aanvallen staakte, zijn legerplaats versterkte, en
van belegeraar bijna belegerde werd
De Koning, voldaan over zijne heldhaftige verdediging, zond hem
(Chamilly) ten laatste, — den i2eD October — last om wat er
van zijne vesting was overgebleven, over te geven aan den Prins
van Oranje. Den 26steD had de capitulatie plaats, na een beleg
van 93 dagen. Chamilly trok uit, aan het hoofd van de dapperen
die hem waren overgebleven, met slaande trom, met volle wapen-
rusting en bagage; de vijand gaf hem vaartuigen voor zijn zieken
en gewonden; hij kreeg zelfs paarden te leen, om 22 Fransche
kanonnen en een voUedigen trein van koperen pontons naar
Maastricht te vervoeren,
De persoonlijke beleefdheid die de Prins van Oranje aan
Chamilly bewees en aan diens staf, wekte den argwaan op van
den ouden Letellier (de vader van Louvois), door ondervinding
wantrouwend. »Naar mijne meening" — schreef hij aan graaf
Digitized by
Google
150 KRIJGS- EN GBSCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
d'Estrades — »moet men daarin nog geen blijk zien, dat hij
genegen is om 's Konings gunst te herwinnen ; hij doet het onge-
twijfeld alleen in het belang van zijn eigen naam, en om te doen
uitkomen dat hij de dapperen acht en de deugd bemint." Niets
gegronder dan die onderstelling; maar met dat scherpe inzicht
ging bij Letellier gepaard een gevoel van spijt en verbittering
tegen den Prins van Oranje, die pas door zijne minachtende
onverschilligheid den vaderlijken trots van Lodewijk XIV had
gekrenkt, en afbreuk had gedaan aan den roem van voorzichtig-
heid en beleid van diens ouden staatsdienaar..."
Hiermede wordt gezinspeeld op het voornemen om Willem III
tot vrouw te geven Mademoiselle De Blois, een dochter van
Lodewijk XIV bij La Vallière, toen elf jaar oud, dus een huwelijk
in de toekomst. Den lóen October schrijft Letellier aan d'Estrades,
dat wanneer Pesters terugkomt te Maastricht, deze met omzich-
tigheid daarover moet worden gepolst:
(Rousset, blz. 69) ...» Antwoordde de Prins ronduit — zooals
Saint-Simon beweert — dat de Prinsen van Oranje gewoon waren
de wettige dochters van groote koningen te trouwen, maar niet
hunne basterden? — Waarschijnlijk is dat niet; officieel werd
dat antwoord ten minste niet gegeven..."
Dat laatste ontbrak er ook nog maar aan. — Ook wij gelooven
niet, dat Willem III op het huwelijksvoorstel geantwoord heeft
met die woorden die Saint-Simon vermeldt. Cela sent trop la pkrase.
Saint-Simon is een uitmuntend, soms een meesterlijk schrijver,
maar men moet hem niet onvoorwaardelijk gelooven; niet dat
hij opzettelijk te kort doet aan de waarheid, maar hij mist de
noodige scherpzinnigheid om deze te onderkennen; hij teekent
maar op wat algemeen geloofd wordt, wat hij zelf gelooft. Toch
kan het zeer wel zijn, dat aan Willem III werkelijk de hand is
aangeboden van die onechte dochter van Lodewijk ; en het af-
wijzen van dat aanbod is zeer natuurlijk, als men in aanmerking
neemt het fiere karakter van den Stadhouder, en de dwaasheid
die er in zou gelegen zijn om den geest van het Hollandsche
volk van zich te vervreemden door het aangaan van zulk een
verbintenis met Frankrijk.
Digitized by
Google
1675. 15»
HOOFDSTUK XVI.
1675; MET HERTOGSCHAP OVER GELDERLAND; WILLEM III EN
LÜUVOIS; VELDTOCHTEN DE SPAANSCHE NEDERLANDEN, EN
IN düitschland; dood van turenne; laatste
KRIJGSVERRICHTINGEN IN 1675.
Vergeleken met de zoo grootsche wapenfeiten van 1674, zijn
de krijgsverrichtingen van 1675 ^^ ^^ Spaansche Nederlanden
van weinig beduidenis geweest; wij zullen die ook maar vluchtig
bespreken ; voornamelijk zal Rousset daarbij geraadpleegd worden.
De yyHistoire de Louvois^ van dien schrijver heeft de groote
verdienste, dat zij ons de inwendige gesteldheid van Frankrijk,
den waren toestand van het Fransche krijgswezen tijdens de
17e eeuw beter leert kennen, juister doet beoordeelen. Zoo zoude
men bij voorbeeld stellig verwachten, dat in een machtig rijk
als het Frankrijk van Lodewijk XIV, in een geheel militairen
staat, onder een oorlogsminister, zoo krachtig en bekwaam als
Louvois, het krijgswezen zich in volmaakte orde bevond, niets
te wenschen overliet. Wie dit meent, zal vreemd opkijken, als hij
de volgende plaats uit Rousset's werk leest (2' deel, blz. 126—127);
en die wijze mannen bij ons, die dadelijk van het geheele verval
van het leger spreken, als maar één soldaat zich moet behelpen
met een politiemuts in plaats van met een schako, zullen het
moeielijk kunnen begrijpen, hoe men, met zulk een krijgswezen
als het Fransche tijdens Louvois, toch van Frankrijk de eerste
militaire mogendheid van Europa heeft kunnen maken:
...»Vele veldbataljons {bataillons de guerre) hadden zich vol-
tallig gemaakt ten koste van de garnizoen s- compagnieën, waaruit
de officieren bijna alle manschappen hadden genomen die in
staat waren om te dienen. Die wijze van aanvulling was echter
zóó gevaarlijk voor de veiligheid van de vestingen, dat Vauban
meende dit aan den Minister op de krachtigste wijze te moeten
onder het oog brengen: »het gaat steeds van kwaad tot erger,"
— schreef hij hem — »en het maakt mij waarlijk beangst; want
als ik zie dat de vestingen bezet zijn met compagnieën, bestaande
uit kinderen en uit zwakke ongelukkige wezens, die men met
geweld aan de hunnen ontrukt, of op duizenderlei wijze tot zich
goochelt, en die daar gecommandeerd worden door officieren,
meestal even jammerlijk als de soldaten, — waarlijk, dan vrees
ik voor de Monarchie; te meer omdat men op zulke soldaten
weinig of niet kan vertrouwen, daar zij, in de meeste vestingen,
wonen als de varkens, bijna half naakt loopen, en schier sterven
van honger; wat dan ook, naar het zeggen van de geestelijken
en van de dokters die hen verzorgen, de voorname oorzaak is
Digitized by
Google
152 KRIJGS- EN GESCHIBDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
van de ziekten en van de sterfte die onder hen heerschen.'* —
Louvois een misbruik aanwijzen^ was genoeg om het hem in den
wortel te doen bestrijden; jammer, dat die wortel hier zeer vast
zat, in het eigenbelang van sommige bevelhebbers van vestingen:
die bevelhebbers wierven voor een spotprijs jonge soldaten aan^
en deden die dan met winst over, zoodra zij eenigszins geoefend
waren om te velde te kunnen dienen..."
Vroeger is gezegd, dat in Frankrijk, in 1674, de helft van den
y^arrière-ban''* was opgeroepen. Rousset beweert, dat dit toen niets
geen nut had; omdat, wat er militairs was bij den adel, reeds
diende bij leger of vloot. Toch riep men in 1675 ^^k de andere
helft van den y^rrière-bafC' op, echter alleen als fiskale maatregel :
de edelen moesten niet zelf opkomen, maar voor hunne niet-
opkomst eene belasting betalen. Voor dat geld werden eenige
compagnieën Che%*eaux-léger% opgericht.
Vóórdat Rousset de krijgsverrichtingen van 1675 bespreekt,
weidt hij nog al uitvoerig uit over de toenadering die toentertijd
viel op te merken tusschen Frankrijk en Willem III, en over de
verhouding tusschen den Stadhouder en de Staten der Ver-
eeni^de Nederlanden. Wat de Fransche schrijver daarover zegt,
vereischt eenige toelichting en aanvulling uit ónze schrijvers ; wij
willen ons daarbij een oogenblik ophouden; de staatkundige
handelingen van 1675 toch zijn belangrijker geweest dan de
krijgskundige; en die krijgskundige handelingen hangen ook zoo-
zeer af van de staatkundige, dat het ondoenlijk is om de laatste
geheel voorbij te gaan, wil men de eerste goed begrijpen en
naar eisch waardeeren.
In de zeventiende eeuw had men in Europa niets dan Repu-
blieken en absolute monarchieën; in de laatste oefende één per-
soon een bijna onbeperkt gezag, weinig of niet begrensd door
wetten of oude iraditiën. Een Europeesch vorst, die het maar
eenigszins behendig aanlegde, kon toen even vrij met zijne onder-
danen omspringen en over hun leven en hunne bezittingen be-
schikken als in oude tijden Darius en Xerxes dit met hunne
Perzen konden doen; en als dit in de zeventiende eeuw op
minder wreede en barbaarsche wijze geschiedde, dan heeft men
dit te danken aan de grootere uitbreiding van verlichting en be-
schaving, en aan den invloed van het Christendom. In de Repu-
blieken van het Europa der zeventiende eeuw was het opper-
gezag in handen van eenige mannen; in ónze Republiek was hun
getal nog al groot; maar alles wat niet behoorde tot die regee-
rende standen, klassen of lichamen, dat genoot maar een zeer
beperkte mate van vrijheid; en daar was zooveel overdrijving
niet in, toen, in onzen tijd, de zoon van een Friesch grietman
Digitized by
Google
HET HERTOGSCHAP OVER GELDERLAND. 153
tegen koning Willem Illzcide: >mijn vader had in zijn grietenij
evenveel te zeggen als de grootvader van Uwe Majesteit over
het Russische rijk."
De algemeene burgerlijke vrijheid, op de wetten gegrond^ is
de vrucht geweest van den constitutioneelen regeeringsvorm ; en
in de zeventiende eeuw bestond die regeeringsvorm in Europa
nog niet. Men moet ons hier Engeland niet voorhouden, want
het is eerst na de troonsbeklimming van Willem III, dat in Enge-
land een begin gemaakt werd met een geregelden constitutio-
neelen regeeringsvorm ; vóór dien tijd is daar nog niets geregeld ;
vóór dien tijd is het nog een toestand van wording, van worste-
ling en strijd, waarbij nu eens de eene dan weder de andere
partij overwint, en dan ook hare overwinning tot het uiterste
voortzet, waarbij nu eens de partij van het Parlement en van het
volk zegeviert, de Republiek invoert, en Koning Karel I op het
schavot doet sterven, dan weder, de Stuarts de vrijheidsmannen
kerkeren en dooden, en den triomf vieren van het absolutisme
en van het goddelijk recht der vorsten.
Vóór den opstand tegen Spanje bestond bij ons, zooals men
weet, de eenhoofdige regeeringsvorm; onze vorsten, uit het huis
van Bourgondië of van Oostenrijk regeerden onder verschillende
titels over de verschillende Nederlandsche gewesten; zij waren
Graven van Holland, van Zeeland, van Vlaanderen, Hertogen
van Braband enz.; zij hadden wel Staten naast zich, en werden
wel eenigszins gebonden door oude herkomsten of privilegieën ;
maar, wij herhalen het, met eenige behendigheid oefenden zij
inderdaad een volstrekt gezag. Men merke slechts op hoe onder
anderen Karel V regeert.
Bij het afschudden van het Spaansche juk was er kans dat de
eenhoofdige regeering bij ons bleef bestaan; het voornemen be-
stond om Willem I tot Graaf van Holland en Zeeland te ver-
heffen, en alleen de dood van dien grooten man heeft de ver-
wezenlijking van dat voornemen belet, die reeds vrij ver gevorderd
was. Na dien tijd bleef de republikeinsche regeeringsvorm ons
deel: het stadhouderschap, de Staten — die twee antagonistische
instellingen. De eenhoofdige regeeringsvorm zou denkelijk meer
eenheid en kracht gegeven hebben aan onze werking naar buiten,
als mogendheid; zou zij binnenslands evenveel vrijheid hebben
gegeven? — Genoten wij toen dan vrijheid? zal men vragen;
ons antwoord is: ja en neen; neen, wanneer men het vergelijkt
bij de vrijheid die wij thans genieten; ja, wanneer men het ver-
gelijkt bij den toestand van de andere Europeesche volkeren van
de zeventiende eeuw.
Maar, wat hiervan ook zij, of de eenhoofdige regeering voor
ons al dan niet wenschelijk was, wij kwamen er niet toe dien
regeeringsvorm aan te nemen, zelfs niet toen Prins Maurits de
Digitized by
Google
154 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
partij van Oldenbarneveld had overwonnen, zelfs niet toen Wil-
lem II zijn coup d^état had verricht. Maar in 1675 werd toch
een ernstige poging beproefd om Willem III tot het vorstelijk
gezag te verheffen; en zeker, wanneer die poging ooit kans had
van te gelukken, dan was het toen, daar het Hollandsche volk
den heldhaftigen Stadhouder te recht vereerde en vergoodde als
den man aan wien het in 1672 zijn redding te danken had ge-
had. — En toch is die poging mislukt.
Is die poging uitgegaan van Willem III zelf f — Om die vraag
met ja te kunnen beantwoorden, ontbreekt het aan stellige be-
wijzen; maar komt het alleen aan op zedelijke overtuiging, dan
kan men gerustelijk antwoorden: ja, Willem III heeft in 1675 er
naar gestreefd om Souverein over De Nederlanden te worden,
dit blijkt uit de menschen welke toen die poging beproefden,
dit blijkt uit het hevig misnoegen, uit den toorn, die het mis-
lukken van die poging bij den Stadhouder opwekte. — Maar,
voorzichtig en verstandig als Willem III — in den regel — bij
staatshandelingen was, wist hij zich hier te onthouden van eiken
openlijken stap, die zijn ware gezindheid openbaar zou hebben
gemaakt ; zelf handelde hij niet, maar hij deed anderen handelen.
Onder die anderen was de hoofdpersoon, de drijver en be-
stuurder van alles, de raadpensionaris Fagel; Fagel, de vriend
en vertrouwde, de rechterhand van Willem III. Wie eenigszins
met onze geschiedenis bekend is, weet dat Fagel toen een schit-
terende rol heeft gespeeld, en onder onze groote staatsmannen
moet worden gerekend: na het vermoorden van De Witt, in
1672, werd Fagel raadpensionaris en bleef dit tot zijn dood, in
1688; door zijn uitstekende bekwaamheden was hij in die zestien
jaren tijds, mét en naast Willem III, het eigenlijke hoofd van de
Republiek; en die zestien jaren zijn voor de Vereenigde Neder-
landen een belangrijk en gevaarvol tijdvak geweest. Vóór 1672
was Fagel de vriend en vertrouwde van Jan de Witt; na 1672
is hij het geweest van Willem III. Die ommekeer zou ten strengste
te veroor deelen zijn, ware zij het gevolg van eigenbelang en eer-
zucht, het gevolg van die drijfveer die zoo menig nieteling er toe
brengt om te verguizen wat hij aanbad, en te aanbidden wat hij
verguisde ; maar die ommekeer was bij Fagel de vrucht der vaste
overtuiging, dat Willem III toen onmisbaar was voor bet behoud
der Republiek, en dat dus de vaderlandsliefde hem toen als plicht
voorschreef, zich bij den Stadhouder aan te sluiten en hem te steu-
nen. Die ommekeer is dus bij Fagel geenszins te veroordeelen,
maar integendeel te prijzen ; op hem is geenszins van toepassing
het yjte cynisme des apostasiei\ — de uitdrukking door den ver-
maarden Franschen redenaar Berryer eenmaal gebezigd ten aan-
zien van zulk een ommekeer in het staatkundige.
Digitized by
Google
HET HERTOGSCHAP OVER GELDERLAND. I55
Om de Souvereiniteit van Willem III tot stand te brengen,
moest men beginnen met één der gewesten, in de hoop dat de
andere gewesten dan dat voorbeeld zouden volgen. De keus
hiertoe viel op Gelderland; en, niet vreemd: Gelderland, pas
weer ontrukt aan de Fransche overheersching, moest het als een
soort van gunst beschouwen van weer in de Unie te worden
opgenomen; het was dus natuurlijk dat het er naar zou streven
om de minderheid, uit zulk een toestand voortspruitende, eenigs-
zins te laten opwegen tegen een nauwere aansluiting aan den
Stadhouder; die Stadhouder was bovendien door de Algemeene
Stalen gemachtigd om in Gelderland de regeering opnieuw te
regelen, en bezat dus ook daardoor grooten invloed in dat
gewest; een groot deel van den Gelderschen adel was zeer
Oranjegezind ; en in enkele steden van Gelderland waren ook
verwanten van Fagel in de regecring, en konden daar hun
invloed doen gelden. — Dit is iets wat men bij het waardeeren
en beoordeelen van de regeeringen onzer vroegere Republiek
nooit uit het oog mag verliezen, dat het zeer dikwijls familie-
regeeringen waren, die elkander schraagden en ondersteunden,
en een taaien weerstand boden aan alles wat vreemd was.
Er waren dus redenen te over om de poging tot het verwerven
van de Souvereiniteit in Gelderland te beginnen; en de eerste
stad waarmee men aanving, was Nijmegen. In die srad had Fagel
een broeder en een zwager in de regeering: Nikolaas P'agel en
Van Hoekelura ; terwijl een ander zijner verwanten. Klerk, secre-
taris was der Staten van het kwartier van Nijmegen, en door
zijn bekwaamheid daar veel invloed had. De vereenigde werking
van die mannen maakte dan ook, dat men het daar oogenblik-
kelijk eens was om Willem III de Souvereiniteit over Gelderland
aan te bieden. In Arnhem zette een Benlinck de zaak op het
touw, evenzeer met goed gevolg. Ook in de andere steden van
Gelderland deed men de gilden en gemeenten polsen, overal
goedkeuring en instemming, de zaak ging als van een leien
dakje; en nadat in het begin van Januari 1675 de Provisioneele
regeering van Gelderland was bijeengekomen, nam deze dan ook —
den 29sien dier maand — met eenparigheid van stemmen een
besluit om de »Hooge Regeering" van Gelderland en Zuifen aan
den Prins van Oranje en aan diens » mannelijke nakomelingen"
op te dragen, onder den titel van Hertog van Gelder en
Graaf van Zutfen.
Toentertijd was Willem III te Amerongen en te Dieren, —
misschien ook op het Loo ; men weet, dat het Loo van zijn tijd
dagteekent. De Stadhouder bracht daar zijn tijd door met de
jacht; het heette, dat de staatkunde hem daar natuurlijk geheel
en al vreemd was; dat hij er zich niet mee bemoeide, er zelfs
Digitized by
Google
156 KR1JGS- EN GESCHII£DKUXDIGE BESCHOUWINGEN.
niet aan dacht; dat alleen het jachtvermaak hem dag aan dag
bezighield. — Voor Willem III was de jacht het uitverkoren
middel om zich af te zonderen, en in de stilte der Geldersche
bosschen en heiden zijn grootsche staatsplannen te beramen en
te bewerken; bij hem was de jacht wel een aangename uitspan-
ning, maar ook dikwijls slechts een voorwendsel. Was de dag
jagende doorgebracht, dan volgde er meestal een gemeenschap-
pelijke maaltijd, waarbij de jachtgezellen de tafelvreugde ge-
noten; onze voorouders waren juist geen waterdrinkers of af-
schaffers; en als bij zulk een gelegenheid de beker lustig rondging,
dan werd herhaaldelijk de gezondheid gedronken van »den Her-
tog van Gelder", en die dronk met geestdrift toegejuicht door
de Geldersche edelen en de jeugdige hovelingen van den Stad-
houder. £ens zelfs waagde men het de gezondheid te drinken
van den » Graaf van Holland"; — toen echter hield Willem III
zich alsof hij dit afkeurde; hij was te staatkundig om zoo open-
lijk voor zijn toeleg uit te komen.
Toen de Geldersche regeering op oföcieele wijze Willem III
de Souvereiniteit over Gelderland aanbood, wilde de Stadhouder
niet dadelijk een beslissend antwoord geven, maar eerst het ge-
voelen leeren kennen van de andere gewesten. De vraag, waarop
alles nu aankwam, was: zouden die andere gewesten het voor-
beeld van Gelderland volgen; of die handeling van Gelderland
althans goedkeuren? — zoo niet, dan was het voor Willem III
een te gevaarlijk spel om de Hertogelijke kroon aan te nemen.
In Utrecht, waar Fagel ook alweer een zijner verwanten in de
regeering had, vond het voornemen van Gelderland bijval, en
gaven de Staten aan Willem III den raad om de aangeboden
kroon aan te nemen. Maar in Holland mislukte de toeleg; en
dat was beslissend, want — het is reeds vroeger gezegd — Hol-
land was toen om zoo te zeggen de Republiek. Wel waren de
edelen en verschillende Hollandsche steden er voor om den
Prins aan te raden het aanbod van Gelderland aan te nemen;
maar een aantal andere steden waren er tegen, zeggende, onder
andere: idat alle nieuwigheden gevaarlijk waren. De Prinsen
van Oranje hadden zich altoos met de waardigheid van Stad-
houder tevreden gehouden ; en 't was te hopen dat zij 't ook in
het vervolg zouden doen. Zijne Hoogheid zou meer gezag en
gunst bij 't volk hebben als Stadhouder dan als Souverein. Het
opleggen van belastingen, wat dan zijn werk zou zijn, maakte
de Staten min of meer gehaat bij de gemeente. Men moest
hierom den Prins raden, voor zijn eigen veiligheid te zorgen,
's volks gunst en achting te bewaren, en zich niet verder uit te
breiden."
Dit is een vrij duidelijke en ronde taal, die niets heeft van
vleierij. Onder de bestrijders van het Geldersche hertogschap
Digitized by
Google
HET HERTOGSCHAP OVER GELDERLAND. I57
had men steden als Haarlem, Delft, Leiden, en vooral Amster-
dam, en met zulke bestrijders viel er moeielijk meer aan te
denken, de zaak door te zetten. Fagel, bij wien men zocht te
weten te komen wat het gevoelen was van den Prins zelven,
antwoordde voorzichtig, dat den Prins »de zaak onverschillig was".
Wat opmerkelijk is, is wel, dat zelfs het zoo Oranjegezinde
Zeeland het aannemen van de Hertogelijke kroon aan Gelder-
land op de krachtigste wijze bestreed; de taal in Zeeland daar-
over gevoerd is veel nadrukkelijker dan wat door de HoUandsche
steden was gezegd; die taal grenst aan het hartstochtelijke, aan
het heftige:
iMen behoorde vooral in acht te nemen*' — luidde het daarin
onder andere — ihoe dit werk bij den gemeenen man zou op-
genomen worden; ook dat onder een eenhoofdige regeering de
koophandel de rug ingereden werd, de wisselbanken hun kre-
diet verliezen, en de Oost- en West-Indische maatschappij onveilig
stonden. Eindelijk waren er ook groote zwarigheden te voorzien
in 't stuk der opvolging; want, schoon de zaken, onder 't opper -
bewind van Zijne Hoogheid, al wel mogten gaan, had men
nogtans te duchten, dat de nazaten, van een andere inborst
zijnde, 't land zouden kunnen storten in merkelijke ongelegenheden.
Ook was de naam van een oppervorst, sedert de afzwering des
konings van Spanje, hatelijk geworden bij de gemeente; terwijl
de Prins als Stadhouder, hoogelijk geacht en bemind was, en
zelfs, in deze hoedanigheid de voornaamste deelen der opper-
macht uitoefende, ofschoon zij den Staten der bijzondere ge-
westen in eigendom bleef toebehooren ; waarom men zulken voor
's Prinsen beste vrienden hield, die hem rieden, de aanbieding
van Gelderland af te slaan, en daarentegen de oude loffelijke
regeering dezer landen te handhaven
Dat de bloote titel van Hertog of Graaf, den Prins geen
meer gezags geven kon, dan hij reeds had; dal de ingezetenen,
onder den zoeten naam van vrijheid, ook veel meer tot de
gemeene lasten zouden willen opbrengen, dan zij, onder een
oppervorst, zouden willen doen; gelijk de vorige tijden geleerd
hadden; dat Gelderland voorgaande, de andere gewesten zou
schijnen te trekken om zich insgelijks te begeven onder eene
eenhoofdige regeering; doch dat dit niet zou kunnen geschieden
zonder veel onrust te veroorzaken; dat het ook een ondank-
baarheid jegens God zijn zou, zulk eene regeering te veranderen,
die nu, door de oudheid en door 's Hemels zegen, zoo zeer be-
krachtigd was."
Bij een staatsstuk van onze Hollanders uit de zeventiende eeuw
Digitized by
Google
158 KRIJGS- ES GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
is het een gewone zaak, de Heilige Schrift te zien aanhalen, of
daarnaar te zien verwijzen; dit had ook hier plaats, bij dit advies
der Staten van Zeeland; men gaf den Prins den raad, tde aan-
bieding der hooge regering van Gelderland af te slaan, naar het
loffelijk voorbeeld van Gideon, wien Israël, door hem uit de
slavernij der Midianiten verlost, diergelijk eene aanbieding ge-
daan had."
Het was den i6en Februari 1675 dat de Staten van Zeeland
hun advies aan Willem III inzonden; maar de Stadhouder had
het niet afgewacht om een besluit te nemen: reeds wat er in de
Hollandsche Statenvergadering was gesproken, maakie de aan-
neming van de Geldersche hertogskroon onmogelijk. Den i5en
Februari begaf de Prins zich naar Arnhem; en weinige dagen
later bedankte hij de Geldersche Staten voor het gedane aanbod
der Souvereiniteit, dat hij van de hand wees; hij nam echter
aan, het erfelijk Stadhouderschap en het Kapitein- Generaal- en
Admiraalschap over Gelderland, en bij de regeling van het be-
stuur van dit gewest ontving zijn gezag een aanmerkelijke uit-
breiding.
Fagel had gezegd van die troonsaanbieding, dat den Prins
»de zaak onverschillig was"; — hoe weinig waarheid die woorden
behelsden, blijkt ten duidelijkste uit de taal, die, na de beslissing
van die zaak, door Willem III zelf werd gevoerd. Den Staten
van Utrecht dank zeggende voor het geven van hun raad, voegde
de Stadhouder daarbij, idat hij met groot genoegen had gezien,
dat zijn voorslag onder hen geen argwaan verwekt had, gelijk
in andere gewesten, daar men had voorgegeven, dat hij door
den tegenwoordigen oorlog niet dan zijn eigen grootheid gezocht
had." — De zijdelingsche berisping, in die woorden gelegen voor
de andere gewesten, was echter niets in vergelijking van de
heftige taal, door den Stadhouder rechtstreeks gericht tot de
Staten van Zeeland, die hij al het gewicht van zijn toorn dee
gevoelen; zijn schrijven aan die Staten van Zeeland schijn
ingegeven door de verontwaardiging, die aan den Latijnschen
hekeldichter zijne zangen ingaf; het is een welsprekende, maar
heftige akte van beschuldiging tegen de Statenpartij. — Men
oordeele :
Na den Staten dank gezegd te hebben voor hun raad, ver-
volgde de Stadhouder: »dat, onaangezien zijne pogingen altoos
gestrekt hadden om den Staat te redden uit de rampen, waarin
die sedert vier en twintig jaar vervallen was, en bij zijne vrijheid
en voorrechten te bewaren, hij, zelfs uit de adviezen van eenige
leden van Zeeland, met groote smart had vernomen, dat men
andere gedachten van hem had; waardoor ook in de gemeente
een argwaan verwekt was, alsof hij 't op het verkrijgen van de
Digitized by
Google
HET HERTOGSCHAP OVER GELDERLAND. 159
Souvereiniteit over de landen toegelegd had; en daardoor op
het wegnemen van de vrijheid, het verbannen van den koop-
handel, het sloopen der Indische maatschappijen, het verzwakken
van het krediet der wisselbanken, en het vernietigen der schuld-
brieven loopende ten laste van de landen; — tot welke hate-
lijke en boosaardige vermoedens, hij, zijns wetens, nimmer
eenige reden gegeven had.
Zij, die voorheen 't bewind der regeering in handen gehad
hadden, hadden hem willen uitsluiten van de waardigheden, door
zijne voorouders, zeer ten dienste van de landen bekleed; en
't geen zij hem daarvan nog als een gunst laten wilden, derwijze
bepaald, dat hij buiten staat gesteld was om 's lands oirbaar te
betrachten naar behooren. Men had hem de voorrechten, die
altoos aan zijne bijzondere goederen gehecht geweest waren, ge-
zocht te benemen. Alwat tot zijne verkleining en verdrukking
ter hand genomen werd, doopte men vast met den naam van
voorstaan der vrijheden en voorrechten van de lan-
den; terwijl de zoogenaamde voorstanders der voorrechten en
vrijheden, slechts voorstanders van hun eigen grootschheid en
aanzien waren, zich verheften boven hunne medeburgers, en zich,
op allerlei wijzen, drongen in het bewind, de regeering der steden
schikkende naar hun zin, zonder veel acht te geven op privi-
legiën. Hij had zich daarentegen, tot het begin van den tegen-
woordigen oorlog toe, alleenlijk tot lijden en verdragen moeten
schikken; maar daarna getoond, dat hij zijn goed, eer en leven
niet te waardig hield om 't land bij zijne vrijheid, voorrechten,
koophandel, zeevaart en middelen te bewaren.
Wie kon vergeten zijn, hoezeer vele regenten, toen 't, in den
jare 1672, aankwam op voorstaan van de vrijheid en den gods-
dienst met goed en bloed, besloten en getracht hadden, op zeer
schandelijke voorwaarden, te verdragen met den vijand: en hoe
zij, die meest gesnoefd hadden van 't voorstaan der vrijheid, de
voorbarigsten waren geweest om een verdrag te sluiten, waardoor
godsdienst, vrijheid, voorrechten en alles op eens verloren ge-
weest zouden zijn ? Wien was onbekend, hoe hij, zich verlatende
op de gunst des Almagtigen, deze schandelijke onderhandelingen,
zoo veel in hem was, had tegengesproken en belet; schoon hij,
door 't aanhouden van den oorlog, in zijne eigene goederen,
voor zoo ver die in andere landen gelegen waren, meer leed
dan iemand van 's lands ingezetenen? Elk wist, dat toen de
vijand, daarna onder de voorwaarden van den vrede wilde doen
stellen, dat hem de opperste magt der landen zou afgestaan
worden, hij zich even sterk gekant had tegen zulk een vrede!
't Was daarenboven openbaar, hoe hij in den jare 1672, toen
de burgerij, misnoegd op hare regenten, die allen veranderd
wilde hebben, zijn best gedaan had om de gerezen onlusten te
Digitized by
Google
l6o KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Stillen, zonder zich te willen bedienen van deze gelegenheid om
meer gezag te verkrijgen, 't welk hem anders zeer ligt te doen
geweest zou zijn.
Zou hij de Souvereiniteit dan nu zoeken; daar hij ze afge-
slagen had, toen ze hem aangeboden werd, en geen meerder
gezag begeerd, toen hij 't ligtelijk verkrijgen kon ? Zoo hij door
't aannemen der Souvereiniteit van Gelderland, de andere ge-
westen had willen opwekken om hem dergelijke opdragt te
doen, kon hij ze immers aanvaard hebben, zonder de Staten
deswege vooraf te raadplegen. Hij wenschte daarom wel te weten,
welke daad hij, onwetend, begaan mogt hebben, waardoor hij
zulk een argwaan verwekt had. De leden hadden hem dienst ge-
daan, met hem te raden naar hunne ware meening, en hun raad
met redenen te beklecden; maar hij beklaagde zich alleen, dat
men hem bij 's lands goede ingezetenen bezwaard had met hate-
lijke vermoedens. Immers had hij de aanbieding der Gelderschen,
zonder aarzelen en eer hij den brief der Staten van Zeeland
ontvangen had, van de hand gewezen, onaangezien hij tot het
tegendeel geraden was, door zeer vele leden der andere gewesten.
Ook had hij nooit genegenheid tot zulke waardigheden gehad;
en hij kon den Staten verzekeren, dat zijn afkeer daarvan nim-
mer veranderen zou.
Voorts twijfelde hij, of 't voorbeeld van Gideon wel genoeg
op hem paste, 't Ware zeker te wenschen, dat al 't volk zich
zoo gedroeg, dat het den naam van God's volk met recht
dragen mogt. Maar men had voor hem doen zien, dat men op
die erfenis des Heeren zoo veel staats niet maakte, toen
men kon goedvinden, de drie gewesten die nu zoo gelukkiglijk
tot het verbond teruggebragt waren, over te geven aan een
vijand die een godsdienst beleed, strijdig met de ware Hervormde ;
minder zwarigheid makende in zulk een afstand, dan men nu
argwaan had opgevat tegen hem, omdat Gelderland hem de
waardigheid van Hertog en Graaf wilde opdragen, onder beding
dat hij dit gewest bij de Unie bewaren zou. Uit zulk een gedrag
mocht men veeleer duchten, dat eens zou kunnen bewaarheid
worden, 't geen God's woord van 't huis Gideon's getuigde, dat
namelijk de kinderen Israëls niet dachten aan den
Heere hunnen God, die ze gered had van de hand
aller hunne vijanden van rondsomme, en dat zij
geen weldadigheid deden bij den huize JerubaaTs,
dat is Gideon 's, voor al het goed dat hij bij Israël
gedaan had; — te meer omdat hij hiervan, ten aanzien van
de diensten zijner voorouderen, ook in Zeeland zulke levende
blijken ondervonden had.
Doch hij hoopte liever dat God zijne goede inzigten verder
zegenen zou; en dat de kwalijkgezinden, door den tijd, genezen
Digitized by
Google
HET HKRTOGSCHAP OVER GELDERLAND, l6l
zouden worden van de verkeerde indruksels welke zij opgevat
hadden; terwijl de genegenheid die verscheiden goede regenten
en vele goede ingezetenen hem toedroegen, hem nooit zou doen
verslappen in den ijver om den Staat wel te doen. Op alles had
hij zich wat breeder moeten uitlaten, omdat hij bevonden had,
dat beide, de brief en het besluit der Staten van Zeeland, met
de verschillende gevoelens der leden, door den druk gemeen
gemaakt waren; en aan kwalijkgezinden gelegenheid gaven, om
't volk in te boezemen, dat zelfs eenige regenten argwaan tegen
hem hadden opgenomen."
Die brief van Willem III is in de hoogste mate merkwaardig
voor de kennis van het karakter van dien held: meestal spaar-
zaam en omzichtig met zijn woorden, en door zijn krachtigen
wil de hevige hartstochten bedwingende die in hem woelden, gaf
hij toch bij enkele gelegenheden aan zijn drift den vrijen teugel;
en dan was zijn gesproken of geschreven woord een alles over-
weldigende stroom, een vuur dat verteerde, een knots die ver-
pletterde. Wat een gloed, wat een hevigheid, wat een wegsle-
pende kracht in de taal van dezen brief aan de Zeeuwsche
Staten; de Stadhouder valt aan, zonder eenige weerhouding of
verbloeming, op de Statenparlij, op de i kwalijkgezinden", zooals
hij ze noemt. Voorstanders van 'slands vrijheden en privilegiën
noemt gij u, — zoo spreekt hij tot de tegenpartij — , en gij zijt
niets anders dan voorstanders van uw eigen grootheid; vrijheid,
privilegiën, godsdienst — alles, in één woord — waart gij, in
1672, op het punt prijs te geven, in plaats van die met goed en
bloed voor te staan, zooals het uw plicht was; gij zoudt toen
met den vijand een schandelijk verdrag hebben gesloten, had ik
het niet belet. Gij haalt het voorbeeld van Gideon aan, gij
spreekt van God's volk, van de erfenis des Heeren; dacht
gij aan dat alles, toen gij in 1672 Gelderland en andere ge-
westen wildet afstaan aan een vijand, die een godsdienst beleed
strijdig met de ware Hervormde? Het voorbeeld van Gideon is
hier alleen van toepassing, als men let op den ondank van de
kinderen Israël's ten aanzien van den huize Gideon*s. En nu gaat
gij mij, kwaadwillig, ten laste leggen, dat ik naar de Souverei-
niteit streef; aan mij, die, in 1672, die Souvereiniteit gemakkelijk
had kunnen meester worden, maar die haar toen niet heb ge-
wild! Nooit heb ik genegenheid gehad voor zulk eene waardig-
heid; en mijn afkeer daarvan zal nimmer veranderen.
Dat laatste herinnert eenigszins aan den versregel, die in Vol-
taire's treurspel Caesar in den mond wordt gelegd:
*pour moi, qui tiens Ie tróne égal a Vicfamic."
WILLEM IIL — II. II
Digitized by
Google
102 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Napoleon, met Tal ma hierover sprekende, zeide, dat de acteur
duidelijk moet doen uitkomen, dat Caesar zoo maar spreekt ten
gevalle van zijne Romeinen, maar dat zijne ware meening geheel
anders is. Zoo is het ook onmogelijk om te gelooven, dat Wil-
lem III waarheid sprak toen hij zeide, afkeerig te zijn en te
blijven van de oppermacht: dal is een gezegde voor den grooten
hoop, en meer niet ; dat zijn van die officieele leugens die daar-
mede verontschuldigd kunnen worden, dat zij eigenlijk geen des-
kundige meer kunnen misleiden, en even weinig beduiden als
bij voorbeeld de uitdrukking »uw gehoorzame dienaar", — ook
«ene uitdrukking die niemand in letterlijken zin moet opnemen.
Zoo zijn er meer opmerkingen te maken omtrent dien brief
van den Stadhouder; bij voorbeeld wanneer hij van het roemvoUe
Stadhouderlooze tijdvak na den dood van Willem II, zegt idat
de Staat sedert vieï en twintig jaren in rampen vervallen was",
dan is dit een geheel valsche voorstelling van onze geschie-
denis. — Wij hebben dien brief van Willem III krachtig en vurig
genoemd; wij zeggen daarmee volstrekt niet, dat alles in dien
brief waar is.
Ook omtrent de betuigingen van de Staten kan men soortge-
lijke opmerkingen maken. Als de Staten zeggen: dat zij meenen
de beste vrienden van den Prins te zijn, door hem het aannemen
van dat Geldersche Hertogschap af te raden; dat de Prins als
Souverein in een veel slechteren toestand zal komen, want dat
hij dan de man is die de belastingen oplegt en die zich daardoor
hatelijk maakt bij de gemeente; dat de Staten wel zoo goed
willen zijn om die hatelijkheid op zich zelven te blijven laden ; —
dan zijn dat betuigingen, wier onoprechtheid te duidelijk in het
oog valt, dan dat het noodig is om daarop bijzonder te moeten
wijzen.
Beide partijen, zoowel de Prins als de Staten, kwamen overi-
gens zonder veel bewimpeling voor hun gevoelen uit: de Prins
voor de suprematie van het huis van Oranje, dat rechtmatige
aanspraak heeft op den dank van Nederland, zooals het huis
van Gideon op den dank van Israël ; de Staten voor hun opper-
gezag, dat zij zelf duidelijk op den voorgrond stellen door te
doen uitkomen, dat Willem III wel »de voornaamste deelen van
de oppermagt uitoefent", maar dat die oppermacht toch »aan
de Staten der bijzondere gewesten in eigendom blijft toebe-
hooren". — Voorts een herhaald beroep van de Staten op het
gevaarlijke van nieuwigheden en het veranderen van eene regee-
ring, » zoo zeer bekrachtigd door de Oudheid en door 's Hemels
zegen", op het hatelijke van den naam van i oppervorst", en op
het zoete van het woord > vrijheid". Het is soms, alsof men de
uitdrukking der denkwijze leest van de Staten van het oude
Griekenland; — met ddt onderscheid evenwel, dat dddr de vrijheid
Digitized by
Google
WILLEM III EN LOUVOIS. 163
het deel was van alle burgers j hier alleen van de regeerende
familiën. Want het is eene dwaling bij Rousset, wanneer hij zegt,
dat het Hollandsche volk afkeerig was van de aanneming der
Souvereiniteit door Willem III: het Hollandsche volk heeft
daarin zeer weinig zijn stem doen hooren; het was het regee-
rende gedeelte van dat volk, dat de aanneming van de Souve-
reiniteit heeft tegengewerkt.
Maar die regenten, die Staten, die stedenbesturen, die waren
toch pas in 1672 door Willem III uit zijne aanhangers samen-
gesteld, die daar zijne tegenstanders hadden vervangen; hoe
kwam het dan dat, nauwelijks twee jaar later, die Staten zijne
inzichten zoo wederstreefden? — Om de eenvoudige reden, dat
er in die regeeringslichamen een krachtige, taaie, weinig ver-
anderende geest heerschte, die zeer spoedig werd aangenomen,
ook door hen, die, bij het intreden in die regeeringslichamen
door geheel andere gevoelens waren bezield. Dat vasle, onver-
anderlijke, voortdurende maakt de kracht uit van zulke regee-
ringslichamen; men denke slechts aan het Engelsche Hoogerhuis
of de Roomsch- Katholieke priesterschap. Een vurig aanhanger
van de Stadhouderlijke parlij wordt in 1672 lid van een der
regeerings-collegies in Holland; zeer spoedig neemt hij den geest
van dat collegie over; zeer spoedig ziet hij in, welk een macht
hij, als lid van dat collegie, oefent, wordt hij naijverig op die
macht, vijandig aan alles wat die macht zou kunnen verkleinen;
en zoo, ongemerkt en op de natuurlijkste wijze, verandert een
Prinsgezinde zeer spoedig in een Staatsgezinde.
Maar de Staten deden dwaas — zal men misschien zeggen —
met Willem III eene Souvereiniteit te onthouden, die hem geen
grootere macht gaf, dan de macht die hij reeds oefende als Stad-
houder. — Die bedenking zou maar schijnbaar gegrond zijn. De
Staten, Willem III eenmaal aannemende als Souverein, gaven
voorgoed de Souvereiniteit uit hunne handen; thans, als Stad-
houder, bezat Willem III wel eene zeer groote macht, even groot,
grooter misschien, dan wanneer hij Souverein ware geweest; maar
het recht der Souvereiniteit bleef nu toch altijd bij de Staten;
en daarom konden zij bij de eerste de beste gelegenheid ook
de macht weer aan zich trekken ; — zooals dan ook gebeurd is,
dadelijk na den dood van den Stadhouder.
Rousset, gewagende van die mislukte poging van Willem III
om zich met het Souvereine gezag te doen bekleeden, brengt
dit in verband met de toenadering die er in het begin van 1675
plaats had tusschen den Stadhouder en Frankrijk {Hhtoire de
Louvoïs^ 2* deel, blz. 129 en volgende):
• Aan den anderen kant had de Prins van Oranje toen juist in
Digitized by
Google
104 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Holland door den ongunstigen* uitslag van zekere pogingen die
hij in het werk gesteld had, eene nederlaag geleden, die zijn
gezag een gevoeligen stoot toebracht, en daardoor meer kracht
gaf aan de Republikeinsche burgerij, het handeldrijvende en
meest naar vrede genegen deel des volks, 's Prinsen eerzucht
had zich niet tevreden gesteld met het erfelijk Stadhouderschap,
en met de bevoegdheid — zoo weinig overeen te brengen met
's lands vrijl^eden — om de regeeringen der steden te benoemen ;
door de Staten van Gelderland deed hij zich den Hertogsiitel
over dat gewest aanbieden, in de hoop dat de andere gewesten
dat voorbeeld zouden volgen, en het dictatorschap, dat hem
verleend was wegens het buitengewone gevaar waarin de Repu-
bliek verkeerde, zouden doen overgaan in een wettige Souverei-
niteit. De provincie Utrecht verklaarde zich ten gunste van wat
de Stadhouder heimelijk wenschte; maar in Holland en Zeeland
deed dit zulk een hevig verzet ontstaan onder het volk, dat
zijne verheffing bewerkt en hem op onstuimige wijze gesteund
had, dat hij zich haastte om door eene weigering zijne Gel-
dersche vrienden te verloochenen, die vol verslagenheid zagen,
dat zij voor niets hun naam in opspraak hadden gebracht.
Ziet men hoe de Prins van Oranje terzelfder tijd er naar streeft
om de verstandhouding met d'Estrades weer aan te knoopen, en
welke voorschriften hij daartoe geeft aan Pesters, dan zal men
in dat streven en in den pas ondervonden tegenspoed wel iets
meer zien dan een geheel toevallige gelijktijdigheid. »De heer
Pesters" — zoo waren zijne voorschriften van 15 Februari —
»zal graaf d'Estrades onderhouden over den stand mijner zaken;
over mijne handelingen tijdens den laatsten veldtocht, zoowel ten
aanzien van den Keizer als van Spanje; over de moeielijkheden
waarin zij mij hebben gebracht, en over het geduld dat ik heb
moeten oefenen om alle bezwaren te boven te komen. De heer
Pesters moet niets verzuimen wat kan strekken om hem te over-
tuigen, dat ik oprechtelijk wensch weer dezelfde verbintenissen
met Frankrijk aan te gaan als mijn voorgangers; en dat ik,
zoodra ik dit met eere kan doen, de gelegenheid niet zal laten
voorbijgaan." — Wij moeten echter opmerken, dat Graaf d'Es-
trades sterk twijfelde aan de oprechtheid van den Prins van
Oranje: »Ik meen zijn inborst te kennen*' — schreef hij eenige
maanden vroeger aan Letellier — »want tot op zijn zeventiende
jaar, terwijl ik gezant was, heeft hij altijd het grootste vertrouwen
in mij gesteld. Ik kan u verzekeren, mijnheer, dat die Prins moed
heeft, standvastigheid, eerzucht en verstand ; maar dat hij zeer
geveinsd is, en zoo vasthoudend in geldzaken, dat hij bijna door-
gaat voor gierig." (20 November 1674).
De oppositie, in Holland met eiken dag meer te duchten,
Digitized by VjOOQIC
WILLEM III EN LOUVOIS. 165
klaagde vooral over den ondergang van den handel; daarom
kwam de Prins van Oranje op het denkbeeld om aan Frankrijk
het hervatten van den handel voor te slaan als een slap tot den
vrede tusschen de beide landen. Louvois had hier niets op
tegen, — mits, als voorwaarde en waarborg van dit handelsver-
drag, werd aangenomen de geheele staking van de krijgsverrich-
tingen op zee; en dit kwam weder niet overeen met 's Prinsen
belang als admiraal. Voor het overige beantwoordde Louvois
's Prinsen voorkomendheid op zeer vriendelijke wijze: » Zijne
Majesteit," — zoo schreef hij aan graaf d'Éstrades — > vindt
goed, dat als gij uw vriend antwoordt, gij hem de verzekering
geeft, dat Zijne Majesteit voor den Prins van Oranje alle achting
heeft, die men zijn verdienste verschuldigd is; en, wat betreft
Zijner Majesteit's vriendschap, dat ligt maar aan hem om die
geheel en al te winnen en, door zijne belangen nauw te ver-
binden aan de onze, in staat te worden gesteld om in zijn land
naar welgevallen te handelen; meld, dat gij gelooft, dat zijn
meester te verstandig is om niet in te zien, dat zij die hem het
tegenovergestelde zeggen, menschen zijn die spreken over zaken
die zij niet kennen, of zeer zeker menschen die de waarheid op-
offeren aan hun belang. Wat een handelsovereenkomst betreft,
is het Zijner Majesteit's verlangen dat gij hem antwoordt, dat
Frankrijk's handel zeer goed gaat door tusschenkomst van de
Engelschen, en dat Zijne Majesteit daarom oordeelt, dat het zou
zijn den vijand wapenen in handen geven, als wij zulk een over-
eenkomst sloten, die niet gepaard ging met het geheel doen op-
houden van den oorlog ter zee; en wat betreft het gezegde van
den heer Pesters, over de goede gezindheid van den Prins van
Oranje en van den heer Fagel, en dat hij overtuigd is dat die
handelsovereenkomst het middel zou zijn om de HoUandsche
steden voor den vrede te bewerken — , zoo is Zijne Majesteit
genoeg bekend met den geest van het HoUandsche volk om
niet te weten, dat allen volkomen geneigd zijn tot den vrede,
en dat die dra gesloten zou zijn, indien de Prins van Oranje en
de heer Fagel die gezindheid slechts deelden." (9 en 11 Maart).
>Toch, hoezeer hij door dit ironisch antwoord aan den Prins
van Oranje toonde welke waarde hij hechtte aan diens welwil-
lende betuigingen, gaf hij graaf d'Estrades, die de hoop begon
op te geven, den 2osten Maart de aanbeveling, zijne verstandhou-
ding met Pesters en Launoy niet af te breken ; niet alleen om
de inlichtingen die daardoor te verkrijgen waren; maar ook lom
den Prins van Oranje niet geheel en al den weg af te sluiten
om weer in 's Konings gunst te komen" {de pouvoir revenir au Rot),
De onderhandelingen — of liever, de besprekingen — bleven dus
voortgaan, maar niet met veel voortvarendheid of belangstelling,
met de eenige uitzondering wellicht, dat, toen eens de HoUandsche
Digitized by
Google
l66 KRIFGS- EN GESCHIED iCUNDIGE BESCHOUWINGEN.
gemachtigde min of meer gezinspeeld had op Maastricht, Louvois
oogenblikkelijk aan graaf d'Estrades verbood, op dat punt naar
iets hoegenaamd te luisteren : » als de heer Pesters," — zoo schreef
hij hem den zgstcn Maart — » u nog eens spreekt over het terug-
geven van Maastricht, dan moet gij hem duidelijk antwoorden,
dat als de Prins van Oranje geen vrede wil sluiten voordat hij
Maastricht terug heeft, hij niets beters kan doen dan het maar
weer in te nemen; want dat Zijne Majesteit er zeer zeker nooit
toe zal besluiten om die vesting terug te geven."
Nooit? — Bij den Nijmeegschen vrede van 1678 is Maas-
tricht teruggegeven. Bij diplomatieke handelingen hebben de
woorden nooit en altijd een geheel andere beteekenis dan in
het gewone leven, bij de handelingen van fatsoenlijke menschen.
Kort na het mislukken van die Geldersche geschiedenis wordt
Willem III gevaarlijk ziek : hij krijgt de pokken, de ziekte waar-
aan zijn vader, ook op jeugdigen leeftijd daardoor getroffen,
gestorven was. De zoon bleef echter behouden, deels ook dank
zij de trouwe en zelfopofferende zorg van zijn vriend Benlinck,
die, in weerwil van het besmettelijke der ziekte, dag en nacht
bij den Stadhouder bleef waken. Over die ziekte zegt Rousset:
»In dien tusschentijd" (tijdens de onderhandelingen tusschen
d'Estrades en Pesters), iwerd de Prins van Oranje plotseling en
zeer gevaarlijk ziek. Een groote ontroering bracht dit teweeg in
geheel Holland, maar vooral onder zijne aanhangers. De raad-
pensionaris Fagel ontveinsde zijne onrust niet: «Goede God, in
welk een toestand zouden wij allen geraken, mijn waarde vriend!"
— zoo schreef hij den i8en April aan Pesters — , »als Zijne
Hoogheid ons kwam te ontvallen? Het is zaak om in alle pro-
vinciën openbare gebeden te doen, opdat het Gode moge be-
hagen de harten te neigen tot het sluiten van een goed vredes-
verdrag."
De staatslieden in Frankrijk waren niet minder verrast en ge-
troffen door dit nieuws; de dood van den Prins van Oranje
beduidde de ontbinding van de coalitie, en reeds zijn ziekte
werkte nadeelig op haar. Om op alles voorbereid te zijn. gelastte
Louvois aan graaf d'Estrades om aan Pesters, uit 's Konings
naam, betuigingen van gelukwensching over te brengen, als de
Prins van zijne ziekte herstelde; en, mocht hij er aan bezwijken,
betuigingen van rouwbeklag, gepaard met de nadrukkelijke be-
lofte van den raadpensionaris Fagel in zijne rechten te helpen
handhaven, wanneer hij het welbegrepen belang van zijn eigen
land en het belang van Frankrijk wilde voorstaan. De Prins genas,
stellig spoediger dan Louvois het wel gewenscht had; toch schreef
hij (Louvois) aan graaf d'Estrades een brief, die een officieel
karakter had, en daardoor nog meer waarde gaf aan de gevoelens
Digitized by
Google
WILLEM m EN LOUVOIS, 167
daarin uitgedrukt: iDaar de Koning vernomen heeft," — zoo
schreef de Minister — , »dat de Prins van Oranje geheel en al
hersteld is van zijne ziekte, zoo heeft Zijne Majesteit mij gelast
u te doen weten, dat het haar verlangen is dat gij aan den heer
Pesters de betuiging doet — om die meê te deelen aan den
Heere Prinse van Oranje — dat zij met groote blijdschap die
goede tijding heeft vernomen. De handelingen van den Prins in
de laatste jaren hebben de vriendschappelijke gevoelens niet uit-
gedoofd, die Zijne Majesteit altijd voor hem heeft gehad; en
daarom was zij zeer bekommerd bij de eerste berichten die zij
ontving van zijn ziekte^ en heeft zij met groot genoegen zijn
volkomen herstel vernomen. (Brief van 25 April van Louvois
aan d'Estrades)."
Gedurende korten tijd bestaat er nu een zeer goede verstand-
houding tusschen Frankrijk en Willem III: het zou hartverheffend
en zielroerend zijn, — wanneer niet het denkbeeld bovenkwam,
dat oprechtheid en goede trouw bij dit alles ver te zoeken zijn,
zoowel aan den eenen kant als aan den anderen.
(Rousset, 2' deel, blz. 137 — 141): »De betuigingen, door Lode-
wijk XIV aan den Prins van Oranje gedaan pm hem geluk te
wenschen met het herstel van zijne gezondheid, hadden in geheel
Holland een grooten indruk gemaakt. De Prins beijverde zich
om graaf d'Estrades te antwoorden, — den 2eD Mei — , dat, daar
hij zich niet rechtstreeks durfde wenden tot Zijne Allerchriste-
lijkste Majesteit, hij d'Ëstrades verzocht, bij dien vorst de tolk
te zijn van zijn dank, en hem te betuigen, dat de noodlottige
tijdsomstandigheden niet verhinderden, dat hij voor 's Konings
persoon dezelfde eerbied en hoogachting had, die hij altijd voor
hem had gekoesterd. Maar, wat van nog veel meer belang was
dan die wisseling van beleefdheden, dat was, dat de raadpen-
sionaris Fagel den 21 sten April aan Pesters de stellige opdracht
zond, om van graaf d'Estrades te vernemen welke voorstellen de
Staten-Generaal konden doen — zonder daarmede hunne belangen
of hunne eer te krenken — om weer in 's Konings gunst te
komen en tot hunne oude verbintenissen met Frankrijk. Louvois
antwoordde dadelijk, — den isiea Mei — , met een uitvoerig
schrijven, dat men tot drie of vier punten kon terugbrengen die,
in hoofdzaak, omvatten wat door Lodewijk XIV werd gevraagd, —
of veeleer wat hij wilde dat men hem aanbood.
Van de Hollanders, de afstand van Maastricht en van
het Over-Maassche, en de vernieuwing van de vroeger bestaande
staats- en handelsverdragen; van de Spanjaarden, de af-
stand pvan alle reeds gemaakte veroveringen en zelfs van die
welke nog gemaakt zouden worden vóór het sluiten van den
vrede, — zonder dat er eenige omwisseling hoegenaamd zou
Digitized by
Google
l68 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
plaats hebben van vestingen; van Duitschland, een geheele
en volkomen terugkeer tot den Westfaalschen vrede, het terug-
geven van de stad Trier door den Koning, het teruggeven door
den Keizer van de 50000 kronen die men te Keulen in bezit had
genomen, het in vrijheid stellen van Vorst Wilhelm von Fürsten-
berg; in het algemeene vredesverdrag, volstrekt geen bepaling
ten voordeele van den Hertog van Lotharingen, verbindende de
Koning zich echter om hem zijne Staten terug te geven, maar
alleen uit vrijen wil, als gunst; — eindelijk, zonder vredescongres
en vóór den zeer waarschijn lij ken aanvang van de vijandelijk-
heden, moesten Frankrijk en de Staten-Generaal dadelijk en
rechtstreeks vrede sluiten; hetzij door bemiddeling van graaf
d'Estrades en van Pesters; hetzij, — als de Staten-Generaal
meer luister wilden bijzetten aan die handeling, — door gezanten,
wier eenige taak zou zijn dit vredesverdrag te onderteekenen.
Die voorwaarden, — en vooral, die afdoende handelingen, —
kenmerkten een minister, die meer de gewoonte had om snellen
voortgang bij te zetten aan krijgszaken, dan om met geduld de
teêre draden te ontwarren van de diplomatieke weefsels. Geen
wonder dus, dat noch de vorm, noch de inhoud verleidelijk ge-
noeg waren voor de Hollandsche staatslieden om hen er toe te
brengen, de akte van eerbied en onderwerping, die Louvois hun
zoo goedwillig ten richtsnoer toezond, af te schrijven en te
onderteekenen. Er werd zelfs geen begin gemaakt met onder-
handelingen; en het kwam niet tot eene goede verstandhouding,
ofschoon men de pogingen daartoe nog niet geheel opgaf. Den
I4ea Mei schreef de Prins van Oranje, op het punt zijnde van
naar het leger te vertrekken, nog aan Pesters: ibij dezen veld-
tocht reken ik alleen op wat ik aan Hollandsche troepen bij mij
heb, en volstrekt niet op wat de Spanjaarden beloven. Wij moeten
zien dat wij met eere uit dien toestand van zaken komen, en er
ons nooit meer in begeven. Ik heb u reeds gemeld, dat zoodra
de gelegenheid zich daartoe voordoet, ik haar niet zal laten
voorbijgaan. Tracht slechts goede vrienden te blijven met graaf
d'Estrades.'*
Louvois, van zijn zijde, na den Prins van Oranje de geluk*
wenschingen van Lodewijk XIV te hebben overgebracht, ver-
zuimde ook niet hem persoonlijk zijne plichtplegingen te maken.
Men weet dat in 1672 een Fransch edelman, de graat De Montbas,
onder den Prins van Oranje, het Hollandsche leger aanvoerde.
Het woedende volk beschuldigde hem toen, van door eene op-
zettelijke onachtzaamheid den overtocht van den Rijn gemakkelijk
te hebben gemaakt voor de krijgsmacht van Lodewijk Xiy; hij
had daarop da wijk genomen, eerst naar Utrecht bij den hertog
De Luxembourg, later naar Frankrijk, waarheen het hem vergund
Digitized by
Google
WILLEM III EN LOUVOIS. 169
werd terug te keeren. Dikwijls zag men hem in de anti-chamhre
van Louvois; en, te rech,t of ten onrechte, men onderstelde dat
€r eene goede verstandhouding tusschea hen bestond, waarover
de Prins van Oranje zich, op eenigszins bitteren toon, meende
te moeten beklagen, daar hij wist dat Montbas zeer veel kwaad
van hem sprak.
Zoodra dit ter oore kwam van Louvois, — die reeds te velde
was — , beijverde hij zich om, uit Charleroi, aan graaf d'Estrades
te schrijven: lOf de heer De Montbas elders met weinig eerbied
spreekt over den persoon des Prinsen van Oranje weet ik niet;
maar daar kan ik u voor instaan, — na wat de Prins van Oranje
in den laatsten veldtocht heeft verricht, en na het verslag dat
ik den heer De Chamilly aan den Koning heb hooren geven,
over den gang van den aanval op Grave na 's Prinsen komst,
en over de wijze waarop hij daar zijn leven heeft gewaagd — ,
dat ik alles behalve gunstig zou denken over, en geen tweede
maal in gesprek zou willen treden met iemand, die mij kwaad
wilde spreken van hem ; en, — om over dit punt mijne meening
ronduit te zeggen — , het doet mij zeer leed, den Prins van
Oranje te zien volharden in de jammerlijke zaak die hij nu voor-
staat; want ik ben overtuigd dat, hoe bekwaam hij ook zij, de
zwakheid of de kwade trouw van zijne bondgenooten hem in
ongelegenheid zal brengen; terwijl het mij toeschijnt, dat indien
hij zijne belangen vereenzelvigde met die des Konings, de Koning
en de Prins van Oranje, vereenigd, iets groots zouden kunnen
tot stand brengen, dat èn Frankrijk èn Holland ten goede zou
komen.
Het is te hopen, dat als Zijne Majesteit het een of ander
voordeel behaalt, dit den Prins van Oranje de oogen zal doen
opengaan, en hem er toe zal brengen om gebruik te maken van
de gezindheid waarin Zijne Majesteit schijnt te verkeeren om
hem in gunst aan te nemen {de Ie recevoir dans ses bonnes gr aces)
als hij die spoedig zoekt; en ik verzeker u dat, is hij eenmaal
weer in gunst, ik niets zal verzuimen om de voortduring daarvan
te verzekeren, en dat ik den Prins van Oranje al die diensten
zal bewijzen, die in mijn vermogen zijn" (24 Mei).
Zooveel welwillendheid verhinderde echter niet, dat men zich
tot den strijd toerustte. De vermoeienissen van den laatsten veld-
tocht; de groote verliezen toen door de bondgenooten geleden,
en gedurende den winter nog toegenomen door de desertie onder
de Spaansche troepen, die niet werden betaald; de onkunde, of
zorgeloosheid, van de generaals en van de legerbeheerders, die
alleen op het uiterste oogenblik dachten aan leeftocht, wapens
en krijgsbehoeften ; de oorlogsverklaring van Zweden"; (Zweden
had zich ten voordeele van Lodewijk XIV verklaard, en neutra-
liseerde daardoor den keurvorst van Brandenburg); 1 eindelijk
Digitized by
Google
lyo KKIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
de verandering die in De Nederlanden had plaats gehad, waar
het Spaansche Hof graaf Montercy — in vijandschap geraakt met
den PriAs van Oranje — vervangen had door den hertog De
Villa Hermosa; al die oorzaken te zamen hadden de legers der
bondgenooten lang in hunne winterkwartieren doen blijven. Zulke
bezwaren kende Lodewijk XIV niet; dank zij Louvois werd het
leger steeds bijtijds voltallig gemaakt; de talrijke magazijnen, ge-
plaatst op de punten waar zij noodig waren, hadden altijd een
goeden voorraad, sommige van wapens en buskruit, andere van
meel, haver en ander paardevoêr; de vestingen warjen voorzien
van leeftocht; de » Commissaires des guerres'' werden aange-
spoord door de intendanten, en de intendanten weer door den
Minister; in één woord, het leger was altijd gereed voor den
oorlog.'*
Wat hier over Montbas gezegd wordt, dat deze in 1672 onder
Willem III het Hollandsche leger aanvoerde, is niet geheel en
al juist: Montbas was toen niet anders dan een van de hoogere
bevelhebbers van dat leger, commissaris-generaal van de cavalerie.
Voor het overige bewijst deze aanhaling uit Rousset alweer
wat vroeger is gezegd, dat Lodewijk XIV zijn grooten tegen-
stander Willem III langen tijd niet anders heeft beschouwd dan
als een soort van rebel, die alleen uit vrees voor verdiende straf,
in zijn opstand bleef volharden. ^Hoe jammer van dien Prins
van Oranje : een man daar wezenlijk veel goeds en groots bij is,
maar die den verkeerden weg opgaat door zijn dwaas en mis-
dadig verzet tegen den Koning. Komt de Prins maar eens tot
inkeer en berouw, maakt hij maar wat spoedig gebruik van
's Konings genade, dan kan alles nog wel goed afloopen voor
hem, en zal hij wel weer in de gunst van Zijne Majesteit komen ;
en is het eenmaal zoo ver, dan belooft Louvois zijne bescherming
aan den Prins, en zal de Minister hem alle mogelijke diensten
bewijzen."
Ziedaar, zoo wat, op welken toon de regeerders van Frankrijk
in 1675 over Willem III spraken of schreven; toen nog een
welwillende toon, — al is het dan ook eene welwillendheid die
beleedigt. Maar »de rebel" kwam niet tot inkeer en onderwer-
ping; en de welwillendheid van de Fransche regeerders veran-
derde toen van lieverlede in krachtigen haat, die er niet tegen
opzag om door sluipmoordenaars het leven van Frankrijk's vijand
te belagen.
Vóór dat nog de krijgsverrichtingen in 1675 ^^ ^^ Nederlanden
aanvangen, maakt d'Estrades, met een Fransche troepenafdeeling
uit Maastricht, zich den 3isien Maart meester van de Citadel der
Digitized by
Google
VELDTOCHT IN DE SPAANSCHE NEDERLANDEN, ENZ. 171
Stad Luik: itot groote verbazing van de Luikenaars en vanden
kardinaal van Baden; en tot groote spijt van den Prins van
Oranje, die, nog drie maanden daarna (5 Juli), aan Fagel schreef:
»gij weet hoe dikwijls ik naar Brussel heb geschreven, om het in
bezit nemen van die sterkte aan te raden; en toch hebben al
mijn raadgevingen niets gebaat; en de Spanjaarden en Duitschers
hebben onze zaak geheel bedorven door de Citadel van Luik
te laten wegnemen; gij ziet daar nu de gevolgen van." (Rousset,
2* deel, blz. 144).
Het bisdom Luik was een onzijdige staat; maar wat helpt de
onzijdigheid, als men haar niet weet te doen eerbiedigen? Zeker,
het in bezit nemen van de Citadel van Luik, van de zijde der
Franschen, was -«en wederrechtelijke handeling; even wederrech-
telijk als bij voorbeeld in de oude Grieksche geschiedenis het
bezetten van de Citadel van Thebe — de Kadmeïa — door
de Spartanen; maar hadden de Franschen de Luiksche Citadel
niet l)ezet, dan hadden de bondgenooten het misschien gedaan;
soortgelijke handelingen zijn niets vreemd; men moet ze veroor-
deelen, maar men moet er zich niet over verwonderen.
Die 9 kardinaal van Baden", waarvan hier gewaagd wordt in
die plaats uit Rousset, tevens kanunnik te Luik, was toen juist
naar die stad gegaan om daar de Duitsche belangen te behar-
tigen ; zijn bagage was genomen, door de Fransche bezetting van
Maastricht. Louvois gelastte toen een zijner agenten te Luik om
daar te doen vaststellen dat bij die bagage een brief was ge-
vonden van den Duitschen keizer ; die agent moest zulk een brief
maar opstellen; en door dat valsche stuk hoopte men de Luike-
naars te vervreemden van Duitschland. — Een heel eerlijk mid-
del, niet waar, lezer? heel stichtelijk? — Maar, vóór dat wij
daarover der zeventiende eeuw eene zedepreek houden, dienen
wij te onderzoeken, of ook in onzen tijd de diplomatie geheel
vrij is van zulke schriftvervalschingen.
Over het leger waarmede Lodewijk XIV in persoon in 1675
in De Nederlanden wilde oorlogen, vindt men bij Rousset het
volgende (2' deel, blz. 146):
« De samenstelling van 's Konings leger werd den 360 Mei als
volgt door Louvois vastgesteld, en door Lodewijk XIV goedge-
keurd: 47 bataljons voetvolk, ingedeeld in 7 brigaden, en boven-
dien nog 2 bataljons fuseliers tot begeleiding en dekking van de
artillerie; 25 eskadrons, 3 brigaden uitmakende, samengesteld uit
de Maison du Rot en uit de Gendarmerie; 100 eskadrons lichte
ruiterij, in 10 brigaden; bovendien nog 15 eskadrons dragonders,
tot ééne brigade vereenigd. In het geheel was dit eene macht
van meer dan 60000 man." (De samenstelling van de artillerie
wordt niet opgegeven).
Digitized by
Google
172 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Het leger van Willem III was, zooals men zal zien^ veel min-
der sterk; daar de Spanjaarden slechts een kleine afdeeling bij
de Hollandsche krijgsmacht voegden, en er eerst in het laatste
gedeelte van den veldtocht Duitsche troepen naar De Neder-
landen trokken. De Fransche koning had dus volle vrijheid, bij
zijne operatiën in De Nederlanden; toch heeft hij daar in 1675
weinig bijzonders uitgericht; hij heeft toen voordeelen behaald,
maar op lange na niet die voordeelen, die bij zijne overmacht
waren te verwachten.
tLodewijk XIV vertrok den iien Mei uit Saint Germain, aan-
vaardde het opperbevel over de troepen, bijeengetrokken tusschen
Ham en Cateau-Cambrésis, en ging den i8en vooruit op Le Quesnoy;
hier hield hij de Spaansche vestingen aan de Schelde zeer in
onrust, en trok daarna rechts af, den loop van de Sambre vol-
gende. Gedurende den marsch van 's Konings leger hadden de
• maarschalk Créqui en de markies De Rochefort, de een komende
van Charleville, de ander van Philippeville, hunne afdeelingen
den igen Mei vereenigd onder de muren van Dinant; de stad,
en het kasteel van Dinant, aangevallen zijnde op de beide oevers
van de Maas, capituleerden den 28sten. In de eerste dagen van
het beleg was Louvois vooruitgegaan tot Florennes, voorbij Char-
leroi, om een mondgesprek te houden met den maarschalk
Créqui, ter zake van de vesting Limburg, tot welke/ belegering
Lodewijk, volgens zijn eerste voornemen, dadelijk na de inne-
ming van Dinant wilde overgaan..." (Rousset, 2* deel, blz. 147).
Van dat belegeren van Limburg wordt echter, vooreerst, afge-
zien ; en Créqui naar den Moezel en de Sarre gezonden, om daar
Turenne zoo noodig te kunnen bijstaan, die toen het hoofd had
te bieden aan twee Duitsche legers: het eene, het Keizerlijke
onder Monte Cuculi, naar de zijde van Straatsburg; het andere
aan den beneden-Rijn, bij Bonn en Keulen, onder den hertog
van Lotharingen. Het Koninklijke leger valt nu het kleine, meer
nabijzijnde, Hoey aan.
• Terwijl hij" (Créqui) tdien marsch deed, volgde de markies
De Rochefort den rechteroever van de Maas, en begon den
isten Juni de berenning van Hoey, die voltooid werd op den
anderen oever door eene afdeeling van 's Konings leger. Gelegerd
te Falais" (een plaatsje bij de Méhaigne, een paar uur ten noord-
westen van Hoey), t dekte Lodewijk een beleg, dat overigens
geen vijand van buiten toen bij machte was om te verhinderen.
De Prins van Oranje en de hertog De Villa Hermosa werden
verrast door dien uitval van 's Konings leger; de eerste, nog
lijdende aan de gevolgen van zijne ziekte, was bezig met zijn
leger bijeen te trekken te Bergen-op-Zoom; de tweede, die meer
goeden wil had dan macht, kon, na aftrek van de bezettingen
Digitized by
Google
VELDTOCHT IN DE SPAANSCHE NEDERLANDEN, ENZ. 173
der vestingen, ternauwernood een 6000 man te velde brengen.
Zich niet bekommerende om dit beleg, nam Louvois er den tijd
van om aan graaf d*Estrades, in de Citadel van Luik, een bezoek
te brengen, waarvan de Luikenaars de kosten moesten betalen;
juist niet in geld, maar in koren en in paardevoer, ten behoeve
van de bezetting van Maastricht. — De verdedigers van Hoey
capituleerden den 6en Juni.
Na eenig beraadslagen nam Lodewijk XIV zijn voornemen
weer op om Limburg te belegeren, eene vrij sterke vesting, en
de hoofdstad van een hertogdom dat tot De Nederlanden be*
hoorde. Limburg ligt op den rechteroever, maar op eenigen
afstand, van de Maas, en vormt met Luik en Maastricht een
strategischen driehoek, die niet zonder belang was." (Strate-
gische driehoek!; hier speelt zeker den Franschen schrijver
de strategische vierhoek voor den geest, dien de Oosten-
rijkers in Lombardije hadden, en waarvan indertijd zoo tot ver-
velens toe werd gewaigd). iDe eerste werkzaamheden van het
beleg werden den gen Juni begonnen, door den markies De
■Rochefort; terwijl *sKonings leger een kamp betrok bij Noy, aan
de Maas^ tusschen Maastricht en Viset."
Omdat er op dat oogenblik minder vrees was voor den Rijn,
werd Créqui teruggeroepen:
»...Hij haastte zich om zijne troepen, zwaar vermoeid door
zeventien dagen marcheerens, aan de belegering van Limburg te
doen deelnemen, waarover Condé de leiding had aanvaard.
Den Prins van Oranje en den hertog De Villa Hermosa was
het eindelijk gelukt, bij Leuven een 35 k 40000 man bijeen te
brengen, waarmede zij, over Diest, op Roermond trokken, aan
de samenvloeiing van Maas en Roer. Toen hij tijding kreeg van
die beweging, ging Lodewijk XIV op den rechteroever van de
Maas over; en nam den iQcn Juni stelling te Neufchateau. bij
Dalem, op den weg van Roermond naar Limburg. Dienzelfden
dag gaf Condé de leiding van het beleg aan zijn zoon over, om
zelf den Koning met raad te kunnen bijstaan voor het geval dat
de vijand slag wilde leveren om de vesting te ontzetten. Maar
de Prins van Oranje, wiens leger minstens een derde zwakker
was dan dat des Konings, achtte het zelfs onraadzaam om den
afstand tusschen de beide legers, van 12 è 15 mijlen, te ver-
kleinen; en den volgenden dag — 20 Juni — trad de graaf van
Nassau, de bevelhebber binnen Limburg, in onderhandeling, na
eene verdediging die nog al krachtig was geweest. Den 2 2sieQ
nam eene Fransche bezetting de vesting in bezit, wier werken
dadelijk weer werden opgemaakt...*' (Rousset, 2* deel, blz.
147—149.)
Créqui wordt daarop teruggezonden naar Trier.
• Toen Lodewijk XIV Limburg had genomen, ging hij weer
Digitized by
Google
174 KRIJGS- EN GESCHIRDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
op den linkeroever van de Maas over, en trok, over Tongeren,
Sint-Truyen en Thienen, naar de zijde van Leuven en Brussel;
de Prins van Oranje haastte zich toen om Roermond te verlaten,
en bereikte, met geforceerde raarschen, de omstreken van Mechelen;
hij deed Diest bezetten, op de rechterflank, maar op een eerbie-
digen afstand van het marcheerende Fransche leger. Verscheidene
dagen verkeerde Braband in angst. Zeker is het, dat Lodewijk XIV
voornemens was, of dat hem de raad gegeven werd om nog een
groote vesting te belegeren; welke, is onbekend. Den 56x1 Juli
schreef Louvois, uit de legerplaats bij Sint-Truyen, aan de inten-
danten van de meest nabijzijnde Fransche gewesten en vestingen,
€n legde hun de verplichting op, tegen den 2osten Juli eenige
honderden karren gereed te hebben en 8400 boeren, ingedeeld
in afdeelingen van 100 man, en met de noodige gereedschappen
voor aardwerken, zooals tot het opwerpen van circumvallatie-
liniën •, hij nam de voorzorg van er bij te voegen : > gij kunt hun
de verzekering geven, dat zij aan geen arbeid zullen worden
gezet, die binnen het bereik is van het geweer- of geschutvuur."
Zes dagen later werden de intendanten uitgenoodigd om voor-
loopig die bevelen nog niet uit te voeren. Het leger was toen
reeds weer in beweging om Charleroi meer nabij te komen. Na
«ene afdeeling voetvolk onder den markies De la Trousse te
hebben afgezonden ter versterking van den maarschalk Créqui,
gaf Lodewijk XIV, den lyen Juli, het bevel over het leger aan
den Prins van Condé over.
Hij kwam te Versailles terug, opgetogen wegens het feit, dat
hij zelf geen belegeringen had verricht, maar de belegeraars had
gedekt; opgetogen wegens het feit, dat hij in het open veld was
opgetreden, en zich aan een veldslag had blootgesteld; vooral
opgetogen, omdat hij geprezen werd door Turenne, die, van den
Rijnkant, aan Louvois had geschreven: imen kan het niet luid
genoeg zeggen, wat een indruk het overal heeft gemaakt, die
marscli des Konings en zijn besluit om, na de Maas te zijn over-
gegaan, in persoon vooruit te rukken tot voorbij Dalem tot dek-
king van het beleg van Limburg, terwijl de vijand met een zoo
sterk leger in aantocht was om die vesting te hulp te komen.
Ik ben er zeer bekommerd over; hoewel die handeling van
Zijne Majesteit schitterend is en roemrijk,*' (Rousset, 2'dee),blz.
149-151.)
In den regel is Turenne geen vleier; hier echter heeft het er
wel wat van; want waarlijk, het was niet zoo'n heldenstuk om
met een leger van 60000 man vooruit te rukken tot Dalem,
tegen een vijand die er maar 35 ^ 40000 telde, en die te Roer-
mond stond, nog een paar dagraarschen van Dalem verwijderd.
Op zijn minst genomen moet men Turenne's woorden hier onjuist
Digitized by
Google
VELDTOCHT IN DE SPAANSCHE NEDERLANDEN, ENZ. I75
of overdreven noemen. Rousset erkent dit dan ook, daar hij in
«ene noot zegt: >Turenne schatte 'svijands macht sterker dan
zij was. Hij schreef den 3osien Juni, toen hij van de overgave
van Limburg nog niet af wist."
In het voorbijgaan eene aanmerking op Wagenaar.
Wij behooren volstrekt niet tot hen, die uit de hoogte en met
geringschatting op dien schrijver nederzien; integendeel, wij ge-
looven dat hij in vele opzichten uitmuntende hoedanigheden
heeft, die aan zijne ^ Vader landsche Historie" eene blijvende
waarde bijzetten. Maar wij raden iedereen af, onze k r ij g s geschie-
denis bij hem te bestudeeren; want daar weet hij niets van, en
die behandelt hij maar in het voorbijgaan, oppervlakkig en ge-
brekkig. Onder andere hier, bij dat beleg van Limburg, zegt
Wagenaar: dat Willem III de overgave van die vesting vernam,
terwijl hij tot haar ontzet oprukte, en daartoe »te Mühlheim de
Roer overtrok." Nu is er wel een Mühlheim aan de Roer —
echter niet aan de Roer die bij Roermond in de Maas valt; maar
wel aan de Roer, een rechterzijrivier van den Rijn; Mühlheim
ligt op den rechteroever van den Rijn; en zeer zeker zal
Willem III, om van Roermond op Limburg te trekken, niet eerst
zijn overgegaan op den rechter Rijnoever. Wagenaar heeft die
twee rivieren de Roer met elkander verward en daardoor de
zaak onbegrijpelijk gemaakt ; — denkelijk heeft hij ze zelf niet
begrepen.
Die veldtocht van 1675 in De Nederlanden draagt hetzelfde
kenmerk als meer andere veldtochten van Willem III, namelijk:
dat hij daarbij de minderheid had in strijdkrachten. Het leger
van Lodewijk XIV telde 60000 man, dat van de bondgenooten
35 k 40000; en terwijl het eerste één en hetzelfde leger was,
bestond het andere uit twee verschillende legers, waarvan het
Spaansche altijd uitermate gebrekkig was, wat uitrusting en ver-
zorging betreft. Het lijdt dus niet den minsten twijfel, dat er in
1675 ^^ De Nederlanden, aan de Fransche zijde eene groote
overmacht was. Wat moest Willem III dus in dien toestand
doen? — Groote voordeelen behalen? — daaraan viel niet te
denken. Een beslissenden slag wagen ? — dat zou dwaasheid zijn
geweest: de kansen waren te ongunstig. Neen, Willem III bleef
niets anders over, dan den vijand te beletten groote voor-
deelen te behalen, hem den tijd te laten doorbrengen met
kleine ondernemingen, en op die wijze den oorlog te rekken.
Dat was in 1675 de taak van Willem III; en die taak heeft hij
toen, evenals bij meer andere veldtochten, op meesterlijke wijze
vervuld: het Fransche leger heeft toen Dinant, Hoey en Limburg
genomen, drie onbeduidende vestingen, wier verlies weinig ter
zake afdeed; terwijl er, de sterkte van dat leger in aanmerking
genomen, gegronde vrees bestond dat het groote Brabandsche
Digitized by VjOOQIC
176 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Steden zou bemachtigen, en daardoor aan den oorlog eene be-
slist nadeelige wending zou geven voor de bondgenooten. Als
men dat in aanmerking neemt, dan vindt men denkelijk het nu
volgende oordeel van Rousset (2* deel, blz. 152) minder juist:
»Wij mogen niet verzwijgen, dat de Prins van Oranje van
zijne zijde zelf — zeker niet uit ijdelheid, maar uit staatkundigen
nooddwang — aan zijne vrienden eene lofspraak in de pen gaf^
waartoe hij misschien minder gerechtigd was. »Het is noodig,*'^
zoo schreef hij aan Fagel, »dat gij in alle HoUandsche steden
de mare verkondigt, — zelfs moet gij er in persoon gaan, on»
te spreken met de burgemeesters en pensionarissen — , dat ik
mij beijverd heb om door een bijzonder snellen marsch de steden
Leuven, Mechelen en Brussel te redden, die onfeilbaar verloren
zouden zijn gegaan, ware ik den vijand niet voor geweest door
Diest te bezetten; hierdoor heb ik aan de geheel ontmoedigde
Brabanders weer een riem onder het hart gesloken, en de ont-
werpen onzer vijanden verijdeld. Ik zend last aan den heer Pesters
om in Utrecht, Gelderland en Overijsel hetzelfde te doen als gij
in Holland; en aan den Prins van Nassau om evenzoo te han-
delen in Friesland en Groningen."
Ifï ^^75 g^*t eene ster van de eerste grootte aan den krijgs-
hemel onder: Turenne wordt te Saszbach door een kanonskogel
gedood, den 27sien Juli 1675, "^g g^^" maand na het schrijven
van dien brief aan Lodewijk XIV. Turenne's dood vermeldende^
voegt Rousset er bij (2' deel, blz. 161):
» Men verhaalt dat Monte Cuculi," (het Keizerlijke legerhoofd,
de bekwame tegenstander van Turenne), »na zich een oogenblik
bedacht te hebben, op ernstigen toon zeide: »er is vandaag een
man gestorven, die het menschdom tot eer was.*' Een verheven
gezegde, dat in zijn eenvoud meer weegt dan al de rhetorica
der lijkredenen. Het is de zeggingskracht van het verstand; —
ziehier de zeggingskracht van het gevoel: ttoen onze veldheer
gedood werd, waren wij verweesde kinderen." Wie heeft dat ge-
zegd? Wie heeft dien anderen kreet der smarte geslaakt: tde
wonde is te groot, en bloedt nog"? — Men weet het niet; het
is geschreven door een ongenoemde, aan een ongenoemde. Waartoe
is het noodig om die onkunde te doen ophouden ? die naamlooze
brief van den 2en Augustus, is de brief van allen, aan allen ; het
is de algemeene klacht van het geheele leger, na zes dagen van
sprakelooze droefheid en verslagenheid."
Condé vervangt Turenne in het opperbevel aan den Rijn, en
in afwachting van diens komst neemt Duras dat opperbevel waar.
Toen Turenne gesneuveld was, stelde Lodewijk XIV (30 Juli) in
Digitized by
Google
DOOD VAN TURKNNE. 177
plaats van dien éénen maarschalk, acht andere maarschalken
aan, namelijk: Navailles, d'Estrades, Schomberg, Duras, Vivonne,
De la Feuillade, Luxembourg en Rochefort ; — de kwantiteit
moest hier vergoeden wat bij sommigen aan de kwaliteit te
kort schoot. De Franschen, altijd uit op kwinkslagen, spraken
toen van Turenne en van zijn acht plaatsvervangers als van y^e
beau Louis d*or changé en Louis de cinq sous'*\
Wie in een groot man altijd een ideaal zoekt, die zal misschien
wel wat aan te merken hebben op Turenne: het voeren van de
wapenen tegen zijn vaderland, zijn veranderen van godsdienst,
het verwoesten van de Paltz, en enkele onberaden handelingen
waartoe zijn neiging voor de vrouwen hem bracht. Wie niet
naar idealen zoekt, wie weet dat de grootste mannen hunne
zwakheden en ondeugden hebben gehad, wie overtuigd is dat de
billijkheid vordert om iemand te beoordeelen naar den tijd waarin
hij leeft, en zijne waarde af te meten naar de waarde zijner tijd-
genooten, — die zal hoog wegloopen met Turenne. Als leger-
hoofd is het ontegenzeggelijk, dat Turenne de grootste is geweest
van zijn tijd; zelfs Napoleon erkent zijne uitstekendheid ; —
Napoleon, de bevoegdste beoordeelaar, en stellig niet de toe-
gevendste.
»Een ongeluk komt zelden alleen"; — in den zomer van 1675
ondervond Frankrijk de waarheid van dit spreekwoord. Nog was
het in rouw over het sneuvelen van zijn grooten veldheer, toen
het getroffen werd door oorlogsrampen aan den Moezel; oor-
logsrampen, die zelfs gepaard gingen met oneer. Roemvol is
Turenne's dood, schandelijk de overgave van Trier.
Créqui voerde het bevel over de Fransche krijgsmacht aan
den Moezel. Die maarschalk, wiens karakter door zijne tijdge-
nooten zeer ongunstig wordt afgeschilderd, muntte ook niet uit
als legerhoofd, — ten minste wat zijne bekwaamheid betreft;
dapperheid kan men hem volstrekt niet ontzeggen. Den 11 en
Augustus 1675 heeft er te Konz-Saarbrück, nabij Trier, een veld-
slag plaats, tusschen het leger van Créqui en dat van den hertog
van Lotharingen; — de laatste was zelf afwezig; de Duitschers
werden hier aangevoerd door een hertog van Zeil. De strijd liep
beslist nadeelig af voor de Franschen, die hier geheel geslagen
werden: >het was geen nederlaag, maar een volslagen vlucht",
zegt Rousset (2* deel, blz. 177). Daarop wordt Trier belegerd,
waarbinnen zich Créqui had geworpen ; den 6en September wordt
die stad overgegeven, — niet door den bevelhebber, maar door
de in opstand gekomen Fransche bezetting. Het hoofd der mui-
ters, de kapitein Bois-Jourdan, — hij behoorde nog wel tot het
beroemde regiment van Navarre! — sloot eigenmachtig eene
capitulatie met den vijand ; nadat hij Créqui tevergeefs, zelfs door
WILLEM III. — II.
Digitized by
Google
178 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
bedreigingen, had willen dwingen haar te onderteekenen; > nooit,"
zegt Voltaire, >is een lafheid met zooveel stoutmoedigheid ge-
pleegd." Met eenige trouw gebleven officieren nam Créqui de
wijk binnen eene der kerken van Trier, en werd daar gevangen
genomen.
Wat was de straf van die Triersche muiters, toen zij weer op
Fransch grondgebied waren gekomen? — Rousset zegt hierom-
trent (2' deel, blz. 179):
> Zoodra zij te Met z waren aangekomen, gelastte de Koning
aan den maarschalk De Rochefort, de ruiters en dragonders"
(zij waren de ergste muiters geweest), tte splitsen in afdeelingen
van twintig man, en van elke afdeeling er dadelijk één te laten
ophangen, die het lot zou aanwijzen. Wat de officieren betreft,
ziehier wat Louvois daarover schreef aan den intendant Barillon
de Morangis: >voor den krijgsraad moeten terechtstaan, niet
alleen die officieren van wie men weet dat zij ongehoorzaam
zijn geweest aan den maarschalk De Créqui en tegen hem heb-
ben samengespannen, maar ook de korpscommandanten die in
gebreke blijven het bewijs te leveren, dat zij op zeer krachtige
wijze zijn te werk gegaan tegen de muiters; het moet een vaste
regel zijn, dat een bevelhebber die zich niet ernstig blootstelt
aan gevaar om eene muiterij tegen te gaan, gestraft moet worden
als had hij die aangestookt ; want alleen zijn zwakheid geeft aan
de manschappen de stoutheid om ddt te doen, wat zij niet zullen
doen als hij maar krachtig zijn plicht nakomt. De Koning wil
van deze onderzoekingen niets anders weten, dan door het von-
nissen en streng straffen van de schuldigen; en noch bloedver-
wanten, noch betrekkingen, noch vroegere diensten zullen iets
vermogen tot behoud en verontschuldiging van menschen, die,
bij eene gelegenheid als deze, zoo slecht hun plicht hebben
gedaan."
Wat zouden er een muiterijen bij leger of volk, opstanden,
burgeroorlogen, zelfs omwentelingen, zijn voorkomen of onder-
drukt, waren er maar altijd eenige mannen geweest, vastbe-
raden om het beginsel toe te passen, hier door Louvois uitge-
sproken! 't Is waar, dit vordert deugden die zeldzamer zijn in
deze wereld en minder worden beloond dan krijgsmoed; het
vordert burgerlijken moed, een krachtig plichtgevoel, en geheele
toewijding aan de wet.
Allereerst ondervond dit Louvois, op bedroevende wijze. Alleen
over drie officieren sprak de krijgsraad het > schuldig" uit: over
Bois-Jourdan, die onthoofd werd, en over twee andere officieren,
die alleen met cassatie en geldboete werden gestraft..."
In weerwil van dit krachtig schrijven van Louvois, mag hier
de vraag worden gesteld : waar werd de krijgstucht beter gehand-
haafd, bij de legers van Willem III, of bij de Fransche legers?
Digitized by
Google
LAATSTE KRIJGSVERRICHTINGEN IN 1675. ' 179
Om dezen tijd — 17 September 1675 — stierf de oude hertog
van Lotharingen, die altijd met Frankrijk overhoop lag, en daar-
door gedurig zijn land moest verlaten: ihij bracht zijn leven
door met zijne Staten te verliezen en met legers op de been te
brengen," — zegt Voltaire van hem,
Aan den Rijn, waar nu Condé stond tegenover Monte CucuH,
gebeurde er verder niets, en dit hoofdzakelijk omdat — zooals
Rousset zegt (2' deel, blz. 188) — de beide legerhoofden te oud
waren om iets te ondernemen: > Monte Cuculi, ouder dan Condé,
was evenals deze geteisterd door vroegtijdige kwalen en onge-
makken, ontevreden over iedereen, verdrietig, wantrouwend, en
meer ernstig bezorgd voor zijne troepen dan Condé voor de
zijne; daarom wilde hij het laatste tijdperk van een waarlijk
glorievolle loopbaan niet in gevaar brengen door het leveren
van een onzekeren veldslag en door het bestrijden van zulk een
geduchten tegenstander . . ."
En omdat de legerhoofden oud waren en naar rust verlangden,
moesten de legers niets doen! Wonderlijke tijden! Ongetwijfeld
doet ook in onze dagen het persoonlijk karakter van den veld-
heer zijn invloed op den gang der oorlogszaken gelden; toch
zou zulk een langdurige werkeloosheid niet gedoogd worden.
Na het vertrek van Lodewijk XIV en van Condé was Luxem-
bourg opperbevelhebber geworden over het Fransche leger in
De Nederlanden, dat tot op een 40 000 man was verminderd door
het afzenden van verschillende afdeelingen naar Bretagne, naar
den Moezel, naar den Elzas en Lotharingen. Met die macht
was Luxembourg niet in staat nieuwe voordeelen te behalen,
maar wél sterk genoeg om dit den Prins van Oranje te beletten.
Alleen werd de kleine vesting Binche, waar slechts een 2 k 300
man in bezetting was, door Willem III genomen, maar later weer
ontruimd. Luxembourg liet bij zijn leger de krijgstucht tamelijk
verslappen en werd daarover onderhouden door Louvois, die
aandrong op het nemen van straffere maatregelen : dit geschiedde,
en bij eene wapenschouwing op den 1460 October verklaarde
Luxembourg dat het Fransche leger er weer uitmuntend uitzag.
Maar toen kwam het er niet meer op aan; de veldtocht was
200 goed als geëindigd.
>De Prins van Oranje, die bijna even ontevreden was over
den hertog De Villa Hermosa als vroeger over graaf Monterey,
had Binche toen juist weer ontruimd, — het eenige en onbe-
duidende voordeel door hem behaald — , en keerde reeds met
het grootste deel zijns legers naar Holland terug, het overige
deel aan de Spanjaarden latende om gedurende den winter hunne
Digitized by VjOO^QIC
l8o KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
vestingen te bezeltep. Zelfs de maarschalk d'Humières had zeker
voordeel behaald*, in vereeniging met den markies De Chamilly,
den bevelhebber van Oudenaarden, had hij, van den 6en tot den
Ssten October, een strooptocht gedaan in het land van Waas;
hij leed eenig verlies door het geschutvuur van de Citadel van
Gent, die hij op korten afstand moest voorbijtrekken, door een
gevecht, en door andere kleine schermutselingen; maar hij had
meer dan 2000 huizen en kasteelen, en de prachtigste dorpen
van de wereld verbrand." (Rousset, 2* deel, blz. 193 — 194).
Men ziet dus, dat die verwoesting van de Paltz in 1674, geen
op zichzelf staand feit is geweest : dit afbranden van het land
van Waas was eigenlijk hetzelfde, alleen op wat kleinere schaal.
Beide feiten komen ten laste van Frankrijk; maar de waarheid
vordert om te erkennen, dat de bondgenooten ook wel eens
hetzelfde hebben gedaan; — zoodat, als men alles nagaat, de
eene partij de andere niet heel veel te verwijten had. Men zon-
digde aan weerszijden.
Een Fransch leger, dat, onder Schomberg, in Roussillon werk-
zaam was tegen de Spanjaarden, had den 29sten Juli 1675 ^^
vesting Bellegarde genomen; daarna was echter, aan die zuide-
lijke grens van Frankrijk, tegen den vijand weinig of niets ver-
richt, maar de macht van Schomberg gedeeltelijk gebruikt om
het oproerige Bordeaux te straffen, en opstanden te onderdrukken
in Bretagne en Guyenne. Dit ging op geen zachte wijze: tmeer
dan twaalfhonderd huisgezinnen" — zegt Rousset (blz. 200) —
» hadden de stad" (Bordeaux) > verlaten, en de handel was schier
verdwenen. Maar Guyenne en Bretagne hadden geen macht en
geen lust meer tot nieuwe opstanden."
Die oproeren schijnen teweeggebracht, nog meer door den
zwaren druk van de belastingen, dan door godsdienstige vervol-
gingen. Volgens sommige schrijvers hadden die opstandelingen
van Bretagne en Guyenne de bondgenooten om hulp aangezocht,
en de toezegging daarvan verkregen. Rousset bewaart daarover
het stilzwijgen; zoodat het schijnt, dat in de papieren van Lou-
vois niets voorkomt over zulk eene verstandhouding tusschen de
bondgenooten en de opstandelingen in Frankrijk.
Wat moet nu het eindoordeel zijn over het oorlogsjaar 1675 ï* —
Dit : als men de mindere sterkte der bondgenooten in De Neder-
landen — het voornaamste looneel van den oorlog — in aan-
merking neemt, dan is dit oorlogsjaar voor hen naar wensch
afgeloopen; zij hebben daar kleine nadeelen geleden; maar
nadeelen, die geheel onbeduidend waren, die geen beslissenden
invloed konden hebben op den gang des oorlogs; vooral niet^
omdat zij ruhnschoots werden opgewogen door grootere nadeelen
Digitized by
Google
LAATSTE KRIJGSVERRICHTINGEN IN 1675. 181
die Frankrijk, of zijne bondgenooten, op andere punten onder-
vonden. Over het geheel komt het eigenlijk daarop neer: dat de
k rijgsverrichtingen van 1675 voor geen der beide partijen van
«enigszins beslissenden aard zijn geweest ; dat door die krijgsver-
richtingen de sterkteverhouding der oorlogvoerenden niet merk-
baar is veranderd: dat geen van de beide partijen toen de over-
winning is nader gekomen, of, wat het gevolg daarvan zoude
zijn, het einde van den oorlog; en dat dus dit einde alleen was
te wachten van de steeds toenemende uitputting in krachten,
zoowel aan de eene als aan de andere zijde.
Die voorstelling komt vrij wel overeen met wat Rousset in het
algemeen zegt over de krijgsgebeurtenissen van 1675 (2' deel,
blz. 201):
> Omstreeks half Augustus 1675 kon de Prins van Oranje met
zelfvoldoening neerzien op den gang der gebeurtenissen: Turenne
gesneuveld; Monte Cuculi in den Elzas doorgedrongen; Créqui
geslagen en krijgsgevangen; Trier hernomen; Fransche provin-
ciën in opstand, of met opstand dreigende ; de Zweden geslagen
door den keurvorst van Brandenburg; — hij schreef dan ook
aan Fagel : > de gebeurtenissen bewijzen dat het beter is geweest,
geen haast te maken met het vrede sluiten." — Den 31 sten De-
cember schrijft Launoy aan den maarschalk d'Estrades: >De
prins De Vaudemont is bij Zijne Hoogheid namens den hertog
De Villa Hermosa, en de markies De Grana namens den keizer,
om tegen den vrede te pleiten, daar zij veel hoop schijnen te
Icoesteren op een voorspoedigen veldtocht; de keurvorst van
Brandenburg wendt dezelfde pogingen aan door zijn resident, en
belooft den oorlog zelfs gedurende den winter voort te zetten,
als Zijne Hoogheid den vrede minstens nog een jaar wil uit-
stellen; maar ik hoop dat de Fransche gevolmachtigden, te
Nijmegen gekomen, zulke aannemelijke voorstellen zullen doen,
dat daardoor de kuiperijen van den prins De Vaudemont en
van den markies De Grana geheel verijdeld worden." — Zoo-
zeer lag het verband tusschen de bondgenooten na den veldtocht
van 1675 in duigen; daarom ook spoorde Louvois van zijn zijde
den hertog De Luxembourg aan om zóó te werk te gaan, dat
t daardoor de vreemde mogendheden niet aanmatigender werden
in hunne eischen, bij de vredesonderhandelingen waarmede zij
ons dezen winter bedreigen."
Er begint meer neiging te komen om den oorlog te eindigen,
«n de vredesonderhandelingen te Nijmegen vangen aan; — toch
duurt het bijna drie jaar, voordat die onderhandelingen tot een
vrede leiden; — en er zijn bij ons geschiedschrijvers geweest,
die zelfs dien vrede van 1678 nog voorbarig hebben geacht; —
geheel ten onrechte, zooals dit later zal aangetoond worden.
Digitized by
Google
l82 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
HOOFDSTUK XVII.
1676; CONDÉ EN BOUCHAIN; MAASTRICHT; DOOD VAN DE RUYTER;
KRIJGSVERRICHTINGEN AAN RIJN EN MOEZEL, ENZ.
De onderhandelingen te Nijmegen over het sluiten van een
vrede beginnen^ maar beginnen op een zeer trage wijze: som-
mige mogendheden vragen om deel te mogen nemen aan het
vredes-congres ; een enkel gezant verschijnt in de stad; anderen
zenden hunne gemachtigden vooruit orn huizen te huren of toe-
bereidselen te maken voor hun verblijf; maar het jaar 1676
vangt aan, zonder dat de eigenlijke onderhandelingen iets be-
duiden.
De oorlog blijft voortwoeden; en gedurende de wintermaanden,
terwijl de groote operatiën nog blijven rusten, is de kleine oorlog
in volle werking; dat wil zeggen: er wordt naar hartelust ge-
roofd en gebrand. Al die strooptochten, al die plunderingen te
vermelden, is onnut en zou vervelend zijn; genoeg zij het te
zeggen, dat de eene partij de andere daarin niet veel toegaf; en
dat het overgroot aantal vestingen van dien tijd zich ook daar-
door laat verklaren, dat men die vele versterkte punten toen
noodig had om zich te vrijwaren tegen de brandschattingen van
den vijand, of om zelf den vijand te brandschatten.
In de Nederlanden zou Frankrijk in 1676 weer aanvallend
optreden; en dat aanvallen bestond hoofdzakelijk in het bele-
geren en nemen van vestingen. Maar welke vestingen ? — Vauban
raadt de belegering aan van Condé, Bouchain, Valenciennes en
Kamerijk; om op die wijze meer een 1 gesloten geheel" (pré carré)
van het Fransche vestingstelsel te maken; dan konden daaren-
tegen andere vestingen worden verlaten. >Het komt mij voor'^
— zoo schrijft hij aan Louvois, in brieven van den 21 sten Sep-
tember en van den 400 October 1675 — , ihet komt mij voor,
dat de Koning te veel vooruitspringende vestingen heeft; had hij
er vijf of zes minder — ik heb bepaalde vestingen op het oog -^
dan zou hij daardoor 12 k 14000 man sterker worden, en de
vijand minstens 6 k 7000 man zwakker... Willen wij het lang
volhouden tegen zooveel vijanden, dan moet men er aan denken,
onze macht meer samen te trekken." — Vauban, die zooveel
vestingen gebouwd heeft, was toch geen vestingbouwer a outrance,
Louvois, naar gewoonte de aanwending regelende van de
Fransche strijdkrachten, heeft, den 21 sten Februari 1676, daaraaa
de volgende indeeling gegeven:
Digitized by
Google
1676. 183
In yiaanderen zou de Koning zelf als legerhoofd optreden, en
bij zich hebben den hertog van Orleans — zijn broeder; 5 maar-
schalken — Créqui, Schomberg, d'Humières, La Feuillade en
De Lorge — ; 3 luitenant-generaals, 7 Maréchaux-de-carap, en
19 brigadiers. Het leger in Vlaanderen zou sterk zijn : aan infan-
terie 53 bataljons, ieder van 15 compagnieën; aan cavalerie 122
eskadrons, ieder van 4 compagnieën; en drie artillerietreinen, te
zamen bevattende 51 stukken van verschillend kaliber, en 11 24
paarden, onder bevel van den hertog De Lude, grootmeester
der artillerie.
Voor het juiste begrip van de zaak is het altijd wenschelijk,
niet alleen het aantal bataljons en eskadrons van een leger te
kennen, maar ook de getalsterkte van dat leger. Met zekerheid
kan hier niets daarover worden gezegd ; want de getalsterkte van
het bataljon, en van het eskadron, was nog al afwisselend; —
men kan alleen zeggen wat waarschijnlijk is. Nu vindt men eene
plaats in Rousset, waar gezegd wordt, dat bij de legers van
Lodewijk XTV het bataljon sterk was 800 man, en het eskadron
160. Neemt men ook voor 1676 die sterkte aan, dan zou het
leger in Vlaanderen toen sterk zijn geweest: 42400 man infan-
terie, en 19520 man cavalerie; dus in het geheel, zonder de
artillerie mede te rekenen, bijna 62 000 man. Het zij echter her-
haald : wiskundige zekerheid bestaat hier niet.
Aan de Maas zou de maarschalk Rochefort het bevel voeren
over 14 bataljons voetvolk (11 200 man), en 50 eskadrons ruiterij
(8000), te zamen dus ruim 19000 man. — Catinat was hier
werkzaam.
Tegen Duitschland moest optreden de maarschalk De Luxem-
bourg, met 20 bataljons (16000 man), en 100 eskadrons (ook
16000 man), te zamen dus 32000 man.
Over het leger in Catalonië zou de maarschalk De Navailles
het bevel voeren ; en over de krijgsmacht, die in Sicilië tot steun
moest dienen voor het opgestane Messina, de maarschalk De
Vivonne. De sterkte van die beide legerkorpsen wordt niet ver-
meld; maar uit alles blijkt, dat die sterkte niet groot is geweest;
zoodat Navailles en Vivonne waarschijnlijk te zamen maar een
20 b. 25000 man hebben gehad.
Men zal dus niet ver van de waarheid zijn, als men aanneemt,
dat Frankrijk in 1676 een 130000 k 140000 man heeft te velde
gebracht.
Wat die legermacht nog geduchter maakte, was de spoed
waarmede dit geschiedde; een spoed, verreweg overtreffende wat
dienaangaande bij de bondgenooten valt op te merken ; zoodat
dan ook het Fransche leger gewoonlijk reeds met de een of
andere belegering is begonnen, voordat nog het leger van de
bondgenooten uit zijne winterkwartieren is opgebroken. Die spoed
Digitized by
Google
184 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
had Frankrijk toen te danken aan de voortvarendheid en geest-
kracht van Louvois, en aan de verstandige wijze waarop hij
alles in het Fransche krijgswezen geregeld had.
Den 24steii Maart 1676 vertrekt Louvois van Saint-Germain
naar Vlaanderen; hij is bekleed met eene onbeperkte macht, en
maakt daarvan ruimschoots gebruik, zelfs tegenover den Koning.
Toen Lodewijk eens, op bedeesde wijze, het voorstel doet om
enkele minder goede compagnieën bij de regimenten te velde
te vervangen door compagnieën uit de vestingen, keurt Louvois
dit af, met deze woorden (brief van den 6en April 1676): »Uwe
Majesteit veroorlove mij haar te zeggen, dat de maatregel dien
zij voorstelt om compagnieën om te wisselen bij sommige regi-
menten, den dienst zou benadeelen, om een aantal redenen, te
lang om in een brief uiteen te zetten." — Daarmee was de zaak
afgedaan..." (Rousset, 2* deel, blz. 211 — 212).
Louvois durfde toen nog zulk een stouten toon voeren, omdat
hij zeker was van 's Konings gunst; wat later, toen dit veran-
derde, werd zijn toon veel meer onderdanig en vleiend.
Nadat verschillende vestingen in de Spaansche Nederlanden
door schijnbewegingen waren bedreigd, en d'Humières in het
begin van April een strooptocht had gedaan naar de zijde van
het land van Waas, kwam Créqui den 17 en April voor Condé
en berende die vesting; reeds den i8en werkten 8000 gravers
aan de circumvallatie-linie, onder leiding van Vauban; en den
2osteii begon de artillerie aan het opwerpen van de eerste kanen-
en mortierbatterijen. De handeling was nu ver genoeg gevorderd
om den Koning uit te noodigen daaraan deel te nemen; — de
maaltijd stond op tafel; het y^Momeigneur^ vous étes seryf deed
zich hooren. — Lodewijk XIV, den lóen April van Saint-Germain
vertrokken, komt den 21 sten voor Condé; nog dien avond wor-
den de loopgraven geopend; — men heeft maar op zijn komst
gewacht, om met de vertooning te beginnen. In den nacht van
den 2 5 sten op den 26sten April worden alle buitenwerken, die
veel geleden hebben door het vuur van den belegeraar, stor-
menderhand genomen; dadelijk daarop volgt de capitulatie,
waarbij Condé aan de Franschen wordt overgegeven, en de be-
zetting — volgens onze opgaven nog een 1000 man sterk —
krijgsgevangen blijft. De belegering had aan de Franschen ge-
kost, aan dooden en gewonden, 16 officieren en ongeveer 80
soldaten.
Den istcn Mei 1676 schrijft Luxembourg aan Louvois om hem
geluk te wenschen met de aanvankelijk behaalde voordeden;
wat Rousset uit dien brief meedeelt, geeft een denkbeeld van
den toon van gemeenzame spotternij tusschen die beide mannen ;
Digitized by
Google
CONDÉ EN BOUCHAIN. 185
soms gepaard^ aan de eene zijde met onderdanige vleitaal, aan
de andere zijde met forsche uiting van gezag:
>Uit den brief, dien gij mij de eer hebt aangedaan mij te
schrijven, heb ik gezien, mijnheer, dat gij u niet erg ongerust
maakt, dat de vijand Péronne zal aanvallen; uw toon is daar-
voor te vroolijk ; zelfs zoo vroolijk dat ik geloof, dat gij zeer in
öw schik zijt over uwe maatregelen om een van 's vijands be-
langrijkste vestingen te belegeren. Maar de wijze waarop dit is
gebeurd, moet u wel wat hebben gehinderd ; want in plaats van
naar Condé te trekken als naar een afgesproken tweegevecht,
€n den bevelhebber dier vesting te laten weten dat hij op zijn
hoede moest zijn, hebt gij aan alle 'zijden schijnbedreigingen ge-
maakt, geschut in beweging gebracht naar de zijde van verschil-
lende vestingen, en een overgroot aantal krijgslisten te baat ge-
nomen; onze vijanden hier zeggen dan ook met recht, dat uw
tocht naar Vlaanderen niet de handeling is van een ridderlijk
man, maar dat gij hen hebt overvallen op verraderlijke wijze.
Ik troost mij daarmee, dat de Koning buiten dit alles is gebleven,
dat hij het aan u heeft overgelaten, die lagen te bezigen, en dat
Zijne Majesteit in persoon aan de zaken heeft deelgenomen,
alleen toen er gevaar was te braveeren en roem te verwerven.
Wat ik ook duidelijk uit uw brief zie, dat is, dat gij niet
krijgsgevangen zijt geweest, zooals hier een gerucht wilde; aan-
leiding tot dit gerucht gaf een schrijven van den heer De Mazarin
aan den heer De Goudreville, waarin gemeld werd dat gij ge-
vangen waart genomen door eene vijandelijke afdeeling, en
ontzet door eene afdeeling van Zijner Majesteit's leger. Weinig
geloof heb ik geslagen aan dit nieuwtje; want ik begrijp zeer
goed, dat, al spoort de moed u aan om met een zwak geleide
op weg te gaan, het gezond verstand u zegt, niet noodeloos een
man te moeten blootstellen, die zoo onmisbaar is voor 's Konings
dienst, als gij; en dit overwegende, heb ik meer gebouwd op
uw gezond verstand dan op uw moed; ik weet dat gij uw moed
zoo goed bewaart voor de groote gebeurtenissen, dat die soms
niet te vinden is bij de kleine. Zoo, bij voorbeeld, herinner ik
mij, dat gij te Gray bij mij niet hebt willen komen dineeren, om
het kanonvuur; en dat gij te Versailles bang waart om te ver-
drinken, eens toen de Koning zoo weinig stuurmanskunst aan
den dag legde, en ons vaartuig in het kanaal op zoo ruwe wijze
tegen den wal bracht." (Rousset, 2« deel, blz. 217 — 218).
Zoodra Villa Hermosa, de landvoogd der Spaansche Neder-
landen, bericht had gekregen van de berenning van Condé, be-
ijverde hij zich om die vesting te hulp te komen; hiertoe was
echter de Spaansche legermacht op zich zelve geheel onvoldoende,
want met inspanning van alle krachten gelukte het nog maar om
Digitized by
Google
l86 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
eene legermacht van een 13000 man — 7000 man voetvolk,
4500 ruiters en 1500 dragonders — nabij Mechelen en Brussel
te vereenigen. Maar het leger van de Republiek rukte tot bijstand
op, uit Noord-Braband, van Roosendaal, waar Willem III om-
streeks half April uit Den Haag was gekomen. De vaart van
Brussel naar Antwerpen overtrekkende, kwam het Hollandsche
leger den 23stcn April te Grimbergen, iets ten westen van Vil-
voorden, en was dus toen zoo goed als vereenigd met de
Spaansche legermacht. Volgens opgaven van onze schrijvers moet
Willem III toen aan het hoofd hebben gestaan van 25000 man
voetvolk en 16000 man ruiterij, een leger van 41000 man dus.
Zijn die opgaven juist, dan volgt daaruit dat de legermacht van
de Republiek in Spaansch-Braband toen 28000 man sterk was.
Met dit leger wil men het ontzet van Condé beproeven. Den
24sten April trekt men langs Brussel; over Goesbeek, ongeveer
een uur gaans westelijk van die hoofdstad. Den 26sten is men
bij de abdij van Chambron, een paar uur ten noorden van
Mons, en nog ongeveer een dagmarsch verwijderd van Condé ; —
maar dien dag verneemt men de overgave van die vesting, —
of, om juister te spreken, men verneemt dat zij bezig is met
zich over te geven. Men staakt daarop den marsch naar Condé,
trekt op Mons, en legert zich bij de dorpen Nimy en Espinlon, —
of Espinlieu — , iets ten noorden van die vesting.
Twee vesting:en aan de Schelde — Doornik en Condé — waren
nu in het bezit van Frankrijk; maar bij het hoogere gedeelte
van die rivier hadden de Spanjaarden nog verschillende sterke
steden: eerst Valenciennes, een groot uur ten zuiden van Condé,
dan Bouchain, op een paar uur afstands ten zuidwesten van
Valenciennes; en eindelijk, nog hooger op. Kamerijk. Het nemen
van die vestingen werd, volgens Vauban's oordeel, gevorderd in
het belang van Frankrijk's verdedigingsstelsel. Men besloot dan
nu over te gaan tot het belegeren van Bouchain; — door de
grootere sterkte van Valenciennes schijnt men nog te hebben
opgezien tegen het beleg van die vesting, die anders meer nabij
was dan Condé.
Den 2eii Mei wordt daarop Bouchain berend door den hertog
van Orleans, aan het hoofd van 19 bataljons en 55 eskadrons, —
15200 man voetvolk en 8800 ruiters, te zamen 24000 man. De
Koning zelf, met de hoofdmacht van het Fransche leger, neemt
den 28sten April stelling tusschen Quiévrain en Sebourg; plaatsjes,
een klein uur gaans oostelijk van de Schelde; het eerste iets
zuidelijker dan Condé, het tweede nagenoeg ten oosten van
Valenciennes. De Fransche legerhoofden meenden hier een uit-
muntende stelling te hebben om het beleg van Bouchain te
dekken; want die stelling sloot voor Willem III den rechtstreek-
Digitized by VjOOQIC
CONDÉ EN BOUCHAIN. 187
schen weg af van Mons naar Valenciennes ; alleen door een
aanval, door een gewonnen veldslag kon nu de Stadhouder ten
zuiden van de Haisne, — het riviertje dat, van Mons komende,
zich bij Condé in de Schelde werpt, — tot Bouchain en tot de
Schelde doordringen.
Louvois verkeerde dan ook in de meening, dat Willem III
niet zou trachten Bouchain te ontzetten, maar eene afleiding zou
geven door de eene of andere vesting te belegeren, die in het
bezit van Frankrijk was. Die meening van den minister blijkt
uit brieven van den 2eii en van den 4en Mei aan Luxembourg,
waarin onder andere voorkomt : » Daar onze macht nog al sterk
is, heeft de Prins van Oranje het tot nu toe onraadzaam geoor-
deeld om van achter de rivier de Haisne te voorschijn te komen;
toch zal hij spoedig een besluit moeten nemen. Wij hebben hier
nog 115 eskadrons ruiterij en 40 bataljons voetvolk, wat meer
dan 45000 man uitmaakt; ongerekend meer dan 4000 paarden,
die men in zes uren tijds tot zich kan trekken, uit het leger van
Monsieur''* (Orleans); >en wij staan hier in eene stelling, waar
een leger, zooveel sterker dan het onze als wij sterker zijn dan-
het leger van den Prins van Oranje, zich niet aan ons zou wagen.
Hij heeft de keus, tusschen het te hulp komen van Bouchain
door rechtstreekschen strijd, en het aanvallen van een andere
vesting. Binnen weinige dagen zullen wij weten wat hij besloten-
heeft." (Rousset, 2« deel, blz. 218).
In het voorbijgaan moeten wij opmerken, dat er hier eenige
tegenstrijdigheid is in de cijfers die Louvois, of Rousset, opgeven
aangaande de sterkte van het Fransche leger. De legers van
Lodewijk XIV en van Orleans zouden te zamen uitmaken —
volgens deze laatste opgave — 59 bataljons en 170 eskadrons:
en in eene vroegere opgave is gezegd, dat het Fransche leger
in Vlaanderen, in 1676^ zou zijn: 53 bataljons en 122 eska-
drons; — vooral wat de cavalerie aangaat maakt dit een ver-
schil, dat nog al belangrijk is. Nu is de nauwkeurigheid, wat
cijfers betreft, juist geen bijzonder Fransche eigenschap ; — maar
het kan ook zijn, dat een deel van de legermacht waarmede
Rochefort aan de Maas stond, toen bij het hoofdleger is aan-
getrokken.
Het leger van Willem III bleef tien h twaalf dagen ten noor-
den van Mons; en die werkeloosheid wordt ook daardoor ver-
klaard, dat het vele bezwaren inhad om te voorzien in het levens-
onderhoud van de troepen. Het intendance-wezen — om dat
woord van ónzen tijd te gebruiken — was toen nog niet vol-
maakt; hier, bij deze gelegenheid, moest daarvoor hoofdzakelijk
gezorgd worden door Waldeck, toen veldmaarschalk in dienst
Digitized by VjOOQIC
aSS KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
•van de Republiek, en door Everard van Weede, heer van Dijk-
velt, toen gedeputeerde te velde. Die heeren hadden hier een
zware taak, daar zij te doen hadden met de drift en voort-
varendheid van Willem III en weinig medewerking ondervonden
van de zijde der Spanjaarden; het was — zegt de hoogleeraar
P. L. Muller, in zijn belangrijk geschiedkundig werk yyfVilhelmlIIvon
Oranien und Georg Friedrich von fValdeck''' — , van de zijde der
Spanjaarden juist geen onwil, maar traagheid en luiheid ; — laten
wij billijk zijn ten aanzien van de Spanjaarden van dien tijd, en
er bijvoegen : het was ook dikwijls geldgebrek, en geld is de zenuw
van den oorlog.
De voorzichtige Waldeck wilde den Stadhouder overhalen, af
te zien van het ontzet van Bouchain, en liever eene van 's vijands
vestingen aan te vallen; daartoe scheen het te zullen komen.
Den 3611 Mei krijgt men in het Fransche leger de tijding, dat
er bij Iperen schansgravers worden vereenigd, en dat de bond-
genooten van voornemen zijn om Kortrijk te belegeren. Dadelijk
daarop wordt de bezetting van die stad gebracht tot eene sterkte
van 4500 man; en tevens wordt d'Humières met 1000 dragonders
en 2 compagnieën Mousquetaires afgezonden naar Saint- Amand,
een plaatsje ten zuiden van de Schelde, ongeveer een uur gaans
westelijk van Condé, naar de zijde van Doornik. d'Humières
moest hier den linkeroever van de Schelde observeeren, tusschen
•Condé en Doornik, en denkelijk zich in een van die beide ves-
tingen werpen, wanneer die door de bondgenooten mocht worden
bedreigd.
Maar dat bedreigen van Kortrijk was niets anders dan een
krijgslist, en diende alleen om de ware bedoeling van Willem III
te verbergen, het ontzetten van Bouchain. De Stadhouder be-
raamde hier eene handeling, die overtuigend het stoute en geniale
van zijn veldheerskunst aantoont. Hij wilde door eene kleine
afdeeling de stelling van Lodewijk XIV tusschen Quiévrain en
Sebourg, in front doen bedreigen; terwijl de Fransche koning
door die demonstratie werd beziggehouden, zou het leger van
de bondgenooten, op den rechteroever van de Haisne, van Mons
op Condé rukken, een uur beneden laatstgenoemde vesting de
Schelde overgaan, en daarna over Valenciennes naar Bouchain
trekken. Rousset erkent, dat indien die onderneming gelukte en
Willem III Valenciennes en Bouchain bereikte terwijl het hoofd-
leger van de Franschen nog op den rechteroever van de Schelde
was gebleven, de legerafdeeling van den hertog van Orleans
verloren was.
Maar die onderneming is niet gelukt.
Den 7 en Mei worden uit het leger van de bondgenooten bij
Mons twee afdeelingen afgezonden: de eene, onder den prins
Digitized by
Google
CONDÉ EN BOUCHAIN. 189'
De Vaudemont, sterk 3000 ruiters en 1000 raan voetvolk, moest
naar de Schelde trekken, ora, beneden Condé, zich te verzekeren
van de overgangen van die rivier; de andere afdeeling, onder
den hertog van Holstein, sterk 1500 ruiters en 2 regimenten
voetvolk, moest door Mons gaan en in de richting van Quiévrain
trekken, om Lodewijk XIV te doen gelooven aan een frontaanval
op zijne stelling; — die afdeeling van Holstein keerde, na vooruit
te zijn gerukt >tot op een hoogen berg tusschen Mons en Quié-
vrain", terug en sloot zich weer bij de hoofdmacht aan, in den
nacht van 7 op 8 Mei. Den yen Mei, 's avonds om zeven uur,
stelde Willem III zijn leger in beweging, met de meeste stilte en
geheimhouding, zonder dat er trommen of trompetten werden
gehoord. De marsch ging in de richting van Condé, langs den
noordelijken of rechter-oever van de Haisne; het leger vormde
daarbij twee marschcolonnen : rechts de Spaansche troepen ; links,
het meest nabij de Haisne, de troepen van de Republiek; tus-
schen die beide colonnen marcheerde het geschut en de munitie,,
benevens 12 vuurmonden, uit Mons meegenomen; om sneller te
marcheeren had men de bagage achtergelaten te Mons. Den
Ssten Mei kwam het leger te Perwelz en Basecles, twee dorpen
die I a 2 uur ten noorden en noordoosten van Condé zijn ge-
legen; het bleef toen daar, omdat d'Humières tot nu toe aan
Vaudemont belet had zich te verzekeren van overgangen over
de Schelde. Eene kleine afdeeling Fransche ruiterij, onder De
Quincy, die, van Ath komende, zich bij d'Humières wilde aan-
sluiten, werd met eenig verlies teruggedreven naar de zijde van Ath.
In de legerplaats van den Franschen koning werd men nog
tijdig onderricht van dien marsch van Willem III, en van het
gevaar dat daardoor den belegeraars van Bouchain bedreigde;
zonder te toeven besloot men nu terug te gaan op den linker-
oever van de Schelde, en nog den Ssten Mei brak het Fransche
leger op uit zijne stelling tusschen Quiévrain en Sebourg; het
ging de Schelde over, bij de abdij van Dénain, een klein uur
boven Valenciennes; het was toen dus zoo goed als vereenigd
met de legermacht van Orleans, voor Bouchain. Ook de afdee-
ling van d'Huraières, in den nacht van 8 op 9 Mei de Schelde
verlatende, sloot zich weer aan bij het hoofdleger. In den och-
tend van den loen Mei rukt het Fransche leger voort op Valen-
ciennes, op het bericht dat daar het vijandelijke leger was ver-
schenen. Een veldslag scheen toen nabij.
Den 9en Mei was Willem III, een uur beneden Condé, de
Schelde overgetrokken ; er wordt gezegd, dat er, door het breken
van bruggen, wat oponthoud plaats had bij het overtrekken van
de rivier; zoodat Villa Hermosa eerst 's nachts bij het leger op
den anderen oever kwam. In den ochtend van den loea Mei
Digitized by
Google
190 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
bereikte het leger der bondgenooten Valenciennes, en stelde zich
<iaar in slagorde op het bericht van de nadering van het Fransche
leger. De stelling van de bondgenooten sloot links op den berg
van Anzin, ten noorden van Valenciennes, aan het glacis dier
vesting en aan de Schelde; de rechtervleugel leunde aan den
berg van Bouillon en het bosch van Vigogne, een klein half uur
noordwestelijk van Valenciennes; dat bosch van Vigogne werd
bezet door 3000 man voetvolk, en op den berg van Bouillon
kwamen twee Spaansche batterijen. De slagorde van het Fransche
legar leunde rechts aan de Schelde, ter hoogte van het dorp
Fontenelle, een klein kwartieruur gaans ten zuiden van Valen-
ciennes; de linkervleugel breidde zich uit in de richting van de
abdij van Vigogne en van de daar aanwezige bosschen, ook wel
genoemd bosschen van Saint-Amand. Tusschen de beide legers
was efifen, vlakke grond ; geen terreinafscheiding die iets beduidde.
Een veldslag scheen nu onvermijdelijk; de vraag was maar:
wie zou dien veldslag beginnen? wie zou aanvallen?
Willem lïl, vurig naar den strijd hakende, reed langs zijne
slaglinie, en sprak regiment voor regiment aan, allen tot dapper-
heid aansporende ; met vreugdekreten en met het omhoog werpen
van de hoeden werd de Stadhouder door de troepen begroet.
Maar, was de geestdrift van de soldaten groot, even groot was
de bedachtzaamheid van de hoogere bevelhebbers, en ook daar-
mee had de Stadhouder te rekenen. Zijn gezag was niet onbe-
perkt; vooral niet, omdat hij ook Spaansche troepen onder zijne
bevelen had. Er werd een krijgsraad gehouden, om te bepalen
wat er moest worden gedaan; en in dien krijgsraad ondervond
de Stadhouder een bijna eenparigen tegenstand, toen hij voor-
stelde om het leger van Lodewijk XIV aan te vallen ; bijna alle
generaals vonden die handeling te gewaagd, en wilden alleen
's vijands aanval afwachten ; er vielen hevige woorden in dien
krijgsraad; de driftige Stadhouder moet toen zelfs krenkende
uitdrukkingen hebben gebezigd tegen Waldeck; maar toch, het
eindigde daarmede, dat hij moest toegeven, dat de aanval niet
plaats had, en dat het leger der bondgenooten 's vijands aanval
bleef afwachten.
Maar die vijand viel evenmin aan. iDen loen Mei," zegt
Rousset (2* deel, blz. 220), »met het krieken van den dag, kwam
de maarschalk Schomberg den Koning wekken, om hem te
zeggen, dat de vijand zich begon te vertoonen naar de zijde van
Valenciennes. Lodewijk XIV had zijn broeder beloofd, hem te
laten waarschuwen als er eenige schijn was van een veldslag.
Terwijl de maarschalk nu spoorslags naar Bouchain reed, om
Monsieur kennis te geven van de heugelijke gebeurtenis, steeg de
Digitized by
Google
CONDÉ EN BOUCHAIN, I91
Koning te paard, deed het geheele leger onder de wapens komen,
gaf last om op te rukken, en ging zelf vooruit om het terrein
te verkennen, alleen vergezeld door de Gardes-du-corps^ de Gens
d'armes en de Chevaux légen van de garde. Gekomen ter hoogte
van de hoeve Heurtebise, nabij Valenciennes, op een kanonschot
afstands, zag hij eerst 13 eskadrons, die in slagorde stonden op
den teen van het glacis; men meende dat dit de ruiterij was
van de vesting. Reeds stelde de maarschalk De Lorge voor om
die aan te vallen met de 12 eskadrons van de Maison du Rof\
toen men colonnen voetvolk en ruiterij ontwaarde, die zich bij
opvolging in slagorde schaarden, rechts van die ruiterij, en eene
doorloopende linie vormden op den berg van Anzin, en die ten
laatste zich uitbreidde tot aan den berg Bouillon^ in de bosschen
van Saint- Amand. Men moest dus wachten. De Fransche troepen
snelden aan; zoodra zij aankwamen, stelde de Koning ze bij
opvolging in slagorde, evenwijdig aan den vijand, den rechter-
vleugel geleund aan de Schelde ter hoogte van Fontenelle, den
linkervleugel aan de bosschen naar de zijde van de abdij van
Vigogne. De maarschalk Schomberg was te acht uur in het
kamp voor Bouchain ; om elf uur was hij weer bij 's Konings
leger, met Monsieur en den maarschalk Créqui, gevolgd door
20 eskadrons die dadelijk plaats namen in de slaglinie."
Het is toen dat bij de Franschen die beraadslaging plaats
heeft — waarvan wij vroeger hebben gewaagd — of men slag
zal leveren, ja dan neen. Lodewijk XIV is huiverig voor het
denkbeeld van slag te leveren; want de mogelijkheid is daar,
dat Willem III overwinnaar blijft; en de Fransche koning deinst
terug voor den onduldbaren hoon van geslagen te worden. Lou-
vois, en de meerderheid van de maarschalken, doorgronden
*s Konings geheime gedachten; als echte hovelingen ontraden
zij daarom den aanval; en de Koning, den schijn aannemende
alsof hij met weerzin dien raad opvolgt, ontwijkt daardoor den
gevreesden veldslag. Maar nooit heeft hij het Louvois vergeven,
dat deze hem in een toestand had gebracht, waarin het der
wereld bleek, dat Frankrijk's koning geen legerhoofd was. Van
dat oogenblik vangt de ongunst aan van den vroeger zoo be-
gunstigden minister.
Men besluit, niet aan te vallen; maar zich te verdedigen, als
de vijand aanvalt; en daar bij het leger van de bondgenooten
hetzelfde besluit is genomen, is het natuurlijk dat er geen veld-
slag plaats heeft. Het Fransche leger neemt stelling.
. . . > Het was middag geworden, toen dat alles was bepaald en
uitgevoerd. De Koning liet drie kanonschoten lossen, als om
den vijand te waarschuwen dat hij gereed was hem af te wachten ;
na een poos antwoordde de vijand met drie kanonschoten, maar
bewoog zich niet; integendeel, men zag hem bezig met zich
Digitized by
Google
192 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
ZOO haastig mogelijk in te graven. Aanvankelijk wilde Lode-
wijk XIV niet, dat men vóór de slaglinie de minste aardophooging
maakte, die den aanval van den Prins van Oranje op die slag-
linie zou kunnen verhinderen ; gedurende den ganschen dag en •
nacht bleef het leger onder de wapens, gereed tot den strijd ; en
het was eerst den volgenden ochtend, om negen uur, toen het
voor allen klaarblijkelijk was, dat de Prins van Oranje, verre
van te willen aanvallen, zich maar al té gelukkig achtte den
vorigen dag niet aangevallen te zijn, dat de Koning aan de
troepen vergunde om hunne tenten op te slaan, en eenige ver-
dedigingswerken te maken vóór de frontlijn van het kamp.**
(Rousset, 2* deel, blz. 222 — 223).
Uit de opgaven van onze zijde blijkt ten duidelijkste, dat het
niet de schuld van Willem III is geweest, wanneer de bondge-
nooten op den loen Mei 1676 het Fransche leger niet hebben
aangevallen.
Op zijn toon van gemeenzaamheid en van vleierij, schrijft
Luxembourg, den 19611 Mei 1676, aan Louvois over deze ge-
beurtenis (Rousset, 2* deel, blz. 226):
»Ik acht het veel roemrijker voor Zijne Majesteit, den vijand
den veldslag te hebben aangeboden dien zij niet hebben durven
aannemen, dan dat Zijne Majesteit een veldslag had gewonnen^
dien zij hem hadden aangeboden en hij niet bij machte zou
zijn geweest te ontwijken. Thans doet het mij overgroot ge-
noegen, dat de Koning, een ganschen dag lang, niet gewild heeft
dat het leger zich verschanste; maar, ware ik bij hem geweest,
en had ik schop noch spade gehad, ik geloof dat ik met mijn
nagels den grond zou hebben uitgegraven."
Die brief is klaarblijkelijk geschreven met de bedoeling dat
de Koning dien zou lezen; — trouwens, om vleiers te vinden,
behoeft men niet op te klimmen tot den tijd van Lodewijk XIV.
In ééne opgave van onze zijde — Hollandsche Mercu-
rius — komt voor, dat op den i2en Mei bij de bondgenooten
besloten werd, den volgenden dag het Fransche leger aan te
vallen en slag te leveren, en tegelijkertijd eene afdeeling van een
12000 man af te zenden om Bouchain te ontzetten; — die op-
gave staat op zichzelve, en is niet waarschijnlijk. Trouwens, de
overgave van Bouchain verijdelde de uitvoering van zulk een
voornemen, — indien het dan al bestaan heeft bij de bond-
genooten.
Den 2cn Mei werd Bouchain berend, een kleine maar vrij
sterke vesting, met eene kleine bezetting. In den nacht van den
6en Mei werden de loopgraven geopend ; den 8sten begonnen de
Fransche batterijen een hevig vuur, dat drie of vier dagen werd
voortgezet, en waarbij een 9000 kanonschoten op de vesting
Digitized by
Google
CONDÉ EN BOUCHAIN. I93
werden gelost. In den nacht van lo op ii Mei heeft de bestor-
ming plaats van eenige buitenwerken, die, na eene goede ver-
dediging, genomen worden. Den iien Mei wordt daarop eene
capitulatie gesloten; en den volgenden dag trekt de Spaansche
bezetting uit, nog een 500 man sterk, en komt Bouchain in het
bezit van de Franschen.
Zoodra Bouchain gevallen is, vreezen de bondgenooten dat de
vijand nu Kamerijk zal aanvallen ; en zenden daarom ijlings, tot
versterking van de bezetting dier vesting, eene afdeeling daarheen
van i6co dragonders, 400 ruiters, en 1000 man voetvolk. Maar
Kamerijk wordt niet aangevallen; en nog acht dagen lang blijven
de legers van Lodewijk XIV en van Willem III nabij Valenciennes
vlak tegenover elkander staan, zonder dat er gestreden wordt. In
Müller's werk over Waldeck wordt gezegd: dat in die dagen
Willem III in de hoogste mate ontevreden en opgewonden is
geweest; — maar wel waarschijnlijk is het, dat ook de trots van
Lodewijk XIV gevoelig zal hebben geleden, toen hij zijn vroeger
geminachten tegenstander zoo dagen en dagen lang als uittartend
voor zich zag staan.
Eindelijk breekt het Fransche leger het eerst op, nadat de
vestingwerken van Bouchain weer eenigszins zijn hersteld, daar
eene bezetting van 3000 man is achtergelaten, en eene afdeeling
van 8000 man is afgezonden om het leger van Luxembourg te
versterken. Den 2osteD Mei gaat het leger des Konings terug tot
nabij Bouchain; komt, in westelijke richting trekkende, den
2isten nabij Douay; wendt zich toen weer noordwaarts, en be-
reikt, over Orchies, den 23steii Mei Doornik; hier gaat het over
op den rechteroever van de Schelde, trekt naar de zijde van de
Dender, en komt, over Leuse en Lessines, den 27steQ Mei tus-
schen Geraerdsbergen en Ninove. Hier was het maar een dag-
marsch verwijderd van Brussel, en bedreigde het tevens het land
van Aalst.
De Stadhouder was die beweging van 'svijands leger gevolgd.
Den 22sten Mei van Valenciennes opgebroken, gaat Willem III
te Mons over de Haisne, komt den 26sien te Hal, breekt den
2 7 sten van daar op, en komt den 28sieii in het land van Aalst.
De Spaansche generaal d'Aguerto^ met de dragonders en 8 eska-
drons ruiterij, bezette toen de Dender; de hoofdmacht van de
bondgenooten was samengetrokken op den rechteroever van die
rivier, tusschen Aalst en Dendermonde; in of bij de stad Aalst
waren 4 Spaansche en 6 Hollandsche regimenten voetvolk.
Bij die oorlogen van vroegeren tijd was men er niet altijd zoo
op uit om een belangrijke operatie te verrichten, een strijd te
zoeken, een veldslag te leveren, eep beleg te verrichten; dikwijls
WILLEM III, — II. 13
Digitized by
Google
194 KRIJGS- EN GBSCHIEDKUNDIGB BESCHOUWINGEN.
Streefde men naar niets anders dan den vijand te beletten iets
belangrijks te ondernemen^ of regelde men zijne bewegingen zoo,
dat men daardoor in eene landstreek kwam^ rijk genoeg om het
leger eenigen tijd te onderhouden en daardoor den geldelijken
last van het oorlogvoeren wat te verminderen. Zoo iets schijnt
de voorname beweegreden te zijn geweest van dien roarsch van
het leger van Lodewijk XIV naar de Dender, in het laatst van
Mei 1676.
...»Behalve dat hij" (Lodewijk XIV) » daardoor rijkelijk voor-
zag in het levensonderhoud van zijne troepen, ten koste van
Spanje's onderdanen, zoo hield hij ook daardoor den Prins van
Oranje in bedwang en belette hem om Bouchain of Condé aan
te vallen; vestingen die wel, door met kracht daaraan te arbei-
den, weer stormvrij waren gemaakt, maar die toch nog niet be-
stand waren tegen een geregeld beleg. Zelfs hier, waar zijn geheele
taak zich bepaalde tot waarnemen en gadeslaan, vond Lode-
wijk XIV, in zijn hoogmoed, nog stof om over zichzelven tevreden
te zijn: »ik ben hier'* — zoo schreef hij aan Colbert — »op een
plaats waar ik geduld noodig heb. Ook die verdienste wil ik
hebben^ bij het oorlogvoeren; ik wil doen zien, dat ik mijne
vijanden in verlegenheid breng, alleen door mijne aanwezigheid ;
want ik weet, dat zij niets vuriger wenschen dan dat ik maar
spoedig naar Frankrijk terugkeer." (Rousset, 2' deel, blz. 230).
De welgestelde Vlaamsche boeren hielpen het Fransche leger
er weer geheel bovenop; het kwam weer bij van de vroegere
ontberingen. Dat leger was toen een 50000 man sterk. > Gisteren**,
— zoo schrijft Louvois den yen Juni — »is het leger gemonsterd;
het ziet er beter uit dan toen de veldtocht begon; er is hier
zeker een 32000 man voetvolk, de officieren niet meegeteld;
meer dan 16000 ruiters en 1800 dragonders.'*
In de tweede helft van Juni, toen het Fransche leger zich ge-
noeg had te goed gedaan aan de Dender en daar het land bijna
kaal had gegeten, brak het op van Ninove en kwam den 21 sten
weer nabij Quiévrain, de stelling nabij Condé, die het vroeger
had bezet. Lodewijk XIV had voor dat jaar weer genoeg van
den oorlog, en keerde den 4en Juli naar Versailles terug; het
opperbevel ging toen over op den maarschalk Schomberg. Créqui
had Rochefort vervangen, die den 23stcn Mei te Nancy was ge-
storven, op slechts veertigjarigen leeftijd. — Eenige dagen voor
het vertrek van den Koning uit het leger waren van daar 7 batal-
jons en 20 eskadrons afgezonden tot versterking der macht van
Créqui.
Toen het Fransche leger de Dender verliet, was ook Willem III,
den igen Juni, opgebroken van die rivier; hij sloeg zich neer te
Lombeek, Ter Nat en Wambeek, drie dorpen, een paar uur
Digitized by
Google
MAASTRICHT. I95
gaans van Brussel verwijderd. Gedurende die maand Juni hadden
er geen bijzondere krijgsverrichtingen plaats; alleen op den loen
een onbeduidend gevecht nabij Kamerijk, tusschen Spaansche
en Fransche ruiterij, waarbij de eerste in het voordeel bleef.
In Juli 1676 onderneemt de Stadhouder het beleg van Maas-
tricht. Er waren enkele redenen ten voordeele van die onder-
neming: de vesting Maastricht was veel meer geïsoleerd, veel
meer afgescheiden van Frankrijk, sedert de Franschen de Citadel
van Luik en het Kasteel van Hoey hadden verlaten en geslecht;
de Fransche opperbevelhebber, d*£strades, bevond zich op dat
oogenblik niet te Maastricht, maar was te Nijmegen om over
den vrede te onderhandelen. Intusschen had d'Ëstrades een zeer
goeden plaatsvervanger in De Calvo, die door Rousset wordt
genoemd : > een officier van een overgroote geestkracht". — Door
zijne verdediging van Maastricht heeft De Calvo dien lof ten
volle verdiend.
Aan de Fransche zijde besloot men om, terwijl de bondge-
nooten met Maastricht bezig waren, intusschen Aire te belegeren,
een vesting naar de zijde van Vlaanderen, twee kleine dagmar-
schen westelijk van Rijssel. d'Humières wordt belast met dat
beleg, en daartoe een 15000 man te zijner beschikking gesteld;
met de hoofdmacht, denkelijk nog een 25 k 30000 man, zal
Schomberg te Quiévrain blijven, om Waldeck en Villa Hermosa
in het oog te houden, die, na den afmarsch van Willem III naar
Maastricht, met de overblijvende macht van de bondgenooten
stelling hadden genomen, eerst bij Genappe, later bij Nivelles.
Louvois, den loen Juli met den Koning te Versailles terugge-
komen zijnde, deed zich toen den last geven om onverwijld naar
Vlaanderen terug te keeren, ten einde den gang van zaken te
besturen bij dat beleg van Aire; reeds den 15611 Juli was hij
weer te Condé.
Aire was eene vesting die door hare ligging nog al sterkte
had; aan de rivier de Leye gelegen, was zij over een goed deel
van haren omtrek omringd door moerassigen grond, en alleen
goed aanvalbaar aan den noordoostkant ; hier had men een bui-
tenfort, Saint-FraoQois, een klein kwartieruur gaans verwijderd
van de vesting. De Spaansche bezetting was aanvankelijk maar
een 900 man sterk; maar nog gedurende de insluiting gelukte
het aan een 300 Spanjaarden, van Saint-Omer komende, zich
binnen Aire te werpen. De vesting werd den 1900 Juli berend;
den 2 2 sten werden de loopgraven geopend tegen het fort Saint-
FrauQois; den 23sten kwamen de Fransche batterijen in werking,
en teisterden dat fort zoodanig dat de kleine Spaansche bezetting
geen storm afwachtte, maar op de stad terugging. Tegen de stad
Digitized by
Google
196 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
zelve werden de loopgraven den 26sten Juli geopend; en den
28sten een zoo hevig geschutvuur aangevangen, dat daardoor de
bestorming, den 3osteD op de buitenwerken verricht, volkomen
gelukte, en de Spaansche bevelhebber in den avond van den
31 sten zijne vesting overgaf; den isten Augustus trok hij met
zijne bezetting, nog 1000 man tellende, vrij en met wapeneer uit.
Ziedaar wat onze schrijvers over dat beleg van Aire zeggen;
in de opgaven dienaangaande bij Rousset komen kleine, maar
toch geheel onbeduidende verschillen voor wat enkele datums
betreft. Daarin stemmen die opgaven overeen met die van onze
schrijvers, dat de val van Aire verhaast werd door het geduchte
geschutvuur van den belegeraar, gericht nog minder op de ves-
ting werken dan op de stad zelve; het was een bombardement
zooals de Duitschers dit in 1870 tegen vele Fransche vestingen
hebben aangewend. Hier, te Aire, bracht dit bombardement de
burgerij in opstand, en gedeeltelijk om hare dreigende houding
besloot de Spaansche bevelhebber tot de overgave.
Eene ernstige poging om Aire te ontzetten was door de bond-
genooten niet gedaan. Villa Hermosa was den 2isteQ Juli van
Nivelles op marsch gegaan, over Brussel naar Gent, waar hij
den 24steii en 25steii aankwam; hij had toen bij zich een 6000
man Hollandsche infanterie en al de Spaansche ruiterij ; te zamen
maakte dit een 11 000 man uit; en nu kon men uit de Spaansche
vestingen nog wel een 3 k 4000 daarbij trekken, maar toch was
die macht te onbeduidend om daarmede iets te ondernemen
tegen Schomberg. De Fransche veldheer had Quiévrain verlaten
en stelling genomen te Pont-r£spières, aan de Schelde, een paar
uur beneden Doornik ; om Kortrijk te verzekeren tegen de aan-
slagen van de Spanjaarden, had Schomberg de bezetting van die
vesting eenigszins versterkt. Villa Hermosa had daarop den
bijstand ingeroepen van Waldeck, die toen bij Wavre stond met
nog een deel van de macht der bondgenooten ; om zich te ver-
eenigen trokken Waldeck en Villa Hermosa elkander te gemoet ;
maar voordat zij iets konden uitwerken tot ontzet van Aire, was
die vesting reeds gevallen.
Rousset doet opmerken, dat Louvois, hoezeer bekleed met
uitgebreide macht, nu toch tijdens dat beleg van Aire, tegen
den Koning een veel meer onderworpen toon aanneemt dan
vroeger; de welgegronde vrees, dat hij door het gebeurde bij
Valenciennes, 's Konings gunst zou hebben verbeurd, gaf daartoe
aanleiding. Dat beleg van Aire deed ook bij Louvois de passie
van het bombardeeren ontwaken ; een aanvalsmiddel, dien wreeden
geweldenaar zoo overwaardig. Ziehier wat Rousset zegt over die
beide zaken (2' deel, blz. 233 — 234):
Digitized by
Google
MAASTRICHT. I97
...»0p een oogenblik dat hij" (Louvois) » bekleed was met
het gezag, meer van een koning dan van een minister, en dat
hij in het leger en over alle generaals dat gezag krachtiger kon
doen gelden dan Lodewijk XIV zelf, zou men verwachten hem
trotscher en despotischer te zien worden. Het tegendeel is het
geval: hij is bezadigder en minder gebiedend, ten minste wat
het uiterlijke aangaat... Waardoor ontstaat die buitengewone
ommekeer? Door hetgeen op den locn Mei gebeurde, door die
beraadslaging te Heurtebise. Louvois heeft 's Konings misnoegen
geraden; hij wil verhinderen dat dit misnoegen grooter wordt;
hij wil het, zoo mogelijk, in de kiem verstikken."
(Blz. 237—238). >Aire wordt den 2isten Juli berend, op het
vastgestelde uur; den 2 2 sten schrijft Louvois aan I^tellier" (zijn
vader): >daar ik hoop heb, dat die vesting het niet langer zal
kunnen uithouden dan twaalf of vijftien dagen na het openen
van de loopgraven, en dat openen over drie dagen kan plaats
hebben, verzoek ik u, bij den Koning te willen vernemen wat
hem behaagt dat ik na de overgave zal doen, en of hij mij ver-
gunt om naar Versailles terug te keeren. Mijne onderwerping
aan *s Konings wil ligt in den aard van de zaak ; maar ik kan
u zeggen, dat ik te dien aanzien zelfs geen wensch koester, en
dat — het verlangen daargelaten om weer bij u te zijn — ik
mij blijmoedig zal schikken in alles wat Zijne Majesteit hierin
zal gelieven te bepalen..."
Niet lang was Lodewijk XIV hiertegen bestand; hij begon
met geroerd te zijn; en weldra gaf hij toe. »Uw vader" — zoo
schreef hij aan Louvois ~ » heeft mij een brief voorgelezen,
waarin gij hem verzoekt mij te vragen wat gij moet doen na de
inneming van Aire, en of ik het goedvind dat gij terugkomt;
met de verzekering dat gij geen ander verlangen hebt dan weer
bij mij te zijn."
(Hier schijnt Letellier den brief van zijn zoon niet geheel
juist aan den Koning te hebben voorgelezen; of de Koning
niet geheel juist te hebben verstaan. Want Louvois schrijft in
zijn brief, over zijn verlangen om weer bij zijn vader te zijn:
de woorden y^Vimpatience que f ai (Têtre auprh de voui\ zijn ge-
richt aan Letellier, en niet aan Lodewijk XIV).
Wij vervolgen 's Konings brief:
»Dit geloof ik; en ook dat gij blijmoedig zult doen wat ik
noodig zal oordeelen in het belang van mijn dienst. En daarom
— hoezeer het mij zeer aangenaam zou zijn u te zien, en gij
hier in tal van belangrijke zaken van nut zoudt kunnen zijn —
kan ik u toch niets stelligs zeggen over uwe terugkomst, voordat
ik alle ondernemingen ken, waartoe men kan besluiten. Aan alle
zijden zijn er thans zooveel groote zaken ondernomen, waarop
mijne aandacht is gevestigd en die mij inwendig veel kommer
Digitized by
Google
I9S KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
baren, al is het dat ik den schijn aanneem van zeer kalm te
zijn . . . Tijdingen aangaande het beleg wacht ik wel met eenig
ongeduld, maar toch ook met eenige gerustheid, daar ik een
gunstige verwachting heb van uw beleid, en van de dapperheid
van den maarschalk d'Humières en van mijne legermacht . . . Doe
alles medewerken om dit beleg tot een goed einde te brengen.
Ik erken, dat wanneer gij niet daar waart, ik in groote onrust
zou zijn, daar ik al de menschen ken die u omgeven." (Brieven
van den Koning aan Louvois, van 25, 27 en 29 Juli 1676).
Lodewijk XIV verlangt, dat er, na de inneming van Aire, nog
iets worde gedaan; maar wat? — dat zegt hij niet. Louvois
antwoordt, dat hij wel Valenciennes of Kamerijk zou willen be-
legeren; maar dat hij eerst dient af te wachten, hoe het afloopt
met Maastricht en met Philipsburg; — Philipsburg werd toen
door de Duitschers belegerd ; — en dat hij bovendien niet meer
genoeg munitie heeft voor zulk een beleg; de belegeringen van
Condé, Bouchain en Aire nemen het grootste deel van de munitie
weg : 500 000 pond buskruit, 30 000 kogels en alles wat er voor-
handen was aan bommen en aan brandkogels. Ternauwernood
blijft er een 200000 pond buskruit over; en dit is te weinig om
Valenciennes of Kamerijk te belegeren ; het zou genoeg zijn om
Charlemont aan te vallen. Wil de Koning dat? — Charlemont,
merken wij even aan, was toen een kleine vesting in het zuiden
van het Namensche, zoo wat een uur of drie westelijk van Dinant.
(Blz. 239 — 240) ...1 Lodewijk XIV is zeer verlegen met de
beslissing. In zijne onzekerheid weet hij er niets beters op, dan
de zaak over te laten aan Louvois; onder de voorwaarde alleen,
dat Louvois hem op de hoogte zal houden van wat hij beslist:
iBlijf voortgaan" — zoo schrijft hij hem den 27sten Juli — »met
mij te melden, en aan alle belanghebbenden te melden wat gij
meent dat noodig is; en zend mij, zooals gij gedaan hebt,
afschrift van die brieven; daardoor blijf ik volkomen op de
hoogte van alles, en loopen wij geen gevaar dat ik bevelen geef,
die hen, aan wie zij gericht worden, in het onzekere kunnen
brengen."
Maar het beleg van Aire loopt ten einde ; vooral de bommen
richten in de vesting een verwoesting aan, die een levendigen
indruk maakt op Louvois ; van dat oogenblik af is het bombar-
dement een aanvalsraiddel waarmede hij dweept. Den 3osten Juli
schrijft hij aan den Koning: »de artillerie werd gisteren 266
goed bediend, dat er meer dan 3000 kanonschoten werden ge-
daan, waardoor het meerendeel van 's vijands vuurmonden is
gedemonteerd, en de vestingwerken veel hebben geleden; dien
dag werden er 50 k 60 bommen geworpen; twee of drie daar-
van sprongen te vroeg; maar de overige kwamen in de stad of
in de vestingwerken terecht; en ééne daarvan deed een klein
Digitized by
Google
MAASTRICHT. I99
kruitmagazijn in 's vijands ravelijn springen, alsmede naeer dan
3000 granaten. Mijnheer De Vauban verzekert, dat Uwe Majes-
teit er op kan rekenen, dat, door wat gisteren en heden is ge-
daan, de tegenweer van de vesting zeven of acht dagen is ver-
kort. Mijnheer De Vauban heeft een musketschot aan de hand
gekregen ; echter niets meer dan eene ontvelling. Van negen uur
*s avonds tot middernacht zijn er 200 bommen geworpen, waar-
van er meer dan 190 in de stad zijn terechtgekomen; onverge-
lijkelijk is de bekwaamheid van den kapitein der bombardiers.
Daar nu in De Nederlanden alleen groote steden overblijven om
aan te vallen, geloof ik dat het voor Uwe Majesteit het beste is
om twee compagnieën bombardiers te hebben; want twintig
mortieren, die onophoudelijk werkzaam zijn, vernielen ontwijfel-
baar een stad in drie dagen tijds, of dwingen de burgerij om in
opstand te komen."
Bij den vijand het platteland kaal eten en uitplunderen, en de
steden verbranden, — zoo begreep Louvois het oorlogvoeren ; —
en ook vele zijner tijdgenooten ; — is het thans veel beter?
Moet Maastricht worden te hulp gekomen?
Louvois schijnt aanvankelijk daar niet sterk vóór te zijn ge-
weest; na over verschillende onderwerpen te hebben gesproken,
zegt hij, in een brief van den 31 sten Juli aan Lodewijk XIV:
>om alles op te noemen wat er gedaan kan worden, moet ik
Uwe Majesteit nog zeggen, dat men zou kunnen beproeven
Maastricht te ontzetten, als het blijkt dat het beleg van die ves-
ting lang kan duren; ik zeg: lang kan duren, omdat er min-
stens twintig dagen noodig zijn om daar te komen. Maar, be-
halve dat het onzeker is of die vesting ons daartoe den tijd zal
laten, moet er dan ook slag worden geleverd, en dat in eene
landstreek waar, als de overwinning niet aan ons is^ het leger
gevaar loopt van geheel te niet te gaan; en dat eeniglijk om
een vesling te behouden, die, als de oorlog voortduurt, voor
Uwe Majesteit altijd een lastpost zal zijn." (Blz. 240).
Lodewijk XIV oordeelt het beleg van Charlemont te beden-
kelijk, omdat Willem III die vesting te hulp kan komen ; hij wil
dus dat Saint-Guislain worde belegerd, eene kleine vesting tus-
schen Mons en Condé, en toen eenigermate een voorpost van
Mons; ook kan het fort Linck — een onbeduidende sterkte
tusschen Saint-Omer en Grevelingen — worden aangevallen; na
daartoe de noodige bevelen te hebben gegeven, kan Louvois
naar Frankrijk terugkeeren. Louvois laat het fort Linck aan-
vallen door d'Humières, die het na een kort beleg neemt
(8 Augustus); het beleg van Saint-Guislain acht Louvois daaren-
tegen onraadzaam en laat het daarom maar achterwege; maar
ten opzichte van Maastricht verandert hij van gevoelen : hij komt
Digitized by
Google
200 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
met Schomberg overeen, dat dete met het leger zal oprukken
tot ontzet van die vesting. In het begin van Augustus komt
Louvois te Versailles terug, waar hij door Lodewijk XIV zeer
goed wordt ontvangen; voor het oogenblik was de wrok van
den despoot gesust, maar daarom niet verdwenen.
De maarschalk Schomberg, aan wien nu het bevel over het
Fransche leger in de Spaansche Nederlanden geheel werd over-
gelaten, was een Duitsch edelman, die bij meer dan ééne mogend-
heid in krijgsdienst was geweest; onder andere ook bij de
Republiek, vroeger, onder Frederik Hendrik en Willem II.
Schomberg wordt ergens genoemd: »een der eerste legerhoofden
van zijne eeuw"; — dit is overdreven; want onder de tijdge-
nooten van Schomberg hebben behoord Turenne, Condé, Luxem-
bourg, Willem III, om niet hen te noemen, die vroeger en later,
maar ook in de 17e eeuw als groote legerhoofden hebben ge-
schitterd; — toch had Schomberg toen een goed gevestigden
militairen naam. Maar Schomberg was vreemdeling in Frankrijk,
en Protestant; — later, toen het Edikt van Nantes werd her-
roepen, verliet hij den Franschen krijgsdienst, ging over tot
Willem III, en sneuvelde in den slag aan de Boyne (1690). In
1676 was hiervan nog hoegenaamd geen sprake, en Schomberg
bleef ten volle zijn plicht jegens Frankrijk getrouw; maar het
schijnt dat hij toen — denkelijk wel omdat hij vreemdeling was
en Protestant — tegenwerking heeft ondervonden bij zijne
onderbevelhebbers; — zooals, een dertig jaar later, bij ons.
Slangenburg tegenwerking heeft ondervonden, voornamelijk
omdat hij Katholiek was. Tegen Schomberg bestond bij zijn
eigen leger als het ware een soort van kabaal, en over het ge-
heel moet de krijgstucht daar toen nog al te wenschen hebben
overgelaten.
>Aan het hoofd van dat kabaal stond de graaf van Auvergne,
een neef van Turenne; hij nam de houding aan van een Souve-
rein, omdat hij tot het huis van Bouillon behoorde ; en van een
opperbevelhebber, omdat de Koning hem, toen de militaire
erfenis van zijn oom openviel, de betrekking had gegeven van
kolonel- generaal, eene betrekking waaraan alleen eer en geld was
verbonden, geen gezag; hij was inderdaad niets meer dan Marèchal-
de-camp. Krachtig had Louvois het gezag van den maarschalk
gehandhaafd tegen de kwaadwilligheid van diens staf, en vooral
tegen de aanmatigingen van den graaf van Auvergne ....
Zoolang Louvois bij het leger was, hielden alle moeielijkheden
op; toen hij vertrokken was, nam de verwarring weer een aan-
vang. Den 17 en Augustus schrijft hij aan den intendant Robert:
^zeg aan mijnheer den graaf van Auvergne, dat ik hier eenige
Digitized by
Google
MAASTRICHT. 201
brieven heb gelezen, die inhielden, dat, toen mijnheer de maar-
schalk De Schönberg" (Schomberg) » bevolen had dat twee
ruiters zouden worden opgehangen, die, tegen zijn bevel, het
kamp hadden verlaten, hij — mijnheer de graaf van Auvergne —
zich wat onbetamelijk had uitgelaten over die strengheid; dat,
daar ik hem wél wil, ik verplicht ben om hem te laten waar-
schuwen, dat hij zeer weinig kan rekenen op de gunst van Zijne
Majesteit, wanneer hij eene afkeuring uitspreekt over eene han-
deling — welke dan ook — van zijn opperbevelhebber; en dat
ik hem aanraad, voortaan zijn best te doen dat dergelijke ver-
maningen niet meer noodig zijn." — Die vermaning baatte niet;
eenige dagen later achtte de graaf van Auvergne zich gekrenkt,
omdat — en toch was het zijn beurt om bij de achterhoede te
zijn — de Maarschalk hem had aangewezen om de bagage te
begeleiden. Hij bracht zijne bezwaren hierover in; Louvois gaf
hem ongelijk ; toen, meer opgewonden dan immer, vroeg hij zijn
ontslag, en kreeg het dadelijk." (Rousset, 2' deel, blz. 243 — 244).
Toen bij Schomberg's leger het gebrek aan orde toch aan-
houdt, wordt de veldheer zelf daarover berispt door Louvois:
(Blz. 244 — 245) ...>De Koning," — zoo schreef hij hem den
24sten September — > heeft met groote verwondering vernomen
wat er gebeurd is, toen op uw last die ruiter van Gendarme-
Dauphin moest worden ter dood gebracht; en Zijne Majesteit
is nog meer verwonderd geweest, dat gij u na zulk een muiterij
er toe hebt bepaald de zaak te laten onderzoeken, in plaats van
oogenblikkelijk alles wat er van die compagnie in het kamp
aanwezig was, te hebben laten loten, en twee of drie daarvan te
hebben laten ophangen; alleen zulke straffen op heeter daad
hebben uitwerking. Hoezeer Zijne Majesteit er niet aan twijfelt,
dat gij wel streng recht zult hebben gedaan over den gevangen
genomen gendarme en over hen die men bevonden zal hebben
dat het meest handdadig zijn geweest aan die muiterij, toch wil
Zijne Majesteit een openlijk blijk geven, hoe zij verlangt dat de
officieren zulke ongeregeldheden moeten tegengaan ; en de Koning
gelast mij daarom u te zeggen, dat het zijn wil is dat gij mijn-
heer den markies De La Fare zult laten schorsen." (De markies
De La Fare was luitenant bij die compagnie, en voerde het
bevel daarover, bij de afwezigheid van den markies De La Trousse,
den kapitein-luitenant): twat de twee kapiteins van de infanterie
betreft, en den luitenant van de ruiterij, die hun plicht hebben
verzaakt door die muiterij niet te beletten, de Koning verlangt
dat gij ze gevangen laat zetten in de naastbijzijnde vesting en
hunne namen opgeeft, opdat Zijne Majesteit tegen hen kunne te
werk gaan zooals haar zal goeddunken. Zijner Majesteit heeft
het eenigszins bevreemd, dat gij, gelast hebbende aan de offi-
cieren van de gendarmerie om op de frontlijn van het leger te
Digitized by
Google
202 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN,
kampeeren^ en ziende dat zij dit niet deden, hen niet gedwongen
hebt te gehoorzamen.**
Iq de eerste dagen van Augustus had Schomberg zijne stelling
aan de Schelde, bij Pont-rÉspierre, verlaten en had zich bij Ath
geplaatst; half Augustus plaatste hij zich aan den Piéton, nabij
Charleroi; hier voegde zich den 21 sten Augustus de afdeeling
van d'Humières bij hem. Het Fransche leger moet toen, volgens
een onzer schrijvers, 45 bataljons voetvolk en 130 eskadrons
ruiterij hebben uitgemaakt, een groote 30000 man. Zeer waar-
schijnlijk is het, dat, bij zulke cijfers voor de bataljons en eska-
drons, het leger van Schomberg veel sterker is geweest; — nu
moeten wij er bijvoegen, dat die opgave — in de Hollandsche
Mercurius — ook niet uitmunt door duidelijkheid; en dat het
zeer goed kan zijn, dat dit cijfer van 30000 man alleen betrek-
king heeft op de sterkte van de infanterie, en geenszins op de
geheele sterkte van het leger.
Schomberg wil nu Maastricht ontzetten. Wat was er om hem
daarbij tegen te houden? — Eene Hollandsche en Spaansche
legermacht, onder Waldeck en Villa Hermosa. Uit sommige
omstandigheden moet men opmaken, dat er tusschen die beide
bevelhebbers juist niet de grootste overeenstemming heeft bestaan;
zoo wordt onder andere in het bij herhaling aangehaalde werk
van Muller over Waldeck en Willem UI gezegd : dat hij (Waldeck)
wel gewild had, dat hij zelf het beleg van Maastricht had be-
stuurd en dat dit beleg gedekt werd door Willem III, >die beter
wist om te gaan met de steeds lastiger wordende Spanjaarden".
De Stadhouder had bepaald dat daar waar Villa Hermosa en
Waldeck bijeen waren, de Spanjaard het opperbevel zou bezitten,
en dit schijnt Waldeck niet bijzonder te hebben aangestaan ; ten
minste in zijne brieven van dien tijd aan Willem III, komt meer
dan eens voor: «Zooals Uwe Hoogheid bevolen heeft, gehoor-
zaam ik de bevelen van den hertog De Villa Hermosa"; ofwel:
>als de hertog De Villa Hermosa dien marsch beveelt, dan kan
ik niet anders doen dan gehoorzamen"; en soortgelijke uitdruk-
kingen die niet vrij zijn van spijtigheid. Het valt dan ook op,
dat Waldeck er naar streeft om steeds zoo ver mogelijk van
Villa Hermosa te blijven; het is bijna als bij de boschkat en de
schildpad, uit Bilderdijk's >Ondergang der eerste wereld":
» gelijk de boschkat aan de schildpad yastgesloteo,
uit iogeschapen vrees haar keten rekt en spant."
Of Villa Hermosa nu juist een uitstekend legerhoofd was, is
zeer twijfelachtig; maar niet twijfelachtig was het, dat Waldeck
Digitized by
Google
MAASTRICHT. 203
volstrekt geen aanspraak kon maken op den naam van goed
yeldheer: hij wist niet uit zichzelf te handelen, hij moest geleid
worden. Gedurig is hij er op uit om aan Willem III «schrifte-
lijke en bepaalde bevelen" te vragen; en of deze al antwoordt:
dat Waldeck zelf moet weten wat hij te doen heeft, dat hij op
de plaats der handeling is en dus beter kan oordeelen over den
waren stand van zaken dan de Stadhouder, vóór Maastricht; —
dat helpt niet; Waldeck laat niet af, voor hij van Willem III
voorschriften krijgt, die — zooals zeer natuurlijk is — soms
minder goed worden doordien zich intusschen omstandigheden
voordoen, die moeilijk waren te voorzien.
Bij zijn beperkte strategische inzichten wil Waldeck alle punten
die bedreigd kunnen worden, voorzien van eene sterke bezetting ;
Willem III is tegen die versnippering van het leger; onder
andere schrijft hij den yen Augustus aan Waldeck: ...>maar ik
geloof niet, dat gij uwe troepen zoo moet verdeelen, en infan-
terie werpen in Leuven, Vilvoorden en Mechelen; integendeel,
gij moet alles bijeenhouden, anders zijt gij noch voor het een,
noch voor het ander in staat*' (het een, en het ander: het
dekken van het beleg van Maastricht, en het beschermen van
de vestingen in de Spaansche Nederlanden). Wil men weten hoe
Waldeck dacht over het oorlogvoeren in de Spaansche Neder-
landen, men leze wat hij daarover den 25steii Augustus 1676
schrijft aan Heemskerk, toen onzen gezant in Spanje. (Wat hier
volgt is, evenals de vroegere aanhalingen, te vinden in het tweede
deel van Muller 's werk):
tOm met vrucht in dit land werkzaam te zijn, moet Iperen,
wil het zich verdedigen, 6 è. 7000 man hebben; te Dixmude
moet 2000 man zijn; dan moet men Nieuwpoort, Oostende,
Brugge, Dam me en Gent voorzien; minstens 6000 man is hier
noodig als voorloopige bezetting. Bij een oorlog in De Neder-
landen moeten er troepen zijn te Brussel, Mechelen, Antwerpen,
Namen en Luxemburg; aan het Madridsche hof is men er vol-
doende van op de hoogte hoe groot die bezettingen moeten
zijn. In Kamerijk is, op zijn minst, 5000 man noodig; te Valen-
ciennes evenveel, en in Mons niet minder; en zonder twee sterke
legers — waarvan het eene, als de operatiën het toelaten, ge-
bruik kan maken van de bezettingen der naburige vestingen —
kan men den vijand geen kwaad doen; en die legers moeten
minstens 30000 man zijn, willen zij een groot beleg onder-
nemen, zooals dit noodig is als men den oorlog ten einde wil
brengen."
Men ziet het, Waldeck was nog al ruim in zijne eischen; hij
doet denken aan onze hedendaagsche krijgskundigen, die, in
hunne beschouwingen over de landsverdediging, ieder versterkt
punt al dadelijk, dubbel en dwars, willen voorzien van de noodige
Digitized by
Google
204 KR1JGS- EN GESCHIEDKU.^n>IGE BESCHOUWINGEN.
bezetting; en dan na aftrek van al die bezettingen zien dat er
bitter weinig overblijft voor het leger te velde. Zou het niet beter
zijn, de legermacht meer bijeen te houden, om haar te kunnen
gebruiken waar zij noodig is?
Na die uitweiding keeren wij tot ons onderwerp terug.
Eerst toen Aire belegerd wordt, trekt alleen Villa Hermosa
naar Vlaanderen ; en eerst later, toen hij ziet dat hij, alleen, niets
vermag tegen het Fransche leger, wordt Waldeck te hulp ge-
roepen. Toen Aire gevallen is, keert Waldeck dadelijk terug
naar de zijde van Brussel; Villa Hermosa blijft in Vlaanderen.
Den i8en Augustus, toen hij bericht krijgt dat het Fransche
leger naar de zijde van Charleroi trekt, breekt Waldeck op van
Brussel en trekt op Tongeren, om Maastricht meer nabij te
komen. Villa Hermosa wil nu evenzoo zich aansluiten bij Wil-
lem III; maar eerst den 19611 Augustus breekt daartoe de Spaansche
landvoogd op, van Gent; nog vermindert hij zijne macht roet
een 1500 man, ter versterking van de bezetting van Namen; men
vreesde dat die vesting door de Franschen zou worden aangevallen.
Schomberg breekt den 2 2 sten Augustus op van den Piéton en
trekt op Gerablours; een paar dagen later wordt de roarsch
voortgezet op Tongeren; Waldeck gaat terug voor het veel
sterkere Fransche leger. Den 26stcn Augustus komt Schomberg
nabij Tongeren, en laat nu een algemeen salvo doen door al
zijn geschut — 32 stukken — ; om daardoor den verdedigers
van Maastricht aan te kondigen dat het ontzet nabij is.
Wij moeten thans gewagen van dat beleg van Maastricht in
1676; — maar wij willen daarbij oprecht te werk gaan met onze
lezers ; en wij zullen hun zeggen, dat de gang van zaken bij dat
beleg ons niet duidelijk is, en dus de voorstelling die wij daar-
van zullen geven natuurlijk ook niet duidelijk zal zijn. Bij onze
schrijvers vindt men bijzonderheden genoeg aangaande dit
beleg, — onder andere in het tweede deel van Müller's werk
over Waldeck, in de daar voorkomende brieven van Willem III — ;
maar het geheel blijft onduidelijk, vooral wat aangaat de inrich-
ting van de veslingwerken. Wij zullen mededeelen wat wij er
van begrijpen.
Nadat Maastricht door het beleg van 1673 in de macht van
Lodewijk XIV was gekomen, hadden de Franschen meer uitbrei-
ding gegeven aan de vesting, door het bouwen van zeven ge-
detacheerde bastions: Koning, Koningin, Dauphin, Monmouth,
Condé, Turenne en Créqui. Waar bevonden zich die zeven
buitenwerken? — Het is moeilijk dit met juistheid te zeggen;
wij hebben geen plan kunnen machtig worden van de vesting
van dien tijd; de kennis van de — thans gesloopte — vesting-
Digitized by
Google
MAASTRICHT. 205
werken baat weinig voor de kennis van dien vroegeren tijd;
want de zoogenaamde t Bossche fronten" van Maastricht waren
eerst na 1815 aangelegd, en hebben de vesting dus aan die zijde
geheel anders gemaakt dan zij was in de 17e eeuw; en juist
aan die zijde is in 1676 het front van aanval geweest. Wij kun-
nen dus niet zeggen op welke afstanden die zeven buitenwerken
waren verwijderd van den hoofdwal, en op welke wijze zij daar-
mede in verband stonden ; — en dat zijn toch hoofdpunten, als het
er op aankomt den gang van zaken bij een beleg te beoordeelen.
Over de Fransche bezetting vindt men bij onze schrijvers, dat
die bestond uit 4500 man voetvolk, 2000 ruiters en 500 dra-
gonders ; t behalven de grenadiers, en die geene, welcke bij 't ge-
schut hoorden" (HoUandsche Mercurius). Of die opgave
nu geheel juist en nauwkeurig is, of die bezetting iets meer of
iets minder sterk is geweest, doet er weinig toe af; want zeker
is het, dat die bezetting een voldoende sterkte had voor hare
taak; ook, dat Maastricht goed voorzien was van alles wat tot
eene goede verdediging werd vereischt; ook, dat het een uit-
muntend bevelhebber had in De Calvo; hij was het, die, meer
bouwende op zijne dapperheid dan op zijne kunde, tegen zijne
ingenieurs zeide: tzegt ons wat wij doen moeten; wij zullen
het doen".
Welke waren nu de strijdkrachten van den belegeraar?
Willem III, den 4en Juli opgebroken zijnde van Nivelles met 6000
man voetvolk en 25 eskadrons ruiterij, kwam, over Thienen en
Tongeren, den 7cn voor Maastricht. Nagenoeg gelijktijdig kwamen
voor die vesting aan, Spaansche troepen uit Roermond, onder
Louvignies ; troepen van den vorst-bisschop van Osnabrug, in de
eerste dagen van Juli op den linkeroever van den Rijn gekomen ;
ook »eenige troepen van den keurvorst van Brandenburg, van
den vorst van Neuburg, en andere bondgenooten" ; voorts troe-
pen, door den Rijngraaf aangevoerd, en die getrokken waren uit
de bezettmgen van Den Bosch, Breda, Bergen- op-Zoom, en andere
vestingen. Wat nu de sterkte was van elk dier afdeelingen in
het bijzonder, wordt niet opgegeven; maar voor de geheele
sterkte wordt vermeld het cijfer van 24 k 26000 man. Later —
zoo wordt gezegd — zijn ook nog gekomen de regimenten van
La Leek, Brederode, Kirkpatrick en Cassiopijn; zoodat het ge-
heele leger voor Maastricht denkelijk tusschen de 25000 en
30000 man zal hebben geteld.
Dadelijk na de berenning werden aan de verschillende regi-
menten hunne kwartieren toegewezen; Willem III nam het zijne
aan de Smeermaas, aan de noordzijde van Maastricht; aan de
zuidzijde, bij den Sint-Pietersberg, kwam Louvignies; die Spaansche
generaal kreeg ook het bevel over de Osnabrugsche troepen,
Digitized by
Google
2o6 KRTJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
die hunne kwartieren meer noordelijk schijnen te hebben gehad^
zoo wat ter hoogte van de Tongersche en Brusselsche poort.
Dadelijk werd er begonnen aan een e circumvallatie-linie, waartoe
men een aantal schansgravers had ontboden, zoo uit het Namensche
en het Luxemburgsche, als uit de Meijerij van Den Bosch en uit
de Baronnie van Breda ; boven en beneden Maastricht kwam een
schipbrug over de Maas.
Bij het leger van den Stadhouder waren drie regimenten Engel-
schen, die het verzoek deden om bij deze belegering bijeen te
blijven, en als een Engelsche krijgsmacht op zichzelve te han-
delen, ten einde de eer, of de oneer, van hunne wapenfeiten
ook geheel alleen te dragen. De Stadhouder, die er zeer naar
streefde om zich aanhangers te verwerven in Engeland, en die
ook de dapperheid van die regimenten kende, stond het verzoek
toe, en plaatste die Engelschen in kwartier naast zijne garde, naar
de zijde van de Boschpoort. Fenwick, de oudste der drie kolo-
nels, kreeg het bevel over die regimenten, wier geheele sterkte
een 2600 man bedroeg, daarbij niet meegeteld de overcomplete
officieren en de vrijwilligers. — Fenwick is voor Maastricht in
1676 een dapper en eervol krijgsman geweest; — in later jaren
is er een vlek op zijn naam gekomen door het deelnemen aan
eene samenzwering, die het toelegde op het vermoorden van
Willem III, toen Koning van Groot-Brittanje ; Fenwick heeft
toen zijn leven op het schavot geëindigd.
Het beginnen van het beleg werd vertraagd, doordat het be-
legeringsgeschut eerst den lyen Juli aankwam; dat geschut moest
grootendeels van de zijde van Roermond met schepen komen,
en gedurende eenige dagen was daartoe te weinig water in de
Maas; van Namen, over het hoogere gedeelte van de rivier,
ontving men, iets vroeger, 6 vuurmonden en anderen krijgsvoor-
raad. In de eerste dagen na de berenning, en voordat nog de
circumvallatie-linie was voltooid, hadden er herhaaldelijk kleine
gevechten plaats met de bezetting van Maastricht, die uit de
omliggende landstreek het slachtvee ophaalde. Bij een van die
gevechten sneuvelde de Engelsche majoor Archer, die genoemd
wordt »een persoon van groote kennisse in de fortificatiën" ; —
en aan personen van dat slag schijnen de belegeraars toen juist
geen overvloed te hebben gehad.
Eindelijk, 17 Juli, komt het belegeringsgeschut aan; en nog
dien dag wordt bevel gegeven om vier batterijen te bouwen,
eene voor 14, eene voor 8, eene voor 6, en eene voor 4 vuur-
monden. Maar, welke vuurmonden? wat moesten zij uitwerken?
waar kwamen die batterijen? — Onze schrijvers schijnen van
oordeel, dat het daaarop niet aankomt, zij geven ons daaromtrent
ten minste geen licht. In den nacht van den i9en Juli werden
Digitized by
Google
MAASTRICHT. 207
de loopgraven geopend, door het regiment Gardes, de regi-
menten Beaumont en Clooster en eenige Engelsche vrijwilligers;
in den ochtend van den 2osteii waren die loopgraven genoegzaam
gevorderd om dekking te verschaffen; — in een schrijven van
Willem UI aan Waldeck van den 19611 Juli komt voor, dat de
loopgraven geopend waren den nacht te voren (?), tusschen de
Boschpoort en het hoornwerk Hoog Frankrijk ; op welken afstand
van de werken der vesting, wordt niet gezegd.
Later deed men uit Maastricht tegen deze nadernissen een
uitval, die afgeslagen werd door het regiment van Mannemaker.
Willem III ontzag zich weer niet, was tweemaal daags in de
loopgraven, en kreeg zelfs een geweerkogel, doch die alleen door
de kleêren ging, in den arm, iets boven den elleboog.
Ziedaar bijzonderheden die men bij onze schrijvers vindt en
die zeker hare waarde hebben, in zoover men daaruit kan aflei-
den welke troepen toen hebben gestreden en welke dapperheid
toen werd betoond; maar wetenschappelijke waarde hebben zij
niet: zij maken niet duidelijk hoe het eigenlijk bij dit beleg
is toegegaan. Later blijkt het, dat de aanvalswerken gericht
waren tegen het bastion Dauphin, een bastion dat zich, naar wij
vermoeden^ bevonden zal hebben zoo wat tusschen het latere
fort Koning Willem en de Boschpoort. Maar op welken
afstand van het bastion Dauphin werden de loopgraven geopend ?
Niemand die dit zegt.
Den 22sten Juli openen de batterijen van den belegeraar haar
vuur, en zetten dit voort tot den 298tcn; daardoor wordt een
bres geschoten in het bastion Dauphin; en daar de loopgraven
dit bastion ook genoeg nabij zijn gekomen, doet Willem III den
3osien dit werk bestormen. Die bestorming geschiedt op klaar-
lichten dag, om 4 uur des namiddags ; bij deze belegering is dit
meer geschied. Rousset noemt dit eene handeling strijdig met
alle gewoonte (contre tout usagé)\ dat die handeling echter niet
verkeerd was, blijkt daaruit dat, een jaar later, bij de bestorming
van Valenciennes, de Franschen, op raad van Vauban, dezelfde
handeling en met goed gevolg hebben aangewend. Bij eene be-
storming op klaarlichten dag — zoo verdedigde de groote Franschc
ingenieur zijn raad — lijdt men misschien wat meer van 's vijands
vuur; maar men verrast den vijand meer, die op klaarlichten dag
geen bestorming verwacht; bovendien gaat op klaarlichten dag
alles meer ordelijk, meer geregeld, en iedereen doet meer zijn
plicht omdat hij weet dat hij wordt gezien; terwijl daarentegen
de nachtelijke duisternis niet alleen aanleiding geeft tot wanorde,
maar ook den lafaard een gunstige gelegenheid aanbiedt om zich
aan den strijd te onttrekken. — Zóó oordeelde Vauban in 1677;
en zóó handelde Willem III in 1676.
Digitized by
Google
2o8 KRIJGS- EN GBSCHIKDKUNDIGK BBSCHOUWINGEN.
Die storm van den 3osten juU mislukt echter, en zeker niet
door gebrek aan dapperheid. De Engelsche regimenten hadden
de eervolle onderscheiding ontvangen om het bastion Dauphin
te bestormen; de Stadhouder kwam vóór dien tijd in de kwar-
tieren van de regimenten, moedigde hen aan tot dapperheid, en
deed aan elke compagnie een os en twee schapen uitdeelen; —
de Engelsche soldaat is de dapperste soldaat van de wereld^ —
maar hij moet zijn maag goed hebben gevuld. Voorafgegaan
door twee sergeanten t Po wel en Pinder genoemd, zijnde brave
karels", dringen de Engelschen door de bres in het bastion en
verdrijven na een woedend gevecht de zich dapper verdedigende
Franschen. Maar nu was het bastion Dauphin aan de keel open.
en een der facen, naar den hoofdwal van Maastricht gekeerd»
had men, met opzet, een borstwering gegeven van slechts ge-
ringe dikte. Zoodra het bastion hun dus ontweldigd was, richtten
de Franschen uit nabijzijnde werken een zoo moorddadig vuur
daarop, dat de Engelschen, die zich niet zoo spoedig konden
ingraven, daardoor groote verliezen leden. Toch hielden zij vijf
kwartier stand; toen wilde de Stadhouder hen laten aflossen door
zijne garde; maar bij die aflossing schijnt er eenige verwarring
te zijn ontstaan, vermeerderd door het ontvlammen van buskruit
in eene der HoUandsche batterijen, en dat deed denken dat de
vijand een mijn liet springen; zooveel is ten minste zeker, dat
de Franschen, met kracht weer aanvallende, èn de Engelschen,
èn de garde van Willem III overhoop wierpen en het bastion
hernamen. In den ochtend van den 31 sten Juli werd de bestor-
ming hervat door de garde en door eenige andere regimenten;
maar ook die storm werd afgeslagen. Er wordt gezegd, dat de
bondgenooten bij deze gevechten ruim 150 dooden en 400 ge-
wonden hebben verloren, maar volgens Sylvius is dat verlies
denkelijk grooter geweest.
Na dien storm vingen het kanonvuur en de schansarbeid tegen
het bastion weer aan, natuurlijk beantwoord door een hevig
kanonvuur van den belegerde, die 's nachts pikkaarsen op de
wallen plaatste om zich voor verrassingen te vrijwaren. De be-
legeraar wilde het bastion ondermijnen; maar toen door een
uitval van de Franschen in den nacht van 2 op 3 Augustus die
mijnarbeid voor een deel was vernield, besloot Willem III den
4eQ Augustus nogmaals een storm te beproeven. Nogmaals zou-
den de garde en de Engelsche regimenten dien storm verrichten ;
de garde links, de Engelschen rechts.
Wij achten het belangrijk genoeg om — uit de HoUandsche
Mercurius — over te nemen de wijze waarop de storm-
colonnen waren samengesteld en ingedeeld. Bij de Engelschen
had men:
Digitized by
Google
MAASTRICHT. 209
• eerst 2 sarjaDten met 10 snaphanen^ gevolgt van 12 grana-
diers^ onder een sarjant; toen noch 24 granadiers, onder 2 sar-
janten^ welcke oock door een bequaem persoon geleyt souden
worden; hier na 30 snaphanen onder een luitenant en 2 sar-
janten, gevolgt van een capitein luitenant vendrig^ 2 sarjanten
en 50 snaphanen; toen weder een sarjant met 12 man met halve
piecken, gevolgt van een capitein luitenant vendrig, sarjant en
28 man, met schoppen en spaden; hier na 56 man, onder een
sorgvuldig bevelhebber en 2 sarjanten, die alle noodige dingen
souden aenbrengen, en in geval van geluck een logement in
't midden van 't bastion maken, oock sorgh dragen om de
minen op te soecken. De guarde was in deselve beschickingh
geregelt, en wiert door den Baron Sparre, en de Engelse door
den Capitein Barnwel, outste capitein in 't regiment van den
CoUonel Fenwick ten storm aangevoert. Bovendien waren noch
twee troepen van een diergelijck getal, en verdeelt als de eerste,
geordonneert ; de eene uyt de regimenten van den Rhijngrave,
Cassiopijn en Tamminga om die van de guarde, en de andere
uyt die van den Stadthouder van Vrieslandt, Hofwegen en
Lavergne om de Engelsse te ondersteunen. De regimenten ruy-
ters van Eppe, de heer van Brederode, en Laguette, hadden
mede bevel om haer op 't pleyn te houden en te beletten dat
de Franse ruyterye uit de stadt ons volck inviel../'
De twee stormcolonnen der Hollanders en Engelschen snelden
met buitengewone dapperheid naar het bastion Dauphin; hier
vonden zij de bres afgesloten met friesche ruiters, onderling ver-
bonden door ijzeren kettingen; en daarachter de verdedigers,
een hevig geweervuur op de bestormers richtende en onophou-
delijk handgranaten in hun midden werpende. Ook uit de naast-
bijliggende werken van Maastricht werd een moorddadig vuur
gericht op de stormcolonnes. Toch — vooral aangevuurd door
de dapperheid van den Engelschman Barnwcll, die hier een
roemrijken dood vond — gelukte het aan de soldaten van Wil-
lem III de friesche ruiters uit den weg te ruimen en zich na een
hevigen strijd meester te maken van het bastion. De Engelschen
bleven daar toen als bezetting. Hun aanvoerder onderzocht
dadelijk de mijngangen van het bastion ; daar geen gemeenschap
naar de stadszijde ontdekkende, meende hij gewaarborgd te zijn
tegen eiken onderaardschen aanval van den kant der Franschen.
Die meening was echter ongegrond ; toen 's nachts vele der
Engelsche schildwachten, door den vermoeienden strijd uitgeput,
sliepen of hunne posten hadden verlaten, deed de belegerde een
paar mijnen springen, die verwoesting en schrik brachten onder
de bondgenooten. De soldaten van De Calvo, gedeeltelijk met
zeisen gewapend, drongen toen weer in het bastion, en doodden
een aantal huimer vijanden, half bedolven onder de aarde, door
WILLEM ra. — II. 14
Digitized by VjOOQIC
2 (O KRIfGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
de mijneo opgeworpea ; het bastion was voor het oogenblik weer
in de macht der Franschen. Maar de Rhijngraaf, een nieuwe
stormcolonne doende oprukken onder den graaf van Solms,
maakte zich opnieuw meester van het bastion Dauphin^ dat toen
voorgoed in de macht der bondgenooten bleef. Duur werd dit
voordeel door hen betaald; want volgens onze opgaven hadden
die gevechten van 4 en 5 Augustus aan de beide partijen twel
1000 man*' gekost aan dooden en gewonden; en het ligt in den
aard van de zaak, dat van die 1000 man het verlies van de
bondgenooten wel het grootste deel zal hebben uitgemaakt.
Ook op andere punten werd Maastricht toen aangevallen,
echter niet ernstig. Tegen Wijck deed de graaf van Hoome —
andere opgaven zeggen, de prins-bisschop van Osnabrug — slechts
schijnaanvallen ; en alles bepaalde zich daar hoofdzakelijk tot
kleine gevechten, als de troepen van De Calvo daar uitvallen
deden. Aan de zijde van Sint*Pieter, wordt gezegd, dat Louvignies
met zijne loopgraven de vesting naderde, daarmede zelfs een
buiten-bastion al voorbij was, en begon aan het opwerpen van
drie batterijen; maar dat hij in dien arbeid verhinderd werd
door het water van het riviertje de Jeeker, dat de Franschen
hadden afgedamd. Hoe het met die onderwaterzetting eigenlijk
gesteld was, is niet duidelijk; maar zooveel is zeker, dat die
aanval van Louvignies nooit ver genoeg gevorderd is om daar-
door Maastricht in gevaar te brengen.
In eene landstreek in Duitschland, waar men de velden zegende
om van den hemel een rijken oogst af te bidden, zeide een
geestelijke, toen hij op een schralen akker kwam: thier zullen
wij maar niet bidden ; want zoolang de grond niet gemest wordt,
helpt het toch niet." Het gebed is goed, wanneer men eerst, zoo
goed mogelijk, alle menschelijke middelen heeft aangewend ; zoo
niet, dan is het ijdel. Dat begrepen onze Staten-Generaal niet,
toen zij in 1676 een biddag uitschreven voor het welslagen van
het beleg van Maastricht: zij hadden eerst moeten zorgen dat
er, om dat beleg te leiden, bij het Hollandsche leger bekwame
ingenieurs waren, opgewassen tegen de leerlingen van Vauban.
Dat was toen niet het geval; Coehoorn was nog maar een ge-
woon kapitein van de infanterie; hij telde nog niet meê, waar
het gold vestingen aan te vallen of te verdedigen; bij het beleg
van Grave in 1674 had hij eens zijn stem doen hooren; maar
niemand had naar hem geluisterd; het was zijn tijd nog niet:
de knoeiers waren nog aan het roer.
Maar, bij gemis van eene bekwame leiding bij dit beleg, wilde
Willem III evenals voor Grave de dapperheid daarvoor in de
plaats stellen; en hoewel de Staten den Prins lieten aanmanen
Digitized by
Google
BdAASTRICHT. 211
om zijn leven minder te wagen, zoo zal die aanmaning wel even
weinig uitwerking hebben gehad als de doodelijke wonde die de
Rhijngraaf op den 1560 Augustus kreeg, op den Stadhouder uit-
werkte; Sylvius zegt van dit ongeval, den onderbevelhebber
overkomen: >dit hield evenwel Sijn Hoogheyt niet terugge, om
alle plichten van een dapper veldheer, in alle gelegentheden
waar te nemen, wel stoutmoediglijk, evenwel niet roekelooslijk". —
Maar ook de dapperheid vermag niet alles.
Na de inneming van het bastion Dauphin gaat de belegeraar
nog eenige dagen vooruit met zijne nadernissen, totdat hij aan
<ien bedekten weg komt van een hoornwerk, nog vóór den ouden
hoofdwal van Maastricht. In die dagen gebeurt er weinig bijzon-
ders ; de belegeraars werpen eenige nieuwe batterijen op, ook in
het bastion Dauphin; en slaan den óen Augustus een uitval af^
dien de Franschen hadden laten voorafgaan door het springen
van een mijn. Den yen heeft de zorgeloosheid van de Engelsche
schildwachten weer ten gevolge, dat de uitvallende Franschen
aanvankelijk eenig voordeel behalen; maar spoedig worden zij
weer teruggedreven, en een bom, door de onzen in het hoorn-
werk geworpen, doet daar een aantal van 's vijands granaten
springen. Ook den 8sten Augustus heeft er een hevige uitval
plaats, die dapper wordt afgeslagen door de garde van Willem III ;
de garde verliest daarbij drie harer kapiteins.
Zoo was men, eiken voet gronds met bloed koopende, zoo
ver gevorderd dat men den bedekten weg van het hoornwerk
kon bestormen. Den iiea Augustus, 's nachts tusschen 11 en 12
uur, heeft die bestorming plaats: aan de linkerzijde door den
Rhijngraaf met de regimenten van Stirum, Dutel en Slangenburg;
aan de rechterzijde door den graaf van Hoome roet de twee
bataljons van Walenburg, het regiment van Van Leeuwen, en
«enige grenadiers en werkers uit andere regimenten ; beide afdee-
lingen hebben ieder bovendien nóg een regiment als reserve. Op
de linkerzijde gelukt de aanval ; en niettegenstaande den hevigen
wederstand van de Franschen, hun geducht vuur, en het springen
van eenige mijnen wordt daar de bekroning van den bedekten
weg verricht. De rechteraanval daarentegen mislukt; en eerst
toen die herhaald wordt in den nacht van 12 op 13 Augustus,
wordt, na hevigen strijd, ook daar de bekroning van den be-
dekten weg verricht. Dddr hebben toen herhaalde uitvallen van
de Franschen plaats, door den belegeraar afgeslagen ; het is daar
«en gedurige strijd; en het is ook daar dat de Rhijngraaf, in den
nacht van 14 op 15 Augustus, door den kogel werd getroffen,
die drie weken later een einde maakte aan zijn leven.
Aan dien dapperen onderbevelhebber schijnt de Stadhouder
Digitized by
Google
212 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
veel te hebben verloren; de Holland sche Mercurius zegt
daarvan: >dit verlies was gevoelijck aan Sijn Hoogheyt, vermits
hij veel dingen op hem hebbende vertrout, wits desrelfs wonde
nu in persoon wel diende op alles acht te slaen ; gelijck hij sich
dan nacht en dagh in de nadernissen onthielt^ en zelfs wel
't ampt van een slecht zoldaet waernam, sich oock vernoegende
met een stuk kaes en broot, terwijl hij daer was; doch dit ge-
schiedde niet alles zonder gevaer, dewijl veel krijghslieden nevens
sijn zijde gedoot en gewont wierden; invoegen den Gen. Lou-
vigny in de plaets van den Rijngrave wiert gestelt, om Sijn
Hoogheyt van dit gevaer te bevrijden."
Den i4en Augustus wordt het hoornwerk bestormd, om zich
daar in te graven; maar die bestorming mislukt; — onze op-
gaven, als het ware om te troosten over dien tegenspoed, voegen
er bij, dat de vijand groote verliezen had geleden: »wel 400
Switzers, behalvens de Franse"; — maar dat ook onze verliezen
aanzienlijk moeten zijn geweest, blijkt uit de woorden die onmid-
dellijk volgen: >hoe wel de onse oock niet mis gingen."
Wat er, na die mislukte bestorming van den 14611 Augustus,
tot den 26sten Augustus is voorgevallen, zeggen onze schrijvers
niet; en dit geeft wel eenigen grond aan de Fransche opgaven,
die beweren, dat de tegenstand bij het hoornwerk zóó groot is
geweest, dat de belegeraar in de laatste dagen van het beleg
niet de minste vorderingen heeft kunnen maken. Den 26sten Augus-
tus, toen men reeds tijding heeft dat Schomberg's leger nabij is,
wordt, op den middag, nog een storm op het hoornwerk ver-
richt; die storm wordt gedaan door het infanterie- regiment van
Tamminga en door een regiment dragonders ; andere regimenten
staan gereed om hen te ondersteunen ; maar toen de eerste aan-
vallers worden afgeslagen, ziet men af van verdere ondernemingen
en staakt den strijd. Fransche opgaven — onder anderen ook
Rousset — zeggen, dat bij die laatste gelegenheid de storm-
colonne bijna geheel was samengesteld uit officieren, die daar
grootendeels den dood vonden; onze schrijvers zwijgen van die
omstandigheid, die daarom dan ook geen onvoorwaardelijk geloof
verdient.
Den 26sten Augustus wordt in het leger der bondgenooten
een krijgsraad gehouden, waaraan ook Waldeck en Villa Her-
mosa deelnemen. In dien krijgsraad wordt besloten, het beleg
van Maastricht op te breken; een verstandig besluit, zoowel om
den tegenstand dien men nog had te wachten van de vesting als
om het gevaar dat van de zijde van Schomberg dreigde. Het
leger was door het beleg te veel verzwakt om aan dien dubbelen
vijand het hoofd te kunnen bieden; wel hoopte men nog altijd
op de komst van Munstersche en Luneburgsche troepen; maar
daar had men al zoo lang op gehoopt, en die troepen kwamen
Digitized by
Google
MAASTRICHT. 2I3
maar niet. Men moest dus, hoe noode dan ook, de onderaeming
opgeven.
Den 27sten Augustus wordt het beleg opgebroken, en neemt
het leger stelling bij Lanaken. Het belegeringspark, de leeftocht,
de zieken en gewonden worden ingescheept op 50 vaartuigen,
om de Maas af te zakken naar Grave. Volgens Fransche opgaven
konden die vaartuigen, door den lagen stand van de rivier, niet
verder komen dan Stokhem, en zijn zij grootendeels in handen
gevallen van de bezetting van Maastricht. In een schrijven van
Dijkveld — toen gedeputeerde te velde — wordt ook gewaagd
van dien lagen waterstand, maar niet van het verlies van dat
materieel.
Dat mislukte beleg van Maastricht kan, zeer zeker, voor Wil-
lem III met eene nederlaag gelijkgesteld worden; en vrij een-
parig is het gevoelen, dat die nederlaag voor een goed deel is
te wijten aan de weinige bekwaamheid waarmede dat beleg
werd bestuurd. Louvois laat zich daarover zeer ongunstig uit;
in een brief van dien Minister aan Vauban, van den yen Sep-
tember 1676, komt onder andere voor: tik heb het plan gezien
van de aanvallen, die Mijnheer de Prins van Oranje op Maas-
tricht heeft laten doen, en die bestuurd zijn geworden door een
HoUandsch ingenieur, Yvoy, die de vestingwerken van Genève
heeft gemaakt. Een schooljongen, die een maand lang de mathesis
heeft bestudeerd, begaat niet zulke domheden (dneries) als men
begaan heeft bij de leiding van die aanvallen; duidelijk toont
dit aan, dat hij, die met de leiding belast is geweest, uit over-
grooten angst alle bezonnenheid is kwijtgeraakt. Om u maar
één ding te zeggen: hij heeft het hoornwerk willen nemen, en
zich bepaald tot het omvatten van slechts één saillant van den
bedekten weg; en, ten einde het nemen te vermijden van een
gemetselde redoute, een weinig links van de aanvaUwerken, heeft
hij zich gewaagd binnen een inspringend gedeelte van de ves-
ting, waar hij aan alle zijden dwarswallen heeft moeten maken
om zich te dekken; hij heeft dan ook 12000 man verloren,
zonder dat hij een stap is vooruitgekomen sinds den 1460 Augus-
tus, toen hij de bekroning van den bedekten weg heeft verricht.
Ik heb gemeend dat die korte schets der handelingen van het
hoofd der Hollandsche ingenieurs u niet ongevallig zou zijn."
<Rousset, 2' deel, blz. 249).
Dit oordeel is niet zeer vleiend voor dien mijnheer Yvoy;
moeilijk valt het te zeggen, of die kritiek van Louvois gegrond
is; maar zooveel is zeker, dat het beleid, of de bekwaamheid,
van den belegeraar van Maastricht in liSyó, algemeen wordt
afgekeurd. — Wat het cijfer van de verliezen aangaat, daar is
Digitized by
Google
214 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
denkelijk wel overdrijving in wat Louvois daarover opgeeft;
maar aanzienlijk moeten die verliezen toch zijn geweest; dit
blijkt, onder andere, uit de omstandigheid, bij onze schrijvers
voorkomende, dat Willem UI de drie Ëngelsche regimenten en
negen regimenten HoUandschc infianterie van het leger terug-
zond, omdat zij door het beleg van Maastricht te veel hadden
geleden.
Niet onbelangrijk is het, hier eenige uittreksels te laten volgen
van de brieven, door Willem III aan Waldeck geschreven, tijdens
dat beleg van Maastricht. In die brieven zal men tevergeefs een
geregeld verhaal zoeken van dat beleg; men vindt daarin slechts
korte opgaven over de handelingen op sommige dagen, — waarbij
veel is overgeslagen, — vooral de ondervondene tegenspoeden;
ook zijn die opgaven niet in alle opzichten nauwkeurig ; — toch
werpen die brieven eenig licht over den staat van zaken bij het
leger des Stadhouders, tijdens het streed voor de muren van
Maastricht Men moet in die brieven geen volledige verklaring
zoeken van het beleg; maar zij maken een belangrijke getuigenis
uit in een vrij duistere zaak.
Den 17 en Juli schrijft de Stadhouder van voor Maastricht aan
Waldeck:
...»het grootste deel van onze artillerie is aangekomen, het
overige komt heden, of morgen ochtend; daarom hebben wij
besloten om dezen nacht te arbeiden aan het opwerpen van bat-
terijen; en zijn die af, dan zullen wij de loopgraven openen.
Onze liniën maken nu een gesloten geheel uit {ms lignes sont fer-
mees) en men werkt er aan om ze te vergrooten. Ik doe wat ik
kan, maar wordt zeer slecht gesteund, en dlvoy's ziekte komt
mij zeer ongelegen..."
Dus, bij het begin van het beleg was d'Yvoy ziek, — die
ziekte schijnt echter slechts kort te hebben geduurd; op het
laatst van het beleg is hij gewond en daardoor tijdelijk buiten
gevecht; houdt men die omstandigheden in het oog, dan is het
duidelijk dat niet alle misslagen in de leiding van het beleg aan
d'Yvoy moeten worden geweten.
Den iQcn Juli schrijft Willem- III aan Waldeck:
» Heden nacht hebben wij de loopgraven geopend, tusschen de
Boschpoort en het hoornwerk dat »Hoch Franckrijck" heet ; wij
werken aan drie batterijen, waarvan eene dezen nacht af zal zijn;
mijn garde-regiment, dat de loopgraven geopend heeft, heeft
goed gewerkt en maar 2 of 3 man verloren. De aanval van den
Heere Hertog van Osnabrug is rechts, maar verbonden aan den
onzen door eene loopgraaf; ook daar hebben zij maar 2 of 5
soldaten verloren, benevens den majoor van het regiment van
Beaumont, die door een kanonskogel is gedood. Het geschut uit
Digitized by VjOOQIC
MAASTRICHT. 215
de vesting schiet geweldig, en is zeer lastig geweest voor de
ruiterij, die in den rug de arbeid dekte, en toch nog al op een
afstand stond; mijn regiment heeft weinig geleden. Tot op dit
oogenblik — i uur 's namiddags — bespeurt men geen schijn
van uitval bij de belegerden; wat ieder een zeer verwondert,
omdat als zij het nu, of binnen een paar dagen, niet doen, het
hun later zeer bezwaarlijk zal zijn . . .'*
Deze brieven van Willem 111 zijn klaarblijkelijk in haast ge-
schreven, of gedicteerd; vandaar noodwendig hier en daar iets
dat onduidelijk of onjuist is; de uitdrukkingen > heden nacht" en
> dezen nacht" bij voorbeeld, laten soms in twijfel welke nacht
eigenlijk wordt bedoeld, de nacht die voorbijgegaan is, of de
nacht die nog moet komen; vandaar denkelijk dat Willem III
het openen van de loopgraven 24 uur vroeger stelt dan alle
andere opgaven. In zijn vorigen brief zegt de Stadhouder, dat
men eerst de batterijen zal opwerpen en dan de loopgraven
openen; uit den tweeden brief blijkt, dat men in omgekeerde
tijdsorde is te werk gegaan; ook wordt daar gesproken van
drie batterijen; andere opgaven gewagen van vier. — De
prins-bisschop van Osnabrug had zijn hoofdkwartier op den
Lichtenberg, een kasteel ten zuiden van Maastricht, aan de
Maas, op den Sint-Pietersberg ; zijne troepen, onder bevel van
Louvignies, schijnen echter op den linkeroever van de Jeeker
werkzaam te zijn geweest, en hun aanval stond in verband met
dien van Willem III.
Den 21 sten Juli schrijft Willem III:
«Gisteren heb ik u niet geschreven, daar er niets gebeurd is,
de moeite waard om u te melden. Wat ter wereld ik ook heb
gedaan, toch zijn onze batterijen nog niet klaar, behalven, dezen
ochtend, eene van 12 stukken; maar ik heb haar niet laten
vuren, omdat wij morgen ochtend 30 stukken in batterij zullen
hebben, en men van oordeel is, dat het beter is ze, alle te gelijk,
het vuur te laten openen. Onze liniën, en de verschansingen óm
de kwartieren daarbuiten, hebben nu de verlangde afmetingen;
te weten, de gracht heeft 15 voet" (4^5 el) > breedte en 12
voet" (3^4 el) > diepte; nu wordt gewerkt aan de gemeen-
schapslijn tusschen de beide aanvallen ; en ik laat een groot fort
aanleggen op de hoogte die men >de Prinsenberg" noemt.
Gij kunt niet gelooven, hoe slecht ik word bijgestaan. Ik doe
al het mogelijke om daar in te verhelpen, maar het lukt mij
niet..."
Waar was >de Prinsenberg"? — Bij het beleg van 1632 had
de kolonel Prinsen zijn kwartier op den Sint-Pietersberg; zou
men daarom aan dien berg den naam van Prinsenberg hebben
gegeven, en Willem III, bij vergissing, Prinsenberg hebben ge-
schreven? — Zeer waarschijnlijk is dit niet. Meer waarschijnlijk
Digitized by
Google
2l6 KRTJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
is het, dat men den Donsberg, naar de zijde van Tongeren, toen
Prinsenberg noemde^ omdat^ bij het beleg van 1632, daar het
kwartier was van Frederik Hendrik.
Wanneer Willem III hier zoo uitweidt over verschanste liniën,
over de breedte en diepte van de grachten en over het aanleggen
van forten, dan moet men hier de werking zien van Waldeck's
invloed, die in zijne antwoorden aan den Stadhouder gedurig
terugkomt op het verbeteren van de circumvallatie-linie, en er
aan herinnert dat het de sterkte van die linie was die Frederik
Hendrik in staat stelde om het beleg van Maastricht tot een
goed einde te brengen, in weerwil van de nabijheid van twee
sterke vijandelijke legers. Waldeck vergeet daarbij, dat de wer-
king der vuurwapens en de sterkte der artillerie, in 1632 oneindig
minder waren dan in 1676; zoodat de verschanste liniën in 1676
op lange na niet meer die beteekenis hadden als een halve eeuw
te voren. Maurits voor Geertrui denberg, Spinola voor Breda,
Frederik Hendrik voor Den Bosch en Maastricht maakten zich
onaanvalbaar door hunne verschanste liniën; — maar in later
tijd bleek dat die liniën geen krachtig aanvallenden vijand konden
tegenhouden. Waldeck's krijgskennis was verouderd ; hij ging niet
met den tijd meê.
Den 24sten Juli schrijft Willem III:
»Onze werken zijn dezen nacht niet zoo gevorderd als ik ge-
wenscht had, daar de heer De Louvigny heeft goed gevonden
om niet te doen wat besloten was, maar iets anders^ waardoor
wij een nacht hebben verloren. Ik weet niet wat ik van hem
moet zeggen, hij doet wat hij kan om alles te vertragen . . •
Het is ons ook ondoenlijk geweest om eene batterij van 8 stuk-
ken af te maken, die hier nabij is en ons van veel nut zal zijn ;
zonder missen zal zij echter van avond af zijn, en zal zij mor-
gen, met het krieken van den dag, kunnen vuren. Daar wordt
nu met kracht gewerkt aan de liniën naar de zijde van Wijck;
en de graaf van Hoorne, die daar het bestuur heeft, heeft mij
verzekerd dat zij spoedig af zullen zijn."
Willem III is bij dit beleg ontevreden over zijn onderbevel-
hebbers en over zijne ingenieurs; die ontevredenheid ontstond
ook daaruit, dat de Stadhouder wel inzag dat de zaken verkeerd
werden bestuurd, maar niet in slaat was om met gezag de beste
handelingen voor te schrijven, daar hij zelf te weinig kennis had
van de belegeringskunst. — In het dagboek van Constantijn
Huygens, den secretaris van Willem III, komt ook die uitdruk-
king van misnoegen over Louvignies voor, met bijvoeging van
nog deze woorden des Stadhouders: »hij handelt uit onkunde^
of uit boos opzet, — ik vrees het laatste; iedereen valt dit in
het oog."
Digitized by
Google
MAASTRICHT. 217
In den brief van den 24steD Juli 's avonds, of van den 2 5 sten
's ochtends — dit is twijfelachtig — schrijft de Stadhouder:
...>deze nacht is men vrij wel gevorderd, en onze batterij
vuurt. Ik moet u melden, dat ik gisteren avond een kleine wonde
aan den arm heb gekregen {un petit coup au hra%)\ ik schrijf het
u, om u niet ongerust te maken, want bet is haast niets."
en den 25sten Juli: ...>ik hoop dat wij overmorgen het ravelijn
zullen kunnen bestormen." — > het ravelijn" is het bastion Dauphin ;
de bestorming had echter eerst den 3osten Juli plaats, en niet
den 27sten zooals de Stadhouder hoopte.
Dien dag, den 27Sten, hoopt Willem III den 28sten den storm
te verrichten; hij ziet de zaken nog al gunstig in:
»ons werk is dezen nacht zeer goed gevorderd, en ik hoop
dat wij morgen het gedetacheerde ravelijn zullen kunnen bestor-
men ; gelukt die bestorming, dan zal ons dit zeer voordeelig zijn.
Het kanon van de vesting heeft^ sinds gisteren morgen, alleen
geschoten uit kleine stukken van 3 en van 6 ^ ; wij kunnen niet
begrijpen, waarom ; want zeer zeker kan al hun geschut nog niet
gedemonteerd zijn."
In het dagboek van Huygens komt voor, dat den 2 7 sten de
loopgraven genaderd waren tot ongeveer 120 pas van het bas-
tion Dauphin; in dat dagboek wordt het verminderen van het
vuur der vesting daaraan toegeschreven, dat de meeste kanon-
niers der Franschen gesneuveld waren; — het is echter slechts
een >men zegt".
Den 29sten Juli schrijft de Stadhouder:
...>onze nadernissen zijn deze nacht goed gevorderd; wij zijn
nog maar 60 pas verwijderd van het gedetacheerde bastion, dat
wij deze nacht zullen bestormen ; kunnen wij daar een logement
maken, dan geloof ik dat het overige vrij spoedig zal afloopen,
want van daar zal men zeker de contrescarpe ^ re\'er% kunnen
zien. Wij beginnen nog al verliezen te lijden; weinig dooden,
maar veel gewonden, en — ongeloofelijk — door schoten die
niet door en door zijn gegaan. Aan de kant van Wijck is de
circumvallalie af, — zooals de Graaf van Hoorne mij verzekert,
want in de laatste twee dagen heb ik zelf het niet kunnen gaan
zien, daar mijn arm mij het paardrijden wat lastig maakt; maar
dat is nu over, en morgen zal ik daar gaan zien..."
In den brief van den isten Augustus — twee dagen na de
mislukte bestorming van het bastion Dauphin — komt voor:
> gisteren heb ik u niet geschreven, omdat er, de nacht na de
bestorming van het gedetacheerde Bastion, niets gedaan is dan
werken aan de communicatie-linie lusschen de nadernissen van
den Heere Bisschop" (van Osnabrug) >en de mijne, die nog niet
de noodige afmetingen had; en de vorige nacht is men met
sappeeren bij de 60 pas gevorderd; en op 25 pas van den voet
Digitized by
Google
2l8 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
van het bastion eene mijngalerij begonnen {attaiché Ie mineur)
waaraan den ganschen dag wordt gewerkt; met dat al geloof ik
niet, dat men er staat op kan maken om de stad binnen veer-
tien dagen tijds te nemen."
Twee dagen later — in den brief van 3 Augustus — wordt
de stand van zaken niet veel gunstiger geschetst.
...>Voor het overige gaan de aanvallen volstrekt niet zoo
vooruit, als ik zou wenschen. De mijngalerij^ die zoo als ik u
eergisteren schreef begonnen is, is vernield (enfoncée) door bommen
en fougassen van den vijand; de vorige nacht heeft zich dit
herhaald, en de vijand heeft een vrij groote uitval gedaan ; maar
de Ëngelschen hebben hem krachtig teruggeworpen, zonder iets
te wijken. De vijand heeft veel verloren, wij hebben veel dooden
zien liggen; de onzen hebben haast geen verlies geleden. Daar
de infanterie van den Heere Ginckel heden was aangekomen,
zal men van nacht een nieuwen aanval beginnen naar de zijde
van Sint Pieter; dit zal dan de aanval zijn van den Heere Hertog
van Osnabrug, en het zal zeker eene groote afleiding geven.'*
In den brief van 5 Augustus wordt eindelijk de inneming van
het bastion Dauphin gemeld:
>Daar onze mijn niet klaar kon komen, hebbende de vijand
haar vernield in twee opvolgende nachten, zoo hebben wij gis-
teren avond het bastion Dauphin bestormd ; na een hevig gevecht
en nadat de vijand drie mijnen had laten springen, hebben onze
troepen het werk genomen, zich daar gehandhaafd en zich inge-
graven {^fait un logement). De dapperheid van onze infanterie gaat
alle denkbeeld te boven. Gij kunt wel begrijpen, dat het niet
gegaan is zonder een groot verlies, zoo aan officieren als aan
soldaten; zeker heeft de vijand ook verliezen geleden; van de
officieren is onder anderen door een kanonschot gesneuveld de
kleine Suerius en de arme Heer De la Guette; wat mij bijzonder
leed doet, daar hij een zeer goed officier was en een fatsoenlijk
man {/tonnest homme)^
Willem III is zeer streng in zijne eischen van militairen plicht,
en nooit mild in het roemen van zijne troepen; wanneer hij er
dus over spreekt zooals hier in dien brief van 5 Augustus, dan
kan men verzekerd zijn, dat de infanterie bij die bestorming met
zeer groote dapperheid heeft gestreden.
De volgende brief — van 7 Augustus — bevat minder lof-
spraak :
...» Gisteren ochtend om 8 uur heeft de vijand een uitval ge-
daan; en daar de Ëngelschen, die de wacht in de loopgraven
hadden, zich lieten overvallen, was de vijand weer meester van
het bastion Dauphin ; maar hij werd er dadelijk weer uitgeworpen*
Gisteren avond liet de vijand een mijn springen in de keel van
dat bastion, waar de onzen een logement hadden gemaakt; dit
Digitized by
Google
MAASTRICHT. 219
heeft veel schade aangerigt, maar niet belet dat deze nacht het
logement is hersteld, en regts en links aan eene goede loopgraaf
is begonnen. Onze Kapitein van de Mineurs verdient de galg,
daar hij mij verzekerd had van alle mijnovens te hebben ge-
vonden; had hij zijn plicht gedaan, dan had hij die mijn van
den vijand gemakkelijk kunnen opblazen. Ik hoop dat wij over
een paar dagen, de bedekte weg {la contrescarpé) zullen kunnen
aanvallen."
>Onze Kapitein van de Mineurs verdient de galg"; — bij Wil-
lem III was zulk eene uitdrukking soms meer dan eene ijdele
bedreiging; hier echter blijkt niet dat er uitvoering aan is ge-
geven. In het dagboek van Huygens komt voor, dat den 21 sten
Augustus de Kapitein der Mineurs Jacobi een schot kreeg door
en door het lichaam ; het was dezelfde — wordt er bijgevoegd —
>wiende Prins, de vorige dag, stokslagen wilde geven." Natuurlijk
dat het thans onmogelijk is om iets met zekerheid te zeggen,
over de schuld, of onschuld, van dien kapitein Jacobi; het kan
zeer goed zijn, dat hij geboet heeft voor de fouten van hooger
geplaatsten; want het was toen, zooals het altijd geweest is, en
altijd zijn zal:
»de tout temps
les petits ont pda des sottises des grands."
Bij Huygens worden genoemd, onder de gesneuvelde Hol-
landsche officieren op den 6en Augustus en de twee volgende
dagen: de kapitein Eysinga >een dapper man", en de kapiteins
Meeteren en Rantzau. Verder wordt door dien secretaris van den
Stadhouder gezegd, dat op den 6en een tamboer uit de vesting
kwam, de Chamade slaande; — de Chamade^ het Engelsche />^r/?y,
het Hollandsche woord is ons niet bekend; een signaal om te
parlementeeren, juist niet altijd voor eene capitulatie, maar om
het een en ander te bespreken ; — een Hollandsch officier. Pijper,
werd afgezonden om te weten wat die Fransche tamboer te zeg-
gen had; en toen dit was afgeloopen, vroeg Pijper, bij het weg-
gaan aan den tamboer, »wat de heer De Calvo deed"? De tam-
boer antwoordde: >goed eten, en goed drinken, en zich gereed
houden om goed te vechten". >Zeg aan den heer De Calvo,"
hernam Pijper, »dat gij den broeder van mevrouw Van der Poll
hebt gesproken, en dat die het zeer kwalijk neemt dat de heer
De Calvo zoo dikwijls bij zijne zuster heeft geslapen."
Natuurlijk, krijgskundig belang heeft deze aanhaling uit het
dagboek van Huygens niet; maar zij dient om eenig denkbeeld
te geven van de zeden van dien tijd, en van den geest waarin
dat dagboek is geschreven.
De brief van den Ssten Augustus toont dat de Stadhouder toen
goede verwachting heeft van het beleg:
Digitized by
Google
220 KRIJGS- ES GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
...•De afgeloopen nacht hebben wij eene communicatie-linie,
links van het bastion Dauphin, nagenoeg voltooid; de vijand
heeft ons daarbij tamelijk ongemoeid gelaten ; maar dezen ochtend,
om zes uur, heeft hij een uitval gedaan met 300 man ; maar daar
de onzen op hunne hoede waren, heeft de vijand geen ander
voordeel behaald dan het binnendringen in een klein logement
in de keel van het bastion, wat gemakkelijk viel omdat het
moeijelijk verdedigd kon worden. De Garde, die in de loopgraaf
was, heeft zeer goed gevochten; ik heb het ongeluk gehad drie
kapiteins te verliezen, maar slechts luttel soldaten. Ook het regi-
ment van La Vergne, dat aan de aanval rechts was, heeft zich
zeer goed gehouden ; de Kolonel kreeg, dezen nacht, eene wonde
aan het hoofd. Heden, omstreeks de middag, is een kruidmagazijn,
of een mijn gesprongen in de saillant van het hoornwerk; zelfs
kanonnen zijn vernield, en de borstwering verwoest; en gisteren
heeft een onzer bommen in hetzelfde werk een magazijn van
den vijand vernield. Gij ziet dat de goede God ons begunstigt;
en ik hoop dat hij ons spoedig meester zal maken van 's vijands
werk."
Dijkveld, toen gedeputeerde te velde, heeft minder illusiën ; op
denzelfden dag, 8 Augustus, schrijft hij aan Waldeck — zijn
vriend, voor zoover in die hoogere kringen sprake kan zijn van
vriendschap :
> Zijne Hoogheid vermoeit zich te veel, en waagt zich te veel ;
de heer Rhijngraaf is nacht en dag in de weer, en ontziet zich
volstrekt niet; en toch gaan de zaken niet zoo als Zijne Hoog-
heid het wel zou wenschen. De artilleristen voldoen niet genoeg,
vooral sinds het ongeluk dat den majoor Keppelfox is over-
komen." (wat dit geweest is, hebben wij niet ontdekt). >lk weet
niet of het komt omdat er te weinig officiers en manschappen
zijn, of omdat die er zijn hun zaken niet goed verstaan.
Zijne Hoogheid klaagt er over, dat men, door verkeerde maat-
regelen of door het slecht leiden der nadernissen, verscheiden
dagen tijds heeft verloren ; de eene wijt dit aan de onkunde van
de Ingenieurs, de andere aan de stijfhoofdigheid van hen die te
veel ingenomen zijn met hunne eigene meening."
Dus, ook volgens Dijkveld, werd het beleg slecht geleid; —
daaromtrent zijn de meeningen tamelijk eenstemmig. Maar wiens
schuld was het? de schuld van de ingenieurs, van de artillerie,
of van hen die bevelen gaven aan ingenieurs en artillerie? op
wie doelt Dijkveld, wanneer hij spreekt >van de stijfhoofdigheid
van hen die te veel ingenomen zijn met hunne eigene meening"
(ropiniastreté de ceux qui ayment trop leurs propres sentimenn)? op
Louvignies, op Hoorne wiens beleid ook misprezen is, of op
den Rhijngraaf, want ook die dappere krijgsman is den blaam der
beoordeelaars niet geheel ontgaan? — Misschien had Dijkveld,
Digitized by
Google
MAASTRICHT. 221
met die woorden, Willem III zelf op het oog. — Dijkveld toch
was wel de dme damnée van Willem III, een ijverig en onver-
moeid voorstander van den Stadhouder, die niets ontzag waar
het gold diens belangen te behartigen; maar Dijkveld was tevens
een bekwaam man, gewoon aan de behandeling van groote aan-
gelegenheden, en die een helderen blik had in staats- en krijgs-
zaken. Het kon Dijkveld dus niet ontgaan, dat Willem III, hoe
groot veldheer ook, in de belegeringskunst niet gelijk stond met
zijn roemrijke voorouders, met Maurits, met Frederik Hendrik,
den >stedenwinnaar".
In de laatste brieven van den Stadhouder die wij hier laten
volgen, komen reeds donkere voorstellingen, bijna noodkreten
voor ; het is haast alsof men dat bulletin leest waarin Napo-
leon voor het eerst den tegenspoed van den Russischen veldtocht
erkent. Op een enkele plaats uit de Stadhouder nog de hoop
dat Maastricht spoedig zal bezwijken, maar weldra is het ontwij-
felbaar, dat hij zelf wanhoopt aan de goede uitkomst van het beleg.
Den loen Augustus:
> Gisteren zijn wij dag en nacht bezig geweest, met onze loop-
graven weer in orde te brengen, en alles voor te bereiden tot
de bestorming van den bedekten weg, aanstaande nacht; daarvan
zal hoofdzakelijk de uitkomst van het beleg afhangen. God geve
het beste..."
den i2en Augustus:
>Ik had gemeend dat men — zooals ik u meldde — reeds de
nacht vóór de voorgaande den bedekten weg zou hebben be-
stormd; maar daar eerst gisteren avond al het noodige klaar
was voor den storm, heeft die eerst den afgeloopen nacht plaats
gehad, door zes regimenten, bij elke nadernis, die aanvankelijk
den bedekten weg hebben genomen, zonder veel tegenstand.
Maar toen men zich begon in te graven, heeft de vijand, bij
den aanval van den Rhijngraaf, drie mijnen laten springen, die
echter geen groote schade hebben aangericht; in weerwil daar-
van heeft de Rhijngraaf een goede loopgraaf gemaakt, rechts en
links van de contrescarpe van het hoornwerk van de Boschpoort,
tot tegen de palissadeering. Maar de Graaf van Hoorne heeft
het ongeluk gehad dat zijne werkers op den loop zijn gegaan,
en hij zijn logement niet heeft kunnen maken ; hij zal dus heden
avond op nieuw moeten stormen, wat ons veel volk kost. Op
dit oogenblik hebben wij geen een regiment, dat 400 man sterk
is; daarom moet men, na het beleg, niet meer rekenen op deze
infanterie. Ik heb het nu zoo druk, dat ik u onmogelijk mijn
meening kan zeggen over deze aangelegenheid; in den eerstvol-
genden brief zal ik dit doen..."
den 1360 Augustus:
...»Den afgeloopen nacht is de Graaf van Hoorne niet geluk-
Digitized by
Google
222 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
kiger geweest dan den vorigen; hij is begonnen aan het maken
van een logement, maar toen de dag aanbrak hebben onze
troepen het verlaten, en is de vijand er ingekomen die het om-
geworpen of verbrami heeft; wij hebben zeer groot verlies* ge-
leden; de regimenten worden zóó zwak, dat ik niet weet hoe
men voortaan goede stormcolonnes zal verkrijgen... Daar Ivoy
eergisteren door een steen werd gewond die hem belet om te
gaan, en de meeste van onze Ingenieurs niet meer in staat zijn
om dienst te doen, ben ik genoodzaakt Top hier te houden.**
(Dopff, de latere kwartiermeester-generaal uit den Successie-oorlog).
den i5en Augustus:
...>den afgeloopen nacht hebben wij gewerkt aan eene com-
municatie-linie tusschen de logementen bij de aanvallen van den
Graaf van HoDrne en van den Rhijngraaf, en aan het opmaken
van onze loopgraven; maar daar zoowel het een als het ander
werk nog al omvang heeft, hebben wij het niet af kunnen
maken ; dit zullen wij heden nacht doen. De Heer Rhijngraaf is,
met het krieken van den dag, gewond onder den linkerschouder ;
de wonde is echter niet gevaarlijk, maar zal hem beletten van ge-
durende het overige van het beleg, dienst te doen; wat mij bijzonder
ongelegen komt, daar ik niemand heb om hem te vervangen.
P. S. Wij werpen drie batterijen op, die overmorgen af moeten
zijn: eene in het bastion Dauphin en de andere op zij, zeer
digt bij; in één dag zullen zij de reeds begonnen bres kunnen
voltooijen; en dan geloof ik dat de Heer De Calvo er aan zal
denken om op Wijck terug te trekken."
en, eindelijk, den lóea Augustus:
>Zoo als ik u gisteren schreef hebben wij dezen nacht niets
anders gedaan dan onze werken weer in orde te brengen — wat
geen kleinigheid was — , en een logement gemaakt bij de palis-
sadeering van den tweeden bedekten weg van het ravelijn; bij
de nadernis van den Rhijngraaf zal men voortgaan met zich uit
te breiden langs het hoornwerk (/'ö« cmtinuera è couler Ie long
de Vouvrage d corne); ik hoop dan ook dat men overmorgen
rechts het ravelijn zal kunnen bestormen, en dat men links nabij
den muur zal zijn" (welke muur ? de muur van den hoofd wal P) ;
>roaar onze Ingenieurs zijn het er niet eens over, of men het
hoornwerk moet bestormen, of het ter zijde laten liggen; wat
mij aangaat, ik geloof dat men Maastricht nog eer zal ingenomen
hebben dan dit werk." — Wij hebben reeds gezien dat Louvois
het in den belegeraar als een misslag gispt, dat deze met zijne
loopgraven vooruit is gegaan, zonder het nemen >van een ge-
metselde redoute, een weinig links van de aanvalswerken" ; — die
> gemetselde redoute" schijnt nog iets anders te zijn geweest, dan het
hoornwerk dat Willem III van oordeel was maar niet te bestormen.
Ziedaar wat in de brieven van Willem III voorkomt over het
Digitized by
Google
MAASTRICHT. 223
beleg van Maastricht in 1676; na 16 Augustus, niets meer; mis-
schien omdat er niets meer van valt te zeggen, en de Franschen
gelijk hebben met hunne bewering, dat in de laatste veertien
dagen de aanvalswerken niets zijn vooruitgekomen. Ook in het
dagboek van Huygens vindt men weinig of niets wat tot ophel-
dering van den gang van zaken bij dit beleg kan dienen; wél
wordt daarin met afkeuring gesproken van de weinige bekwaam-
heid van verschillende bevelhebbers, van Louvignies, van Hoorne,
zelfs van den Rhijngraaf; maar de aanteekeningen van Huygens
hebben geen groote waarde, daar hij die meestal bouwde op de
weinig betrouwbare praatjes van het hoofdkwartier eens legers.
Wat men in dat dagboek van Huygens het meest als waar kan
aannemen, dat zijn de opgaven omtrent gesneuvelde of gewonde
ofhcieren, want daaromtrent kan hij zekerheid hebben gehad.
Den II en Augustus — zegt dat dagboek — was de storm van
den graaf van Hoorne mislukt, omdat van de twee ingenieurs,
de eene — Van Beeck" — sneuvelde, en de andere — Aimont —
gewond werd, en de werkers daarop de vlucht namen ; dien dag
sneuvelde ook de kapitein Ingelby van het regiment van Walen-
burg, en werd Slangenburg — de latere overwinnaar van Eekeren —
gewond. Den I2en sneuvelde de kapitein Linden van de Gardes,
en werden Ittersum en Balfour gewond, — de laatste een neef
van Huygens; den volgenden dag sneuvelt Hofweylen; en den
i4ea doodt een kanonskogel den kolonel Dolman; — de laatste
had bij het begin van het beleg het regiment gekregen van den
kolonel Widdrington, die gesneuveld was; en daarop een duel
gehad met den luitenant kolonel van dat regiment, die meende
de opvolger van Widdrington te moeten zijn.
De algemeene indruk die het lezen van déze brieven van den
Stadhouder maakt, is, dat men geen gunstige verwachting kan
hebben van den afloop van het beleg. Wél tracht Willem III op
enkele plaatsen een minder ongunstige voorstelling te geven ; —
onder andere door te zeggen dat de wonde die de Rhijngraaf
had bekomen niet gevaarlijk is, — eene wonde waaraan die
dappere officier drie weken later stierf; — maar toch erkent de
Stadhouder op meer dan ééne plaats dat er groote verliezen zijn
geleden, en maakt daardoor de Fransche opgaven omtrent den
omvang dier verliezen eenigszins waarschijnlijk. Nu zou dat ver-
lies, hoe smartelijk ook, minder ter zake hebben afgedaan, had
men — evenals bij het beleg van Grave in 1674 — alleen te
doen gehad met de vijandelijke vesting; maar hier had men
ook te doen met een vijandelijk leger, dat tot ontzet van
Maastricht oprukte, en men was nu te zwak om dat leger het
hoofd te bieden. De onderneming moest dus worden opgegeven ;
het opbreken van het beleg was een verstandige handeling.
Digitized by
Google
224 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Maar was het dan wel verstandig om het beleg te beginnen ? —
Jawel, maar men had dat beleg op bekwame wijze moeten lei-
den; dit 'schijnt veel te wenschen te hebben overgelaten; daar-
over zijn de meeningen tamelijk eenstemmig. Aan wien moet
men hier de schuld geven ? aan de artillerie ; aan de ingenieurs ;
aan Louvignies, Hoorne of den Rhijngraaf? — misschien wel aan
allen wat; maar de billijkheid vordert, de schuld voornamelijk
te doen rusten op Willem III zelf: hij, als opperbevelhebber,
draagt de verantwoordelijkheid voor het verkeerd beleid van
zijne onderhebbenden ; evenals bij de belegeringen die de Engel-
schen deden in het Spaansche Schiereiland, Wellington verant-
woordelijk is voor de schromelijke onkunde van zijne ingenieurs^
die duizenden soldaten nutteloos heeft doen sneuvelen. Een
legerhoofd dat eene vijandelijke vesting belegert, kan niet vol-
staan met die belegering geheel en al aan zijne ingenieurs over
te laten, -7 zooals men aan een geneesheer geheel en al de be-
handeling van een zieke overlaat; — integendeel, het legerhoofd
moet over de handelingen der ingenieurs het toezicht houden,
die handelingen beoordeelen, die veranderen en verbeteren als
hij het noodig oordeelt; — naar het schijnt heeft Willem III dat
in 1676 voor Maastricht niet gedaan; wèl heeft hij daar, zooals
gewoonlijk, een onvolprezen dapperheid en geestkracht aan den
dag gelegd ; maar die hoedanigheden, die bij een veldslag meestal
van een beslissenden invloed zijn, zijn niet voldoende om bij
een beleg tot een goede uitkomst te geraken; daartoe wordt
ook nog gevorderd eene kennis van den vestingoorlog, die Wil-
lem III niet in genoegzame mate schijnt te hebben bezeten, —
evenmin als Wellington die bezat.
Nog den 28steii Augustus bleef het leger van de bondgenooten
te Lanaken standhouden, als het ware om den vijand uit te
dagen tot een veldslag ; maar Schomberg, die zijn doel, het ont-
zetten van Maastricht^ volkomen bereikt had, zag geen reden om
slag te leveren, en bleef daarom rustig in zijne legerplaats op
den Sint-Pietersberg, ten zuiden van de vesting. Willem III,
daartoe ook gedwongen door gebrek aan leeftocht, verliet daarop
den 29sten Augustus Lanaken, en trok over Diepenbeek naar
Sint-Truyen, Den isten September brak het leger van de bond-
genooten weer op van Sint-Truyen en plaatste zich aan de Jeeker,
bij Waremme ; hier echter bleef het slechts een paar dagen, trok
meer naar de zijde van de Méhaigne, en kwam den gen Sep-
tember te Gemblours. Schomberg, van Maastricht naar Waremme
opgebroken, vond de Jeeker reeds verlaten door de bondgenooten.
Den 8sten September verliet de Fransche veldheer Waremme en
rukte op Gemblours, waar het leger der bondgenooten hem den
weg naar Charleroi scheen te willen afsluiten: werkelijk wa«^
Digitized by
Google
MAASTRICHT. 22$
Willem UI voornemens hier slag te leveren, om het vijandelijke
heir den terugkeer naar Frankrijk te beletten; maar de andere
bevelhebbers vonden die handeling te gewaagd; de terugtocht
naar Wavre werd daarop aangevangen; en alles bepaalde zich
tot een klein ruitergevecht, waarbij elke der beide partijen zich
de overwinning toeschreef; — dit had plaats op den loen September.
Willem III, ziende dat er dit jaar geen bijzondere krijgsver-
richtingen meer zouden voorvallen in de Nederlanden, verliet
daarop het leger en gaf het bevel over aan Waldeck ; deze moest,
zoodra er schijn was van het leveren van een veldslag, den
Stadhouder waarschuwen, die dan dadelijk terug zou komen om
het leger aan te voeren. Maar er had geen veldslag meer plaats,
en de Stadhouder bleef dus in Holland; het leger der bondge-
nooten hield gedurende September stand in de nabijheid van
Wavre, en ging daarna uiteen. Het regelen van de winterkwar-
tieren was aan Waldeck overgelaten; een lastige en ondankbare
taak, daar ieder deel des legers gaarne de beste kwartieren had,
en ieder deel des lands gaarne zooveel mogelijk verschoond was
van inkwartiering. Schomberg hield nog geruimen tijd stand te
Gemblours, om de konvooien met leeftocht en munitie te dek-
ken, die voor Maastricht bestemd waren; daarna ging hij terug
op Philippeville. Er gebeurde niets bijzonders meer ; de veldtocht
van 1676 in de Nederlanden was geëindigd.
In Müller's werk over Waldeck (2* deel, blz. 321) komen nog
bijzonderheden voor, die aantoonen hoe het leger der Republiek
door het beleg van Maastricht verzwakt was. Toen Waldeck in
September het bevel over het leger op zich nam, was er een
regiment Schotten — van sir Alexander Colyear, — dat nog maar
290 man sterk was ; hel getal zieken was groot ; den 26sten Sep-
tember zendt Waldeck er 750 uit het leger weg, den 28sten nog
300; ook verschillende bevelhebbers, — 's Gravenmoer, Obdam,
Brederode en Thouars moesten wegens ziekte naar Holland
terugkeeren; de 28 regimenten voetvolk van het leger maakten
te zamen maar een 12000 man uit, de 19 regimenten ruiterij
4500 paarden. Bij die legermacht van de Republiek sloten zich
een klein aantal Spanjaarden aan, en de troepen van den vorst-
bisschop van Osnabrug; dit alles te zamen maakte eene macht
uit, verreweg minder sterk dan het leger van Schomberg, dat
toen een 40000 man telde. Geen wonder dus, dat de bondge-
nooten na het beleg van Maastricht moesten afzien van groote
krijgshandelingen.
Toch moeten — volgens Rousset — die krijgshandelingen na het
ontzet van Maastricht van meer belang zijn geweest dan men uit de
opgaven van onze schrijvers zou besluiten; hij zegt daarvan (blz.
247—248):
WILLEM in. — II. 15
Digitized by VjOOQIC
226 KRIJGS- EN GBSCHISDKUNDIGE BESCHOUU'INGEN.
>De moed van den Stadhouder was koelbloedig en onwrikbaar;
terwijl men meende dat hij in vollen aftocht was naar Holland^
was hij het juist^ die er op bedacht was om het Fransche leger
den aftocht te beletten. De maarschalk Schomberg ontmoette
hem tweemaal op zijn weg: bij het défilé van » Cinq-étoiles" aan
de Méhaigne, en voorwaarts van Gemblours; tweemaal wist hij
hem te ontgaan, óf door misleiding, óf door spoediger eene sterke
stelling te bezetten. De eerste maal liet hij door zijn rechter-
vleugel den schijn aannemen, alsof hij zich met geweld een weg
wilde banen-, onder dekking daarvan werden spoedig bruggen
geslagen over de Méhaigne, gingen centrum en linkervleugel de
rivier over, en kwam op den anderen oever het geschut in bat-
terij, dat nu ook den rivierovergang van den rechtervleugel be-
schermde; dit geschiedde zonder overhaasting, zonder wanorde;
de bruggen werden weer afgebroken, en de marsch voortgezet.
Alleen te Gemblours had een ernstig gevecht plaats: de ruiterij
van de voorhoede, onder den graaf De Montal, maakte door
een krachtigen aanval den weg vrij, dien de Hollanders reeds
hadden bezet.
Van dat oogenblik af gaf de Prins van Oranje de hoop op
van voordeel te behalen op een zoo bekwaam en stout tegen-
stander; aan den graaf Van Waldeck liet hij het over om zijne
troepen, uitgeput van vermoeienis, weer terug te geleiden; en
somber kwam hij in Holland terug, dat hij niet kon wijzen op
overwinningen, als troost voor de tegenspoeden door de vloot
geleden en voor het onherstelbaar verlies van De Ruyter."
De Ruyter, »die schoonste flonkerster in HoUand's praalge-
steente", was in den zeeslag bij Syracuse, op de kust van Sicilië,
tegen de Fransche vloot van Duquesne, den 2 asten April 1676,
doodelijk gewond en acht dagen later gestorven. Een groot ver-
lies voorzeker; — maar bij den hoogen leeftijd van De Ruyter
heeft de vijandelijke kogel niets anders gedaan dan zijn dood
verhaast; het was een glorievolle dood, een waardige bekroning
van een glorievol leven. De Ruyter is de populairste man in
onze geschiedenis; een karakter zonder smet of vlek; een
onsterfelijke roem omgeeft zijn naam. Als zeeheld, als vloot-
voogd, is hij de grootste van ouderen en nieuweren tijd; de
Franschman Duquesne, de Engelschman Nelson, kunnen mét
hem worden genoemd, maar staan niet boven hem. Het schip
dat De Ruyter's lijk naar het vaderland overbracht, zou, had
het in eene Fransche haven moeten binnenvallen, daar met eer-
bewijzingen zijn ontvangen; Lodewijk XIV heeft, toen hij dit
gelastte en dus een vijand huldigde, hierin op een waardige, op
een echt koninklijke wijze gehandeld.
Digitized by
Google
KRIJGS VERRICHTINGEN AAN RIJN EN MOEZEL, ENZ, 227
De krijgs verrichtingen van 1676 aan den Rijn hebben niet in
rechtstreeksch verband gestaan met de krijgsverrichtingen in De
Nederlanden, met de wapenfeiten van Willem III; toch is het
goed ook 4ie oorlogsvoering aan den Rijn hier eenigszins in
bijzonderheden te bespreken, omdat men daardoor Luxembourg
nader leert kennen, het legerhoofd dat zulk een groote rol ver-
vult in de oorlogen van den Stadhouder. Men mag Luxembourg
als mensch verachten en verfoeien, ontegenzeggelijk echter is
het dat hij als legerhoofd uitstekend was. Die uitstekendheid
blijkt evenwel nog niet bij dezen veldtocht; — en daaruit kan
men al weer leeren, dat het verkeerd is om de waarde van een
legerhoofd te schatten naar wat hij bij den aanvang van zijn
loopbaan is. Bij zijn eersten veldslag is Frederik de groote wel
op de vlucht gegaan; — toch zal niemand hem heldengeest be-
twisten.
Luxembourg, in 1676 aan het hoofd van het Fransche leger
aan den Rijn, had tegenover zich een Keizerlijk leger onder
Prins Karel van Lotharingen. Lodewijk XIV had tevergeefs
pogingen aangewend om dien Prins van Lotharingen voor Frankrijk
ie winnen; ook aan hem, evenals vroeger aan Willem III, was
het aanbod gedaan om schoonzoon te worden van den Fran-
schen Koning, om eene van diens basterd-dochters te trouwen;
>maar," — zegt Rousset (blz. 252) — >met dit onderscheid, dat
de Prins van Oranje, reeds een oud tegenstander van Lodewijk XIV,
het zóó ver had gebracht, dat men, ten minste in het openbaar,
niet anders dan met een zeker ontzag van hem sprak; terwijl
men daarentegen op zeer vrijen toon sprak over Prins Karel,
die een nieuweling was in de legeraanvoering." — In de brief-
wisseling tusschen Louvois en Luxembourg wordt op spottenden
en minachtenden toon over dien Prins van Latharingen ge-
sproken ; — ten onrechte, want hij had wel degelijk zijne waarde
als legerhoofd.
In 1676 gold het hier hoofdzakelijk Philipsburg, de vesting op
den rechteroever van den boven-Rijn, die in het bezit was van
de Franschen, en die de Duitschers hun wilden ontnemen. Reeds
het jaar te voren was Philipsburg eenigszins geblokkeerd ge-
worden door de bondgenooten ; toch niet zóó, of de bezetting
haalde overal levensmiddelen op. Luxembourg vraagt wat de
Koning beveelt, als Philipsburg wordt belegerd of ingesloten; —
op die vraag komt geen bepaald antwoord.
In April 1676 beginnen de operaliën aan den Rijn. Luxem-
bourg trekt zijne macht bijeen te Schelestadt; de hertog van
Lotharingen trekt op naar de zijde van Straatsburg, in schijn
om Saverne en Hagenau te bedreigen, inderdaad om het beleg
Digitized by
Google
228 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
van Philipsburg te dekken en het belegeringspark te beschermen
dat hij gedurende den winter te Straatsburg had bijeengebracht:
...>Toen de vaartuigen die het konvooi uitmaakten den Rijn
waren afgezakt, ging de hertog van Lotharingen terug achter de
Lauter, tusschen Lauterburg en Weissemburg, gedekt door eene
verschanste linie die de rivier tot gracht had." (P.ousset, 2' deel,
blz. 255 — 256).
Philipsburg lag op den rechteroever van den Rijn en was ter-
nauwernood daarvan gescheiden door een smalle strook gronds,
die bij het wassen van het water dikwijls onderliep; voor het
overige was de vesting bijna geheel omgeven door moeras. Op
den linkeroever was een fort, tot dekking van eene brug die de
gemeenschap onderhield met de werken op den anderen oever.
De Prins van Baden, die, onder den hertog van Lotharingen,
belast was met het beleg, opende den loen Mei allereerst de
loopgraven tegen het fort. Na een beleg van negen dagen waren
de borstweringen vernield door het geschutvuur, en capituleerden
de verdedigers, aftrekkende naar de vesting. Na dit eerste voor-
deel vernielden de belegeraars de brug, dewijl het vuur van den
rechteroever hen belette daarvan gebruik te maken, en begonnen
aan het slaan van een andere brug, buiten het bereik van het
kanonvuur der vesting. >Die werkzaamheden; het bezwaar dat
de belegeringsarbeid boven en beneden de vesting aanvankelijk
opleverde wegens de beperktheid van het terrein; de worsteling,
èn tegen den last van het water, èn tegen de herhaalde uitvallen,
op bekwame wijze verricht door Du Fay" (den Franschen be-
velhebber in Philipsburg) ; > al die oorzaken te zamen vertraagden
het openen der loopgraven meer dan een maand; tot 22 Juni.**
Luxembourg weet niet wat te doen; gedurig schrijft hij aan
den Koning en aan Louvois om bevelen te vragen; in geen
zijner veldtochten heeft hij meer geschreven en minder gehan-
deld. Madame de Sévigné schrijft dan ook, den iien Augustus
1676: > Luxembourg overstelpt ons met koeriers. Och, die sukkel
van een Turenne : die zond nooit koeriers ; hij won een veldslag
en dat hoorde men dan door de brievenpost." — De bevelen,
die Louvois aan Luxembourg zendt, zijn van een zeer raadsel-
achtigen aard; zij hebben wel wat van een Grieksch orakel.
> Het is van het hoogste belang," — zoo schreef hem Louvois
den 25sten Mei, — >Philipsburg te behouden; en Zijne Majesteit
keurt het goed dat gij het te hulp komt, versterkt als gij zijt
door al de troepen die de Koning te uwer beschikking stelt;
maar de Koning gelast mij u altijd daarop bedacht te maken,
dat een verloren veldslag onze zaken veel meer zou verergeren,
dan een gewonnen veldslag ze zou kunnen verbeteren; en hij
verwacht dat gij niets zult ondernemen dan na rijp beraad en met
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN AAN RIJN EN MOEZEL, ENZ. 229
de waarschijnlijkheid van te slagen." (Rousset, blz. 256 — 257).
Dat zijn bevelen van ^het jaar nul". Doet Luxembourg niets
om Philipsburg te ontzetten^ dan handelt hij tegen 's Konings
voorschriften; want daar staat duidelijk in, dat hij de vesting te
hulp moet komen. Rukt hij op tot ontzet van Philipsburg en
slaat hij den vijand, dan is het goed; maar wordt hij zelf ge-
slagen, dan heeft hij weer gehandeld tegen 's Konings voor-
schriften, want die bepalen dat hij niets moet ondernemen, tenzij
met waarschijnlijkheid van ^e overwinnen. Aan zulke voorschriften
heeft men niets ; — maar waarom ook heeft Luxembourg die voor-
schriften gevraagd? Een legerhoofd moet zelf weten hoe te han-
delen, en de verantwoordelijkheid voor zijne handelingen dragen.
Den i6eQ Mei wordt van het hoofdleger van Lodewijk XIV
uit Vlaanderen eene versterking van 8000 man naar Luxembourg's
leger afgezonden; — bij dat laatste is weer veel desertie; ten
deele ook door de schuld van Luxembourg, die, in stede van
de krijgstucht te handhaven, van tijd tot tijd zijn toevlucht neemt
tot bijzondere handelingen.
Luxembourg aan Louvois, 19 Mei: ȣr is weer een vreeselijke
desertie bij de troepen die in Lotharingen en Franche-Comté
waren; het regiment Koninklijke dragonders heeft 52 deserteurs."
— 29 Mei : > de desertie houdt aan ; den voorgaanden nacht zijn
80 Engelschen overgeloopen naar Bitche. Veel Fransche deser-
teurs worden ons teruggebracht; allen rekenen zij op de dood-
straf; maar ik geloof niet dat zulk een straf de zaak verbetert;
ik wil een ander middel beproeven, dat, naar men meent, meer
zal uitwerken: het zal zijn, den een of ander den neus te laten
afsnijden en op de wang te brandmerken met de leliën; dat zal
misschien beter werken ; ik hoop het, want wij hebben het noodig."
(Rousset, blz. 257).
De hertog van Lotharingen wil beletten dat die 8000 man uit
Vlaanderen zich met Luxembourg vereenigen; hij breekt op van
achter de Lauter, naar de engten bij Saverne; maar die zijn reeds
bezet door de Franschen; de Hertog valt op die engten aan,
maar wordt afgeslagen. Bij dat gevecht sneuvelt, aan de Fransche
zijde, graaf Hamilton. -^
Door de vereeniging met die 8000 man is Luxembourg's leger
nu meer dan 40 000 man sterk. De hertog van Lotharingen, met
zwakkere macht, gaat terug, eerst op de Lauter, daarna op Lan-
dau, eindelijk op Philipsburg zelf; hij ontruimt zijne magazijnen
te Lauterburg en Weissemburg. Zijne stelling bij Philipsburg:
...>op den linkeroever van den Rijn, nabij het fort dat de
Keizerlijken in het begin van het beleg hadden genomen, was
een vlakte, » Klein Holland" genaamd, op regelmatige wijze, in
den vorm van een halven cirkel, door de rivier omgeven. Daar
was het dat de hertog van Lotharingen nu voorgoed stelling
Digitized by
Google
230 KRTJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
nam ; achter zich had hij de brug, die de markgraaf van Baden
over den Rijn had geslagen; zijne beide vleugels leunden aan
de twee uiteinden van den boog, door de rivier gevormd; en
vóór hem werd de koorde van dien boog afgesloten door een
verschanste linie, van afstand tot afstand op regelmatige wijze
voorzien van opene gedeelten, waar zes eskadrons in front tegelijk
doorheen konden trekken." (Rousset, blz, 258).
Luxembourg weifelt; hij schrijft aan Louvois, dat hij naar de
Lauter zal oprukken; Lauterburg denkt hij te nemen, maar
Weissemburg komt hem onaanvalbaar voor; hij hoopt Philips-
burg eindelijk te ontzetten, hoewel dit moeilijk zal gaan. Den
i6en Juni antwoordt Louvois, uit het kamp van Neder-Asselt,
met een langen brief, die dus eindigt (Rousset, blz. 259):
»uit al het voorgaande zult gij opmaken, Mijnheer, dat de
Koning het in het belang van zijn dienst acht, dat gij Philips-
burg te hulp komt, als er waarschijnlijkheid is van daarin te
slagen ; dat gij Lauterburg neemt, als dat te doen is ; en dat gij,
indien dit niet kan, den vijand krachtig genoeg bestookt om te
maken, dat het nemen van Philipsburg hem zoo goed als zijn
leger kost ; dat gij den bevelhebber van Philipsburg kennis geeft,
dat gij niets zult verzuimen om hem te hulp te komen; en dat
gij hem verbiedt te capituleeren, anders dan in de uiterste nood-
zakelijkheid. De bezwaren die gij inziet zouden u in verlegenheid
mogen brengen, als de Koning u verantwoordelijk stelde voor
het verlies van Philipsburg, zonder dat gij het te hulp waart ge-
komen; maar Zijne Majesteit schrijft u niets anders voor, dan
wat gij denkt dat te doen is, en gelast u alleen te zorgen dat
de vijand verplicht zij zijn leger nagenoeg op te offeren, wil hi}
Philipsburg innemen, en met het leger dat gij aanvoert kunt gi)
zoo iets gemakkelijk doen, en Zijne Majesteit zal overtuigd zijn,
dat wat niet door u is gedaan, ook niet te doen was."
Luxembourg blijft aarzelen, en laat den tijd verloopen zonder
een besluit te nemen; den iQen Juli schijnt hij echter voornemens
slag te leveren om Philipsburg te ontzetten ; dien dag schrijft hij
aan Louvois (Rousset, blz. 260):
• Rijpelijk overweeg ik wat gij mij schrijft; maar, na dit te
hebben gedaan, kom ik tot het besluit, dat, zonder veldslag,
Philipsburg vroeg of laat genomen wordt, en dat een gewonnen
veldslag het kan behouden. Het is dus zeker, dat, als wij niets
doen, Philipsburg verloren gaat; en hoewel de uitkomst van eeiv
veldslag onzeker is, hoopt men toch dien te winnen, als men
dien levert."
Den 23sten Juli schrijft hij nog eens in denzelfden geest, maar
toch iets minder bepaald; hij klaagt er over, dat de Koning
hem niet op stellige wijze zijn wil kenbaar maakt; hij vraagt,
waaraan de Koning meer hecht, aan Philipsburg, of aan het
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN AAN RIJN EN MOEZEL, ENZ. 23 1
leger; hij wenscht, dat de Koning bevelen geve. >Doet Zijne
Majesteit dat, dan zal zij gehoorzaamd worden; en doet zij het
niet, en laat zij ten tweeden male de zaak in het onzekere, dan
zal ik mij gereed maken om den vijand aan te vallen; tenzij ik
zie dat dit volstrekt onmogelijk is.''
Loavois is toen nog in Vlaanderen ; maar zijn vader, Letellier,
opent die twee brieven van Luxembourg, en verwacht nu ieder
oogenblik het bericht van een veldslag. In stede daarvan krijgt
hij, drie dagen later, een brief van Luxembourg van den 26sten
Juli, waarin deze voorstelt om, in plaats van slag te leveren, het
beleg te slaan voor Straatsburg: >a1s ik u mijne meening mag
zeggen, dan wil ik liever overgaan tot die handeling dan tot
het slag leveren, omdat ik het beter vind dat de Koning meester
is van Straatsburg dan van Philipsburg, en dat alles wat wij
kunnen beproeven om Philipsburg te ontzetten, toch altijd iets
onzekers blijft." (Rousset, blz. 260 — 261),
Dat voorstel vindt volstrekt geen goedkeuring. Letellier ant-
woordt onverwijld (28 Juli): ide Koning gelast mij om u te be-
richten, dat de ruil van Straatsburg voor Philipsburg zeer goed
zou zijn; maar dat men zich vroeger daartoe had moeten voor-
bereiden op die onderneming, en reeds gedurende den winter
alles had moeten gereed maken wat noodig is voor zulk eene
verovering; en daar nu die toebereidselen er niet zijn, en het
beleg van Philipsburg reeds zoo ver is gevorderd, acht Zijne
Majesteit zulk een diversie onraadzaam." En Louvois schrijft den
31 sten Juli: >Als Zijne Majesteit zich nog eens de brieven wil
laten lezen, die ik van den Heer De Luxembourg heb ontvangen,
tijdens de Koning bij Ninove was, dan zal Zijne Majesteit zien,
dat alles waar hij nu tegen opziet, hem toentertijd niet het
minste bezwaar opleverde; alleen Weissemburg achtte hij onaan-
valbaar." (Rousset, blz. 261).
Nu verkondigt Luxembourg weer, dat hij slag zal leveren,
(Rousset, blz. 261 — 264):
»De teerling is geworpen; de Maarschalk, besloten tot den
strijd, heeft zijn levendigheid weer teruggekregen; zijn taal is
koit en bondig, de taal van een man van de daad. Intusschen
bereidt iedereen zich voor, op de ontmoeting, die wij niet ver
verwijderd achten; de geheele infanterie maakt hare wapens ge-
reed, en de ruiterij bereidt zich voor tot alles wat zij te doen
heeft. Nooit heb ik zooveel geestdrift in een leger gezien; het
zal niet lang duren, hoop ik, of wij zullen daarvan gebruik
maken; de 6e of 7e van de maand zal niet verstrijken, of
's Konings leger zal een groot voordeel hebben behaald." — Het
was op I Augustus dat Luxembourg dit schreef, niet aan Louvois
alleen, maar ook aan den aartsbisschop van Rheims en aan het
geheele hof. Men stelle zich de gemoedsgesteldheid voor van
Digitized by
Google
232 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
hen die door al die weifelingen in spanning werden gehouden ;
de ontroering, het ziekelijk ongeduld, zoo juist geschetst door
madame De Sévigné: »tien, twaalf dagen lang ons in zulk een
geweldige onrust te laten verkeeren, dat is, dunkt mij, even goed
alsof men ons op een klein vuurtje blakerde."
Daar komt een bericht, gedagteekend van den i2en, uit het
kamp bij Landau: »Ik ben Philipsburg niet te hulp gekomen,
noch door eene krachtige poging, noch door een minder krach-
tige. Ik hoop dat Zijne Majesteit mij dit niet zal toerekenen als
een misslag, wanneer gij haar wel wilt zeggen wat ik heb ge-
daan, naar het verslag dat ik u zal geven." — Dan volgt er
eene lange uitlegging, van^vijfcien bladzijden. Men had vaartuigen
met ontplofbare middelen den Rijn laten afzakken; men had
eene soort van machine infernale gemaakt, en die gericht tegen
de brug van de Keizerlijken; — maar ziet, men was gestuit op
een stevig staketsel in den stroom, dat de hertog van Lotha-
ringen had laten maken zonder dat men daar iets van wist; en
de machine infernale^ met wat er bij behoorde, was dus gespron-
gen zonder eenig kwaad te doen. Men was tegen den vijand
opgerukt, in de meening dat men, door berichten en door kaar-
ten, zijne stelling goed kende ; maar die berichten en die kaarten
waren zoo weinig betrouwbaar, dat, toen men in *t gezicht kwam
van 's vijands kamp, men op den rechtervleugel belemmerd werd
door een bosch, waarvan niemand had gehoord en dat, ware
men verder voortgerukt, noodwendig de eenheid van de slaglinie
zou hebben verbroken. Toen had men twee dagen doorgebracht
met te beraadslagen hoe men om dat bosch heen zou kunnen
gaan; maar alle generaals waren van meening, dat die omtrek-
king noodwendig eene nederlaag zou veroorzaken. Daarop was
men afgetrokken.
De tegenstand die Philipsburg bleef bieden was wanhopige
dapperheid, een roemrijk zieltogen. Lodewijk XIV scheen zich
daarin te schikken; maar zelfs de hovelingen, zoo gewoon om
hun gezicht te plooien naar dat van den gebieder, bleven niet
altijd koelbloedig; zij konden er geen vrede mee hebben, een
stad, sedert twee en dertig jaar Fransch, een der eerste verove-
ringen van deze regeering, weer te zien vallen in handen van de
Duitschers. Tot staving van dat eervol patriottisch leedwezen
diene deze anekdote, door madame De Sévigné verhaald : » dezer
dagen, 's ochtends, zei de Koning: » lik geloof werkelijk dat wij
Philipsburg niet te hulp kunnen komen ; niettemin blijf ik toch
Koning van Frankrijk."" De heer De Montausier antwoordde:
» > dat is zoo, Sire ; zelfs zoudt gij nog zeer goed Koning van
Frankrijk zijn, als men u Metz weer had ontnomen, Toul en
Verdun, Franche-Comté, en veel andere gewesten die de Koningen,
uwe voorouders, ook niet hebben bezeten." "
Digitized by
Google
KRUGSVERRICHTINGEN AAN RIJN EN MOEZEL, ENZ. 233
Iedereen beet zich op de lippen, (brief van den sen Augustus
1676). Bij allen ging dezelfde gedachte om, maar alleen Mon-
tausier had den moed of de vrijheid deze uit te spreken. Ook
is het madame De Sévigné, die er ons over inlicht hoe er toen
over Luxembourg werd gesproken. >Voor het overige" — zoo
schreef zij den i9en Augustus aan hare dochter — tweet gij
reeds, hoe, zonder pijn of leed, die Duitsche berg een muis heeft
gebaard. Éen van onze vrienden meldt mij, dat hij niet weet,
hoe hij omtrent dit punt mijn verstand en het uwe zal kunnen
bevredigen; dat wij op een verduiveld bosch gestuit zijn, dat op
de kaart niet voorkomt en dat ons zoozeer heeft schaakmat ge-
zet, zoodat wij alleen vlak voor den vijand ons in slagorde kon-
den scharen; en dat wij daarom gedwongen zijn geworden om
den loen weer af te trekken, en Philipsburg prijs te geven aan
het geweld van de Duitschers. Zoo'n bosch, — Turenne zou het
nooit hebben kunnen verzinnen; en daarom begrijpen wij hoe
langer hoe meer, dat het maar goed is dat wij hem kwijt zijn."
Luxembourg hoort hoe zijne handelingen aan het hof worden
gegispt en bespot; in een brief van dertien bladzijden, aan
Louvois, verdedigt hij zich daartegen. Onder andere wederlegt hij
de beschuldiging van grootspraak: hij had maar aan een zijner
vrienden geschreven, dat hij groot vertrouwen stelde in de dap-
perheid der troepen, meer niet; »en als het canaille daarop wat
heeft aan te merken, dan bewijst dit alleen, dat het mij afgunstig
is." (Rousset, blz. 265).
Den 9en September capituleert Philipsburg, na een beleg van
bijna drie maanden; den lyen wordt de vesting aan de bondge-
nooten ingeruimd, en trekt Dufay met de bezetting naar Frankrijk;
»wat hém betrof, hij had gedaan wat de maarschalk De Luxem-
bourg niet had gedaan: hij had het belegeringskorps geheel
ontredderd, en gaf het een geheel ontredderde vesting over."
(blz. 266).
Luxembourg is eerst teruggegaan op Schelestadt; trekt daarya
op Brisach en gaat hier den Rijn over, in de hoop van Freiburg
te verrassen ; dit mislukt. De hertog van Lotharingen trekt voor-
uit tot Offenburg, bedreigt den Elzas, verbrandt Sainte-Marie-aux-
Mines, en dwingt daardoor Luxembourg weer op den linkeroever
van den Rijn terug te keeren.
Louvois wil een deel van Luxembourg's legermacht elders ge-
bruiken {faire un detachement) ; en vraagt dezen, hoeveel bataljons
«n eskadrons hij noodig acht voor het beveiligen van de grens-
plaatsen tegen *s vijands aanslagen. Luxembourg houdt zich alsof
hij die vraag slecht begrijpt; en in plaats van daarop te ant-
woorden vraagt hij op zijn beurt waarvoor die te detacheeren
afdeeling moet dienen; weet hij dit, dan zal hij de sterkte van
Digitized by
Google
234 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
die afdeeling daarnaar regelen. Dit geeft aanleiding tot eene niets
afdoende briefwisseling; totdat eindelijk, den 23sten September,
Louvois op onbewimpelde wijze, 's Konings ongenoegen te kennen
geeft aan Luxembourg. In dien brief komt onder andere voor:
...«Gij hebt het zóó ver gebracht, dat, door altijd te ant-
woorden met algemeenheden, de tijd verloopen is om iets te kun-
nen doen ; en hoezeer ik u duidelijk genoeg den weg had gewezen
om dat verwijt te voorkomen, hebt gij toch zóó gehandeld, dat
Zijne Majesteit u met grond zal kunnen verwijten, dat gij het
schoonste Fransche leger dat ooit in Duitschland is opgetreden,
gedurende den ganschen veldtocht voor hem geheel en al onnut
hebt gemaakt..." (blz. 267).
Luxembourg speelt de rol van dwarsdrijver, en ontwijkt ieder
stellig antwoord ; onder andere toen Louvois hem raadpleegt over
het behouden of slechten der vestingwerken van Saverne en van
Hagenau: tgij antwoordt" — zoo schrijft hem Louvois den
8sten October — »zoo wat in orakeltaal ten aanzien van het
slechten van Hagenau; en wat Saverne aangaat, zijt gij nóg
minder bepaald." (blz. 268). Zijdelings komt er in een der brie-
ven van Louvois zelfs eene bedreiging voor; het betreft een
generaal De La Motte van Luxembourg's leger, over wien men
ontevreden is; Louvois schrijft aan Luxembourg — 16 October —
dat hij volstrekt niet De La Motte op het oog heeft, maar, in
het algemeen, daaraan moet herinneren, >dat iemand die, in de
tegenwoordige omstandigheden, bekwaam is voor 's Konings dienst,
en die, uit gril of luim, zich daaraan wil onttrekken, er op moet
rekenen van een jaar of twee, drie, in de Bastille te zullen wonen . . ."
(blz. 268).
Luxembourg eindigt zijn jammerlijken veldtocht met het in
bezit nemen van de stad en het kasteel van Mont-Béliard, toe-
behoorende aan een vorst uit het Wurtembergsche huis, en die
nog een neef was van Luxembourg. Bij die gelegenheid is er in
de brieven tusschen Louvois en Luxembourg weer de toon van
de vroegere gemeenzaamheid: >het verlangen van Zijne Majesteit"
— zoo schreef hem Louvois den 8sten November — tis, dat gij
met de troepen die gij daarvoor noodig oordeelt, naar Mont-
Béliard trekt, om het aan Mijnheer uw neef te ontnemen; zorg
maar, gij met uw groot vernuft, dat uw neef, door zijn gunstig
uiterlijk, u niet overhaalt om 's Konings bevelen onuitgevoerd
te laten." — >Wij zijn aan het onderhandelen" — antwoordt
Luxembourg, 17 November — , >om dit den Heeren van Mont-
Béliard aan 't verstand te brengen ; dit aan het verstand te brengen
van den Prins of van de Prinses zou wat moeilijk vallen; want
veel verstand heeft geen van beide." (blz. 269).
Créqui had ook niets gedaan ; maar deze had ook geen last
om iets te doen : niets anders, dan de Duitsche troepen bij Trier
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGBN AAN RIJN EN MOEZEL, ENZ, 235
in het oog te houden. Alleen wordt het kasteel van Bouillon —
den vorst-bisschop van Luik toebehoorende — door de Franschen
bezet^ maar zonder eenigen tegenstand : de bevelhebber, de graaf
van Poitiers, was reeds lang omgekocht door Louvois, maar had
gevorderd dat, om zijn fatsoen te bewaren, de Fransche troepen
zouden verschijnen voor het kasteel van Bouillon; dan zou hij
het dadelijk overgeven:
(blz. 270 — 271). »De onderhandelingen met den bevelhebber
van Bouillon waren begonnen sedert het jaar 1674. Den isten
Januari 1675 schreef Louvois aan Servigni, 's Konings bevel-
hebber in het kasteel van Sedan: thet verlangen van Zijne
Majesteit is, dat gij zooveel mogelijk voortgaat met gemeenschap
te onderhouden met den gouverneur van Bouillon; en daar zijn
vrouw, naar men beweert, veel invloed op hem heeft, moet gij
trachten haar te doen begrijpen, dat, wanneer zij haar man weet
over te halen om eene Fransche bezetting in zijne vesting op te
nemen. Zijne Majesteit haar eene gratificatie zal geven van vijf èt
zesduizend kronen. In het kort. Zijne Majesteit laat het aan u
over, om hem te verlokken door alles wat naar uwe meening
het krachtigst op hem werkt. De Koning machtigt u om hem
een gouverneurschap in Frankrijk toe te zeggen, als hij dat van
Bouillon mocht kwijtraken door het opnemen van eene Fransche
bezetting in die vesting.,." In een schrijven van den 4en Januari
bericht de maarschalk De Rochefort aan Louvois, dat de graaf
en de gravin van Poitiers, om zich over te geven, een geregeld
beleg verlangen; t beiden stellen daarin een punt van eer {tm
point d^honneur)'^ voor het overige zijn zij ons toegedaan, en
zorgen zij dat de vesting verwaarloosd blijft, en zonder munitie
en leeftocht. De graaf van Poitiers is arm, en vraagt van den
Koning geldelijken bijstand voor zijn levensonderhoud."
Un point d'konneur! vreemde begrippen van eer en eerlijkheid
had men toen, en dat nog wel bij een man van ouden adel, die
»sans respect pour-'une race ancienne,
pour Ie sang des Poitiers, noble depuis mille ans"
(V. HuGO. Le roi s'amuse).
zijn riddereer te grabbelen gooit, en voor geld de rol van ver-
rader op zich neemt. Zoo iets was toen geen ongewone hande-
ling; en in dat opzicht staan wij thans zeer zeker hooger dan
de zeventiende eeuw. Niet, dat er ook in onzen tijd geen men-
schen worden gevonden, die voor geld hun trouw breken en
hun plicht met voeten treden; maar zulke menschen worden
thans door de algemeene verachting getroffen en buiten den kring
der fatsoenlijke maatschappij gestooten, terwijl In de zeventiende
eeuw zulk een graaf van Poitiers, niettegenstaande zijn onteerend
Digitized by
Google
236 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
verraad, denkelijk toch met opgeheven hoofde in de hoogere
kringen zal zijn verschenen, en daar ontvangen alsof er niets
ware gebeurd.
Naar de zijde van Catalonië had Navailles in 1676 zoo goed
als niets gedaan; Louvois had hem verboden Puycerda te be-
legeren ; hij moest alleen de Spanjaarden in het oog houden, en
een deel van zijne macht werd naar Sicilië gezonden; ook de
Spanjaarden deden dit; en vandaar dat er, naar de zijde van
Catalonië, toen niets gebeurde.
In Sicilië, waar reeds in 1674 de stad Messina tegen de Span-
jaarden in opstand was gekomen, was^ in het begin van 1675,
eene Fransche scheepsmacht verschenen, en, in December 1675,
de vloot van De Ruyter. Den Ssteo Januari 1676 heeft er nabij
de Liparische eilanden een onbesliste zeeslag plaats tusschen de
bijna even sterke vloten van De Ruyter en Duquesne. Den
2 2 sten April heeft er een tweede zeeslag plaats bij Catana, ook
onbeslist, maar De Ruyter, zwaar gewond, sterft den 29sten April
te Syracusa. Eindelijk, den 2en Juni, wordt de Hollandsche en
Spaansche vloot bij Palermo geslagen door de Fransche scheeps-
macht, onder Duquesne en Vivonne.
Na verschillende krijgsverrichtingen in Sicilië besluit Lode-
wijk XIV eindelijk om het eiland te verlaten, Messina te ont-
ruimen; dit geschiedt in het voorjaar van 1678; Messina komt
toen weer onder het Spaansche gezag, en alles keert weer tot
het oude terug. Wat der Fransche staatkunde — toen, en bij meer
andere gelegenheden — ontbroken heeft, dat is het volhouden,
het doorzetten ; V esprit de suife^ zooals de Franschen dat noemen.
HOOFDSTUK XVIII.
1677; BELEG VAN VALENCIENNES, KAMERTJK ETT SAINT-OMER;
VELDSLAG VAN CASSEL; CHARLEROI; KRIJGSVERRICH-
TINGEN AAN DEN RIJN, EN IN CATALONIË.
*doe, vredezon, van 's hemels trans
uw luister op ons nederdalen;
wij smachten naar uw lieve stralen
en zielverkwikb'ren uchlendglans."
Zoo zong Van der Hoop, kort na den tiendaagschen veldtocht
van 1831; — maar die > vredezon" is toen nog eenigen tijd uit-
Digitized by
Google
i677. 237
gebleven. Evenzoo ging het in 1677: de oorlog tegen Frankrijk
had nu reeds vijf jaar geduurd, het werd tijd dat daaraan een
einde kwam ; alle landen verlangden naar den vrede, om zich te
herstellen en geheele uitputting te voorkomen; de onderhande-
laars waren te Nijmegen nu al zoo lang bezig, dat men mocht
hopen dat zij het eindelijk eens zouden worden, en dat er in
1677 niet meer zou worden gevochten. IJdele hoop! Wél was de
vrede wenschelijk, om niet te zeggen noodig; >maer men bevont"
— voegt er de Hollandsche Mercurius op zeer wijsgee-
rigen toon bij — imaer men bevont (buyten dat de secrete
veeren en raderen, waerdoor dickmael het groot orlogie van
rijcken en landen om-gedreven wert, niet klaer van buyten gesien
konnen werden) dat een vlam lichter te ontsteken als te doven
was, en dat soo veel klingen, niet alleen door de gemeene maar
ook particuliere intresten uit de scheede geruckt, eer daeruyt,
als in ie krijgen -waren."
In groote trekken was de staatkundige toestand van Europa
toen zóó: de volkeren leden veel door den oorlog, en ver-
langden dus, natuurlijk, zeer sterk naar den vrede; maar de
volkeren hadden toen, in dat opzicht, nog veel minder te zeggen
dan in onze dagen ; het waren de regeeringen die over vrede of
oorlog beschikten ; en de regeeringen waren toen meestal vorsten
wier macht vrij onbeperkt was. Frankrijk had door den oorlog
nog al veel geleden niettegenstaande zijne overwinningen; het
wilde dus wel vrede ; maar het wilde bij dien vrede de vruchten
van zijne overwinningen zooveel mogelijk behouden. Spanje had,
in de Zuidelijke Nederlanden, groote verliezen ondergaan; toch
wilde het den vrede niet, omdat het bij den vrede voorgoed aan
Frankrijk zou moeten aïfstaan wat dit rijk had veroverd, — of
ten minste een deel dier veroveringen; Spanje wilde al het ver-
lorene terug hebben, en daarom den oorlog voortzetten ; het was
geheel onmachtig om dien oorlog te voeren, maar het rekende
op de legers en vloten van onze Republiek. Met de Duitsche
vorsten was het nagenoeg evenzoo gesteld: ook dezen wilden
oorlogvoeren, maar oorlogvoeren met de strijdkrachten, vooral
met het geld van de Republiek; zelven wilden zij liefst zoo
weinig mogelijk doen.
Geen wonder dus, dat de Republiek zeer sterk naar den vrede
verlangde; zij had weinig rechtstreeksch belang meer bij den
oorlog; zij voerde dien in het belang van de bondgenooten, die
hoofdzakelijk op hdre krachten bouwden, en zelven voor inspan-
ningen terugdeinsden. Niet vreemd dus, dat in Holland de drang
naar vrede al sterker en sterker werd. Tegen dien drang kantte
zich Willem III : die wilde geen vrede ; een vrede was — in zijn
oog — niets anders dan een wapenstilstand, ten voordeele van
Lodewijk XIV, niet alleen omdat deze daardoor den tijd verkreeg
Digitized by
Google
238 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
om zijne krachten te herstellen^ maar ook omdat daardoor het
bondgenootschap tegen Frankrijk uiteenging, en Europa dan
meer gevaar liep onder de heerschappij van den Franschen
monarch te komen. Om dat gevaar af te wenden, moest men —
meende de Stadhouder — den oorlog blijven voortzetten, hoe
ongunstig de kansen ook waren. Die meening van den Stad-
houder kan op goede gronden worden bestreden ; maar men kan
als zeker aannemen, dat hij die meening te goeder trouw en
met overtuiging aankleefde^ en dat hij daarbij niet dacht aan
zijn bijzonder belang, maar alleen aan het belang van het algemeen.
Van een beslissenden invloed moest toen de gedragslijn zijn
van Engeland. Bleef het Britsche rijk zich aan den strijd ont-
trekken, dan zou Frankrijk denkelijk te krachtig zijn voor zijne
vijanden; sloot Engeland zich daarentegen bij de bondgenooten
aan, dan zouden deze de overmacht aan hunne zijde hebben.
En Willem III, èn Lodewijk XIV lieten het dan ook niet ont-
breken aan pogingen om Engeland voor zich te winnen. De
Prins van Oranje had vóór zich een sterk gedeelte van het Engelsche
volk en een sterken aanhang in het Parlement; daardoor dwong
hij zijn beide ooms — Koning Karel II en den hertog van
York, den lateren Jakobus II — om hem ten minste uiterlijk
die vriendschap te doen blijken waarop hij als bloedverwant
aanspraak had; daardoor gelukte het hem zich in het huwelijk
te verbinden — 15 November 1677 — met Maria, de oudste
dochter van den hertog van York. Maar oprecht gemeend was
die vriendschap niet, van de beide ooms voor hun neef; integen-
deel, zij waren geheel en al verknocht aan de belangen van
Frankrijk; zij wilden evenzeer als Lodewijk XIV absolute vor-
sten zijn over Engeland^ en wenschten vurig om hun land terug
te brengen tot den Katholieken godsdienst, dien zij zelven, min
of meer in het geheim, aankleefden. Karel II stond in soldij van
Lodewijk XIV; — die beide laatste Stuarts zijn ellendige koningen
geweest, mannen zonder waardigheid of eer. Om het Fransche
goud te verdienen, volgde Karel de Fransche staatkunde; maar
daarbij moest hij toch ook altijd het oog gevestigd houden op
zijn Parlement, dat eene dreigende stem deed hooren als de
Koning te ver ging in zijn slaafsche aanhankelijkheid jegens den
Franschen vorst. Dat ontzien van den volksgeest in Engeland is
ook van invloed geweest op de oorlogshandelingen van Lode-
wijk XIV: de krijgsverrichtingen in de Nederlanden worden
soms minder krachtig voortgezet door de Fransche legers^ uit
vrees dat men, dddr te groote voordeden behalende, Engeland
zal dwingen om zich bij de vijanden van Frankrijk aan te sluiten.
De volkshaat tusschen Frankrijk en Engeland, die thans God-
dank ! is uitgedelgd, was in de zeventiende eeuw nog zeer levendig;
Digitized by
Google
1677. 239
men vindt daarvan een blijk in de volgende plaats uit Rousset
(2* deel, blz. 276—278), waar gewaagd wordt van wat Louvois
deed, vóór den aanvang van den veldtocht van 1677, ten aan-
zien van het Fransche leger en van de bij dat leger aanwezige
Engelsche troepen:
...»Hij" (Louvois), t gelastte de oprichting van een regiment
dragonders van 17 compagnieën, dat, tot den vrede, onderhouden
moest worden door de gewestelijke Staten van Languedoc, in
plaats van de militie die zij vroeger verplicht waren te leveren.
In Roussillon gaf hij machtiging om een regiment op te richten
van 400 man, aangeworven en betaald ten koste van dat gewest.
De Zwitsersche officieren spoorde hij aan om veel rekruten uit
de kantons te doen komen; maar veel minder spoorde hij de
Engelsche officieren daartoe aan. tHet moet u niet verwonderen,"
— zoo schreef hij den 2en November 1676 aan Courtin, den
Franschen gezant te Londen — , >dat gij niets hoort over rekruten
voor het regiment van Monmouth: Zijne Majesteit wil er geen
geven aan dat regiment, dat teruggebracht zal worden op zoo-
veel compagnieën als het honderdtallen manschappen heeft; de
Koning wil de sterkte verminderen van een korps waarbij zoo
weinig krijgstucht bestaat, dat het door zijn slecht voorbeeld het
geheele leger kwaad doet." Men trachtte daar de krijgstucht te
herstellen, door er, als luitenant-kolonel, bij te plaatsen een Ier
van hooge afkomst, Mac-Carthy, een neef van den hertog van
Ormond. tChurchiir* — de latere Marlborough — »was ook
voorgedragen voor een bevelhebbersplaats ; maar hij boezemde
Louvois geen vertrouwen in: »de heer Churchill is te veel ver-
slaafd aan het vermaak" — schreef hij den 23steii November aan
Courtin — , >om de betrekking goed te kunnen waarnemen, die
men hem wil geven; daartoe wordt iemand gevorderd, die het
regiment Royal-Anglais als een hoofdzaak beschouwt, als zijn
minnares; zonder dat, wordt het nooit goed." — Churchill zelf
hielp den minister uit de verlegenheid, door niet langer in Fran-
schen dienst te willen blijven."
t Reeds sinds lang zag Louvois in de Engelsche regimenten
hulptroepen die meer gevaar dan nut aanbrachten; maar Lode-
wijk XIV wilde ze behouden, om daardoor blijk te geven van
zijn goede verstandhouding met Karel IL In Januari van het
vorige jaar, toen Louvois aan den hertog De Charost berichtte,
dat er spoedig een aantal ruiters uit Engeland te Calais zou
komen, beval hij hem nadrukkelijk ze te huisvesten in de be-
nedenstad, en tijdens hun verblijf de meest mogelijke voorzorgen
te nemen voor de veiligheid van die stad (29 Januari 1676).
Want, werkelijk, in ieder van die ruiters woonde de aangeboren
haat van iederen Engelschman jegens Frankrijk..."
Nog al opmerkelijk, dat Marlborough, die Frankrijk op den
Digitized by
Google
240 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
rand van den ondergang heeft gebracht, door Louvois niet
waardig werd gekeurd om bij Frankrijk's leger aan het hoofd
van een regiment te staan, en dat, later, Lodewijk XIV door de
smadelijke wijze waarop hij Prins Eugenius van Savoye bejegende,
dezen heeft gedwongen zich te scharen in de rijen van Frank-
rijk's vijanden, en daardoor van hem, ten koste van Frankrijk,
een groot legerhoofd heeft gemaakt. Heeft men te doen met
menschen die pas hun loopbaan intreden, dan vergist men zich
soms in het schatten van hunne waarde; uitstekend heid wordt
niet zoo dadelijk erkend en gehuldigd.
Bij den veldtocht dien de Franschen in 1677 in De Neder-
landen wilden voeren, zouden de belegeringen weer een hoofdrol
spelen; en dus zou, mét Louvois, Vauban hier de groote man
zijn: dat was toen de hoogepriester in den vestingoorlog. De
minister, die vroeg in het jaar den veldtocht wil beginnen, ont-
biedt den grooten vestingbouwkundige tegen den 156x1 Februari
te Parijs; maar deze antwoordt op knorrigen toon:
»Men moet er niet op rekenen, dat ik vroeger dan den 176^
of i8en van deze maand*' (Februari) >te Parijs zal zijn, hoe ik
mij ook inspanne. Voor het overige zal het voor mij een bijzon-
der genoegelijke zaak zijn, in het kamp te komen met paarden
die evenzeer uitgeput zullen zijn als ik zelf; en dat, op het
oogenblik als de geweldige vermoeienissen van een beleg be-
ginnen. Het is nog al zeer vreemd, dat de heele wereld weet
wat gij wilt ondernemen, en dat ik de eenige ben voor wien dit
een geheim blijft; denkelijk ben ik bij die handelingen een ge-
heel onnut wezen, en is daarbij mijn raad volstrekt niet in leL
God zij geloofd ! ik zal mijn plicht doen ; maar ik zal er mij wel
voor wachten om daarbij zooveel voor mijn rekening te nemen
als ik gedaan heb bij de vroegere belegeringen. Daarvoor sta ik
u borg." (Rousset, 2* deel, blz. 276).
Vauban doet zich hier kennen als een echte grognard: zelfs-
aan de hoogste staatsmacht maakt hij zijn misnoegen kenbaar,
en dat op de duidelijkste wijze, op den meest gemeenzamen toon.
Maar in hem zag men dit over het hoofd; men liet hem prut-
telen; men wist toch dat hij er niets kwaads mede bedoelde,
dat hij een man was van plichtsbetrachting, van toewijding, van
trouw en eerlijkheid. Het moet gerekend worden tot de goede
zijden van de regeering van Lodewijk XIV, dat zij een man als
Vauban zoo op prijs heeft weten te stellen, zoo naar waarde
weten te schatten.
Over de toebereidselen bij de Fransche artillerie — het hoofd-
wapen bij een beleg — vindt men bij Rousset ook eenige bijzon-
derheden. Aan het hoofd van dat wapen stond toen een groot-
Digitized by
Google
BELEG VAN VALENCIENNES. 24I
meester, de hertog De Lude; maar die betrekking van groot-
meester der artillene werd toen gegeven aan een der aanzienlijken
des lands, aan een lid van den hoogen Franschen adel, al mocht
ook zijne artillerie-kennis niet zoo buitengewoon zijn ; vandaar dan
ook, dat de artillerie-officier, die in rang onmiddellijk op den
grootmeester volgde en meesttijds een man was van kunde, als
het eigenlijke hoofd van dat wapen kon worden beschouwd ; dit was
toen de generaal Du Metz, wiens verdienste zeer geprezen wordt.
>Louvois had een tweede compagnie bombardiers opgericht;
beide compagnieën waren te Rijssel ; Du Metz had last om daar-
mede, drie- of viermaal 's weeks^ schietoefeningen te houden.
Bovendien moest hij, vóór i Februari, gereed hebben: het dek
voor drie bruggen te Rijssel, en drie te Doornik; 40 kanonnen
van 33 en van 24 pond; 10 van 16 pond; affuiten naar even-
redigheid, 40 stukken veldgeschut, 30 mortieren van 12 duim;
300 holle kogels, voor de kanons van 33 en van 24 pond; 2000
brandkogels; 3000 buizen voor bommen; 40000 buizen voor
granaten; 60000 stuks gereedschappen; 40000 zandzakken. (Brief
van Louvois aan Du Metz van 21 November)" (Rousset, blz.
275). — Bij de groote uitbreiding die de artillerie thans *heeft
verkregen komen deze cijfers ons nu natuurlijk onbeduidend
voor; tóen waren zij dat niet.
Aan de Spaansche zijde wist men met vrij groote waarschijn-
lijkheid dat Saint-Omer, Valenciennes of Kamerijk zouden wor-
den aangevallen; van eene verrassende belegering door de Fran-
schen was dus toen geen sprake, maar Louvois wilde de verrassing
nu daarin doen bestaan dat het beleg ongewoon vroeg zou be-
ginnen. De maarschalk d'Humières had dan ook bevel, zijne
troepen zoodanig gereed te houden, dat Valenciennes en Saint-
Omer op den isten Maart gelijktijdig konden worden berend;
want het aanvankelijk voornemen was die beide vestingen ge-
lijktijdig te belegeren. Het ongunstige jaargetijde dwong echter
van dat voornemen af te zien en het beleg van Saint-Omer later
aan te vangen. — Die reden, die men hier bij Rousset vindt
aangegeven, kan wel goed zijn, maar zij is toch eenigszins ondui-
delijk : waarom werd wegens het slechte weer wel het beleg van
Saint-Omer uitgesteld, en daarentegen niet dat van Valenciennes ?
Den isteo Maart komt Louvois voor Valenciennes, dat berend
wordt: >het is het afschuwelijkste weer dat men bedenken kan"
— schreef hij aan den Koning — »en ik vrees zeer dat Uwe
Majesteit de reis niet zóó zal kunnen doen als zij voornemens
was." Denzelfden dag vertrok Lodewijk XIV van Saint-Germain ;
den 4en Maart kwam hij bij het leger, bijna alleen; zijn bagage
was onderweg gebleven, evenals de rijtuigen der hovelingen. Den
WILLEM m. — n. 16
Digitized by
Google
242 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
eersten nacht sliep hij, geheel gekleed^ in zijn koets; aan weers-
zijden waren, bij de portieren, groote vuren aangelegd. Het
Koninklijke leger was even sterk als ten vorigen jare: het telde
53 bataljons en 130 eskadrons. De Koning was vergezeld van
Monsieur (Orleans), en van de maarschalken d'Humières, De La
Feuillade, Schomberg, De Lorge en Luxembourg.
Neemt men de gewone sterkte aan voor de bataljons en eska-
drons — 800 man, en 160 paarden — , dan telde dus dit Fransche
leger 42 400 man infanterie, en 20 800 ruiters of dragonders, dus
in het geheel, de artillerie niet meegerekend, een 63000 man.
Men had een sterk leger, en Valenciennes, dat men belegerde,
was een vesting van grooten omtrek; vandaar, dus, dat de cir-
cumvallatie-linie eene groote uitbreiding verkreeg, eene lengte
van verscheidene uren gaans, en dat het negen dagen duurde
eer die linie was voltooid. Den Qca Maart, *s avonds, werden de
loopgraven geopend naar de zijde van Anzin, tegen de noord-
westelijke fronten; op welken afstand, wordt niet gezegd. Op-
gaven van onze zijde houden in, dat de arbeiders bij de opening
van de loopgraven beschermd werden door 6 bataljons en 6
eskadrons; die arbeiders^ 3000 in getal, waren getrokken uit de
verschillende korpsen van het leger. De loopgraven waren op
den linkeroever van de Schelde; maar op den rechteroever
schijnen ook eenige nadernissen te zijn gemaakt, bij wijze van
afleiding voor den hoofdaanval.
Valenciennes was een groote, goed versterkte stad, die voor
een klein gedeelte, ten noorden en ten zuiden, door inundatiën
was gedekt; de Fransche loopgraven, op den linkeroever van de
Schelde, strekten zich uit van de eene inundatie tot de andere^
en waren dus daardoor beter verzekerd tegen uitvallen. De
hoofdaanval der Franschen was gericht tegen een kroonwerk,
vóór de poort van Anzin; evenzeer vóór als achter dat kroon-
werk bevonden zich nog een paar ravelijnen, zoodat, strikt
genomen, de belegeraar zich meester moest maken van drie ver-
sterkte liniën, alvorens den hoofd wal van Valenciennes te be-
reiken. Of nu die versterkte liniën goed in orde waren, schijnt
twijfelachtig; de wallen waren zonder bekleedingsmuren ; de
grachten waren nat, ten minste voor een deel. De bezetting be-
stond uit 2000 man voetvolk — Spanjaarden, Walen en Ita-
lianen — , en 1000 ruiters of dragonders, behalve nog eenige
gewapende burgers; het getal dier laatsten schijnt echter niet
groot te zijn geweest; en men kan wel aannemen, dat, voor
eene vesting van zoo grooten omvang, de bezetting niet sterk
genoeg was. De bevelhebber was de markies van Rijsburg, die
echter reeds in de eerste dagen van het beleg werd gewond en
daardoor de verdediging niet langer kon besturen. Wie zijn op-
volger was, is niet duidelijk.
Digitized by
Google
BELEG VAN VALENCIENNES. 243
Den i2en Maart komen de batterijen van de belegeraars in
werking; 30 kanonnen van zwaar kaliber openen hun vuur op
de vestingwerken ; 30 mortieren werpen bommen^ ook in de stad.
in weerwil van sneeuw en regen gaan de loopgraven vooruit en
bereiken^ den i6en Maart, den teen van het glacis; hier wordt
•eene parallel gemaakt van bijna 900 meters lengte. Uitvallen
<loet de belegerde niet; over het geheel is de verdediging zwak.
Die flauwe tegenstand, en de geringe sterkte der bezetting,
waarvan men door overloopers onderricht is, doen Vauban be-
sluiten hier af te wijken van de langzame en stelselmatige wijze
van handelen, die anders het kenmerk is van de door hem be-
stuurde belegeringen. Hij stelt den Koning voor, het hoornwerk
te laten bestormen, al is de daarvóór liggende bedekte weg nog
niet genomen; •maar," — voegt Rousset er bij — »om het
welslagen van zijn stouten aanval te verzekeren, wilde hij, evenals
de Piins van Oranje bij het laatste beleg van Maastricht, de
bestorming overdag doen, en niet 's nachts, zooals dit gewoonlijk
geschiedde." De andere hoogere bevelhebbers zijn meest allen
tegen dat voorstel; maar Vauban weet zijne meening door te
drijven bij Lodewijk XIV.
Den i6en Maart, 's nachts, worden in de parallel tegenover
het hoornwerk twee sterke stormcolonnes samengetrokken, te
zamen een 4000 man uitmakende. Aan de spits van die colonnes
komen de twee compagnieën Mousquetaires ; bij de eene de
Mousquetaires noirs^ bij de andere de Mousquetaires gris^ beide aldus
genoemd naar de kleur hunner paarden. Over de beide afdee-
lingen werd ook verdeeld de compagnie grenadiers van de
Maison du Rot; de BJotorts genaamd, naar den naam van hun
bevelhebber, en samengesteld uit de beste soldaten van dit deel
van het Fransche leger. Zoowel de Mousquetaires als de Riotorts
vochten nu eens te paard, dan weder te voet; en, infanterie of
cavalerie, altijd waren het uitstekende soldaten, keurtroepen.
Den geheelen nacht worden bommen geworpen door de raor-
tierbatterijen. Den 17 en, met het aanbreken van den dag, houdt
dit bombardement van lieverlede op; ook het kanonvuur zwijgt
meer en meer ; totdat om 8 uur 's ochtends negen kanonschoten
het sein geven tot den storm. De 4000 man snellen vooruit,
vermeesteren den bedekten weg, beklimmen het hoornwerk en
nemen het in een oogenblik en bijna zonder verlies. Hoezeer
dat hoornwerk en de bedekte weg vrij sterk bezet waren door
de Spanjaarden, was de wederstand hier toch geheel onbeduidend,
denkelijk ook ten gevolge van het verrassende van den aanval:
dat morgenuur beschouwde men als een tijd om te bekomen
van de nachtelijke vermoeienis; men dacht dan aan geen strijd.
De Mousquetaires — jeugdige edellieden — vervolgen, zonder
Digitized by
Google
244 KimOS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
bevel daartoe, de terugtrekkende bezetting; de Riotortt — oude
soldaten — willen de Mousquetaires niet aan hun lot overlaten,
en gaan meê. Den ontmoedigden vijand steeds op den voet vol-
gende, komen die compagnieën van het eene vestingwerk in het
andere; de vijand heeft den tijd niet om barrières te sluiten of
bruggen op te halen; en de bestormers, eindelijk man voor man
eene smalle loopbrug overgaande, bereiken een niet gesloten
kleine poort, dringen daar binnen, en breiden zich uit op den
hoofdwal van Valenciennes. De compagnieën der bezetting, die
hier hadden moeten zijn, waren grootendeels, geen aanval ver-
wachtende, binnen de stad teruggekeerd. Eer zij kunnen terug-
komen heeft het klein aantal bestormers zich in de nabijzijnde
straten genesteld, het geschut op den wal tegen de stad gekeerd^
en de poort van Anzin vermeesterd. De hoofdmacht der bestor-
mers dringt door die poort naar binnen, en Valenciennes onder-
werpt zich zonder verderen tegenstand. De aanvallers hadden
slechts een 40 man verloren, aan dooden en gewonden. — Het
was een schitterend en buitengewoon wapenfeit, maar ontegen-
zeggelijk was de verdediging zeer zwak.
Omdat Valenciennes stormenderhand was genomen, meenden
de overwinnnaars recht te hebben op het uitplunderen van de
stad. Louvois belette dit echter ; — de Spaansche bezetting werd
krijgsgevangen, en hare paarden werden aan de Mousquetaires
gegeven, ter belooning van hunne dapperheid. De graaf d'Aligny,
toen wachtmeester (tnaréchal des logis) bij de eerste compagnie
Mousquetaires^ deelt . in zijne gedenkschriften hieromtrent de vol-
gende bijzonderheid mede, die het eigenaardige doet uitkomen
van het toenmalige Fransche krijgswezen:
>De heer De Louvois was in de stad gekomen om alles te
regelen; en de ruiterij (de Spaansche) nog te paard ziende op
de groote markt, zeide hij haar, op ruwen toon: »heeren, stijgt
af". En daar onze compagnie in slagorde tegenover hen stond,
zei de heer De Louvois tot ons : heeren Mousquetaires^ de Koning
schenkt u die paarden, opdat gij niet te voet zoudt terugkeeren
naar het kamp." De kolonel van de dragonders — zijn naam
was Vieu — kwam bij den heer De Louvois, om hem te ver-
zoeken dat de officieren hunne paarden mochten behouden;
maar de minister gebood hem op dreigenden toon, onverwijld
af te stijgen ; en daar hij zag dat ik het vaandel droeg, zeide hij
mij: » mijnheer d*Aligny, wilt gij te voet naar het kamp terug-
keeren?" Ik antwoordde hem, dat ik mijn paarden liet halen;
waarop hij mij zeide: >ik wil dat gij het paard zult nemen van
dien kolonel"; — zeker, het schoonste paard en het schoonste
harnachement van het garnizoen. Ik oordeelde dat ik dit niet
kon weigeren." (Rousset, blz. 289).
Digitized by
Google
BELEG VAK KAMERIJK. 245
Dus, de soldaten als 9 mijne heercn" aangesproken; — dit is
oiioder vreemd bij de Mousquetaires^ allen edellieden, die op
•grooten voet den krijgsdienst waarnemen, en die, als zij te voet
gevochten hadden, later hunne paarden deden brengen; maar
«des te vreemder is het ten opzichte van de Spaansche dragon-
ders, gewone ruiters. Ook blijkt hieruit, dat het zoo goed als
een gebruik was, dat een krijgsgevangen officier zijn paard be-
hield ; en dat het als iets bijzonders wordt vermeld, dat Louvois,
op ruwen toon {fort brusquement) den Spaanschen dragonders het
afstijgen gelastte, en zelfs hun kolonel door bedreigingen dwong
•om onverwijld zijn paard af te geven.
Ternauwernood was Valenciennes gevallen, of aan de Fransche
:zijde ging men over tot nieuwe belegeringen, — tot twee tegelijk :
het beleg van Kamerijk en dat van Saint-Omer. Er moet bij de
Franschen wel de overtuiging hebben bestaan van hunne groote
overmacht en van de onmogelijkheid voor den vijand om iets
ernstigs te ondernemen, dat zij het waagden om gelijktijdig twee
vestingen aan te vallen, die 15 k 20 uren gaans — minstens drie
dagmarschen — van elkander waren verwijderd. De Koning, met
<le hoofdmacht van het leger, trok naar Kamerijk; zijn broeder,
de hertog van Orleans, rukte op Saint-Omer met 20 bataljons en
30 eskadrons, denkelijk dus met een 20000 man.
Voor de duidelijkheid zal dat beleg van Kamerijk eerst geheel
vermeld worden, hoezeer nog gedurende dat beleg, het beleg
van Saint-Omer is begonnen en de veldslag van Cassel heeft
plaats gehad.
Kamerijk was toen eene groote, goed bevestigde stad; welker
vermeestering ook daarom voor de Franschen waarde had, omdat
zij daardoor meester zouden zijn van een aanmerkelijk deel van
de Schelde, waar zij nu reeds Bouchain, Valenciennes, Condé en
Doornik hadden; het hooger gelegen Kamerijk was een schakel
clie nog ontbrak aan die keten van vestingen. De stad, door-
sneden door de Schelde, lag grootendeels op den rechteroever
van dien stroom; daar had men ook het kasteel, of citadel, aan
'de noordoostzijde van de stad en onmiddellijk daar aansluitende.
De bevelhebber was Don Pedro de Zabala. De juiste sterkte van
(de bezetting wordt niet genoemd; maar ónze opgaven zeggen,
^at het een vrij goed garnizoen was, bestaande uit 1400 paarden
en de regimenten voetvolk van Vaudemont, Molenbergh en Tilly,
«een lersch regiment, en twee oude Spaansche regimenten. De
regimenten Molenbergh en Tilly behoorden denkelijk lot het
ileger van de Republiek, misschien ook dat van Vaudemont.
Bij de verdediging van Kamerijk moet men eene onderscheiding
Digitized by
Google
246 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
maken tusschen de verdediging van de stad, en die van de
citadel; de eerste is zwak geweest; de tweede zeer goed.
Den 22steii Maart komt Lodewijk XIV voor Kamerijk, en
wordt die stad berend. Dadelijk begint men te arbeiden aan de
liniën; de contrevallatie-linie wordt aangelegd door de troepen;
de circumvallatie-linie door 8000 boeren uit Picardië, die zeer
ijverig waren met dien arbeid omdat zij niets liever wenschten
dan verlost te worden van eene vijandelijke vesting, die hen
blootstelde aan onophoudelijke strooptochten. Toen de liniën
waren voltooid, werden, den 28sten Maart, de loopgraven ge-
opend tegenover de poort van Notre-Dame, het noordwestelijk
gedeelte van de stad, op den rechteroever van de Schelde; de
Fransche loopgraven sloten, rechts, aan die rivier; op den lin-
keroever werd, ook in den nacht van den 28steii Maart, een
batterij opgeworpen om de buitenwerken en den hoofdwal van
Kamerijk d revers te nemen.
Onze opgaven zeggen, dat de Fransche werkers bij het openen
van de loopgraven beschermd werden door 3 Hataljons en eenige
eskadrons, en dat de Koning zelf daarbij tegenwoordig was. Ii>
een brief aan Courtin, den Franschen gezant te Londen, schrijft
Louvois, dat hij, den avond van het openen der loopgraven
Lodewijk XIV moetende spreken, vernam, dat de Koning, te
paard, met Vauban geheel vooraan was bij de werkers, en dat
hij (Louvois) het niet raadzaam achtte zoo nabij de vesting te
komen. Dit heeft wel wat van eene behendige vleierij: onze
Koning is zóó dapper, dat hij zich op plaatsen waagt, die voor
mij te gevaarlijk zijn.
Den 3osien Maart opent de batterij aan de overzijde van de
Schelde haar vuur op de vesting; zij was bewapend met 10 stuk-
ken. Op den anderen oever begint evenzoo haar vuur, den
31 sten Maart, eene batterij van 6 stukken, en den isten April
eene andere van 7 vuurmonden; de eerste van die twee batte-
rijen was op 300, de tweede op slechts 100 pas afstands van
den bedekten weg. Dat men op zoo korte afstanden de batterijen
heeft kunnen opwerpen, bewijst dat het geschutvuur uit de ves-
ting alles behalve krachtig is geweest.
Nog in een ander opzicht blijkt het flauwe van de verdediging.
In den nacht van den isten April wordt de bedekte weg be-
stormd; maar dit was eigenlijk enf oneer une porte ouverte: men
vond niemand in dien bedekten weg, en kon zich daar onge-
hinderd ingraven. Reeds den 360 April begint de stad te onder-
handelen nopens eene overgave; en op den middag van den
5en trekken de Fransche troepen daar binnen. Onze schrijvers
deelen de gesloten capitulatie in haar geheel mede ; als men die
leest ziet men, dat, in het stellen der voorwaarden van de over-
Digitized by
Google
BELEG VAN KAMSRIJK. 247
gave, de Katholieke geestelijkheid van Kamerijk den boventoon
heeft gevoerd-, misschien is ook het zwakke van de verdediging
der stad voor een deel aan den invloed dier geestelijkheid te
wijten geweest. De geheele belegering van de stad had aan de
Franschen nog geen 50 man gekost, aan dooden en gewonden.
De bezetting was teruggetrokken naar de citadel. Reeds vroeger
hadden de belegeraars van gevangenen vernomen, dat de Spaansche
bevelhebber het voornemen had om al zijn ruiterij binnen de
citadel te doen teruggaan, na de paarden te hebben gedood^ op
10 na per compagnie. »Dat besluit" — schrijft Louvois — izal
denkelijk de verdediging van de citadel een dag of vier, vijf
bekorten; want, zijn daar zooveel menschen opeengehoopt, dan
zullen die denkelijk van oordeel zijn om zich over te geven,
zoodra het eenmaal bommen regent.'' Die profetie van Louvois
is niet bewaarheid geworden, — In datzelfde schrijven beweert
de Fransche minister verder, dat als hier te Kamerijk een zoo
sterk korps ruiterij te niet gaat, en wanneer te Saint-Omer het-
zelfde gebeurt, de Spaansche landvoogd Villa Hermosa, als hij
al zijn ruiterij bijeenschraapt, toch niet meer dan een 1000 of
1200 ruiters of dragonders zal kunnen te velde brengen.
In den nacht van den sen April worden de loopgraven ge-
opend; niettegenstaande een vrij goed gelukten uitval van de
belegerden, gaat de belegeraar echter vooruit; en den 11 en April,
's avonds, bestormt en vermeestert hij den bedekten weg en
enkele buitenwerken. Dit voordeel was echter vrij duur gekocht:
de Franschen verloren bij dien storm een 50 man aan dooden
en 260 aan gewonden ; de tegenstand was dus krachtig geweest.
Den i2en April maakt de belegeraar in den bedekten weg drie
bresbatterijen; een vierde batterij, voor 3 stukken, wordt in de
droge gracht zelve opgeworpen ; zij was bestemd om in den
voet van een der bastions een bres te maken, groot genoeg om
daar een mijn te kunnen aanleggen (loger Ie mineur). Den 14611 April
ondervonden de Franschen een niet onbelangrijken tegenspoed.
Tegen den zin van Vauban werd toen, op klaarlichten dag, een
ravelijn aan de linkerzijde van den aanval bestormd; men was
verlekkerd geworden door wat te Valenciennes was gebeurd; —
maar hier ging het geheel anders. De Franschen, die het ravelijn
waren binnengedrongen, werden door de Spanjaarden daar weer
uitgeworpen, en leden een aanmerkelijk verlies: 25 hunner offi-
cieren werden gedood of gewond; 50 soldaten sneuvelden, en
200 werden gewond.
Toch was het einde van de verdediging spoedig te voorzien;
vooral toen aan de verdedigers werd meegedeeld dat Willem III
te Cassel was geslagen en er dus geen hoop meer was op ontzet.
Bij de Fransche bevelhebbers bestond toen verschil van meening
Digitized by
Google
248 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
over de voorvraarden die men bij de overgave aan de bezetting
moest opleggen. De Quincy, een Brabandsch edelman die vroeger
in Spaanschen krijgsdienst was geweest maar nu bij het Fransche
leger den rang bekleedde van Maréchal-de-camp^ was van oordeel
dat de vijandelijke bezetting krijgsgevangen moest blijven. Vauban
daarentegen wil haar vrijen aftocht gunnen: «dringt men aan
op de krijgsgevangenschap, dan duurt de verdediging vijf of zes,
mogelijk tien dagen langer, en kost ons een grooter verlies van
een 7 k 800 man. De Koning moet zuinig zijn met zijne troepen;
later heeft hij ze noodig, aan de Duitsche grenzen; en ik voeg
er bij, dat hij veel meer waarde moet hechten aan het behoud
van honderd zijner onderdanen dan aan het verlies van duizend
vijanden. Bij alles wat ik daar zeg voeg ik nog dit, — met de
aangeboren vrijmoedigheid waarmee God mij heeft bedeeld — ,
dat ik het niet bijzonder aangenaam zou vinden om belegerd
te worden in eene vesting, waar men mij, bij wijze van représaille^
krijgsgevangen zou kunnen maken; een lot, voor mij allerminst
wenschelijk, om redenen die gij even goed kent als ik.''
Welke waren die redenen? Voor iedereen zal de krijgsgevan-
genschap wel iets zijn, dat juist niet wenschelijk is; waarom voor
Vauban meer dan voor anderen? — Uit zijne woorden kan men
opmaken, dat het toen voor de bezetting van een belegerde
vesting, mits zij zich maar niet te lang verdedigde, bijna een
soort van recht was om vrijen aftocht te bedingen.
Lodewijk XIV schonk zijne goedkeuring aan de meening van
Vauban; en nadat, in den nacht van 15 op 16 April, het vroeger
bestormde ravelijn genomen was met een verlies van slechts
15 man aan dooden en gewonden, werd, den i6en April *s och-
tends, de Spaansche bevelhebber opgeëischt om zich over te
geven ; — deze weigert, en antwoordt dat hij in de eerste dagen
van geen overgave wil hooren. Maar op den middag laten de
Franschen de mijn springen, in een der bastions aangelegd;
eene der facen van dat werk wordt daardoor vernield over eene
lengte van bijna 20 meters. De citadel wordt daarop hard ge-
teisterd : tegen een ander bastion hadden reeds in den nacht van
den isen op den i6en April twee batterijen met 12 kanonnen
het vuur geopend, en dit voortgezet tot den i6en 's avonds; in
dien tijd hadden die batterijen 5000 kanonschoten gedaan, met
dat gevolg, dat de saillant van het bastion den i6eQ om twee
uur des namiddags instortte, met eene lengte van ongeveer
20 meters op elke face. Op die gapende bres werd toen zonder
tusschenpoozen het vuur gericht van 13 of 14 kanonnen van
den belegeraar; en in den nacht van den i6ea op den lycn,
werden door de Franschen steenmortieren in batterij gebracht
om de bres te be werpen. Rousset merkt hierbij op, dat de
Digitized by
Google
BELEG VAN SAINT-OMER. 249
steenmortieren reeds in het jaar 1672 door Vauban waren uit-
gevonden.
Don Pedro de Zabala begreep toen, dat het einde der ver-
dediging daar was; den i7en April, 's ochtends om negen uur,
opende hij onderhandelingen tot de overgave, die door Lode-
wijk XIV op welwillende wijze werden ontvangen. > De Koning,"
— zoo schrijft Louvois den i8en April aan Courtin — » heeft
hem een zeer eervolle capitulatie toegestaan, ten gevolge waarvan
hij*' (Zabala) «heden middag uittrekt naar Brussel, en aan Zijne
Majesteit eene vesting ter hand stelt, die het koninkrijk ontzet-
tend veel kwaad heeft gedaan, die veiligheid zal verschaffen aan
meer dan een millioen van zijne onderdanen, en die niet ge-
nomen is kunnen worden door twee der grootste veldheeren"
(d'Harcourt en Turenne), »die ooit 's Konings legers hebben
aangevoerd." — In de Hollandsche Mercurius komt voor,
dat de bezetting bij het verlaten van de citadel nog ruim 2000
man sterk was, waaronder 600 • dragonders en Croaten". Ook
wordt daaV genoemd, onder de officieren die over de capitulatie
onderhandelden, >de kolonel Buys", denkelijk van een der regi-
menten van de Republiek.
Zeer dikwijls in den loop van dezen oorlog hebben de Span-
jaarden hunne Nederlandsche vestingen slecht verdedigd; groo-
tendeels was dit daaraan te wijten, dat de werken dier vestingen
in een slechten toestand verkeerden; dat er in die vestingen
geen voldoende krijgsmacht was of geen voldoende bewapening
en uitrusting, en vooral ook daaraan, dat de bevelhebbers van
die vestingen vaak menschen waren zonder kennis of geestkracht,
geheel ongeschikt voor hunne taak. De verdediging van de citadel
van Kamerijk vormt echter een eervolle uitzondering: die ver-
dediging is goed geweest.
Monsieur^ de broeder des Konings, was voor Saint-Omer ver-
schenen; maar het duurde eenige dagen alvorens hij het beleg
van die vesting begon. Men bepaalde zich aanvankelijk tot een
berenning, tot het opwerpen van een circumvallatie-linie, tot het
a&laan van een tiitval der bezetting, en tot het vermeesteren
van een buitenfort aan de noordoostzijde van de vesting. Saint-
Omer ontleende eene vrij groote sterkte aan een tamelijk uitge-
strekt moeras — of meer, hoe men het noemen wil — , dat zich
langs de rivier de Aa uitbreidde, en een groot deel van de ves-
ling ontoegankelijk maakte. De Hollandsche Mercurius be-
weert zelfs, dat in dat moeras of meer drijvende eilandjes waren,
weiden waarop soms runderen graasden; om het afdrijven van
die eilandjes te beletten, maakte men ze met touwen vast aan
den wal; — het komt overeen met de drijvende eilandjes op
Digitized by
Google
250 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
het meer van Mexico, zooals de Spaansche schrijvers over Ferdi-
nand Cortez die vermelden. — De vestingwerken van Saint-Omer
waren, overigens, van een gewone sterkte ; bezetting en bewape-
ning schijnen voldoende te zijn geweest.
Nog niet lang was het Fransche leger voor Saint-Omer, toen
zich de mare verspreidde dat Willem III met een leger tot ontzet
oprukte. Volgens Rousset moeten toen de raadslieden van Monsieur
— hijzelf was slechts legerhoofd in naam — aanvankelijk het
hoofd zijn kwijtgeraakt, maar door Louvois weer tot bezinning
zijn gebracht; de Minister schreef den 31 sten Maart aan den
maarschalk d'Humières, die bij den hertog van Orleans was:
» Zijne Majesteit bespeurt dat gij van meening zijt, dat als de
Spaansche en HoUandsche legers naderen om Saint-Omer te
ontzetten, aan Monsieur niets anders overblijft dan terug te trek-
ken, tenzij hij spoedig ondersteund worde door de infanterie, die
de Koning hem zal toezenden, en door ruiterij uit de vestingen
in Fransch Vlaanderen. Daarom gelast Zijne Majesteit mij, u te
melden dat, hoezeer de Koning niet verlangt dat Monsieur zich
zal blootstellen aan een nederlaag, het hem evenwel zeer veel
leed zou doen, indien Monsieur genoodzaakt werd tot zulk een
terugtocht; en dat, om te voorkomen dat hij hiertoe wordt ge-
noodzaakt, de Koning den^heer De Chamlay heeft afgezonden,
met eene opgave van de dragonders die Monsieur gemachtigd is
bij zich aan te trekken tot versterking van zijn leger. Indien
Mijnheer de Prins van Oranje, Saint-Omer te hulp wil komen,
zult gij daar, vier en twintig uur vóór zijn komst, een goed ge-
zelschap bijeen zien."
>Denzelfden dag" — vervolgt Rousset — tzond Lodewijk XIV
8 bataljons en 10 veldstukken naar zijn broeder. Den volgenden
dag vertrok Louvois naar Rijssel, van waar hij bevelen uitvaar-
digde voor de ruiterij van alle Vlaamsche vestingen. Den 3en April
schreef hij aan Courtin: >hier zijn 27 eskadrons ruiters of dra-
gonders gekomen; heden komen er nog 4; en in de vestingen
tusschen hier en Aire zijn er nog 20, gereed om op mijn eerste
bevel op marsch te gaan; zoodat als Mijnheer de Prins van
Oranje tegen Monsieur oprukt, hij 20 000 man voetvolk en 1 5 000
paarden zal vinden." Den 6en was Louvois terug bij den Koning,
vóór de citadel van Kamerijk; dadelijk vertrokken 9 andere
bataljons uit het Koninklijke leger, om zich bij Monsieur te
voegen; ook de maarschalk De Luxembourg snelde daarheen,
met de twee compagnieën Mousquetaires, Binnen weinige dagen
zou Monsieur 38 bataljons en 80 eskadrons onder zijne bevelen
hebben; men besloot dat hij den Prins van Oranje niet binnen
zijne liniën zou afwachten ; om die liniën te verzekeren tegen de
aanslagen van de bezetting van Saint-Omer bleef daar een klein
Digitized by
Google
BELEG VAN SAINT-OMER. 25 1
aantal geregelde troepen, waarbij de militie uit het land van
Boulogne zich voegde; met het overige trok Monsieur den vijand
te gemoet, naar de vlakte van Cassel.
Willem III werd door binnenlandsche aangelegenheden ver-
hinderd vroeger naar de Spaansche Nederlanden te vertrekken;
hij had zich moeten moeien met geschillen in Groningen; ook
was hij herhaaldelijk op reis geweest naar de zijde van Kleef
en van Wezel, om eene samenkomt te hebben met den keurvorst
van Brandenburg; — van die samenkomst kwam echter niets,
doordien de Keurvorst telkens ziek werd. Den 8«ten Maart was
de Stadhouder weer in Den Haag gekomen ; toen kwam het be-
richt dat Valenciennes werd aangevallen; maar niemand had
gedacht dat die vesting zoo spoedig zou bezwijken. Intusschen
deed Willem III onverwijld de infanterie uit Holland te water
naar Bergen-op-Zoom vervoeren ; de ruiterij trok over land naar
Roozendaal. Na nog een vergeefsche reis naar Gelderland om den
keurvorst van Brandenburg te ontmoeten, vertrok de Stadhouder
den 2osten Maart van Den Haag naar Breda, en rukte van daar
met het leger van de Republiek op Antwerpen, waar hij eene
samenkomst had met Villa Hermosa, den Spaanschen landvoogd
over de Nederlanden. Men wist toen reeds dat Valenciennes was
gevallen; maar, vernemende dat ook Kamerijk en Saint-Omer
werden belegerd, wilde Willem III het ontzet van die vestingen
beproeven; allereerst werd Saint-Omer daartoe uitgekozen, als
de meest nabijzijnde. Het Hollandsche leger rukte daarop naar
Vlaanderen; algemeen wordt de sterkte van dat leger op een
30000 man geschat. Volgens Waldeck's levensbeschrijving zou
dat leger uitsluitend hebben bestaan uit troepen van de Repu-
bliek; andere opgaven zeggen dat er toch ook een ige Spaansche
troepen bij zijn geweest, hoewel in geringen getale. De hulp-
troepen van de Duitsche vorsten — Brandenburg, Munster, Zeil,
Wolfenbüttel enz. — waren nog niet te velde.
Een veldslag werd voorzien; en de «Hoog Mogenden" ver-
zuimden dan ook niet om een >algemeenen vast- en bededag",
in de eerste dagen van April, uit te schrijven: in gevaarvolle
tijden was men toen gewoon 's Hemels bescherming in te roepen ;
maar men was tevens verstandig genoeg om de zorg voor de
stoffelijke middelen niet uit het oog te verliezen; het y^aide toi^
Ie ciel t*aidera'* was het richtsnoer onzer voorouders. In die aan-
schrijving van de Staten-Generaal wordt vooral aangedrongen
om 's Hemels zegen af te bidden voor Willem III: »en dat Godt
de Heere tot dien eynde hooggemelde Sijn Hoogheyt, aen wiens
conservatie den Staet deser landen soo hooghlijck is gelegen,
voor alle gevaer en onheyl wille beschutten, beschermen ende
Digitized by
Google
252 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
bewaren, ook den selven hoe langer soo meer begaven met den
geest der wijsheydt, voorsichtigheyt, dapperheyt ende kloeckmoe-
digheyt, in alle het geene Sijn Hoogheydt ten dienste ende wel-
wesen van ons algemeene lieve Vaderlandt ende van onse hooge
Geallieerde, in ende geduurende de aenstaende campagne, met
de waepenen van den Staet te lande^ ende de navale macht te
water, sal komen aen te vangen ende t' ondernemen, of doen
aenvangen en ondernemen, alles tot grootmaeckinge van Godes
Heyligen name, voortplantinge van de ware Christelijcke Gere-
formeerde Religie, conservatie van onse so diergekochte vrijheyt,
ende onser aller zielen zaligheyt."
Niemand die toen de spotzucht zóöver dreef om hardop te
vragen, welk een rechtstreeksch verband er toch bestond tus-
schen de uitkomst van den slag van Cassel en > onser aller
zielen zaligheyt."
Den 4eo April staat het Hollandsche leger nabij Brugge, naar
de zijde van Oostende; Willem III had zijn hoofdkwartier te
Varssenaere, een dorp op ongeveer een uur afstands van Brugge.
Van daar wordt de marsch gericht op Iperen ; en vervolgens op
Cassel, — of Mont-Cassel, zooals die plaats, op een hoogte ge-
legen, door de Fransche schrijvers genoemd wordt. Cassel ligt
een dagmarsch — ongeveer 4 uur gaans — van Saint-Omer.
Den 9en April, *s avonds^ komt het Hollandsche leger te Maria-
Capel, een dorp nabij Cassel; den volgenden dag wil de Stad-
houder den marsch voortzetten naar Lebac, een dorp slechts
een half uur gaans van Saint-Omer verwijderd, en van waar men,
over het moeras bij de Aa, gemakkelijk die vesting te hulp kan
komen en hare belegering dus zoo goed als onuitvoerbaar maken.
De Stadhouder krijgt wel bericht, dat hij op zijn marsch naar
Lebac het Fransche leger zal ontmoeten, noaar dit verandert
niets in zijn besluit: hij wil zich door dat leger heenslaan.
De dag van den loen April was voor dien veldslag bestemd;
maar bij den opmarsch van Maria-Capel — of van Cassel —
-ondervond men zooveel belemmering en oponthoud door het
moeielijke terrein, door heggen en slooten, dat het te laat werd
om nog dien dag den vijand aan te vallen; had men het ge-
daan, men had meer kans op overwinning gehad; want de 9
laatste bataljons, door Lodewijk XIV van de hoofdmacht afge-
zonden, kwamen eerst in den nacht van den loen op den ijen April
bij het leger van Monsieur aan. Maar er werd den loen niet
aangevallen; en de macht van Willem III legerde zich aan den
oever van eene beek, de Peene, tegenover en op korten a&tand
van het Fransche leger.
De Stadhouder deed, voor den aanval van den volgenden dag,
>onverwijld bruggen slaan over de Peene, en won bij gidsen en
Digitized by
Google
BELEG VAN SAINT-OMER. 253
andere deskundigen inlichtingen in aangaande de landstreek; —
allen verklaarden hem eenparig dat, was hij eenmaal de beek
over, er geen terrein afscheiding meer was die belette om het
Fransche leger te naderen. Toch ondervond men den volgenden
dag, dat die verklaringen onjuist waren: de Peene had twee
armen; of, als men wil, er waren twee beken tusschen de beide
legers, zoodat, toen het leger der Republiek den iien de eene
beek over was, het tot zijn verbazing nog een tweede beek tus-
schen zich en den vijand vond.
Zóó staat in het legerbericht van Willem III en in andere
opgaven van onze zijde. — Enkele aanmerkingen hierop.
Vooreerst, dat die tweede beek nog al zeer onbeduidend moet
zijn geweest, want zoowel het eene als het andere leger zijn
haar o vergetrokken, zonder dat men vermeld vindt dat dit met
eenige bijzondere zwarigheden ging gepaard. Ten tweede, dat
het ons zeer onwaarschijnlijk voorkomt, dat al die gidsen of
berichtgevers het bestaan van die tweede beek hebben verzwegen.
Meer waarschijnlijk is het, dat men die berichtgevers niet goed
heeft verstaan, misschien niet goed heeft willen verstaan. In
zijn onstuimig verlangen naar een veldslag cijferde Willem III
liefst alle zwarigheden weg. Eindelijk, ten derde, moet hier ge-
wezen worden op het groote verschil in de terreinkennis tijdens
de hedendaagsche oorlogen en die van de zeventiende eeuw. Bij
een oorlog heden ten dage — ten minste bij een oorlog in het
beschaafde Europa — heeft men nauwkeurige kaarten, die het
terrein tol in bijzonderheden doen 'kennen, en dus vergissingen,
zooals die waarover Willem III klaagt, onmogelijk maken. In de
zeventiende eeuw miste men die hulpmiddelen.
Daar dit onderwerp hier toch ter sprake gekomen is, moet
eene bijzonderheid worden aangehaald die bij Rousset voorkomt
(2* deel, blz. 301), en die aantoont hoe gebrekkig toen zelfs de
legerhoofden van kaarten waren voorzien. Louvois schrijft den
1300 April aan Luxembourg om hem geluk te wenscheii met de
overwinning van Cassel, en zegt verder in dien brief: »gij hebt
de bagage geplunderd van Mijnheer den Prins van Oranje; zijn
zilverwerk of zijn tafelgoed vraag ik u niet; maar ik vraag u
zijn kaarten ; heb de goedheid die zorgvuldig te verbergen, opdat
gij niet genoodzaakt wordt ze aan iemand ten geschenke te
geven." — >Zijn kaarten"; — dat Louvois daarom vraagt,
duidt aan, dat men in het Fransche hoofdkwartier die kaarten
niet had. Dat die kaarten van Willem III trouwens nog veel
te wenschen overlieten, bewijst zijne gebrekkige kennis van het
terrein waarop is gestreden.
De iie April 1677 is een van die dagen geweest, toen niet
Digitized by VjOOQIC
254 KRIJGS- £N G1ESCHI£DKUNDIGB BESCHOUWINGEN.
zeldzaam in oaze geschiedenis, waarbij Frankrijk's leger met dat
der Republiek om den prijs der zege heeft gedongen; het wis-
selend krijgsgeluk is dien dag aan Frankrijk's zijde geweest; te
Cassel heeft het oranje vaandel moeten onderdoen voor de lelie-
vaan; maar... eerst na eervoUen strijd.
Over de sterkte van de wederzijdsche legers te Cassel zijn de
opgaven eenigszins uiteenloopend. Door Bosscha, en in andere
opgaven, wordt beweerd dat de beide legers nagenoeg gelijke
sterkte hadden, elk een 30 000 man ; Muller daarentegen^ m zijn
pnihelm III von Oranten und Georg FrUdrich von IValdeck^ zegt,
dat het Fransche leger een derde sterker was dan het Hollandsche ;
die opgave van Muller komt ons als de meest juiste voor. Willem UI
begroot het leger van Orleans op 39 bataljons en 100 eskadrons;
hij zwijgt daarentegen over de sterkte van zijn eigen leger. Om-
gekeerd zwijgen de Fransche opgaven over de sterkte van hun
eigen leger, maar zeggen, dat Willem III een 30000 man aan-
voerde. Het is een vreemde eigenaardigheid van de krijgsbe-
richten van dien tijd, dat men daarin meestal wel 's vijands
sterkte vermeldt, die men niet kent ; maar niet, de eigene sterkte,
die men wel kent.
Het slagveld leverde geen bijzondere voor- of nadeelen op.
£r was, zooals reeds gezegd is, een beek tusschen de beide
legers, en daardoor kon dus de aanvaller eenig bezwaar onder-
vinden ; maar uit het beloop van den strijd kan men niet opmaken^
dat dit bezwaar van eenigszins gewichtigen aard is geweest. Over
het geheel genomen kan men de landstreek eene vlakte noemen^
met heggen en slooten doorsneden, en hier en daar kleine hoogten
vertoonende, waarop meestal een molen stond. Het Fransche leger
was in slagorde geschaard, op twee liniën, met eene reserve; de
rechtervleugel leunde aan de hoogte van Aplinghen, de linker
aan den molen van Balenberghe; — op onze oude kaarten staan
die beide plaatsen niet. Voorwaarts van den Franschen linker-
vleugel had men de abdij van Peene, vlak aan de beek, maar
aan de Fransche zijde. d'Humières voerde den rechtervleugel
aan, Luxembourg den linker, en in het centrum was Monsieur
met den generaal Du Plessis. Bij het Hollandsche leger, tegen-
over dat des vijands in slagorde geschaard, werd de rechter-
vleugel aangevoerd door den graaf van Hoorne, de linker door
den graaf van Nassau-Saarbruck ; Willem III en Waldeck waren
in het centrum; — juister gezegd, de Stadhouder was overal.
De legers zijn over de geheele uitgebreidheid van de slaglinie
met elkander in gevecht gekomen; zoodat die slag van Cassel
gerangschikt moet worden onder de dusgenoemde evenwijdige
veldslagen. Toch schijnt men uit de Fransche opgaven te moeten
opmaken dat Willem III het voornemen heeft gehad om voor-
namelijk met zijn rechtervleugel aanvallend te werk te gaan, en
Digitized by
Google
VELDSLAG VAN CASSEL. 255
daartoe dit gedeelte van zijne slaglinie versterkte met een goed
deel van de ruiterij van zijn linkervleugel. Wij moeten hier echter
bijvoegen, dat deze bijzonderheid niet voorkomt in het legerbe-
richt van den Stadhouder en in andere opgaven van onze zijde.
Toch is het zeer goed mogelijk, dat die Fransche opgave juist is.
Vroeg in den morgen, de dag was nauwlijks aangebroken,
begon de strijd. £en regiment Hollandsche dragonders van den
rechtervleugel ging de beek over, en verdreef een kleine Fransche
afdeeling uit de abdij van Peene. Van 's vijands zijde deed men
toen pogingen om die abdij te hernemen; en daartoe rukte het
regiment van Anjou op (voetvolk), met 4 stukken geschut, en
gevolgd door een regiment ruiterij. De dragonders van den Stad-
houder werden daarop versterkt door infanterie; er werd een
vrij hevig gevecht gevoerd om het bezit van de abdij; het ein-
digde daarmede, dat de Hollandsche troepen dat gebouw ont-
ruimden, na het eerst in brand te hebben gestoken, waardoor ook
de Fransche troepen gedwongen werden van daar af te houden.
Dat gevecht om de abdij van Peene was evenwel slechts
een voorspel; de eigenlijke veldslag begon pas om tien uur
's ochtends.
Op den Franschen linkervleugel werd Luxembourg aangevallen
door de Hollandsche ruiterij, die, de beek o vergetrokken zijnde,
zich in een langdurig gevecht met den vijand wikkelde. De kan-
sen bij dien strijd bleven lang afwisselend; en indien het zeker
is, dat Luxembourg hier niet werd overhoop geworpen, zoo is
het even zeker dat hij de grootste inspanning en al zijn geest-
kracht noodig had om den vijand tegen te houden. Ook in het
centrum streed het Hollandsche leger niet zonder voordeel. Na
een heng kanonvuur was de Fransche infanterie daar aanvallend
opgetreden; zij trok de beek over en drong aanvankelijk de
Hollandsche troepen eenigszins terug, toen plotseling, door ruiterij
die de Stadhouder van zijn rechtervleugel aanbracht, die Fransche
infanterie in de flank werd gevallen en in verwarring op de beek
teruggeworpen. Monsieur rukte toen vooruit mei zijn tweede linie,
om in het centrum het gevecht wat te herstellen; en spoedig
werd hij daarin begunstigd door de beslissende voordeelen, die
de Fransche rechtervleugel toen had behaald.
Volgens de Fransche opgaven moeten hunne legerhoofden ge-
zien of bespeurd hebben, dat Willem III eene sterke afdeeling
ruiterij van zijn linkervleugel naar zijn rechtervleugel had afge-
zonden, en moet toen de maarschalk d'Humières den hertog
van Orleans hebben overgehaald om dadelijk aan te vallen op
den verzwakten linkervleugel des vijands: >hij deed zich door
Monsieur het bevel geven om dien verzwakten vleugel aan te
vallen," — zegt Rousset; eene uitdrukking die een juist denk-
Digitized by
Google
256 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
beeld geeft van de wijze waarop toen bij het Fransche leger het
opperbevel werd gevoerd.
d'Humières trekt de beek over^ met den rechtervleugel van
de Fransche slaglinie. De twee compagnieën Mousquetaires zijn
voorop; en aan de overzijde van de beek heggen vindende die
door Hollandsche infanterie bezet zijn, stijgt die Fransche keur-
bende van hare paarden om als voetvolk werkzaam te zijn. Die
Hollandsche infanterie achter de heggen bestond uit twee batal-
jons, maar Willem III, het gevaar inziende dat daar dreigde,
deed ijlings drie andere bataljons oprukken om den twee voor-
sten tot ruggesteun te dienen. Het baatte niet. De Mousquetaires,
met de gewone onverschrokkenheid aanvallende, ondervonden
— volgens de Fransche opgaven — aanvankelijk nog al tegen-
stand, zoodat een veertigtal dier jeugdige Fransche edellieden
door het geweervuur der Hollanders werd neergeschoten. Onze
opgaven omtrent de verdediging zijn geenszins zoo gunstig, maar
houden in, dat die twee bataljons zonder gevecht zijn terugge-
gaan. Willem III, die de zaken niet bewimpelt, maar dikwijls de
hardste woorden gebruikt, zegt in zijn legerbericht van die
bataljons: zij » quitteerden haer post infamelijck, soodra den
vijant op haer aenquamen".
Die twee vluchtende bataljons storten zich op de drie bataljons
die daarachter staan; ook deze komen in verwarring, ook deze
gaan terug. De heggen op den linkervleugel van de Hollandsche
slaglinie gaan verloren, en worden bezet door het voetvolk van
d'Humières. Ook zijn ruiterij is nu, in haar geheel, de beek
over; en de Mousquetaires, weer te paard stijgende, sluiten zich
daarbij aan. Nu hebben hier ruitergevechten plaats, waarbij de
Hollandsche ruiterij wél zeer goed haar plicht doet, maar toch
niet in staat is om voortdurend den vijand tegen te houden. De
ruiterij van d'Humières valt nu ook in de flank aan op het
Hollandsche centrum; en dit, in front aangetast door het voet-
volk van Monsieur, wordt gedwongen terug te gaan; en die
voordeelen van zijne wapenbroeders opmerkende, dringt Luxem-
bourg nu ook door met den linkervleugel, en drijft ook hij den
vijand terug.
De strijd was beslist; voor Willem III viel er niet aan te
denken om dien langer vol te houden; de terugtocht was eene
noodzakelijkheid. Die terugtocht werd op zeer goede wijze be*»
schermd door de Hollandsche ruiterij; en het is ijdele groot-
spraak wanneer in de Fransche opgaven gezegd wordt, dat het
geheele leger van Willem ITI verloren zou zijn geweest, indien
niet de Fransche ruiterij zich bezig had gehouden met het plun-
deren van de bagage der Hollanders. De waarheid is, dat het
Hollandsche leger in orde terugtrok, en zonder door den vijand
Digitized by
Google
VELDSLAG VAN CASSEL. 257
ernstig te worden vervolgd. Nassau-Saarbruck trok, met eene
sterke ruiterafdeeling, ten zuiden van Cassel terug ; Willem UI en
Waldeck, met het overige des legers, ten noorden van die stad;
een klein uur verder, te Steen voort, vereenigden zich die beide
afdeelingen; en nog dien avond werd de marsch voortgezet tot
Poperingen, een kleinen dagmarsch van Cassel verwijderd. Den
i2en April trok men Iperen door, en legerde men zich in de
dorpen op den weg naar Brugge; nog den volgenden dag was
de Stadhouder te Iperen. Van eene krachtige vervolging door
den vijand is hier schijn noch schaduw.
De slag van Cassel was een nederlaag voor ons; — maar een
nederlaag die niets beslissends had, en geen ander gevolg dan
dat de vesting, die men wilde ontzetten, nu moest bezwijken.
Volgens de Fransche opgaven heeft het leger van den Stad-
houder hier verloren een 3000 man aan dooden, 4 k 5000 aan
gewonden, 2500 aan gevangenen, 40 vaandels, 14 standaarden,
al het geschut, de munitie en den levensvoorraad; denkelijk zal
in die opgave wel de noodige overdrijving zijn ; maar met zeker-
heid kan men niets daarvan zeggen, dewijl er van onze zijde
geen opgaven voorkomen van de verliezen. Alleen blijkt uit ééne
plaats m Waldeck's brieven, dat het geschut van het HoUandsche
leger te Cassel heeft bestaan uit acht veldstukken. — Hun eigen
verliezen begrooten de Franschen op een 1200 dooden en een
2000 gewonden.
De persoonlijke dapperheid van Willem UI, ook in dezen
strijd, wordt in verschillende opgaven gehuldigd ; overal was hij
waar de kamp het hevigst was, en het harnas dat hij droeg
werd tot tweemaal toe getroffen door vijandelijke kogels. Trou-
wens^ het is haast overtollig om te gewagen van de dapperheid
des Stadhouders: die heeft zich nooit verloochend, noch bij zijne
menigvuldige veldslagen en belegeringen, noch bij andere ge-
varen; ontegenzeggelijk was het een heldennatuur. Indien men
aan Willem in te dezen aanzien een verwijt kan doen, dan is
het dat hij te veel moed had; hij waagde zich vaak op roeke-
looze wijze; hij speelde met zijn leven; — en bij een veldslag
had zijn leven nog te meer waarde, omdat hij niet gewoon was
zijne ontwerpen mede te deelen aan zijn onderbevelhebbers, en
dus de dood van den veldheer de geheele werking van het leger
had kunnen verlammen. Men vindt die bijzonderheid in eene
levensschets van Coehoom, door diens zoon; daarin wordt van
Willem III gezegd (blz. 29 — 30):
«Nooit heeft een vorst zooveel uitstekende hoedanigheden
vereenigd. Maar hij had één gebrek, als men het zoo noemen
mag; en dat grootendeels de oorzaak is geweest van de slechte
uitkomst van de meeste door hem geleverde veldslagen; dat is:
wiLLRM Til. — n. 17
Digitized by VjOOQIC
2$S KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
dat, als hij zijne beschikkingen had genomen^ hij die nooit aan
iemand mededeelde; zoodat, daar alle bevelen rechtstreeks van
hem moesten komen, de generaals nooit tijdig genoeg wisten
wat zij moesten doen; hetgeen ten gevolge had, vooral wanneer
er eene verkeerde beweging werd gedaan, of wanneer er eenige
verwarring ontstond, dat die veldslagen gewoonlijk óf verloren
werden, óf onbeslist bleven."
Of dit verwijt, door Coehoorn's zoon tegen Willem III inge-
bracht, al dan niet gegrond is, valt moeilijk te zeggen. Zooveel
is zeker, dat indien de Stadhouder t e dapper was, dit niet anders
is geweest dan de overdrijving van eene deugd; dat die groote
dapperheid bij Willem III voortsproot, eensdeels uit plichtbesef,
om, door zijn voorbeeld, ook de dapperheid van zijne soldaten
ten hoogsten top te Voeren, en anderdeels, uit een vast en onwan-
kelbaar geloof aan een Goddelijk albestuur, dat 's menschen lot
naar onveranderlijke wetten regelt. Zulk een geloof — men moge
het fatalisme noemen — kweekt ontegenzeggelijk heldengeest.
Behalve door zijn voorbeeld wist Willem III ook door onver-
biddelijke strengheid zijne soldaten tot moed en plichtsbetrach-
ting te brengen. Dit ondervonden ook nu de korpsen die zich
te Cassel zwak hadden gedragen. Het regiment mariniers van
Walenburg had zich drie jaren vroeger te Séneffe uitstekend ge-
kweten; maar het had bij dien veldslag ook zooveel verloren,
dat het daarna grootendeels bestond uit nieuw aangeworven sol-
daten; dit, en de omstandigheid dat Walenburg, om andere
dienstverrichtingen, te Cassel niet bij zijn regiment was, wordt
opgegeven als verklaring en eenigszins ter verontschuldiging van
de lafhartigheid, door dit korps aan den dag gelegd. De krijgs-
tucht eischte hare verzoenende offers: van elk der negen com-
pagnieën van het regiment moest één soldaat door het lot worden
aangewezen om den dood te ondergaan, en toen die negen man
waren opgehangen, werd aan het regiment het vaandel over het
hoofd gezwaaid, en was het daarmee in eere hersteld; — gereha^
biliteerd^ zooals men zou zeggen in het Hollandsch van onze
dagen, dat zoo streeft naar het gebruiken van basterd woorden.
Het Hollandsche leger sloeg zich toen heer achter de vaart
van Brugge naar Gent, het hoofdkwartier te Eecloo. Op het
ingezonden verslag van de geleden nederlaag ontving de Stad-
houder van de Staten- Generaal ten antwoord : dat zij dit bericht
met leedwezen hadden vernomen, dat zij echter hoopten dat
Zijne Hoogheid zich door dien tegenspoed niet zou laten ont-
moedigen, maar voort zou blijven gaan met te ijveren voor het
algemeen belang, en dat zij hem verzochten zijn leven wat
mmder te wagen, daar de welvaart van den Staat en van alle
goede ingezetenen zoozeer daarvan afhing. — Het zou een geheel
Digitized by
Google
VELDSLAG VAN CASSEL. 259
verkeerde toepassing icijn van de oude geschiedenis, hier te ge-
wagen van den Romeinschen Senaat, die, na de nederlaag bij
Cannae, Terentius Varro dank zegt, dat hij niet heeft gewanhoopt
aan het behoud van de Republiek; want die slag van Cassel
komt in geen vergelijking met Cannae; onze Republiek liep in
1677 niet het minste gevaar; en Willem III was geen Varro.
Maar wat verstand en waardigheid betreft, verdient toch ook die
taal der Staten- Generaal in 1677 hoogen lof.
Of de slag bij Cassel invloed gehad heeft op de verdediging
van de citadel van Kamerijk, is twijfelachtig; want hoezeer de
Franschen natuurlijk niet verzuimden om aan de bezetting dier
sterkte de nederlaag van Willem III mede te deelen, zoo bleef
die bezetting zich toch ook na dien tijd goed verdedigen. Meer
is die invloed merkbaar bij de verdediging van Saint-Omer: hier
schijnt de bezetting, overtuigd dat zij nu geen ontzet meer had
te wachten, de overgave te hebben verhaast om een vrijen af-
tocht te kunnen bedingen; de burgerij van Saint-Omer was zeer
geneigd om de verdediging te blijven voortzetten, waaraan zij
«en werkzaam aandeel nam. De duur van het beleg zou misschien
korter zijn geweest, en de verliezen van den belegeraar minder
groot, indien de Fransche ingenieurs bij de leiding van de aan-
valswerkzaamheden op bekwamere wijze hadden gehandeld : door
Vauban is een afkeurend oordeel over die leiding uitgesproken.
Ziehier in het kort den gang van zaken bij dat beleg van
Saint- Omer.
Den 4en April worden de loopgraven geopend; daarna onder-
vindt men vertraging, door den regen, door het moeielijke terrein,
maar vooral door de nadering van Willem III. Eerst den 15 en April,
*s avonds, worden de batterijen bewapend, en begint de belegeraar
zijn vuur. Den ivSen wordt de bedekte weg bestormd, maar met
weinig beleid, zoodat dan ook die storm mislukt en den Fran-
schen op gevoelige verliezen komt te staan: men meende den
bedekten weg tot op een 50 pas te zijn genaderd, en men was
-er nog 200 pas van verwijderd; het gevolg van die vergissing
was dan ook, dat de stormcolonnen, te zware verliezen lijdende,
halverwege standhielden en zich ingroeven op een 100 pas afstands
van den bedekten weg. Dit voordeel spoorde echter de verdedi-
gers niet aan tot een verderen krachtigen tegenstand; en reeds
in den volgenden nacht wordt de bedekte weg zonder veel
moeite genomen. Toen den igen April de Fransche bresbatterijen
bijna gereed zijn, treden de verdedigers in onderhandeling en
geven den 22sten Saint-Omer over. De bezetting verwierf vrijen
uittocht; zij was nog sterk 15 è. 1600 man voetvolk en 500 rui-
ters. iDaer was" — zegt de Hollandsche Mercurius — imeer
krijgsvolck binnen geweest, maer onder de militie waren eenige
officiers, die haer fortuyn beter bij Vranckrijck als Spangien
Digitized by
Google
36o RKIJGS- EN GBSCHIEDKUNDIGB BESCHOUWINGEN.
voortaen oordeelende te sullen vinden, haer in dienst bij de
Fransse begaven ; en dcse debaucheerden noch verscheyde andere^
nevens haer soldaten". — Bij het krijgswezen van dien tijd was
de voornaamste drijfveer van de officieren het maken van for-
tuin ; aan de vaderlandsliefde werd daarbij minder plaats ingeruimd.
Frankrijk had nu in die eerste maanden van 1677 drie ves-
tingen vermeesterd en een veldslag gewonnen ; en Lodewijk XIV
oordeelde dus, dat hij voor dat jaar weer oorlogsroem genoeg
had, en dat hij nu weer te Versailles op zijn lauweren kon
rusten. Twee bedenkingen hoofdzakelijk schijnen den Franschen
koning bewogen te hebben om in de Nederlanden de groote
krijgs verrichtingen voorloopig te staken. De eerste bedenking
was, dat, indien men nu belangrijke voordeelen had behaald^
dit ook daaraan was toe te schrijven, dat het leger van Willem III
in getalsterkte zoo zwak was; de Duitsche troepen waren nog
niet op het oorlogstooneel verschenen: zij hadden gewoonlijk
looden schoenen bij den opmarsch, gevleugelde voeten bij het
naar huis keeren; — waren eenmaal die troepen in de Neder-
landen gekomen, was eenmaal het leger des Stadhouders in sterkte
het Fransche nabije dan was het niet zoo waarschijnlijk dat het
krijgsgeluk aan de zijde van Frankrijk zou blijven. De tweede
bedenking was, dat indien Frankrijk te veel voordeelen behaalde
in de Nederlanden, dit in Engeland den volksgeest zou opwekken
en de Koning daar gedwongen zou worden zich tegen Lodewijk XIV
te verklaren.
Hoe dit zij, — na nog een veertien dagen te Condé te hebben
doorgebracht, te midden der kwartieren van het leger, trok de
Koning den 2osten Mei dat leger samen in een kamp, ongeveer
een uur gaans van die vesting, te Thulin nabij de Haisne; de
ruiterij deed hare paarden in de wei. Spoedig had er, wel geen
ontbinding, maar toch eene groote vermindering van het leger
plaats. De Gardes-du-corps, de Gendarmes en de Chevaux-légers
van de garde, werden afgezonden om Créqui te versterken, die
het bevel voerde over de Fransche legermacht bij den Rijn en
de Vogesen; Schomberg moest, met eene afdeeling van 4000 man
voetvolk en 5000 ruiters, werkzaam zijn bij de Maas ; de troepen
die uit de bezettingen van de vestingen waren genomen, keerden
daarheen terug; d'Humières kreeg weer zijn gewoon bevelheb-
berschap aan de grenzen van Vlaanderen; en het hoofdieger,
nog 45 bataljons en 92 eskadrons — denkelijk dus een 50000
man — kwam onder het bevel van Luxembourg, aan wien tot
voorschrift werd gegeven, verdedigenderwijze te handelen. Toen
dat alles was geregeld, vertrok de Fransche koning naar Ver-
sailles, waar hij den 31 sten Mei terugkwam.
Digitized by
Google
VELDSLAG VAN CASSEL. 2.6 1.
Had Luxembourg last zich te bepalen tot de verdediging^ ook
Willem III was vooreerst tot werkeloosheid gedoemd^ eensdeels^
omdat hij de te Cassel geleden verliezen weer moest aanvullen,
en anderdeels, omdat hij de komst van de Duitsche troepen
moest afwachten. Vandaar dan ook, dat er nu eenige maanden
voorbijgaan, waarin geen krijgsverrichtingcn voorvallen, die ver-
melding verdienen. In dien tijd doet de onachtzame wijze waarop
Luxembourg het gezag waarneemt, bij het Fransche leger de
krijgstucht weer vervallen, op eene wijze die door Rousset (2* deel,
blz. 328 — 331) aldus wordt geschetst:
...»Men wist — in 1677 evenals in 1676, in Vlaanderen even-
zeer als aan den Rijn — dat Luxembourg er zich nooit veel aan
gelegen had laten liggen om de orde te handhaven en de troe-
pen te verzorgen; vandaar dan ook, evenals altijd, verslapping
van de krijgstucht, nalatigheid en vaak kwade trouw van de
officieren in het betalen van de soldij, en onverwijld desertiën.
Al dadelijk, op éénen dag, namen 25 ruiters en 17 dragonders
de vlucht naar Saint- Ghislain" (eene Spaansche vesting, nabij
Mons); ^in veertien dagen tijds verloor het regiment Dauphin
50 man. Naar gewoonte hield Luxembourg zich nog meer ver-
toornd over die ordeloosheid, dan Louvois zelf: >ik kan niet
nalaten" — zoo schreef hij hem den 1300 Juni — »u den toorn
te vermelden waarin ik den geheelen dag heb verkeerd, over de
bandeloosheid van het leger in den afgeloopen nacht. Ik weet
niet wat geest er gevaren is in de troepen, en of ruiters en sol-
daten zich inbeelden dat zij straffeloos alles kunnen doen; maar,
wat daarvan zij, nadat er appèl was gehouden over de soldaten,
en nadat voor den nacht de geweren in de kapiteins-tenten ge-
borgen waren, zijn zij toch uit het kamp gegaan, de ruiters en
dragonders evenzoo. Zij hebben huizen uitgeplundcrd die Sauve-
garden hadden; zij hebben eene menigte runderen en schapen
in het kamp gebracht. Drie ruiters, die vleesch meebrachten en
door den provoost-geweldige zijn aangehouden, heb ik oogenr
blikkelijk laten ophangen; en de waarde van het gestolene zal
ik laten afhouden van de traktementen van alle officieren van
het leger, zoowel van de cavalerie als van de infanterie, want
ik geloof dat allen er schuld aan hebben. Men brengt mij daar
zeven of acht krijgsgevangenen van Brussel; zij zeggen dat zij
vandaag meer dan zestig deserteurs hebben gezien, van cavalerie
en infanterie. Sommigen zeggen: >wij zijn uitgegaan om wat op
te halen, en toen heeft men ons in hechtenis willen nemen;
daarom willen wij op den loop gaan." Ruiters van Locmaria
voerden weer een andere taal ; zij zeiden : i den geheelen vorigen
veldtocht hebben wij oorlog gevoerd ; evenzoo nog den geheelen
winter; aanstaand voorjaar zal de Koning Mons willen nemen,
Digitized by
Google
202 KRIJGS- EN GESCHISDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
op dezelfde wijze als hij Valenciennes genomen heeft; wij zullen
afgebeuld worden als honden, en geen geld krijgen; dan gaaD
wij het liever elders zoeken." Die laatste woorden hebben mij
onaangenaam getroffen \ ik heb iets gezegd om ze te weerleggen ;
maar zóó hebben die gevangenen gesproken. Wat de desertie
aangaat, men heeft soms tijden waarin die zeer groot is; in het
jaar dat Franche-Comté werd veroverd, zei men mij, toen ik in
de legerplaats kwam van Tille-sur-Haisne, dat men daar in drie
maanden tijds een 600 man had verloren; later ging dat over:
en als men bij ondervinding weet hoe het toegaat in de legers,
dan verwondert men zich niet over zulke kuren (ces boutades-ld),^*
Een >kuur" waarover men zich wél mocht verwonderen, en
waarover Louvois zich des te meer verwonderde omdat de
Maarschalk hem er niets van had gemeld, was, dat toen de
provoost-geweldige eens het front van het kamp voorbijging,
eenige ruiters hunne vuurwapens namen en op hem schoten.
Louvois vorderde van den Maarschalk, dat hij dit misdrijf ten
strengste zou doen straffen: >ik verzoek u" — zeide hij — leen
middel uit te denken, opdat zoo iets voortaan niet meer plaats
vinde. Gij moet zien te beletten, dat de in het leger begonnen
desertie voortgang hebbe ; herhaalde monsteringen zullen u doen
zien, of de rapporten waar zijn, die gij van de officieren krijgt;
door het veel uitzenden van patrouilles zult gij het middel heb-
ben om voorbeelden te stellen ; en als gij de officieren noodzaakt
om ruiters en soldaten te geven wat hun rechtmatig toekomt,
dan zult gij de desertie wel doen ophouden. Wél is Zijne Majes-
teit overtuigd, dat de veranderlijke zin van den soldaat veel aan-
deel heeft aan de desertie; maar, zonder te onderzoeken of de
bevelhebbers der compagnieën reeds voorschotten hebben ge-
geven aan de hunnen, wordt u door den Koning ten sterkste
aanbevolen, goed toe te zien, dat de officieren aan hunne ruiters,
dragonders en soldaten het geld uitbetalen dat Zijne Majesteit
daarvoor gegeven heeft, zonder te dulden dat zij iets afhouden,
onder welk voorwendsel ook. De heer d'Estrades schrijft uit
Nijmegen, dat daar reeds 2000 Fransche deserteurs zijn doorge-
komen, waaronder veel sergeanten en zelfs 17 officieren, eerste
en tweede luitenants; zij verzekeren dat de Koning goed betaalt,
maar dat de officieren het geld onder zich houden, en als zi)
daarom vragen, hen onthalen op eene macht van stokslagen.
Zijne Majesteit is niet gewoon om, wanneer zij eenmaal iets heeft
bepaald, later datzelfde weer te moeten herhalen." (Brieven van
Louvois aan Luxembourg van 3, 10, 17 en 28 Juni 1677).
Wat dunkt u, lezer; geeft u dat een schitterend denkbeeld
van de samenstelling van het toenmalige Fransche leger? Alleen
door Nijmegen 2000 Fransche overloopers; en daaronder 17
officieren! — Nu is het waar, dat bij een uit vrijwilligers samen-
Digitized by
Google
VELDSLAG VAN CASSEL. 263
gesteld leger de desertie meestal groot is: het Engelsche leger
telt ieder jaar, in tijd van vollen vrede, eenige duizenden deserteurs.
>Maar" — vervolgt Rousset — >drie maanden later had Lou-
vois nog een strenger afkeuring uit te spreken ; niet meer alleen
over den maarschalk De Luxembourg, maar over een geheelen
krijgsraad, geroepen om de wet toe te passen op overtredingen
van de krijgstucht: >de Koning" — berichtte hij den Maar-
schalk — > heeft kennis genomen van het vonnis dat door de
generaals van de ruiterij is geveld over een kapitein van het
regiment van Grignan, en over twee ruiters van zijn compagnie.
Niet zonder verontwaardiging heeft Zijne Majesteit gezien, dat
een krijgsraad, samengesteld uit een luitenant-generaal'* (de rang,
het meest overeenkomende met wat in den Franschen tekst staat :
mestre de camp général)^ »en uit brigade-generaals van de ruiterij,
van oordeel is geweest, dat ruiters die opzettelijk een verbod
hebben overtreden waarop gij de doodstraf hadt gesteld, alleen
gestraft moeten worden met het vastsluiten aan een paal; en dat
de kapitein, die in strijd met uwe bevelen die overtreding van
zijne ruiters heeft toegelaten, er met veertien dagen provoost
afkomt. Zijne Majesteit zou allen die tot deze uitspraak mede-
werkten, hebben geschorst, had zij het niet gelaten om den heer
De la Cardonnière" (de luitenant- generaal) ; >uit goedheid, en ter .
wille van zijne langdurige diensten, wil zij hem die vernedering
besparen ; maar, om hen die dit vonnis geveld hebben, te leeren
hoe zij een ander maal gediend wil zijn, gelast Zijne Majesteit
dat gij ze allen bijeen doet komen, hun *s Konings ongenoegen
betuigt over wat zij hierin hebben gedaan, en hun zegt, dat het
vonnis dat zij velden hem zeer doet twijfelen, of zij wel de ge-
schiktheid hebben om de plichten van hunne betrekking goed
te vervullen. De Koning gelast aan den heer Le Peletier om op
de bezoldigingen van hen die deel uitmaakten van dien krijgs-
raad, twee duizend livres af te houden, en die te verdeelen onder
de kerken van het land van Aalst, die schade mochten hebben
geleden door de aanwezigheid van het leger aldaar." (Brief van
Louvois aan Luxembourg van den 24sten September. — De
schuldige kapitein werd gestraft met cassatie en gevangenzetting
te Oudenaarden).
Dus : het vonnis van een krijgsraad veranderd, en de leden van
dien krijgsraad gestraft, niet alleen met de betuiging van 's Konings
ongenoegen, maar ook met eene geldboete! Dit bewijst niet, dat
die krijgsraden toen veel rechterlijke onafhankelijkheid bezaten.
Nu is het ook wat erg, dat, waar Luxembourg de doodstraf
stelt op eene overtreding, een krijgsraad voor die overtreding
een veel mindere straf bepaalt. Waarom nsim Luxembourg zijn
toevlucht tot een krijgsraad? Waarom niet zelf eigenmachtig
gestrafc ?
Digitized by
Google
264 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN,
Het gebeurde met Pain-et-Vin, in 1673, getuigt dat ook bij
ons de krijgsraden niet onafhankelijk waren.
Willem III was intusschen bezig met zijn leger weer aan te
vullen, de Spanjaarden uit hunne traagheid op te wekken, de
kleine Duitsche vorsten door geldelijke beloften aan te sporen
om hunne troepen te doen oprukken, en, door de bedreiging
dat de Republiek anders vrede zou sluiten, den Keizer er toe
te brengen om eene legermacht af te zenden naar de Neder-
landen. Door al die middelen hoopte de Stadhouder spoedig als
aanvaller te kunnen optreden; Louvois, verblind door de be-
haalde voordeelen, uitte zich op minachtenden toon over Frank-
rijk's tegenstander; — zoo schreef hij, den 6cn Juni, aan Luxem-
bourg :
...»Gij zult altijd wel bij machte zijn om de buitensporige
plannen van Mijnheer den Prins van Oranje te verijdelen; hij
gaat voort, zegt men, om zich met alle geweld ten tweeden
male te willen laten slaan, hoewel als men in zijn eigen leger
spreekt van het te gemoet gaan van den vijand, openlijk wordt
gezegd: >wij zullen ons ten tweeden male laten slaan, in een
landstreek waar wij er minder goed zullen afkomen dan te Cassel."
Zou Louvois in ernst zulke vertelseltjes hebben geloofd?
Maar alvorens de aanvallende handeling te vermelden, waartoe
Willem III nu overging, is het noodig met een enkel woord de
krijgsverrichtingen aan de Duitsche grenzen te bespreken.
Wij herinneren er aan, dat in 1676 de vesting Philipsburg, op
den rechter Rijnoever, door de Duitschers werd vermeesterd.
Daardoor, en doordat Straatsburg, toen nog een vrije rijksstad,
al meer en meer de onzijdigheid begon uit het oog te verliezen,
en vrijen doortocht vergunde aan Frankrijk's vijanden, werd hier
het oorlogstooneel overgebracht van den Rijn naar de zijde van
de Vogesen. De Ëlzas en de noordelijk liggende landstreek tus-
schen Rijn, Sarre en. Moezel stonden nu bloot aan de invallen
van de Duitsche legers; de verdediging zou daar moeilijk vallen
en ongunstige kansen opleveren; en daarom besloot Louvois
zijn gewoon hulpmiddel aan te wenden, de verwoesting: kon
men de hulpbronnen van het land niet voor zich behouden,
men wilde die ten minste aan den vijand ontnemen. Men vindt
bij Rousset, over die verwoestingen, het volgende (2* deel, blz.
315—316):
...» Reeds in het laatst van het vorige jaar had Louvois gelast
om de vestingwerken van Hagenau, Zabern en Mont-Béliard te
slechten, punten, die men goed kon behouden zoolang men
Philipsburg had, en Straatsburg onzijdig was, maar punten die
Digitized by VjOOQIC
KRIJGSVERRICHTINGBN AAN DEN RIJN. 265
geslecht moesten worden vóórdat zij, — wat niet was te beletten —
in handen vielen van een vijand, die, door die plaatsen, altijd
toegang had tot den Ëlzas. Alleen de citadel van Zabern werd
niet geslecht maar versterkt, omdat z^ een hoofdtoegang afsloot
van den Elzas naar Lotharingen. Er werd bevel gegeven om de
geheele landstreek tusschen den Rijn en de Sarre, en het geheele
<lal van de Sarre tot aan den Moezel te verwoesten. De baron
De Montclar, met die taak belast, voerde haar gedurende den
winter uit, met de grootst mogelijke strengheid; hij vergenoegde
er zich niet mede, de wallen van Hagenau te doen springen, maar
hij deed ook de stad grootendeels afbranden, om den Duitschers
te beletten daar hunne hospitalen of magazijnen te vestigen;
evenzoo verbrandde hij de stad Tweebruggen, na evenwel alvorens
des Hertogs bibliotheek te hebben laten inpakken en overbrengen
naar Ch^lons; hij verbrandde of verwoestte kasteelen^ toebehoo-
rende aan de gravin van Hanau, van het Paltzische huis; en
dat, hoezeer die goede Duitsche vorstin^ in een smeekschrift dat
zij tot Lodewijk XIV richtte, verzekerde dat die kasteelen niet
de minste sterkte hadden, >zóó weinig, dat zij zonder slag of
stoot waren te nemen, desnoods met geen andere wapens dan
gebraden appels."
Men oorloogde toen zooals de Bocht" Bozouks in onze dagen,
zooals sommigen, bij ons, hadden gewild dat Van Swieten in
Atsjin hadde geoorloogd; — het is een onvergankelijke eer voor
hem, dat hij dit toen niet heeft gewild.
Aan de Fransche zijde werd hier het bevel gevoerd door den
maarschalk De Créqui, die zijn hoofdkwartier te Nancy had, en
het voorschrift kreeg om elke belangrijke ontmoeting te ver-
mijden. Den i6cn April schrijft Louvois hem: ...ilk twijfel er
niet aan, of gij verlangt dat 's Konings bevelen u meer vrijheid
mochten laten; maar men moet zijn Meester dienen, zooals die
het begeert; en om tal van redenen die ik niet noodig heb u
hier op te noemen, is het in uw belang u te voegen naar Zijner
Majesteit's inzichten." — Dit laatste zinspeelt bedektelijk op de
nederlaag die Créqui had geleden, het jaar te voren, bij Konz-
Saarbruck. Madame De Sévigné zegt het duidelijker, in een brief
aan hare dochter: > Créqui zou niet gaarne een veldslag ver-
liezen; want één en één is twee."
Créqui schrijft, dat het vijandelijke leger veel sterker is, en dat
hij daarom verdedigenderwijze te werk moet gaan. >Dit is niet
zoo," — antwoordt Louvois den 25sten Mei — >want gij hebt
24 bataljons en 90 eskadrons, elk van 4 compagnieën; gij hebt
dus 60 compagnieën meer dan Turenne ooit heeft gehad', en
toen was het Keizerlijke leger vereenigd met het rijksleger, en
met de Luneburgsche en Munstersche troepen, terwijl het thans
Digitized by
Google
266 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNUIGE BESCHOUWINGEN.
verminderd is, met twee regimenten die in Bohemen hebben
overwinterd, en met de afdeeling die naar Freiburg is getrokken.'*
De vijand heeft dus geen overmacht; — toch moet Créqui ver-
dedigend blijven handelen.
Die redeneering van Louvois zou ddn alleen iets bewijzen, als
> het Keizerlijke leger" een vaste, onveranderlijke grootheid was ;
nu echter niet. Bovendien: Wat Turenne kon, kon daarom niet
iedereen. > Waarom is nu het Fransche leger driemaal honderd
duizend man sterker dan tijdens Napoleon P" — i Omdat Napoleon,
alleen, driemaal honderd duizend man gold," — was het ant-
woord dat Thiers gaf, toen die vraag werd gedaan in eene zit-
ting van de Fransche Kamer.
Nog den isten Juni geeft Louvois tot voorschrift aan Créqui
om zonder noodzakelijkheid geen slag te leveren; hij mag dit
alleen doen, als het noodig is om eene vesting te behouden, of
om den vijand te beletten Frankrijk binnen te dringen.
Het Keizerlijke leger gaat den i3en April, te Straatsburg, op
den linkeroever van den Rijn over. Aan het hoofd van dat leger
stond weer de hertog van Lotharingen; die uit zijne staten ver-
dreven vorst had op zijn vaandels laten zetten: aut nunc^ aut
nunquam (nu, of nooit); — het is nunquam geweest. De Hertog
laat eenige Duitsche rijkstroepen onder den Prins van Saksen-
Eisenach in den Elzas achter, en trekt naar de zijde van Lotha-
ringen. Montclar, met een deel der macht van Créqui, houdt de
zuidelijke passen van de Vogesen bezet, naar de zijde van
Zabern en Schelestadt; de Hertog trekt daarom meer noordelijk
het gebergte in, naar de zijde van Weissemburg, bereikt over
Bitche het dal van de Sarre, en bemachtigt Saarbrück. Van
Saarbrück trekt de Keizerlijke veldheer in de richting van Nancy;
maar wordt tegengehouden bij de rivier de Seille, door Créqui,
die daar stelling genomen heeft te Vic, een plaatsje, ongeveer
een dagmarsch oostelijk van Nancy. De Hertog gaat daarop
langs den rechteroever van de Seille stroomafwaarts, om de stel-
ling van Créqui te omtrekken, maar op den linkeroever blijft
deze zijn tegenstander volgen; beiden naderen dus Metz, waar
de Seille zich in den Moezel stort. Door versterkingen uit Vlaan-
deren is Créqui toen — begin van Juni — aan het hoofd van
32 bataljons en iio eskadrons; denkelijk dus een 40000 man.
Het gelukt aan de Keizerlijken de Seille over te trekken en
den 15611 Juni de stelling van Créqui te bereiken; maar toen
vindt de Hertog die stelling te sterk om haar aan te vallen; hij
gaat weer achter de Seille terug, en trekt later noordwaarts naar
de zijde van Trier. Créqui volgt die beweging, trekt op Metz^
en maakt zich meester van een konvooi, dat bestemd was voor
het Duitsche leger. Half Juli gaat de Hertog den Moezel over^
Digitized by
Google
CHARLEROI. 267
nabij Trier; volgens Rousset was dat niet uit eigen inzicht: ...>Hij
trok naar de Maas, zijns ondanks daartoe gedreven door de
herhaalde bevelen van den Keizer, die op zijne beurt de aan-
sporingen gehoorzaamde van den Prins van Oranje; want de
vertoornde Stadhouder dreigde het Weener hof, dat hij de partij
in Holland die vrede wilde, zou laten zegevieren, wanneer niet
de geheele legermacht van de coalitie onder zijne bevelen werd
gesteld om in de Nederlanden de overwinnaars van Cassel te
overstelpen door overmacht." (Rousset, blz. 325 — 326).
Intusschen wordt Créqui ziek ; maar Louvois, altijd gevat, weet
spoedig een middel te vinden om die ziekte te doen ophouden ;
hij zendt — 27 Juli — Schomberg om het opperbevel over te
nemen; en nooit bewerkte een heelmeester rasser genezing. > Zie-
hier hoe de zaken staan, mijne dochter," — schrijft madame De
Sévigné — ; ide naam van Schomberg alleen is een onfeilbaar
middel geweest om den maarschalk Créqui te -genezen ; hij zal
niet meer den zieke spelen; en wij zullen zien, hoe hij het met
de Duitschers vindt." — Schomberg, zijn ambtgenoot hersteld
ziende, keerde dadelijk terug.
Maar indien Willem III gerekend heeft op eene krachtige
medewerking van het Keizerlijke leger in de Nederlanden, dan
heeft hij zich teleurgesteld gezien: dat leger deed nog veel
minder dan het Keizerlijke leger in 1674, dat ten minste nog
een poos vereenigd is geweest met de legermacht van den Stad-
houder, dat ten minste te Séneffe heeft gestreden. De hertog
van Lotharingen daarentegen doet in de Nederlanden niets.
Hoewel hij reeds den 1460 Juli nabij Trier den Moezel overge-
gaan is, wordt het toch 2 Augustus eer hij te Mouzon aan de
Maas komt. Créqui is hem gevolgd, om hem het overgaan van
de Maas te beletten. De Hertog steekt daarop, den 3611 Augustus,
Mouzon in brand, en keert terug naar den Moezel, naar Trier.
Sukkelwerk is het woord dat bij zulk een wijze van oorlogvoeren
moet gebezigd worden.
Verstoken van den bijstand van het Keizerlijke leger, en
overgelaten aan eigen krachten, wilde de Stadhouder evenwel
niet rusten voordat hij in de Nederlanden de aanvankelijk
ondervonden nadeelen door het een of ander wapenfeit had
hersteld. De sterkte van de beide partijen was eenigszins meer
gelijk geworden door de komst van troepen van Munster, Osna-
brück en Zeil; en men zal niet ver van de waarheid zijn, wan-
neer men elk der beide vijandelijke legers in de Nederlanden in
dien tijd op ongeveer 50000 man stelt. Zekerheid bestaat er
echter niet omtrent dit cijfer; en ééne Fransche opgave zegt
zelfs, dat Luxembourg 6000 man sterker was dan Willem III.
Digitized by
Google
268 KRirGS' EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Het nemen van Charleroi was weer het doei dat de Stad-
houder zich voorstelde; maar uit Rousset blijkt, dat men langen
tijd aan Fransche zijde gedacht heeft, dat er geen ernstig voor-
nemen bestond om die vesting aan te vallen.
Rousset zegt daaromtrent (2* deel, blz. 333 — r337):
• Algemeen was de mare verbreid, dat de Prins van Oranje
opzettelijk Charleroi had uitgekozen, om daar in eens weerwraak
te nemen voor alle ondervondene nadeden, van het eerste af
dat hii in 1672 voor diezelfde vesting had geleden. Louvois
schreef dan ook, den 2 7 sten Juni, aan den maarschalk De Luxem-
bourg: tals Mijnheer de Prins van Oranje lust heeft om Char-
leroi aan te vallen, dan kunt gij hem daarbij helpen met 48 -
bataljons en 106 eskadrons; is u dit niet genoeg, heb dan de
goedheid het mij te melden, opdat ik er tijdig voor zorge om
in het aanstaande jaar meer te velde te brengen; want, wat dit
jaar aangaat, krijgt gij niets meer, al moest gij ook in zoo kwade
luim blijven als in uw twee laatste brieven." Een maand later,
den 25sten Juli, schreef Louvois op denzelfden toon aan Courtin :
>het is gewaagd om de uitkomst van een veldtocht te willen
voorspellen, vooral voor iemand die daarin zoo weinig onder-
vinding heeft als ik" {ironie^ dit behoeft niet gezegd te worden);
• maar ik geloof niet, dat iemand het zal tegenspreken, dat ge«
durende den ganschen oorlog de kans nooit gunstiger gestaan
heeft dan thans. Mijnheer de Prins van Oranje zal er toe moeten
besluiten om niets te doen, of om een vesting aan te vallen,
waar hij eene bezetting zal vinden, een derde sterker dan noodig
is voor de verdediging, en dat beleg voort te zetten onder het
oog van een leger, dat, vier dagen na het begin van het beleg,
6000 man sterker zal zijn dan het zijne, en samengesteld uit de
beste troepen van Europa, terwijl het zijne uit de slechtste bestaat."
Voordat Courtin dit bericht van Louvois had ontvangen, schreef
hij zijnerzijds: »alle brieven uit het leger van den Prins van
Oranje, eergisteren ontvangen, spreken van het beleg van Char-
leroi; dat schijnt mij een moeilijke en belangrijke onderneming
toe ; doet die Prins dat, dan geloof ik dat ook gij een rit naar
de grenzen zult doen, die den Spanjaarden duur te staan kan
komen." Maar Louvois geloofde reeds niet meer, dat Charleroi
werd bedreigd: »wat men naar Engeland heeft geschreven" —
zoo antwoordde hij Courtin — >over de plannen van Mijnheer
den Prins van Oranje aangaande Charleroi, komt vrij wel overeen
met de berichten die wij kregen van de correspondenten die wij
in het leger van Zijne Hoogheid wel wat duur betalen; maar
van diezelfde berichtgevers hebben wij later gehoord, dat, naar
het schijnt den igen der vorige maand" (Juli), >dat plan is
opgegeven. Zelfs knappere menschen dan de raadgevers van
Mijnheer den Prins van Oranje zouden zeer verlegen zijn met
Digitized by
Google
CHARLEROI. 269
de zaak ; en met een enkel woord kan ik u zeggen, dat zij óf niets
zullen doen, 6f eene dwaasheid die hun zal rouwen.'* (i Augustus).
Ddt zeide Louvois den isten Augustus; hetzelfde zeide hij den
2en^ hoewel hem, in dien tusschentijd van één dag, opnieuw het
beleg van Charleroi als zeker was aangekondigd. «Gisteren" —
zoo schreef hij aan Luxembourg -^ > ontving ik yan den man van
wien ik u soms heb gesproken, een brief, gedagteekend Brussel
den 29sten Juli, 's avonds; hij had 's middags het leger ver-
laten. Het beleg van Charleroi scheen bepaald ; zelfs geloofde hij,
dat er den daaropvolgenden nacht ruiterij zou worden afgezonden
om het te berennen. Over acht dagen, zoo beloofc hij mij, zal
hij mij schrijven wat er is gebeurd, en dadelijk zal ik u dat
melden; wat ik u nu schrijf, is eigenlijk maar om u te laten
lachen; want het is mij duidelijk dat het niets beteekent." Dit
zeide hij nog den 300 Augustus, zelfs aan den opperbevelhebber
van Charleroi, graaf Montal: >de brieven uit Brussel melden^
dat Mijnheer de Prins van Oranje gezegd heeft, dat hij Charleroi
wilde belegeren, en het in zes dagen tijds door een bombarde-
ment zou nemen. De Koning heeft hartelijk gelachen toen hij
dit hoorde, en mij gelast u dat nieuws meê te deelen, en te
vragen wat gij er van zegt." Vier dagen later, den yen Augustus^
met het aanbreken van den dag, bracht een renbode van den
maarschalk De Luxembourg de tijding, dat Charleroi den vorigen
dag door den Prins van Oranje was berend geworden.
De Stadhouder was, na zijn leger bijeengetrokken te hebben
tusschen Dendermonde en Aalst, langs het dal van de Dender
hooger op getrokken tot Geraardsbergen, waar hij lang genoeg
standhield om den maarschalk De Luxembourg te doen vreezen
voor een aanval op Ath, of op Oudenaarden; van daar rukte
hij den 2en Augustus op naar Enghien en Nivelles, den seo
naderde hij Charleroi tot op anderhalf uur afstands, en deed
het den volgenden ochtend insluiten. De Prins van Oranje had
dus Louvois en Luxembourg half verrast; — maar Louvois
en Luxembourg waren van die menschen bij wie de verrassing
niet lang duurt, en niet gevaarlijk is. Den yen Augustus schreet
Louvois uit Parijs aan Saint-Pouenge, die toen als intendant
werkzaam was bij den maarschalk De Luxembourg: i dezen
ochtend heb ik hier den koerier ontvangen, door den Heer De
Luxembourg afgezonden, en daardoor vernomen, dat er niet meer
aan valt te twijfelen of Charleroi is berend. Ik ben toen in mijn
rijtuig gestapt, om daarvan bericht te geven aan Zijne Majesteit^
die, overwegende dat het zou kunnen gebeuren, dat Prins Karel"
(van Lotharingen) izich vereenigde met Mijnheer den Prins van
Oranje om het beleg van Charleroi te dekken, het noodig oor-
deelde dat het leger van Mijnheer den maarschalk De Créqui
Digitized by
Google
270 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
zich vereenigde met dat van Mijnheer De Luxembourg, en mij
gelastte mij tot gezegden Heer De Luxembourg te wenden, om
te trachten de zaken tusschen Mijnheer De Luxembourg en
Mijnheer den maarschalk De Créqui zóó te regelen, dat 's Konings
dienst niet benadeeld mogt worden door de moeilijkheden die
in zulke gevallen te dikwijls voorkomen;" — tegelijkertijd schreef
hij aan den maarschalk De Créqui, dat hij zich gereed moest
houden tot oprukken, op het eerste bevel.
Maar Créqui heeft den hertog van Lotharingen reeds belet
zich met Willem III te vereenigen: ...iLouvois was dus al aan-
stonds ontheven van het voornaamste en moeilijkste gedeelte
zijner zending; daar de loop der gebeurtenissen hem onthief van
de taak om overeenstemming te verkrijgen tusschen twee men-
schen als de maarschalken Luxembourg en Créqui, beiden zoo
naijverig op het gezag, zoo ras in drift ontstoken, zoo weinig
gezind tot wederzijdsche inschikkelijkheid. Den loen Augustus
kwam hij in de legerplaats van Walcourt, eenige uren ten zuiden
van Charleroi ; daar had de maarschalk De Luxembourg stelling
genomen met 47 bataljons en 107 eskadrons." (Rousset, blz. 337
«n 338).
Met de belegering van Charleroi was het toen nog zeer weinig
gevorderd; de loopgraven waren nog niet geopend, de liniën
waren nog niet voltooid, en bovendien gebrekkig aangelegd.
Volgens de Fransche opgaven moeten de Hollandsche ingenieurs
bij die onderneming tegen Charleroi al even weinig hebben ge-
schitterd als het jaar te voren bij het beleg van Maastricht;
Louvois spreekt met groote minachting over hen; maar ook in
iWaldeck's Leven" vindt men hen voorgesteld als weinig
bekwaam. Er zal dus wel eenige waarheid zijn in de beschuldi-
ging; wij hebben ten minste bij onze schrijvers niets gevonden
om haar te wederleggen. — Bij Rousset (blz. 337 — 342) vindt
men dienaangaande en betreffende het opbreken van het beleg
nog het volgende:
..,»De contravallatie-linie was zóó ver van de vesting, dat
Montal de vertooning maakte van zijne ruiterij ter fourageering
uit te zenden alsof er geen vijand in den omtrek was. 's Vijands
voorposten werden herhaaldelijk overvallen en opgelicht; zelfs
werd de bevelhebber van de Hollandsche artillerie gevangen ge-
nomen terwijl hij bezig was de plaatsing te bepalen van zijne
batterijen. Die voordeelen gaven zelfvertrouwen aan de bezetting,
die bovendien sterk en goed samengesteld was; er waren in
Charleroi 84 compagnieën voetvolk, 8 compagnieën Chevaux-légers^
en I compagnie dragonders. Daar de Prins van Oranje, den 5 en
nabij de vesting gekomen, bovendien verzuimd had die dadelijk
te doen insluiten, waren er dienzelfden avond nog de twee com-
Digitized by
Google
CHARLEROI. 27 1
pagnieén Mousquetaires binnengekomen, met hunne onafscheide-
lijke krijgsmakkers, de Grenadiers te paard, want sinds de inneming
van Vaienciennes was er een ware broederschap ontstaan tusschen
die jeugdige edellieden en die geringe maar dappere soldaten;
men had er in toegestemd om hen bijeen te laten. Het eerste
wat Louvois te doen had toen hij te Walcourt kwam, was aan
Montal te schrijven; vooreerst om hem te verbieden zichzelf te
wagen, daar het behoud van Charleroi afhing van zijn behoud;
vervolgens om aan de bezetting buitengewone voordeden toe te
kennen (> gelast den Heer De Pressigny om aan ieder soldaat
36 ons brood per dag te doen geven, zijn gewone soldij, en een
half pond of drie vierendeel vleesch"; — het oude Fransche
pond was bijna een halve kilo); en vooral om hem aan te be-
velen de Mousquetaires alleen bij beslissende gelegenheden te
doen optreden, daar die uitgelezen jongelingschap in dezen veld-
tocht, te Vaienciennes en te Cassel, reeds ruimschoots hare ver-
plichtingen jegens het vaderland was nagekomen.
Werd de klacht geuit, dat de toegangen naar Charleroi niet
reeds vroeger waren afgesloten, dan antwoordde de Prins van
Oranje op onverschilligen toon, dat hoe meer troepen er in de
vesting waren, hoe meer er krijgsgevangen zouden worden. Alles
kondigde aan dat een beslissende veldslag nabij was; lang te
voren had de Prins van Oranje zelf dien veldslag aangekondigd,
zeggende, dat als Luxembourg de door hem belegerde vesting
naderde, hij den vijand zes uur ver te gemoet zou trekken. In
Engeland, waar het volk algemeen met hartstochtelijke belang-
stelling de gebeurtenissen in Vlaanderen gadesloeg, had die ver-
zekering zooveel weerklank gevonden, dat, op de eerste tijding
van de onderneming tegen Charleroi, tal van jongelieden van de
hoogste standen zich ijlings inscheepten om het beleg en den
veldslag bij te wonen; maar de grooie menigte dier vrijwilligers
snelde naar den Prins van Oranje, terwijl in het leger van
Luxembourg bijna niemand hunner kwam dan de Hertog van
Monmouth."
De bondgenooten hadden Charleroi op de beide oevers van
de Sambre ingesloten; Willem III legerde zich te Montigny-sur-
Sambre^ op den linkeroever der rivier, beneden de vesting; aan-
vankelijk stond ook Villa Hermosa op dien oever, bij den
Piéton, om bij die kleine rivier den vijand tegen te houden als
die tot ontzet mocht oprukken; nog voorbij den Piéton was
bezet het dorp Monceau, ook op den linkeroever van de Sambre ;
op den rechteroever liep de kring van insluiting over Marchienne,
Montigny-le-Teigneux en Mont-sur-Marchienne, tot aan het lagere
gedeelte der rivier tegenover Montigny-sur-Sambre. Den yen Augus-
tus kwamen in de legerplaats der bondgenooten hunne zware
kanonnen aan en 4 mortieren. Wat de liniën betreft, nog den
Digitized by
Google
272 KRIJGS- EN GESCHIBDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
9eii en toen Augustus werd daaraan gewerkt; maar het is niet
zeker of zij^ toen zelfs, voltooid waren. Montal, de Fransche be-
velhebber, een even bekwaam aU dapper aanvoerder, had intas-
schen gezorgd om — zooals de Hollandsche Mercurius dit uit-
drukt — ide vrouwen en kinderen ende onnut huysraet" uit
Charleroi te verwijderen.
Den II en Augustus brak het leger van Luxembourg op van
Walcourt, en kwam te Gerpinnes, ook op den rechteroever van
de Sambre, maar veel meer nabij die rivier, en slechts een uur
gaans ten zuidoosten van Charleroi; Louvois had die beweging
aanbevolen, om de gemeenschap van het leger der bondgenoote»
met de vesting Namen ten minste op den rechteroever van de
Sambre te beletten. De maarschalk d'Humières had uit de ves-
tingen van Fransch Vlaanderen een 9 k 10 000 man samenge»
trokken; Louvois zond hem den i2ea Augustus het bevel om
met die afdeeling stelling te nemen te Braine-le-Comte, 6 k S
uur ten noordwesten van Charleroi, om de gemeenschap van het
leger der bondgenooten met Brussel te belemmeren. >Is dat ge-
daan" — zoo schreef Louvois aan den Koning — idan is er
alle reden om te gelooven, dat het brood duur zal worden in
de legerplaats van Mijnheer den Prins van Oranje, en dat zijne
batterijen geen geweldig vuur zullen geven."
Zoo ver kwam het echter niet.
Toen het Fransche leger zoo nabij Charleroi was gekomen,
zag de Stadhouder in, dat het onmogelijk was die vesting met
goed gevolg te belegeren alvorens dat leger terug te werpen;
daarom ging hij met de hoofdmacht op den rechteroever van
de Sambre over; en, tot insluiting van Charleroi 8 k 10 000 man
voetvolk en 4000 man ruiterij achterlatende, trok hij den 1 2en Augus-
tus met het overige tegen Gerpinnes op, als om den vijand slag
te leveren. Luxembourg schaarde ook zijn leger in slagorde; —
toch kwam het niet tot een strijd. De Spaansche bevelhebbers,
vooral Villa Hermosa, drongen er sterk op aan om het Fransche
leger aan te vallen; maar ditmaal was het de Stadhouder die
de voorzichtigste partij koos; hij toonde het groote gevaar aan
van slag te leveren terwijl men in den rug de Sambre had en
de sterke bezetting van Charleroi, en terwijl het leger van
Luxembourg zeer overmachtig was en eene sterke stelling be-
zette. Er werd dan ook besloten af te zien èn van den strijd^
èn dan ook van het beleg.
Algemeen schrijft men het aan de voorzichtigheid van Willem III
toe, dat er geen slag is geleverd en het beleg is opgebroken;
hijzelf bericht dit aan de Staten, en men kan op zijne waarheids-
liefde vertrouwen. Toch is er één getuige daarmede in strijd;
Huygens zegt in zijn ijoumaal", dat de Stadhouder gezind was
Digitized by
Google
CHARLEROI. 273
om slag te leveren, maar door de vertoogen van zijne onderbe*
velhebbers daarvan had afgezien; hij zou die vertoogen zelfs
met misnoegen aangehoord, en de weinig vriendelijke woorden
gebezigd hebben: >dat het met onwillige honden quaedt hasen
te vangen was." — Huygens is echter een weinig betrouwbaar
getuige.
In den vroegen ochtend van den 13 en Augustus ging de
hoofdmacht der bondgenooten achter de Sambre terug; dien
dag werd de bagage en het belegeringsgeschut naar Brussel afge-
zonden, en den 14611 Augustus het beleg opgebroken. Des Stad-
houders leger kwam toen bij Fleurus en Sombreffe.
Dat terugtrekken, in de onmiddellijke nabijheid, als het ware
onder het oog van een overmachtigen vijand^ was een hachelijke
handeling, die, om te gelukken, met zorg en bekwaamheid moest
worden uitgevoerd; dat zij gelukte, wordt van Fransche zijde
aan eene bijzondere omstandigheid toegeschreven : den 14^0 Augus-
tus ging Luxembourg van Gerpinnes op marsch naar Oignies, een
abdij onmiddellijk aan de Sambre gelegen, op den rechteroever,
bijna halfweg Charleroi en Namen; ware Luxembourg niet op
marsch gegaan, ware hij dien dag te Gerpinnes gebleven, dan
had hij de terugtrekkende bondgenooten kunnen aanvallen en
hun groote verliezen toebrengen. — De gewone, maar zoo weinig
afdoende redeneering: was d^t niet gebeurd, dan zou ddt wel
gebeurd zijn. Ook Rousset doet aan zulk een redeneering mee:
1 Aanvankelijk had het Fransche leger, den 13611, uit de leger-
plaats van Gerpinnes moeten opbreken naar de abdij van Oig-
nies, aan de Sambre; maar daar de verwachting dat er slag
geleverd zou worden, den Maarschalk bewoog om tot den vol-
genden dag in zijne stelling te blijven, ving die marsch aan in
den ochtend van den 1400; toen deed zich iets voor, waardoor
iedereen spijt had dat de beweging reeds was begonnen. Ziehier
wat Louvois den Koning schreef, uit het kamp van Gerpinnes,
den 14C11, om half twee: i volgens wat ik de eer had Uwe
Majesteit te melden dat Mijnheer De Luxembourg voornemens
was dezen ochtend op marsch te gaan, heeft het leger zich
omstreeks acht uur in beweging gesteld. £en half uur later be-
richtte men Mijnheer De Luxembourg, dat men uit een bosch,
van waar men gezicht had op het kamp van Mijnheer De Villa
Hermosa, op de hoogte van Couillet'* (Couillet, een dorp op
den rechteroever van de Sambre, ongeveer een half uur beneden
Charleroi) «bespeurde dat de vijand zijne tenten afbrak en te
paard steeg. £en uur later kwam men hem zeggen, dat die
macht de Sambre overging, dat men in de geheele Hollandsche
legerplaats geen tent meer zag, maar wel eene sterke colonne,
op marsch naar de bosschen bij Thiméon ;" (Thiméon, ongeveer
WILLEM IIT. — II. 18
Digitized by
Google
274 KRIJGS- EN GESCHIBDKUNDIGB BESCHOUWINGEN.
2 uur ten noordwesten van Charleroi, nabij den Piéton). >Over
een paar uur zullen wij iets meer stelligs weten; maar nu reeds
heeft dit zóó veel van het opbreken van een beleg, dat ik ge-
meend heb dezen koerier te moeten afzenden, om Uwe Majesteit
dit nieuws te berichten."
» Werkelijk was 't het opbreken van het beleg. De Engelsche
vrijwilligers die tot den Prins van Oranje waren gesneld om te
leeren hoe men veldslagen wint, of ten minste vestingen neemt,
moesten zich dus vergenoegen met eene les in de kunst van met
overhaasting terug te trekken. Het gelukkig gesternte van Mijn-
heer den Prins van Oranje heeft gewild dat Mijnheer De Luxem-
bourg dien dag is op marsch gegaan; want ware het leger te
Gerpinnes geweest, dan had het hem minstens 4 k 5000 man
gekost."
Die woorden zijn van Louvois, die den isen Augustus nog
aan den Koning schrijft: ...» Mijnheer de Prins van Oranje heeft
zijn verstand weer teruggekregen en heeft van zelf zijne dwaze
onderneming gestaakt" £n, denzelfden dag, aan den hertog De
Charost: ...>ik verzoek u den hier nevensgaanden brief spoedig
te zenden aan den Heer Courtin; hij zal daaruit zien welk een
misselijk figuur de vijand gemaakt heeft." {La cacade que les
ennemis viennent de faire).
Denkelijk is er wel eenige overdrijving in die Fransche voor-
stelling van het gebeurde bij Charleroi; zoo spreken onze op*
gaven onder andere met geen enkel woord van het oplichten
van veldwachten en van het gevangen nemen van den bevelhebber
der Hollandsche artillerie, door de bezetting van Charleroi.
Ontegenzeggelijk is het echter, dat de mislukte onderneming
tegen Charleroi voor de Franschen een triomf is geweest, voor
Willem III eene nederlaag, of op zijn minst genomen een ge-
voelige tegenspoed. Maar wanneer Louvois zich zoo uitbundig
verheft op dat voordeel, en op zoo krenkenden toon van zijn
vijand spreekt, dan is er onder die schijnbare minachting inder-
daad haat en vrees verborgen; men hecht, aan de Fransche
zijde, zooveel belang aan alles wat Willem III onderneemt, dat
men eiken tegenspoed die hij ondervindt, overdrijft.
Dat men in Frankrijk, niettegenstaande dien tegenspoed van
Charleroi, Willem III niet geringschatte, blijkt ten duidelijkste
uit eene poging, eene groote maand later door Louvois aange-
wend om den Stadhouder te bewegen de zaak der bondgenooten
te verlaten en zich bij Lodewijk XIV aan te sluiten. Dienaan-
gaande vindt men bij Rousset (2*" deel, blz. 346 — 349) het volgende :
• Het was bekend dat de tweedracht onder de bondgenooten
nog nooit zoo groot was geweest; hun beraadslaging sloeg vaak
over tot beleedigende woorden. Sinds de maarschalk d'Ëstrades
Digitized by
Google
CHARLEROI. 275
benoemd was als gevolmachtigde te Nijmegen, ontving hij van
De Pomponne" (de Fransche minister van buitenlandsche zaken)
salie openbare en geheime voorschriften betreffende de algemeene
onderhandelingen in het congres en de bijzondere onderhande-
lingen met de omgeving van den Prins van Oranje. Toch oor-
deelde Louvois, na de overwinning die hij in zeker opzicht op
den Stadhouder had behaald, dat het nu eene gunstige gelegen-
heid was voor eene uitsluitend persoonlijke toenadering; den
23sten September schreef hij aan den maarschalk d'Estrades:
>Gij zult van den Heer De Pomponne vernomen hebben, dat
Zijne Majesteit goedvindt dat gij Mijnheer den Prins van Oranje
laat weten, dat indien hij eenige lust heeft om wraak te nemen
op de Spanjaarden, zijne laatste verkeerde handelingen tot nu
toe nog geenszins uit 's Konings hart de welwillendheid hebben
weggenomen, die Zijne Majesteit hem toedroeg als aan een harer
aanhangers; daarom heb ik u hierover niets te schrijven, dan
alleen dat Mijnheer de Prins van Oranje zijn geld zeer slecht
besteedt, als hij daarmee de menschen betaalt, die hem berichten
dat de Koning hem haat; Zijne Majesteit laat zich zoo niet
doorgronden door briefschrijvers als die welke met Mijnheer den
Prins van Oranje in betrekking staan, en die waarschijnlijk goed
betaald worden door de Spanjaarden om hem zulke zaken te
melden. Wat den dienaars van Zijne Majesteit aangaat, die doen
niets anders dan wat hun wordt gelast; en hunne bijzondere ge-
zbdheid (al was die zöo als men haar aan Mijnheer den Prins
van Oranje afschildert^ waaromtrent hij even slecht onderricht is
als omtrent het overige) zou niets ter zake afdoen, omdat die
zich altijd regelt naar de gezindheid des meesters; en wat mij
betreft kan ik u verzekeren, dat niemand ter wereld mij iets
heeft kunnen hooren zeggen, wat eenigen grond kan geven tot
wat uw vriend u meldt, 't Is waar, soms komt de gedachte bij
mij op, dat Mijnheer de Prins van Oranje een grboten afkeer
moet hebben van den Koning, om de schandelijke taal te ge-
doogen die aan het Spaansche hof tegen hem wordt gevoerd,
en die de gezanten van den katholieken Koning in alle landen
van Europa verbreiden; soms ook beklaag ik hem, dat hij nie-
mand bij zich heeft, genoeg met hem bevriend om hem te
waarschuwen dat zijn naam noodwendig in aanzien moet dalen
bij de partij die thans de zijne is, niemand om, toen hij besloot
op te rukken tegen Charleroi, hem onder het oog te brengen
dat die onderneming hem waarschijnlijk op grooter verlies zou
komen te staan, dan in werkelijkheid het geval geweest is. De
Spanjaarden zeggen dat hij, door terug te trekken, zijn naam
heeft onteerd, en voegen hem deswege duizend benamingen toe,
die het onnoodig is hier te herhalen. Ik wenschte hem te laten
waarschuwen, dat het voortzetten van dezen oorlog voor hem
Digitized by
Google
276 KRIJGS- SN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
niets anders ten gevolge kan hebben dan het verdwijnen van de
gunstige gezindheid die Zijne Majesteit voor hem had; hij zal
zijn naam geheel en al verliezen ten bate van menschen die de
eerste de beste gelegenheid zullen aangrijpen om zich van hem
te ontdoen, en die er geen gewetensbezwaar in zullen vinden
om elke gelegenheid, hoe dan ook, daartoe te baat te nemen." —
Maar op het oogenblik waarop de trots van den Prins van Oranje
het ergst was gekrenkt, was hij het allerminst gezind om de
hand te kussen die Lodewijk XIV hem toereikte, evenmin als
om Louvois aan te nemen als leidsman, als den man die borg
zou blijven voor het goed gedrag van den Prius."
Louvois, naar Parijs teruggekeerd zijnde, zond — op het laatst
van Augustus — aan Luxembourg bevel om het land van Waas
te verwoesten, en het kanaal van Brussel te vernielen. Zoo was
de oorlogsvoering van dien tijd: de verwoesting van de Paltz is
geen feit dat op zichzelf staat. Luxembourg stelt zijn leger in
beweging, maar krijgt weer tegenbevel, ten gevolge van de drei-
gende houding van Willem III.
>De Prins van Oranje, die eerst teruggegaan was op Brussel,
had gebruik gemaakt van het wegtrekken van het Fransche leger
om opnieuw rond te dolen in den omtrek van Charleroi; maar
daar hij het niet waagde die vesting nogmaals aan te vallen, had
hij zijne woede gekoeld op het stadje Binche, reeds tweemaal
door hem genomen, telkens bij wijze van schadeloosstelling: na
het mislukte beleg van Charleroi in 1672, en na het mislukte
beleg van Oudenaarden in 1674. Maar in 1677 scheen hij zich
niet te willen vergenoegen met dit enkele voordeel; een van die
niet-belangelooze vrienden ten minste, die, volgens het gezegde
van Louvois, •bij het Hollandsche leger den Koning dienden",
gaf er kennis van dat er sterk sprake van was om Dinant, aan
de Maas, te belegeren." (Rousset, blz. 344.)
Om dat te voorkomen besluiten de Franschen Dixmude te
belegeren. De maarschalk d'Humières zal dit doen, met de 17
bataljons die hij uit zijne vestingen trekt, en met eene versterking
van 10 bataljons en 26 eskadrons van Luxembourg's leger.
d*Humières oordeelt dat hij nog geen infanterie genoeg beeft;
en Louvois gelast daarop aan Luxembourg om nog 8 bataljons
aan d'Humières af te zenden, ten van de beste" {et des meilleurs).
Dit wekt een hevig misnoegen op bij Luxembourg. Ëvenzoo is
er ongenoegen tusschen Vauban en Louvois over de voorge-
nomen verwoesting van het land van Waas, die Vauban afkeurt,
vooral omdat de bondgenooten van hunne zijde bij machte zijn
Picardië en andere Fransche gewesten te verwoesten. iMaar,"
— zegt Rousset (blz. 347) — tmet het knorrige maar ronde en
eerlijke karakter van Vauban was het geheel anders gesteld dan
Digitized by
Google
CHARLEROI. 277
met het valsche en haatdragende karakter van Luxembourg; de
kwade luim bij Vauban was voorbijgaande en liet geen sporen
achter,"
Van dat beleg van Dinant en van Dixmude komt echter niets ;
evenmin van het verwoesten van het land van Waas» Dat laatste
wordt door onze opgaven niet zoo geheel en al toegestemd;
volgens die opgaven moeten er toen wel eenige strooperijen
hebben plaats gehad in het land van Waas, en in den omtrek
van C^nt. Ook wordt er, van onze zijde, nog al ophef gemaakt
van een mislukten aanval van de Franschen, den locn September,
op eene schans aan de Brusselsche Vaart, tusschen Brussel en
Vilvoorden, bij eene plaats die onze schrijvers noemen ide drie
gaten", — denkelijk wat thans heet „/« trots fontaine^'*. Die
schans was in het eerste oogenblik door slechts 30 HoUandsche
soldaten bezet, onder ijoncker Walter Carpentier, Engels edelman
en capiteyn van een compagnie te voet"; maar nog tijdig kwamen
er versterkingen van de regimenten van Stirum en van Slangen-
burg, zoodat de bezetting een 260 man bedroeg. De aanval van
de Franschen, denkelijk in verband staande met de voorgenomen
verwoesting van de Brusselsche Vaart, werd verricht door eene
sterke afdeeling, door Luxembourg in persoon bestuurd ; hoezeer
met groote dapperheid doordringende itot aan de derde palis-
sade", werden de bestormers toch teruggeworpen met een verlies
van 3 k 400 man aan dooden en gewonden. Onder de Hol-
landsche officieren die zich hier hebben onderscheiden, worden
genoemd de kapiteins Rhade-Heeckeren en Vonck van Linden,
en vooral de dappere Brit die hier het bevel voerde. Carpentier
werd door den Stadhouder bevorderd tot bevelhebber van de
Ommerschans; en van de hertogin De Villa Hermosa, de vrouw
van den Spaanschen landvoogd, ontving hij een roos met
diamanten. — Van Fransche zijde wordt dit gevecht met stil-
zwijgen voorbijgegaan.
De laatste krijgsverrichting van het jaar 1677 in de Neder-
landen was het beleg van Saint-Ghislain, eene vesting tusschen
Mons en Condé. Louvois had voor dat beleg 20 bataljons en
22 eskadrons bestemd, onder d'Humières; 20 andere bataljons
stonden gereed tusschen Condé, Valenciennes en Le Quesnoy,
om d'Humières te versterken, als de bondgenooten tot ontzet
mochten oprukken. Den isten December wordt Saint-Ghislain
berend. Willem III was toen reeds naar Engeland vertrokken;
Waldeck, die hem als opperbevelhebber had vervangen, trok
spoedig het leger bijeen en vereenigde zich met eene Spd,ansche
afdeeling onder Villa Hermosa. Beide bevelhebbers rukten den
8sten December van Brussel op, kwamen den loen te Mons,
maar hoorden daar dat het reeds te laat was. Den loen December
Digitized by
Google —
278 KRUGS- EN GESCHIEDKUNOIOE BESCHOUWINGEN.
had Saint-Ghislain zich overgegeven, nadat den nacht te voren
de buitenwerken waren genomen en daarop de hoofdwal met
een storm werd bedreigd. Het beleg had aan de Franschen maar
een 120 man gekost, aan dooden en gewonden; Waldeck noemt
de overgave «schandelijk"; — en die benaming schijnt wel ver-
diend; want in een brief van den 3osteD November aan Barillon,
toen Fransch gezant te Londen, noemt Louvois den Spaanschen
bevelhebber van Saint-Ghislain >een van de ellendigste kerels,
die er bij zijne natie te vinden zijn". Daar die brief vóór het
beleg werd geschreven, blijkt er uit, dat de Franschen wisten
met wien zij te doen hadden.
Vauban had het beleg van Saint-Ghislain bestuurd; den lyea
November had Louvois over hem geschreven aan d*Huroières,
en daarbij bewoordingen gebruikt, die aantoonen in hoe hooge
achting de groote vestingbouwkundige bij zijne regeering werd
gehouden: «Zijne Majesteit vindt het goed, dat Mijnheer De
Vauban u zal vergezellen^ maar zij beveelt u nadrukkelijk aan
voor hem te zorgen, en niet te gedoogen dat hij de werkzaam-
heden in de loopgraven op zich neme; die moeten bestuurd
worden door den Ridder De Mont-Givrault, met de ingenieurs
die Mijnheer De Vauban onder zijne bevelen zal stellen. Te goed
weet gij het, welk een verdriet het Zijne Majesteit zou aandoen,
indien genoemden Heer De Vauban iets kwaads overkwam, dan
dat het noodig zou zijn u aan te bevelen, voor zijn leven te
zorgen, en uw gezag te gebruiken om hem te beletten van zich
aan gevaren bloot te stellen." (Rousset, blz. 357).
Zeer zeker behooren wij niet tot de bewonderaars van het
regeeringsstelsel van Lodewijk XIV, — het meest onbeperkte
despotisme; maar de waarheid vordert de erkenning, dat die
regeering — vooral in haar eerste helft — meer dan eens een
verstandig despotisme is geweest; onder andere was zij dat
ontegenzeggelijk in die hulde, toegezwaaid aan een man van uit-
stekende verdiensten en begaafdheden, als Vauban.
Een krijtend contrast met dat verstand dat dikwijls doorstraalt
in de handelingen van den Franschen despoot, maakt het domme
en onzinnige van de ellendige regeering die toenmaals op de
Spaansche Monarchie drukte: dat was ook despotisme, — maar
zonder verstand. Een enkel voorbeeld uit vele. In Maart 1677
komt uit Madrid een koninklijke afkondiging, die in de steden
der Spaansche Nederlanden onder trompetgeschal moet worden
voorgelezen. Wat houdt die afkondiging in? — Dat aan zede-
lijkheid en godsdienst de hand moet worden gehouden, om daar-
door 's Hemels zegen over de wapenen van Spanje te verwerven. —
Schijnvroomheid ! Begin met geld en soldaten te zenden, en schrijf
d^n het gebed voor; het werken moet met het bidden gepaard
gaan. De Staten-Generaal schreven in dien tijd ook biddagen voor,
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGSN AAN DEN RIJN EN IN CATALONIË. 279
om van den Hemel overwinningen af te smeeken voor de Repu-
bliek', maar zij zorgden tevens, dat het leger en de vloot der
Republiek in staat waren om die overwinningen te behalen.
Voor het overige, wanneer wij hier de regeering van Lode-
wijk XIV huldigen om het verstand dat zij soms doet blijken,
dan neemt dit niets weg van de verontwaardiging die zij opwekt —
vooral bij het oorlogvoeren — door handelingen, strijdig met alle
beginselen van recht en menschelijkheid. Bij den weerloozen land-
zaat werd geroofd, gebrand, gemoord, zonder eenig mededoogen ;
maar ook tegen 'svijands geregelde legermacht, tegen krijgsge-
vangenen ging men op wreede en wederrechtelijke wijze te werk.
Louvois had te dien aanzien een voorschrift gegeven; en nu
schrijft hij, den Ss^en Juni 1677, aan SaintPouenge, intendant bij
het leger in de Nederlanden, dat dit voorschrift alleen moet
gelden voor de bezettingen van de vijandelijke vestingen: 9 het
reglement dat gemaakt is ten aanzien van de patrouilles {les
partii) moet alleen toegepast worden op de patrouilles uit de
vestingen, en niet op die van 'svijands leger, waaromtrent niets
is vastgesteld; dat wil zeggen {c'ezt H dire\ dat als men een
patrouille oplicht uit de Spaansche bezettingen^ en zij is aan
infanterie minder sterk dan 19 man, en aan ruiterij of dragon-
ders minder dan 15, dan kan men zè naar de galeien zenden.'*
(Rousset, 2* deel, blz. 333).
Dat yyC^eit d. dire'' is nog al vermakelijk! Dus, als uit eene
Spaansche vesting eene patrouille, eene kleine afdeeling, wordt
uitgezonden van 18 infanteristen, of van 14 ruiters of dragonders,
en die patrouille wordt gevangen genomen, dan kan die geheele
patrouille naar de galeien worden gezonden! Met welk recht? —
alleen met het recht van den sterkste, het geweld.
Met een enkel woord worde hier nog gewaagd van de krijgs-
verrichtingen der Fransche legers aan de zijde van den Rijn en
aan de zijde van de Pyreneën.
Het Keizerlijke leger onder den hertog van Lotharingen was
van Mouzon aan de Maas teruggegaan naar den Moezel; —
terloops zij hierbij aangemerkt, dat door de iHollandsche Mer-
curius" ten onrechte wordt gezegd, dat dit verlaten van de Maas
door de Keizerlijken eerst plaats had na dat de onderneming
tegen Charleroi was opgegeven: reeds den 3^0 Augustus werd
Mouzon in brand gestoken en begon de hertog van Lotharingen
zijn terugmarsch, en eerst den 1300 Augustus zag Willem III af
van het belegeren van Charleroi — Na den aftocht van de
Duitschers stelt Créqui voor om naar de zijde van den Opper-
Ëlzas op den rechteroever van den Rijn over te gaan; dit was
nog in Augustus ; — aanvankelijk oordeelt Louvois die handeling
Digitized by
Google
28o KRIJGS- BN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
te gewaagd, maar later, vernemende dat het leger van den hertog
van Lotharingen in een vrij ongeredderden toestand verkeerde,
geeft hij Créqui weer vrijheid om naar eigene inzichten te handelen.
In den Opper-£lzas stond een Duitsche troepenmacht onder
den Prins van Saksen- Eisenach, tegenover eene Fransche onder
Montclar. Op de nadering van Créqui trekt Saksen Ëisenach
terug op het Brisgausche — de landstreek op den rechteroever
van den Rijn, waar die stroom, Zwitserland verlatende, bij Bazel
een elleboog maakt. In den nacht van 7 — 8 September gaat de
Duitsche bevelhebber op den rechteroever van den Rijn terug,
met zooveel overhaasting, dat de brug, die hij achter zich in
brand gestoken heeft, slechts gedeeltelijk verbrandt en gedeeltelijk
in handen valt van Montclar. De ruiterij van dien Franschen
aanvoerder gaat daarop te Brisach den Rijn over, ten einde het
slaan van eene brug te Rheinau te dekken, nagenoeg halfweg
Brisach en Straatsburg. Den 21 sten September gaat Créqui daar
den Rijn over, met 4000 paarden en 5000 man voetvolk, ver-
eenigt zich met de ruiterij van Montclar, trekt snel op Wilstett,
op den rechteroever van de Kintzig; en drijft Saksen-Eisenach,
met verlies en in wanorde, terug op Kehl, tegenover Straatsburg.
Ma^r de hertog van Lotharingen is zuidwaarts getrokken om
zijn onderbevelhebber bijstand te bieden, en komt den isten October
te Straatsburg. Créqui, dien opmarsch vernemende, keert den
istcn October naar den linkeroever van den Rijn terug; plaatst
zich eerst te Wangen, een dagmarsch ten noordwesten van Straats-
burg, en gaat later nog iets verder terug, op Zabern, Den yen
October heeft er nog een onbeslist ruitergevecht plaats; maar
spoedig daarop betrekken beide partijen de winterkwartieren:
de hertog van Lotharingen, in de Paltz ; Créqui, in den Opper-Elzas.
Den 29sten October wordt Créqui door Louvois gemachtigd
om nog iets te ondernemen tegen de vesting Freiburg, op den
rechteroever van den Rijn, 4 of 5 uur ten oosten van Brisach.
Die onderneming gelukt volkomen. In drie dagen tijds zijn de
Fransche troepen uit de winterkwartieren bijeengetrokken; en
terwijl De Rannes, met een klein gedeelte, Saarbrück bedreigt,
gaat de hoofdmacht den Rijn over te Brisach. Den 9en November
wordt Freiburg berend; den loen komt het belegeringspark daar-
voor; den iien begint het geschutvuur; den i5cn zijn de bres-
batterijen voltooid; den i6en capituleert de vesting en geeft zich
den volgenden dag over. De hertog van Lotharingen had toen
zijne troepen nog niet vereenigd uit de winterkwartieren.
Hiermede eindigde de veldtocht aldaar.
Naar de zijde van de Pyreneën stond Navailles aan het hoofd
van het Fransche leger; deze wil Puycerda belegeren, eene ves-
ting in het noorden van Catalonië; maar Louvois weigert dit.
Digitized by
Google
1678. — VRBDESONDERHANDKLINGEN, 281
Navailles, aan het hoofd van 8000 man, doet daarop een inval
in het Lampourdansche, het meest noordoostelijk gedeelte van
Catalonië; Monterey, toen Onderkoning van Catalonië, trekt hem
te gemoet met een Spaansch leger van 15 è, 16030 man. Navailles
gaat daarop terug. Den 3en Juli heeft er een gevecht plaats tus-
schen de beide legers, bij den bergpas van Bagnols, ten noorden
van de vesting Gerona; beide partijen schrijven «ich hier de
overwinning toe. Verder gebeurt hier niets; — een weinig be-
duidende veldtocht.
»Laat anderen groot worden door den oorlog, gij, gelukkig
Oostenrijk, wordt groot door het huwelijk"; — die woorden,
slaande op de groote landaanwinning die het Oostenrijksche vor-
stenhuis door zijne huwelijken heeft verkregen, gelden ook Wil-
lem III in 1677. Dat jaar was, wat de krijgsbedrijven aangaat,
voor hem zeer nadeelig geweest; maar dat nadeel werd ruim-
schoots opgewogen door de groote vermeerdering van macht
die zijn huwelijk hem schonk. Den i9eii October te Londen ge-
komen, trouwde hij den 15611 November met Maria, de oudste
dochter van den hertog van York, den lateren Jakobus II. Door
dit huwelijk had de Stadhouder vasten voet verkregen in Enge-
land, eenigen invloed verworven op de £ngelsche staatkunde;
en het Ëngelsche volk begon naar hem op te zien als naar zijn
aanstaand hoofd, als naar den kampvechter die het vrij zou
maken van dwingelandij en gewetensdwang.
HOOFDSTUK XIX.
1678; vredesonderhandelingen; begin van den veldtocht;
beleg van gent en iperen ; nijmeegsche vrede; slag
van saint-denis ; krijgsverrichtingen bij den rijn.
Het jaar 1678 was aangebroken, het zevende jaar van den
oorlog die in 1672 was begonnen; het zou ook het laatste jaar
zijn van dien krijg. Toch was het sluiten van den vrede nog
langen tijd zeer onzeker, en het kostte zeer veel moeite eer men
200 ver kwam. Dét men in 1678 te Nijmegen vrede heeft ge-
sloten, is grootendeels te danken aan het staatsbeleid van Bever-
ningh; aan hem komt grootendeels de eer van die handeling
toe, — de oneer, volgens sommigen ; — wij houden het met de
eerste meening; want de Nijmeegsche vrede was nuttig, en
noodig, en eerlijk.
Digitized by
Google
2^2 KRIJGS- EM OBSCHIEDKUNOIGE BESCHOUWINGEN.
De langdurige onderhandelingen, te Nijmegen gevoerd, hadden
de overtuiging gegeven, dat de Republiek bij het sluiten van
een vrede niet het minste nadeel zou moeten ondervinden, niets
zou moeten afstaan van haar grondgebied en van hare bezit-
tingen; — en als men in aanmerking neemt dat het in 1672 op
haar geheelen ondergang was toegelegd, dan is het zeer duidelijk
dat zulk een vrede voor de Republiek eene gewenschte uitkomst
moest zijn. Maar voor de bondgenooten van de Republiek, voor
Spanje en voor sommige Duitsche vorsten zou de vrede nadeelen
opleveren; zij zouden daarbij aan Frankrijk vestingen en grond-
gebied moeten afstaan; — ongetwijfeld; maar die vestingen en
dat grondgebied waren reeds in de macht van Frankrijk; en
nóg meer bovendien, dat Frankrijk aanbood terug te geven. De
kans om door kracht van wapenen, door het voortzetten van
den oorlog, te herwinnen wat men aan Frankrijk had verloren,
werd van jaar tot jaar kleiner; verre van te slagen in het her-
nemen van de door Frankrijk gemaakte veroveringen, zag men
integendeel Frankrijk met ieder jaar nieuwe veroveringen maken.
Het gezond verstand bracht dus mede om maar vrede te sluiten,
en een oorlog te eindigen die met ieder jaar in nadeeliger toe-
stand bracht.
Maar Spanje en de Duitsche vorsten wilden van dien vrede
niet weten, en maanden de Republiek aan, om mét hen den
oorlog te blijven voortzetten tegen Lodewijk XIV: »wij zijn u
in 1672 te hulp gekomen; gij zijt verplicht thans ook ons bij
te blijven." — Daar zou misschien eenige grond zijn geweest
voor die aanmaning, wanneer èn Spanje èn de Duitsche vorsten
eenigszins hunne krachten hadden ingespannen om den oorlog
te yoeren; maar dit deden zij niet, of bijna niet; en de last van
den oorlog kwam grootendeels alleen op de Republiek neer. Bij
Spanje was het uitputting, onmacht ; het was schier zonder hulp-
middelen, ten gevolge van een langdurig wanbestuur. Bij de
Duitsche vorsten was het geldzucht, egoïstische berekening; zij
trokken maar substdiën van de Republiek, deden hunne troepen
zoo laat mogelijk te velde komen, zoo spoedig mogelijk huis-
waarts keeren, zoo weinig mogelijk verrichten ; de keurvorst van
Brandenburg, >de groote Keurvorst", was er maar op uit om
door den oorlog zijne staten uit te breiden, en zeer zeker be-
hoorde hij niet tot de verliezers, maar tot de winners; — en dat
alles door de middelen van de Republiek, die hier un métier de
dupe uitoefende. Het werd tijd, dat daar eens een einde aan kwam.
De Republiek had het recht om tegen die bondgenooten te
zeggen: igij hebt mij in 1672 geholpen; Spanje, vol ijver;
Duitschland, op zeer twijfelachtige wijze. Tot loon voor die hulp
heb ik u krachtig bijgestaan tegen Lodewijk XIV, evenzeer uw
vijand als den mijne ; jaren achtereen heb ik mij daarvoor groote
Digitized by
Google
1678. — VREDESONDERHANDELINGEN, 283
opofTeringen getroost, terwijl gij zeer weinig hebt gedaan: mijn
vloot is op de zeeën werkzaam geweest; mijn leger heeft de
Spaansche Nederlanden verdedigd; mijn geld heeft de Duitsche
troepen in beweging gebracht De oorlog wordt grootendeels
alleen op mijne kosten gevoerd; bijgevolg heb ik ook wel het
recht om eene beslissende stem uit te brengen, als het er op
aankomt om dien oorlog te eindigen."
Ziedaar hoe men in Holland toen de zaken inzag; in de Repu-
bliek wilde men algemeen den vrede; — maar daar was één
man die den vrede niet wilde; en die eene man was zóó krach-
tig, zóó veelvermogend, dat hij het kon wagen den wil van een
geheel volk te keer te gaan, dat hij, vroeg men hem wat hij
daaraan tegenover kon stellen, zonder grootspraak met de Medea
kon antwoorden:
»Moi:
Moi, dis-je, et c est assez."
CORNEILLE.
Willem III wilde toen geen vrede; en uit zijn oogpunt had
hij volkomen gelijk.
Dat de Stadhouder den oorlog wilde voortzetten, was niet, —
zooals men heeft beweerd — uit liefde tot den oorlog, uit zucht
om zijne veldheerskunde uit te breiden; ook niet, omdat de
oorlog voordeeliger was voor zijne bijzondere belangen ; — edeler
drijfveeren deden hem hier handelen. De Stadhouder was, reeds
toen, de kampvechter voor Europa's vrijheid tegen de dwinge-
landij van Lodewijk XIV; d^t te zijn, is de taak geweest van
geheel zijn leven, als staatsman en als legerhoofd; het was een
edel en groot doel dat hij beoogde, een doel waaraan hij al
zijne krachten en vermogens heeft gewijd, en waardoor hij zijn
naam met een onsterfelijken roem heeft omgeven. Nu redeneerde
Willem III in 1678 zoo: teen vrede met Frankrijk zal maar
kort duren; Frankrijk zal spoedig weer overgaan tot het maken
van veroveringen; zulk een vrede zal niets meer zijn dan een
wapenstilstand; op dit oogenblik hebben wij een sterk bondge-
nootschap tegen Lodewijk XIV; sluiten wij vrede, dan valt dat
bondgenootschap uiteen en zal later moeilijk weer zijn samen te
stellen; d^n zullen dus de kansen van den oorlog meer in het
voordeel zijn van Frankrijk; en bijgevolg is het voor Europa's
vrijheid verkieslijk thans geen vrede te sluiten, maar den oorlog
voort te zetten."
Zeker, tegenover die redeneering kan men het volgende stel-
len: »het voortzetten van den oorlog heeft tot dusver alleen ge-
diend om Frankrijk machtiger en Europa zwakker te maken;
de bondgenooten worden al meer en meer uitgeput; het is dus
hoog noodig dat zij eenige jaren vrede genieten, om weer tot
Digitized by
Google
284 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
krachten te komen en de worsteling tegen Frankrijk met gun-
stiger kansen te kunnen hervatten ; het gemeenschappelijk belang,
de noodzakelijkheid zullen dan^ even goed als thans, een bond*
genootschap doen ontstaan."
Die redeneering was, naar onze meening, gegronder dan de
redeneering welke wij den Stadhouder laten houden ; of de Stad-
houder de zaken hier volkomen juist inzag, kan dus betwijfeld
worden : hij nam zijn eigen geestkracht te veel als maatstaf voor
de geestkracht van anderen. Maar, ddt is de vraag niet, of
Willem III zich hier vergiste, ja dan neen : h ij was ten volle over-
tuigd, dat het sluiten van den vrede toen een verderfelijke han-
deling was; en daarom handelde hij goed, toen hij, zijne overtui-
ging volgende, met alle kracht het sluiten van den vrede tegenhield.
Willem III kon bij zijn streven naar het voortzetten van den
oorlog rekenen op de medewerking van Spanje en van de
Duitsche vorsten, maar nog meer dan op deze had hij toen het
oog gevestigd op Engeland: kon hij Engeland bewegen, zich
aan te sluiten bij de bondgenooten, dan zouden daardoor de
kansen van den oorlog tegen Frankrijk veel gunstiger worden.
Nu waren destijds de staatkundige verhoudingen in het Britsche
Rijk van een vreemden en ingewikkelden aard.
Koning van Engeland was toen nog Karel II; eenige jaren
later, na zijn dood, was het zijn broeder Jakobus II; >oud ijzer
om oud lood", zooals het spreekwoord zegt: die beide Stuarts
zijn in even hooge mate plichtvergeten, gewetenlooze koningen
geweest ; het eenige verschil tusschen hen was, dat Karel II meer
geest had, meer aangeboren goedhartigheid ; — maar zijne traag-
heid, zijne uitspattingen, zijn cynisme, gaven het aanzijn aan
even schandelijke dwingelandij, als de domme ongevoeligheid
van Jakobus dit deed. Beide vorsten streefden naar het absolute
gezag, waren der vrijheid vijandig, en droegen dus onze Repu-
bliek natuurlijk geen goed hart toe; beiden — hoewel koningen
van een protestantsch rijk — waren de katholieke kerkleer
toegedaan, — Karel in hét geheim. Jakobus openlijk; beiden
stonden in soldij van Lodewijk XIV, dongen naar de gunst van
den Franschen koning, en lieten zich door dezen voorschrijven
hoe te handelen. Het meest gewone eergevoel was dien beiden
Engelschen koningen vreemd; zij gaven de grootheid en waar-
digheid van hun land geheel prijs, alleen om maar Frankrijk's
onderstandsgelden te kunnen trekken. Voor een wreed dwinge-
land, maar die de eer van zijn land handhaaft, kan men nog
eenige achting, nog eenige sympathie hebben; voor zulke niete-
lingen, niet.
Het is duidelijk dat, met zulke koningen, Lodewijk XIV
weinig vrees behoefde te koesteren, dat Engeland zich tegen
Digitized by
Google
1678. — VREDESONDERHANDELINGEN. 285
zijne veroveringszucht zou verzetten; de Fransche staatkunde
moest maar zorgen, dat die koningen hunne macht bleven be-
houden; zij moest maar zorgen, dat het £ngelsche volk niet
meesprak. Het Ëngelsche volk was Frankrijk vijandig; het had
een afkeer van het ellendig despotisme der Stuarts ; en het hield
het oog hoopvol op Willem III gevestigd, die, getrouwd zijnde
met een dochter uit het huis der Stuarts, volgens alle waarschijn-
lijkheid bestemd was om, door erfopvolging, op den Britschen
troon te komen. De staatkunde van den Stadhouder hield reeds
toen het oog gevestigd op Engeland; reeds toen stond hij daar
in nauwe verbinding met de vrijheidsgezinde partij, en bezat hij
daar een machtigen invloed. Het Ëngelsche Parlement, denkelijk
ook de ingevingen van den Stadhouder opvolgende, deed soms
zijn stem krachtig hooren en maande den Koning dan aan, zich
tegen Frankrijk's veroveringszucht te verzetten, als die wat al te
onbeschaamd te werk ging. Voor het oogenblik zwichtte Karel
dan soms voor den storm; hij nam dan den schijn aan, alsof
hij zich krachtig wilde doen gelden tegenover Frankrijk; hij
stelde wapeningen voor, hij vroeg daarvoor geld; — komedie-
vertooning en meer niet, daar het nooit ernstig in zijne bedoe-
ling lag om Frankrijk te beoorlogen ; en eene komedie-vertooning,
die ook daarom te gemakkelijker was, omdat het Parlement
meestal een weigerend antwoord gaf op die voorstellen tot
wapening en op die aanvragen om geld. Die weigeringen van
het Parlement waren eensdeels daaraan toe te schrijven, dat het
vreesde dat de middelen door den Koning gevraagd, misschien
minder zouden dienen tegen Frankrijk, dan wel tegen de vrijheid
van Engeland zelf; en anderdeels, dat tal van parlementsleden
evenzeer in Fransche soldij stonden als de Koning zelf. In het
Engeland van die dagen behoorde de staatkundige eerlijkheid
tot de uitzonderingen.
Was Willem III de groote voorstander van den oorlog, de
voorstanders van den vrede — en die maakten de overgroote
meerderheid uit in de Republiek — werden vooral vertegen-
woordigd door Hieronymus van Beverningh, een van de Hol-
landsche onderhandelaars te Nijmegen. (Terloops gezegd: de
naam van dezen staatsman wordt verschillend gespeld, Beverningh
of Bevemingk ; wat de ware spelling is, weten wij niet ; het is
een onbegonnen werk dit te onderzoeken, want in dien tijd ver-
oorloofde men zich de meest mogelijke vrijheid met het spellen
van eigennamen ; getuige, om maar één voorbeeld aan te halen,
Dijckvelt, wiens naam op allerlei wijzen gespeld wordt; men
was, naar het schijnt, toen de meening toegedaan, dat het er
weinig op aankwam, hoe de naam werd geschreven, als het
maar duidelijk was, welke persoon werd bedoeld).
Digitized by
Google
286 KRIJGS- SN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Beverniogh was een staatsman van uitstekende hoedanigheden ;
hij was eerlijk; — en dat zegt zeer veel in dien tijd, toen een
Franschman zeide^ dat er onder de Hollandsche Regenten maar
vier onomkoopbaar waren: de beide De Witten, Van Beuningen
en Beverningh. Natuurlijk behoeft men aan die machtspreuk van
den Franschman niet onvoorwaardelijk geloof te slaan; maar zij
legt toch een eervol getuigenis af voor hen die hij noemt. Voor
onderhandelingen was Beverningh in hooge mate geschikt; —
maar hij ging daarbij zijn eigen gang, hij stoorde zich weinig
aan voorschriften, en hooghartig weigerde hij om zich uitvoerig
te verantwoorden; — er was een tintje van Bismarck in hem.
£r was in hem niets stijfs, niets plechtigs ; integendeel, hij ofiferde
soms aan den wijn god, en liet zich dan op de meest openhartige
en gemoedelijke wijze uit over de staatszaken ; of, beter gezegd,
hij nam soms den schijn aan van dronkenschap, om woorden te
uiten die hij nuchter moeilijk had kunnen zeggen. In één woord :
een eerlijk en uitstekend staatsman; maar niet volgzaam, niet
ondergeschikt; en, bijwijlen, >een rare Chinees".
De staatkunde heeft, — dit behoeft nauwelijks gezegd te wor-
den— een overwegenden invloed op de wijze van oorlogvoeren;
en Clausewitz gaat zelfs zóó ver, van in zijn werk >Over den
oorlog" te beweren, idat de oorlog ook is een voortzetting
van de diplomatieke handelingen door middel van de kracht
der wapenen." De staatkundige toestand regelt dan ook de wijze
waarop door Frankrijk de krijgsverrichtingen in 1678 moeten
worden gevoerd: Frankrijk wil vrede; het wil de bondgenooten
dwingen om de vredes-voorwaarden aan te nemen, die het voor-
schrijft; het wil daarom zijne wapenmacht zoo krachtig aan-
wenden, dat de bondgenooten daardoor geheel worden ontmoe-
digd; — maar bij die aanwending van zijne wapenmacht mag
het evenwel niet te vér gaan, want dan zou het gevolg kunnen
zijn dat Engeland zich bij de bondgenooten aansloot, wat natuurlijk
de hoop op vrede zou verijdelen, en voor Frankrijk de kansen
van den oorlog ongunstiger maken. In één woord, de wijze
waarop in 1678 door Frankrijk de oorlog moest worden gevoerd
— en gevoerd is — kan nagenoeg in dit voorschrift worden
uitgedrukt: de bondgenooten krachtig aanvallen, om hen daar-
door tot den vrede te dwingen; maar ophouden met dien krach-
tigen aanval, zoodra men bemerkt dat daardoor het gevaar ont-
staat van Engeland als vijand te zien optreden.
In 1678 wilde Frankrijk den vrede; — want bij al den uiter-
lijken schijn van macht en grootheid, waren daar toen reeds
teekenen merkbaar van zwakheid en verval; niet alleen in de
finantién, maar zelfs in het krijgs wezen. Als een blijk daarvan
Digitized by
Google
1678. — VREDESONDERHANDELINGEN, 287
wordt hier aangehaald wat bij Rousset voorkomt (2* deel^ blz.
477—481):
•Den isten Januari 1678 had Lodewijk XIV 279610 man
onder de wapens; aldus verdeeld: het voetvolk 219250 man;
de Maison du Roi en de Gendarmerie 3420; de lichte ruiterij
47100; de dragonders 9840. Hiervan waren 100 000 man voet-
volk en 16370 ruiters bestemd om de vestingen te bezetten;
voor de legers te velde bleven er dus o /er 119 250 man voet-
volk en 43990 ruiters. Met zulke geduchte strijdkrachten, de
talrijkste waarover hij nog had beschikt, maakte Lodewijk XIV
zich gereed om, ten zevenden male, den kamp te vervolgen, die
in 1672 voor het eerst aanving. Wat moest dit Europa verbazen;
wat moest dit haren staatsmannen te denken geven! De oorlog,
in stede van Frankrijk's hulpmiddelen uit te putten, scheen ze
te vermeerderen ; met eiken nieuwen veldtocht verscheen Frankrijk
sterker dan te voren op het slagveld.
Zóó was de schijn; — maar, goed bezien, was de werkelijk-
heid anders. Frankrijk had behoefte aan vrede; de reusachtige
en om zoo te zeggen onnatuurlijke inspanningen die het zich
getroostte om den bondgenooten het hoofd te bieden, konden
niet lang worden volgehouden zonder de bronnen zelve van het
volksleven te doen opdrogen. Met den rijkdom aan menschen, is
het evenzoo gelegen als met den rijkdom aan geld: het is ge-
vaarlijk het kapitaal aan te spreken.
Het heette, dat al die soldaten vrijwillig in dienst waren ge-
treden; bij. hoe weinigen was dit de waarheid! In Januari 1677
schreef Louvois aan De la Reynic, den y^Limtenant de Polici^ :
» 's Konings wil is het, de schurkerijen niet te gedoogen die te
Parijs plaats hebben bij de wervingen voor het leger; en Zijne
Majesteit vindt goed, dat al degenen die om dat vergrijp ge-
vangen zitten, of later gevangen worden gezet, gestraft worden
met al de strengheid der ordonnantiën tegen zulke misdrijven." —
In December van hetzelfde jaar schreef Louvois aan den inten-
dant d'Oppède: >het is een zeer slechte verontschuldiging voor
een soldaat, zijne desertie daarmede te willen verklaren, dat men
hem met geweld heeft gedwongen om soldaat te worden; wilde
men zulke uitvluchten voor goede munt aannemen, dan bleef
er niet één soldaat in 's Konings legers ; want er is er bijna geen
een, die zich niet verbeeldt een geldig bezwaar te kunnen aan-
voeren tegen zijn aanwerving." — De officieren die zich ver-
laagden tot die t schurkerijen", — laten wij het liever, mét Louvois
zelf, > misdrijven" noemen — , waren natuurlijk niet zeer nauw-
gezet en niet zeer mild, waar het betrof het onderhoud van de
ongelukkigen, die zij door geweld of bedrog hadden aangeworven,
't Is waar, zulk een verzuim werd streng gestraft door den
Minister; maar hoe nauwlettend, hoe goed ingelicht, hoe werk-
Digitized by
Google
288 KRUGfi- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
zaaro hij ook was^ toch kon het oog van den meester niet alles
zien; menig misbruik ontging no^ aan zijn blik; misschien niet
bij het leger te velde waar alles in helder daglicht kwam, maar
toch zeker wel in het halfdonker van de garnizoensplaatsen.
Wij hebben gezien dat, na de inneming van Saint-Ghislain, de
baron De Quincy door Louvois benoemd werd tot bevelhebber
over de ruiterij in de vestingen aan de grenzen van Henegouwen ;
men weet ook wie die man was : achterdochtig, eenzelvig, driftig,
streng, overal het kwade ziende waar het was, soms waar het
niet was en het altijd overdrijvende, zoodat men zijn oordeel
nooit als volkomen onwaar, en ook nooit als volkomen waar
kon beschouwen. Ziehier het verslag dat hij aan Louvois inzond,
den isten Januari 1678, toen hij ternauwernood eenige dagen
zijne betrekking had aanvaard: iDe bevelhebbers van de ves-
tingen hebben bij 's Konings troepen, vooral bij de ruiterij, met
twee machtige vijanden te kampen : met de traagheid, of liever
gemakzucht, en vooral met het eigenbelang van de kapiteins;
want de gunstigste kansen zullen zij laten voorbijgaan, om zich
maar niet bloot te stellen aan het gevaar van een enkel paard
te verliezen van hunne compagnie. Oveial wordt 's Konings geld
op eene schandelijke wijze gestolen; overal worden handen vol
daarvan verdobbeld, en zijne ruiterij blijft zonder paarden en
zonder kleêren; het is droevig om te zien in hoe erge mate zij
wordt verwaarloosd. Ten aanhoore van geheel Frankrijk zal ik
volhouden, dat, wat ik te Saint-Guillain heb gezien, den naam
van ruiterij niet verdient; het zijn ellendige schooiers, zonder
wapens, zonder laarzen, zonder kleêren, met paarden die niets
meer waard zijn; en de sterkste compagnie bestaat uit twintig
man. De intendanten die Uwe Excellentie anders berichten, zijn
geen goede dienaars van den Koning, maar stelen zijn goed en
zelfs zijne eer. £en vierde gedeelte van de compagnie bestaat
uit een rommelzoo van bedienden {une infection de domestiques) met
de paarden van hunne heer en." — Klaarblijkelijk was de toorn
van den Baron De Quincy oprecht, en ongetwijfeld in enkele
opzichten gegrond; maar, was die toch niet overdreven?..."
Men zou op die vraag van Rousset kunnen antwoorden: al
is maar de helft waar, van wat De Quincy daar gezegd heeft,
dan is dit al meer dan genoeg om de misbruiken bij het
toenmalige Fransche legerbeheer te doen blijken, en de waar-
heid te bevestigen van de spreuk: het is alles geen goud wat
er blinkt.
Louvois — want hij is het, die weer den gang der krijgsver-
richtingen regelt — wil Gent belegeren. De inneming van die
groote stad, vroeger zóó machtig dat zij legers te velde bracht
en koningen bestreed, zou natuurlijk een grooten indruk maken ;
Digitized by
Google
1678. — VREDESONDERHANDELINGEN. 289
en bij den aanzienlijken omvang van Frankrijk's strijdkrachten
^n den gebrekkigen toestand der Spaansche zou die inneming
zeer goed uitvoerbaar zijn. De groote zaak hierbij, zooals bij
alle belegeringen van dien tijd, was weer, het voornemen geheim
te houden, en daardoor den vijand te verhinderen de noodige
verdedigingsmiddelen binnen Gent te vereenigen. De inneming
van Saint-Guislain, op het einde van 1677, deed denken, dat het
in 1678 Mons zou gelden; dit werkte dus mede om den vijand
te misleiden ten aanzien van Gent. Wat het voornemen van een
beleg het eerst verraadt, dat is het bijeenbrengen van den noo-
digen leeftocht voor het leger; en ook te dien aanzien bad
Louvois maatregelen beraamd.
...» Reeds den 7en December 1677 schreef Louvois aan Saint-
Pouenge" (een intendant): »gij hebt gezien hoeveel moeite het
heeft gekost om de troepen die Saint- Ghislain moesten insluiten,
te voorzien van brood, zonder dat het bakken van dat brood
het voornemen verraadde ; en daar de Koning verlangend is om
dat bezwaar bij de eerste onderneming aanstaande jaar te doen
vervallen, verzoek ik u om met den aannemer {Ie munitionnairé)
Bertier te overleggen wat men te dien aanzien het best kan doen.
Naar mijn oordeel is er niets anders op, dan het brood zoo
hard te doen bakken dat het een paar maanden goed kan
blijven, het te doen bakken in de citadel van Doornik en in
die van Rijssel, het in tonnen of kisten te doen, die te water
worden vervoerd vijf of zes dagen voor men het noodig heeft,
en zonder dat iemand in de stad weet wat in die kisten of ton-
nen is. Men zou er op kunnen zetten, dat het schoenen zijn; of
zandzakken; of wat gij anders het best oordeelt. 80000 of
100 000 rations zou, dunkt mij, gecoeg zijn." — In het geheim
toebereidselen die Gent golden ; openlijk toebereidselen om Mons
en andere vestingen te bedreigen. Te Saint-Ghislain deed Louvois
twintig bakovecs bouwen; te Condé hetzelfde aantal; in beide
plaatsen, en te Charleville en Metz, werd koren bijeengebracht,
oorlogsmunitie, kanonskogels, bommen en zware vuurmonden.''
(Rousset, blz. 482—483).
Bij de geheele onbeduidendheid van de Spaansche krijgsmacht,
was het grootste gedeelte van de Hollandsche troepen achter-
gebleven m de Zuidelijke Nederlanden, in winterkwartieren. Om
die troepen te vermoeien werden reeds vroeg in het jaar door
de Franschen allerlei deroonstratiën gedaan, alsof men een aanval
of beleg beoogde : d'Humières moet, om de tien of vijftien dagen,
een beweging verrichten naar de zijde van Mons, Halle of Brussel ;
en alle intendanten in de grensplaatsen moeten, twee- of driemaal,
een 15000 schansgravers en een 1700 karren bijeenbrengen.
>Een meer scherpziend man en minder door vrees bevangen
dan Villa Hermosa" — zeide Louvois — >zou zich niet laten
wrLLEM iir. — IL 19
Digitized by VjOOQIC
290 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
misleiden door zulk goochelspel; maar zoo als de zaken staan,
is het minste voldoende om hem alles te doen gelooven wat
men maar wil." (Rousset, blz. 484).
Slechts drie menschen kenden het voornemen om Gent te be-
legeren : Lodewijk XIV, Louvois en Le Pelctier, de intendant in
Vlaanderen. Zelfs d'Humières wordt daarmede eerst in het begin
van Februari in kennis gesteld : Louvois zendt hem den 4en Februari
een uitvoerig programma, waarin voor de drie volgende weken,
dag voor dag, de bewegingen en handelingen worden voorge-
schreven van een honderd duizend menschen, »te beginnen met
den Koning, die er in bewilligt, zijne rol daarin te vervullen,
niet slechts bij de grootsche ontknooping, maar ook bij de ver-
moeiende drukte van de toebereidselen. Na den Koning volgen
de prinsen en de maarschalken; ja, wat meer zegt, zelfs de
Koningin en madame De Montespan en de hofdames en de
hovelingen..." (blz. 488).
Rousset schijnt hier het veelomvattende genie van Louvois te
te wonderen. Wij merken hier aan, dat zulke alles regelende
-voorschriften wel de ijdelheid streelen van hem die ze uitvaar-
digt, en ook zijne werkzaamheid en studie bewijzen, maar tevens
het groote nadeel hebben, van de ondergeschikten veel te veel
te binden in hunne handelingen, daardoor vaak tijd en inspan-
ningen doen verspillen, en, bij onvoorziene omstandigheden —
die toch zoo lichtelijk kunnen voorkomen — groot kwaad kunnen
stichten. Hij die aan het hoofd gesteld is van staat of leger,
bewijst veel meer zijn genie, wanneer hij er zich toe bepaalt,
aan zijne ondergeschikten duidelijk en helder te maken welk doel
hij wil bereiken, en hun in groote trekken mede te deelen welke
gang van zaken daarbij moet worden gevolgd, maar hen geheel
vrij te laten wat de bijzonderheden betreft. Alles tot in kleinig-
heden te willen regelen, is meestal een bewijs dat het ontbreekt
aan een ruimen blik.
Den ven Februari vertrekt Lodewijk XIV van Saint-Germain,
met de Koningin en met het hof. De reis gaat eerst naar Lotha-
ringen, om de tegenpartij te misleiden; en om dezelfde reden
blijft Louvois nog eenige dagen te Parijs, zoo het heet voor
familiezaken; den i6en Februari vertrekt hij van daar naar Bar-
le-Duc. Wil men weten hoe een Fransch koning toen ten oorlog
trok, men leze wat bij Rousset daarover voorkomt (2* deel, blz.
487-488): ' , ,
• Gedurende dien tijd zette Lodewijk XIV met inspannmg zijne
reis voort, over wegen die zeer slecht waren; tot groot onge-
noegen en verveling van de dames en van de hovelingen:
koetsen die in de modder bleven steken, slechte maaltijden,
Digitized by
Google
BEGIN VAN DEN VELDTOCHT. 29 1
ellendige slaapplaatsen, ongesteldheden, ongemakken, en dan
nog de steeds toenemende prikkel van een onbevredigde nieuws-
gierigheid.. ." >Saint-Pouenge aan Louvois, 9 Februari, Provins:
»de Koning is gisteren gekomen omstreeks vier uur des namid-
dags; hij was eerst om tien uur 's ochtends op reis gegaan. De
wegen zijn zoo ellendig slecht, dat de meeste hofrijtuigen groote
moeite hebben gehad om het tot hier te brengen. De koetsen
der hofdames blijven soms in de modder steken..." 13 Februari,
Fère Champenoise: «Madame De Montespan heeft den vorigen
nacht weer de koorts gehad ; zelfs zegt men, dat zij ze nóg had,
van ochtend om tien uur, toen zij van Sezanne is vertrokken;
nu is zij beter." -^15 Februari, Vitry: »uit de brieven die ik
u gisteren heb geschreven, zult gij gezien hebben, dat de gezond-
heid van Madame De Montespan veel beter was; vandaag heeft
zij gemedicineerd, en dit doet haar goed..." 18 Februari, Com-
mercy: » Madame De Montespan is heel wel, en heeft vandaag
gereisd in de koets van de Koningin."
Dus, de twee koninginnen — de titulaire en de effec-
tieve — in hetzelfde rijtuig; Sarah en Hagar een geheelen
dag tegenover elkander; — of Abraham ook in datzelfde
rijtuig was, wordt niet gezegd. Een wonderlijk huishouden! En
Louvois die, onder de staatszaken, gedurig berichten krijgt hoe
of 's Konings bijzit het maakt, hoe het met hare gezondheid is :
yfille a pris aujourtPhui médecini'' ; — hoe belangrijk ! Die betrek-
king van fftaitresse eens konings was toen als het ware eene
of&cieele betrekking, waarvoor men openlijk uitkwam. Nog een
kleine eeuw later, toen George II van Engeland bij het sterfbed
van zijn vrouw was en deze hem aanmaande om te hertrouwen,
antwoordde hij, alsof het de natuurlijkste zaak van de wereld
was: yynon; faurai des maitre5ses'\ Alle fatsoen en waardigheid
werd toen in die hoogere kringen met voeten getreden; en nie-
mand die zich daarover verwonderde of ergerde.
• Kousset gaat dus voort, met de beschrijving van de reis des
Franschen konings, en van de bewegingen der Fransche legers,
met het doel om Gent te berennen.
...>Na twee weken kwam men, den 2 2 sten Februari, teMetz;
daar vond men, eindelijk, groot nieuws en groote krijgsvertoo-
ning: van Maas tot Rijn, overal waren de troepen in beweging.
Aan den Rijn trok de maarschalk Créqui zijn macht samen te
Freyburg en te Brisach. Te Metz hield de Koning eene wapen-
schouwing over sterke afdeelingen voetvolk en ruiterij, en deed
die noordwaarts 'trekken. Den 25steD kwamen die afdeelingen in
het gezicht van Luxembourg. Den 26sten trok graaf Calvo uit
Maastricht met 6 stukken geschut, een pontontrein, 4000 man
voetvolk en 1500 paarden; 9 andere eskadrons rukten op van
Dinant, om zich bij hem te voegen. Maar reeds was Lodewijk XIV
Digitized by
Google
29^ KRUOS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
niet meer te Met£; men zocht hem in het noordoosten, en hij
trok naar het noordwesten. Toen hij den 2 7 sten te Stenay kwam,
verdeelde hij zijn stoet in tweeën: de Koningin, de dames, de
hovelingen, met hunne koetsen, moesten met kleine dagreizen,
over Kamerijk en Arras, naar Rijssel gaan; te paard sloegen de
Koning en de officieren een anderen weg in ; den zSstca legden
zij, zonder oponthoud, veertien uren af. Den 2ezi Maart waren
zij te Saint- Amand, voorbij Valenciennes : » Zijne Majesteit" —
— meldde Saint-Pouenge — >is uitermate vermoeid; hier komende
heeft zij erkend, van nog nooit zooveel te hebben geleden."
Maar reeds den dag te voren was Gent ingesloten; noch de
Koning, noch de officieren dachten toen meer aan de moeite
die het hun gekost had om eerst tot naar Metz te trekken en
eindelijk weer in Vlaanderen te komen.
Alles werkte in goed onderling verband. Den 2 7 sten en den
28sten Februari kwamen er ieder oogenblik koeriers te Brussel:
Luxemburg was berend; Iperen, Mons, Namen waren berend!
Naar wien moest men luisteren? Wien moest men gelooven?
Allen schenen gelijk te hebben. Te Halie, ten zuiden van Brussel,
hoorde men duidelijk kanonschoten naar den kant van Namen
en van Mons. Ëenige eskadrons Fransche ruiterij vormden daar
als het ware een scherm, en hunne ondiepe liniën trokken het
vuur van de vesting tot zich; achter dit scherm trokken de
troepen snel voorbij, die van alle grensplaatsen op Gent rukten;
was de laatste man voorbij, dan trokken die eskadrons zich te
zamen en verdwenen op hunne beurt. Ieder soldaat had brood
of beschuit bij zich, en ieder ruiter bovendien haver voor vijf dagen.
Louvois bestuurde in persoon die meesterlijke bewegingen ; den
28sten Februari was hij te Oudenaarden gekomen, het punt waar
alles te zamen kwam. Dien dag zond de Gouverneur van Gent
zijne ruiterij weg, om Iperen te hulp te komen ; voor zijn eigene
verdediging bleef hem niets meer over dan 500 man; maar hij
meende geen ernstig gevaar te loopenl Den isten Maart schreeC
Louvois uit Oudenaarden aan den kanselier Letellier: >het ge-
heele land door was ieder zóó overtuigd dat Namen en Mons
belegerd zouden worden, dat men aan deze zijde niet de minste
aandacht heeft geschonken. Gisteren, om negen uur 's ochtends,
kwam ik te Doornik; en over den geheelen weg hoorde ik het
kanon van Mons, dat vuurde op de troepen die het insloten.
Met het vallen van den avond ben ik hier gekomen, waar ik de
troepen zag uitrukken om Gent te berennen, zonder dat iemand
hoegenaamd daar gedachte op had. Uit een briefje, dat ik zoo*
even heb ontvangen en dat gedagteekend is van gisteren om
twee uur, blijkt dat de ruiterij van Gent toen te paard steeg om
Iperen te hulp te komen, en dat de bezetting van stad en kas-
teel maar 500 man voetvolk bedraagt. Heden zullen er 12000
Digitized by
Google
BELEG VAN GENT EN IPEREN. 293
paarden rondom de stad zijn; morgen 48 bataljons; de 19 andere
zullen overmorgen, voor den middag, aankomen. Van avond
komen er 7000 schansgravers in het kamp; en, komen er vóór
aanstaanden nacht geen hulptroepen in de stad, dan kunt gij er
op rekenen dat Gent tusschen nu en aanstaanden Zaterdiag in
'sKonings macht zal zijn." (Rousset, blz. 488—490).
Nu? welke dag was nu? — Wij weten het niet; maar ddt
•weten wij, dat Louvois een weinig gebluft heeft, toen hij aan
zijn vader schreef, dat Gent «tusschen nu en aanstaanden Zater-
dag" in 's Konings macht zou zijn: Nu was den isten Maart;
en Gent is pas overgegaan den 9eii; en het kasteel nog een paar
dagen later. Maar dit klein weinigje grootspraak is licht te ver-
geven, daar waar met zoo overgroote bekwaamheid en veerkracht
is gehandeld.
Het lot van Gent kon toen geen oogenblik meer twijfelachtig
zijn; want al had die stad sterke vestingwerken, en al was zij
voldoende uitgerust — wat toen bij de vestingen der Spanjaarden
nog altijd eene twijfelachtige zaak was — zoo ontbrak haar toch
het voorname, het onmisbare bestanddeel van eene goede ver-
dediging: »de mênnekes", zooals Daendels dat noemde. Met
eene bezetting van slechts 500 soldaten eene krachtige verdedi-
ging vol te houden van eene vesting van zoo grooten omvang
als Gent, dat was te dwaas om er van te spreken ; en het komt
ons voor, dat Don Francisco Pardo, de Spaansche bevelhebber,
alles heeft gedaan wat hij kon, door de stad tot den 9en Maart
aan den vijand te betwisten, en het kasteel tot den i2en.
Men deed wel eene poging om verdedigers voor Gent te ver-
krijgen, door van de burgerij een aantal mannen te wapenen en
bij de bezetting te voegen, eene handeling die men in dien tijd
in de Spaansche Nederlanden meer te baat nam. «Keurlingen",
worden die gewapende burgers genoemd ; een naam die nog niet
bepaalt of zij vrijwilligers waren of niet; maar een naam, die
men volstrekt niet moet verwarren met keurtroepen^ keur-
soldaten; integendeel, het waren, ten minste hier te Gent, zeer
slechte soldaten, troepen zonder militaire waarde; zoodat, hoe-
zeer er een 2000 keurlingen werden aangenomen, die toevoeging
de kleine bezetting weinig heeft gebaat. Aanvankelijk zouden die
keurlingen een soldij ontvangen van 15 è, 18 stuiver daags; later
werd zelfs 12 schellingen beloofd aan ieder keurling die 24 uur
in de buitenwerken bleef; en de stedelijke regeering liet zelfs
eens met trompetgeschal afkondigen, dat ieder keurling die 24
uur wilde doorbrengen in een der meest aangevallen buiten-
werken, >voor vier jaar vrij zou zijn van wacht, accijns en alle
andere stadslasten". Maar het een hielp al even weinig als het
Digitized by
Google
^94 KRÜGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
ander: toen de Franschen zich gereed maakten om een buiten-
werk te bestormen, gingen de keurlingen er uit, zonder eenigen
wederstand. Met geld alleen maakt men geen soldaten.
Wij ontleenen die bijzonderheden aan opgaven van ónze zijde,
voorkomende in de HoUandsche Mercurius; maar ook uit
wat Rousset daarover zegt, kan men zeer duidelijk opmaken hoe
weinig ernstig dat beleg is geweest : het roemrijke, het groote is
hier de voorbereiding tot het beleg — niet het beleg zelve.
Den 3eQ Maart zijn 84 eskadrons en 67 bataljons van het
Fransche leger rondom Gent vereenigd; 61 andere eskadrons
zijn te Oudenaarden als reserve, en kunnen binnen 6 uren tijds
bij de hoofdmacht zijn. Den 4en Maart komt Lodewijk XIV
voor Gent; daar zijn ook de maarschalken d'Humières, Luxem-
bourg, Schomberg en De Lorge. In den avond van den 500
opent Vauban de loopgraven tusschen de Lys en de Schelde;
in den nacht van 8 op 9 Maart worden de buitenwerken ge-
nomen, zonder veel tegenstand; den volgenden ochtend geeft
de stad zich over. Den i2eD Maart capituleert het kasteel; de
bezetting, nog een 1000 man tellende, trok met wapens en
geweer uit naar Antwerpen. Dit geheele beleg kostte aan de
Franschen nog geen 40 man aan dooden; en nog geen 100
man waren in de hospitalen. — Dat laatste cijfer zegt evenwel
niet veel; want de hospitalen waren toen zoo jammerlijk slecht,
dat de soldaat er noode heen ging ; zoodat, hoewel er toen nog
geen 100 Fransche soldaten in de hospitalen waren, het Fransche
leger toch zeer goed meer dan 100 zieken kan gehad hebben.
Toen Gent gevallen was, begon men met reden beducht te
worden voor onze vestingen in Staats- Vlaanderen ; zij werden
daarom van sterkere bezettingen voorzien, dijken werden door-
gestoken, en meer andere maatregelen van verdediging daar ge-
nomen. Willem III had intusschen met de hoofdmacht van het
HoUandsche leger stelling genomen bij de Schelde, tusschen
Antwerpen en Boom, gereed om van daar hetzij Brussel, hetzij
Staats-Vlaanderen te hulp te komen. Maar het gold toen Iperen;
en nauw was te Gent alles afgeloopen, of 10 000 man ruiterij,
onder De Latrousse, werden afgezonden om eerstgenoemde ves-
ting te berennen; als schijnbewegingen werden twee andere rui-
terafdeelingen afgezonden, om Brugge en Dixmude te bedreigen.
Om den Stadhouder te beletten Iperen te hulp te komen, bleef
d'Humières bij Gent, met 27 bataljons en 40 eskadrons; met de
hoofdmacht brak Lodewijk XIV den 1360 Maart van Gent op
en kwam, voor zijn persoon, den i5en voor Iperen; het Fransche
voetvolk verscheen eerst den i6en voor die vesting, en was —
zeggen onze opgaven — >zeer vermoeid door de slechte wegen".
Digitized by
Google
BELEG VAN GENT BN IPEREN. 295
De slechte wegen moeten oorzaak van die vermoeienis zijn ge-
weest^ want de afstand van Gent tot Iperen bedraagt maar 12 k
14 uren gaans; dezen afstand in vier dagmarschen af te leggen
kan anders niet vermoeiend zijn.
Iperen was toen een vrij sterke vesting; gedeeltelijk, vooral
aan de zuidzijde, door inundatiën gedekt; met eene citadel aan
de oostzijde; en met eene bezetting van een 3000 man^ onder
den markies De Conflans. Het beleg van Iperen heeft toen maar
kort geduurd ; maar de verdedigers moeten daarbij nog al geest-
kracht hebben betoond; en men beweert zelfs dat, na de over-
gave^ Lodewijk XIV aan Conflans zou hebben gezegd^ dat geen
vesting in de Spaansche Nederlanden zich zoo goed had ver-
dedigd. Is zoo iets gezegd, dan moet men daarin meer de
Fransche wellevendheid zien dan eene juiste waardeering van
het gebeurde.
Den i8en Maart werden de Fransche loopgraven geopend tegen
de Citadel; — de liniën van insluiting van Iperen waren toen
nog wel niet voltooid, maar dit kon weinig kwaad omdat er
toch weinig was te vreezen van den vijand van buiten. Daar de
grond door zware regens doorweekt was, werden de werkzaam-
heden van den aanval bemoeilijkt; men zag zich genoodzaakt
den weg van het belegeringspark naar de batterijen met planken
te bevloeren, en den bodem van de loopgraven met fascinen te
bedekken omdat er zooveel water op stond. Tegen de Citadel
maakte men twee nadernissen, en aan elke daarvan werkten
600 arbeiders; op twee plaatsen werden die nadernissen ver-
bonden door loopgraven, die dus eenigermate parallellen vorm-
den. Zoolang de belegeraar zijne batterijen nog niet had bewapend,
leed hij gevoelige verliezen door het geschutvuur uit de Citadel ;
ook werden zijne aanvalswerken vertraagd door een uitval dien
de Spanjaarden deden in den nacht van 20 Maart. Maar het be*
legeringsgeschut — 22 zware kanonnen en 12 mortieren — kwam
aan, werd in batterij gebracht, en opende den 21 sten het vuur,
vooral op de Citadel, waarin veel verwoesting werd aangericht.
Om de krachten van den verdediger te verdeden, werden den
23sten ook loopgraven gemaakt tegen de stad, aan weerszijden
van de Iperlee; begunstigd door bedekt terrein kon men die
nadernissen reeds op korten afstand beginnen. De loopgraven
waren nu zoo nabij de vesting gekomen, dat men reeds in den
nacht van 24 op 25 Maart overging tot de bestorming van den
bedekten weg. Het gelukte aan de Franschen den bedekten weg
te vermeesteren, aan de stadszijde met weinig moeite, aan de
zijde van de Citadel daarentegen eerst na een ernstigen tegen-
stand en ten koste van groote verliezen: van de Compagnie
grenadiers te paard sneuvelde Riotort, de aanvoerder, met 22
zijner soldaten. Den 25sten trad Conflans daarop in onderhan-
Digitized by
Google
296 KRIjGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
deling en gaf den 26steQ de vesting over, vrijen uittocht bedin-
gende voor de bezetting. Volgens Roiisset telde die bezetting
toen nog 1600 man, en bovendien 600 gewonden ; onze opgaven
stellen hare geheele sterkte bij de overgave op nagenoeg 3000
man, — denkelijk een te hoog cijfer.
Men ziet dus dat dit beleg van Iperen maar kort heeft ge-
duurd. Men kan de verdediging goed noemen, maar hooger lof
heeft zij ook niet verdiend.
Maar het innemen van Gent en Iperen bracht in Engeland de
gemoederen in beweging; men vreesde daar, dat de geheele
verovering van de Spaansche Nederlanden spoedig zou volgen;
en in het Parlement deden zich stemmen hooren, die er op aan-
drongen om zich bij de bondgenooten aan te sluiten en Frankrijk
den oorlog te verklaren. Nu had Lodewijk XIV wel de zeker-
heid, dat er van zulk eene oorlogsverklaring niets zou komen,
zoolang Karel II dit maar met eenige mogelijkheid kon tegen-
houden ; maar de Fransche koning mocht zijn koninklijken broeder
van Engeland de taak dan toch ook niet al te moeilijk maken;
en daarom was het geraden, de krijgsverrichtingen voor het
oogenblik te staken en de houding aan te nemen alsof men van
verdere veroveringen wilde afzien. De Koning kwam den 7 en April
terug te Saint-Germain ; en den 9^11 zond hij eene verklaring naar
Nijmegen, naar de vredes-on derhandelaars, dat hij tot 10 Mei
wilde wachten alvorens in Vlaanderen de vijandelijkheden te
hervatten. Het was zooveel als had hij tegen de bondgenooten
gezegd : > maak nu gebruik van dien tijd om den vrede te sluiten
dien ik u aanbied." Een deel van het Fransche leger keerde
naar Frankrijk terug.
Een eigenlijke wapenstilstand was het echter niet; en de kleine
oorlog — toen voornamelijk rooven en branden — bleef zijn gang
gaan. De Fransche bezetting van Maastricht had onder andere
den last, overal brandschattingen uit te schrijven; maar naar
het oordeel van Louvois deed zij dit niet genoeg: »Als dat zoo
voortgaat," — schreef hij op ruwen toon aan De Calvo — »dan
zal ik genoodzaakt zijn het ter kennis te brengen van den Koning;
en het is onmogelijk dat het niet de verontwaardiging opwekt
van Zijne Majesteit, als zij ziet wat te dien aanzien gebeurt; zorg
toch dat gij u anders gedraagt. Dikwijls meldt men mij, dat er
in het een of ander dorp is gebrand ; maar ddt is het niet wat
gij moet doen om de brandschatting te doen slagen : het geheele
dorp moet afgebrand worden ; en als het volk ziet dat het dien
weg opgaat, dan zult gij zien dat uwe bevelen geheel anders
uitgevoerd worden, dan zij tot nu toe uitgevoerd zijn. De Koning
Digitized by
Google
NIJMBEGSCHE VRBDE. 297
is er hoogelijk over verontwaardigd, dat de ruiterafdeelingen die
gij uitzendt, het tot gewoonte aannemen om geslagen te wor-
den." — Calvo, misschien geprikkeld door die verwijten, doet
in den nacht van 3 op 4 Mei het stadje Leeuwe, aan de Geete,
verrassen; en toen die verrassing gelukt was, werd het geheele
platteland van Braband, tot aan Leuven, op meêdoogenlooze
wijze gebrandschat.
De wreede wijze waarop bij die oorlogen de brandschattin^en
werden aangewend, was dus niet het gevolg van iets toevalligs^
van de woestheid van den soldaat, van de onverbiddelijkheid
van den eenen of anderen aanvoerder; neen, die wreedheid was
een stelsel, het was iets dat door Louvois uitdrukkelijk bevolen
werd: >als het dorp de brandschatting niet opbrengt, verbrand
dan niet een enkel huis, brand het geheele dorp af." Is het
wonder dat die man door den tijdgenoot werd beschouwd als
een gevleesde duivel, dat nog de late nakomelingschap zijn
naam vloekt!
Bij die verrassing van Leeuwe vindt men: dat de Franschen,
om de natte grachten van die vesting over te komen, van
Maastricht op wagens hadden meegevoerd >2o kleyne schuytjes,
die onder niet als van stroo en biesen, en ter zijden niet als
van licht hout gemaeckt wierden, zijnde gedeckt van gewascht
lijwaet."
Bijna terzelfdertijd behaalden de Franschen in Catalonië een
voordeel : — een voordeel dat echter niet veel beduidde, en dat
het Engelsche volk niet in onrust behoefde te brengen.
Het Fransche leger aan de Pyreneën, onder het bevel van
den maarschalk De Navailles, was versterkt geworden door de
troepen die uit Messina waren teruggeroepen; daardoor waren
de Franschen bij machte om aanvallend te werk te gaan, en
het beleg te slaan voor Puycerda, eene kleine vesting aan de
Sègre, in het noordwestelijk gedeelte van Catalonië. Van dat
beleg zegt Rousset (blz. 501) het volgende:
>Den 29sten April, nog vóór het dag was, kwam de voorhoede
voor Puycerda; zóó onbezorgd was de bevelhebber aldaar, dat
hij dien geheelen nacht gedanst had op het bruiloftsfeest van
een der officieren van zijn staf, en dat hij ternauwernood een uur
had geslapen^ toen men hem haastig kwam wekken: zijn vesting
was berend."
Maar die Spaansche bevelhebber van Puycerda, Don Sanche
De Mirande, verdedigt zich zeer dapper:
>Don Sanche capituleerde den 28sten Mei, na een beleg van
eene maand; het was de langdurigste en de beste verdediging,
door den bevelhebber eener Spaansche vesting gedaan tijdens
de regeering van Karel II." (Blz. 502).
Digitized by
Google
298 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Was dat de beste^ dan kan men daaruit opmaken hoe de
slechtste was. — Puycerda werd door de Franschen weer
verlaten, na verwoesting der vestingwerken ; die belegering had
dus weinig nut. In het algemeen vraagt men zich bij vele van
de oorlogshandelingen uit die dagen onwillekeurig af: waartoe
heeft het eigenlijk gediend? — Bij een oorlog naar beslissende
uitkomsten te streven, dat lag niet in den geest dier tijden.
Tot 10 Mei had Lodewijk XIV beloofd, de krijgsverrichtingen
in Vlaanderen te staken; die dag brak aan, zonder dat het nog
vrede was; en den i6en Mei verscheen de Fransche koning dan
ook weer in Vlaanderen; hij had bij Kortrijk eene macht ver-
eenigd van 50 bataljons en 100 eskadrons, met 60 veldstukken,
10 stukken van zwaar kaliber, en 30 koperen pontons. Bovendien
had men bij Duinkerken nog 4 bataljons en 6 eskadrons; bij
Marville 10 bataljons en 16 eskadrons; en bij Saint-Guislain
6 bataljons en 12 eskadrons. In het geheel kon Frankrijk toen
dus aan de Nederlandsche grenzen in werking brengen 70 batal-
jons en 134 eskadrons; 56000 man voetvolk en ruim 21000
ruiters, te zamen 77000 man, — als men de gewone sterkte
mag aannemen: voor het bataljon 800 man, voor het eskadron
160 paarden.
Den II en Mei schrijft Louvois aan Barillon, den Franschen
gezant te Londen: ...>Ik moet mij zeer vergissen wanneer gij
niet, tusschen nu en het einde van de maand, hoort dat Mijnheer
de Prins van Oranje benauwde oogenblikken heeft doorgebracht
{aura passé de mauvais quarts d'^heuré)!^ Acht dagen later, den
iQeo, schreef hij aan den kanselier Letellier: » vandaag heb ik
den Koning een nieuwe wijze laten zien om met koperen pon-
tons een brug te slaan. Die brug, breed 63 voet" (ongeveer
20 meter) »werd geslagen over de vaart naar Brugge, die eene
breedte heeft van 16 toises" (ruim 31 meter); >een bataljon van
800 man ging er over, niet in de pas; van avond zal men er
een eskadron ruiterij over laten gaan, om te zien of de brug
het gewicht der paarden kan dragen. Het is een van de uit-
nemendste uitvindingen die ooit zijn gedaan; maar denkelijk
zullen de heeren Hollanders ons beletten er zoo spoedig gebruik
van te maken." (Rousset, blz. 503).
>Dat laatste doelt op het vooruitzicht op vrede. Den i8en Mei
zond Lodewijk XIV, uit de legerplaats bij Deinze — een uur of
drie zuidwestelijk van Gent — eene verklaring af aan de Staten-
Generaal, die deze zoo voldoende voorkwam dat zij besloten
Beverningh naar den Franschen koning af te zenden, om met
hem over de voorwaarden van den vrede te spreken. Beverningh
kwam den 31 sten Mei in de Fransche legerplaats te Wetteren —
tusschen Gent en Dendermonde — , werd met buitengewone
Digitized by
Google
NIJMEEGSCHE VREDE. 299
eerbewijzen ontvangen, had een langdurig onderhoud met den
Koning, en ontving van dezen ten geschenke twee portretten
van zichzelven, met diamanten omzet, en een gouden keten voor
zijn secretaris Huift; — de Secretaris mocht de gouden keten
aannemen, maar Beverningh zelf weigerde de geschenken des
Konings: de gezant was een man die zich wist te doen ontzien.
Lodewijk, zeer ingenomen met den HoUandschen staatsman,
meende nu de zaken geheel en al geschikt; hij keerde naar
Saint-Germain terug, Beverningh naar Den Haag.
Vóór dat het vrede was wilde Louvois er echter nog van halen
wat er slechts van te halen was. Sommige vestingen — Charleroi,
Oudenaarden, Kortrijk — zouden waarschijnlijk teruggegeven
moeten worden, en daarom kregen de bevelhebbers van die ves-
tingen last, de vestingwerken aldaar zooveel mogelijk te vernielen :
voordeel voor Frankrijk was dit wel niet, maar het was nadeel
voor Spanje, en dat kwam op hetzelfde neer. Die vernieling moest
echter in stilte geschieden, ongemerkt', aan Montal, die te Char-
leroi is, schrijft Louvois: t vooral moet gij de zaken zóó regelen,
dat men niet kan zeggen, dat de Koning het u bevolen heeft";
en aan Chamilly, te Oudenaarden: »maar gij moet het zóó doen,
dat niemand wete dat het opzettelijk is gedaan." — In dien man
was geen ridderlijkheid, hier zelfs geen eerlijkheid.
Na het vertrek van den Koning was het opperbevel over het
Fransche leger opgedragen aan Luxembourg; en deze stond in
de omstreken van Brussel, toen hij den 28sten Juni last kreeg
om terug te gaan op de Fransche grenzen; — de wind waaide
toen uit den hoek van vrede. — Luxembourg moest echter 40
eskadrons achterlaten om Mons in te sluiten; en bovendien van
zijn leger 15 bataljons en 29 eskadrons, onder Schomberg, naar
de Maas afzenden.
Maar den 300 Juli krijgt Luxembourg tegenbevel; — de wind
waaide teen weer uit den hoek van oorlog. Toen men meende
dat men het te Nijmegen reeds zoo goed als eens was over de
voorwaarden van den vrede, kwamen de Fransche onderhande-
laars onverwachts met eene nieuwe vordering voor den dag, die
weer alles scheen onderste boven te werpen: zij vorderden, dat
alvorens Maastricht en andere vestingen in de Nederlanden aan
Spanje of aan de Republiek werden teruggegeven. Zweden —
de bondgenoot van Frankrijk — eene vergoeding moest ontvangen
voor wat het in den oorlog had verloren.
Het scheen alsof die onbillijke eisch van Frankrijk nu de
Nijmeegsche onderhandelingen voorgoed zou doen afspringen.
Willem III, niets liever verlangende dan dat, weet nu Engeland
in het spel te brengen; den 26sten Juli sluit dit Rijk met de
Staten-Generaal een aanvallend en verdedigend verbond, waarin
Digitized by
Google
300 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
overeengekomen wordt, dat Engeland en de Republiek Lode-
wijk XIV den oorlog zullen aandoen, als hij niet vóór den
iiea Augustus van zijne onbillijke eischen heeft afgezien. Karel II
maakt nu eene vertooning alsof het hem ernst is, en 103 com-
pagnieën Engelsch voetvolk, onder het bevel van den hertog van
Monmouth, gaan scheep naar Vlaanderen. Nog in den nacht van
den 26sten Juli verlaat Willem III Den Haag, om het bevel over
het leger weer op zich te nemen, dat in de nabijheid van Brussel
stond ; de Stadhouder is voornemens met dat leger Mons te hulp
te komen, waar ook Hollandsche regimenten in bezetting lagen,
en dat toen reeds eenigen tijd geblokkeerd was.
Alles ademt nu weer oorlog. Luxembourg's leger, dat opgerukt
is om de insluiting van Mons te dekken, wordt versterkt; «zoo-
dat" — schrijft Louvois den Qcn Juli aan dat legerhoofd — »gij
Mijnheer den Prins van Oranje het genoegen kunt verschaffen,
als hij u nabij wil komen, van 54 bataljons bijeen te zien. Ik
beken dat het zeer aangenaam zou zijn dezen oorlog te eindigen
met het slaan van Mijnheer den Prins van Oranje ; maar, hoezeer
ik dit ook wensch voor den roem van 'sKonings wapenen en
voor uw roem in het bijzonder, kan ik toch niet gelooven dat
hij zoo onzinnig zal zijn om zich aan die nederlaag bloot te
stellen." (Blz. 510).
Volgens Louvois dus lijdt het geen twijfel of Willem III wordt
geslagen indien hij aanvalt, maar hij zal niet zoo onzinnig zijn
om aan te vallen. — De uitkomst heeft de woorden van den
Franschen minister gelogenstraft; de uitkomst heeft doen blijken,
dat Willem III aangevallen heeft en niet geslagen is; en dat
dus die aanval geen » onzinnige" daad was.
Den 25stea Juli krijgt Luxembourg van Louvois stellige mach-
tiging om slag te leveren; de Minister schrijft hem: »als Mijn-
heer de Prins van Oranje, met de 31 bataljons die hij op zijn
hoogst bijeen kan schrapen, een konvooi van wagens binnen
Mons wil brengen, dan verwacht de Koning bericht van u te
krijgen, dat gij hem duchtig zult hebben geslagen, en dat die
aderlating groot genoeg zal zijn om uit het lichaam der Hol-
landsche Republiek al die scherpe stoffen te verwijderen, welke
zich thans nog tegen den vrede verzetten." £n nog den 2eD Augustus
schrijft hem Louvois: t Zijne Majesteit zou het dienstiger achten,
dat gij den aanval niet afwacht, maar den vijand te gemoet
gaat." (Rousset, blz. 510—511).
Maar de Fransche onderhandelaars te Nijmegen — de be-
kwaamste staatkundige goochelaars van die dagen — gaan in
eens door den wind; den 6en Augustus zenden zij eene ver-
klaring in, waarbij zij afzien van de voldoening, vroeger voor
Zweden geëischt; misschien hebben de Franschen toen wel gê-
Digitized by
Google
SLAG VAN SAINT-DENIS. 30I
dacht: blijven wij dien eisch volhouden^ dan zal Karel II het
misschien niet langer kunnen beletten dat Engeland ons den
oorlog aandoet; dus is het beter, dat wij water in onzen wijn
doen. — Door die verklaring van den 6en Augustus was er nu
geen reden meer om den vrede te beletten; en den loen Augustus,
's avonds, heeft te Nijmegen dan ook de onder teekening plaats
van den vrede tusschen Frankrijk en de Republiek.
Toch wordt er, tusschen de legers van Frankrijk en van de
Republiek nog een bloedige veldslag geleverd, te Saint-Denis
nabij Mons, den 1400 Augustus, vier dagen nadat de vrede
te Nijmegen was geteekend.
Rousset spreekt hierover zeer uitvoerig, en zeer ongunstig ten
aanzien van Willem III (blz. 511 — 512):
»De vrede tusschen Frankrijk en Holland werd te Nijmegen
geteekend, den loen Augustus, om elf uur 's avonds, slechts één
uur voor den afloop van den bepaalden termijn der onderhan-
delingen. Dadelijk werden koeriers afgezonden, langs alle wegen,
naar alle hoofdsteden, en naar alle legermachten. De koerier,
die naar het leger ging van den maarschalk De Luxembourg —
de markies d'Estrades — kwam daar aan, den i4en tusschen
acht en negen uur 's ochtends, zijn weg genomen hebbende over
Venlo, Roermond, Maastricht, Luik en Dinant. De koerier, die
naar het leger van den Prins van Oranje vertrok en die een
veel korteren weg volgde, over Antwerpen, Mechelen en. Brussel,
wanneer is die aangekomen, welken dag, welk uur? — Dat is
men nooit te weten gekomen. Aan wien moet de menschheid
rekenschap vragen wegens het noodeloos vergoten bloed, aan
dien koerier, of aan den Prins van Oranje? — nog weet zij dit
niet. Maar is bij dat betreurenswaardig feit dat de slag van
Saint-Denis heet, aan den kant der bondgenooten alles geheim-
zinnig en duister, aan de Fransche zijde is alles duidelijk en bekend.'*
Mons was eng ingesloten door 22 bataljons en 32 eskadrons,
in twee legerplaatsen gesplitst, onder graaf Montal en baron De
Quincy. Men wist dat de Prins van Oranje aan den hertog De
Villa Hermosa stellig beloofd had, de stad te ontzetten. Hij
rukte op; langzaam ging de maarschalk De Luxembourg voor
hem terug, hem van nabij in het oog houdende en hem den
weg versperrende. Het blokkadekorps niet meegerekend, telde
het Fransche leger 50000 man; dat der bondgenooten 45000."
Over de sterkte van het leger van Willem III zijn de opgaven
eenigszins uiteenloopend: volgens De Quincy moet die slechts
35000 man zijn geweest; de opgaven van onze zijde <Hol-
landsche Mercurius) maken het echter waarschijnlijk, dat
Digitized by VjOOQIC
302 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Rousset gelijk heeft met die sterkte op 45000 man te stellen.
Wij voegen er echter bij, dat een van de laatste schrijvers over
deze krijgsgebeurtenis, Dr. Muller, niet alleen aan het leger van
Willem III maar ook aan dat van Luxembourg een mindere
sterkte toekent dan Rousset.
Ten onrechte zegt Bosscha (Neerland's heldendaden),
dat de Engelsche hulptroepen, onder den hertog van Monmouth,
aan den slag van Saint-Denis hebben deelgenomen; Monmouth
zelf, ja: die kwam aan, op het oogenblik dat de slag zou aan-
vangen; maar het door koning Karel II afgezonden hulpkorps
voegde zich eerst eenige dagen later — toen het niets meer kon
baten — bij het leger van den Stadhouder. Die vergissing van
Bosscha laat zich daardoor verklaren, dat werkelijk Engelsche
regimenten aan den strijd bij Saint-Denis hebben deelgenomen
en zich daar zeer hebben onderscheiden; — maar dit waren
Engelsche regimenten die in soldij van de Republiek stonden,
die tot het leger van de Republiek behoorden; het waren wel
Engelsche troepen, maar geen troepen van Engeland.
Den II en Augustus, om 11 uur 's avonds, schrijft Luxembourg,
uit de legerplaats bij Soignies, aan Louvois: » morgen breek ik
op, om eene legerplaats te betrekken op de heide van Casteau,
met den rechtervleugel te Saint-Denis en den linker achter de
Masnuys." (Daar waren twee dorpen Masnuy : Masnuy-Saint-Pierre
en Masnuy-Saint-Jean. — De abdij van Saint-Denis was een groot
uur ten noordoosten van Mons). »Die stelling is zóó sterk, dat
de Prins van Oranje dwaas zou doen, ons daar aan te vallen;
zij dekt Mons geheel en al aan die zijde; en door de bruggen
over te trekken die ik tusschen Obourg en Nimy heb laten
slaan, kan ik overal spoediger zijn dan de vijand. Nog heb ik
daar het voordeel, dat, als, tegen alle waarschijnlijkheid, de
vijand ons daar kwam aanvallen, de troepen van De Montal en
De Quincy zich in minder dan twee uren tijds bij mij zouden
voegen."
Voor de duidelijkheid merken wij hier op: dat de legers van
Willem III en van Luxembourg toen ten noorden van de rivier
de Haisne waren, op den rechteroever; Mons echter, vlak bij
die rivier, ligt op den linkeroever; evenzoo was de macht van
Montal en De Quincy, die Mons ingesloten hield, op den linker-
oever van de Haisne; en de bruggen over de Haisne tusschen
Obourg en Nimy, waarvan Luxembourg gewaagt, waren achter
den rechtervleugel van de stelling op de heide van Casteau, op
nog geen uur afstands van Mons; die bruggen verzekerden dus
de rechtstreeksche gemeenschap tusschen Luxemboürg's leger op
den rechteroever van de Haisne, en het blokkadekorps op den
linkeroever.
Digitized by
Google
SLAG VAN SAINT-DENIS. 303
Den i2en Augustus bezet het Fransche leger die stelling op
de heide van Casteau; links heeft het kleine bosschen; achter
de stelling en op den rechtervleugel het bosch van Mons; vóór
het front een eng dal met steile wanden, waardoor een beek
stroomde, die, een half uur meer zuidelijk, te Obourg, tusschen
Nimy en Havré, in de Haisne uitliep. De helling aan de over-
zijde van het dal was met bosch bezet; op slechts twee punten,
tegenover de twee uiteinden van de heide, was de overgang van
het dal — betrekkelijk — goed te verrichten : dddr waren hetzij
ravijnen, hetzij smalle wegen die in de rots waren uitgehouwen.
Aan weerszijden van die twee défilés had men gebouwen, die
zich amphitheatersgewijze verhieven: voor den linkervleugel der
Franschen, het dorp Casteau, eerst de molen aan de beek, dan
de kerk op de helling, en eindelijk het kasteel boven op de
hoogte: op dezelfde wijze had men, voor den rechtervleugel, de
groote gebouwen die de abdij van Saint-Denis uitmaakten.
In die abdij had Luxembourg zijn hoofdkwartier; — wel wat
vreemd, dat het leger zijn hoofdkwartier neemt buiten en vóór
de stelling; — het is alsof Wellington bij Waterloo zijn hoofd-
kwartier had genomen te Hougomont of te La Haie Sainte. Het
wordt daarmee verdedigd, dat Luxembourg te Saint-Denis meer
nabij Montal was; — de ware reden zal wel geweest zijn, dat
hij in die abdij beter gehuisvest was, en dat men toch niet ge-
loofde dat Willem III zou aanvallen. — 2 bataljons waren be-
stemd tot dekking van Saint-Denis; 2 andere bataljons stonden
evenzoo vooruit^ naar de zijde van Casteau; die 4 bataljons
stonden dus vóór de slaglinie. Om de gemeenschap te verzekeren
met de macht die Mons blokkeerde, waren wegen gemaakt in
het bosch van Mons, en — zooals reeds gezegd is — bruggen
geslagen over de Haisne.
In een brief van den 1360 Augustus aan Louvois beschrijft
Luxembourg die stelling, en voegt er dan bij: »gij ziet duidelijk,
dat ik bij machte ben om Montal en De Quincy te hulp te
komen; en, daar het onwaarschijnlijk is dat Mijnheer de Prins
van Oranje de door ons bezette stelling aanvalt, dat indien er
dus iets mocht gebeuren, het zou moeten zijn bij de stellingen
van die heeren. Ik denk, dat al die zorg vrij overtollig is, want
men meldt ons uit Philippeville, dat daar een koerier van Nijmegen
is doorgekomen met de tijding van het teekenen van den vrede.
Dat belet niet, dat Mijnheer de Prins van Oranje heden zijne
troepen voortdurend in beweging gebracht heeft; men zegt, dat
hij ook morgen op marsch zal gaan; waarom, weet ik niet, als
het waar is dat de vrede is gesloten, tenzij Mijnheer de Prins
van Oranje uit ijdelheid wil zeggen, dat hij nabij 's Konings
leger stond en alleen door den vrede verhinderd werd iets te
ondernemen." (Rousset, blz. 514).
Digitized by VjOOQIC
304 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Den i4ea Augustus, met het krieken van den dag, doet
Luxembourg in persoon eene verkenning naar de zijde van
Soignies, waar Willem III den vorigen dag was aangekomen. De
Fransche maarschalk ziet het leger der bondgenooten in be-
weging; niet rechtstreeks op zijn stelling naar de zijde van
Casteau afkomende^ maar die stelling rechts latende liggen, be-
wegen zich de bondgenooten in de richting van Ville-sur-Haisne;
alsof het hun voornemen ware, bovenwaarts van Havré de Haisne
over te gaan, en, over de vlakte van Binche, het blokkade- korps
voor Mons aan te vallen.
Toen krijgt Luxembourg bericht van den vrede (Rousset, blz.
515— 516):
I Luxembourg kwam om negen uur in het hoofdkwartier terug;
juist was daar de markies d'Estrades aangekomen, met de offi-
cieele tijding van den vrede. Verwonderd was de Maarschalk
daarover niet; want reeds den dag te voren liep het gerucht
daarvan door het leger; maar toen verzamelde hij zijne gene-
raals en raadpleegde hen over de vraag, of hij den vijand dat
groote nieuws moest mededeelen ? De meeningen daarover liepen
uiteen; toch werd een brief geschreven"; (in een noot: >die
brief was niet gericht aan den Prins van Oranje, maar aan den
Prins De Vaudemont, toen in Spaanschen dienst, een oud vriend
van Luxembourg"); >en de trompetter die de brief moest over-
brengen was reeds te paard, toen Luxembourg in eens van
meening veranderde. Laat ons hooren wat Charalay — een ge-
loofwaardig getuige en die een gewichtig aandeel heeft gehad in
deze handeling — hierover zegt:
f De brief werd geschreven; maar bij nadere overweging be-
greep Luxembourg, dat het weinig voegzaam zou zijn om het
eerst zulk een stap te doen ; en dat het bovendien tot niets zou
dienen, daar Mijnheer de Prins van Oranje, die het vredesverdrag
had ontvangen, het hem niet had meegedeeld, en waarschijnlijk
voornemens was een veldslag te leveren, die, gunstig afloopende,
den reeds gesloten vrede weer kon verbreken. Daarom oordeelde
Luxembourg het raadzaam, den vijand niets te laten weten, en
het vredesverdrag in zijn schrijflessenaar te bergen." (In een noot:
>het was niet het verdrag; maar alleen de tijding daarvan").
Rousset vervolgt: >Toen de maarschalk De Luxembourg moest
kiezen tusschen den eisch der menschelijkheid en . de eischen
van volkstrots en krijgseer, gaf hij de voorkeur aan de laatste;
moet men hem daarover laken? Niemand van zijne tijdgenooten
zou het in de gedachten zijn gekomen hem daarover hard te vallen.
Sommigen hebben hier een ongunstig oordeel over hem uit-
gesproken, echter niet deswege; — maar wel wegens de omstan-
digheid dat hij zich heeft laten verrassen. Heeft hij zich inderdaad
laten verrassen, zooals het algemeen gevoelen wil? of wel, is die
Digitized by
Google
SLAG VAN SAINT-DKNIS. 305
beweerde verrassing niets anders geweest dan een dier kwaad-
willige verzinsels, die het algemeen goedgeloovig aanneemt, zon-
der zich de moeite te geven de juistheid daarvan te beoordeelen
en den oorsprong op te zoeken ? De maarschalk De Luxembourg
wist ten volle wie de Prins van Oranje was ; hij kende diens ge-
veinsd, hardnekkige onmeêdoogend karakter; hij wist, dat hij
zich altijd verzet had tegen den vrede, die hem verbitteren
moest ; hij twijfelde er niet aan, of de Prins wilde toch den kamp
voortzetten ; — ziedaar wat Chamlay met nadruk verzekert. Hoe
is dan Luxembourg verrast kunnen worden door een aanval dien
hij verwachtte en waarop hij zich reeds verscheiden dagen had
voorbereid? En toch is dit algemeen verbreid gevoelen niet geheel
zonder grond: het is niet waar, dat de aanval door de bondge-
nooten den maarschalk De Luxembourg heeft verrast ; maar wel
waar is het, dat hij het juiste punt van dien aanval niet dadelijk
heeft opgemerkt; wel waar is het, dat hijzelf de helft van zijne
legermacht heeft verwijderd van het werkelijke slagveld, en dat,
toen hij die helft had teruggeroepen, het te laat was om eene
beslissende overwinning te behalen. Maar nog meer waar is het,
dat de Prins van Oranje, na binnen eeniger uren tijds driemaal
van aanvalsplan te zijn veranderd, eindelijk den slag heeft aan-
gevangen tegen alle regelen van de krijgskunst in; en dat >de
dwaasheid" zelve van een aanval die niet de minste kans van
slagen had, altijd de beste verontschuldiging zal zijn voor de
aarzelingen van den maarschalk De Luxembourg."
Hierop valt het een en ander aan te merken.
Wij willen die ongunstige karakterschets van Willem III daar-
laten, want hierop is de persoonlijke zienswijze van invloed; en
misschien is die schets ook niet in alles onwaar.
Maar waarom die brief aan Vaudemont niet afgezonden } —
Tot die afzending was besloten, denkelijk ten gevolge van het
gevoelen der meerderheid van de geraadpleegde generaals ; waarom
dat besluit niet uitgevoerd? Dat Luxembourg misschien onwillig
was om aan Willem III zelf te schrijven, dat laat zich nog
eenigszins hooren; maar waarom niet aan Vaudemont, die een
vriend van Luxembourg was? Zulk een schrijven, meer ver-
trouwelijk dan officieel — want ware het officieel, dan moest
Luxembourg schrijven aan den vijandelijken opperbevelheb-
ber — zou immers volstrekt niet te kort hebben gedaan aan
de > voegzaamheid" {bienséance)\ en, al deed dit zelfs eenigszins
daaraan te kort, moest men dan daarop letten, nu het eenige
duizenden menschenlevens gold? Maar — zegt Chamlay — Luxem-
bourg wist dat zulk een stap tot niets zou leiden, omdat Willem III
de tijding van den vrede had ontvangen; — dat laatste is eene
gewaagde bewering, die op niets berust: dat Willem III bericht
WILLEM III. — II. 20
Digitized by
Google
3o6 . KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
had vaa het sluiten van den vrede, was mogelijk, zelfs waar-
schijnlijk; maar zekerheid had men daaromtrent niet; en het
was dus wel de moeite waard geweest, eene poging te doen om
die zekerheid te verkrijgen.
Onze meening is, dat indien er schuld bestaan heeft in het
leveren van den slag van Saint-Denis na het sluiten van den
vrede, die schuld zeer zeker niet minder drukt op Luxembourg
dan op Willem IIL De Fransche veldheer zal geprikkeld zijn
geweest door de aansporing van Louvois: >ik beken dat het
zeer aangenaam zou zijn, dezen oorlog te eindigen met het slaan
van Mijnheer den Prins van Oranje".
En nu de wijze waarop de slag werd geleverd; — de aan-
vallen die Rousset dienaangaande richt op het beleid van Wil-
lem III, raken kant noch wal.
Willem III heeft > binnen den tijd van eenige uren driemaal
zijn aanvalsplan veranderd"; — waar haalt men dat vandaan?
Willem III heeft binnen eenige uren tijds de Fransche stelling
op drie verschillende punten aangevallen of bedreigd; maar
daaruit volgt nog volstrekt niet, dat hij driemaal zijn aanvals-
plan heeft veranderd: het kan zeer goed zijn, dat die eerste
aanvallen of bedreigingen niets anders zijn geweest dan demon-
stratiën om den vijafid te misleiden aangaande het ware punt
van aanval; en hebben zij ddt doel gehad, dan hebben zij vol-
komen aan het doel beantwoord; want het is een feit, dat
Luxembourg de helft van zijn leger van het slagveld heeft ver-
wijderd, omdat hij vreesde dat de bondgenooten van de zijde
van Binche zouden opdagen, om Montal en De Quincy aan te
vallen. Verkeerd is het dus om te zeggen, dat Willem III i tegen
alle regels van de krijgskunst" heeft gehandeld, en dat zijn aanval
een «dwaasheid" is geweest; — de uitkomst logenstraft die be-
wering; want, met mindere macht heeft de Stadhouder hier een
sterkeren vijand aangevallen, en een strijd gevoerd, die misschien
geen overwinning is geweest, maar dan toch op zijn minst een
onbesliste strijd is gebleven.
Willem III, in vier achtereenvolgende dagmarschen van nabij
Brussel opgerukt zijnde, was den vierden dag, den i4en Augustus,
's ochtends vroeg van Soignies op marsch gegaan naar de Haisne ;
ter hoogte van Saint-Denis gekomen, maakte de Stadhouder halt
en kwam in slagorde tegenover de stelling der Franschen ; maar
vanwege het houtgewas zagen deze het leger der bondgenooten
niet. Terwijl nu eene kleine afdeeling tot nabij Obourg oprukte
en daar eene aanvallende houding aannam om den vijand te
doen gelooven dat de Stadhouder de Haisne wilde overgaan en
aan de zuidzijde van die rivier Mons te hulp komen, werd intus-
schen Luxembourg's stelling rechtstreeks aangevallen ; eerst door
Digitized by
Google
SLAG VAN SAINT-DENIS. 307
-den linkervleugel der bondgenooten, bij Saint-Denis; later door
liun rechtervleugel, bij Casteau. In de ruimte tusschen Saint-Denis
■en Casteau kwam de Hollandsche artillerie, onder den graaf van
Hoorne, in batterij ; en richtte, over het ravijn, haar vuur op de
artillerie en de andere wapens van de Franschen.
Omstreeks 12 uur wordt de abdij van Saint-Denis aangevallen
door Hollandsche infanterie en afgestegen dragonders; met zijn
gewone heldhaftigheid is Willem III weer bij de voorste aan-
vallers, den zijnen herhaaldelijk toeroepende: „d mos\ ^ moC ; —
bij het groot aantal vreemde officieren die de Stadhouder bij
zijn leger had, was het noodig de Fransche taal te bezigen om
zich te doen verstaan. — Tusschen 2 en 3 uur *s namiddags zijn
de Hollanders geheel en al meester van de gebouwen die de
abdij van Saint-Denis uitmaken. Hier hebben toen aan de Fransche
zijde gestreden, behalve de twee bataljons die er reeds stonden,
»het detachement Fransche en Zwitsersche garde, dat bij hem"
<Luxembourg) »in dienst was" (blz. 517). Hoe sterk was dat
detachement? — dat zegt Rousset niet.
Luxembourg denkt nog altijd, dat Willem III zijn rechtervleugel
wil omtrekken (blz. 517): ...> overtuigd dat die aanval" (de
aanval op Saint-Denis) i niets anders was dan eene schijnbe-
weging van den Prins van Oranje om den marsch te verbergen
van zijn leger naar de Haisne, verlengde Luxemboiirg zijn rech-
tervleugel in de richting van Obourg; door 2 bataljons van
Navarre en 2 bataljons van de Koningin deed hij den zoom van
het bosch van Mons bezetten, dat zich uitbreidde langs het
lagere gedeelte van de beek..."
Tusschen 2 en 3 uur begint ook bij Casteau het gevecht;
maar daar hij geen vijandelijke macht bemerkt tusschen dat
dorp en de abdij van Saint-Denis, blijft Luxembourg van meening,
dat het ook bij Casteau maar een schijnaanval is (blz. 517):
• die nieuwe diversie op zijn uitersten linkervleugel overtuigde
den Maarschalk al meer en meer, dat het wezenlijke gevaar te
duchten was op zijn rechtervleugel, zelfs nóg verder, bij de
Haisne, bij de stelling van Montal. Hoe kon men onderstellen,
dat het een leger van 45000 man in de gedachte kon komen
om door twee zeer ver van elkander verwijderde nauwe dé&lés
op te rukken tegen eene stelling als de zijne? »Ik oordeelde"
— schreef hij aan Louvois, vier dagen na den slag, — »dat er
zoo weinig reden was om ons op die punten aan te vallen, dat
dit, naar ik meende, slechts diende om ons bezig te houden, en
dat het overige van 's vijands leger, dat ik door het bosch niet
kon zien, denkelijk voortrukte in de richting tusschen Obourg
en Havré, om een aanval te doen op de stelling van Montal;
dit kwam mij veel waarschijnlijker voor, dan wat ik hen zag
Digitized by
Google
3o8 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
doen. Ik liet de geheele tweede linie de Haisne overtrekken^
tot verzekering van die stelling van Montal, waar ik een aanvai
vreesde."
Tusschen Saint-Denis en Casteau blijft nu alleen de eerste linie
van het Fransche leger. De ruiterij, hier bijna onnut, blijft deels
werkeloos achter op de heidevlakte; deels komt zij in het cen-
trum, achter het minst toegankelijke gedeelte van het ravijn^
tusschen Saint-Denis en Casteau, waar niet gevochten wordt;
de infanterie daarentegen komt al meer en meer tegenover
Saint-Denis en Casteau. Men had hier dus in de Fransche slag-
linie de infanterie op de beide vleugels en de ruiterij in het
centrum; — het tegenovergestelde van een gewone slaglinie van
die tijden.
Over den strijd bij Saint-Denis zegt Rousset (blz. 518 — 520)
het volgende:
...»Maar die infanterie van de eerste linie was de keur des
legers : 6 bataljons van de Gardes frangahes^ 2 van de Zwitsersche
garde, 4 van het regiment van den Koning, 3 van Na var re, 3
van de Koningin, en die 2 bataljons van Feuquières^ die dapper
het vuurgevecht aanhielden, geheel onbedekt stand blijvende
houden bij de beek, tegenover een sterken vijand die beschermd
werd door de gebouwen van de abdij. Herhaaldelijk daalden
de Hollanders door de engte in het ravijn neder; ten laatste,
stout geworden door hunne overmacht, gaan twee van hunne
bataljons links van de abdij vooruit, trekken de beek door, en
beginnen de hoogten te beklimmen die door de Franschen zijr»
bezet. De luitenant-generaal hertog De Villeroy voerde het bevel
over den rechtervleugel van het leger; hij ziet het gevaar; hi>
roept het bataljon gardes tot zich; de gardes snellen toe en
houden aanvankelijk den vijand tegen door een plongeerend
vuur; toen dalen eenige compagnieën, het musket op den schou-
der, de degen in de hand, naar de Hollanders af, werpen hen
van de helling van het ravijn, en doen hen teruggaan tot achter
de beek.
Die poging om de stelling te bestormen, werd niet herhaald;
de aanvoerders der bondgenooten bepaalden er zich toe geschut
in batterij te brengen en veel voetvolk te deployeeren op de
hoogten, tegenover den rechtervleugel der Franschen. De hertog
De Villeroy, die last had om zich te bepalen tot de verdediging^
nam dezelfde beschikkingen; Dumetz, de bevelhebber der artil-
lerie, bracht 30 stukken geschut in batterij, op den uitersten
rand van het plateau. Toen had er, gedurende zes uren, van
de eene zijde van het smalle dal naar de andere zijde, een wis-
seling plaats van geweer- en kanonskogels. Het vuur van de
Fransche artillerie, die sterker was en beter bediend, richtte
groote verwoestingen aan in de rijen van de bondgenooten;
Digitized by
Google
SLAG VAN SAINT-DENIS. 309
«naar het kostte den Franschen groote offers; al de kapiteins van
het eerste bataljon der gardes werden getroffen, op twee na;
zelfs de ruiterij werd geteisterd, en kon de slagen die haar troffen,
niet vergelden. Zij die het gevecht volhielden op den bodem van
het ravijn, aan de oevers der beek, werden even weinig gespaard ;
de hertog De Villeroy was genoodzaakt een bataljon van de
gardes in het ravijn te doen afdalen, om daar een van de batal-
jons van Feuquières af te lossen, waarvan drie vierde deel ge-
vallen was. Aan die zijde bepaalde het zich dus tot eene slach-
ting, zonder dat er gemanoeuvreerd werd; — bij Casteau was
het eenigszins anders."
Charles De Sévigné — de vrij onbeduidende zoon van eene
rijk begaafde moeder — was hier bij de Fransche ruiterij, en
<ieed zijn plicht als dapper officier. In de brieven van madame
De Sévigné wordt dan ook Saint-Denis vermeld, zonder dat daar
-echter belangrijke bijzonderheden voorkomen over dien veldslag.
Bij Casteau was het ook weer Willem III, die den eersten aan-
vallers den weg wees, en die met on bezweken dapperheid den
strijd bestuurde. De troepen waren den veldheer waardig; en in
het bijzonder wordt met hoogen lof gewaagd van de Hollandsche
<5arde, aangevoerd door een graaf van Solms; van Engelsche
en Schotsche regimenten; en van een regiment onder Roque-
Servières, geheel bestaande uit Fransche protestanten, die hun
vaderland hadden moeten verlaten om de dweepzieke dwinge-
landij van Lodewijk XIV te ontgaan. Een enkel feit moge over-
tuigend doen blijken, hoe dapper hier het Hollandsche leger
heeft gestreden: Willem III, die niet gewoon is zijne troepen
uitbundig te prijzen; die integendeel, dikwijls in de sterkste be-
woordingen, ieder plichtverzuim brandmerkt, — zegt hier, in zijn
verslag aan de Staten-Generaal : >wij vinden ons onder des
geobligeert, dat getuygenisse te geven aan de infanterye van
<ien Staet, dat deselve in dese occasie heeft betoont een vigeur
■die onvergelijckelijk is, en actiën gedaen, boven alles dat men
van de selve soude hebben konnen verwachten..."
Rousset (blz. 520) zegt het volgende, over het begin van den
•strijd bij Casteau:
»Het vuur, dat daar eerst omstreeks drie uur begon, was dra
■even hevig geworden als te Saint-Denis. Een luitenant-generaal
— Colbert De Maulevrier — door Luxembourg afgezonden,
vond daar den Maréchal-de-camp De Rosen; met niets anders
onder zijne bevelen dan het derde bataljon van de Koningin,
het derde van Navarre, en de dragonders van Fimarcon, kampte
deze daar, met onwrikbare geestkracht, tegen een tienmaal ster-
keren vijand. Na vrijwillig kerk en kasteel te hebben verlaten,
had hij zijne twee bataljons geplaatst rechts en links van de
Digitized by
Google
310 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
molen, terwijl de dragonders, als infanterie werkzaam, zich hand-
haafden in de laatste huizen en omheiningen van het dorp. De
Maulevrier doorzag, met den eersten blik, den waren stand vai>
zaken: d^r was de Prins van Oranje en de hoofdmacht van-
zijn leger, die men tevergeefs bij de Haisne zocht; dddr moest
de veldslag worden gewonnen. Luxembourg, onverwijld hierva»
onderricht, deed wat hij nog aan infanterie had — twee bataljons
van de Gardes frangaises^ de Zwitsersche garde en de brigade
des Konings — met versnelden pas daarheen trekken. Adju-
danten renden spoorslags door het bosch van Mons, om den
graaf van Auvergne met de infanterie van de tweede linie te
doen terugkomen..."
Rousset zegt, dat Willem III, misschien onderricht van de
voorzorgen die Luxembourg had genomen om Montal te hulp
te komen, den overtocht van de Haisne nu te gevaarlijk achtte,
en daarom nu besloten was om door de engte van Saint-Denis
aan te vallen, het bosch van Mons te vermeesteren, en Luxem-^
bourg's leger in noordwestelijke richting terug te dringen; was
dat gedaan, dan zouden de bondgenooten over Niray — ten
noorden van Mons, aan de Haisne — het blokkade-korps aan-
vallen. Maar — vervolgt de Fransche schrijver — bij Saint-Denis
vond men het terrein te moeilijk, en den tegenstand te sterk;
torn al die redenen zag hij spoedig af van zijn tweede aanvals-
plan, dat minder goed was dan het eerste en alleen ddn kans
had van te gelukken, als de aanval snel en hevig was" (blz. 521)^
Daarom trekt Willem III, terwijl de linkervleugel van de bond-
genooten nu bij Saint-Denis den strijd blijft voortzetten en zelfs
een kleine afdeeling zendt naar de zijde van Obourg, om den
vijand ook daar te verontrusten, zijn centrum bij zijn rechter-
vleugel op Theussies te zamen, — Theussies, een dorp ter
hoogte van Casteau, oostelijk, en op korten afstand — , om nu-
met zijn hoofdmacht den Franschen linkervleugel te Casteau aan
te vallen.
Louvignies — een Spaansch generaal — stelt aan den Stad-
houder voor, met 10 a 12000 man ruiterij de beek op een
hooger gedeelte over te trekken, door de ruimte tusschen de
beide dorpen Masnuy — achter den Franschen linkervleugel —
op de heide door te dringen; en, na die omtrekkende beweging,.
d2 Franschen aan te vallen in de linkerflank en in den rug,
terwijl de Stadhouder zelf hen in front aantast, (blz. 522): iWas
misschien de Hollandsche Stadhouder, de opperbevelhebber van
het leger der bondgenooten, beschroomd voor eene handeling,,
die een generaal van den koning van Spanje tot schitterende
eer kon verstrekken? — Dat weet men niet; maar hij bracht er
tegen in, dat de dag reeds te vér gevorderd was en de omweg
Digitized by
Google
SLAG VAN SAINT-DENIS. 3II
voor de ruiterij te groot zou zijn ; kortom, hij wees het voorstel
van Louvignies af, en hield halsstarrig zijn rechtstreekschen aanval
vol op den Franschen linkervleugel, door het enkele défilé van
Casteau. Dit derde aanvalsplan, het slechtste van de drie, kon
in geen geval tot eene meer beslissende uitkomst leiden dan de
beweging die de Spaansche generaal voorsloeg; want, zelfs als
het Fransche leger werd geslagen, dan zou het op Mons terug-
gedrongen en niet daarvan verwijderd worden; en bovendien
was dit aanvalsplan oneindig moeilijker uit te voeren. Eigenlijk
was het even onuitvoerbaar om op de heide te deboucheeren
door de engte van Casteau als door de engte van Saint-Denis;
maar de vorstelijke opperbevelhebber had het zóó bepaald."
Die afkeurende kritiek over het krijgsbeleid van Willem III
is van Rousset; zij is niet de onze; integendeel.
Dat Willem III dat aanvalsplan van Louvignies niet kon op-
volgen, is zeer duidelijk. Het was reeds drie uur in den namid-
dag; — hoe laat zou het zijn, eer die lo êi 12000 man ruiterij
de beek hooger op waren getrokken, de beek daar waren over-
gegaan, tusschen Masnuy-Saint-Pierre en Masnuy-Saint-Jean waren
doorgedrongen, en dan op de heide waren gedeboucheerd ? —
Hoe laat, is moeilijk te zeggen; maar de waarschijnlijkheid is
er voor^ dat die cavalerie zou gekomen zijn als mosterd na den
maaltijd, als het te laat was, als de strijd reeds tot eene beslis-
sing was gekomen; of dat die cavalerie onverrichterzake zou
zijn teruggekeerd; hetzij doordat zij zou gestuit zijn op te moeilijk
terrein, — cavalerie kan niet overal doorheen — , hetzij dat zij
tegengehouden zou zijn door infanterie, die de Franschen konden
hebben geplaatst in de boschjes, waarlangs de weg liep van de
Hollandsche cavalerie. Maar, zelfs aannemende dat die cavalerie
tijdig kon aanvallen in de linkerflank der Franschen, is het dan
zeker dat zij daar overwint ? £n als zij daar eens geslagen wordt^
of als Willem III te Casteau in dien tusschentijd eens geslagen
wordt, wat dan? — Dan waren de nadeelige gevolgen niet te
overzien, omdat die cavalerie dan geheel en al afgescheiden was
van de hoofdmacht des legers. Zulk eene omtrekking op een
wijden kring kan een sterker leger ondernemen tegen een zwak-
ker, — en zelfs ddn is die handeling meestal nog verkeerd; —
maar zulk eene omtrekking te willen doen, als men met 35000
man — of laat het 45 000 man zijn — staat tegenover 60 000 man
van den vijand,- dat is eene vermetelheid, eene dwaasheid; ten
minste, wanneer men niet heeft te beschikken over oneindig
beter troepen dan de vijand. — en was dat hier het geval?
Zooals Willem III bij Saint-Denis is te werk gegaan, waren er
kansen op de overwinning; — al is het dan ook, dat die over-
winning zou zijn gebleven zonder beslissende gevolgen, zonder
Digitized by
Google
31 a KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
andere gevolgen dan het deblokkecren van Mons; — en werd
men geslagen, dan kon dat minder kwaads omdat Willem III
zijn geheele macht bijeen had gehouden bij Saint-Denis en Cas-
teau. Een nederlaag zou een nederlaag zijn geweest, — en niets
meer: volstrekt geen beslissend nadeel.
Volgens ónze opgaven is Casteau door ons genomen; vol-
gens de Fransche opgaven hadden de troepen van Luxembourg
het dorp grootendeels ontruimd; — de waarschijnlijkheid is
hier meer aan. onze zijde.
Bij Rousset (blz. 523 — 525) komt het volgende sterk gekleurde
verhaal voor omtrent hetgeen de Franschen willen doen om Casteau
te hernemen:
>De bondgenooten hadden zich stevig genesteld in het dorp;
de huizen, ter halver hoogte van de helling, waren vol muske-
tiers ; wat hooger waS de kerk, bezet met Spaansche dragonders ;
rechts en links stonden geheele bataljons; nóg hooger was het
kasteel, omgeven met versterkte posten, en bezet door een keur-
korps, het regiment van RoqueServières, geheel samengesteld,
van den kolonel tot den minsten soldaat, uit Fransche protes-
tanten in dienst van den Prins van Oranje; boven op de berg-
vlakte had men de artillerie, en daarachter sterke massa's voet-
volk en ruiterij, maar die doof het houtgewas verhinderd waren
zich in slagorde te ontwikkelen. Tegenover de bondgenooten, in
het dal, stonden, geleund aan de molen, de twee bataljons van
de Koningin en van Navarre, die uit het dorp waren terugge-
trokken, maar die, spoedig versterkt door twee bataljons van de
Gardes fran^aises^ de uitgangen van de ravijnen en holle wegen
standvastig bleven betwisten aan den vijand; wat meer vooruit,
in de lagere omheiningen, waren de dragonders van Fimarcon ;
op de heide, door de rookwolken van het geschut dat de onver-
moeide Dumetz daar reeds had gebracht, zag men de vier batal-
jons van het regiment van den Koning en de twee van de Zwit-
sersche garde, met den grootsten spoed aanrukken.
De Prins van Oranje wil aanvallen, vóór dat die versterking
aankomt. Twee Engelsche regimenten rukken op van nabij de
kerk, en vallen op de dragonders aan, die van de eene heg op
de andere terugtrekken. De Engelschen deboucheeren, scharen
zich in slagorde onder het vuur des vijands en trekken de beek
over; maar een bataljon des Konings, zich van de helling meer
afwerpende dan afdalende, valt als een ordelooze massa op hen,
en houdt hen staande; en een eskadron van het regiment van
Varennes, van den linkervleugel, op den bodem van het ravijn
gekomen — men weet niet hoe — , valt hun op hetzelfde oogen-
blik in de flank, werpt hen overhoop, en jaagt hen op de vlucht.
Evenals te Saint-Denis oordeelen de bondgenooten het onraadzaam
Digitized by
Google
SLAG VAN SAINT-DENIS. 3 13
om de poging te vernieuwen; en Maulevrier van zijn kant, acht
zich niet sterk genoeg ona aan te vallen; hij wacht. Evenals te
Saint-Denis is het een wederzijdsche wisseling van onophoudelijk
geschut- en geweervuur, zonder te manoeuvreeren.
Om zes uur deboucheert eindelijk de infanterie van de tweede
linie uit het bosch van Mons; bij de Haisne gaat alles goed. De
maarschalk De Luxembourg is toch nog niet geheel gerust, want
naar die zijde hoort hij kanonvuur: het is de uiterste linker-
vleugel van den Prins van Oranje, die den schijn aanneemt van
de rivier te willen overtrekken, maar spoedig teruggaat ten ge-
volge van het vuur van Montal's zwaar geschut. Om tegen alle
gevaar beveiligd te zijn houdt de Maarschalk, van de oprukkende
tweede linie, drie bataljons Zwitsers tegen, en doet die stelling
nemen nog voorbij den rechtervleugel, die zich reeds uitbreidde
naar Obourg; de andere bataljons van de tweede linie snellen
naar Casteau. Twee bataljons van den Elzas komen het eerst
daar; en dadelijk geeft Maulevrier toen het teeken ten aanval.
De colonnes worden geformeerd ; maar op het oogenblik dat zij
de engte binnendringen, moeten zij zich weer splitsen; ieder
soldaat, als het ware aan zichzelf overgelaten, moet zijn eigen
weg zoeken en vinden, zich een weg banen; de officieren kunnen
niets anders doen dan het voorbeeld geven; orde, bevel is er
niet meer; ieder gaat zijn gang, al naar zijn oordeel en zijn
moed. De bataljons, die nog op den bodem van het ravijn
blijven en door hun vuur die bèstormers moeten steunen, slaan
met levendige ontroering de langzame en moeilijke vordering
van den aanval gade . . ."
Eindelijk komen een 40 k 50 man van de Gardes frarifaises en
van de Zwitsersche garde boven op de hoogte, en vereenigen
zich tot een peloton; spoedig sluit zich een tweede peloton
daarbij aan. Een sterk gekleurd tafereel van den gevaarlijken
toestand waarin die voorste bestormende afdeelingen hebben
verkeerd, geeft Luxembourg in zijn eerste verslag van den
i8en Augustus over Saint-Denis: achter zich een dal met steile
wanden, beklommen over moeielijke voetpaden, waar slechts één
man tegelijk kon gaan; vóór zich de geheele vijandelijke slag;-
linie; rechts een zware heg, bezaaid met 's vijands voetvolk
{yfarcie d'infanterie ennemié''*); en links een kerk, een kasteel en
ook een heg, evenwijdig aan de andere; en dat alles ook vol
infanterie van den vijand. Uit die beschrijving kunt gij opmaken,
— zegt de Fransche veldheer — , dat die eerste bèstormers be-
kneld waren »in een ongemakkelijk wafelijzer" {dans une gaufre
fort incotnniodé).
Die beschrijving draagt evenals die van Rousset alle blijken
van schromelijke overdrijving.
Digitized by
Google
314 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN,
Dc aanval van de Franschen op de stelling der bondgenooteD
bij Casteau was een aanval op een bedekt boschachtig terrein^
waarbij men natuurlijk niet in geslotene orde kan blijven, maar
waarbij men, juist omdat het terrein bedekt is, minder te lijden
heeft van 's vijands vuur en meer onbemerkt vooruit kan gaan ;.
het is eigenlijk een boschgevecht, en bij een boschgevecht staan
de kansen voor beide partijen gelijk, als de aanvaller eenmaal
het bosch binnengedrongen is, — en dat was met de Franschen
het geval. Die aanval op Casteau was volstrekt niet een aanval
op een onbegroeid ravijn, waarbij men geheel en al blootstaat
aan het gezicht en aan het vuur des vijands; — zooals bij
voorbeeld de aanval op den Kuhgrund in den slag van
Kunersdorf (1759).
Bovendien, als Luxembourg spreekt van steile voetpaden, waar-
over maar één man tegelijk kon gaan — , hoe komt dit dan
overeen met wat Rousset vroeger bij het begin van het gevecht
heeft gezegd, dat de PVansche troepen bij den molen in het dal
de uitgangen afgesloten hielden van de ravijnen en holle
wegen (l' issue des ravines et des chemins creux)? Hoe komt dit
dan overeen met de omstandigheid, dat er een eskadron ruiterij
van het regiment van Varennes in het dal in gevecht is ge-
weest, dat, later, een ander eskadron, onder d'Esclain-Villiers,
aan de andere zijde van het dal is werkzaam geweest?
Steile voetpaden, waar maar één man in front kan gaan, en
waarover toch eskadrons ruiterij aidalen en opklimmen! Rousset
zelf gevoelt dat -dit wat vreemd luidt; en daarom zegt hij, dat
het eerste eskadron in het dal was gekomen imen weet niet
hoe" {on ne sait commenf). De Fransche schrijver voorkomt zijnen
lezers, die anders zelve hun verwondering en twijfel aangaande
deze gebeurtenis zouden hebben geuit.
Uit het voorgaande kan men gerust besluiten, dat de engte
bij Casteau niet zóó moeilijk was door te trekken dat daardoor
de aanval van Willem III volstrekt geen kans had van te zullen
gelukken ; met de engte van Saint Denis was het evenzoo. Die
stelling van Luxembourg was sterk, dat lijdt geen twijfel; maar
die sterkte wordt overdreven voorgesteld, zoowel door de Hol-
landsche als door de Fransche opgaven, aan beide zijden om
zeer goed te begrijpen redenen: door de Hollanders, om daar-
door den roem van dapperheid van het Hollandsche leger te
verhoogen, door de Franschen, om daardoor het veldheersbeleid
van Luxembourg van blaam te zuiveren: was toch die stelling
zóó buitengewoon sterk, dan was het te vergeven dat men daar
geen aanval wachtte.
Na den moeielijken toestand vermeld te hebben van die „Gardes
frangaises'''' en Zwitsersche garde die het eerst op de hoogte zijn
Digitized by
Google
'' "slag van SAINT-DENIS. 31S
gekomen, zegt Rousset (blz. 525 — 529) van het verdere beloop
van den strijd:
iMaar zij hebben den weg gebaand en aangewezen*, het ge-
vaar dat zij trotseeren verdubbelt den strijdlust van hunne wapen-
broeders; de hindernissen worden uit den weg geruimd of over-
geklommen; de paden verbreed; de twee bataljons van den
Elzas, die nog altijd vooraan zijn, deboucheeren en openen hun
vuur; bijna gelijktijdig snelt het eerste bataljon des Konings uit
een weg die het heeft ontdekt, en plaatst zich rechts van de
bataljons van den Elzas, nabij een heg waarachter een onzicht-
bare vijand van zeer nabij op dat bataljon vuurt; maar toen,
dadelijk daarop, twee bataljons van de Gardes franfaises zich aan
de andere zijde van de heg vertoonen, houdt dit moorddadig
vuur spoedig op; nog meer rechts komt een bataljon van het
regiment y^Lyonnais^'' uit de struiken, en vermeestert drie stukken
kanon, die het dadelijk aanwendt tegen 's vijands diepe massa*s.
Terwijl de bevelhebbers van die zes eerste bataljons hunne
slaglinie ordenen, trekt een eskadron van het regiment van Til-
ladet, onder den ridder d'Esclain-Viiliers, snel door de tusschen-
ruimten van de bataljons, komt voorwaarts in slagorde en char-
geert; twee eskadrons van de garde van den Spaanschen koning
rijden het te gemoet, maar worden overhoop geworpen ; in vollen
ren doorbreken de Chevaux4éger$ nog twee liniën voetvolk, en
komen, na gedane charge, langs denzelfden weg terug; jammer
dat hun stoute aanvoerder, de ridder d'Esclain-Villiers, doodelijk
gewond is gevallen. De bondgenooten, geschokt zijnde, gaan
eenigszins achteruit; maar de kleine opene ruimte waarvan de
Franschen meester zijn, heeft maar een 5 k 600 pas breedte;
gedurig komen nieuwe bataljons aan, hoopen zich opeen op die
kleine ruimte, en dringen de eerste bataljons vooruit; voor deze
gaat de vijand langzamerhand terug, zonder evenwel in wanorde
te komen.
Ten gevolge van die beweging is men het dorp, de kerk, en
zelfs het kasteel voorbijgekomen ; de troepen die de Prins van
Oranje daar had geplaatst bij het begin van het gevecht, hebben
geen tijd gehad om terug te trekken, en kunnen niet meer wor-
den ondersteund. De graaf van Auvergne, die als ouder luitenant-
generaal dan Maulevrier, het opperbevel heeft overgenomen, voert
toen in persoon vier bataljons aan om de kerk aan te vallen;
een bataljon gardes van den Prins van Oranje gaat geheel ver-
loren; en in de kerk zelve delven de Spaansche dragonders het
onderspit. De Franschen, verbitterd over wat zij het verraad
noemen van de Hollanders die hen hebben aanbevallen na ge-
sloten vrede, doen alles over de kling springen. Terwijl dus het
dorp wordt genomen, trekt de markies d'Huxelles, met het regi-
ment Dauphin, naar het kasteel ; Roque-Servières heeft zich daar
Digitized by
Google
3l6 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
verschanst als in een citadel ; en uren lang doet zijn onverpoosd
geweervuur een aantal soldalen van Luxembourg vallen, wier
kameraden hun wraak zweren. Die worsteling van Franschen
tegen Franschen, aan weerszijden bezield door godsdiensthaat, is
bijna de laatste episode geweest van den veldslag, en zeker de
bloedigste en verbitterdste. Roque-Servières en de zijnen wis*en
in welk een toestand zij verkeerden; zij wisten dat zij afgesneden
waren van de hunnen, en als het ware verloren te midden van
het Fransche leger. Wanhopig verdedigden zij zich ; toen eindelijk
de gebouwen op het voorplein in brand waren gestoken, deden
de protestanten die niet in de vlammen omgekomen waren, een
uitval en snelden vrijwillig den kogels en den pieken te gemoet ;
ternauwernood werden enkelen gespaard. Roque Servières sneu-
velde, met acht van zijn kapiteins.
De strijd werd voortgezet op dat enge slagveld, waar de
wederzijdsche infanterie, dicht opeengehoopt, op korten afstand
een moorddadig vuur op elkander richtte. Toen zag men de
Fransche ruiterij, langen tijd onbeweeglijk op de heide van Cas-
teau, het dal doortrekken en in schuinsche richting de tegenover-
liggende helling beklimmen, om 's vijands flank te omtrekken ;
het moeielijke terrein hield haar op, en slechts enkele eskadrons
kwamen tijdig genoeg om een laatste charge te verrichten, in
verband met een aanval door de Zwitsersche garde. De bond-
genooten gingen weer terug voor dien aanval; maar niets was in
staat hen in wanorde te brengen. Bij dien laatsten strijd leed
het Fransche leger gevoelige verliezen; twee, vooral: De Saint-
George, kolonel van het regiment van den Koning, en De
Fimarcon, kolonel van de Dragonders, de beste officier van dat
wapen, werden doodelijk gewond. Spoedig viel daarop de nacht
in; de gezichteinder, donker door de bosschen, werd al kleiner
en kleiner; en het geschut, vurende op duistere massa's, verspilde
aan weerszijden zijn kogels aan de boomen. Van lieverlede ver-
flauwde het vuur, en hield toen geheel op; evenals de slag van
Séneffe eindigde de slag van Sainl-Denis, na hardnekkige wor-
steling, zonder eene beslissing. Te midden der duisternis zag
men slechts één lichtend punt, aan het uiteinde van het slagveld :
het kasteel, door de Franschen in brand gestoken.
Bij het schijnsel van dien brand verlieten de Fransche troepen
de hoogten van Casteau, zonder bij dien aftocht verontrust te
worden; *s nachts trokken zij, dwars over de heide en door het
bosch van Mons, achter de Haisne terug, voorwaarts van de
legerplaats van D^ Montal. De maarschalk De Luxembourg wist
niet, of de Prins van Oranje, die noch overwinnaar noch over-
wonnen was, den volgenden dag niet een nieuwen aanval zou
beproeven, en ditmaal waarschijnlijk op de om Mons opgeworpen
liniën..."
Digitized by VjOOQIC
SLAG VAN SAINT-DENIS. 317
Dus: hoewel volgens de Fransche voorstelling van den strijd
bij Casteau, die strijd eene overwinning is geweest, zoo verlaat
Luxembourg nog dienzelfden nacht het slagveld, ontruimt
zijn sterke stelling, en gaat terug op Mons ; — had Luxembourg
een nederlaag geleden, zou hij dan wel anders hebben gehan-
deld? — Dat Luxembourg vooral vreesde voor een aanval op
de troepen die Mons blokkeerden, zooals gezegd wordt, en dat
hij daarom terugtrok, houdt geen steek ; want, waarom was zulk
een aanval meer te vreezen uA den slag van Saint-Denis, dan
vóór dien slag? Waarom dan niet dadelijk het geheele Fransche
leger in de onmiddellijke nabijheid van Mons vereenigd? — Het
antwoord op die vragen doet zien, dat die slag van Saint-Denis
voor de Franschen veeleer eene nederlaag is geweest dan eene
overwinning; — Rousset komt die meening eenigszins nabij, als
hij zegt: ...ide Prins van Oranje, die noch overwinnaar noch
overwonnen was" (/e Prince d*Orange qui rCétait ni vainqueur ni
yaincü).
Uit de opgaven van onze zijde weet men, dat Willem III, die
zeer dikwijls de dapperheid tot op de grens der roekeloosheid
doordreef, bij dien strijd bij Casteau in groot gevaar heeft ver-
keerd: door zijn drift vervoerd was de Stadhouder in eens vlak
bij de Fransche ruiterij; en een Fransch officier — denkelijk
d'Esclain-Villiers — zette hem reeds het pistool op de borst,
maar werd nog tijdig doodgeschoten door Ouwerkerk, het latere
legerhoofd uit den Spaanschen Successie-oorlog.
Over de verliezen van de beide partijen in den slag van Saint-
Denis zegt Rousset (blz. 529): ..•»De verliezen van de bondge-
nooten bedroegen ongeveer 3 a 4000 man ; die van het Fransche
leger zijn met juistheid bekend: 940 dooden en 1560 gewonden;
de zes bataljons gardes hadden verloren 35 officieren en 625
soldaten". Dijkvelt, die als gedeputeerde te velde bij het Hol-
landsche leger was, zegt, in een brief van den 15 en Augustus,
dat men tgist" dat wij hebben verloren 5 è, 600 dooden, en
ruim zooveel gewonden; — maar dit is een onbepaalde opgave,
waarop weinig valt te bouwen. Het waarschijnlijkste is, dat de
verliezen van de beide partijen elkander niet veel hebben ont-
loopen. Hierbij valt echter op te merken, dat, aan de Fransche
zijde, die verliezen de beste regimenten hebben getioffen; de
strijd is hoofdzakelijk gevoerd door Luxembourg's eerste linie;
en die infanterie van de eerste linie, — zegt Rousset — was de
keur des legers (/V///^ de rarméé). Men moet dus de grootte van
Luxembourg's verliezen niet enkel afmeten naar het cijfer van
hen die gevallen zijn; maar ook daarop letten, dat de kern van
zijn leger ten gevolge van die verliezen bijna alle strijdvaardig-
heid had verloren. Het was even alsof bij een van Napoleon's
Digitized by
Google
3l8 KRIJGS- KN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
veldslagen de verliezen alleen waren geleden door zijne oude
garde.
Den i5en Augustus gaat het HoUandsche leger vooruit, en
vindt Luxembourg's stelling verlaten; dit was blijkbaar in haast
en met verwarring geschied; want dooden, gewonden, tenten en
leeftocht waren achtergelaten. De Stadhouder wil nu verder op-
rukken, toen hem tegen den middag, in een bijzonderen brief
van den raadpensionaris Fagel, bericht wordt dat de vrede is
gesloten. Aanvankelijk schijnt Willem III geen acht te hebben
willen slaan op dat bericht, dat niet ofhcieel was ; — ten minste
kan men dit opmaken uit den volgenden vertrouwelijken brief
waarmede hij het schrijven van den Raadpensionaris beantwoordt :
fin 't leger tot St. Denis den 15 Augustus 1678.
Mijn Heer!
U. W. sal uyt mijne publique missive aen den Staet vernemen
't geen in 't furieus gevecht van gisteren is voorgevallen. Hoe
het sal worden opgenomen bij ons volck en weet ick niet, maar
ick kan U. W. voor Godt verklaren dat ick niet geweten heb
als dese middagh door U. W. missive van den 13e, dat de
vreede geslooten was, en hebbende geen brieven van den Staet
zoo sal ick de groote wegh gaen en mijn best doen om Mons
t' eenemael te ontsetten. Ick blijve onveranderlijk
Mijnheer
U. W. dienstwillige vriendt
G. Prince d'Orange."
In de laatste zinsnede van dezen brief zegt Willem III dus
zeer duidelijk aan den raadpensionaris Fagel: »uw brief is mij
niet voldoende; ik moet officieel bericht ontvangen van het
sluiten van den vrede; zonder dat, zet ik de vijandelijkheden
voort." Die brief is geschreven in den namiddag van den i5en
Augustus; en toch worden de vijandelijkheden niet voortgezet,
maar vertrekt, in den ochtend van den i6en Augustus, Dijkvelt
naar het Fransche leger om te onderhandelen. Van waar die
ommekeer tusschen den i^en 's namiddags en den i6en 's och-
tends? Was in dien tijd het officieele bericht van den vrede
ingekomen? Dit blijkt nergens uit; maar het is waarschijnlijk,
dat in dien tijd de Stadhouder zich bedacht heeft, en toen tot
het besluit is gekomen, dat, daar de brief van Fagel geen twijfel
meer overliet aan het sluiten van den vrede, het nu zaak was
geen menschenlevens meer op te offeren, maar te trachten een
minnelijk vergelijk te treffen over de wijze waarop de insluiting
van Mons moest ophouden.
Digitized by VjOOQIC
SLAG VAN SAINT-DENIS. 319
Ziehier wat Rousset zegt (blz. 529—532) over die zending van
Dijkvelt :
>Een gemachtigde van den Prins van Oranje, een afgevaar-
digde ter Staten Generaal, meldde zich den i6en 's ochtends bij
de voorposten aan, en verlangde den maarschalk De Luxembourg
te spreken; eindelijk bracht hij het bericht van den vrede!
Onmiddellijk na het onderhoud met dien afgezant schreef Luxem-
bourg den volgenden brief aan Louvois :
>De Heer Dickfeldt, gedeputeerde van de Staten-Generaal bij
hun leger, heeft zich bij een onzer voorposten aangemeld, en
gevraagd mij te spreken; ik ben er heen gegaan, en ziehier wat
hij mij heeft gezegd. Hij is begonnen met mij te begroeten,
namens Mijnheer den Prins van Oranje; en daarna heeft hij mij
gezegd, dat, daar zij gisteren het bericht hadden ontvangen van
het teekenen van den vrede, hij tot mij kwam om te vragen hoe
men moest handelen, èn ten opzichte van de legers, èn ten aan-
zien van Mons. Hierop heb ik geantwoord: dat ik moeilijk kon
begrijpen, dat zij het bericht van den vrede zoo laat hadden
ontvangen; want dat hun leger dichter bij Nijmegen was dan dat
van Zijne Majesteit; dat hunne koeriers door hun land gingen,
over wegen die veilig waren; en dat ik, den dag van de ont-
moeting lusschen de twee legers, en vóór den slag, bericht had
gekregen dat de vrede was gesloten; en dat het mij uitermate
had bevreemd, tegelijk met het bericht van den vrede, het be-
richt te krijgen van hun aanval. Daarop heeft hij mij geantwoord :
dat zij niet zouden hebben aangevallen, had ik maar iets laten
weten; en waarom ik die goedheid niet had gehad? Hierop
hernam ik: dat het niet in de gewoonte lag van de Franschen
om als zij gelegenheid hadden om een strijd te beginnen, iets
te zeggen waardoor het gevecht zou kunnen worden voorkomen;
€n dat wij een gebieder hadden, te zeer op wapenroem gesteld
om het uitstellen van een strijd goed te keuren ; maar dat, indien
hij verwonderd was — zooals hij zeide — dat ik hun niets had
laten weten, fk van mijn kant hem ook op iets wilde wijzen, dat
mij nog veel meer had verwonderd; — en daarop zeide ik hem:
dat het mij volstrekt niet bevreemd had, dat Mijnheer de Prins
van Oranje, die veel dapperheid en moed heeft, gaarne gebruik
heeft gemaakt van de laatste dagen van den oorlog om eene
poging te doen om Mons van levensmiddelen te voorzien; maar
dat het mij onbegrijpelijk voorkwam, hoe hijzelf en zijn ambt-
genoot, die over het Hollandsche leger te beschikken moeten
hebben dewijl zij tot dat einde door de Staten worden afge-
vaardigd, er in hadden toegestemd dat Mijnheer de Prins van
Oranje slaags raakte met het leger van Zijne Majesteit, wiens
vrienden zij weer wierden, en dat zij zich niet herinnerd hadden,
dat dit leger hun vroeger van veel nut was geweest; en zelfs,
Digitized by
Google
320 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
dat ik hem toesprak in het bijzijn van troepen — want het was
zeer nabij de slaglinie — , dat ik hem toesprak, zeg ik^ in het
bijzijn van troepen, die zij, nog niet lang geleden, in hun land
hadden gezien om hen te helpen*'; (in een noot: >in 1665, in
den oorlog tegen den bisschop van Munster"); >en dat het mij
toescheen, dat, hierin, Zijne Majesteit geen reden had om den
Heeren Staten-Generaal zijne tevredenheid te betuigen over het
gedrag van hunne Gedeputeerden te velde; — het scheen, dat
hem dit niet erg aanstond {ce qui fn'a paru Vintriguer un petit).
Hij herhaalde met aandrang zijn vraag, dat ik zou toelaten om
eenige levensmiddelen binnen Mons te brengen, slechts voor twee
of drie dagen; hij bracht daarvoor een goede reden te berde,
namelijk, dat Mijnheer de Prins van Oranje beloofd had die stad
van levensmiddelen te voorzien. Ik heb hem geantwoord, dat ik,
zonder 's Konings bevel, daar niets mocht binnen laten komen ;
en op zijn naderen aandrang is het eenige wat ik gemeend heb
met hem te kunnen overeenkomen, dit: dat ik Zijne Majesteit
bericht zou zenden van ons gesprek; dat ik den i8en 's Konings
antwoord zou hebben, en dat dan zou uitvoeren ; en dat het mi]
zonder dit even weinig geoorloofd was binnen Mons den aller-
minsten toevoer te laten komen, als het den Prins van Oranje
geoorloofd moest zijn zonder de bevelen van de Heeren Staten
te handelen. Het komt mij voor. Mijnheer, dat het geen kwaad
kan, thans nu de beide Ugers tegenover elkander staan, dat zij
den Koning om vrede vragen, nadat zij zulk een nuttelooze
poging hebben ondernomen en een infanterie gevecht geleverd,
zóó hardnekkig als er ooit een geleverd is."
De intendant Robert, die naar de legerplaats van den Prins
van Oranje was gegaan om voorloopig de verhouding tusschen
de beide legers te regelen, schreef dienzelfden dag aan Louvois:
• Mijnheer de Prins van Oranje is begonnen met mij op plech-
tige wijze te betuigen, dat hij. vóór het gevecht, volstrekt niets
had geweten van het teekenen van den vrede met de Heeren
Staten-Generaal; hij heeft een aantal bijzonderheden bijgebracht,
die het onnut is hier te vermelden, om mij te bewijzen dat hij
er inderdaad niets van heeft geweten, wat de heer Dickfeldt mij
ook heeft bevestigd. Daarna heeft hij mij gezegd, dat hij nog
volstrekt geen bijzonderheden van het traktaat kent; maar dat,
nu men hem stellig meldt dat de vrede is geteekend, het hem
voorkomt dat, daar wij dit aan weerszijden weten, wij maar
moesten beginnen met tot eene betere onderlinge verstandhouding
te komen dan vroeger. Ik heb hem geantwoord, dat ik te veel
vertrouwde op zijn woorden om te gelooven dat hij, vóór den
slag, kennis zou hebben gedragen van het teekenen van den
vrede; dat wij het twee of drie uur te voren hadden vernomen,
door een brief van onze Heeren Gevolmachtigden ; maar dat wij
Digitized by
Google
SLAG VAN SAINT-DENIS. 32 1
even weinig wisten van de bijzonderheden, en dat wij er zelfs
nog geen bericht van hadden gekregen van den Koning."
Dus: Luxembourg weigert om de blokkade van Mons op te
heflfen, omdat hij hiertoe nog geen last heeft van den Koning;
en ook nog geen of&cieel bericht van den Koning dat de vrede
is gesloten; — Luxembourg had hierin gelijk. Maar dan had
Willem III ook gelijk, toen hij, om Mons te deblokkeeren, den
slag van Saint-Denis leverde; want ook hij had geen officieel
bericht van den vrede, denkelijk zelfs geen bericht hoegenaamd.
Dat bij die kwestie over het slag leveren bij Sainl-Denis het
recht aan de zijde van Willem III is, lijdt geen twijfel; — maar
alles wat recht is, is daarom nog niet goed: het is soms zeer
verkeerd, volkomen gebruik te maken van een recht.
De toon van Luxembourg tegen Dijk velt is nog al opmer-
kelijk: hij zoekt bij de Staten naijver op te wekken tegen het
gezag dat Willem III handhaaft; strikt genomen, had Luxem-
bourg gelijk : de Staten waren souverein, de Stadhouder was hun
beambte; zóó was het rechtens; maar feitelijk was het ge-
heel anders; en vooral bij het opperbevel over het leger liet
Willem III zijne macht volstrekt niet beperken door de Gedepu-
teerden te velde.
Luxembourg herinnert aan hetgeen, in 1665, de Fransche legers
voor de Republiek hadden gedaan; — maar, vooreerst, hebben
de Fransche troepen ons toen zeer weinig voordeel aangebracht ;
en, ten tweede, waren er sedert 1665 dertien jaar verloopen; en
in dien tijd valt het jaar 1672, Bodegraven en Zwammerdam,
en de verdere gruwelen in Holland gepleegd. Er behoort een
verregaande onbeschaamdheid toe, een stalen voorhoofd dat van
blikken noch blozen weet, om een beroep te doen op de erken-
telijkheid, door de Republiek verschuldigd aan de legers van
Lodewijk XIV. Maar Luxembourg was een van die wezens,
»qiii goütant dans Ie crime une honteuse paix,
ODt SU se faire un front qui ne rougit jamais."
(Racine; Phedré).
Den lyen Augustus machtigt Louvois den Franschen veldheer
om de blokkade van Mons op te heffen; den iQen Augustus
gaan de bondgenooten terug op Brussel en de Franschen op
Ath; — ónze opgaven stellen het opheffen van de blokkade van
Mons twee dagen later, op 21 Augustus.
Terwijl de wederzijdsche legers achteruit trekken, heeft er,
den 1960 Augustus, eene samenkomst plaats tusschen Willem III
en Luxembourg; Rousset bezigt hier, bij het vermelden van die
WILLEM III. — - II.
Digitized by
Google
322 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
samenkomst^ ten aanzien van den Stadhouder een ironischen
toon, waarvan de gepastheid betwistbaar is:
(Blz. 532 — 533) ...>Dien dag had er een vreedzame samen-
komst plaats tusschen den Maarschalk en den Prins van Oranje,
vergezeld van hunne voornaamste onderbevelhebbers. >Van weers-
zijden" — zegt Chamlay — > betoonde men daarbij groote wel-
levendheid en voorkomendheid; en het gesprek, dat maar kort
duurde, liep over onderwerpen van algemeenen aard: dat men
gedurende den vrede zonder werk zou zijn ; en dat men zich dus,
om zich bezig te houden, op de jacht moest toeleggen." —
Rousset laat daarop volgen:
>Wat een adel in die klachten! hoe verheven is die droef-
heid! Bewonderen moeten wij die hooghartige mannen, die zich
hunne aanstaande werkloosheid zoo aantrekken ! Hebt medelijden
met hen die nutteloos blijven leven, niet met hen die nutteloos
zijn gevallen in den laatsten veldslag! £n hebt vooral medelijden
met dien edelen Prins van Oranje, die tot het laatste oogenblik
— en zelfs daarna — zijn ontembare geestkracht heeft weten bot
te vieren! Aan het drama van Saint-Denis ontbrak de zedenles;
wij hebben ze hier.
Wat doet het er toe, dat de Prins van Oranje geen officieel
bericht had van den vrede ! Die vrede — hij voelde dien komen,
en hij heeft dien niet willen afwachten. Zijne medeplichtigen
waren de markies De Grana, de zendeling des Keizers, en Sir
William Temple, de Engelsche gezant. »De Grana en Temple.
door zijn brieven, hebben teweeggebracht dat Zijne Hoogheid
zich gehaast heeft om slag te leveren. Teraple schreef: dat het
eenige middel om den vrede te doen mislukken, was, 's Konings
leger aan te vallen; dat Zijne Majesteit dan geen vrede meer
zou willen, en de handelingen van zijn gezanten zou verloochenen ;
en dat, was men eenmaal zóó ver, hij (Temple) de bekrachtiging
van het alliantie-traktaat met Engeland zou uitwisselen." — Dit
schreef, den 1560 Augustus, de goed onderrichte correspondent
van den maarschalk d*Estrades, >een mijner vrienden" — zeide
Louvois — >die in het gevolg van den Prins van Oranje reist";
(Louvois aan Luxembourg; 26 Augustus). Louvois had die mede-
deeling nog niet ontvangen; maar toch was zijne meening reeds
gevestigd toen hij, den lyen Augustus, aan Barillon schreef: >ik
twijfel er aan of de Staten- Generaal het goedkeuren dat Mijnheer
de Prins van Oranje, die heeft moeten weten dat de vrede ge-
teekend was, op die wijze het leven van hunne onderdanen heeft
verspild, en hun macht heeft doen afhangen van de uitkomst
van een veldslag, die voor hun leger een volkomen nederlaag
zou zijn geweest, ware die slag geleverd op een terrein waar
men het nabij had kunnen komen."
Dat laatste zegt niets : de bondgenooten zouden een volkomen
Digitized by
Google
SLAG VAN SAINT-DENIS. 323
nederlaag hebben geleden, ware het terrein maar anders ge-
weest; — ja, maar ware het terrein anders geweest, dan hadden
de bondgenooten misschien geen slag geleverd; en bovendien,
van een > volkomen nederlaag" is schijn noch schaduw. Zegt
oien, dat de slag van Saint-Denis een onbesliste veldslag is ge-
weest, dan stelt men de zaak, voor de Franschen, op de gun-
stigste wijze voor: een leger dat overwint, ontruimt het slagveld
niet, en trekt niet terug, nog in den avond van den veldslag.
Een blijk dat die slag van Saint-Denis niet in het voordeel is
geweest van Luxerabourg, kan men ook daarin zien, dat hij in
■den beginne maar een zeer kort bericht van dien slag inzendt
aan Louvois, en zeer flauwe verontschuldigingen aangeeft waarom
dat bericht niet uitvoeriger is:
t Mijnheer" — zeide hij — »ik wilde u een kleine beschrijving
inzenden van den slag die geleverd is; ik had Chamlay verzocht
die op te stellen; maar dit is, zooals gij weet, een heel ondank-
baar werk; want hij, die daarin loffelijk wordt vermeld, vindt
dat men niets meer doet dan hem recht te laten wedervaren ;
zij die naar hunne meening niet genoeg worden geprezen, duiden
dit den opsteller van de beschrijving ten kwade; wie vergeten
wordt, vergeeft dat nooit; en zijn er menschen, waarvan eigenlijk
niets valt te zeggen, dan willen zij toch dat men het een of
ander zal verzinnen. Dat alles heeft hij mij onder het oog ge-
bracht, en ik heb dat als een voldoende verontschuldiging aan-
genomen; en dat maakt, dat ik u slechts kortelijk zal zeggen
hoe de zaken zich hebben toegedragen, want ik ben niet zoo
nabij geweest als de anderen, en ik heb er veel minder deel aan
genomen dan al de Heeren Generaals" (Rousset, blz. 533 — 534).
Die redeneering van Luxembourg — of van Chamlay, toen
zooveel als zijn Chef van den Generalen Staf — is eene rede-
neering van >het jaar nul"; zij verdient geen ernstige wederleg-
ging: moesten de hier geopperde bezwaren worden geëerbiedigd,
«en opperbevelhebber zou nooit een goed verslag kunnen inzenden
van een geleverden veldslag.
Dat stilzwijgen van Luxembourg had het natuurlijke gevolg,
dat nu door anderen berichten werden ingezonden over Saint-
Denis, die niet in het voordeel waren van het legerhoofd; onder
andere werd gezegd, dat Luxembourg zich had laten verrassen,
«n nog vroolijk en wel aan het middagmaal zat, toen de engte
van Saint-Denis werd aangevallen; — vooral De Quincy moet
meegedaan hebben aan het verspreiden van die geruchten. Toen
Luxembourg dit hoort, zendt hij een uitvoerig verslag aan Lou-
vois over den slag van Saint-Denis; maar het was toen reeds
-een maand na den veldslag; en Louvois antwoordt hem dan
ook, dat hij wel dat verslag aan den Koning heeft ter hand
Digitized by
Google
324 KRIJGS- ES GSSCHICDKUMDIGE BESCHOUWINGEN.
gesteld, maar het wat te laat acht om het nog openbaar te
maken.
Het bekende: Frangais, vous iavez vaincrt^ et chanter vos con-
quète{\ is eene waarheid: elke overwinning door de Franschen
behaald, wordt door hen behoorlijk uitgebazuind; waar dat uit-
bazuinen dus niet plaats heefi^ daar kan men er ook haast zeker
van zijn dat er geen overwinning is.
Rousset zegt dat Willem III bij den slag van Saint- Denis >noch
overwinnaar noch overwonnen** is geweest; — naar onze mee-
ning veel meer het eerste dan het laatste; de Stadhouder heeft
hier geschitterd, niet alleen door uhstekende dapperheid, maar
ook door zijn beleid als veldheer, waardoor hij de helft van
Luxembourg*s legermacht van het werkelijke slagveld heeft weten
ie verwijderen.
Saint-Denis is, als wapenfeit, roemvol geweest voor Willem III; —
maar had hij, in zedelijken zin gesproken, recht om slag te leveren ?
Wat is er waar van die beschuldigingen, te dien aanzien tegen
hem ingebracht, ook door Rousset?
Ziedaar eene vraag, die zeer moeilijk is te beantwoorden, en
die op zeer uiteen loopen de wijze wordt beantwoord. De zaak is
alles behalve kristalhelder; integendeel, daarin is veel duisters;
met zekerheid kan men er niet over oordcelen; alleen naar
waarschijnlijkheid, naar zedelijke overtuiging; en dus is het zeer
natuurlijk dat hier het oordeel van den een afwijkt van het oor-
deel van den ander.
Leest men dien brief, door Willem III den i5en Augustus aan
Fagcl geschreven, dan kan men er niet aan twijfelen, of de Stad-
houder was op den dag van Saint- Denis nog geheel onkundig
van het sluiten van den vrede. Wij kennen Willem III geen
onbegrensde oprechtheid toe; . — maar hij was een godsdienstig
mensch; als hij dus iets betuigt onder aanroeping van Gods
heiligen naam, dan moet men die betuiging gelooven. Wij nemen
dus ten volle aan, dat Willem III den i4en Augustus 1678 noch
officieel noch officieus bericht had gekregen van het sluiten van
den vrede.
Maar had hij dien vrede niet kunnen en moeten voorziend
Wij meenen van ja.
Het groote struikelblok bij de Nijmeegsche onderhandelingen
was die onbillijke eisch van de Fransche gemachtigden om vol-
doening voor Zweden te verkrijgen, alvorens de vestingen in de
Nederlanden terug te geven. Toen nu de Fransche onderhande-
laars den 6en Augustus dien eisch hadden ingetrokken, toen was
dat struikelblok uit den weg geruimd, en de vrede zoo goed als
zeker. Wat er den 6en Augustus te Nijmegen was gebeurd, dat
had Willem III vóór den i4eQ Augustus kunnen en moeten
Digitized by
Google
SLAG VAN SAINT-DENIS. 325
weten ; en dat had hem moeten doen inzien, dat het leveren van
«en veldslag onder die omstandigheden een onnutte en onver-
antwoordelijke handeling was,
Den i5en Augustus, den dag na Saint-Denis, worden onder-
handelingen geopend met het Fransche legerhoofd, en ten ge-
volge daarvan houdt, weinige dagen later, de blokkade van
Mons op; — het is volstrekt geen gewaagde onderstelling om
aan te nemen, dat men tot dezelfde uitkomst zou zijn geraakt,
wanneer die onderhandelingen met Luxembourg waren begonnen
den I3en Augustus, den dag voor den veldslag; en dan waren
«enige duizenden soldaten behouden gebleven, die nu in den
veldslag van Saint-Denis zijn gesneuveld.
Hoe het komt, dat Willem III op den i4en Augustus nog geen
bericht had van den vrede die te Nijmegen op den avond van
den loen was gesloten, blijft duister; de uitlegging die daarvan
gegeven wordt, beduidt niets, is een sprookje. Dat Willem III op
het slag leveren bij Saint-Denis de goedkeuring heeft verworven
van de Staten-Generaal, is waar; maar dit beduidt minder, als
men in aanmerking neemt het groole ontzag dat de Staten-
Generaal toen koesterden voor den machtigen invloed van Wil-
lem III in de Republiek. Had het Directoire veel in te brengen
tegen Bonaparte, toen deze uit Egypte was teruggekeerd?
Wij herhalen het; dit vraagstuk is duister, en laat zeer uiteen-
loopende antwoorden toe. Willem III had het recht om slag te
leveren; maar hij had beter gedaan, geen gebruik te maken van
dat recht; hij had dat slag leveren kunnen en moeten nalaten.
In de staatkunde van de Republiek liepen toen twee tegenstrijdige
stroomingen : de vredespartij — Beverningh — die er minder om
gaf of in dat Nijmeegsche vredesverdrag wel alles uitvoerig en
nauwkeurig was vastgesteld, mits dat verdrag maar geteekend
was, en men dus stond voor een gedane zaak; de oorlogspartij
— Willem III — die, als laatste en uiterste redmiddel om den
vrede legen te gaan, tot het slag leveren bij Saint-Denis besloot.
Op die wijze, gelooven wij, kan men op de beste wijze ver-
klaren, hoe er, vier dagen na den te Nijmegen gesloten vrede,
nabij Mons nog een veldslag plaats had; er is niets wederrech-
telijks geweest in het leveren van dien veldslag, maar wel wat
onmenschelijks.
De vrede van Frankrijk met de Republiek werd spoedig ge-
volgd (17 September 1678) door den vrede van Frankrijk met
Spanje. De ratificatie van dien vrede bleef wat lang achterwege,
omdat Spanje beweerde Maastricht te moeten krijgen, dat door
Frankrijk aan de Republiek was teruggegeven ; — bij die Maas-
trichtsche kwestie hebben wij niet bijzonder eerlijk gehandeld
ten aanzien van Spanje. — Lodewijk XIV, dit morren van Spanje
Digitized by
Google
326 KRÜGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
moede, deed door zijne legermacht een dreigende beweging
maken naar de zijde van Brussel; en dit had ten gevolge dat,
den 1500 December 1678, de ratificatie plaats had.
Aan den Rijn waren in 1678 de krijgsverrichtingen tussche»
het Fransche leger, onder den maarschalk De Créqui, en het
Keizerlijke, onder den hertog van Lotharingen, minder belangrijk ;
voornamelijk was dit daaraan te wijten, dat Créqui het voorschrift
had, een veldslag of elke beslissende handeling te vermijden.
Toch beschikte het Fransche legerhoofd over eene sterke macht:
bij het begin van den veldtocht bestond die uit 26 bataljons en
92 eskadrons, — denkelijk een 35000 man; en later werd dit
leger gedurig versterkt door troepen uit de Nederlanden.
Half Mei begint het leger van den hertog van Lotharingen
zich samen te trekken op den rechter Rijnoever, tusschen Offen-
burg en Wilstett; dat van Créqui op den linkeroever om Schele-
stadt. Het Fransche legerhoofd trekt van Schelestadt naar Brisach,
op den rechter Rijnoever; en van daar naar Freyburg. Den
6en Juli doet het Fransche leger een aanval op het bruggenhoofd
van Rheinfelden, eene vesting aan den Rijn, iets boven Bazel;
het bruggenhoofd wordt stormenderhand genomen; bijna zoude
ook Rheinfelden gevallen zijn, had niet Mercy, de opperbevel-
hebber der vesting, de bruggen laten ophalen, niettegenstaande
hij daardoor eene afdeeling opofferde, onder Stahremberg, die ter
hulp van Rheinfelden was afgezonden; die afdeeling, een 5 a
6000 man, ging toen grootendeels verloren.
Créqui wendt zich daarop noordwaarts, en komt den 23sten Juli
voor Offenburg, — toen een vesting, op korten afstand van den
Rijn, bijna ter hoogte van Straatsburg. Maar de hertog van
Lotharingen heeft intijds eene sterke afdeeling afgezonden tot
steun van Offenburg; wél wordt die afdeeling op den marsch
daarheen geslagen, maar zij bereikt toch de vesting, zoodat
Créqui afziet van het beleg. De Fransche veldheer wendt zich
toen naar Kehl, het bruggenhoofd van Straatsburg; den 255160 Juli
komt hij voor dat fort; den 28sien wordt het stormenderhand
genomen, daarop geslecht, en een deel van de Rijnbrug afge-
broken. Den 2en Augustus komt het Fransche leger te Altenheim,
op den rechter Rijnoever, iets boven Straatsburg; hier gaat men
de rivier over, en het geheele leger is den 8sien Augustus weer
op den linkeroever.
Toen wordt Straatsburg door de Franschen bedreigd ; het was
toen nog een vrije rijksstad, die onzijdig heette; maar zij was
niet bij machte om die onzijdigheid te handhaven, of wel hare
sympathieën waren voor Duitschland; zij begunstigde ten minste
de handelingen van het Duitsche leger, en het Fransche had dus
Digitized by
Google
1678— 1688. 327
alle recht om haar vijandig te behandelen. Van 9 tot 11 Augustus
worden twee der buitenforten van Straatsburg, op den linkeroever
van den Rijn, aangevallen, genomen en geslecht.
De hertog van Lotharingen gaat nu, op zijn beurt, den Rijn
over, te Philipsburg; maar ook op den linkeroever voert hij
niets uit. Ook Créqui doet daar niet veel bijzonders; het bepaalt
zich tot het verwoesten van enkele steden en sterke kasteelen,
toebehoorende aan de gravin van Hanau; eene dier sterkten,
het kasteel van Lichtenberg, verdedigt zich acht dagen lang. Zoo
smeult daar de oorlog nog een poos; totdat, den 560 Februari
1679, de vrede gesloten wordt tusschen Frankrijk en den Keizer.
De oorlog tusschen Frankrijk en den keurvorst van Branden-
burg wordt voortgezet tot den zomer van 1679; en nog den
3osien Juni heeft er een gevecht plaats te Minden, bij de Wezer,
tusschen Créqui en Spaen. — Den 29sten Juni 1679 wordt de
vrede gesloten te Saint-Germain.
HOOFDSTUK XX.
1678 — 1688: VERHOUDING VAN DE REPUBLIEK TOT FRANKRIJK;
OVERWELDIGINGEN VAN DE ZIJDE VAN LODEWIJK XIV ; VER-
GEEFSCHE POGINGEN VAN WILLEM III OM DE REPUBLIEK
DAARTEGEN TE WAPENEN.
De oorlog, door den vrede van Nijmegen geëindigd, werd ge-
volgd door een tienjarig tijdvak (1678 — 1688) van vrede. Vrede?
Wel mag men hier de vraag doen, die Da Costa doet in zijn
>vijf en twintig jaar":
»werd het vrede,
omdat de damp vervloog van 't moord verspreidend kruid?
Is de oorlog — in zijn vaart — ook in zijn bron gestuit?"
en dan moet het antwoord ontkennend zijn : neen ; de bron van
den oorlog, de veroveringszucht en dwingelandij van Lodewijk XIV,
was nog altijd daar ; nog altijd bedreigde zij Europa ; zij deed meer
dan bedreigen : zij randde het aan ; en in dat tienjarig tijdvak van
zoogenaamden vrede kwam meer dan eens het wapengeweld in
werking, en dreigde meer dan eens het oorlogsvuur weer in vollen
gloed uit te barsten. Vrede? — Nu- ja, maar dan toch altijd de
> bloedige vrede" [sanglante paix) waarvan Corneille's Cinna spreekt.
Digitized by
Google
328 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Maar omdat het vrede heette, werden er aan weerszijden ge-
zanten afgevaardigd: wij kregen in Den Haag den bekwamen
d'Avaux; en naar Lodewijk XIV werd een buitengewoon ge-
zantschap afgevaardigd, bestaande uit de heeren Boreel, Dijkvelt
en Odijk. Natuurlijk is het hier de plaats niet om in bijzon-
derheden te verhalen wat die gezanten hebben uitgericht; deden
wij het, wij zouden daarbij weer overvloedige bewijzen vinden
van de hooge waarde die men toen hechtte aan alles wat staatsie
en plechtigheid was. Zoo kostte het veel moeite en verliep er
veel tijd, voordat onze gezanten bij den Franschen koning ten
gehoore werden ontvangen, omdat men het moeilijk eens kon
worden over de eerbewijzen die zij moesten ontvangen; en zoo
was er in Den Haag eens een groote oneenigheid omdat, bij een
gehoor, d'Avaux er op aandrong om door de stadhouderlijke
poort te rijden — de poort tusschen Binnenhof en Buiten-
hof — en de Staten-Generaal dit bleven weigeren. Men hechtte
toen veel aan het uiterlijke.
Had men, daarin, zoo geheel en al ongelijk ? — Men herinnere
zich wat Rousseau in zijn y^Emili'' zegt, dat de koningen zeer
verkeerd doen met het gebruik van de uiterlijke teekenen hunner
waardigheid zoo te verwaarloozen ; — en natuurlijk geldt wat hij
van de koningen zegt, voor alle machthebbenden : >maintenant
qu* on affecte d'abolir ces signes, qu* arrive-t-il de ce mépris?
Que la majesté royale s'efface de tous les coeurs, que les rois
ne se font plus obéir qu' k force de troupes, et que Ie respect
des sujets n'est que dans la crainle du ch^timent. Les rois n'ont
plus la peine de porter leur diadème, ni les grands les marques
de leurs dignités ; mais il faut avoir cent mille bras toujours prêts
pour faire exécuter leurs ordres. Quoique cela leur semble plus
beaii, peut-être, il est aisé de voir qu' a la longue eet échange
ne leur tournera pas k profit."
Rousseau heeft hierin niet geheel ongelijk: eenige plechtig-
heid, — dat kan geen kwaad; maar het moet geen ijdele
plechtigheid zijn; het moet iets wezenlijks aanduiden en verkon-
digen; het moet niet zijn, wat Van Maanen zeide van de wijze
van aanneming der grondwet van 181 4: >veel solemnia, en
weinig zaaks.'*
Het is bekend — men kan het onder anderen bij Wagenaar
vinden — dat in 1679 èn Frankrijk èn Engeland ernstige pogingen
deden om met de Republiek een traktaat van bondgenootschap
te sluiten; maar de Republiek hield zich daar wijselijk buiten,
omdat zij te recht van oordeel was, dat zulk een traktaat bin-
dend en belemmerend is, vooral voor de zwakkere partij. Ten
opzichte van die pogingen van Frankrijk om zich toen bij de
Republiek aan te sluiten, deelt Rousset bijzonderheden mede
Digitized by
Google
1678— 1688. 329
(3' deel, blz. 6 — 10), die hij gedeeltelijk ontleent aan het werk
van onzen landgenoot Grovestins, y^Hhtoire des luttes et rivalités
polittques entre les puissances maritimes et la France^ — Ziehier wat
Rousset zegt:
>In 1679 was Holland in Louvois' oogen niet raeer wat het
in 1672 was: iets wat men verachtte. De geestkracht, de* volhar-
ding, de grootheid van dit kleine volk, en de groote omvang
zijner hulpmiddelen hadden hem getroffen en achting ingeboe-
zemd. Die kooplui waren oorlogsraannen, die visschers waren
uitstekende zeehelden. Zoo ijverig als Louvois vroeger was om
hen te verderven, zoo ijverig was hij nu om hun te gemoet te
gaan. Opnieuw dat bondgenootschap ie sluiten, dat vooral door
hém was verbroken, scheen hem nu eene staatshandeling, zijn
genie waardig, en verre te verkiezen boven al zijne plannen om
zich uit te breiden gedurende den vrede. Maar, afkeerig van de
omslachtige handelingen der diplomatie, viel hij in eens met de
deur in het huis, en begon hij met de slothandeling.
De Staten-Generaal hadden toen in Frankrijk twee gezanten,
Boreel en Dijkvelt." (Rousset gewaagt niet van Odijk). »Eens,
in de maand Augustus 1679, toen Boreel een bezoek bracht aan
Louvois, kwam de Minister in den loop van het gesprek in eens
voor den dag met het voorstel van een nauw verbond tusschen
Holland en Frankrijk; en dewijl de Staten-Generaal toen juist
op een koelen voet waren met den keurvorst van Brandenburg,
die zich er over beklaagde dat zij hem waren afgevallen, en zij
bijna overhoop lagen met Spanje, dat Maastricht van hen vor-
derde, liet Louvois niet na om op de ergste wijze de zwarig-
heden te schetsen die de Republiek zich moedwillig op den
hals haalde, door voortdurend buiten ieder bijzonder verbond te
blijven met andere souvereinen. >Wat hem aanging" — voegde
hij er bij — >hij was zeker dat de Republiek niet zóó zou zijn
behandeld" (Spanje had gedreigd, de Hollandsche koopwaren in
beslag te nemen, die op de galjoenen van Amerika waren), >als
zij nauwer verbonden ware geweest met de Fransche kroon, en
daardoor had kunnen rekenen op 's Konings hulp tegen hen die
haar wilden aanranden." Boreel antwoordde niets anders dan idat
de Staten-Generaal zeer vereerd waren door die welwillendheid
van den koning van Frankrijk, en dat zij vurig wenschten dat
de vriendschappelijke verhouding in stand bleef, die sedert den
vrede bestond." Die > vurige wensch", op zoo koele wijze geuit,
om de eenvoudig vriendschappelijke verhouding te bewaren, en
niet om die door te drijven tot een eng bondgenootschap, diende
slechts om Louvois' verlangen sterker te maken. Hij ging zóó
ver van > onder vier oogen" te verklaren, dat de Koning dit
nauwe bondgenootschap wenschle, maar dat men niet kon vor-
deren dat hij daartoe de eerste stappen zou doen; hij voegde er
Digitized by
Google
330 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
bij, >dat als men van den kant der Staten voortging met zich
zoo onverschillig te betoonen, het wel zou kunnen gebeuren, dat
de Koning verbintenissen aanging met anderen die minder onver-
schillig waren ; en dat het dan zou blijken, of het ware belang
van de Republiek niet was over het hoofd gezien."
Wanhopende aan Boreel, beproefde Louvois het bij den anderen
gezant. Toen Dijkvelt, eenige dagen na die eerste samenkomst,
op zijn beurt bij Louvois kwam, begon deze dadelijk weer te
spreken over het bondgenootschap; en zeide — altijd onder
voorbehoud, dat hij hiertoe niet was gemachtigd, maar als bijzonder
persoon sprak — dat de Koning zeer genegen was om een nauwer
verbond te sluiten met de Republiek ; maar dat dit moest worden
verzocht aan Zijne Majesteit; en dat dan zijne welwillendheid
ten aanzien van den Staat zou blijken uit de voorwaarden die
hij zou inwilligen. Louvois meende, na zijn eerste onderhoud met
Boreel, te hebben te doen gehad met den flegmatieksten van alle
Hollanders; maar het bleek dat Dijkvelt de kroon spande. Toen,
in drift ontstoken, wierp de minister van Lodewijk XIV dat
masker af van trotsche terughouding en van statige afwachting,
dat bij de diplomaten van den grooten Koning haast deel uit-
maakte van costuum en etikette; en de perken van de meest
gewone voorzichtigheid overschrijdende, was hij niet alleen de
eerste die met voorstellen voor den dag kwam — een ongehoord
iets! — maar die voorstellen waren: het geheel verlaten, de
stellige verloochening van de vroegere staatkunde van Lode-
wijk XIV, het omgekeerde van de geheele Fransche staatkunde
sedert het begin der eeuw. In duidelijke bewoordingen zeide hij,
>dat dit bondgenootschap aan de Republiek een barrière zou
verschaffen, en dat daardoor de Spaansche Nederlanden nooit in
Frankrijk's macht zouden vallen; dat de Staten-Generaal alles
zouden kunnen bedingen wat zij voor hunne zekerheid konden
bedenken ; bij voorbeeld, dat de Koning zich zou verbinden om
die Nederlanden nooit meer aan te vallen; dat, in geval van
oorlog met Spanje, de Koning nooit in die gewesten vijandelijk-
heden zou plegen; en dat hij zich bij een vredesverdrag nooit,
zelfs niet de kleinste vesting, daar zou mogen doen afstaan; dat
hij even zoo nooit bezitter zou mogen worden van de Nederlanden,
noch bij ruil, noch bij vrijwilligen afstand; en dat het traktaat,
op die hoofdbepalingen berustende, zou vervallen door het over-
treden van eene daarvan; dat de Koning Spanje zou kunnen
aanvallen op een ander punt. Want" — vroeg Louvois — >wat
doet het den Staten-Generaal, of de Koning eenige veroveringen
maakt, hetzij in het Milaneesche, hetzij aan de Spaansche gren-
zen ? En onderster' — voegde de Minister er bij — >dat de
oorlog opnieuw uitbreekt tusschen den Koning en Spanje, ter
zake van het bevel aan den maarschalk De Vivonne gegeven
Digitized by
Google
1678— i6S8. 331
om de oorlogsscheï)en en galeien van Spanje de vlag te doen
strijken voor 's Konings oorlogsschepen, zal het dan in het belang
zijn van de Republiek om nogmaals in oorlog te komen met
Frankrijk?" — Van die allerzonderlingste conferentie verslag
doende aan den Prins van Oranje, voegen de HoUandsche ge-
zanten eenvoudig daarbij: >het antwoord van den heer Dijkvelt
was, in de hoofdzaak, hetzelfde als dat van den heer Boreel:
het was de vurigste wcnsch van de Staten-Generaal om de vriend-
schap aan te kweeken met den koning van Frankrijk."
(Al die bijzonderheden komen voor in een brief van den
isteü September 1679, in het Archief van het huis van Oranje,
en uitgegeven door den baron Sirtema van Grovestins in zijn
y^Histoire des luttes et rsvalités politiques entre les puissances maritimes
et la Francé*\ Tomé III, blz. 393).
Waarlijk, I-,ouvois is overgelukkig geweest van te doen te
hebben gehad met menschen, zoo zwaar van begrip, en zoo
moeilijk tot handelen te brengen. Hoe! die Hollanders hielden
den Minister niet bij zijn woord, die, onvoorzichtig en driftig,
al dadelijk aan hun land zulke verbazend gunstige voorwaarden
toestond! Hoe! Holland beijverde zich niet om die niet te ver-
wachten gelegenheid te baat te nemen'*bm voor langen tijd dat
gevaar af te wenden, dat het zelf niet kon afwenden, de zoo
gevreesde nadering van Frankrijk! Een overgroote fout; een
fout, die van Louvois evenarende, toen, zeven jaar vroeger, na
den overtocht van den Rijn, de minister van Lodewijk XIV op
ruwe wijze andere afgevaardigden van de Staten-Generaal afwees,
die, om Holland te redden, Nederland als offer nederlegden aan
zijns meesters voeten."
Of Rousset hier wel gelijk heeft ? — Wij twijfelen er sterk aan ;
wij gel 00 ven dat de hoofden van de Republiek toen zeer naïef
zouden geweest zijn, hadden zij die voorstellen van Louvois voor
goede munt aangenomen; en, welke gebreken of ondeugden men
onzen toenmaligen regenten ook moge ten laste leggen, aan over-
groote naïeveteit maakten zij zich zelden schuldig; hunne staat-
kunde deed in beleid, haast kan men zeggen in geslepenheid, niet
onder voor de fijnberekenende staatkunst van de hoofden der
Venetiaansche Republiek.
Zeker, het zou voor de Republiek een overgroot voordeel zijn
geweest als zij de zekerheid had verkregen, dat de Spaansche
Nederlanden nooit door Frankrijk zouden worden aangevallen
en nooit in Frankrijk's bezit zouden komen: wat Louvois voor-
stelde was eenigszins eene verklaring van onzijdigheid van de
Zuidelijke Nederlanden, — zooals ook thans België onzijdig is
verklaard; — maar kan men in ónze dagen al niet vast bouwen
op die onzijdigheid van België, in de dagen van Louvois betee-
Digitized by
Google
332 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
kende die onzijdigheid nog minder: Frankrijk zou er borg voor
blijven; maar wie waarborgde dit? In de voorstellen van Louvois
moet men niets anders zien dan eene poging om de Republiek
in het zog van de Fransche staatkunde te brengen en af te zon-
deren van hare bondgenooten ; was dat eenmaal gelukt, dan kon
Lodewijk XIV later gemakkelijker de Nederlanden bemachtigen;
en de belofte van de onzijdigheid der Nederlanden te eerbiedigen
behoefde geen bezwaar te zijn, want lichtelijk was er een voor-
wendsel te vinden om die belofte op zij te schuiven. De diplo-
matie is de kunst van te bedriegen.
Maar, hoe dit zij, wat Rousset vermeldt over de voorstellen
van Louvois toont duidelijk aan, dat Frankrijk in 1679 alle
vijandschap tegen de Republiek had afgelegd, en naar haar
bondgenootschap streefde; tusschen die twee was het toen bla-
kende vriendschap. Lang duurde dit niet; want spoedig zag de
Fransche regeering in, dat de Republiek te verstandig was om
zich in de netten van de staatkunde van den grooten Koning te
laten vangen; die regeering begreep spoedig, dat zij in de Repu-
bliek, en vooral in Willem III, altijd veel meer een tegenstander
dan een bondgenoot zou vinden. Lodewijk XIV meende dus dat
het zaak was om, nu men de Republiek niet kon winnen, haar
te verzwakken door verdeeldheid te zaaien; Rousset beweert,
dat het middel der omkooping, dat Frankrijk toen overal elders
met goed gevolg aanwendde, in Holland niet hielp, en dat men
daar dus maar zijn toevlucht moest nemen tot het opwekken en
aanwakkeren van partijtwisten.
>In Holland, waar de eerlijkheid even groot en even algemeen
was als de welvaart, kon men met omkoopingen niets gedaan
krijgen; en daarom streefde de bekwame Fransche diplomatie er
vooral naar om voordeel te doen met de partijtwisten. De Oranje-
partij, de militaire partij, was de zwakste; het overwicht was weer
aan den kant van de burgerij der groote handelssteden. Eigenlijk
was Lodewijk XIV het meest de militaire partij genegen; maar
de Prins van Oranje was nu eenmaal niet tot vriend te maken..."
(Rousset, 3* deel, blz. 210).
Wat Rousset hier zegt is zeer vleiend voor ons, maar het
maakt ons wel eenigszins verlegen; er is iets pijnlijks in eene
lofspraak, die men gevoelt dat niet geheel en al verdiend is.
Rousset spreekt van het Holland van 1680: »de eerlijkheid even
groot en algemeen als de welvaart"; en: »met omkoopingen
kon men niets gedaan krijgen"; — wie zal hier durven ver-
klaren: dat is geen woord te veel gezegd? 't Is waar, wij zijn
niet slechter dan anderen, beter misschien ; de groote massa van
ons volk, toen en nu, i,s eerlijk; maar toch, ook toen liep er
veel schorremorrie onder. Vele der regenten van die dagen
Digitized by
Google
1678-1688. 333
waren, zeker, te fier, te hooghartig, te veel doordrongen van
het gevoel hunner waarde en grootheid om zich te laten om-
koopen, maar van allen kan men dat toch niet zeggen. Juist
in dien tijd werden de geldelijke knoeierijen bij de admiraliteiten
ruchtbaar; knoeierijen die zulk een omvang hadden, dat men het
rechterlijk onderzoek maar niet ver uitbreidde, om niet te veel
schuldigen te vinden*, en in die Admiraliteiten hadden de aan-
zienlijksten des lands zitting; de aanzienlijksten des lands waren
dus schuldig aan den diefstal van 's lands gelden. Prijs onze
eerlijkheid niet te veel!
Het was in dien tijd (1680) dat Lodewijk XIV, om Willem III
te verbitteren, het Prinsdom van Oranje tijdelijk in bezit nam,
en dat Heinsius, te Parijs gekomen om over die wederrechtelijke
handeling te klagen, door Louvois met de Bas til Ie werd be-
dreigd. — Vroeger was het bij de Turksche sultans het gebruik,
om, als zij in oorlog kwamen met een Europeesche mogendheid,
den gezant dier mogendheid gevangen te zetten in >het Kasteel
van de zeven torens"; — zonder nog in oorlog te zijn, werd
hier met diezelfde handeling bedreigd de gezant van een be-
schaafd land, die vertoogen kwam inbrengen bij de regeering
van een ander beschaafd land. Turksche dwingelandij, geoefend
door de regeering van den Allerchristelijksten Koning!
Het tijdvak van 1678 tot 1688 wordt voor een deel geken-
merkt door de wederrechtelijke wijze waarop Lodewijk XIV
Frankrijk's grondgebied toen uitbreidde. Bij den vrede van
Nijmegen waren aan Frankrijk landstreken afgestaan, vroeger tot
het gebied behoorende van Spanje of van Duitschland; met het
bezit van die landstreken vergenoegde Lodewijk XIV zich niet;
maar hij vorderde nu ook het bezit van ander grondgebied, dat
vroeger op de eene of andere wijze onderhoorig was geweest
aan die afgestane landstreken ; om die onderhoorigheid te be-
wijzen werd een beroep gedaan op overeenkomsten, verbinte-
nissen en traktaten van eeuwen her; en over dat beroep deden
rechtbanken uitspraak — de zoogenaamde Chambres de réunion —
die, door Frankrijk's koning bijeengeroepen, geheel en al partijdig
waren, geheel en al in zijn voordeel uitspraak deden. Weigerde
dan Spanje of het Duitsche Rijk om zich aan die uitspraak te
onderwerpen, dan werd wapengeweld aangewend; zoo werd
Straatsburg (1681) wederrechtelijk in bezit genomen en bij
Frankrijk ingelijfd; dan werd Luxemburg belegerd; dan werd
Dixmude bezet; dan werd geroofd, en geplunderd, en gebrand; —
totdat de onderdrukte partij ten langen leste, om een einde aan
de zaak te maken, in de onderdrukking berustte, en in 1684
een wapenstilstand van twintig jaar sloot met Lodewijk XIV, en
het beslechten der geschilpunten zoo lang uitstelde.
Digitized by
Google
334 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
In één woord, wat Frankrijk's koning toen deed, was een werk
der duisternis, een verfoeielijke mengeling van onrecht en ge-
weld; en het is onbetwistbaar dat de Europeesche staten toen
het volste recht hadden om de wapens weer op te vatten en
Lodewijk XEV weer den oorlog aan te doen.
Maar bij staatshandelingen moet men niet alleen letten op het
recht maar ook op het belang; geen staatshandeling mag
strijdig zijn met het recht; maar al is die handeling zoo recht-
matig als het maar zijn kan, dan moet men daarvan toch afzien,
als door die handeling het belang van den Staat te veel wordt
benadeeld. De bondgenooten — de Republiek, Spanje, Duitsch-
land — hadden in het tijdvak van 1680 tot 1684 het volste
recht om Lodewijk XIV den oorlog aan te doen; was het in
hun belang om dien oorlog te beginnen?
Die vraag werd verschillend in de Republiek beantwoord, —
en de Republiek was toen de spil waarom het geheele bondge-
^ nootschap draaide — ; Willem III was voor den oorlog, Amster-
dam was daartegen; en die enkele stad gold toen zoo veel als
een mogendheid: haar gevoelen werd ontzien in Holland en in
de geheele Republiek, en zij durfde het opnemen tegen den
machtigen invloed van den grooten Stadhouder. Dit verschil van
gevoelen gaf aanleiding tot hevige twisten; vooral toen het de
vraag gold om het leger van de Republiek met een 16000 man
te versterken, ten einde de Spaansche Nederlanden te hulp te
komen die door Lodewijk XIV werden bedreigd, of aangevallen.
In hoofdzaak redeneerden de beide partijen aldus:
Willem III zeide: >wij moeten ons wapenen; wij moeten ons bij
onze bondgenooten aansluiten, en met inspanning van alle krachten
de Spaansche Nederlanden beschermen tegen de overweldigingen
van Lodewijk XIV; beter dat wij de Fransche legers bestrijden
in Vlaanderen of Braband, dan voor Dordt of voor Breda."
Het antwoord van Amsterdam was: >neen, wij moeten ons
niet wapenen; wij moeten geen oorlog beginnen, die tot niets
goeds kan leiden; onze bondgenooten zijn óf onwillig, óf onmach-
tig; wij kunnen niets rekenen op hunne hulp; wij zullen thans,
bij een kamp tegen Frankrijk, zoo goed als alleen staan; wij
zullen dus zonder eenig nut onze krachten uitputten in een
oorlog die ons niets dan onheil kan aanbrengen. Beter is het
dus, voor het oogenblik te zwichten voor den storm, voor het
oogenblik het onrecht te dulden dat de Fransche koning ons
aandoet, en gunstiger tijden af te wachten om tegen hem de
wapenen op te vatten."
Het is zoo goed als eene herhaling van de gronden, aange-
voerd voor en tegen den Nijmeegschen vrede; men kan in ge-
Digitized by
Google
1678— 1688. 335
voelen verschillen over de deugdelijkheid van die gronden;
naar ons gevoelen uitte Amsterdam hier de verstandigste mee-
ning: in 1680 — 1684 was de oorlog tegen Lodewijk XIV onraad-
zaam; want daarbij zou de Republiek zoo goed als alleen hebben
gestaan.
Spanje was gewillig genoeg, — maar Spanje was geheel onmach-
tig: het moest gesteund worden, in stede van steun te verleenen.
Op Engeland viel niet in het allerminst te rekenen: dit was
den Franschen belangen geheel toegedaan. Die waarheid werd
openlijk verkondigd door Van Beuningen, die in dien tijd was
belast geweest met eene zending in Engeland ; in wat men thans
zou noemen een »open brief" waarschuwde de Amsterdamsche
burgemeester zijne landgenooten om niet in het allerminst te
bouwen op den steun van Engeland. Die waarschuwing was niet
anders dan het openbaar maken van een onbetwistbaar feit;
maar juist dat openbaar maken was eene ergernis en een gruwel
voor de Stadhouderlijke partij, die zoo gaarne de hoop op
Engeland's bijstand bij ons levendig had willen houden. Wil-
lem III en de zijnen waren dan ook woedend op Van Beuningen,
en lieten zich op de heftigste wijze over hem uit, en het ging
zóó ver, dat men in Amsterdam den schijn aannam alsof er van
de zijde des Stadhouders een gewelddadige aanslag tegen Van
Beuningen was te vreezen. Men herinnerde zich wat, dertig jaar
vroeger, Willem II had onderstaan; wat de vader toen deed,
was ook nu te wachten van den zoon; — maar de zoon, hoe
heftig ook van aard, was verstandiger dan de vader. — Toch
liet Van Beuningen's handeling een blijvenden wrok bij den
Stadhouder achter. Men kan daarvan onder andere een blijk
vinden in het Journaal van Constantijn Huygens (den zoon),
waarin Willem III zich op ruwen en onmeêdoogenden toon over
Van Beuningen uitlaat, zelfs toen deze, door zijne krankzinnig-
heid, in een toestand van jammer en ellende was vervallen, en
dus wel ontzien had mogen worden.
Wat Duitschland aanging, daarop werkte Willem III voor-
namelijk door een zijner vertrouwden, graaf George Frederik
van Waldeck, toen veldmaarschalk bij het leger der Republiek,
dat hij in later jaren meer dan eens op het slagveld heeft aan-
gevoerd. Waldeck was in het tijdvak van 1680 — 1684 de diplo-
matieke zendeling — niet van de Staten, maar van Willem III —
in Duitschland; strikt genomen was de Stadhouder niets anders
dan een krijgsoverste en staatsdienaar van de Republiek; maar
hij gedroeg zich alsof hij haar Souverein was, door Waldeck in
die jaren uit zijn naam allerlei diplomatieke onderhandelingen te
doen aanknoopen, en allerlei verbintenissen te doen sluiten met
verschillende Duitsche vorsten. Wie daarover bijzonderheden wil
weten, raadplege het werk van Dr. P. L. Muller: IVilhelm lil
Digitized by
Google
336 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
von Oranten und Georg Frsedrich von PFaldeclC^ — eene uitmun-
tende bijdrage tot de kennis van onze geschiedenis van dien tijd.
In weerwil van de groote geestkracht en voortvarendheid van
Willem III, en in weerwil dat het Waldeck volstrekt niet ontbrak
aan bekwaamheid en aan ijver, leverden die diplomatieke onder-
handelingen in Duitschland toen toch bitter weinig op. Het was
een wanhopige onderneming om eenheid en kracht te brengen in
de buitenlandsche staatkunde van een zoo verward en omslachtig
lichaam als toenmaals het Duitsche Rijk was, een toonbeeld van
wettelijk georganiseerde regeeringloosheid ; wat de een daar wilde,
wilde de ander weer niet; ieder volgde zijn eigen inzichten, lette
alleen op zijn eigen belangen, soms alleen op zijn eigen voor-
oordeelen en kleingeestige begrippen ; en menig Duitsch minister,
menig Duitsch vorst hunkerde toen naar de gunst van Lodewijk XIV,
en nam op schaamtelooze wijze het Fransche goud aan als loon
voor bewezen of te bewijzen diensten. Volkseer, vaderlandsliefde
waren in het Duitschland van die dagen woorden zonder beteekenis.
Een van de Duitsche vorsten die de meeste macht en invloed
hadden, was toen de keurvorst van Brandenburg, Frederik Willem,
»de groote Keurvorst" — zooals hij in de geschiedenis wordt
genoemd. Die groote Keurvorst stelt men soms voor als een
man uit één stuk, als een standvastig en onvermoeid bestrijder
van Frankrijk's veroveringszucht; — die voorstelling is geheel
onjuist: hij wist de huiken naar den wind te hangen; hij hield
van wenden en la veeren ; ook van hem geldt het : y^moitié renard^
moitié loup*\ Onder zijne staatsdienaars waren er die in soldij
stonden van Frankrijk; hijzelf nam geschenken aan van Lode-
wijk XIV, en bleven die te lang weg, dan bedelde hij er om.
In i68o — 1684 was hij in zijne periode van Franschgezindheid,
en volstrekt ongenegen om deel te nemen aan eene wapening
tegen Lodewijk XIV; het groote argument van den Keurvorst
tegenover ons was hierbij: 1 waarom hebt gij te Nijmegen, tegen
mijn zini vrede gesloten ?" Een argument, dat niet met billijkheid
was aan te voeren tegen Willem III, die zich zoo krachtig had
verzet tegen den Nijmeegschen vrede.
Maar de Keizer dan, het hoofd van het Heilige Roomsche
Rijk? — Ja, de Keizer, — dat was een afgodsbeeld en niets
meer; een wezen dat men, uit sleur en gewoonte, bijna knielend
vereerde, maar dat toch werkelijk schier zonder macht of invloed
was. — Ziehier de schets die Dr. Milller (i" deel, blz. 81 — 82)
geeft, van het Keizerlijke of Oostenrijksche bewind van dien tijd :
1 Stellig was het eene, ons thans zeer wonderlijk voorkomende
vereeniging van hofbeambten, van ministers, van rijks- en Oos-
tenrijksche en andere beambten, — dit Weener hof, waar de
zonderlingste plichten en functiën onderling verbonden waren;
het had meer overeenkomst met eene Byzantijnsche of Turksche
Digitized by
Google
1678-1688. 337
hofhouding dan met de inrichting van een hedendaagschen staat
en een hedendaagsch hof. Nergens kon men dan ook zulk een
geldverspilling vinden, en tevens zulk een armoede; nergens,
zelfis niet in Nederland, was de gang der regeeringszaken trager
en ongeregelder, hoezeer te Weenen een vorst regeerde die in
zijne erflanden een schier onbeperkte macht bezat, 't Is waar,
het karakter van den vorst droeg daartoe bij. Leopold, als kind
bestemd voor den geestelijken stand en alleen door den dood
■ zijns broeders keizer geworden, had zeer veel bekwaamheden,
eene groote werkzaamheid, was zeer goedgezind en rechtschapen ;
maar het ontbrak hem geheel en al aan geestkracht, zelfver-
trouwen en vastberadenheid; zijn bijna bespottelijke trots als
hoogste vorst der Christenheid, verbonden met eene bigotterie,
die zijns grootvaders Ferdinand II nabijkomende, was een groot
en noodlottig gebrek in een Duitsch keizer, die verplicht was
Katholieken en Protestanten gelijkelijk te beschermen. Als mensch
zou hij allen lof hebben verdiend, — zijne onbeholpen en be-
spottelijke statigheid daargelaten; maar als vorst werd hij, door
die mengeling van goede en van kwade eigenschappen, afhan-
kelijk van zijne ministers, van welke achtereenvolgens Portia,
Auersperg en Lobkowitz — de laatste een krachtig hoewel des-
potisch karakter — hem jaren lang zoo goed als geheel be-
heerschten, en door hun bestuur den Keizerstaat, de dynastie
en, wat erger was, ook Duitschland aan den rand van het ver-
derf brachten . . .'*
Hoe ellendig echter die Keizerlijke regeering ook was, toch
werd zij in beweging gebracht door het bericht, dat Straatsburg
den 28sten September 1681 door de Franschen in bezit was ge-
nomen. Nu had Waldeck gunstige kansen aan het Weener hof;
en het gelukte hem dan ook om den loen Juni 1682, te Laxen-
burg — een zomerverblijf van den Oostenrijkschen keizer — een
verdrag te sluiten, dat, zoo het al geen dadelijke oorlogsver-
klaring tegen Lodewijk XIV inhield, toch eene wapening beloofde
die denkelijk tot oorlog zou leiden. Eene Duitsche legermacht
van een 70000 man zou aan den Rijn samentrekken; en voegde
men nu daarbij de Spaansche troepen en de legermacht van de
Republiek, dan zou met dit alles wel wat uit te voeren zijn ge-
weest tegen Frankrijk.
Dat zou het ook; — als die 70000 man werkelijk aan den
Rijn r/aren gekomen; maar dat is niet gebeurd: die 70000 man
hebben alleen op het papier bestaan. Een traktaat sluiten, en een
traktaat uitvoeren, zijn verschillende zaken. Dat Laxenburger ver-
drag zou een goed verdrag zijn geweest, ware het uitgevoerd
geworden; maar het bleef onuitgevoerd; het was een van die
talrijke doodgeboren kinderen der diplomatie, waar men niets
WILLEM iii. — II.
Digitized by VjOOQIC
338 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
hoegenaamd aan heeft. Want wat baat het, of men in een ver-
drag alles op de nauwkeurigste en verstandigste wijze bepaalt,
als die bepalingen toch niet worden nagekomen, als dat verdrag
toch een doode letter blijft.
De gewone traagheid en onwil van de Duitsche vorsten zouden
voldoende zijn om te verklaren, waarom dat Laxenburger verdrag
onuitgevoerd is gebleven; maar tot die niet-uitvoering hebben
nog twee andere oorzaken medegewerkt: vooreerst de reeds ver-
melde Franschgezinde houding van den keurvorst van Branden-
burg; en ten tweede de inval der Turken in Hongarije en
Oostenrijk.
Lodewijk XIV, die veel hield van schitterende handelingen,
van het yjaire grand'''' ^ bewees dat ook toen ; hij had Luxemburg
reeds laten blokkeeren; maar hij deed nu de insluiting van die
vesting weer opheffen, omdat hij geen voordeel wilde trekken
van de ongelegenheid waarin zijne tegenpartij was geraakt door
haren kamp tegen de ongeloovigen. Men kan die handeling van
den Franschen koning louter pralerij noemen : maar het was dan
toch altijd een pralerij, die gevoel van betamelijkheid bewees en
de waardigheid van den Koning verhoogde. Er is te dikwijls
kwaad van hem gezegd, om ook niet het goede te erkennen.
De Turken dringen in het voorjaar van 1683 ^^^ ^^^ sterk
leger in de Oostenrijksche erflanden, en belegeren Weenen; maar
die hoofdstad, en misschien het Duitsche Rijk, worden gered
door de overwinning, die de Christenen den i2en September 1683
op hunne vijanden behaalden ; tot die overwinning hebben voor-
namelijk de Polen medegewerkt, met hun koning Sobiesky; —
konden die dapperen voorzien met hoe snooden ondank, geen
eeuw later, die redding van het Rijk vergolden zou worden! —
Het ontzet van Weenen wendde het gevaar voor Oostenrijk's
ondergang af; maar de oorlog tegen de Turken bleef toch
inspanningen vorderen; en de Duitsche vorsten, die het nooit
ernstig gemeend hadden met het samentrekken van een leger
aan den Rijn, kwamen er toen openlijk voor uit, dat men aan
Frankrijk's eischen moest toegeven. De Keizer bewilligde in den
wapenstilstahd van twintig jaar; de staatkunde van Willem III
had, ook in Duitschland, haar doel niet bereikt.
Van hoog belang, ook als karakterstudie, is het, in het werk
van Dr. Muller de brieven te lezen, door den Stadhouder aan
Waldeck geschreven over die diplomatieke onderhandelingen
van 1680 — 1684 in Duitschland. Die brieven, in de Fransche taal
geschreven, hebben volstrekt geen litterarische waarde; — daar*^
naar streven zij ook niet; — integendeel, zij zijn slordig ge-
schreven, zóó slordig dat men dikwijls eerst na herhaalde lezing
en vergelijking de ware bedoeling van den Stadhouder kan
Digitized by
Google
1678— 1688. 339
raden ; wil men goed vertalen, dan moet men er wat van maken,
en niet letterlijk overbrengen wat er staat; en op taal- en spel-
fouten, en op gemis van leesteekens moet men niet zien. Maar
die brieven zijn in hooge mate merkwaardig, omdat zij Willem III
doen kennen. In die gemeenzame en vertrouwelijke brieven kan
men de helderheid van zijn blik, het uitstekende van zijne
geestvermogens zien, en tevens de hevige driften die in hem
woelden, het vuur dat zijn geest bezielde. — Wij geven hier enkele
proeven.
Over Van Beuningen schrijft de Stadhouder aan Waldeck
(Socstdijk 16 October 1682):
»het gedrag van den Heer Van Beuningen begint ondragelijk
te worden."
Waldeck antwoordt (Würzburg 24 October):
9 de gedragingen van den Heer Van Beuningen zijn in staat
om alles te bederven."
en iets later (30 October):
»De uitdrukkingen van den Heer Van Beuningen te Londen
doen veel kwaad.*'
Den 2en November 1682 herneemt Willem III:
> Hoewel men gelogenstraft heeft wat de Heer Van Beuningen
te Londen heeft gezegd, zoo zal toch zijn onbegrijpelijke hande-
ling ons ontwijfelbaar den oorlog berokkenen, dien hij meent af
te wenden..."
Willem III wil niets liever dan oorlog; maar de schuld van
het ontstaan van den oorlog schijnt hij toch gaarne op Van
Beuningen te willen schuiven.
Waldeck stemt weer in met den Stadhouder:
»*t Is zeker dat de Heer Van Beuningen een zeer slechten
dienst heeft bewezen aan het algemeen en aan den Staat..." *
en wat later (denkelijk December 1682) schrijft hem de Stad-
houder:
»Gij hebt uitnemend goed geantwoord op den brief van den
Heer Van Beuningen; het is onmogelijk om beter te rede-
neeren... en ik wanhoop er niet aan, om hen" (denkelijk de
bondgenooten) >het valsche te doen inzien van Van Beuningen's
redeneering; het is onbegrijpelijk dat hij zoozeer is omgekeerd
als het geval is, en dat hij zoo de dupe kon zijn betreffende
de Engelsche aangelegenheden... Zeer zeker hebben de hande-
lingen van Van Beuningen meer kwaad gedaan, en zullen meer
kwaad doen, aan dén Staat en aan de gehéele Christenheid, dan
hij ooit door zijne diensten weer zal kunnen goedmaken..."
£en kalm en onpartijdig oordeel over Van Beuningen, is dit
juist niet; dit was trouwens ook moeilijk te verwachten.
Wij laten nog eenige uittreksels volgen uit die vertrouwelijke
briefwisseling tusschen Willem III en Waldeck; men zal daarui
Digitized by
Google
340 KRIJGS- EN OKSCHIEDKUNDIGE Bt'SCHOUWlNGEN.
het heftige en driftige karakter leeren kennen van den man, die
men, ten onrechte, soms voorstelt als koel en zonder hartstocht.
De wapenstilstand van twintig jaar, door Frankrijk voorge-
slagen, vindt in Holland bijval; en men wil daar ook Spanje
daartoe overhalen. Den isteo Mei 1684 schrijft Willem III daar-
over, uit Den Haag, aan Waldeck:
iHet doet mij zeer leed u te moeten melden, dat de zaken
hier met den dag erger worden, — en dat vrees en kwaadwil-
ligheid het overwicht hebben op het verstand. Zooals ik u in
mijn vorigen meldde, zie ik de mogelijkheid niet in, dezen men-
schen te beletten van aan de Spanjaarden den raad te geven
om den wapenstilstand aan te nemen, zoo als zij dien kunnen
erlangen . . ."
En, den 8sten Mei 1684, ook uit Den Haag:
>Zoo als ik u in mijn vorige brieven heb geschreven, zijn de
zaken hier tot een uiterste gekomen; men heeft aan de Span-
jaarden den raad gegeven, den wapenstilstand aan te nemen,
zoo als Frankrijk dien vroeger heeft voorgesteld; en toen gis-
teren de Gedeputeerden van de Staten hiervan kennis zijn gaan
geven aan den Franschen gezant, heeft hij gezegd, dat hij niet
wist of zijn Koning zich nog hield aan dat voorstel, maar dat
hij een stellig antwoord verlangde op zijne memorie betreffende
Luxemburg. Ik weet niet welk besluit men dienaangaande zal
nemen, maar ik hoop bij machte te zullen zijn om een ongunstig
besluit te beletten; maar, het is de duivel, Luxemburg zal aan-
gevallen worden, of is misschien al aangevallen. Ën ik twijfel er
sterk aan, dat gij spoedig genoeg ter hulp kunt oprukken, en
gij weet dat wij, alleen, daartoe niet sterk genoeg zullen wezen.
Het is een vloek van den Hemel, dat onze menschen zoo kwaad-
willig zijn, en anderen zoo blind van niet in te zien hoe Frankrijk
niets anders doet dan ons paaien. Maar wil de goede God ons
verderf, wij hebben het wel verdiend en moeten daarin be-
rusten . . ."
Waldeck antwoordt op denzelfden toon (München 16 Mei 1684):
> zeker, de zaken staan slecht, dank zij den Heeren van Am-
sterdam ;"
en wat later (Neurenberg 16 Juni 1684):
f Het is verschrikkelijk als men ziet dat de menschen in Den
Haag zoo verblind zijn, van zich van alle zijden te laten aan-
randen ; maar ik vrees dat het nog iets anders is dan verblinding."
Een zeer leelijke insinuatie; het is niets anders dan eene be-
dekte beschuldiging van omkooping en verraad tegen de Hol-
landsche oppositie.
Spanje gaat eenigszins onberaden te werk; — en in Duitsch-
Digitized by
Google
1678—1688. 341
land verklaart ook de hertog van Hannover, dat hij ongezind is
voor de wapening tegen Frankrijk; dit doet Willem III weer in
felle drift ontsteken, — zooals blijkt uit den brief, den 3en Juni
1684 uit Den Haag aan Waldeck geschreven:
...•Verwonderen doet het mij niet, dat gij overal op bezwaren
stuit; de handelingen der Spanjaarden en van de kwalijkge-
zinden bij ons dragen niet weinig daartoe bij. Het is ook geen
wonder dat de Markies De Grana" (toen landvoogd over de
Spaansche Nederlanden) lom hulp roept; want waarlijk, hij heeft
die wel noodig; maar omdat hem dat niet kan baten, en integen-
deel veel kwaad doen, moest hij zich daarin wat matigen. Ik
weet niet waar men wisser werkt aan hunnen ondergang, en dus
aan dien van ons allen, te Madrid of te Amsterdam, — maar
uit zeer uiteenloopende beginselen. Het afschrift dat gij mij ge-
zonden hebt van den brief van den hertog van Hannover is
afschuwelijk (horriblé) ; zal die vorst thans onze zaak verlaten, nu
het er op aankomt dat hij de meeste standvastigheid moet be-
toonen! Het zou een doodsteek zijn; en door alle mogelijke
middelen moet gij trachten dat hij dit niet doet... In één woord,
gij moet alles aanwenden wat gij kunt om hem aan onze zijde
te houden; want verliezen wij hem, dan is dit in den tegen-
woordigen staat van zaken de ergste ramp die ons kan over-
komen. Ik bid u, peins op alles wat maar dienen kan om zulk
een ramp te voorkomen. Dat de werving door zal gaan, in spijt
van Amsterdam, heb ik u reeds zoo vaak geschreven, dat ik het
haast niet meer durf doen; toch heb ik wel hoop dat de zaak
deze week tot stand komt. Ik ben uiterst verlangend u hier te
zien, ten einde gij getuige kunt zijn van wat ik doe en wat ik
lijde..."
Willem III wil zijn uiterste pogingen aanwenden om het door
de Franschen belegerde Luxemburg te ontzetten; maar daartoe
is de hulp van een Duitsch leger noodig ; en de Stadhouder
spoort dan ook gedurig Waldeck aan, geen moeite te ontzien
ten einde de Duitsche vorsten te bewegen om hunne troepen
naar den Rijn te doen oprukken. Waldeck ontziet dan ook geen
moeite; „// se demétie comme Ie diable dam un bénitier*''^ zou een
Franschman zeggen; maar het helpt niets. Met onwillige honden
is slecht hazen vangen. Stellen zich enkele Duitsche troepen in
beweging, dan is dit laat en traag en met looden schoenen: den
7 en Juni 1684 geeft de vesting Luxemburg zich aan de Fran-
schen over; en pas den i6en Juni 1684 schrijft Waldeck tdat
de Duitsche troepen oprukken naar Donauwerth"; — en Donau-
werth is nog al op een tamelijken afstand van den Rijn! Al
meer en meer kwam het uit, dat de medewerking van een
Duitsche legermacht als een hersenschimmig denkbeeld moest
WILLEM III. — II. 22*
Digitized by
Google
342 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
worden beschouwd: de officieren van de Frankische troepen
ontvingen in het geheim bevel om niet te gehoorzamen als men
hen buiten den Frankischen Kreits wilde brengen; en bij de
Duitschers begon het gevoelen veld te winnen, dat Willem III
bij zijne onderhandelingen in Duitschland geheel op eigen gezag
te werk ging en t zonder voorkennis van de Staten"; — dat ge-
voelen kwam nog al tamelijk overeen met de waarheid.
Is Luxemburg al gevallen, niettemin spoort Willem III Waldeck
aan om de Duitsche troepen naar den Rijn te doen oprukken.
Maar daar komt het bericht, dat de Keizer den wapenstilstand
heeft aangenomen, dien Frankrijk aanbood ; dat bericht doet den
Stadhouder in drift ontvlammen, en op hartstochtelijken toon
schrijft hij, den i2en Juni 1684, uit Vilvoorden, aan Waldeck:
tZiet toch in Gods naam eens aan, wat ramp! Hoe is het
mogelijk zulk een gewichtig en ontijdig besluit te nemen! Het
is om gek te worden, als men er aan denkt! Dat ontbrak er
maar aan, om onze menschen in Den Haag nog dwazer te
maken dan zij het reeds zijn; en gij kunt denken welke besluiten
zij zullen nemen als zij dat hooren. Kortom, het schijnt dat de
goede God ons wil kastijden; wij moeten daarin berusten; gij
en ik, wij zullen niet weinig hebben te lijden en zeer slecht be-
loond worden voor al onze zorg en moeite. Is het God 's wil,
dan kunnen wij niet anders dan ons daaraan onderwerpen; wij
hebben dan dien troost, dat wij alles gedaan hebben wat wij
vermochten, voor het welzijn van uw vaderland en van het mijne.
Wat mij ter wereld ook overkome, mijn leven lang blijf ik u ver-
bonden; maar tot mijn groot leedwezen ben ik thans niet in
staat om u van dienst te kunnen zijn."
t Waarlijk" — zoo antwoordt Waldeck den 2osien Juni 1684
uit Neurenberg — t waarlijk. Monseigneur, wij beiden zijn er
ongelukkig aan toe. Uwe Hoogheid offert alles op voor het
algemeen belang, en ik ben van top tot teen een bedorven
man; voor u, hoop ik, zullen er nog wel hulpmiddelen over-
blijven; maar wat mij aangaat.^ ik zie geen kans om mij staande
te houden."
Acht dagen later — Neurenberg 27 Juni 1684 — luidt het:
tik wanhoop er nog niet aan, het algemeen belang van dienst
te zijn; ik doe mijn best, en verdraag geduldig wat mij over-
komt. Had ik twintig duizend rijksdaalders in mijn bezit gehad,
om die aan een aantal menschen te geven, dan was ik reeds
lang aan den Rijn; heeft men eens de meesters gewonnen, dan
volstaat eene kleinigheid bij hunne dienaars, die anders op zijde-
lingsche wijze de zaken dwarsbooroen en vertragen."
Die aanmerking van Waldeck geeft een denkbeeld van de
omkoopbaarheid van de toenmalige Duitsche staatsdienaars, of
beambten.
Digitized by
Google
1678— 1688. 343
Waldeck doet nog zijn uiterste best, om de wapeningen in
Duitschland in stand te houden; maar eindelijk geeft hij den
moed geheel op, en wanhopig schrijft hij den 24sten Juli 1684:
»ik verdedig alles zoo goed ik kan; maar waarachtig, daar is
nergens meer op te bouwen." — In Duitschland, evenzeer als
in de Nederlanden, heeft de staatkunde van Willem III toen de
nederlaag geleden.
Dit tijdvak van onze geschiedenis, van 1680 — 1684, doet ons
in Willem III het verhevene schouwspel zien, van een groot man
worstelende tegen het zegevierende geweld.
Geenszins willen wij echter beweren, dat Willem III recht had
om te doen wat hij toen gedaan heeft; integendeel, wij zijn van
meening dat hij toen, bij de onderhandelingen in Duitschland,
zijn macht en bevoegdheid heeft overschreden. Maar men zon-
digde toen zoowel aan de eene als aan de andere zijde; men
kwam aan weerszijden op dwaalwegen, die bij staatstwisten zoo
moeilijk zijn te vermijden; en, handelde Willem III onwettig in
zijn ijver voor den oorlog, Amsterdam vergat zich evenzeer in
zijn ijver voor den vrede, toen het geheime onderhandelingen
aanknoopte met d'Avaux, den Franschen gezant. Die stap van
Amsterdam werd zeer hoog opgenomen door de tegenpartij:
men sprak van staats ver raad; men nam de papieren in beslag
van de Amsterdamsche afgevaardigden; het had den schijn alsof
men een crimineele vervolging tegen hen wilde beginnen; —
maar men had te doen met een machtig tegenstander, die zich
niet spoedig vrees liet aanjagen ; Amsterdam antwoordde op zeer
hoogen toon, en viel van zijne zijde aan; en gegrond was de
bewering van de regenten dier stad, toen zij zeiden : 1 z ij hadden
alleen eenige gesprekken gevoerd met een vreemden gezant, zij,
de vertegenwoordigers van een souvereine stad; maar de Prins,
die niets was dan een dienaar van den Staat, had zich veel
verder ingelaten met verschillende vorsten, en dat zonder mach-
tiging, zelfs zonder voorkennis van de Staten." De machtige stad
trad zegevierend uit dit geschil; hare staatkunde behield de
bovenhand; het oorlogsgevaar dreef af, de vrede met Frankrijk
bleef bewaard.
Mommsen, in zijne Romeinsche geschiedenis, vergelijkt de ver-
houding van den Senaat van Karthago tot de groote mannen
uit het geslacht Barkas, met de verhouding van onze Staten-
Oeneraal tot de Prinsen van Oranje, de Stadhouders. Die ver-
gelijking — die trouwens ook slechts vluchtig en in het voorbij-
gaan wordt gemaakt — gaat wel wat mank; maar, wil men haar
als juist en waar aannemen, dan dient men ook aan te nemen,
dat de Karthaagsche senaat wel eens gelijk heeft gehad tegenover
Hamilkar en Hannibal.
Digitized by
Google
344 KRIJGS- EN GESCHIEDiCUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Toen vooral is de grootheid van Willem III als staatsman en
regent gebleken. Met alle inspanning van krachten, met de
uiterste drift en hartstocht had hij de oorlogzuchtige staatkunde
voorgestaan, en daarbij zelfs niet teruggedeinsd voor overschrijding
van macht, voor onwettige handelingen ; die staatkunde had eene
geheele nederlaag geleden ; — zou het dan wonder zijn geweest,
als hij, door die nederlaag ontmoedigd, zich aan de leiding der
openbare zaken had onttrokken; of in zijne verbittering ten
minste een langdurigen wrok jegens de tegenpartij was. blijven
koesteren ? — Niets van dit alles bij Willem III : zijne staatkunde
heeft nu de nederlaag geleden; maar, verre dat de stadhouder
daardoor ontmoedigd wordt, knoopt hij al dadelijk nieuwe ver-
bintenissen aan om Frankrijk's heerschzucht te bestrijden; er is
in hem een ongeloofelij kc veerkracht; — ook verstand: hij liet
zich niet leiden door zijne driften en hartstochten; hij zag in,
dat de vijandschap van Amsterdam hem machteloos maakte, en
dat het volstrekt noodig was, zich met die stad te verzoenen;
de Amsterdamsche regenten begrepen dit evenzeer; reeds in
Augustus 1684 is er toenadering merkbaar; en spoedig zijn die
twee mogendheden het weer eens. Dat die eendracht tusschen
Willem III en Amsterdam heilrijk was voor het algemeen belang
is onbetwistbaar ; want zonder die eendracht zou de onderneming
van 1688, de bevrijding van Engeland, eene onmogelijkheid zijn
geweest.
Dit tijdvak van 1680 — 1684 leert, evenals zooveel andere tijd-
vakken van onze vroegere geschiedenis, hoe in onze Republiek
de vraag: welke macht is aan eene magistratuur verbonden?
eigenlijk neerkomt op die andere vraag: wie is met die magis-
tratuur bekleed f — Bij ons tegenwoordig staatswezen is de
rechtsmacht van ieder ambtenaar, of van ieder collegie, vrij
duidelijk omschreven; men weet: dat is de macht van den
Koning; dat behoort tot de bevoegdheid van de Staten-Gene-
raal: dat weer is het werk van de ministers, of van den Raad
van State enz. ; de grondwet omschrijft ieders bevoegdheid. Maar
met onze Republiek was het geheel anders; daar was de grond-
wet de Unie van Utrecht, en die was zoo helder en klaar
als waterchocold ; van die grondwet kon men alles maken, —
en men maakte er dan ook alles van: een regent had meer of
minder macht, naarmate hij meer of minder eerzucht en be-
kwaamheid had. Een raadpensionaris van Holland had, strikt
genomen, niet zulk een overwegend gezag; maar als die raad-
pensionaris Oldenbarneveld was, of De Witt, dan was hij het
hoofd van de Republiek. Een stadhouder als Willem V bezit
een geheel onbeduidend gezag; maar is die stadhouder een
Willem III, dan is dat gezag zóó groot, zóó uitgebreid, dat men
Digitized by
Google
1678—1688. 345
hem, zijne officieele titels omzettende, niet ten onrechte genoemd
heeft: Stadhouder van Engeland en Koning van Hol-
land. De Fransche spreuk „/^«r vaut rhomme^ tant vaut rimti-
tutiorr is meestal waar; maar die waarheid blijkt nooit zoo dui-
delijk als wanneer men de staatkundige geschiedenis raadpleegt
van onze vroegere Republiek.
Over het geheel moet de geschiedenis voornamelijk acht geven
op de bekwaamheden en het karakter van de roenschen, die
handelend optreden in den loop der groote gebeurtenissen.
Er bestaat soms eene neiging om zich den loop der geschie-
denis van volken en staten voor te stellen als gebonden aan
vaste, onveranderlijke wetten, die even onvermijdelijk zijn als de
natuurwetten waardoor de geregelde afwisseling van dag en nacht,
van zomer en winter plaats heeft. De wijsbegeerte der geschie-
denis — zooals zij zich genoemd heeft — streeft er naar, uit den
loop der wereldgebeurtenissen de wetten af te leiden, die de
wording, de ontwikkeling, het verval en den ondergang van vol-
ken en staten beheerschen; zij tracht aan te toonen, dat die
wereldgebeurtenissen zóó moesten plaats hebben, niet anders
mogelijk waren; zij leidt daardoor noodwendig tot een ont-
zenuwend fatalisme, tot eene geheele ontkenning van 's menschen
vrijen wil. Dit is eene onvruchtbare en ijdele beschouwing van
de geschiedenis: die vaste geschiedkundige wetten worden te
vaak weersproken door de latere gebeurtenissen; en om die
wetten in de feiten van het verledcne te vinden, moet men er
niet tegen opzien om die feiten dikwijls op de meest willekeurige
wijze voor te stellen en de groepeeren; doet men dit, dan is het
niet moeilijk om in de geschiedenis alles te vinden wat men er in
vinden wil. y^La philosophie de rhistoire'' — heeft een Fransch
schrijver gezegd — ^c*est Vart de prédire Ie passé''''. Is men veel
gevorderd met zulk een uitkomst?
Onder God*s leiding wordt de loop der geschiedenis bepaald
door de werking der menschen; waren die menschen niet zóó
geweest, het lot van staten en volkeren zou geheel anders zijn
geworden. Denk Willem den eerste en Oldenbarneveld weg, en
gij twijfelt aan de mogelijkheid van het ontstaan van de Repu-
bliek der Vereenigde Nederlanden; zou zonder Willem III,
Europa in de zeventiende eeuw niet onder de Fransche qyer-
heersching zijn vervallen; en — om ons tot den dag van heden
te bepalen — gelooft men dat, zonder Bismarck, het Duitsche
Keizerrijk tot stand zou zijn gekomen? — Zoo kan men een
oneindig aantal voorbeelden aanhalen, om te bewijzen, dat de
groote geschiedkundige feiten haar aanzijn niet te danken hebben
aan vaste onveranderlijke wetten, maar wel aan de werking van
de mannen die als leiders van het algemeen zijn opgetreden.
Daarom ook is karakterstudie, karakterschildering voor den
Digitized by
Google
346 KRIJGS- EN (JESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
geschiedschrijver eene hoofdzaak. Wil noen leven in een tijdperk^
wil men weten wat er toen is gebeurd, dan moet men eene dui-
delijke en heldere voorstelling hebben van de mannen die toen
handelend zijn opgetreden. En dit geldt niet alleen van de vor-
sten en grooten, van de legerhoofden en staatsdienaars; ook zij
die in kleineren kring zijn werkzaam geweest moet men leeren
kennen ; want ook hun werken is soms van overwegenden invloed
geweest op den gang van het geheel. Herinner u de zoo ware
woorden van een groot geschiedschrijver; herinner u wat Hooft,
in het zesde boek van zijne t Nederlandsche Historiën" zegt:
>*t Zal mij niet onverwacht voorkoomen, indien zommighen,
oordeelende den plicht der historiën geleeghen in 't ontvouwen
van de hooftpunten der zaaken, zonder des leezers aandacht met
het verreekenen van geringe en tussenloopende beweeghenissen te
misbruyken, naauwlijx in 't goede neemen, dat ik, knoopende
't begin, midde en eyndt der poorterlijke ontsteltenissen aan een,
zelfs niet laat verscheyde kleenachtbaare persoonen, met naam
en toenaam, in 't spel te brengen. Maar, die de dingen der
doorluchtighe volken beschreeven hebben, 't bedrijf der welke
voorneemelijk aan krijsstandt hing, waanden nooyt te misdoen,
met stukwijs vertellen van muyterijen en onlusten, gereezen onder
't volk van oorloghe, en bij wijlen onder de gemeente; nochte
met melden van de besteekers en voortdrijvers, van hoe verwer-
pelijk een oorspronk ook, en slecht van doen, dat zij waaren."
EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.
Digitized by
Google
Digitized by
Google
Digitized by
Google
KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN
OVER WILLEM DEN DERDE.
Digitized by
Google
Digitized by VjOOQIC
Krijgs- en Geschiedkundige
Beschouwingen
OVER
WILLEM DEN DERDE
DERDE DEEL (1688- 1697)
DOOR
W. J. KNOOP
in leven Luitenant-Generaal v. h. Nederl. Leger
de jonge vorst, uit d'eelsten stam gesproten,
zweert d'eed van Hannibal voor *t oog der oppennagt:
„help God dat ik 's volks ketens slakel
'K zweer Frankrijk onuitrocibre wrake;
breek ik mijn eed, dat mij dan 't voorgeslacht verzake,
mij uit baar kreits verstoote, en 'tnakroosr mij veracht,
gelijk een vreemde slaaf, in schande voongebragt."
Gij weet het Lodewijk, heeft hij zijn eed betracht?
Hklmers.
SCHIEDAM
H. A. M. ROELANTS
1895
Digitized by
Google
Digitized by VjOOQIC
INHOUD VAN HET DERDE EN
LAATSTE DEEL.
HOOFDSTUK XXI.
Engelsche staatsomwenteling van 1688; Philipsburg; — 1689.
verwoesting van de Paltz; krijgsverrichtingen in de Neder-
landen ; VValcourt (25 Augustus) ; operaiiën in Kleefsland ; Bonn ;
Mainz; krijgsverrichtingen in Schotland; in Ierland. Bladz. i
Omwenieling van 1688 in Grooi-Brittanje. — Oorzaken: dwingelandij
der Stuarts; bekwame staatkuude van Willem III; strijdkrachten van
Willem IIÏ bij de onderneming van 1688; Amsterdam in 1688; de
rcfugics\ korl/ichiigheid van Jakobus II; erfopvolging van Keulen. —
Tocht naar Engeland (Ociober en November 1688),
Over Frankrijk's handelingen in 1688.
Tweede verwoesting van de Paltz. — Veldtocht van 1689 iu de
Nederlanden. — Gevecht bij Walcourt (25 Augustus). — Opmerking. —
Over de samenstelling van het leger der bondgenoolen. — Willem III
over het legerbeheer in 1689. — Over de Gedeputeerden te velde. —
Oordeel van Willem ÏII over Waldeck. — Opmerking.
Krijgsverrichtingen van 1689 in Duiischland. — Operatiën in Kleefs-
land. — Aylva. — Gevecht bij Neuss (12 Maart 1689). — Beleg van
Bonn (begin Juli — 12 October 1689). — Beleg van Maiuz (6 Juli— 9
September 1689). — Over de Fransche hospitalen.
Italië in 1689.
Schotland. — Ierland. — Jakobus I[. in Ierland (17 Maart 1689). —
Londonderry (half April— einde Juli 1689). — Schomberg in Ierland
(Augustus 1689),
HOOFDSTUK XXII.
1690; Fleurus; Beachy-Head (Bevesier); Ierland . . Bladz. t^Z
Het Fransche leger in 1690; werving. — Vergiftigingen in Frank-
rijk (1678- 1680). — Luxembourg te Deynse (20 Mei — 16 Juni); naar
de Sambre (21 Juni). — Fleurus. — Luxembourg trekt de Sambre
over (29 Junij. — Cavaleriegevecht (30 Juni). — Slag van Fleuius
(i Juli 1690); verliezen; beoordeeling van de handelingen der beide
Digitized by
Google
partijen. — Brief van Willem III. — De Staten-Generaal over Fleurus. —
De slag van Fleurus zonder gevolgen.
Zeeslag van Bevesier, of Beachy-Head (lo Juli 1690). — Opmer-
king. — Oordeel van den Engelschen krijgsraad over Torrington. —
Krijgsmacht naar Zeeland.
Ierland in 1690. — Versterking uit Frankrijk. — Lauzun. — I^ger
van Willem III in Ierland. — Inneming van Charlemont (24 Mei). —
Opmarsch van Willem III naar de Boyne (29 Juni — 9 Juli). — Slag
aan de Boyne (11 Juli 1690); verliezen — Overgave van Drogheda
(12 Juli 1690). — Opmerking. — Gerucht van het sneuvelen van Wil-
lem III. — Dublin bezet (13 Juli). — Onrust in Engeland. — Willem III
trekt naar Munster — Overgave van Waterford (3 Augustus). — Wil-
lem III trekt naar Connaught. — Beleg van Limrick (19 Augustus —
10 September). — Ginckel opperbevelhebber. — Inneming van Cork
(9 Ociober)5 en van Kinsale (27 Ociober).
Verdere krijgs verrichtingen in de Nederlanden.
Werkeloo:>heid aan den Kijn, in 1690
Italië: slag van Staffarde (18 Augustus 1690).
HOOFDSTUK XXIII.
1691; Ierland; Mons; verdere krijgsverrichtingen in de Neder-
landen; dood van Louvois; Leuze Bladz. 78
Uitbreiding van het Fransche leger in 1691. — De werving in Frank-
rijk. — Buitengewoon oorlogsfonds.
Het leger in Grooi-Briiianje in 1691.
Veldlocht van 1691 in Ierland. — Toestand der Jakobieten in Ier-
land in 1691. — Ginckel's leger. — Militaire waarde en aanvoering
der beide legers. — Ginckel trekt naar Connaught (Juni 1691). —
Beleg van Ballimore (17 — 18 Juui). — Beleg van Alhlone (einde Juni —
10 Juli). — Werkeloosheid van Saiut-Ruth. — vSlag van Agrim (22 Juli
1691) — Dood van Saint-Ruth. — Beleg van Galway (29 Juli — 4 Augus-
tus). — Overgave van Sligo (25 September). — Beleg van Limrick
(5 September — 14 October). — Emigratie van lersche Jakobieten.
Willem lil in Holland (begin van 1691). — Beleg van Mons (15
Maart — 10 April): volgens de Hollandsche opgaven. — Voornemen van
Willem III om Mons te ontzetten. — De legers gaan uiteen (April). —
Beleg van Mons, volgens Rousset. — Misnoegen van Lodewijk XIV
tegen Louvois. — Indeeling van de Fransche legers. — Ondernemingen
der Franschen: tegen Halle (29 — 30 Mei); tegen Luik (2-7 Juni). —
Opmerking. — Wreede voorschriften van Louvois. — Werkeloosheid in
de Nederlanden.
Dood van Louvois (16 Juli 1691).
De krijgskunst van de 17e eeuw: de voorname oorzaak van de wei-
nige werkdadigheid der legers. — De legerhoofden in 1691. — Getal-
sterkte van de beide partijen. — Militaire waarde der troepen. — Be-
wegingen van Willem III en van Luxembourg, naar de zijde van Dinant
en Philippeville (14 — 22 Julf). — Beaumont door de bondgenooten be-
zet (22 Juli — 22 Augustus). — Marsch van Flemming naar het hoofd-
leger (2—10 Augustus). — Marsch van de beide partijen op Beaumont
(7 Augustus). — Verwachting van een veldslag (10 Augustus). — Marsch
van Willem III op Saint-Gerard (23 Augustus). — De beide legers weer
op den linkeroever van de Sambre (4 September). — Operatiën van de
Digitized by
Google
INHOUD. VII
Brandenburgsche troepen (September). — Bedreiging van de Fransche
liniën in Vlaanderen (Augasius). — De legers bij de Dender en de
Schelde (6-17 September). — Waldeck opperbevelhebber (17 Septem-
ber). — Gevecht bij Leuze (19 September). — Einde van den veldtocht
(half October).
HOOFDSTUK XXIV.
1692; La Hogue; Namen Bladz. 122
Oorlogsplannen van Lodewijk XIV voor 1692. — Veranderde ge-
zindheid in Engeland, ten aanzien van Jakobus II. — Aanslag op het
leven van Willem III. — Toerustingen tot eene landing in Engeland. —
Maatregelen van verdediging in Engeland. — Slag van I^a Hogue
(29 Mei; 2 Juni).
Desertie van den Spaanschen commandant van Namen (Maart 1692). —
De vesting Namen; hare bezetting; hare bewapening en uitrusting. —
Frankrijk*s legermacht in 1692. — Legermacht in de Nederlanden. —
Leeftocht en krijgs voorraad. — Vertrek van Lodewijk XIV naar het
leger (17 Mei). — Wapenschouwing (21 Mei). — Opmarsch van de
Fransche legers (23—25 Mei). — Berenning van Namen (25 Mei);
insluiting (26 — 29 Mei). — Aanvalsplan, — Opening van de loopgraven
(29—30 Mei). — - Overgave van de stad (6 Juni). — Opmerking.
Samentrekking van het leger van Willem III (half Mei tot 6 Juni). —
Opmarsch van Willem III (28 Mei— 8 Juni). — Marsch van Luxem-
bourg naar de Méhaigne (4—8 Juni). — Waarschijnlijl<heid van een
veldslag. — Voornemen van Willem III om, 9 Juni, slng ie leveren. —
Hooge waterstand van de Méhaigne. — Opmerking over het »dagboek
van Huygens". — Willem III ziel af van het overtrekken der Mé-
haigne. — Opmerking. — Terreinbeschrijving. — Stelling der beide
legers bij de Méhaigne. — Opmerkingen. — Onderneming van Tser-
claes (14 — 15 Juni). — Bewegingen van de beide legers ( 17— 30 Juni).
Beleg van het kasteel van Namen. — Insluiting (7 Juni). — Opening
van de loopgraven (8 — 9 Juni). — Bestorming van La Casotte (13 Juni). —
Fort Koning Willem; bezetting. — Beleg van fort Koning Willem (13 —
23 Juni). — Opmerking. — Aanval op Terra Nova (23 — 30 Juni). —
Overgave van het kasteel van Namen (i Juli).
Beschouwingen over hel beleg van Namen. — De Fransche leger-
hoofden: Luxembourg; Vauban. — De bondgenooten. — De verdedi-
ging van Namen. — Willem IH.
HOOFDSTUK XXV.
1692; Steenkerke Bla^dz. 168
Vertrek van Lodewijk XIV uit het leger (3 Juli). — Sterkte van
Luxembourg*s legers. — Sterkte van het leger van Willem III. — Marsch
van Luxembourg van de Sambre op Soignies (2 — 10 Juli). — Bezorgd-
heid voor een beleg van Namen, door de bondgenooten; voor eene
onderneming op Duinkerken, of Calais; voor een aanval op de liniën
van Vlaanderen. — Marsch van Willem III op Lembeek (31 Juli —
I Augustus); en van Luxembourg op Steenkerke (1 Augustus). — Voor-
nemen van Willem III om slag te leveren: redenen daarvoor. — Een
Fransche spion ontdekt. — Terreinbeschrijving. — Stellingen van de
wederzijdsche legers op 2 Augustus. — Sterkte van Luxembourg's leger
Digitized by
Google
VIII INHOUD.
op het slagveld. — Beschikkingen vaa Willem III tot den aanval. —
Opmerking. — Slag van Steenkerke (3 Augustus); opmarsch van de
bondgenooten. — Aanvankelijke werkeloosheid van Luxembourg; latere
werkdadigheid. — Bestorming van den heuvel door Wurtemberg en
Fagel. — Aanvankelijke voordeelen. — Wegblijven van de colonne
Mackay. — Opmerking. — Hememing van den heuvel door de Fransche
en Zwitsersche gardes. — Vruchtelooze aanvallen van de bondgenooten
om den heuvel te hernemen. — Komst van Boufflers. — Aanvallende
handelingen van de Franschen. — Teragtocht van Willem II f, — Ver-
liezen. — Beschouwingen over den slag bij Steenkerke. — Luxembourg
en het Fransche leger. — Willem III en de Hollandsche infanterie. —
Voornaamste bronnen voor de kennis van den sing van Steenkerke:
Dijkvelt; Huygens; Luxembourg.
Latere krijgsverrichlingen van 1692. — Onderneming ter zee (Augus-
tus 1692). — Marsch van Luxembourg van Enghien op Lessines(ii —
15 Augustus). — Marsch van Willem III van Halie op Ninove (19 —
20 Augustus) — Marsch van beide legers naar Schelde en Lijs (26 —
29 Augustus). — Veurne en Dixmude door de bondgenooten bezet (be-
gin van September). — Willem III naar Holland (26 September). —
Gevecht bij Séclin (27 Augustus). — Cavalerie-gcvecht in het Luxem-
burgsche (10 September). — Marsch van Boufflers van Kortrijk naar
Namen (3 — 9 September), — Aanslag op Chailerui (17 — 21 October). —
Veurne en Dixmude door Boufflers hernomen (28 December 1692 —
6 Jaimari 1693). — Demonstratie legen Hoey (26 — 28 December). —
Opmerking.
Dood van Waldeck (19 November 1692).
HOOFDSTUK XXVI.
1693; Neerwinden Bladz. 205
De oorlog nog altijd zonder iets beslissends. — Frankrijk's krijgs-
toeiustingen. — Maarschalken van Frankrijk. — Fransche legers in
1693. — lagers in de Nederlanden. — Opmarsch van Boufffers en
Luxembourg (einde Mei). — Vertrek van Lodewijk XIV naar het leger. —
Het leger van Willem 111. — Marsch van de PVansche legers naar de
zijde van Luikerland (2 — 7 Juni) — Willem III bij Leuven (5 Juni). —
Lodewijk XIV deinst terug voor een. veldslag. — Inneming van Hei-
delberg door De Lorge (22 Mei). — Kiijgsraad in hel Fransche leger
te Gemblours. — Lodewijk XIV keert terug naar Versailles. — Opmer-
kingen.
Sterkte van Luxembourg's leger. — Luxembourg trekt Willem III te
gemoct (15 Juni). — Stelling van Willem Hl — Werkeloosheid van
Luxembourg (15 Juni — 8 Juli). — Voeding van het Fransche leger. —
Mislukte aanval op een Fransch konvooi (4 Juli). — Luxembourg te
Heylisem (8 — 18 Juli). — De cavalerie van Tilly bij Tongeren geslagen
(15 Juli). — Wurtemberg, van Leuven naar Fransch Vlaanderen (11
Juli). — Liniën van PVansch Vlaanderen vermeesterd (18 Juli). — Ge-
vecht bij Trésin (23 Juli). — Brandschattingen in Aitois en Fransch
Vlaanderen. — Luxembourg van Heylisem op Vignamont (18- 19 Juli). —
Beleg van Hoey (19 — 24 Juli). — Marsch van Willem lil naar de zijde
van Hoey f20 — 23 Juli). — Versterking naar Luik (25—26 Juli;. —
Willem III te Neerhespen (25 Juli). — Luxembourg Ie Lcsky (25 — 28
Juli). - Luik. — Luxembourg ziet af van den aanval op Luik; en be-
Digitized by
Google
sluit, Willem III aan te vallen. — Het gewaagde in de handeling van
Willem III. — Eerste berichten van den aantocht van het Fransche
leger. — Besluit van Willem III om stand te houden. — Marsch van
Luxembourg van Lesky op Landen (28 Juli).
Slag van Neerwinden (29 Julij. — Stelling der bondgenooten. —
Slagorde van het leger van Willem III. — Slagorde van Luxembourg's
leger. — Aanvankelijk kanonvuur. — Eerste aanval op Neerwinden en
Laer; afgeslagen. — Aanval van de Fransche ruiterij op de verschan-
singen ; mislukt. — Aanval op den linkervleugel der bondgenooten ;
afgeslagen. — Tweede aanval op Neerwinden en Laer; afgeslagen. —
Derde aanval op de stelling der bondgenooten; gelukt. — Gevechten
om het deboucheeren van de Franschen te beletten. — De Hollandsche
artillerie. — Cavalerie-gevechten. — Terugtocht van Willem III. —
Verliezen van de beide legers. — Beschouwingen over den slag van
Neerwinden.
De bondgenooten na Neerwinden (29 Juli — 3 Augustus). — Luxem-
bourg na Neerwinden (29 Juli— 2 Augustus). — Luxembourg te Wa-
remme (2—15 Augustus). — Opmerkingen. — Besluit om Charleroi aan
te vallen. — Gebrek aan krijgstucht bij het Fransche leger. — Verster-
king van Luxembourg's leger. — Werkeloosheid van Luxembourg
(Augustus — 10 September). — Luxembourg aan den Piéton (10 Sep-
tember— October). — Bewegingen van het leger van Willem III (Augus-
tus). — Beleg van Charleroi (10 September— 13 October). — Willem III
doet geen pogingen om Charleroi te ontzetten; verlaat het leger (24
September. — Einde van den veldtocht in de Nederlanden (October 1693).
HOOFDSTUK XXVIl.
1694- Krijgsverrichtingen in de Nederlanden, ter zee, in Duitsch-
land, Italië en Spanje Bladz. 252
Onbeduidendheid van den veldtocht van 1694; oorzaken daarvan:
ontmoediging van Willem III. — Hendrik Casimir van Nassau. —
Inzichten van Willem III over het voeren van den oorlog in 1694. —
Lodewijk XIV besluit, verdedigend te oorlogen in de Nederlanden. —
Sterkte van de Fransche legers in de Nederlanden, — Sterkte van het
leger van Willem III. — Opmerking. — Luxembourg aan de Méhaigne ;
Willem III bij Thienen (half Juoi). — Onbeduidende krijgshandelingen. —
Marsch van de beide legers naar de Schelde (18 — 24 Augustus^ —
Snelle marschen van Luxembourg. — De beide legers tusschen Schelde
en Lijs (einde van Augustus). — Beleg van Hoey (17 — 27 September). -•
Einde van den veldtocht (begin van October). — Oplichting van Tilly
(28 September). — Terdoodbrenging van een Franschman (14 Sep-
tember).
Ondernemingen ter zee. — Zeestrijd tusschen Jean Bart en De Vries
(29 Juli). — Mislukte aanval op Brcst (18 Juni). — Bombardement van
Fransche oorlogshavens (zomer van 1694).
Krijgsverrichtingen in Duitschland.
Krijgsverrichtingen in Italië.
Krijgsverrichtingen in Spanje.
Dood van Luxembourg (Januari 1695).
Digitized by
Google
X INHOl'l).
HOOFDSTUK XXVIII.
1695; Namen; beleg van de stad Blad^. 265
Dood van koningin Maria (7 Januari). — Afneming van Fraokrijk's
macht. — Villeroy. — Sierkte van het Fransche leger in de Nederlan-
den. — De liniën van Frausch Vlaanderen. — Sterkte van het leger
van Willem lil. — Opmei kingen. — Onderbevelhebbers. — Over het
oorlogsplan van Willem Ilï
Bewegingen van hel F'ransche leger (3— -17 Juni). — Bewegingen bij
de bondgencjQten: Aihlone; de keurvorst van Beieren; Willem III. —
Villeroy in onzekerheid. — Schijnaanvallen : op de liniën (19 Juni); op
het fort De Knokkè (17—21 Juni). — Marsch van den Keurvorst op
Namen (28 Juni — 3 Juli). — Vaudemont te Rousselaere (28 Juni). —
Marsch van Boufflcrs op Namen (28 Juni— 2 Juli). — Opmerking. —
Namen, in 1695: vestingwerken ; bomvrije lokalen; bewapening en uit-
rusting; bezetting; Boufflers. — Aanvankelijke maatregelen voor de ver-
dediging van Namen. — Stellingen van den belegeraar. — Circumval-
latie- linie. — Komst van het belegeringspark (11 Juli). — Athlone, naar
den Piéton (5 Juli). — Belegeringsplan. — Coehoorn. — Opening van
de loopgraven (li — 12 Juli). — Over de verschansingen bij Coquelet, —
Uitvallen — Batterijen. — Gevechten op den i8en Juli: uitval bij Jambe;
bestorming van Coquelet. — Verliezen. — Dapperheid der beide par-
tijen — Verkeerd beleid van den belegeraar. — Werking der batterijen
van den belegeraar. — Jambe genomen (20 Juli). — Bastion Balart ge-
nomen (26 Juli). — Gevechten op den 27sten Juli ; bestorming bij Saint-
Nicolas; vermeesiering van La Balance en Salsine. — Opmerking. —
De linie van Vauban genomen (30 Juli). — Bressen in de werken van
de stad. — Nieuwe bestorming bij Saint-Nicolas (2 Augustus). — Capi-
tulatie van de stad (3 Augustus).
HOOFDSTUK XXIX.
1695; Operatiën in Vlaanderen en Braband; beleg van het
kasteel van Namen; krijgsverrichlingen Ier zee; aan den Rijn;
in Italië; in Spanje Bladz. 303
Vaudemont bij Rousselaere (28 Juni — 14 Juli). — Marsch van Villeroy
naar de Lijs f12 — 13 Juli). — Veranderde stelling van Vaudemont (13
Juli). — Handelingen der wederzijdsche legers op den I4en Juli: op-
marsch van het Fransche leger; terugtocht van Vaudemont; vervolging. —
Beleid van Vaudemont. — Onbekwaamheid van Villeroy; — Saint-Simon
over den hertog De Maine. — Verijdelde onderneming van Villeroy op
Nieuwpoort. — Beleg van Dixmude (25 - 28 Juli). — Ellenberger. —
Vermeesiering van Deynse f30 Juli)
Voornemen tot het bombardeeren van Brussel. — Binche door de
bondgenooten genomen (2 1 Juli). — Het leger van Vaudemont versterkt. —
Marsch van Villeroy op Enghien (4-8 Augustus). — Marsch van Vau-
demont op Brussel (6 — 9 Augustus): en van W'urtemberg (5 - 9 Augus-
tus). — Stelling van VaudemoLt bij Brussel. — Athlone te Waterloo
(10 Augus'us). — Marsch van Villeroy van Enghien op Brussel (10 —
II .Augustus). — Bombardement van Brussel (13—15 Augustus). — Op-
merking. — Marsch van Villeroy op Soignies (17— 19 Augustus'. —
Vaudemont te Genappe (18 Augustus). — Sierklc van Villeroy's leger, —
Digitized by
Google
INHOUD. XI
Marsch van Vaudemont op Mazy (20 Augustus). — Marscli van Villeroy
op Gemblours (23 — 28 Augustus). — Stelling van Willem JU tusschen
den Ormeau en de Méhaigue. — Villeroy ziet af van het aanvallen van
die stelling. — Marsch van Villeroy naar de Méhaigne (30 Augusius). —
Cavalerie-gevecht bij Boneffe (30 Augustus). — Villeroy verlaat de
Méhaigne (2 September).
Beleg van het kasteel van Namen (6 Augusius — i September), — Toe-
stand van het kasteel: bezetting; bewapening; leeftocht; aanvoering. —
Coehoorn*s aanvalsplan. — Sterkte van de artillerie van den belege-
raar. — Over het aanvallen \an hel kasteel, van de stadszijde. —
Het verhaal van het beleg, in algemeene trekken. — Loopgraven-
wacht. — Batterijen van den belegeraar; uitwerking van haar vuur. —
Gevaarlijke toestand van de benedenstad. — Kleine uitvallen. — Uitval
in den nacht van 18 — 19 Augustus. — Begin van het vuur van alle
batterijen (21 Augustus;. — Grooie uitwerking. — De lunet aan de
Sambre genomen (2$ Augusius). — Bestorming (30 Augustus): op-
eischiug; verdeeüng van de Fransche macht; beschikkingen voor de
bestorming; Terra Nova; fort Willem; La Cassolte; de benedenstad;
uitkomsten; verliezen. — Beoordeeling — Ontmoediging bij sommige
bevelhebbers der bondgenooten. — Overgave van het kasteel van Namen
(i September). — Uittocht van de bezetting (5 September). — Aanhou-
ding van Boufflers. — Verliezen bij het beleg van Namen. — Einde
van den veldtocht (einde September). — Beschouwingen over den veld-
tocht: Villeroy; Willem III; Vaudemont; Coehoorn ; vergelijking van de
belegering van 1692 met die van 1695; Coehoorn en Vauban.
Krijgsverrichtingen van 1695: ter zee: aan den Rijn; in Iialië, en in
Spanje.
HOOFDSTUK XXX.
1696: Vredesonderhandelingen; samenzwering in Engeland; Givet;
krijgsverrichtingen in Duitschland, in Italië, in Spanje en ter
zee Bladz. 351
Algemeene neiging tot vrede. — Onderhandelingen. — MoUo.
Krijgsioerustingen der Franschen, te Calais en Duinkerken (begin
van 1696). — Voorgenomen landing in Engeland. — Aanslag om Wil-
lem III te vermoorden. — De samenzwering mislukt. — Over de mede-
plichtigen aan die samenzwering.
Het vernielen van Fransche oorlogsmagazijnen te Givet (16 Maart
1696). — Misnoegen van den hertog van Holstein-PlÖn. — Holstein-Plön
als opperbevelhebber vervangen door Nassau-Sarbrück (voorjaar van 1696).
Veldtocht van 1696 in de Nederlanden. — Fransche legersterkte in
1696. — Opmerking. — De wederzijdsche legers in de Nederlanden
te velde (Mei 1696). — Sterkte van de bondgenooten. — Komst van
Willem III bij de legers (begin van Juni). — Onbeduidende verrich-
tingen van Willem III en Boufflers (Juni — Augustus). — Willem III
verlaat het leger (26 Augustus). — Het leger van den landgraaf van
Hessen. — Onbeduidende handelingen van Vaudemont en Villeroy. —
De legers uiteen (einde van October). — Algemeene verwachting van
spoedigen vrede.
Veldtocht van 1696 in Duitschland. — Sterkte van de beide partijen. —
Bijzonderheden over hel Duitsche legerbevel.
Veldtocht van 1696 in Italië. — Victor Amadeüs II, hertog van
Digitized by
Google
XII INHOrO.
Savoye. — Overgang van den Hertog tot Frankrijk (Juli 1696). —
Caiinat in Piémont (einde van Mei). — Het Fransche leger bij Turijn
(2 Juni). — Wapenstilstand (13 Juli). — Verdrag van Vicior Amadeüs
met Frankrijk. — Beleg van Valenza (24 September— 7 October). —
Onzijdigheid van Italië, — Brandenburgsche bataljons, aan Venetië te
koop geboden. — Opmerking.
Veldtocht van 1696 in Catalonië. — Gevecht bij Rio d*Arenas (i Juni).
Krijgsverrichlingen ter zee in 1696. — De Engelsche en Hollandsche
vloot in het Kanaal (Maart). — De admiraal Van der Goes. — Op-
merking. — Bombardement van Calais (April). -— De Fransche vloot
van Toulon, te Brest (16 Mei». — Bombardement van Saint-Martin (Juli). —
Aanval van Jcan Bart op onze Noordsche koopvaardij-vloot (17 Juni). —
Opmerking.
HOOFDSTUK XXXI.
1 697 : de vrede van Rijswijk ; veldtocht in de Nederlanden ; Ath ;
krijgsverrichtingen aan den Rijn; in Catalonië; beleg van Bar-
celona; ter zee; Du Guay-Trouin: Carthagena . Bladz. 379
Vrede van Rijswijk (20 September 1697). — Vredelievendheid van
Willem III. — Aanvallende gezindheid van Frankrijk. — Fransche legers
in de Nederlanden. — Legers der bondgenooien in de Nederlanden. —
De bondgenooten bezetten Deynse (15 April). — Berenning van Ath
door de Franschen (15 Mei). — Geringe waarschijnlijkheid van Ath te
ontzelicn. — Beleg van Aih (22 Mei— 7 Junij. — Toestand van de ves-
tingk — Middelen van den aanvaller. — Opening van de loopgraven
(22 Mei). — De Fiansche artillerie voor Ath. -- Overgave van Ath
(7 Juni), — Ouderneniing van de Franschen op Brussel (tweede helft
van Juni). — Marsch van Willem III van Gen.tppe op Anderlecht f20 —
21 Juni). — Stelling bij Anderlecht. -- Mondgesprek van Bentinck en
Boufflers (begin vaci Juli). — Willem IIÏ naar het Loo (3 Augustus).
Over brieven van Wassenaer-Obdam.
Krijgsverrichtingen in Duitschland — Lodewijk van Baden, te Mainz
op den linker Rijnoever (24 Augustus). — Beleg van Ebernburg (Sep-
tember). — Slechte verzorging van het Keizerlijke leger. — Oneens-
gezindheid van de Duiische vorsten.
Krijgsverrichtingen in Calalonië. — Het Fransche leger. — Barce-
lona. — Beleg van Barcelooa (15 Juni — 10 Augustus). — Gevecht bij
San-Feliu (14 Juli).
Krijgsverriphtingen ter zee. — Du Guay-Trouin en Wassenaer-Siar-
renburg (25 Maart). — Vermeeslering van Carthagena, door De Pointis
(half April- 5 Mei)
Digitized by
Google
HOOFDSTUK XXI.
ENGELSCHE STAATSOMWENTELING VAN 1688; PHILIPSBURG ; — 1689.
VERWOESTING VAN DE PALTZ ; KRIJGSVERRICHTINGEN IN DE
NEDERLANDEN; WALCOURT (25 AUGUSTUS); OPERATIËN
IN kleefsland; bonn; mainz; krijgsverrich-
Het jaar 1688 brengt een^ geheelen ommekeer teweeg in den
staatkundigen toestand van Europa: Willem III bestijgt den
Engelschen troon, en Frankrijk's overwicht wordt daardoor te
niet gedaan.
Er moest veel samenwerken om zulk een gewichtige verande-
ring tot stand te brengen. Allereerst moet men die wijten aan
de dwingelandij van de twee laatste Engelsche koningen uit het
huis der Stuarts. Macaulay moge misschien wat overdreven heftig
zijn in zijne veroordeeling van die beide vorsten; toch is het
onbetwistbaar dat^ hoe meer men de Engelsche geschiedenis van
dien tijd onderzoekt, hoe minder men er in slaagt om een gevoel
van afkeer en verachting te onderdrukken, zoowel voor Karel II
als voor zijn broeder Jakobus II: ontegenzeggelijk zijn er wree-
der, bloeddorstiger dwingelanden geweest, maar weinig, die zoo-
veel bekrompenheid en onverstand bezaten, zooveel laagheid aan
den dag legden, zoo alle waardigheid prijsgaven. Wij hebben de
moeite genomen om ook de Engelsche geschiedenis van Lingard
te lezen, — een zeer goed werk, maar geheel uit het Katholieke
oogpunt geschreven, en daarom die twee laatste gekroonde
Stuarts zooveel mogelijk verdedigende, of verontschuldigende;
welnu, ook na de lezing van Lingard's werk is ons oordeel over
die beide koningen even ongunstig gebleven. Wij hebben de
volle overtuiging dat die omwenteling van 1688, die voor Enge-
land de aanvang der staatkundige vrijheid is geweest, een geoor-
loofde en wettige omwenteling was; — wie dat tegenspreekt,
raoet van de meening uitgaan dat de vorsten met een goddelijk
WILLEM IIL — III.
Digitized by
Google
2 KRIJGS- ES GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWIMGEK.
recht zijn bekleed om de volkeren naar willekeur te regeeren;
en tegen zulk eene meening valt niet te redeneeren. — Wij heb-
ben daarom ook de volle overtuiging^ dat Willem III, toen hij
Jakobus II, al was die dan ook zijn schoonvader, van den troon
stiet, goed en volgens plicht heeft gehandeld: men mag de
vrijheid van een volk niet prijsgeven, al is men door banden
des bloeds, of der aanhuwelijking, aan den dwingeland verbonden.
Maar, is de dwingelandij, door de Stuarts geoefend, eene voor-
name oorzaak geweest van de Ëngelsche omwenteling van 1688,
eene andere, niet minder krachtige oorzaak moet men zoeken in
het staatkundig genie van Willem III: dat is hier boven allen
lof verheven. De mogelijkheid, de waarschijnlijkheid van zulk
een omwenteling was door den Stadhouder reeds sinds lang
voorzien; lange jaren te voren heeft hij die omwenteling ver-
wacht en zich daarop voorbereid. Reeds bij zijn eerste optreden
als Regent, knoopt hij verbintenissen aan met het vrijheidsgezinde
gedeelte des volks in Engeland, met de whigs, zooals zij toen,
of later, werden genoemd ; en tot het versterken van die verbin-
tenissen was het voor Willem III eene gelukkige omstandigheid
dat er Engelsche en Schotsche regimenten waren bij de leger-
macht van de Republiek; die regimenten verdienden door hunne
militaire waarde de zorg en opmerkzaamheid die de Stadhouder
jegens hen betoonde; maar ook staatkundige inzichten waren
hierbij in het spel. Het Engelsche volk begon al meer en meer
den naam van Willem III te leeren kennen en waardeeren; het
gewende er zich aan om in hem den kampvechter te zien voor
staatkundige en godsdienstige vrijheid tegen het despotisme van
Lodewijk XIV; het zag in hem den man der toekomst; en de
meening dat hij eenmaal den schepter over Groot-Brittanje zou
zwaaien had niets bevreemdends voor de Engelschen, vooral na
zijn huwelijk met Maria, de dochter van den Hertog van York,
den lateren Jakobus II. Stel u de openbare meening in Frankrijk
voor, reeds vóór de Juli-dagen van 1830 in Louis- Philippe —
toen nog Hertog van Orleans — den aanstaanden koning ziende,
dan zult gij bsgrijpen, hoe, reeds vóór 1688, het Engelsche volk
over Willem III dacht.
Een staatsman kan, hoe groot zijne bekwaamheid ook mo^e
zijn, de gebeurtenissen niet scheppen; maar zijne bekwaamheid
blijkt daaruit, dat, als de gebeurtenissen komen, hij er het best
partij van trekt en ze niet ongebruikt voorbij laat gaan ; hij moet
niet te vroeg, en ook niet te laat, handelen. Ziedaar iets wat
Willem III hier op meesterlijke wijze wist te doen; hij gaf niet
toe aan zijn ongeduld; hij onthield zich van handelen, zoolang
het handelen nog tot niets goeds kon leiden, zoolang de zaak
nog niet rijp was. Toen Monmouth het in 1685 ondernam om
Jakobus II van den Engelschen troon te stooten, streed hij
Digitized by
Google
ENGELSCHE STAATSOMWENTELING VAN 1688. 3
«igenlijk voor dezelfde zaak waarvoor Willem III in 1688 heeft
gestreden; maar Monmouth handelde te vroeg; Engeland had de
dwingelandij nog niet genoeg verduurd; de gemoederen waren
daar nog niet rijp voor een algemeenen opstand; en bovendien,
Monmouth miste de bekwaamheid en geestkracht om aan het
hoofd van zulk een opstand te staan; — hij is dan ook be-
zweken; en bezweken op een ellendige wijze, zonder waardigheid
of moed. Willem III heeft die onderneming van Monmouth niet
belet, — zooals hij had kunnen doen ; maar hij heeft ook niets ge-
daan om haar te steunen; hij heeft er geen deel aan genomen,
hij is er geheel vreemd aan gebleven ; het was voor hem, eeniger-
mate: un ballon d'^essai. Maar toen het tyrannieke bestuur van
Jakobus II al eenige jaren op Engeland had gedrukt; toen hij al
meer en meer het Engelsche volk van zich had vervreemd, ook
door die dwaze vervolgingen tegen de bisschoppen ; toen de ge-
boorte van een zoon van Jakobus II, voor den Stadhouder de
kans wegnam van, door erfopvolging, op den Engelschen troon
te komen; toen achtte hij het oogenblik gekomen om te han-
delen. Wij gelooven niet dat wij Willem III lasteren, wanneer
wij ook de meening uiten: dat hij in 1688 liever aan zijn eigen
verheffing arbeidde, dan in 1685 aan de verheffing van Mon-
mouth. Bij Willem III de eerzucht te willen loochenen of weg-
cijferen, dat is dwaasheid; welk groot man is niet eerzuchtig? —
Die het niet zijn, zijn dun gezaaid.
Maar hoewel er in 1688 veel meer waarschijnlijkheid was dan
in 1685, dat het Engelsche volk den man zou bijvallen die als
zijn bevrijder optrad, wilde Willem III het echter niet op die
waarschijnlijkheid laten aankomen ; hij was te verstandig om een
grenzenloos vertrouwen te stellen in de kracht der openbare
meening, hoe luide toen ook uitgesproken door tal van Engel-
schen van aanzien en invloed. Niet als een avonturier wilde de
Stadhouder in Engeland verschijnen; niet, zooals Monmouth, met
een paar schepen en een handvol volgelingen: een leger, eene
vloot zouden hem tot steun zijn bij zijne onderneming; en, voor
het geval dat hij Engeland niet kon winnen, wilde hij de
mogelijkheid behouden om het te overwinnen. De strijd-
krachten van de Republiek zouden het middel zijn om Engeland
vrij te maken.
In de HoUandsche Mercurius (39' deel, blz. 274 — 275) vindt
men eene vrij uitvoerige, en denkelijk ook vrij nauwkeurige op-
gave van de macht waarmede Willem III de bevrijding van
Engeland ondernam; wij nemen hier het voornaamste van die
opgave over.
Van het leger wordt alleen over de ruiterij en het voetvolk
gesproken; — artillerie en wat wij thans genie-troepen noemen,
Digitized by
Google
4 KRIJG3- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
werden toen niet medegerekend en waren ook van geringe ge-
talsterkte.
De ruiterij, bestaande uit ruiters en dragonders, was samenge-
steld uit de i8 volgende regimenten:
I. Zijn Hoogheids dragonders, 2. Dragonders van Marwitz,
3. Gardes, 4. Waldeck, 5. Graaf van Nassau, 6. Ginckel, 7. Mom-
pouillan, 8. Obdam, 9. 's Gravemoer, 10. Flodorp, 11. Van der
Lip, 12. Zuylestein, 13. Kingma, 14. Bentinck, 15. Soppenbroeck
(Buddenbrock ?), 16. Heyden, 17. Holzapfel, en 18. Schagt (Koer-
landers).
Dragonders schijnen alleen geweest te zijn het regiment van
den Stadhouder en dat van Marwitz; de sterkte van het eerste
wordt opgegeven 860 man, die van het tweede 440. De overige
regimenten bestonden uit ruiters ; daarvan wordt voor de sterkte
van de Gardes opgegeven 197 man; die van de » garde van
Bentinck" 480; en de overige regimenten te zamen 1683 rui-
ters; — dus zouden die overige 14 regimenten gemiddeld slechts
120 ruiters per regiment sterk zijn geweest; dit laatste cijfer is
zoo laag, dat het hier de nauwkeurigheid van de opgave eenigs-
zins twijfelachtig maakt.
Volgens die opgave zou dus de geheele sterkte aan ruiters en
dragonders geweest zijn 3660 man.
De infanterie telde 15 regimenten, als:
1. De Garde, uit 3 bataljons bestaande.
Zes Engelsche of Schotsche regimenten, namelijk:
2, Mackay, 3. Balfour, 4. Talmash, 5. Bellasis, 6. Pembroke,
en 7. Wackop. Voorts: 8. Holstein, 9. Wijnbergen (fuseliers),
10. Graaf van Nassau (Zeeuwen), 11. Berckenfelt, 12. Carlson^
13. Prins van Brandenburg, 14. Hagendoorn, en 15. Fagel.
Behalve de Garde maakte de infanterie 164 compagnieën uit,
ieder van 53 man, te zamen 8692 man; dus ieder regiment ge-
middeld een twaalftal compagnieën en in het geheel ruim 600
man. Het » regiment te voet'* (denkelijk worden daarmee de 3
bataljons Gardes bedoeld) was sterk 2000 man. De geheele infan-
terie dus 10692 man.
De sterkte van het geheele leger was dus, wat ruiterij en voet-
volk aangaat, een groote 14000 man. Aan het hoofd van dat
leger was, onder Willem III, de maarschalk Schomberg, die, als
Protestant, gedwongen was geworden den Franschen krijgsdienst
te verlaten.
De vloot, verdeeld in drie eskaders onder Evertsen, Herbert
en Almonde, bestond uit 39 groote oorlogsschepen, onder de
drie eskaders gelijkelijk verdeeld; voorts 26 oorlogsschepen be-
neden de 30 stukken; te zamen 65 oorlogsschepen. Daar waren
10 branders; voorts, als transportschepen: 500 fluiten en 60 pin-
ken. In het geheel 635 vaartuigen. Volgens Wagenaar was, uit
Digitized by
Google
ENGELSCHE STAATSOMWENTELING VAN 1688. 5
Staatkundige inzichten, de Engelschman Herbert aan het hoofd
van die vloot geplaatst.
Natuurlijk had Willem III om zulk een vloot en leger uit te
rusten, de geheele medewerking van de Republiek noodig. De
Republiek was toen eigenlijk Holland, en Holland was eigenlijk
Amsterdam; die machtige stad kan zich beroemen dat zij vooral
toen heeft medegewerkt om Engeland te bevrijden en Europa
van gedaante te doen veranderen ; zonder haar kon niets worden
gedaan, al was het maar alleen om de geldkwestie, die ook
toen een groote rol speelde bij staatshandelingen. Overtuigd
van de noodzakelijkheid om Amsterdam voor zich te winnen,
had de Stadhouder reeds in de laatste maanden van 1684, stap-
pen tot toenadering gedaan; het geschil over de houding tegen-
over Frankrijk's aanmatigingen en over de voorgestelde werving
van 16000 man voor het leger der Republiek had Willem III
in vijandschap gebracht met Amsterdam, en in hooge mate zijn
toorn opgewekt tegen die stad ; — maar de Stadhouder wist dien
toorn te onderdrukken ; duidelijk zag hij in wat de eischen waren
van het algemeen belang, en aan die eischen bracht hij zijne
persoonlijke gezindheid ten offer; ook hierin was hij een groot
staatsman. Amsterdam handelde even verstandig; het sloot zich
al meer en meer bij den Stadhouder aan; en merkwaardig zijn
de onderhandelingen, door Willem III in het begin van 1688
gevoerd met drie der Amsterdamsche burgemeesters, over de
wijze om de strijdmiddelen bijeen te brengen, noodig om Enge-
land te bevrijden. Ons bestek gedoogt niet om bij die onder-
handelingen stil te staan; maar genoeg zij het, te zeggen, dat
hierbij de meeste geheimhouding noodig was, wilde men niet
den argwaan opwekken van d'Avaux, Frankrijk's bekwamen ge-
zant in Den Haag. Met de regenten van Amsterdam werd de
zaak aanvankelijk dan ook op zeer bedekte wijze besproken; de
Stadhouder kwam er niet openlijk voor uit, welk doel hij be-
oogde; maar toch schemerde dit zoozeer door, dat het niet be-
dekt bleef voor de scherpzinnige mannen waarmede hij te doen
had, en bij de eerste openingen dienaangaande zeide een hunner:
>de Prins wil voor Monmouthje spelen."
Ook Lodewijk XIV begunstigde, ten gevolge van zijn even
domme als misdadige geloofsvervolgingen in Frankrijk, de onder-
neming van zijn grooten tegenstander. De uitgeweken Fransche
Protestanten, de réfugiés zooals zij in de geschiedenis genoemd
worden, verspreidden zich over verschillende landen van Europa,
en kwamen vooral bij de Republiek terecht: daar was toen, in
vergelijking met andere landen, de classieke grond van vrijheid
en verdraagzaamheid, waar handel en nijverheid, rustig en in
Digitized by
Google
6 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
vrede, de vruchten van arbeid en inspanning konden smaken.
Die vluchtelingen, hier met open armen ontvangen, hingen een
somber tafereel op van het geweld en de gruweldaden, tegen de
Fransche Protestanten gepleegd; en waarlijk, er was geen over-
drijving toe noodig om dat tafereel indrukwekkend te maken.
De oude haat van het HoUandsche volk tegen den Franschen
koning ontvlamde opnieuw in vollen gloed ; en toen de raadpen-
sionaris Fagel, eenigen tijd vóór de onderneming tegen Engeland,
met veel bekwaamheid de hulp der predikanten voor die onder-
neming inriep, kon men, in de Republiek, de zaak van Willem III
als geheel gewonnen beschouwen ; de stroom der openbare mee-
ning werd daar zóó krachtig in zijn voordeel^ dat hij, bij zijne
pogingen om Engeland vrij te maken, zeker was van in Holland
niet de minste tegenwerking te zullen ondervinden, maar integen-
deel ondersteuning in de hoogste mate.
Nog andere omstandigheden begunstigden toen Willem III.
Jakobus II had toen in Den Haag een gezant, die niet van de
bekwaamste was, die niets zag van wat er omging, en zijn Koning
in slaap wiegde door geruststellende berichten. d'Avaux zag
meer; voor hem konden de wapeningen in de Republiek niet
verborgen blijven; hij kende, of raadde, de voornemens van den
Stadhouder; hij waarschuwde het Fransche hof, en dit waar-
schuwde Jakobus, en bood dien den bijstand aan van eene
Fransche vloot en van een Fransch leger; — maar de Engelsche
koning, blind voor het gevaar of te veel vertrouwende op eigen
kracht, sloeg dat aanbod af en weigerde de Fransche hulp.
Toen kwam er bij, dat, door den dood van den keurvorst
van Keulen, de twist over zijne erfopvolging Frankrijk's strijd-
krachten naar den Rijn afleidde, en tevens aan Willem III een
geschikt voorwendsel gaf om zich meer te wapenen zonder
daarom den Engelschen koning nog onrust in te boezemen. Door
Frankrijk werd de oorlog verklaard aan den Keizer, en Lode-
wijk XIV zond een leger af, door den Dauphijn aangevoerd,
om Philipsburg te belegeren; de Stadhouder, van zijne zijde,
vereenigde eene legermacht op de heide van Mook, als om de
zuidoostelijke grenzen der Republiek te dekken tegen een moge-
lijke onderneming van de zijde van Frankrijk.
Maar de oorlogsvloot der Republiek is intusschen te Hellevoet
vereenigd; ook de transportschepen zijn gereed; en nu breekt
Willem III met zijn leger van de Mookerheide op, zakt de
rivieren af, scheept zich ie Hellevoet in, en steekt in zee (op het
einde van October 1688). Aanvankelijk schijnt de onderneming te
zullen mislukken; er is tegenwind, storm; de vloot wordt weer
naar Hellevoet teruggedreven; schepen zijn beschadigd, en op
één boord zijn een vijftigtal paarden door het slechte weer om-
Digitized by
Google
PHILIPSBURO. 7
gekomen. — Toen in 1796 een goed deel van het leger der
Bataafsche Republiek te Texel werd ingescheept, om, in verband
met Frankrijk, eene landing in Engeland of Ierland te doen,
stelde men zich niet bloot aan dat gevaar van paarden te ver-
liezen; de ingescheepte ruiters hadden hunne geheele uitrusting
en al ' hun paardentuig bij zich, — maar de paarden niet : die
zou men in Engeland wel vinden. Of die verwachting door de
uitkomst verwezenlijkt zou zijn? Men kan het niet zeggen; want
de Engelsche oorlogsvloot heeft het uitzcilen uit Texel belet; en
kort daarop deed de verloren zeeslag bij Kamperduin de geheele
expeditie in rook vervliegen.
Willem III, zich door dien eersten tegenspoed niet latende
afschrikken, heeft weldra de beschadigingen doen herstellen, steekt
nu opnieuw in zee, en landt — half November — te Torbay,
op Engeland's zuidwestelijke kust. 'Het overige is bekend; van
Torbay tot Londen is het meer een zegetocht dan een krijgs-
tocht; gevochten wordt er bijna niet; Jakobus, voor en na door
zijne aanhangers verlaten — verraden mag men wel zeggen,
ten aanzien van sommigen hunner — , vlucht naar Frankrijk,
niet zonder oogluiking van den overwinnaar, die blijde is van
op die wijze ontslagen te worden van zijn tegenstander; Wil-
lem III en Maria worden Koning en Koningin van Groot-Briltanje
en Ierland.
Had Frankrijk niets kunnen doen om den val van Jakobus II ^'
te verhinderen? — Saint-Simon en anderen beweren, dat indien
het Fransche leger, in plaats van Philipsburg te belegeren, het
beleg had geslagen voor Maastricht, de onderneming van Wil-
lem III tegen Engeland eene onmogelijkheid zou zijn geworden.
Rousset bestrijdt die bewering (4* deel, blz. 106— 109) als volgt :
...>Als Lodewijk XIV Maastricht belegerd had in plaats van
Philipsburg, dan zou Holland bevreesd zijn geworden, het had
het vertrek van Willem III belet en Jakobus II was behouden. —
Dat beweert men; en het voorname bewijs dat men daarvoor
bijbrengt, is, dat op de tijding van het beleg van Philipsburg de
actiën van de Oost-Indische Compagnie in Holland 10 percent
zijn gerezen. Een maand te voren hadden de k rijgstoerustingen
van den Prins van Oranje diezelfde actiën 16 percent doen
dalen ; moet men daar nu uit besluiten, dat de openbare meening
in Holland niet instemde met de plannen van den Prins van
Oranje? — Zoo iets bewijst niets anders, dan dat er onder de
Amsterdamsche financiers zeer slimme speculanten zijn geweest,
en dat het beursspel niet van vandaag of gisteren is. Maar zulke
argumenten, aan de effecten-beurs ontleend, doen weinig ter zake
af, waar het geschiedkundige vraagstukken betreft.
Digitized by VjOOQIC
8 KRIJGS- EN GKSCHIEDICUNDIGE BESCHOUWINGEN.
• Daar zijn zaken die iedereen zegt, omdat zij eenmaal gezegd
zijn." Die aanmerking van Montesquieu kan men met recht toe-
passen op de meening, die het Lodewijk XIV tot een verwijt
maakt — nog meer Louvois, want het is altijd Louvois dien men
aanvalt — dat hij de voorkeur gegeven heeft aan het beleg van
Philipsburg boven dat van Maastricht, 't Is bovendien eenê mee-
ning, die gemakkelijk is vol te houden, en ook daarom moeilijk
te bestrijden, omdat men daartoe zelf moet omdolen op het wijde
veld van het mogelijke en van het waarschijnlijke. Toch is ook
hier wel eenige vaste grond te vinden. Sla maar een blik op de
kaart, dan valt het al moeilijk om in te zien, hoe dat beleg van
Maastricht die wonderbaarlijke uitwerking had kunnen hebben
die men er aan toekent. Maastricht, ja, was een vesting van
Holland; maar volstrekt niet in het hart van Holland; integen-
deel, verre daarvan verwijderd, en in een afgelegen gewest.
Zeker, het beleg van Maastricht zou voor de Hollanders iets
onaangenaams zijn geweest, en voor den Prins van Oranje eenigs-
zins een bezwaar, dat hij natuurlijk liever niet had; maar stellig
geen voldoend bezwaar om hem zijne onderneming tegen Enge-
land te doen opgeven of zelfs maar uitstellen. Had Lodewijk XIV
het gewaagd die groote vesting te belegeren, op verren afstand
van Frankrijk, en veel sterker en veel beter uitgerust dan in
1673, dan mag men aannemen dat het hem veel meer moeite
zou gekost hebben om haar te bemachtigen; en dat de Prins
van Oranje intusschen den tijd zou gebruikt hebben om in
Engeland voordeelen te zoeken en te verkrijgen, die het nadeel
konden opwegen van het verlies van Maastricht.
Dat afdoende van het belegeren vap Maastricht is dan ook
eenigszins betwijfeld, zelfs door de voorstanders van dat beleg;
die twijfel heeft hen verder doen gaan ; zij hebben meer omv.ang
gegeven aan hunne redeneering, verre van daarvan af te zien.
Waarom — zoo hebben zij gezegd — zou Lodewijk XIV in
1688 niet den veldtocht van 1672 hebben kunnen hernieuwen?
Waarom kon hij geen inval doen in Holland, in het eigenlijke
Holland?
Was het dan zoo gemakkelijk voor Lodewijk XIV, die niet
voorbereid was op den oorlog, die geheel Europa tegen zich
had, om tegen een waakzaam, bekwaam, goed gewapend vijand,
in 1688 met goed gevolg datgene te ondernemen, wat in 1672
geëindigd was met eene besliste mislukking, toen men vier jaar
tijds had gehad om zich ten oorlog uit te rusten, toen men
krachtige bondgenooten had, toen Europa onzijdig was, en men
een tegenstander aanviel, die verrast werd, die slecht gewapend
was, en slecht werd gediend? En bovendien, wat zou zich Wil-
lem van Oranje bekreund hebben om het beleg van Maastricht,
en zelfs om den inval in Holland?
Digitized by
Google
PHILIPSBURG. 9
Het is een zonderlinge miskenning van het genie^ het karakter
en den toestand van dien grooten eerzuchtige; men vergeet te
zeer, dat het, èa voor hem zelf, èn voor Engeland, èn voor
Europa, noodzakelijk was dat hij koning van Engeland werd, tot
welken prijs ook. De kroon der Stuarts was een buit, door het
noodlot voor hem bestemd; en om dien te bemachtigen was hij,
— met een wilskracht die geen mededoogen kende — , besloten
alles op te offeren. Wie had hem kunnen weerhouden, wie had
hem in Holland durven weerstaan? Hij was daar onbeperkt ge-
bieder; die Republiek behoorde hem; zij had het oogenblik niet
afgewacht dat zij overweldigd wierd, vrijwillig had zij zich prijs-
gegeven; en hare latere geschiedenis heefc maar al te duidelijk
doen zien tot hoever zij de toewijding en opoffering dreef. Toen
men van Willem III zeide, dat hij Stadhouder van Engeland en
Koning van Holland was, was dit iets meer dan enkel een
geestig gezegde; met die weinige woorden gaf men een kort
begrip van de omwenteling van 1688. Ja, een despotische hand
heeft de vrijheid overgebracht van Den Haag naar Londen; en
na die zielsverhuizing voor de beide volkeren ontwaakt Engeland
tot een nieuw leven, maar gaat de Hollandsche Republiek te niet."
Veel is er waar in wat Rousset hier zegt; — niet alles.
Dat Maastricht in .1688 veel moeielijker te nemen zou zijn,
dan in 1672; dat een inval in Holland in 1688 voor LodewijkXIV
oneindig minder gunstige kansen opleverde dan in 1672, dat lijdt
niet den minsten twijfel. Maar zou daarom een beleg van Maas-
tricht, en eene bedreiging van Holland niet zooveel hebben uit-
gewerkt, dat Willem III daardoor genoopt zou zijn geworden om,
voor het oogenblik, af te zien van zijne onderneming tegen Enge-
land? — Wij stemmen het Rousset toe, dat hier niet met zeker-
heid is te antwoorden; dat men alleen kan spreken van het
mogelijke, van het waarschijnlijke; maar wij meenen dat
het waarschijnlijk is, dat die dreigende nabijheid van de Fransche
legers de gemoederen in Holland zoozeer zou verontrust hebben,
dat daardoor de tocht naar Engeland zou zijn belet geworden.
Maar Willem III — zegt Rousset — zou toch dien tocht heb-
ben doorgezet; hij zou zich weinig bekreund hebben om het
gevaar dat Holland liep; in de Republiek had hij eene onbe-
perkte macht.
Dat laatste kan slechts . onder zeker voorbehoud worden toege-
stemd: toen in 1678 de Republiek te Nijmegen vrede sloot, in
weerwil van Willem III; toen in 1684 de tegenstand van Amsterdam
de wapening van de Republiek belette, waarop Willem III zoo
vurig aandrong; toen bleek het, dat de macht van den Stad-
houder in de Republiek wel degelijk perken had. *t Is waar, na
dien tijd nam de macht van Willem III zeer toe door het onver-
Digitized by
Google
lO KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
standig despotisme van Lodewijk XIV; het herroepen van het
Edikt van Nantes, en de dragonnades^ hebben aanmerkelijk
bijgedragen tot de grootheid van Willem III; in het oog van het
algemeen maakte de dweepzieke dwingelandij van den Franschen
koning den Oranjevorst tot den kampvechter voor de godsdien-
stige vrijheid, evenzeer als voor de onafhankelijkheid van Europa.
Amsterdam sloot zich toen ook bij den Prins aan; en alleen
daardoor werd de onderneming tegen Engeland mogelijk. In
1688 bezat Willem III dus in de Republiek eene groote macht;
maar voor een gedeelte berustte die macht toch altijd op de
openbare meening, en die openbare meening zou denkelijk wel
krachtig genoeg zijn geweest om den Prins te beletten van met
een vloot en een leger naar Engeland te vertrekken, op een
©ogenblik dat men in Holland bevreesd zou zijn geworden voor
eene herhaling van den inval van 1672.
Ziedaar de gronden die ons weerhouden van geheel te declen
in Rousset's meening; — wij herhalen echter, dat, met zeker-
heid, over deze zaak niet kan worden geoordeeld.
Zeer waar is wat Rousset zegt over het opofferen van het
welzijn der Republiek aan het welzijn van Engeland: de staat-
kunde van Willem III had het oog gevestigd op de belangen
van geheel Europa; op Hollands belangen lette zij niet.
De oorlogsvoering van 1688 had zich hoofdzakelijk bepaald
tot het belegeren en innemen van Philipsburg door het Fransche
leger.
Ook in 1689 ^^)^ ^^ krijgsverrichtingen van geen overwegend
belang; maar toen heeft de tweede en meer volkomene verwoes-
ting van de Paltz plaats. Op dien gruwel — hij komt grooten-
deels op Louvois neer — kan men de afschuwelijke woorden
toepassen, later door Fouché gebezigd: „rVs/ p/re qu'un crimey
ceit une fat4te\ Immers wordt daardoor in Duitschland tegen de
Franschen een haat opgewekt, die ook overslaat tot barbaarsche
daden: Toen Mainz in 1689 door de Duitschers bij capitulatie
wordt genomen, worden 10 of 12 gewonde Fransche soldaten,
door de Duitschers in den Rijn verdronken; en in 1690 wordt,
op last van den Duitschen bevelhebber van Mainz, een Fransch
krijgsgevangen soldaat op het marktplein verbrand, uit wraak
over het afbranden van een Duitsch dorp door de Franschen.
Het is een noodlottig dwaalbegrip dat een blijk van geestkracht
meent te zien in overdreven en onnoodige aanwending van ge-
weld: het is dikwijls niets anders dan wreedheid, die andere
wreedheden uitlokt. Het legerhoofd dat het meest de voorschriften
der menschelijkheid eerbiedigt, handelt, niet alleen het edelst,
maar meestal ook het verstandigst.
Digitized by VjOOQIC
WALCOÜRT (25 augustus). II
In de Nederlanden staan de legers van den maarschalk
d'Uumières en van Waldeck tegenover elkander, zonder veel uit
te voeren: d'Humières had last van het Fransche hof, zich zoo-
veel mogelijk te bepalen tot de verdediging; en Waldeck, van-
zelf al weinig gezind tot stoute aanvallende handelingen, was
hiertoe ook niet bij machte, omdat het Fransche leger dat der
bondgenooten aan sterkte overtrof. De meeste opgaven omtrent
de samenstelling dier legers vindt men in Dr. Müller*s werk over
Waldeck (2' deel); maar die opgaven hebben ons niet gebracht
tot de kennis van de juiste sterkte der wederzijdsche strijdkrach-
ten ; wij deelen daarom alleen enkele bijzonderheden mede over
de samenstelling van de legermacht der bondgenooten. In Juni
1689 kwam Waldeck in het leger der bondgenooten te Jodoigne, —
eene stad in Zuid-Braband, 8 4 10 uur ten noorden van Namen.
Bij dat leger waren eenige van de troepen die Willem III hadden
vergezeld op zijn tocht naar Engeland; de Koning, zelf nog in
Engeland opgehouden, had evenwel behalve die troepen van de
Republiek nog een 5000 Engelschen, onder Marlborough, naar
de Nederlanden gezonden; — die Engelsche krijgsmacht schijnt
niet bijzonder te hebben uitgemunt door orde; men vindt ten
minste opgeteekend, dat sommige deelen dier krijgsmacht >haer
vrij weder hoorig op de inschepingh aanstelden". — Hoezeer
Waldeck bij zijn leger nog al Spaansche ruiterij had, was dit
wapen echter verreweg het sterkst bij het leger van d'Humières.
Nog vóórdat Waldeck het opperbevel op zich nam, had de
generaal van FlodorfF, die toen te Maastricht bevel voerde, de
stad Luik gedwongen om de onzijdigheid beter in acht te nemen,
en het begunstigen van de Fransche krijgstoerustingen te staken ;
hij dreef de zaken zelfs zóó ver, dat Luik zich zoo goed als
aansloot bij de bondgenooten, en eene Hollandsche bezetting
innam. Wat overigens de krijgsverrichtingen der beide legers be-
treft, valt het moeilijk daarvan een juist verslag te geven; men
kan er zich toe bepalen ze als onbeduidend te kenschetsen.
Den i6en Augustus kwam Waldeck met zijn leger op den
rechteroever van de Sambre; en eenige dagen later — den
25sten Augustus — had er bij Walcourt — een stadje, een kleinen
dagmarsch van Charleroi — eene ontmoeting plaats, die men
> gevecht" moet noemen; want zij was te onbeduidend om baar
den naam van » veldslag" te geven.
Ziehier wat Rousset (V deel, blz. 217 — 220) van dat gevecht
bij Walcourt zegt:
»In de Nederlanden had de maarschalk d'Humières omstreeks
half Mei zijn leger bijeengetrokken ; langen tijd bleef hij trouw
aan zijne voorschriften om slechts verdedigend te handelen, tegen
Digitized by
Google
12 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN^
een vijand die van zijne zijde niet bij machte was om aan te
vallen ; want de vereenigde legers van den markies De Gastanaga
— den bewindhebber over de Nederlanden — en van den Prins
van Waldeck, den aanvoerder van de Hollandsche krijgsmacht,
waren verreweg zwakker dan het zijne. Maar juist die minderheid
van den vijand verleidde den maarschalk d'Humières tot eene
ongelukkige handeling. Na in den omtrek van Mons het Spaanschë
grondgebied naar welgevallen te hebben kaal gegeten, terwijl de
Prins van Waldeck op een afstand bleef onder het kanon van
Namen, vernam de Maarschalk, omstreeks het midden van Augus*
tus, dat het Hollandsche legerhoofd den linkeroever van de Sambre
hooger op was getrokken tot aan Charleroi, en toen op den rech-
teroever was overgegaan. De Maarschalk ging, van zijne zijde,
nabij Thuin de rivier over, en was loen in 's vijands nabijheid.
Daar hij zeker meende te zijn van de overwinning, verzocht hij
luet aandrang aan het hof de vergunning om slag te leveren;
en verkreeg die.
De Franschen, den 24sten Augustus te Bossu gelegerd, en de
bondgenooten, nabij het stadje Walcourt, waren toen maar twee
uur van elkander verwijderd. Den volgenden dag, ^er vroeg in
den ochtend, kreeg de Maarschalk bericht dat de vijand eene
fourageering verrichtte tusschen de beide legers. Dadelijk stegen
vier eskadrons te paard, vielen plotseling te midden van die
fourageerende troepen, wierpen veldwachten, piketten en bedek-
king overhoop, en, een verwarden hoop van vluchtelingen voor
zich uit jagende, hadden zij in een oogenbjik het veld tot aan
Walcourt schoongeveegd. Wat was Walcourt? — Een onbedui-
dend nest ipicoqué)^ meende de Maarschalk. >Een zoo gelukkig
begin" — dit zijn zijne eigene woorden — > spoorde mij aan om
eene poging te doen om den vijand daAr uit te jagen 5 al de
berichten van de ingezetenen hadden mij de overtuiging ge-
geven, dat de muren vervallen waren, en het binnendringen ge-
makkelijk was. Ook werd ik daartoe aangespoord door alle
bewegingen van den vijand, die mij gebrekkig voorkwamen; en
wat mij eindelijk geheel overhaalde tot den aanval, dat was, dat
als ik die stelling had kunnen bemachtigen, de vijand zeer zeker
een moeielijken aftocht zou hebben gehad, en hij daarbij zijn ge-
schut, zijne bagage en zelfs zijne achterhoede zou hebben verloren.**
Berichten inwinnen, is zeer goed; maar nóg beter is het, zich
te verzekeren dat zij juist zijn; en ddt was de fout van den
Maarschalk, dat hij de zaak niet had onderzocht. De ingezetenen
hadden hem, wel is waar, niet misleid; want het is zeker dat er
bressen waren in de muren van Walcourt; maar zij hadden ver-
zuimd hem te zeggen waar; en nu was het geval, dat die bressen
juist waren aan de zijde van den vijand. Dit had ten gevolge
dat toen de bataljons der garde — de eerste bataljons waarover
Digitized by
Google
WALCOURT (25 augustus). 13
de Maarschalk kon beschikken — welgemoed vooruitgingen,
meenende een open stad aan te vallen, zij, tot hunne uiterste
verbazing, stieten op een groote, hooge, stevige nauur, met torens
geflankeerd, met troepen bezet, van onder tot boven voorzien
van schietgaten, voor kanon en klein geweer, en van waar Wal-
deck's soldaten, van zeer nabij, kartetsen en geweerkogels af-
schoten op de beproefde troepen wier dapperheid op die muur
afstuitte.
De Maarschalk handelde hier als een onverstandig speler;
hardnekkig hield hij vol; daar hij geen zwaar geschut had,
bracht hij 7 of 8 veldstukken voor; maar hunne kogels ver-
mochten niets anders dan eenige steenen van den muur te doen
afbrokkelen. Intusschen trad het eene bataljon na het andere
op: Gardes frangaises^ Zwitsersche garde, de brigade van Cham-
pagne, het regiment van Greder; al de infanterie zou gevolgd
zijn, toen de bewegingen van den Prins van Waldeck, die het
Fransche leger bedreigden met eene omtrekking, den maarschalk
d'Humières eindelijk tot rede brachten; hij deed den aftocht
blazen. De troepen trokken terug, ontmoedigd maar in orde,
hoezeer 's vijands geschut, op de hoogten staande, geheele openin-
gen maakte in de colonnen. Een maréchal-de-camp, de Saint-
Gelais, werd het hoofd afgeschoten door een kanonskogel. Toen
men de dooden en gewonden lelde waren er, van de eersten,
10 officieren en 107 soldaten, en van de tweeden 14 officieren
en 156 soldaten, bij het enkele regiment van de Gardes fran f aises.
Het regiment van Champagne had al zijn hoofdofficieren ver-
loren, kolonel, luitenant-kolonel en majoor, voorts 7 kapiteins en
8 luitenants. In het geheel had het leger een duizend man ver-
loren. »De Koning," — zoo schreei Louvois aan den maarschalk
d'Humières — lis zeer mistroostig over het verlies bij Walcourt
geleden."
Dat jammerlijke gevecht, die schermutseling maakte in heel
Europa evenveel indruk als een groote veldslag. Tevreden met
het behaalde voordeel, wilde de Prins van Waldeck zich niet
blootstellen aan het gevaar van het weer te verliezen; eens op
een nacht brak hij in stilte op, ging weer terug achter de Sambre,
en hield daar stand, de rechtervleugel naar de zijde van Char-
leroi. Door zoo te handelen gaf hij den nekslag aan den toch
onbeduidenden naam van den maarschalk d'Humières, die er op
gepocht had dat hij, op hetzelfde terrein, wraak zou nemen over
het geleden nadeel. Den 5en September ging hij voorwaarts tot
aan den oever van de Sambre, niets anders doende dan met zijn
tegenstander — de rivier lusschen hen beide — een niets uit-
werkend artillerie-gevecht te voeren. Daar hij de afdeelingen die
Vlaanderen moesten beschermen, tot zich had getrokken, vielen
intusschen de stroopkorpsen van de Spanjaarden in het Fransche
Digitized by
Google
14 KRIJGS- EN GESCHIEDKUMDIGE BESCHOUWINGEN.
grondgebied en plunderden ongestoord in de kasteleinijen van
Rijssel en van Doornik. Zoo eindigde de veldtocht van 1689 in
de Nederlanden."
Van onze zijde wordt dat gevecht bij Walcourt nog eenigszins
anders voorgesteld, dan in de opgave van Rousset, hierboven
aangehaald. In het officieele verslag, door Waldeck, op den
avond van den 25sten Augustus ingezonden aan de Staten-Gene-
raal, komt nagenoeg het volgende voor:
Een goed deel van het leger der bondgenooten was aan het
fourageeren onder het bevel van den generaal Webbenum, toen
het Fransche leger ten aanvaï oprukte; de fourageurs, door
eenige kanonschoten gewaarschuwd, gingen daarop terug ; — van
verwarring of vlucht wordt natuurlijk niet gesproken. — Om de
fourageering te beschermen, was in het dorp Farge, of Faige, —
ongeveer een half uur ten zuidwesten van Walcourt — een 800
man voetvolk, onder den Engelschen kolonel Hodges; deze,
aangevallen door den vijand, bleef zich een paar uur verdedigen,
en ging toen, onder bescherming van eene afdeeling ruiterij, terug
op eene hoogte nabij Walcourt. Die stad werd daarop aange-
vallen door de Franschen, en die aanval twee of drie uur lang
volgehouden, maar zonder eenige uitkomst; de stad was aanvan-
kelijk alleen bezet door een bataljon Lunenburgers onder den
kolonel Linstau; later kwam daar ook het bataljon van den
kolonel Holle. Het leger der bondgenooten rukte daarop vooruit,
aan weerszijden van Walcourt: aan de eene zijde de generaal
Aylva met 3 regimenten, en de generaal Malbury (Marlborough)
met de Gardes-du-corps en 2 Engelsche regimenten; aan de
andere zijde de generaal Slangenburg — de latere overwinnaar
van Eeckeren — »met eenige gedetascheerde te voet*'; die voor-
waartsche beweging, waardoor het Fransche leger werd bedreigd
met eene omtrekking, deed d'Humières tot den aftocht beslui-
ten. — Wat de verliezen der Franschen betreft, die zouden be-
dragen hebben, een 400 dooden en een 300 gewonden; — geen
overdreven opgave, als men haar vergelijkt bij wat Rousset daar-
over zegt. Aan onze zijde waren de verliezen gering.
Dit verslag van Waldeck heeft de eigenschap, die meestal een
officieel verslag van een gevecht, of veldslag, kenmerkt, namelijk
van de zaken te gunstig voor te stellen, en nóg meer van het
voor te stellen, alsof alle handelingen bij dat gevecht de geregelde
en ordelijke uitvoering zijn geweest van de beschikkingen en be-
velen van den opperbevelhebber. Andere opgaven, ook van ónze
zijde, maken het echter zeer duidelijk, dat te Walcourt alles niet
zoo ordelijk en niet zoo geregeld is toegegaan; dat integendeel
Rousset's voorstelling van den verwarden en overijlden terugtocht
van de fourageerders veel meer waarschijnlijk is, en dat het be-
Digitized by
Google
WALCOU.<T (25 augustus). 15
leid van Waldeck als legerhoofd hier in geenen deele geschitterd
heeft. Ziehier wat over dien aanvoerder voorkomt in de gedenk-
schriften van een tijdgenoot en deelhebber aan den strijd bij
Walcourt : y^Mémoires de Monsieur De B, sur la cour Je Guillaume Iir\
in het » Archief van Heinsius" (2' deel, blz. 6):
iHij" — Waldeck — »had op gevorderden leeftijd nog een
indrukwekkend en krijgshaftig voorkomen; niemand kon beter
over krijgszaken redeneeren dan hij, of met meer nauwgezetheid
voorzien in alle behoeften van een leger, in het ontwerpen van
het plan van een veldtocht, in het regelen der marschen, in het
zorgen voor den leeftocht; — hoedanigheden, die stellig wel de
voornaamste zijn die men in een generaal kan verlangen. Bij
krijgsraden had hij zijn gelijke niet; — maar bij het eerste schot
dat er werd gelost, raakte zijn hoofd op hol; en of het geest-
drift was, of ontroering, dan was hij zichzelf geen meester meer,
en ongeschikt om bevelen te geven. Men had mij dit gezegd
zonder dat ik het geloofde^ maar ik werd er van overtuigd door
het gevecht bij Walcourt. Niets wetende van den opmarsch der
Franschen, was ons leger aan het fourageeren, of aan het marau-
deeren, toen 's vijands voorhoede in het gezicht kwam van ons
kamp, en onze fourageurs aanviel. Ik was bij de fourageurs van
onze brigade; ik redde mij tijdig met de mijnen, en kwam hem
daarvan rapport maken; het gevecht scheen slecht te zullen
afloopen voor ons, en men begon terug te trekken; ik vond
hem liggende bij een boom, op een hoogte vanwaar hij alles
kon zien wat op de vlakte voorviel; hij had het schuim op* den
mond, en kon bijna niet spreken. Men zeide hem, dat alles weer
behouden terugkwam in het kamp; dat bracht weer eenig leven
in hem; en waarlijk, het was voor hem een bijzonder geluk dat
de vijand ook niets wist van de wanorde die er bij ons was, en
dat hij ons den tijd liet om daarvan te bekomen, en onze stel-
ling te verdedigen; zij vielen die toen aan, aan den kant van
Walcourt, waar zij veel volk verloren en genoodzaakt waren met
schande af te trekken."
Dit geeft geen schitterend beeld van Waldeck : een legerhoofd dat
zoodra de veldslag aanvangt, een soort van vallende ziekte krijgt!
Dr. P. L. Muller, in zijn werk over Waldeck, verwerpt de ge-
loofwaardigheid van wat y^Monsieur De 5." hier over Walcourt zegt :
...iWant iedereen zal toch wel inzien, dat Willem III zijne
legers, en het welzijn van de Republiek en van Europa niet zou
hebben toevertrouwd aan een veldheer, zoo volslagen onbruikbaar
juist op het oogenblik van den veldslag. Voor het overige weet
men thans, hoe weinig men bouwen kan op zulke i mémoires".
Wat blijft er over, bij den grootsten schrijver in dit opzicht, bij
Saint- Simon, als men zijne dramatische verhalen toetst aan wat
het geschiedkundig onderzoek leert? Men kan volstaan met
Digitized by
Google
l6 KRIJGS- EN GESCHICDKUSDIGE BESCHOUWINGEN.
Rousset te raadplegen, dien onmeêdoogenden bestrijder van de
legende die de geschiedenis vervalscht, om in te zien hoe weinig
betrouwbaar dergelijke anekdoten zijn. Zoo moet men ook hier
geen geloof slaan aan die herinneringen van > Monsieur De 6.",
of aan de praatjes der hovelingen van dien tijd." (P. L. Muller.
fVilhelm lil von Oranten irnd Georg Friedrich van IValdeck^ 2* deel,
blz. 65). Muller zegt ook, dat Waldeck een beproefd oorlogsman
was, wiens persoonlijke moed herhaaldelijk gebleken was, onder
andere te SéneflFe.
Muller heeft uitstekende hoedanigheden als geschiedkundige en
als geschiedschrijver: hij is grondig, scherpzinnig, onpartijdig,
helder en duidelijk. Maar in dit oordeel over Waldeck te Wal-
court gaan wij niet geheel met hem mede.
Waldeck was een beproefd oorlogsman {erprobfer Kn'eger\ zijn
persoonlijke moed is herhaaldelijk gebleken, onder andere te
Séneffe; — wij hebben daar niets op tegen; maar wij gelooven
niet, dat dit de voorstelling van zijn zwak gedrag te Walcourt
ongerijmd maakt ; wij herinneren aan het bekende, „// fut brave
tel iour''\ dat op zoo menig krijgsman van toepassing is geweest;
Séneffe is van 1674, Walcourt van 1689, ^^ '^ een tijdvak van
vijftien jaren tusschen die beide gebeurtenissen; kan een mensch
in vijftien jaren tijds niet veranderen? De ouderdom vermindert
meestal de geestkracht; en te Walcourt was Waldeck een man
van ver gevorderden leeftijd; bovendien, te Walcourt was hij
opperbevelhebber, en kan hij neergedrukt zijn geweest door
zijne zware verantwoordelijkheid; te Séneffe was hij onder-
bevelhebber, en dus veel minder verantwoordelijk.
Zou aan Waldeck, als hij zoo «volslagen onbruikbaar'* was bij
een veldslag, door Willem III het opperbevel zijn toevertrouwd ? —
> volslagen onbruikbaar" (völlig unbrauchbaar)^ is eene uitdrukking
niet vrij van overdrijving: Willem III kan misschien wel bespeurd
hebben, dat Waldeck in geestkracht achteruitging, maar toch
geoordeeld hebben dat hij het opperbevel nog wel kon waar-
nemen ; zoo spoedig mogelijk wilde de Stadhouder zelf als opper-
bevelhebber optreden, maar in afwachting daarvan moest die taak
door een ander worden waargenomen; nu was de keus niet zoo
geheel gemakkelijk; het was voor Willem III niet de vraag om
opperbevelhebber te maken den man die daartoe volkomen
geschikt was, — dien man had hij misschien niet — ; maar
hij moest nemen den man die het minst ongeschikt was;
en van Waldeck wist de 'Stadhouder, dat hij hem trouw en
eerlijk was toegedaan en zich geheel door hem zou laten leiden;
dit moest de keuze bepalen, al was het dat men leemten en ge-
breken wist in Waldeck als opperbevelhebber.
De schrijvers van i mémoires", zijn weinig betrouwbaar; zelfs
Saint-Simon wordt afgebroken, als men de historische criliek op
Digitized by
Google
WALCOURT (25 augustus). 17
hem toepast; — dat is maar ten deele waar. Men moet die
• mémoires*' niet onvoorwaardelijk gelooven, zelfs Saint-Simon
niet ; maar dat onvoorwaardelijk geloof moet men evenmin schen-
ken aan de bestoven papieren van een archief, evenmin schenken
aan ofücieele stukken; de officieel e waarheid, is meestal de
waarheid niet. Saint-Simon — om ons tot dezen te bepalen —
slaat wel eens de plank mis; maar dikwijls ook is hij weder-
sproken, zonder daarom weder Ie gd te zijn; wanneer hij bij
voorbeeld zegt dat Louvois naar de Bastille zou zijn gebracht, wan-
neer diens plotselinge dood niet tusschenbeide gekomen ware,
en Rousset dit tegenspreekt, dan is die tegenspraak van
Rousset nog verre van eene wederlegging.
Ons besluit is: die ongunstige voorstelling van Waldeck te
Walcourt kan zeer goed waar zijn.
In datzelfde, door den oud-minister Van der Heim uitgegeven
archief van Heinsius, waarin die » Mémoires de Monsieur De B."
voorkomen, vindt men nog iets over Walcourt; het is een brief
van den generaal Van Wassenaar-O bdam aan Heinsius.
De militaire naam van Obdam is later verloren gegaan door
het gebeurde te Eeckeren, toen hij, terwijl zijn leger den vijand
sloeg, in een oogenblik van radeloosheid het slagveld verliet, en
jals vluchteling te Breda aankwam. Maar in 1689, en nog lange
aren daarna, was Obdam algemeen geacht als een braaf soldaat,
die het hart op de rechte plaats had ; uit wat men van hem weet
kan men echter gerust besluiten, dat hij juist niet heel hoog
timmerde. Zijn brief over Walcourt is geschreven uit het kamp
van Thille-Chasteau, ten noorden van dat stadje, en gedagteekend
26. Augustus, den dag na het gevecht; veel bijzonders vindt men
er juist niet in ; maar opmerkelijk is het, dat daarin van Waldeck
met geen enkel woord wordt gewaagd; van het leger wordt
daarin gesproken, van het legerhoofd niet. Ziehier dien brief,
zooals die te vinden is op bladzijde 9 van het 2' deel van het
Archief van Heinsius :
• Gisteren zijn wij in gevecht geweest met den vijand, die den-
kelijk het feest van den Heiligen Lodewijk heeft willen vieren;
maar hij is er schaap afgekomen. Al onze troepen, zoowel cava-
lerie als infanterie, hebben zich zeer goed gehouden; en hadden
wij niet drie defilés vóór ons gehad, met hellingen, die bij het
afdalen en opklimmen bang maken, wij zouden den vijand nog
wel anders hebben onthaald. De regimenten van de Gardes fran-
(aises en van de Zwitsersche garde, zijn half vernield ; ons verlies
is zeer gering. Een uitvoerig verslag van het gevecht zend ik
aan ntijn vrouw, met last om het u te doen geworden; want ik
heb geen tijd om het te laten afschrijven. Gij kunt niet gelooven,
hoe welgemoed onze soldaten ten strijd gingen. Voor het overige
verwijs ik naar het verslag.
WILLEM m. — III.
Digitized by VjOOQIC
l8 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Gisteren ben ik 13 ^ 14 uur te paard geweest, om mij rechts
en links te begeven; daarna hebben de Graaf van Nassau, de
Prins van Hirckevelt (?), de Heer van Webbenum, en een Graaf
d'Ardagnan die krijgsgevangen is, en eenige andere Heeren, bij
mij gesoupeerd; en een goed glas wijn heeft de vermoeidheid
verdreven. Groot is de blijdschap bij onze troepen, dat zij den
vijand zoo goed hebben afgeslagen. Ik eindig" enz.
Nu wij toch aan dat Archief van Heinsius zijn, willen wij
daaruit nog enkele brieven overnemen, betreffende de krijgsver-
richtingen van 1689.
Allereerst nog een brief van denzelfden generaal Obdam aan
Heinsius, maar van vroegere dagteekening : van den 2isteo Juni
1689, uit de legerplaats bij Heylissem, ongeveer een uur ten
zuiden van Thienen. Wat Obdam daarin zegt over de samen-
stelling en sterkte van het leger, beduidt niet veel; want hij
spreekt alleen over de sterkte die het leger van de Republiek
toen had, en die later veranderde; en hij zegt niet hoe sterk
de Engelsche en Spaansche troepen zijn geweest. Evenmin kan
men veel bouwen op wat hij zegt van de sterkte van het Fransche
leger. Dit schrijven van Obdam bevestigt intusschen wat in de
Hollandsche Mercurius voorkomt, over de ordeloosheid
bij de Engelsche troepen. Ziehier dien brief van Obdam (Archief
van Heinsius, 2* deel, blz. 8):
...» Thans zal ik u spreken over de samenstelling van ons
leger; dat bestaat uit 18 bataljons voetvolk, 24 eskadrons ruiterij
en 2 regimenten dragonders. Frankrijk's leger" — {yarmée de
Frame; want Obdam's brief is natuurlijk in het Fransch ge-
schreven; de adel van dien tijd was er nog meer afkeerig van
de eigen taal te gebruiken dan in onze dagen) — > bestaat uit
24 bataljons voetvolk en 60 eskadrons ruiterij; gisteren hebben
wij dit vernomen met zekerheid. De sterkte van hunne dragon-
ders weet ik niet. Zie nu eens aan, hoe wij in het open veld
kunnen blijven tegenover een zoo sterke ruiterij, en welke ope-
ratiën wij kunnen aanvangen met zulk een handvol volks. Onze
Staten denken altijd dat zij zooveel troepen hebben; en, moet
men ze gebruiken in verschillende landstreken, dan komen er
overal te kort. In Vlaanderen roept men om hulp, die wij niet
kunnen geven; 't is ellendig; ik wilde dat die Heeren eens hier
waren om, zelve, het te zien ; en het is wel naar, dat men nog
niet besloten heeft tot het aanwerven van die 14 compagnieën
ruiterij. Waarlijk, daar moet wat meer veerkracht zijn; bij gemis
daarvan hebben thans vele van onze regimenten nog- maar
3 compagnieën, terwijl de andere er 6 hebben." (Waarschijnlijk
wordt hier gesproken van regimenten ruiterij), ilk bid u, breng
die zaak tot stand, voor het welzijn van *s lands dienst. Geen
Digitized by
Google
WALCOURT (25 augustus). I9
onzer generaals kan het begrijpen, dat men zoo traag is, in zoo
dringenden nood ; en dat men die arme kapiteins tot den bedel-
staf brengt, die zoo groote uitgaven hebben gedaan in het ver-
trouwen op de lastgeving van den Staat...
Zes Ëngelsche regimenten zijn hier in de nabijheid gekomen;
maar het zijn zulke onordelijke troepen, dat men niet weet hoe
er meê om te springen (on ne sgait ^ quelle sauce les mettré)\ en
zij zullen eene groote wanorde in het leger brengen, waar thans
alles vrij ordelijk toegaat, zoodat boeren en boerinnen daar
ongehinderd komen met allerlei koopwaar. Kortom, een groot
geluk is het voor ons, dat de vijand zoo rustig in zijne kwar-
tieren blijft; want trok hij tegen ons op, dan zouden wij in
groote verlegenheid zijn..."
In een anderen brief van Obdam wordt nog het volgende ge-
zegd over die Ëngelsche troepen: >het is droevig om te zien;
Graaf Marlborough doet alles wat hij kan, maar de Kapiteins
hebben er zoo weinig zorg voor, dat het een schande is; zij be-
handelen de soldaten als honden, ontnemen hun de kleeren nog
vóór zij dood zijn, en laten hen moedernaakt op de weg leggen ;
in één woord, zij zijn zonder eenig mededoogen.*'
Niemand zou wenschen, dat thans ons leger behandeld werd
als vroeger het leger van de Republiek; — maar men moet dat
leger van de Republiek vergelijken met de legers van denzelfden
tijd ; en doet men dat, dan komt men tot de overtuiging dat de
soldaat van de Republiek toch veel beter werd verzorgd dan de
Ëngelsche soldaat, of de Fransche, of ieder ander soldaat.
Nu was Willem III ook ijverig in de weer om voor het leger
te zorgen; en uit verschillende van zijne brieven aan Heinsius
— ook van 1689 — blijkt hoe weinig geduldig hij was, als de
Staten zich te veel wilden mengen in het legerbeheer. In die
brieven — ook ontleend aan het Archief van Heinsius — klinkt
een scherpe en gebiedende toon, die duidelijk bewijst dat hij
toen reeds Koning van Engeland is .geworden. Zoo schrijft de
vorst uit Hampton Court, 2/12 April 1689, aan Heinsius:
»Ick ben geïnformeert datter wert gesproocken ofte gedelibe-
reert wcegens het senden van gedeputeerden te velde met den
Vorst van Waldeck; ick versoeck dat UEd. het wil daertoe
dirigeren, datter met voorsigtigheyt magh werden geprocedeert
ende dat die Heeren niet te veel autoriteit magh werden ge-
geven, want anders sal het alles in confusie gaen, en strecken
ten uyterste tot ondienst van den Staet; daer dient oock sorgh
gedraegen te werden, dat er persoonen werden gekoosen die
reckelijk sijn en met den Vorst van Waldeck kunnen overeen-
komen. Ick soude oordeelen, dat het het best soude sijn, indien
UEd. het daer toe kost dirigeeren, dat het maer gedeputeerden
Digitized by
Google
20 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
waeren uyt den Raet van Staten en Gecomitt. Raeden, als het
in mijn tijt was, als ick het leeger commandeerde, want indien
het Gedeput. uyt de Staten^Generael sijn, vrees ick, dat die te
veel autoriteit sullen willen hebben, dat niet als confusie kan
baeren tot groot nadeel van 't landt..."
In een anderen brief van Willem III aan Heinsius (Hampton Court
17/24 Juni 1689) schrijft de Stadhouder ook over het niet aanwerven
van die 14 compagnieën ruiterij, en uit daarover dezelfde klach-
ten als voorkomen in den reeds aangehaalden brief van Obdam :
. . . > 't Is droevigh in desen tijt van de tergiversatie van de
Provintien in 't aenneemen van de 14 comp. paerden; ick heb
daer nogmaels aen Zeelandt over gescreven, ende UEd. dient
het nogh te pousseeren soo veel doenlijck. — Het is seecker
dat Vranckrijck alle artificien sal gebruycken om de Provintien
en leeden van dien onder den anderen te brouilleren ende inson-
derheyt van die teegens mij op te zetten..." enz.
Als men zoo nagaat hoe het krijgsbeheer toen in elkander
zat, dan komt men tot de overtuiging, dat die instelling der
> Gedeputeerden te velde" dikwijls het onderwerp is geweest van
overdreven en onbillijke declamatiën, — zoowel van ónze schrij-
vers als van buitenlandsche. Stelt men de vraag in het afge-
trokkene: tis die instelling goed"? dan natuurlijk moet het ant-
woord zijn: 9 neen, die instelling is niet goed; want in den
oorlog moet eenheid zijn, en het opperbevel over een leger moet
aan slechts één man worden opgedragen." Maar het kwaad dat
er in die instelling was gelegen, werd verminderd, soms geheel
weggenomen door twee oorzaken. Vooreerst waren die Gedepu-
teerden te velde in den regel niet die onbekwame, bekrompene
menschen zooals men ze soms belieft af te schilderen; integen-
deel, het waren meestal mannen van verstand, van ondervinding
en doorzicht, die krijgskennis bezaten, en die vaak belangrijke
diensten bewezen bij het regelen van die handelingen, die thans
bij een leger te velde tot den werkkring worden gerekend van
den Generalen Staf en van de intendance. En ten tweede waren
die Gedeputeerden te velde alleen belemmerend voor een zwak
en onbekwaam legerhoofd; een bekwaam stadhouder, — zooals
onder anderen Willem III, — zorgde er wel voor, dat die Ge-
deputeerden te velde wat »reckelijck" waren en tniet te veel
autoriteit" kregen ; een legerhoofd als Maurits, als Frederik Hen-
drik, als Willem III, had in het geheel geen last van de instel-
ling van de Gedeputeerden te velde; hij maakte van die instelling
»een wassen neus"; en zelfs trok hij er soms partij van, om op
anderen de verantwoordelijkheid te doen nederkomen van han-
delingen, die, nam hij alleen ze op zich, zijn naam afbreuk
zouden kunnen doen in het oordeel van het algemeen.
Digitized by
Google
WALCOURT (25 AUGUSTUS). 21
Men werpe ons niet tegen, Marlborough in den veldtocht van
1705; want in 1705 hadden de Gedeputeerden te velde wel
degelijk de zaak bij het goede einde, Marlborough had ongelijk ;
en om zijne misslagen te verbergen, wierp de listige Ëngelschman
toen alle verantwoordelijkheid op de Gedeputeerden te velde,
alsof deze hem door hun tegenstand belet hadden eene bijna
zekere overwinning te behalen, terwijl zij hem integendeel bewaar-
den voor eene nederlaag die de ergste gevolgen had kunnen hebben.
Dat Waldeck, na het gevecht bij Walcourt, het behaalde voor-
deel niet doorzette en d'Humières niet op zijne beurt aanviel,
wordt hem door Willem III als een misslag toegerekend; >gij
hebt toen te voorzichtig gehandeld", is het verwijt, dat hij in
een zijner brieven tot Waldeck richt.
Er zijn redenen om de gegrondheid van dat verwijt in twijfel
te trekken: de Stadhouder, ja, zou zóó gehandeld hebben, als
hij wilde dat Waldeck had gehandeld; en onder zijne krachtige
leiding had die aanval op d'Humières mogelijk wel tot eene
overwinning kunnen leiden. Maar van een zoo weinig krachtvol
legerhoofd als Waldeck was zulk een aanval niet te wachten;
en ware zij ondernomen, zij zou denkelijk eene slechte uitkomst
hebben gehad. Wat de een kan, kan daarom de ander nog niet.
Dat Willem III echter, niettegenstaande die berisping, zeer
goed gezind bleef jegens Waldeck, blijkt uit den volgenden brief,
door den Stadhouder aan Heinsius geschreven, uit Hampton
Court den 17/27 September 1689. Bij Waldeck's leger had men
toen, behalve hem zelven, nog twee andere veldmaarschalken,
namelijk: Hendrik Casimir, den Stadhouder van Friesland; en
den graaf van Nassau-Sarbruck. Gedeputeerden te velde waren
toen de Heeren Van Noordwijk en Van der Cloese. Willem III
schijnt gevreesd ie hebben, met of zonder grond, dat door die
allen inbreuk zou worden gemaakt op het gezag van Waldeck;
en dat ook de Raad van State zich te veel inliet met het beheer
van de krijgszaken; en op gebiedenden toon verheft zich de
Stadhouder tegen wat, in zijn oog, inbreuken waren op zijn
eigen gezag:
> De Conduite van den Raat van Staaten begint in alle zaaken
onverdragelijk te werden. Zij hebben ordre aan den Hr. Van
der Cloese gesonden, om aen de drie veltmaarschalken in 't leeger
haare sentimenten te vraagen, hoe de trouppes van de Staat
deesen winter te logeeren, een saack daer sij niet meede te
doen hebben, want al hoe wel mij ofte den vorst van Waldek
in mijn naem het regt van patenten" (marschorders) »ie geeven
soude werden gedisputeert (*t welk ik niet en zal lijden) soo is
het in alle gevalle aan haar dispositie niet, maar aan H. H. E.
Mog.; zoo dat in deese saak twee malitien steeken, de eene om
Digitized by
Google
22 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
mijn authoriteit te verminderen en d' andere om den vorst van
Waldeck egaal te stellen met de twee andere Veltmaerschalken,
daer hij en chef commandeert. Dit moet het werk weesen van
den Hr. Huybert, ofte den Secretaris Slingelandt, ofte mogelijk
alle beide te saaraen, al hoe wel zij in andere zaaken niet eens
en zijn. De eerste heeft nog een zaak gedaen die onverdragelijk
voor mij is, dat hij zijnde alleen present in den raad, de Majoors-
plaats van de Stadt van Breda heeft vergeeven, daar ik zonder
dispuyt het vergeeven heb van Commandeursplaetsen; dat dit van
Majoor altoos apart is geweest, ja dat ik ook zelf heb vergeeven,
zoo dat ik daar over in krachtige termen aan den Raad heb
geschreeven en aan den Gouverneur belast, dien aangestelden
majoor niet t' erkennen en indien* deselve aireede in functie was,
daer uyt te stellen. UEd. wil zig weegens deeze zaake infor-
meeren ende zoo veel doenelijk tragten te prevenieeren dat sulke
impertinentie niet meer en geschiedde. Het waar niet quaad dat
UEd. daer over selfs sprak met den Secret. Slingeland; ik be-
klaag den goeden vorst van Waldeck van al mijn hart, weegens
alle de moeijelijkheeden en wederwaardigheden, die hem werden
continueelijk aangedaan: hij moet werden gemaintineerd of hij
kan den dienst van 'c land niet blijven waarneemen.**
Geen malsche brief; integendeel: een brief die op pooten
staat. — Een enkele opmerking daarover.
Natuurlijk niet over den stijl of de spelling van dien brief;
daarop mag men bij Willem III niet letten: hij was de man van
daden, niet van woorden; omtrent de spelling bekreunt hij zich
dan ook hoegenaamd niets : in denzelfden brief nu eens Waldek,
zonder c. dan weer Waldeck, met een c; nu eens Slingelandt,
met een /, dan weer Slingeland, zonder /,• dan eens de aa^ dan
weer ae enz. Maar dat zijn beuzelingen, waarbij men zich niet
mag ophouden; — iels anders bedoelt de opmerking, die wij
hier willen maken.
Willem III handhaafde een groot gezag in de Republiek, dit
is onbetwistbaar: wanneer hij echter deswege spottenderwijze
wordt genoemd > Koning van Holland", dan moet men dit vol-
strekt niet zóó verstaan, dat het gezag van den Stadhouder
onbeperkt was, dat het zoo wat gelijkstond met het gezag van
Lodewijk XIV of andere vorsten van dien tijd : daartusschen was
nog een groot verschil. Ontmoette de Stadhouder tegenstand of
tegenwerking bij zijne openbare handelingen, dan wees hij op
krachtigen en onbewimpelden toon aan, dat die tegenstand onrecht-
matig was, en dan wist hij die tegenwerking meestal te doen
ophouden. Maar Lodewijk XIV had geen aanwending van drang-
redenen of van invloed noodig om tegenwerking bij zijne regee-
ringshandelingen te overwinnen: hij had de Bastille; om niet te
spreken van zwaardere straffen, die hij ongehinderd kon aan-
Digitized by
Google
WALCOURT (25 augustus). 23
wenden. Vandaar dan ook, dat in Frankrijk niemand het toen
lichtelijk waagde inbreuk te maken op 'sKonings gezag; wie het
deed, stelde zich daardoor in den toestand van openlijke rebellie.
Het gezag van Willem III in Holland was van een geheel
anderen aard : het berustte op den grooten invloed van zijn persoon.
Maar niet op dien persoonlijken invloed alleen : als middel om
zijn gezag te schragen^ of uit te breiden, bezigde de Stadhouder
ook de omkooping; en dit is eene der schaduwzijden geweest
van zijn bestuur over de Republiek.
Men moet dat woord omkooping nu niet nemen in die be-
perkte beteekenis, die eenmaal de Engelsche minister Walpole
daaraan gaf, toen hij zeide, dat hij wist voor welke som hij ieder
lid van het Parlement voor zich kon winnen: omkooping kan
plaats hebben ook zonder geld, alleen reeds door het begeven
van ambten, waardigheden of eereblijken. In dien zin bracht
Willem III toen in Holland de omkooping in toepassing: bij het
begeven van hooge of winstgevende betrekkingen had hij dikwijls
óf de beslissende stem, óf oefende hij ten minste grooten invloed
op de begeving; dit wist men; en vandaar, dat wie naar zulk eene
betrekking dong, de gunst trachtte te winnen van Willem III;
vandaar dat het den Stadhouder niet moeilijk viel om, door dit
middel, zich aanhangers te verwerven, of tegenstanders tot zwijgen
te brengen. Is dit iets anders dan omkooping?
Men werpe ons hier niet tegen, dat zulk een wijze van regeeren
de gewone gang van zaken is^ en dat ook in ónze dagen om
ambten wordt verzocht en gekuipt; — dit moge waar zijn, toch
lijdt het geen twijfel, dat dit kwaad thans niet in die mate voor-
komt, niet op zoo onbeschaamde wijze als op het einde van de
17e eeuw in de Republiek; het was toen een gesolliciteer en een
geïntrigeer zonder einde; men wordt er weê van als men het
leest £en man die een hooge betrekking heeft bekleed, is nauw
dood, zijn lijk is nog niet koud, of er wordt reeds gevraagd om
die betrekking; zelfs wacht men soms het overlijden niet af,
maar bouwt zijn verzoek op den hoogen leeftijd, of eene zware
ziekte van den man naar wiens ambt men dingt.
Dat verderfelijke regeeringsbestuur deed ook op de inrichting
van het krijgswezen zijn invloed gelden, en was de oorzaak van
het in stand houden van menig misbruik. In dezen tijd komt,
in een der brieven van Willem III, zijn voornemen voor om bij
de infanterie van de Republiek het regiment samen te stellen uit
16 compagnieën; daarvan zullen er 12 te velde trekken, en de
4 andere in bezetting komen in eene vesting, en dienen tot aan-
vulling van de verliezen der veldcompagnieën ; — het is, zooals
men ziet en zooals ook Muller opmerkt, eene toepassing van
het tegenwoordige stelsel der depötbataljons; een zeer goed
stelsel; dat • voornemen bewijst welk een helder en juist inzicht
Digitized by
Google
24 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
de Stadhouder had in de inrichting van het krijgswezen. Maar
het is bij het inzicht gebleven; de uitvoering heeft niet plaats
gehad; zelfs komt de Stadhouder, later, daar niet op terug; —
waarom niet? — Denkelijk omdat hij heeft begrepen, dat die
voorgenomen maatregel, heilzaam voor het algemeen belang, af
zou stuiten op het bijzonder belang van allen, die door dien
maatregel geldelijk benadeeld zouden worden.
In Duitschland hadden de krijgsverrichtingen van 1689 zich
hoofdzakelijk bepaald tot het beleg en de inneming van Bonn
en van Mainz, en tot eenige voorafgaande krijgsverrichtingen bij
den neder-Rijn; de laatste misschien weinig belangrijk, maar die
ook daarom vermelding verdienen omdat troepen van de Repu-
bliek daaraan een gewichtig aandeel hadden.
In het begin van Maart was eene HoUandsche troepenmacht
Kleefsland binnengerukt, om, in verband met een Brandenburgsch
leger, de Fransche troepen, die het bisdom Keulen in bezit had-
den genomen, daaruit te verdrijven. Hoe sterk die afdeeling was^
die de Republiek hier deed optreden, is niet met zekerheid te
zeggen; die sterkte moet niet onaanzienlijk zijn geweest, daar
later 7 regimenten ruiterij naar de Nederlanden terugkeerden, en
desniettemin bij het beleg van Bonn ook nog HoUandsche troe-
pen aanwezig zijn geweest. De Brandenburgsche generaal Schöning
schijnt het opperbevel te hebben gevoerd over die vereenigde
macht; maar onze generaal Aylva is bevelhebber geweest van
de voorhoede, en was een van de krachtigste aanvoerders. Die
Fries verdient eene bijzondere vermelding.
Aylva behoorde tot dat oude geslacht, in Friesland's geschie-
denis zoo beroemd, maar thans geheel uitgestorven, zooals meer
andere historische Friesche geslachten. Zijne landgenooten hebben
wel eens het zwak, de deugd der vaderlandsliefde te overdrijven;
en van den hoogen lof waarmede zij gewoon zijn te gewagen
van Friesche mannen en van Friesche instellingen, moet men
soms wel een weinig afdingen; — maar den lof dien zij dezen
Aylva toezwaaien, berust denkelijk op goede gronden; en uit
alles schijnt te blijken, dat hij een ideaal is geweest van een
held en van een oorlogsman. In de reeds aangehaalde yyMémoires
de Monsieur de B. sur la cour de Guillaume Iir\ leest men onder
andere over Aylva het volgende:
»De Heer Van Aylva, een Friesch edelman en Luitenant-
Generaal, was een ware god Mars, wat het voorkomen, de dap-
perheid en de goede hoedanigheden betrof. Moedig in den oor-
log, was hij, in het gewone leven, goed, gemeenzaam en eerlijk
tegen iedereen. Vol trouw en ijver voor zijn vaderland, zou hij
dit tot roem en tot steun zijn geweest, indien hij niet ontijdig
Digitized by
Google
OPERATIËN IN KLBEFSLAND. 25
ware gestorven, door den val van een paard, toen hij nog zoo
nuttig bad kunnen zijn."
Met dat laatste bedoelt die heer de B., dat hij het betreurt dat
Aylva door den dood werd verhinderd om deel te nemen aan
den Spaanschen successie-oorloge >^aar zijne krijgsdeugd hem
zeer zeker nog grooteren roem zou hebben doen verwerven.
Den loen Maart 1689 rukte Aylva op van Xanten, met de
ruiterij en dragonders der Republiek, eenige musketiers en 3
lichte veldstukken; te Alpen had de vereeniging plaats met de
Brandenburgsche ruiterij, die, onder Schöning, van Wezel was
gekomen ; de vereenigde macht zette dien dag den marsch voort
in zuidelijke richting tot aan het klooster te Kamp, en lichtte
eene vijandelijke veldwacht op. Den iien werd de marsch in
zuidelijke richting voortgezet; Aylva had de voorhoede; te Meurs
vernam men dat een vijandelijk konvooi van 150 met koren be-
laden karren, voor Rijnberk bestemd en begeleid door een 300
man voetvolk, op het vernemen van den opmarsch der Hollan-
ders ijlings was teruggekeerd; Aylva rende daarop vooruit met
de dragonders en 3 eskadrons ruiters; en een 2^3 uur voorbij
Meurs, bij het stadje Ordingen aan den Rijn, gelukte het hem
het konvooi in te halen, ie nemen, en de helft der bedekking
gevangen te maken. Nu moet hierbij worden gevoegd, dat die
bedekking bestond uit Duitsche troepen, die denkelijk niet veel
lust hadden om voor de zaak van Frankrijk te vechten; in zijn
rapport aan Waldeck schrijft Aylva dan ook — na gezegd te
hebben dat de Hollandsche troepen geen enkelen man ver-
loren — , van de Duitschers: »hier uyt kan Uw Hoogheyt oor-
deelen, dat sij baer, sonder te verweeren, overgegeven hebben."
Den i2en Maart, legen den middag, kregen de bondgenooten
te Ordingen bericht, dat eene vijandelijke macht, van Neuss
komende, tegen hen in aantocht was; dadelijk opgezeten, vond
de ruiterij van Aylva den vijand dan ook in slagorde, nagenoeg
ter hoogte en tegenover Keizersweert ; het was een 800 man
voetvolk en een 25 eskadrons, onder De Sourdis. Na de stelling
der Franschen te hebben verkend, besloot men die aan te vallen ;
maar De Sourdis, dien aanval niet afwachtende, ging op Neuss
terug, bij dien terugtocht ieder défilé dat hij doortrok, bezettende
met afgestegen dragonders. Aylva, met zijne ruiterij den vijand
nazettende, met zooveel drift dat hij op het laatst maar een
derde deel van zijne macht bij zich had, verdreef, voor en na,
de dragonders uit de engten die zij bezet hielden; haalde, op
een uur afstands van Neuss, De Sourdis in; en bracht hem een
geheele nederlaag toe; — de Franschen verloren hier meer dan
500 man, terwijl van de Nederlanders slechts 10 man sneuvelden.
Dit gevecht verspreidde zooveel schrik bij den vijand, dat hij
Digitized by
Google
26 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
den i3en Neuss ontruimde en op Bonn terugtrok, >in de grootste
haest ende confusie van de werelt", zegt Aylva. Het sterke kas-
teel van Linne — een klein half uur ten zuiden van Ordingen —
gaf zich toen over nnet een honderd man die daar in bezetting
waren; Neuss werd zonder slag of stoot bezet; Rijnberk werd
niet aangevallen, maar gaf zich — half Mei — zonder verdedi-
ging over; en Keizersweert volgde den 25stcn Juni dit voorbeeld,
na eene verdediging die maar vier dagen duurde.
Met Bonn ging het minder goed ; daar was eene sterke Fransche
bezetting, een 8000 man ; en, wat meer zegt, een uitstekend be-
velhebber, d'Asfelt, een man van groote bekwaamheid en moed.
Willem III was dan ook zeer tegen dat belegeren van Bonn,
waardoor gedurende het jaar 1689 een aanzienlijke legermacht
werd beziggehouden, die hij gaarne in de Nederlanden had
werkzaam gezien: »'t is ten uytersten bedroeft" — zoo schreef
hij den 13/235160 Augustus 1689 uit Hampton Court aan Hein-
sius — 9 en nog schadelijker de onseeckerhejd van de Branden-
burgsche resolutien, ende de laatste die deselve heeft genoomen
om nu Bon effectivelijck te beleegeren is de qualijkste partij
van allen die hij naer mijn oordeel koste neemen, en 't welck de
operatien van de andere armeen teenemael zal deconcerteeren,
ende waar het nog mogelijk zoo diende de Keurvorst van dat des-
sein te worden gedetourneert." (Archief van Heinsius, 2" deel, blz. 4).
Maar het was niet mogelijk om den Keurvorst » van dat dessein
te detourneeren" ; hij bleef er bij, dat Bonn moest worden belegerd;
in de eerste dagen van Juli begon dat beleg, en eerst den i2en
October 1689 had de overgave plaats; — een beleg dat dus drie
maanden duurde, en dat den bondgenooten op zware verliezen kwam
te staan. De Fransche bezetting, tot op een groote 5000 man
verminderd, verwierf vrijen uittocht; d'Asfelt stierf kort daarna
aan zijne wonden, »met de roem** — zegt de HoUandsche
Mercurius — > van sigh een wacker soldaet getoont te hebben."
De lange duur van het beleg van Bonn was ook eenigszins toe'
te schrijven aan het gedurende eenigen tijd minder krachtig door-
zetten van dat beleg, doordat eene Branden burgsche afdeeling
van een 6000 man van Bonn naar Mainz werd gezonden, om
mede te werken tot den val van die laatste vesting. In Coehoorn's
levensbeschrijving door zijn zoon komt ook de bewering voor,
dat de werkzaamheden van het beleg op verkeerde wijze werden
bestuurd; dat de groote vestingbouwkundige, die als aanvoerder
van een regiment voetvolk dat beleg bijwoonde, den Keurvorst
dat verkeerde aanwees; en dat het opvolgen van Coehoorn's
raad daarop den val der vesting heeft bespoedigd; — in hoever
die bewering gegrond is, valt moeilijk te zeggen.
Digitized by
Google
MAINZ. 27
Het beleg van Mainz, den 6en Juli 1 689 door den hertog van
Lotharingen met een rijksleger begonnen, eindigde daarmede dat
de Fransche bevelhebber d'Uxelles den Qcn September zijne ves-
ting overgaf, een vrijen aftocht bedingende voor de bezetting,
die nog een kleine 7000 man uitmaakte. De verdediging van
Mainz is goed geweest en heeft den belegeraar nog al verliezen
gekost; die verdediging zou langer hebben geduurd, ware Mainz
genoegzaam voorzien geweest van buskruit: het gebrek daaraan
verhaastte de overgave. De beschuldiging, bij Rousset voorkomende,
dat de Duitschers, na de overgave van Mainz, eenige gewonde Fran-
sche soldaten in den Rijn hebben verdronken, wordt eenigszins
bevestigd door de volgende opgave in de Hollandsche Mer-
curius: >Uyt de St. Stephens kerck voerde men veele karren
met doode fransse na den Rhijn en wierp ze van *t lant af;
daer onder uyt het geluyt maken gegist wiert, dat sware gequet-
sten zieltoogden." — Het zou dus maar per abuis gebeurd zijn?
Dat Mainz zich had moeten overgeven door gebrek aan bus-
kruit, werd aan Louvois geweten ; hij werd daarover gegispt door
de openbare meening in Frankrijk ; — niet ten onrechte, gel 00 ven
wij; want hij die met het beheer van het krijgswezen is belast,
moet zorgen dat de noodige krijgsmiddelen aanwezig zijn waar
het vereischt wordt. Het aanzien van Louvois was toentertijd aan
het tanen; hij daalde in de gunst van Lodewijk XIV; mevrouw
De Maintenon was niet meer zijn beschermster; en de minister
van marine, Seigneloy, de talentvolle zoon van Colbert, begon
den naam van Louvois afbreuk te doen. Toch was het nog
noodig, dat de misbruiken in het Fransche krijgswezen met
ijzeren hand werden te keer gegaan; — overtuigend zal dit
blijken, als men leest wat Rousset (4' deel, blz. 233) zegt over
de Fransche hospitalen van dien tijd:
tDe intendant De la Four — bij het leger van den Rijn —
schrijft, 5 September 1689, ^^" Louvois onder andere: >de sol-
daten blijven liever ziek in de legerplaats, dan naar het hospitaal
te gaan, waar zij slecht worden behandeld." — Drie dagen te
voren, den 2en September, schreef dezelfde intendant aan Lou-
vois, dat hij naar Straatsburg was gegaan om het hospitaal te
inspecteeren ; hij had gezien, dat de meeste zieken met hun
drieën in één bed lagen, eigenlijk op den grond, zonder matras,
op een enkelen stroozak. »Die arme kerels sterven en zullen
blijven sterven, indien zij niet beter worden verzorgd, want het
grootste deel lijdt aan bloedontlasting, en dit brengt bederf en
aansteking teweeg, daar zij met hun drieën op één bed slapen." —
Den 29sten October schrijft de maarschalk De Lorge aan Lou-
vois: tik zal onderzoek doen naar de klachten van de troepen
over de hospitalen van Mont-Royal en Sarre-Louis. Ik weet dat
die klachten over het geheel inhouden, dat de meeste soldaten
Digitized by
Google
28 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
op Diets anders liggen dan op stroo, met hun drieën in één bed ;
dat de chirurgijns domkoppen zijn, zeer lui in het verzorgen van
de zieken, en dat zij, om een haverklap en zonder noodzake-
lijkheid, armen en beenen afzetten. Zooveel is zeker dat, over
het geheel genomen, alle zieken en gewonden daar sterven,
lederen dag moeten de hospitalen worden geïnspecteerd door
een kapitein ; maar het kwaad is daarin gelegen, dat de kapitein,
uit vrees voor besmetting, de zieken niet bezoekt; en ik geloof
dat de cornm/ssatre de guerre al even weinig doet als de kapitein."
Den loen Januari 1690 schrijft Louvois aan La Grange (een
intendant): »het is onnoodig om nog inspecteurs in de hospi-
talen te hebben, want daarvoor worden de commtssaires de guerre
betaald. Alles zal goed gaan, als de intendant en de commissaire
de guerre er maar voor waken, dat de aannemer zijn plicht doet ;
maar laat men hem den baas spelen, dan zal alles altijd ver-
keerd gaan."
Gewagende van de hospitalen en van het jammerlijk beheer
der aannemers, is het niet onnoodig om een vroegeren brief —
van 7 Mei 1683 — van Louvois aan den intendant La Grange
aan te halen: »ik heb gelezen wat gij tot nu toe op het spoor
zijt gekomen ten aanzien van de schurkerijen van pater Mon-
teiller*' (belast met het beheer van de hospitalen in den Elzas);
• daar verdere schuldbewijzen onnoodig zijn om hem te straffen,
dewijl hij zijn vergrijp heeft bekend, zoo vindt de Koning goed,
dat gij hem doet veroordeelen om door den scherprechter in alle
hospitalen van den Elzas te worden rondgeleid, met een bordje
op borst en rug, waarop te lezen staat: lands dief {fripon
pubHc)\ en dat hij daarna levenslang uit den Elzas worde ge-
bannen. Van de traktementen der bataljonscommandanten zult
gij de sommen afhouden, die zij zich toegeëigend hebben in
verstandhouding met pater Monteiller.**
Dat de oneerlijkheid streng gestraft wordt, is zeer goed ; maar
de ongelijkheid in de straf is af te keuren : waren die bataljons-
commandanten minder schuldig dan pater Monteiller?
Van Italië behoeft, over 1689, weinig gezegd te worden: daar
viel niets bijzonders voor, behalve dat de hertog van Savoye
zich bij de bondgenooten aansloot. Die vroegere gebieders van
Savoye zijn bij de Europeesche oorlogen in Italië herhaalde
malen van partij verwisseld, al naar gelang hun belang dit mede-
bracht; daardoor hebben zij hunne macht gedurig uitgebreid,
totdat zij ten laatste, in ónze dagen, geheel Italië onder hunne
heerschappij hebben gebracht, — op gelijke wijze als het huis van
Brandenburg thans den schepter zwaait over geheel Duitschland.
Die beide vorstenhuizen zijn groot geworden door eene staat-
kunde^ die zich vooral gekenmerkt heeft door behendigheid.
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN IN IERLAND. 29
Van meer gewicht waren, in 1689, de krijgs verrichtingen op
de Britsche eilanden.
In Engeland zelf had Willem III om zoo te zeggen geen ge-
wapenden tegenstand ondervonden; ook Schotland onderwierp
zich aan zijn gezag; wel werd daar, ten voordeele van koning
Jakobus, een opstand bewerkt door den markies van Dundee-
Claverhouse, den dapperen aanvoerder, zoo verschillend afge-
schilderd door Walter Scott en door Macaulay — ; maar toen \^^
in het begin van Augustus 1689 een veldslag plaats had tusschen
de opstandelingen en de door Mackay aangevoerde troepen van
Willem III, waarin wél Mackay werd geslagen, maar Claverhouse
daarentegen sneuvelde, ging de macht der Jakobieten uiteen en
vond de heerschappij van den nieuwen Koning geen bestrijders
meer in Schotland.
Maar vooral op Ierland was de hoop van koning Jakobus
gevestigd. Het groene Erin was toen even woelziek en onrustig
als het vroeger en later altijd is geweest; daar woont een won-
derlijk volk, dat door vele goede en schitterende hoedanigheden
sympathie verdient; dat zich zeer zeker niet ten onrechte verzet
tegen vreemde onderdrukking; maar dat, door een volslagen
gemis aan gezond verstand, maar niet tot orde en vrijheid schijnt
te kunnen komen, en voortdurend de* verzoenende hand afwijst,
die Engeland het herhaaldelijk aanbiedt. Daar had Jakobus tot
onderkoning aangesteld den hertog van Tyrconnel, een afstam-
meling van het oude geslacht der Talbots. Tyrconnel — door
Macaulay te ongunstig afgeschilderd — betoonde zich een trouw
en bekwaam dienaar van de Stuarts ; hij verwierp de uitnoodiging
van Willem III om zich aan hem te onderwerpen ; hij verklaarde
zich integendeel met ijver voor het gezag van koning Jakobus;
hij bracht de Katholieke bevolking van Ierland — verreweg het
talrijkste deel — onder de wapenen ; en de Protestantsche Ieren,
natuurlijk aanhangers van Willem III, werden zoodanig ten onder
gebracht, dat geheel Ierland Jakobus gehoorzaamde, behalve drie
steden in het noorden: Londonderry, Inniskillen en Coleraine.
Koning Jakobus begreep toen dat het zijn plicht was om zijne
lersche onderdanen niet alleen te laten strijden voor zijne zaak,
maar zich aan hun hoofd te stellen. De verdreven vorst was
door Lodewijk XIV ontvangen met echt koninklijke gastvrijheid ;
maar minder ingenomen met hem, was het Fransche volk zelve; —
en wanneer hier gesproken wordt van het Fransche volk, dan
worden daarmee alleen bedoeld de hoogere standen : al het andere
telde toen niet mede. De Engelsche koningin,, daarmee was men
nog al ingenomen; met den Koning, niet; die boezemde weinig
achting in. Roussét (4» deel, blz. 188 — 189) beroept zich op
Digitized by
Google
30 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
madame De Sévigné om de denkwijze in Frankrijk over Jakobus II
en zijne vrouw aan te duiden:
...>Met die Koningin is men ingenomen/' zeide madame De
Sévigné; >zij heeft veel geest; alles wat zij zegt is verstandig en
waar. Met haar man is dat anders; moed heeft hij wel, maar
een alledaagsch verstand; wat er in Engeland gebeurt is, vertelt
hij op zoo ongevoeligen toon, dat men met hem te doen heeft.
Hij is niet kwaad, en woont alle genoegens van Versailles bij."
(Brief van den iien Januari 1689). Wat later, gewagende van
een souper dat de hertog De Chaulnes, de gouverneur van
Bretagne, aan Jakobus II gaf, zeide madame De Sédgné nog:
*die Koning heeft gegeten, alsof er geen Prins van Oranje op
de wereld was"; en dadelijk daarop zegt zij, bij wijze \an tegen-
stelling : 9 wat een weergasche kerel is toch die Prins van Oranje !
Als men nagaat, dat hij alleen heel Europa in rep en roer brengt !
Wat een schitterende ster ! (que/k éfoiIe!)'\ (Brief van den i len Maart).
Jakobus scheepte zich, in de eerste dagen van Maart 1689, te
Brest in, van waar een Fransche scheepsmacht hem naar Ierland
moest overbrengen ; de onttroonde vorst was door den Franschen
koning voorzien van een aanzienlijke som gelds, en werd verge-
zeld door een aantal van zijne uitgeweken aanhangers en door
eenige Fransche officieren. Tegenwind was oorzaak dat de Koning
eerst den lyen Maart te Kingsale, op de zuidkust van Ierland,
landde; van daar begaf hij zich over Cork naar Dublin, en werd
kort daarop in die hoofdstad begroet door d'Avaux, den vroe-
geren Franschen gezant in Den Haag, en nu gezant bij Jakobus.
Uit Frankrijk kwam gedurig toevoer voor de lersche Jakobieten ;
eene Engelsche vloot, onder Herbert, wilde dit beletten; maar,
na een vrij onbeslist gevecht tegen eene Fransche scheepsmacht
onder Chateau-Renaud op den 11 en Mei bij de baai van Bantry,
geheel in het zuidwesten van Ierland, keerde de vloot van Her-
bert naar de Engelsche kusten terug.
In Ierland poogden de Jakobieten in 1689 zich meester te
maken van de enkele sterke steden in Ulster — het noordelijkste
gewest — die nog de partij van koning Willem hielden; zij ver-
meesterden Coleraine, deden een vruchteloozen aanval op Innis-
killen, en spanden hunne uiterste krachten in om de stad Lon-
donderry te bemachtigen.
Het verhaal van dat beleg van Londonderry behoort niet tot
het bestek van onzen arbeid; toch kunnen wij het niet geheel
onvermeld laten; daartoe heeft het eene te groote en te welver-
diende geschiedkundige vermaardheid verkregen. De verdediging
van Londonderry beslaat in de Engelsche geschiedenis eene even
schitterende bladzijde als de verdediging van Haarlem en Leiden
in de onze; en de naam van Walker verdient in éénen adem te
Digitized by
Google
KRIJGSVKRRICHTINGEN IN IERLAND. 3I
worden genoemd met de glorievolle namen van Ripperda en van
Van der Werf.
Engelsche geschiedenis, zeiden wij; want de verdedigers
van Londonderry in 1689 zijn, zoo niet Ëngelschen, dan toch
afstammelingen van Engelschen geweest, Engelsche Ieren, door
afkomst en kerkleer geheel vreemd, en geheel vijandig aan het
eigenlijke lersche volk. Walker, het hoofd der verdedigers, de
ziel van de verdediging, behoorde eigenlijk tot den geestelijken
stand, — hij was rector (Engelsche opperpredikani), maar het
was een predikant, zooals die in vroeger jaren veelvuldig waren — ,
die even gaarne de krijgstrompet hoorden als het orgel, die het
oorlogspaard wisten te mennen en het slagzwaard te zwaaien;
echte vertegenwoordigers van wat een nieuwer Engelsche schrijver
— Kingsley — >het gespierde Christendom" heeft genoemd
{ptuscular Chrhtianity),
In Londonderry was aanvankelijk eene geregelde troepenmacht
in bezetting; maar den bevelhebber daarvan — den kolonel
Lundy — sloeg de schrik om het hart, toen hij hoorde dat ge-
heel Ierland zich voor Jakobus had verklaard, en eene sterke
legermacht oprukte om Londonderry te doen vallen. Lundy ging
zóó ver, den vijand aan te bieden om de stad zonder slag of
stoot over te geven; en toen dit belet werd door de hoofden
der lersche Protestanten, verwijderde zich de onwaardige bevel-
hebber, en haalde een paar regimenten over, — die uit Engeland
waren ingescheept naar Londonderry — , om, evenals hij, de ver-
dediging van die stad op te geven en naar Engeland terug te
keeren.
De verdedigers van Londonderry droegen toen het opperbevel
op aan twee mannen: den predikant Walker, en den kolonel
Baker; — de laatste is gedurende het beleg gestorven, door
ziekte of vermoeienis. Hèt beleg heeft geduurd van de helft van
April tot den laatsten Juli, — drie en een halve maand; toen
werd het opgebroken, nadat Engelsche schepen, de rivier Lough
Foyle opzeilende, er in geslaagd waren om het uitgehongerde
Londonderry van levensmiddelen te voorzien; — dit moet een
oogenblik geweest zijn, als toen de eerste schepen van Boisot in
Leiden den zoo lang verbeiden leeftocht brachten. Dat het beleg
van Londonderry, uit het oogpunt der krijgskunst, groote waarde
heeft, niemand zal dit beweren; — evenmin als het beleg van
Leiden; — maar de dapperheid schittert hier, evenzeer als bij
de verdediging van Haarlem. De bezetting van Londonderry telde
7000 man, geïmproviseerde soldaten, zonder krijgsonder vinding,
maar bezield door vurige geestdrift ; — en de groote 20 000 man,
die, onder den Franschman De Rosen en onder Berwick, een
basterdzoon van koning Jakobus, de stad belegerden, lieten aan
militaire waarde ook veel te wenschen over; het waren niet de
Digitized by
Google
J
32 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
uitmuntende Spaansche troepen die Haarlem en Leiden hebben
aangevallen. Dat beleg van Londonderry bestaat dan ook maar
in het aanleggen van loopgraven en batterijen, en in het be-
schieten van de stad; maar van bressen is geen sprake; en
onophoudelijk doen de belegerden met groote onversaagdheid
uitvallen, die meestal roet geluk worden bekroond. De voorname
verdienste van de verdediging bestaat echter in het zóó stand-
vastig verduren van den hongersnood.
Het was reeds in de tweede helft van Augustus 1689, dat in
Engeland een leger zich inscheepte en onder zeil ging naar
Ierland. Hoe sterk dat leger geweest is, is niet duidelijk; eene
enkele opgave spreekt wel van een 40 k 50000 man; maar dat
is een geheel onbepaalde, een geheel onbetrouwbare opgave,
stellig zeer overdreven; men heeft misschien wel het voornemen
gehad om zulk een leger naar Ierland te zenden, maar de uit-
voering is verre beneden dat voornemen gebleven. Zoo blijkt
onder andere dat een deel der ruiterij eerst zeer laat in Ierland
is gekomen; en dat 7000 man Deensche troepen — 6000 man
voetvolk en 1000 ruiters — waarop men gerekend had, eerst op
het einde van 1689 zijn aangekomen, nog niet eens in Ierland,
maar pas in Engeland of Schotland. Dat er Nederlandsche troe-
pen waren bij dat leger dat in 1689 in Ierland optrad, lijdt geen
twijfel; en onder de bevelhebbers wordt Ginckel genoemd, die
hier het tooneel betrad van zijn toekomstigen krijgsroem. De
opperbevelhebber was de oude maarschalk Schomberg, een man
van veel naam, en die vroeger dien naam misschien wel ver-
diende, maar nu was Schomberg, door de jaren, aan geestkracht
verminderd en daardoor niet het beste legerhoofd dat men had
kunnen kiezen. Hop, die toen als een soort van gezant in Enge-
land was, schreef den 5/15 November 1689 aan Heinsius: >daer
sijn er die meynen dat in de vigeur en activiteit van den goeden
ouden Heer Van Schomberg in het verloop van desselfs jaren
vermindering soude werden bespeurt."
Veel bijzonders richtte Schomberg in 1689 dan ook niet uit.
Den 23sten Augustus geland te Bangor, op de noordoostkust van
Ierland, nabij Belfast, maakte de Maarschalk zich meester van
laatstgenoemde stad, en spoedig daarop en zonder grooten tegen-
stand, van het geheele noordelijke deel van Ierland. Den laen Sep-
tember stelde toen het Engelsche leger zich in beweging naar
het zuiden, naar Leinster, naar de hoofdstad Dublin; heel ver
ging die beweging echter niet; want bij Drogheda, bij de mon-
ding van de rivier de Boyne, ontmoette men het leger van
koning Jakobus, een 27 000 man sterk. De beide legers bleven
eenigen tijd werkeloos tegenover elkander; geen van beide schijnt
lust te hebben gehad om aan te vallen; en toen nu het slechte
Digitized by VjOOQIC
lÓQo. 33
weer inviel betrokken de beide partijen — in October — de win-
terkwartieren, en was de veldtocht van 1689 in Ierland geëindigd.
HOOFDSTUK XXII.
1690; FLEURUS; BEACHY-HEAD (BEVESIER) ; IERLAND.
Voor 1690 had Frankrijk zich weer inspanningen getroost, die
ten gevolge hadden, dat het legermachten van aanzienlijke sterkte
kon te velde brengen. >.Zonder de bezettingen en de militie meê
te tellen" — zegt Rousset (4* deel, blz. 381) — >kon Lode-
wijk XIV, in 1690, te velde brengen 140 bataljons, van 800 man,
en 330 eskadrons van 160 paarden." Dus kon te velde gebracht
worden 112 000 man voetvolk en 52800 ruiters; in alles 164800
man, daaronder de artillerie niet meegerekend. — Onder die
legermacht bevonden zich niet minder dan 12 regimenten Zwit-
sers, ieder van 3 bataljons.
Die Fransche legermacht van 1690, ontzagwekkend door hare
getalsterkte, was het misschien minder door hare samenstelling;
men kan dit ten minste eenigszins opmaken uit de wijze waarop
de werving plaats had. Aan La Reynie — den lieutenant de police
in Parijs — schrijft Louvois den i3en April 1690 het volgende
over de werving:
tDe Koning heeft vernomen, dat er te Parijs dagelijks geweld-
dadigheden plaats hebben bij de werving; en dat zij die zich
daarmee bezighouden, de voorbijgangers op straat oplichten^ in
rijtuigen werpen, en dan in afgelegen huizen brengen, waar men
hen zoo lang slaat en dreigt, totdat zij een dienstverbintenis tee-
kenen. Zijne Majesteit heeft mij gelast u te doen weten, dat het
haar begeerte is dat gij zult trachten in hechtenis te nemen en
te doen vonnissen, hen die zulke feiten plegen; opdat er een
voorbeeld worde gesteld, en voorkomen worde dat zoo iets in
het vervolg weer plaats grijpe" (Rousset, 4' deel, blz. 381).
Men mag hier wel vragen: waren die bevelen van Louvois
ernstig gemeend. — Bedrog en geweld waren de middelen waar-
door men de legers aangevuld kreeg; maar wanneer dit wat al
te ver ging, wat al te veel schandaal maakte, dan werd door de
regeering geijverd tegen bedrog en geweld. In den nieuweren tijd
heeft men soms hetzelfde gezien; herinner u maar wat in ónze
dagen gebeurd is, tijdens den Atsjinschen oorlog, met de buiten-
landsche werving voor het Indische leger : het ging met die wer
ving misschien niet altijd zooals het strikt genomen moest gaan ;
WILLEM III. — III. 3
Digitized by VjOOQIC
34 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
er kwamen misschien onregelmatigheden daarbij voor. Maar de
regeering — o neen, die had geen deel aan die onregelmatig-
heden; zij trok er partij van, dat is waar; maar zij wist niet eens
dat zij plaats hadden; en als de openbare meening haar met
nadruk daarop wees, en de zaak niet langer viel te verzwijgen
of te loochenen, — ja, dan riep zij even hard foei ! als de open-
bare meening, en dan waren ondergeschikte beambten de schul-
digen; — eene strenge vervolging hadden die schuldigen echter
niet te duchten.
In 1690 kreeg het Fransche leger in de Nederlanden een
nieuwen veldheer, een man, wiens bezwalkte naam door oor-
logsroem weer wat werd hersteld.
In het laatst van 1678 waren in Frankrijk die vergiftigingen
aangevangen^ waarin de namen voorkomen van La Brinvilliers,
Lesage, Exili, St. Croix, — en hoe die schavuiten al meer heeten.
v Eigenlijk behoort dat meer in een roman dan in de geschiedenis
tehuis; het behoort tot het gebied van Christemeyer's lijfstraflfe-
^iv/ lijtep tafereelen, van Hoffmann^s spookachtige vertelsels, van de
\ -moord- en gruwelverhalen van de Engelsche Braddon; — maar
ook Rousset maakt van die zaak gewag, omdat bij die misdaden
eeti groote geschiedkundige naam voorkomt: de maarschalk De
Luxembourg, de afstammeling van een der oudste adellijke ge-
slachten en die keizers onder zijne voorouders telde, werd van
giftmengerij beschuldigd en uit dien hoofde in Januari 1680 in
de Bastille gevangen gezet. Later werd Luxembourg weer ont-
slagen, een korten tijd gebannen, en in Juni t68i weer aan het
hof toegelaten, i Luxembourg" — zegt Rousset (blz, 571) — twas
nooit bemind; maar nu werd hij ook niet meer geacht en niet
meer gevreesd. Het ergerlijke van zijn terugkomst aan het hof
deed het ergerlijke van zijne ongenade vergeten. Madame De
Sévigné schreef bij die gelegenheid: »wie zijn heele leven wil
nadenken over de lots wisselingen die men alle dagen aan het hof
ziet, die zal er nog niets van begrijpen."
Maar in weerwil van dit herstel in de hofgunst was de goede
naam van Luxembourg toch verloren; en ware er niets gebeurd
dat hem de gelegenheid had gegeven om te schitteren op het
oorlogsveld, hij zou voor altijd een uitgestootene zijn gebleven,
een i levend standbeeld op het voetstuk der eerloosheid."
Gelukkig voor zijn roem, dat de eischen van den oorlog de
Fransche regeering dwongen om hem weer aan het hoofd eens
legers te stellen: zij zag in, dat d*Humières te weinig bekwaam-
heid had om die taak goed te vervullen; zij droeg die taak aan
Luxembourg op, en deed daarmede eene zeer goede keus; —
want men heeft alle recht om dien man te verachten en te ver-
foeien, maar zijne uitstekendheid als legerhoofd valt niet te ont-
Digitized by
Google
FLEURUS. 35
kennen. De slag van Fleurus heeft hem voorgoed gestempeld tot
een bekwaam veldheer.
Aanvankelijk was Luxembourg met de hoofdmacht van het
Fransche leger in Vlaanderen; van 20 Mei 1690 tot 16 Juni
stond hij te Deinze, tin overvloed levende in eene rijke land-
streek^ en zijne stroopende afdeelingen uitzendende tot voor de
poorten van Gent", — zegt Rousset (blz. 399). Volgens de op-
gaven van onze zijde werd ook door eene Spaansche afdeeling
een goed gelukte strooptocht gedaan op Fransch grondgebied,
naar den kant van Duinkerken en Rijssel; ook spreken die op-
gaven van eene kleine nederlaag, door de Spaansche en Hol-
landsche bezetting van Namen toegebracht aan eene Fransche
afdeeling die de Sambre was overgegaan om in Zuid-Braband
te rooven.
Van Deinze trok Luxembourg naar Maubeuge aan de Sambre,
en ontving den 21 sten Juni voorschriften van Louvois, over wat
er gedaan moest worden. Aan de Fransche zijde wist men toen'
het volgende over de gesteldheid van zaken bij de bondge-
nooten (Rousset, blz. 400): t terwijl de markies De Gastanaga
met een afzonderlijk korps in Vlaanderen moest werkzaam zijn,
werd bij Brussel een leger samengetrokken onder het bevel van
den Prins van Waldeck, en bestaande uit een ware lappendeken
van nationaliteiten {une mosatque de nations\ Hollanders, Span-
jaarden, Luikenaars, Ëngelschen, Zweden, Hessen, Hannoveranen,
Brunswijkers en Brandenburgers, en helaas! ook Fransche uitge-
wekenen; dit leger moest naar de Sambre trekken en daar in
een sterke stelling de alles beslissende vereeniging afwachten met
de strijdkrachten waarmede de keurvorst van Brandenburg in
persoon oprukte. Die vereeniging moest worden voorkomen..."
Om ddt te doen moest Luxembourg eene afdeeling van 14
bataljons en 36 eskadrons — een 17000 man — afzenden ter
versterking van d'Humières, die tegenover Gastanaga stond; hij
zelf zou daarentegen weer versterkt worden door eene afdeeling
waarmede BoufBers van de zijde van den Moezel kwam. Het
Fransche hoofdleger zou, na de komst van Boufflers, sterk zijn
40 bataljons, 80 eskadrons en 70 stukken geschut, dus 32000
man voetvolk, 12800 man ruiterij, en in het geheel, de artillerie
niet meegeteld, bijna 45000 man. Luxembourg moest met dat
leger tusschen Maubeuge en Thuin de Sambre overgaan; en
daarna, tusschen Charleroi en Namen, weer op den linkeroever
der rivier komen, om de vereeniging van Waldeck met den
Keurvorst te beletten.
Lezer, herinnert gij u soms Byron*s > Beleg van Corinthe"; en
Digitized by VjOOQIC
36 KRIJG3- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
hoe in den aanvang van dat dichtstuk herdacht wordt aan de
eindelooze reeks van gevechten, op dien grond gestreden : tKon
al het bloed dat hier vergoten is, weer uit den grond oprijzen,
het zou die landengte overstroomen, die thans twee zeeën houdt
gescheiden; kon het gebeente opeengestapeld worden, van allen
die hier gevallen zijn, sinds Perziën's dwingeland vluchtte of
Timoleon zijn broeder doodde, daar zou een gevaarte verrijzen,
hooger dan gindsche torenspits, AcropoUs, die zich tot in de
wolken verheft." — Wij waarschuwen, dat wij Byron niet bij ons
hebben, en alleen het geheugen raadplegen ; zoodat men zich niet
moet verwonderen, indien deze aanhaling hier of daar onnauw-
keurig is; — maar in hoofdzaak zegt Byron toch iets dergelijks.
Er zijn van die landstreken die, meer dan andere, de zetel
zijn geweest van den oorlog, het slagveld waar vijandelijke legers
om de overwinning hebben gekampt ; en noemt de Britsche zanger
onder die landstreken Corinthe en de velden die haar omgeven,
met meer recht mag men als zoodanig noemen het zuidelijk deel
van de Nederlanden, vooral de grond die zich ten noorden van
de Sambre naar de zijde van Brussel uitbreidt. Men moet een
vreemdeling zijn in de krijgsgeschiedenis om niet te weten dat
men op dien grond ieder oogenblik een slagvejd ontmoet. Onder
alle plaatsen die door den oorlog vermaard zijn geworden, moet
daar Fleurus allereerst worden genoemd; herhaaldelijk is dat het
slagveld geweest waar legers elkander hebben ontmoet. Zonder
op te klimmen tot de oudheid, en het onzeker latende, of het
nabij Fleurus was dat de Nerviërs Caesar aanvielen en bijna
overwonnen, zoo is het toch zeker, dat het bij Fleurus was dat
Mansfeldt, toen hij zijn leger naar Nederland wilde brengen na
het twaalfjarig bestand, den Spanjaarden slag leverde; dat Luxem-
bourg in 1690 Waldeck sloeg; dat, in 1794, de legers der Fransche
Republiek herhaaldelijk kampten tegen de bondgenooten ; en dat,
in 18 15, Napoleon zijn laatste overwinning behaalde. Zoovele
nabij Fleurus geleverde veldslagen, en vooral de zoo bekende
worsteling tusschen Blücher's soldaten en de Fransche bataljons
maken het overbodig om het slagveld van 1690 uitvoerig te be-
schrijven; wij verwijzen daartoe naar het slagplan van 1815, in
Löben Sels, in Charras, in alle schrijvers over Napoleon's laat-
sten veldtocht; — alleen herinneren wij er aan, dat de stelling
waarin Waldeck door Luxembourg werd aangevallen, niet dezelfde
was als die van Blücher in 1815 : zij was niet achter de beek van
Saint- Amand en van Ligny; of, om juister te spreken, niet noor-
delijk van die beek, maar grootendeels ten westen daarvan.
Luxembourg, op den zuidelijken oever van de Sambre over-
gegaan, is den aystcn Juni te Gerpine, ten zuidwesten van Char-
leroi; den 28sten komt de afdeeling van BoufHers aan; en nu
Digitized by
Google
FLEURUS. 37
heeft, den volgenden dag, de overtocht van de Sambre plaats,
op een punt nagenoeg halfweg tusschen Namen en Charleroi:
...iDen 29steD, te middernacht" — middernacht van 28 op
29 Juni — idoet de Maarschalk het kamp opbreken, en trekt
snel naar de Sambre, nagenoeg halverwege tusschen Charleroi
en Namen. Dit overgangspunt, een van de weinige van die
rivier, was zoozeer aangewezen, dat de bevelhebber van Namen
daar twee schansen had laten opwerpen, en, daartusschenin, het
kasteel van Froidmont had doen versterken; — maar hij had
verzuimd om daar een voldoend aantal troepen te plaatsen. De
waterstand was laag; verscheiden afdeelingen van de voorhoede
stonden spoedig op den linkeroever; en in een oogenblik werden
de schansen genomen, idoor troepen" — zegt de Maarschalk
schertsenderwijze — iwien het minder te doen was — geloof
ik — om de schansen, dan wel om de koeien die daar nabij
waren." Hel kasteel, door een honderd man bezet, kreeg tien
of twaalf salvo's van het kanon, en gaf zich toen over. Zoo werd
de overtocht van de Sambre bemachtigd, met juist zooveel kanon-
en geweervuur als dienstig was om den Maarschalk en zijne
troepen in eene goede luim te brengen. De Prins van Waldeck,
die niets vermoedde, verschanste zich inlusschen op zijn gemak,
een 7 of 8 uur van daar, in de vermaarde legerplaats achter
den Piéton." (Rousset, blz. 402).
Dat laatste — dat Waldeck niets van het overtrekken van de
Sambre vernam, en maar rustig achter den Piéton bleef — is
niet juist: Waldeck schijnt wel bericht te hebben gekregen dat
de vijand de Sambre wilde overgaan, — maar te laat; den
3osten Juni stelde het leger der bondgenooten zich in beweging
om den overgang van de rivier te betwisten, en kwam dien dag
bij het dorp Mellet; Weibenum, met ruiterij, was vooruit geweest,
maar sloot zich weer bij het leger aan, behalve eene afdeeling
die, onder Flodorf en Berlo, bestemd was om de bezetting van
Namen te versterken. Toen echter die ruiterij van Flodorf en
Berlo reeds in de nabijheid van Fleurus op de Fransche ruiterij
stootte, ging zij terug, maar werd in gevecht gewikkeld met den
vijand. Het Fransche leger, den 29sten Juni de Sambre overge-
gaan zijnde, betrok den 3ostcn een kamp of bivouac bij Vélaine,
ten noorden van de rivier; dien dag, *s ochtends vroeg, ging
Luxembourg met eene sterke afdeeling ruiterij op verkenning uit,
en trok in westelijke richting totdat hij op de ruiterij der bond-
genooten stootte. — Over het gevecht dat toen plaats had. zegt
Rousset (4* deel, blz. 403—404) het volgende:
9 Daar hij** — Luxembourg — »i7 goede eskadrons bij zich
had, deed hij die troepen" — de bondgenooten — i aanvallen,
die in den beginne nogal haastig teruggingen, maar die, toen zij
aan de overzijde van de beek van Fleurus versterking hadden
Digitized by
Google
38 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
gekregen, rechtsomkeert maakten en zich in slagorde schaarden.
Zij werden gechargeerd, doorbroken, vervolgd met den degen
in de ribben, maar in groote wanorde, daar iedereen slechts aan
zichzelf dacht. De Maarschalk volgde die wilde jacht en deed
vruchteloos retireeren blazen; het kostte hem veel moeite om
twee eskadrons Gensdarmerie bijeen te houden, de eenige die
voor reserve konden dienen, en wien het zeer speet reserve te
zijn. — Al de anderen gingen zóó ver vooruit, dat zij plotseling
een geheel leger voor zich zagen. Het was de Prins van Waldeck^
die, eindelijk hoorende dat de Franschen aan de Sambre waren,
zich haastte om hun den overtocht te betwisten; het was zijne
voorhoede die zij in dier voege hadden teruggeworpen; maar op
hunne beurt werden zij nu duchtig teruggeworpen, en overge-
lukkig waren zij van die twee eskadrons Gensdarmerie te vinden^
die zich buitengewoon goed gedroegen en hun den tijd gaven
om zich te herzamelen. De Maarschalk was zeer bekommerd,
maar bleef uiterlijk koelbloedig; hij plaatste zijne eskadrons op
twee liniën en échiquier^ iedere linie beurtelings chargeerende en
dan teruggaande door de tusschenruimten van de andere, die
intusschen was teruggetrokken. Op die wijze chargeerde men tot
zesmaal toe, totdat men weer achter de beek van Fleurus was;
aan de overzijde waagde de vijand zich niet ; hij had meer slaag
gehad in het eerste gedeelte van dat gevecht, dan slaag gegeven
in het tweede. De Prins van Waldeck verloor dien dag zijn besten
cavalerie-generaal, den baron De Berlo."
Op het verslag van Rousset van dat cavaleriegevecht op den
3ostcn Juni, valt geen bijzondere aanmerking te maken; dat ver-
slag is niet in strijd met de opgaven van ónze zijde; men kan
het over het geheel als waar en juist aannemen; het maakt de
zaak duidelijk. — Dezelfde duidelijkheid wenschten wij ook te
verkrijgen ten aanzien van den slag van Fleurus op den vol-
genden dag, I Juli; wij zijn er echter niet in geslaagd: in de
krijgsverrichtingen van dien dag zijn voor ons duistere punten
overgebleven. Wij gelooven daarom het best te doen, met onze
lezers eerst meê te deelen, op welke wijze wij ons het beloop
van zaken in dien slag van Fleurus voorstellen; en daarna, ver-
gezeld van enkele toelichtingen, het verhaal van dien slag door
Rousset te geven.
Ziehier hoe wij ons den gang van zaken op i Juli 1690 voor-
stellen.
Het leger van Waldeck wordt vrij eenparig geschat op eene
sterkte van een 30000 man, — bijna geheel beslaande uit troe-
pen van de Republiek. Wanneer Rousset spreekt van leen lap-
pendeken van nationaliteiten", dan is dat eene kenschetsing die,
niet alleen dit leger van Waldeck, maar alle legers van die
Digitized by
Google
FLEURUS. 39
dagen aangaat; en met rechtroatigen volkstrots mag men eraan
herinneren, dat, bij de infanterie van de Republiek die dien dag
zulk een onsterfelijken roem verwierf, zich een aantal Friesche
en Hollandsche bataljons bevonden; Coehoorn, onder anderen,
moet te Fleurus acht van die bataljons hebben aangevoerd.
In Dr. P. L. Müller's geschiedenis van Waldeck is eene uitvoerige
en duidelijke beschrijving van den slag van Fleurus; die beschrijving
is uitmuntend, en getuigt van grondige studie en helder oordeel.
Maar hoe uitmuntend ook, zij heldert niet alle duisterheden op,
zij verklaart nog niet genoegzaam hoe de gang van den strijd is
geweest; en voor een deel is zij gegrond op de aanteekeningen
van Waldeck zelf, — in dit geval niet den meest betrouwbaren
getuige. Toch moet Müller's verhaal van den slag van Fleurus
geraadpleegd worden, wil men dit wapenfeit juister leeren kennen.
Müller's werk bevat ook belangrijke bijzonderheden ove* de
samenstelling van Waldeck's leger; de sterkte van dat leger
wordt door den schrijver begroot op 32 k 35000 man; met
reden maakt hij echter de opmerking, dat men niet te veel op
dit cijfer moet bouwen, daar de bevelhebbers der regimenten
niet altijd de sterkte der korpsen met juistheid opgaven. De
infanterie telde 30 bataljons : 18 Nederlandsche, 4 Brandenburgsche,
5 Brunswijk-Lunenburgsche en 3 Zweedsche. De meeste bataljons
waren eene groote 600 man sterk; het aantal compagnieën was
echter zeer uiteenloopend: meestal 12 compagnieën bij de Neder-
landsche bataljons, en slechts 5 bij de Brandenburgsche. Van de
ruiterij wordt de sterkte opgegeven als een 1 1 000 paarden, uit-
makende 171 compagnieën ruiters van 50 k 60 paarden, en 26
compagnieën dragonders gemiddeld van 70; van de ruiters en
dragonders waren 145 compagnieën, Nederlanders; de andere
waren Brandenburgers, Lunenburgers, Saksers, Hessen of van
Wolfenbuttel ; — bovendien had men 10 eskadrons Spaansche
ruiterij, waarvan de sterkte niet wordt opgegeven. Bij dit leger
was eene artillerie van 60 vuurmonden, voor de helft bestaande
uit regimentsstukken, 3-ponders.
Ziedaar eenige opgaven omtrent Waldeck's leger, hier overge-
nomen uit Müller's werk; op het voorbeeld van dien geschied-
schrijver moet er echter worden bijgevoegd, dat men niet onvoor-
waardelijk op die cijfers kan bouwen.
Waldeck's leger bleef den 3osten Juni, ook 's nachts, in slag-
orde, omdat men een aanval door den vijand te gemoet zag.
Voorwaarts van het dorp Mellet waar men stond — Mellet ligt
een kleine twee uur gaans noordwestelijk van Fleurus — was
eigenlijk geen geschikte legerplaats, want er was gebrek aan
water; men was dan ook voornemens, elders een kamp op te
slaan ; maar in de nabijheid van het vijandelijke leger oordeelde
men die beweging te gevaarlijk; en terugtrekken wilde men ook
Digitized by
Google
40 KRIIGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
niet, omdat dit ide soldaten geïntimideert en veel quader ge-
volgen veroorsaeckt soude hebben"; — zoo luidt het in het uit-
voerig officieel verslag, opgemaakt door Heinsius, Dijkvel t en
Schuurmans, die door de Staten-Generaal, na den veldslag, naar
het leger afgezonden waren. Wij voegen er bij, dat dit verslag
opgemaakt is met medeweten van Waldeck en van de hoogere
bevelhebbers van het leger.
Men stond dan, den isten Juli, in slagorde voorwaarts van het
dorp Mellet, dat nagenoeg achter het centrum was gelegen; de
rechtervleugel breidde zich uit naar Heppignies, de linker leunde
aan Wagnelé ; de afstand tusschen die beide dorpen is een klein
uur gaans; — de linkervleugel van Waldeck stond dus daar
waar bij den veldslag van den i6en Juni 1815 Blücher's rech-
tervleugel heeft gestaan. Wij hebben ergens gevonden, dat de
slagjinie van Waldeck loodrecht heeft gestaan op die van Blücher; —
ja, dat is moeilijk te zeggen : de slaglinie van Blücher heeft geen
rechte lijn uitgemaakt, maar volgde de kromme lijn, gevormd
door de beek van Saint- Amand en Ligny; wil men echter den
straatweg van Namen naar Nivelles aannemen als de algemeene
richting van de slaglinie der Pruisen in 181 5, dan is het zoo,
dat Waldeck's slaglinie nagenoeg loodrecht daarop stond.
Naar de gewoonte dier tijden was Waldeck's leger in twee
liniën geschaard. Bij de eerste linie had men, op den rechter-
vleugel, Nassau-Sarbruck, den Prins van Birckenfelt, den Spaan-
schen generaal d'Hubuy, en, als aanvoerders van brigades, de
generaals De Steyn, Dutheil en Francke; bij het centrum en
den linkervleugel waren Hendrik Casimir, stadhouder van Fries-
land, de luitenant-generaals Aylva en Weibenum, en de brigade-
generaals Ittersum en Wijnbergen. De tweede linie werd aange-
voerd door den generaal Delwig, en, onder hem, door de
brigade-generaals Holle en Noyelles. Waldeck zelf, vergezeld
van den majoor-generaal Van Weede en van den kwartiermeester-
generaal Dopff, ging 9 dan aen de eene en dan aen d* andere
sijde"; — een vaste standplaats schijnt de opperbevelhebber er
niet op na gehouden te hebben. Het geschut werd overal ge-
plaatst, tdaer het nootsaeckelijck geoordeelt wierde**; — eene
opgave die ons niet veel wijzer maakt.
Wij merken hierbij aan, dat deze slagorde niet geheel overeen-
komt met die in Dr. P. L. MüUer's werk; — de laatste — wordt
echter gezegd — was de slagorde zooals men kampeerde, en
misschien niet die zooals men gestreden heeft.
Vóór de linkerzijde en het centrum van de slaglinie waren de
kasteelen van Saint- Amand en van Ligny met infanterie bezet;
ónze opgaven zwijgen wel daarvan, maar de Fransche opgaven
zijn dienaangaande te duidelijk en te uitvoerig om de zaak in
twijfel te trekken. Onze opgaven zeggen, daarentegen, dat vóór
Digitized by
Google
FLKURUS. 41
den rechtervleugel een kasteel iWassenie" werd bezet; denkelijk
is dit geweest »Wagnée", een gehucht,, een kwartieruurs westelijk
van Fieurus. Terwijl men dus maatregelen nam om een front-
aanval te wederstaan, schijnt men in het geheel geen voorzorgen
te hebben genomen tegen eene omtrekking en een ilankaanval.
Van het uitzenden van patrouilles om berichten van den vijand
in te winnen, verneemt men niets.
£n toch was het juist zulk eene omtrekking en flankaanval,
die het Fransche legerhoofd voorhad; hij wilde die verrichten
met de helft van zijn leger, terwijl de andere helft den vijand
in front zou aanvallen. Het gewaagde van zulk een handeling
werd verminderd door de overmacht die aan de zijde van de
Franschen was. Eene der Fransche opgaven wil de sterkte van
Luxembourg's leger verminderen tot op een 33000 man, waarvan
nog 4000 zouden achtergebleven zijn tot dekking van de bagage ; —
die opgave is echter geheel onwaarschijnlijk; — veel dichter bij
de waarheid zal men zijn als men — zooals Bosscha doet —
het Fransche leger op 40000 man begroot; wij hebben het op
45 000 geschat.
Dat leger had den nacht van den 3osten Juni doorgebracht bij
Vélaine, een dorp iets ten noorden van de Sambre en ongeveer
een uur gaans oostelijk van Fieurus. In den vroegen ochtend
van den isten Juli breekt het op, en stelt zich in beweging, in
vijf colonnes: de middelste colonne bestond uit de artillerie;
daaraan sloten, rechts en links, twee colonnes voetvolk ; de beide
vleugel-colonnes waren ruiterij. De twee linkercolonnen, ruiterij en
voetvolk, benevens 60 stukken geschut, alles onder het bevel van
den generaal Gournay, waren bestemd om den vijand in front
aan te vallen; zij trokken op Fieurus en schaarden zich in slag-
orde aan de andere zijde van dat plaatsje, tegenover de slaglinie
van Waldeck. Met de twee rechtercolonnes, ruiterij en voetvolk,
en met 10 veldstukken, sloeg Luxembourg, die de omtrekking
wilde doen, rechts af; hij trok tusschen de dorpen Boignée en
Ligny door, ging de beek van Ligny over, tusschen dat dorp en
Sombreffe, trok verder in noordelijke richting, totdat hij den weg
van Namen op Nivelles bereikte, sloeg toen links af naar Wag-
nelée, en nam dat dorp, waaraan Waldeck*s linkervleugel leunde.
Op het slagplan van Ligny van 16 Juni 181 5 kan men die
omtrekkende beweging van Luxembourg zeer goed volgen; en
doet men dit, dan ziet men dat bij die beweging de eene helft
van het Fransche leger onder Luxembourg, op een aanmerke-
lijken afstand was van de andere helft onder Gournay, zoodat
Waldeck eene zeer gunstige gelegenheid had om Gournay met
voordeel aan te vallen. — Maar Waldeck deed niets; hij bleef
lijdelijk afwachten dat hij aangevallen werd.
Tot zoover is de toedracht van zaken bij dien slag van Ligny
Digitized by
Google
42 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
van I Juli 1690 ons zeer duidelijk; maar nu komt het minder
duidelijke; nu komt het verwarde in het verhaal, wat denkelijk
ook daaruit ontstaat, dat er verward gehandeld is.
Het schijnt dat de rechtervleugel van Waldeck toen aanval-
lenderwijze heeft gehandeld, en daarbij eenige voordeelen be-
haald; — zij deed dien aanval te laat, toen Luxembourg reeds
aanviel op den linkervleugel der bondgenooten; had Waldeck
vroeger aangevallen, hij had misschien eene belangrijke uitkomst
kunnen verkrijgen; nu werd men dadelijk gedwongen om den
linkervleugel te ondersteunen. Dat die linkervleugel van Waldeck
toen onder zeer ongunstige omstandigheden in gevecht kwam,
dat ligt in den aard van de zaak; de grootst mogelijke dapper-
heid — en die is er ontegenzeggelijk geweest — kon dit niet
verhelpen. Om dien flankaan val het hoofd te bieden, heeft toen
een deel van Waldeck's slaglinie eene achterwaartsche frontver-
andering willen maken ; hoe, dat is moeilijk met juistheid te
zeggen ; het schijnt dat de tweede linie die frontverandering heeft
gedaan, of heeft beproefd.
Over het geheel wordt het beloop van den veldslag nu ver-
ward en onduidelijk. De Fransche opgaven spreken van eene
sterke massa HoUandsche infanterie die toen aanvallend is opge-
treden nabij Saint-Amand en Ligny, en die geruimen tijd de
beslissing van den strijd zeer onzeker heeft gemaakt; — iets in
den trant van de groote Engelsche colonne bij den slag van
Fontenoy. Onze opgaven doen het voorkomen, alsof die sterke
massa der HoUandsche infanterie, meer den terugtocht heeft ten
doel gehad dan den aanval; die massa wordt soms een carré
genoemd; — denkelijk moet dat in dien zin worden verstaan,
dat het was eene dubbele colonne met afdeelingen op geheelen
afstand, die door zwenking in bataille kwamen, om een vijand
het hoofd te bieden die de colonne in de flank aanviel. Wij her-
halen het, geheel zeker, geheel duidelijk is dat niet.
Maar wat wél zeker is, dat is, dat de slag eindigde met onze
nederlaag; en dat Waldeck, met de hoofdmacht in orde het
slagveld verlatende, Nivelles bereikte, terwijl een klein gedeelte
op Charleroi terugging en zich later weer bij de hoofdmacht
aansloot. Wat even zeker is, dat is, dat zelden dapperder infan-
terie op een slagveld is verschenen dan de HoUandsche infanterie
op het slagveld van Fleurus, den isten Juli 1690; dat zegt niet
ééne opgave, maar dat zeggen alle opgaven; vriend en vijand
zijn het daarover eens.
Ziedaar onze voorstelling van het beloop van den slag van
Fleurus; laten wij thans zien wat Rousset daarvan zegt.
Nog den 3osten Juni 's avonds, verkent Luxembourg de stelling
van Waldeck ; daarover zegt Rousset het volgende (blz. 404 — 405) :
Digitized by
Google
FLEURUS. 43
...1 Voorbij Fleurus waren hoogten, en aan den voet daarvan
eene beek, die naar Sombreffe stroomde, in de richting van het
zuidwesten naar het noordoosten, achtereenvolgens langs de
dorpen Wagnée, Saint-Amand en Ligny. De beide laatste dorpen
hadden kasteelen, die door sterke detachementen waren bezet;
een vrij aanzienlijke artillerie stond op de hoogten; en verder,
zooveel men op dien afstand er over kon oordeelen, stond het
leger der bondgenooten — het voetvolk in het midden, de ruir
terij op de vleugels — in slagorde voorwaarts van Mellet, waar-
van men den toren aan den gezichteinder zag ; het leger had het
dorp Heppignies rechts, en Wagnelée links..."
Over Luxembourg*s aanvalsplan vindt men het volgende (blz.
405—407):
»Den isten Juli, te middernacht" (middernacht tusschen 30 Juni
en I Juli) 9 deed de Maarschalk het leger onder de wapens
komen ; hij verdeelde het in vijf colonnes, de ruiterij op de vleu-
gels, het geschut in het midden. Om drie uur 's ochtends begon
de marsch. Luxembourg had een aanvalsplan beraamd, dat als
buitengewoon stout moet worden geacht, in een tijd toen de
oorlog werd gevoerd volgens vaste en geheel schoolsche regels.
Evenals het treurspel moest een geregelde veldslag de drie een-
heden in acht nemen, van handeling, van tijd en van plaats;
en evenzoo was aan elke der vaste onderverdeelingen — eerste
linie, tweede linie en reserve — hare vaste rol toegewezen. De
Prins van Waldeck hield zich hieraan, op de meest gemoedelijke
wijze, overtuigd dat het niet anders kon; en, heeft hij den slag
verloren, dan heeft hij ten minste de overtuiging gehad van
trouw te zijn gebleven aan de regels, die zijn tegenstander op
vermetele wijze overtrad. Die nieuwe baanbreker oordeelde den
frontaanval te bezwaarlijk, omdat die te veel werd verwacht; hij
besloot daarom, slechts de helft van zijn leger in front tegenover
Waldeck te stellen, maar op ééne linie, om hem daardoor te
misleiden; en intusschen met de andere helft eene omtrekking
van eenige uren gaans te doen, ten einde onverwachts den vijand
in de flank te vallen. Aanvankelijk werden alleen de luitenant-
generaal De Gournay, die de twee linkercolonnes aanvoerde, en
Du Metz, de bevelhebber van de artillerie, met dit plan bekend
gemaakt.
Van Vélaine richtte De Gournay zich op Fleurus, trok daar-
door, en schaarde zich toen in slagorde aan de overzijde van
de beek van Ligny." — De beek van Ligny ontstaat bij Saint-
Amand door de samenvloeiing van eenige kleinere beken; de
oostelijkste daarvan, de beek van Fleurus, werd door De Gournay
overgetrokken; de beek van Berlaimont, meer westelijk, stroomt
door Wagnée, dat bezet was door de bondgenooten. — «Hij
maakte toen front tegenover den rechtervleugel en het centrum
Digitized by
Google
44 KRIJGS- EN GESCHIEDRUNDIGB BESCHOUWINGEN.
van Waldeck, van Wagnée tot Saint- Amand. Du Metz, die 60
stukken geschut had, bracht er slechts 30 in batterij, vóór de
slaglinie van De Gournay; in het verlengde van de lijn volgens
welke die stukken opgesteld waren, rechts, kwamen de 30 andere,
en begonnen te vuren in de ruimte tusschen Saint-Amand en
Ligny: zoodoende moesten de bondgenooten gelooven, dat die
artillerie ondersteund werd door troepen, die raen wel niet zag,
maar die ergens achterwaarts moesten staan; in werkelijkheid
waren deze er niet. De Gournay had last om het gevecht eerst
ddn te beginnen, als hij, door een overeengekomen sein, zou
onderricht zijn dat de Maarschalk op het andere uiteinde van
het slagveld was gekomen. Van zijn kant bleef de Prins van
Waldeck onbeweeglijk den aanval afwachten; en zoo bleef men
uren lang werkeloos, zonder dat dit lange oponthoud den min-
sten argwaan bij hem opwekte.
Met de twee andere colonnes en 10 veldstukken had de Maar-
schalk, te Vélaine, De Gournay verlaten, en had al meer en
meer rechts aangehouden; hij trok het dorp Boignée voorbij en
ging langs Ligny, waarvoor hij eenige compagnieën achterliet
om de bezetting van dit punt te misleiden; tusschen Ligny en
Sombreffe ging hij de beek over, en trok verder tot aan den
grooten weg van Nivelles op Namen; toen, zeker van den vijand
genoeg te hebben omtrokken, had hij zich plotseling links ge-
wend; was, niet zonder bezwaar, een moerassig terrein doorge-
trokken; en had eindelijk hoogten bereikt van waar men den
grond kon overzien, waar de slag zou worden geleverd. Na door
zijne voorhoede het dorp Wagnelée te hebben doen nemen, dat
den uitersten linkervleugel van de bondgenooten uitmaakte, was
Luxembourg genoodzaakt een oogenblik te wachten en zijne
troepen wat te laten uitrusten, die door zeven uur marcheerens
uitermate vermoeid waren."
Toen Waldeck — zegt Rousset — verneemt dat Wagnelée
wordt aangevallen, wil hij nog van front veranderen door eene
stelling te nemen met den rechtervleugel achter Wagnée, het
centrum vóór Heppignies en de beek van Thiméon, en den lin-
kervleugel naar de zijde van Mellet. Die nieuwe slaglinie zal
bijna loodrecht staan op de eerste; de infanterie stelt zich daar-
toe in beweging ; al de ruiterij van den linkervleugel wordt tegen
Luxembourg afgezonden, om die front verandering te beschermen.
Wij merken hierop aan: dat het waar is, dat Waldeck toen
eene frontverandering heeft willen verrichten; dat het onzeker
is, of die frontverandering wel juist zóó moest zijn als Rousset
zegt; en dat het zeer zeker is, dat zij niet zóó is tot stand ge-
komen. Waldeck had Luxembourg ongehinderd zijne omtrekking
laten verrichten; maar Luxembourg was niet edelmoedig genoeg
met dit te vergelden, door Waldeck ongehinderd zijne front-
Digitized by
Google
FLEURUS. 45
verandering te laten doen. — Lange jaren geleden moest, bij
een onzer groote manoeuvres, cavalerie een carré aanvallen;
maar de carré-formatie ging wat langzaam in haar werk; toen
werd er een boodschap aan de cavalerie afgezonden: >de cava-
lerie moest nog wat wachten met den aanval, de infanterie was
nog niet klaar." Zulk een boodschap had ook Waldeck moeten
zenden.
Om 1 1 uur 's ochtends heeft Luxembourg al zijn cavalerie —
namelijk de cavalerie van zijne afdeeling — bijeen; het afge-
sproken sein wordt toen gegeven. De Gournay valt toen aan met
zijne ruiterij, maar sneuvelt, geheel in het begin van den strijd; —
daardoor en door een hevig geweervuur nabij Wagnée komt de
cavalerie van De Gournay in wanorde, en wordt geslagen door
die van Waldeck; bij een nieuwen aanval behaalt de Fransche
ruiterij echter de overwinning. Bij het andere gedeelte behaalt
de ruiterij van Luxembourg de overwinning, en vervolgt de ge-
slagene ruiterij van Waldeck tot in de ruimte tusschen de beide
liniën van de infanterie der bondgenooten ; die infanterie neemt
toen het gevecht op, met uitstekende dapperheid.
...tHet gold nu die infanterie uiteen te drijven; en hardnek-
kiger tegenstand had men nog niet ontmoet.
De Fransche bataljons, gedeeltelijk uit Saint-Amand komende,
gedeeltelijk uit Wagnelée, manoeuvreerden om zich te vereenigen.
De brigades van Champagne en van Navanre, die den linker-
vleugel uitmaakten, beklommen de het dichtst bij den vijand ge-
legen hoogten en kwamen dadelijk in gevecht met diens eerste
linie; veel hadden zij te lijden van een vuur, dat ontegenzeggelijk
krachtiger was dan dat der Fransche infanterie. Maar bajonet-
aanvallen en herhaalde charges van verscheiden eskadrons maak-
ten openingen in die linie; toch bleven de fragmenten dier linie
een geduchte kracht behouden. Op slechts honderd pas afstands
vuurde men daarop, uit zes kanonnen die men op den vijand
had vermeesterd. tAls een kanonskogel een geheel rot had weg-
genomen, of er velen had gedood bij het schieten en écharpe^
dan sloten die soldaten zich maar weer aaneen, alsof er niets
was gebeurd." Ziedaar wat Luxembourg zelf getuigt. Hij zegt
verder: t nadat ik een trompetter en een tamboer had afge-
zonden om hen op te eischen, waarop zij geen antwoord gaven,
rende De Chepy, die bij mij was, naar hen toe, zeggende: lik.
zal met hen spreken." Hij zeide hun, dat zij van alle kanten
waren omsingeld, dat ik daar was, en dat ik kwartier wilde
geven. Hun antwoord was: tkeer terug; wij willen daar niets
van weten; wij zijn sterk genoeg om ons te verdedigen." Vijf
dier heldhaftige bataljons doorbraken den kring der aanvallers,
en trokken, uittartend en zonder den marsch te verhaasten, terug
op de engten van Saint-Amand en van Ligny. Zij gaven daarmee
Digitized by VjOOQIC
46 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
eene les aan den Prins van Waldeck: zóó had hij dadelijk
moeten doen" (Rousset, bit. 408—412).
Hier moeten wij opmerken: dat de opgaven van onze zijde
er volstrekt geen gewag van maken, dat vijf der bataljons van
Waldeck^ zich door den vijand heenslaande, op Saint-Amand en
Ligny zijn teruggetrokken; wél komt daarin voor, dat vier regi-
menten voetvolk van den linkeryleugel, zich door den vijand
heenslaande, met de hoofdmacht zijn afgetrokken naar de zijde
van Nivelles; — maar dit is geheel iets anders. Wat Rousset
bedoelt met te zeggen, dat die vijf bataljons, door terug te gaan
op Saint-Amand en Ligny, Waldeck eene les gaven omtrent het-
geen hij dadelijk had moeten doen, — is niet geheel duidelijk:
maar bedoelt hij er meê, dat Waldeck, al lang te voren, aan
die zijde De Goumay had moeten aanvallen, dan zijn wij het
met hem eens.
Rousset vervolgt:
>Maar in weerwil van zijne misslagen, was de Prins van Wal-
deck volstrekt geen tegenpartij die men licht mocht tellen. Ge-
hecht aan de oude krijgsregels, had hij zijn tweede linie met
opzet nog gespaard; en terwijl de Franschen hunne krachten
uitputten in het overhoop werpen van de eerste linie, maakte
hij zich gereed om den slag opnieuw te beginnen; hij wanhoopte
niet aan de zege. Luxembourg had naar alle kanten adjudanten
uitgezonden om de verspreide ruiterij te herzamelen, en de
eskadrons te herstellen idie tamelijk onder elkander verward
waren; en ze weer in slagorde te scharen, om bereid te zijn
tegen wat zich mocht voordoen."
Het was drie uur, toen de Maarschalk eene sterke colonne
voetvolk van verre uit de vlakte zag voortrukken naar Saint-
Amand. Het was de tweede linie der bondgenooten, die, voor-
uitgaande, de overblijfselen van de eerste linie opnam, en daar-
door voortdurend sterker en dieper werd. £n niet alleen afdeelingen
voetvolk sloten zich bij haar aan; maar men zag ook ruiters
zich op hare flanken of in haar rug plaatsen, zich onderling aan-
sluiten, en gaandeweg zich ordenen; duidelijk zag men hoe er
eerst pelotons werden geformeerd, daarna eskadrons. Tevens
zag men over het geheele onmetelijke slagveld als het ware het
mirakel van eene plotselinge opstanding; daar waar men niets
dan dooden meende te hebben achtergelaten, stonden levenden
op, niet om te vluchten, maar om te vechten. Thans scheen het,
alsof, op zijn beurt, het Fransche leger gevaar liep van omsin-
geld te worden, tik heb meer veldslagen gezien" — zeide
Luxembourg — imaar bij geen andere heb ik ondervonden, wat
ik hier ondervonden heb ; want toen wij de troepen die tegenover
ons stonden hadden geslagen, dacht ik dat de zaak gedaan was ;
en toen vonden wij, midden tusschen onze troepen, weer eskadrons
Digitized by
Google
FLEURUS. 47
die ons telkens chargeerden. Terwijl ik die linie voetvolk te
gemoet ging, hoorde ik een vreeselijk vuur links van onzen
rechtervleugel. Het was De Montrevel, die bataljons en eskadrons
ontmoette^ ver achter onze linie, en op een plaats waar naar
mijne meening niemand was; zij gingen hem zoo onverschrokken
te gemoet, dat hij de grootste inspanning en de uiterste dapper-
heid noodig had om hen te slaan; en hij had met een zoo
krachtigen tegenstander te doen, dat de overwinning twijfelachtig
was." Toch waren die wanhopige pogingen van dappere soldaten,
die hier en ginds streden, maar zonder eenheid en zonder ver-
band, wel tergend en lastig, maar niet wezenlijk gevaarlijk,
Het wezenlijk gevaar was dat onafgebroken, geregeld, hard-
nekkig vooruitgaan van Waldeck. Luxembourg, die niet veel
troepen meer wilde wagen, had aanvankelijk geschut vooruitge-
bracht; — het geschut miste zijn doel; de kartetsschoten schenen
zonder uitwerking te blijven; en de bondgenooten gingen steeds
voorwaarts. £ene linie van ruiterij, door den Maarschalk in slag-
orde geschaard, maakte even weinig indruk op hen; wel wierp
die ruiterij de eskadrons overhoop, op de flank der colonne;
maar een salvo van het geweervuur bracht de ruiterij tot staan,
toen zij haar voordeel wilde doorzetten: de infanterie had zich
rechts in bataille geplaatst, en gevuurd; daarna weer in colonne
komende, hervatte zij den marsch. Nog andere cavalerie-charges
hadden er plaats, — maar onbeslissend, en al flauwer en flauwer ;
de Fransche ruiterij, ontmoedigd door dit hevig vuur, herzamelde
zich buiten het bereik daarvan. Gedurende een half uur was de
uitkomst twijfelachtig, — zegt een der handelende personen van
dit drama; toen begreep Luxembourg, dat hij den tegenstand
dier troepen niet zou te boven komen, dan door tegen hen een
geweervuur aan te wenden, even krachtig als het hunne. Hij riep
zijn voetvolk ten strijde.
De vier eerste bataljons die aan kwamen snellen, werden aan-
gevoerd door den hertog De la Roche-Guyon, den schoonzoon
van Louvois. >De soldaten,** zegt de Maarschalk, t waren zoo
buiten adem, dat hij eerst na een oogenblik bekomen te zijn,
tegen mij zeide: »als gij het goedvindt, dan wilJen wij die man-
nen slaan** {nous battrms ces gens-ld). Maar ik verbood hem den
aanval, totdat ik andere bataljons, rechts van hem, had geplaatst;
niet minder dan vijftien bataljons waren er noodig, behalve die
vier van De la Roche-Guyon, om eene even sterke linie te heb-
ben als die des vijands.** Tegelijkertijd deed Luxembourg negen
andere bataljons oprukken, om de colonne te omtrekken; deze
maakte eindelijk halt, en naar alle zijden front ; maar gedurende
meer dan een uur tijds was er een onophoudelijk musket- en
kanonvuur noodig om haar eenigszins te schokken. Toen deed
Luxembourg den aanval blazen ; en voetvolk en ruiterij stormden
Digitized by
Google
48 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
los op de gedunde gelederen van den vijand. Het ging hier
evenals eenige uren vroeger met den aanval op de eerste linie.
De colonne werd doorbroken^ en de ongelijke deelen waarin zi)
zich splitste, trokken terug in geslotene massa's, wél veel ver-
liezen lijdende, maar altijd in orde. » Nooit," — zegt de reeds
aangehaalde ooggetuige — «nooit heeft infanterie in zoo gevaar-
vollen toestand zooveel vastberadenheid betoond."
Tevreden met die uitkomst, oordeelde Luxembourg dat het
geen zaak was om den weg te versperren voor die troepen die
over Mellet het slagveld verlieten en terugtrokken in de richting
van Nivelles. Hij vergenoegde zich met het tegenhouden van
eene kleinere afdeeling, die naar alle waarschijnlijkheid op Char-
leroi wilde teruggaan. Reeds had die afdeeling de kluis van
Saint-Fiacre bereikt, en om bosschen te bereiken waar het on-
mogelijk zou zijn geweest om haar te vervolgen, had zij nog
maar eene kleine vlakte over te trekken van een driehonderd
pas lengte, toen de Maarschalk, die tot ongeluk van die dap-
peren daar was, drie eskadrons ruiterij deed aanrennen, en den
terugtocht afsneed; zij hadden althans de voldoening van hunne
wapens over te geven aan den veldheer zelf van het leger, waar-
tegen zij zoo dapper hadden gevochten."
De afdeelingen, in de kasteelen van Saint-Amand en van Ligny
geplaatst, waren daar gebleven en nu dus afgesneden.
...tik hoorde" — Luxembourg spreekt — idat er vijandelijke
infanterie was in twee sterke kasteelen in onze nabijheid; meer
dan 2000 man, in een dier kasteelen, gaven zich krijgsgevangen
aan De Montrevel, dien ik daarheen zond om hen op te eischen ;
in het andere kasteel, waar ik heen ging, dreven die heeren den
spot met mij. Ik bracht geschut in werking, om geen man door
hun vuur onnoodig te verliezen; dat bracht hen nog niet tot
onderhandeling, en intusschen werd het nacht. Ik deed het kas-
teel omsingelen door voetvolk, gesteund door eenige eskadrons;
coupures werden gemaakt in de wegen, waarover die hardnekkige
vijand zou kunnen terugtrekken; en zoo wachtte ik den vol-
genden dag af; — toen deden zij het voorstel, dat zij zich
zouden overgeven. Ik wilde hen alleen op discretie gevangen
nemen; en hun aanvoerder, de Heer De Dohna, bewilligde
hierin" (Rousset, blz. 413—414).
Wat de verliezen der beide partijen in dien slag van Fleurus
aangaat, die bedroegen — volgens Rousset — bij de bondge-
nooten meer dan 8000 man aan dooden en gewonden, en 7800
aan krijgsgevangenen: bovendien verloren zij 106 vaandels of
standaarden, 49 kanonnen, 5 pontons en meer dan 200 caissons
of artillerie- voertuigen. — Onder de krijgsgevangenen waren 1500
uitgeweken Franschen ; die werden allen naar de galeien gezonden.
Strikt genomen valt daar niets tegen te zeggen: zij voerden de
Digitized by
Google
FLEÜRUS. 49
wapens tegen hun land, en hadden dus de doodstraf verdiend.
De schuld drukte echter alleen op de dwingelandij^ die hen ge-
noopt had om de wapenen tegen hun land te voeren. De ver-
liezen der Franschen worden door Luxembourg opgegeven op
1500 dooden, waaronder iDe Gournay, een uitstekend generaal",
en »Du Metz, den bevelhebber der artillerie" (blz. 414); van de
gekwetsten spreekt Luxembourg niet. Rousset neemt aan, dat het
Fransche leger een 5 k 6000 man heefc verloren.
Vergelijkt men nu dat verhaal van den slag van Fleurus door
Rousset, grootendeels opgemaakt uit de papieren van Louvois,
met ónze ofücieele opgaven, dan stuit men op een belangrijk
verschil: van al die bijzonderheden die in de Fransche opgaven
voorkomen over den strijd tegen de HoUandsche infanterie ge-
voerd en die zoo roemrijk zijn voor die infanterie, komt in onze
oflicieele opgaven weinig of niets voor; zij bepalen zich tot alge-
meenheden ; en, treden zij in bijzonderheden, dan is dit niet over
wat het een of ander bataljon heeft gedaan, maar wel over wat
den een of ander hooggeplaatsten officier is overkomen: dat »de
hertog van Saxen-Meursburgh ende den Grave van Styrum als
brave soldaten zijn gestorven"; dat »de Prince van Nassau-Sar-
brugge gequetst is", en met den Frieschen Stadhouder naar
> Charleroy is geretireert" ; en dat Waldeck, na den veldslag zeer
vermoeid — wat op zijn hoogen leeftijd niet te verwonderen
is — te bed ligt terwijl hij aan den raadpensionaris Heinsius
over dien veldslag schrijft; — en zulke zaken meer.
Moet men nu uit dat stilzwijgen van ónze ofBcieele opgaven
besluiten, dat de bijzonderheden die in de Fransche berichten
voorkomen, louter fictie zijn? — Neen. Het is een kenmerk van
onze officieele verslagen van dien tijd over krijgsverrichtingen,
dat die verslagen in den regel duister, verward en onvolledig
zijn; in den regel is men geneigd om van den opsteller van
zulk een verslag te zeggen: »hij begrijpt niet wat er gebeurd is;
// n*y voit que du feu^\ Met de Fransche militaire verslagen van
dien tijd is het daSarentegen geheel anders: daarin mag wel het
een en ander zijn opgesierd, en wat sterk gekleurd, zelfs verdicht
zijn, maar het geheel fs helder en duidelijk, men begrijpt het,
men heefc er wat aan, het ademt krijgskennis ; en daarom — wij
willen er niet voor instaan dat alle bijzonderheden in dit ver-
haal van Rousset voorkomende, waar en juist zijn; maar over
het geheel kunnen wij ons met dat verhaal zeer goed vereenigen.
Maar juist daarom is het ons dan ook duister, in welke for-
matie die HoUandsche infanterie te Fleurus heeft gestreden, In
een carré-formatie? — Wij kunnen dat moeilijk aannemen.
Luxembourg is gedwongen om negentien Fransche bataljons
naast elkander te plaatsen om eene even sterke linie te hebben
WILLEM iir. — in.
Digitized by
Google
/
50 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
als de Hollandsche infanterie; dit sluit immers ieder denkbeeld
uit) dat die Hollandsche infanterie daar in carré heeft gestaan?
Als het minst onwaarschijnlijke stellen wij ons de zaak zóó voor,
dat die infanterie van Waldeck in linie geschaard was, behalve
de vleugelbataljons, of vleugelregimenten, die in colonne op ge-
heelen afstand hebben gestaan, en die, als de vijand een flank-
aanval wilde doen, door zwenking in bataille kwamen en een
nieuwe vuurlinie vormden tegen dien aanval. Ziedaar, zoo wij
meenen, de wijze waarop de Hollandsche infanterie te Fieurus
heeft gestreden; — wij spreken hier echter niet op stelligen
toon; wij zeggen niet: zóó is het geweest; maar wij zeggen:
zóó heeft het kunnen zijn.
Verder valt over de wederzijdsche verliezen weinig bijzonders
te zeggen. Onze Hollandsche Mercurius zegt, dat elk der
beide partijen, aan dooden en gewonden, een lo k 16000 man
verloren heeft; — die cijfers laten zulk een groote speelruimte,
dat zij eigenlijk niets zeggen. Waarschijnlijk hebben de Franschen
veel verloren aan dooden en gewonden, door het krachtige vuur
van de Hollandsche infanterie; want het is het infanterievuur,
dat bij een veldslag de grootste verliezen teweegbrengt. Aan den
anderen kant is het duidelijk, dat de gevangenen geheel of groo-
tendeels op rekening komen van de bondgenooten, de geslagene
partij; het cijfer dat Rousset opgeeft is niet onwaarschijnlijk,
indien het waar is dat eenige bataljons van Waldeck de wijk
hebben genomen binnen Saint-Amand en Ligny, en later dus
verloren zijn gegaan. De afdeeling die, op Charleroi willende
terugtrekken, bij Saint-Fiacre is verloren gegaan, schijnt slechts
een geringe sterkte te hebben gehad, eene sterkte van een 500
man. Wat het veroveren van het grootste deel van Waldeck's
artillerie aangaat, worden de Fransche opgaven eenigszins beves-
tigd door wat er van onzen kant wordt gezegd, namelijk dat
>twaelf stucken canon met de pontons zijn gesalveert geworden";
en »de infanterye van den Staet soude het meeste gedeelte van
haer canon hebben konnen afvoeren, soo d'artilleryepaerden het
niet ontvlucht en weghgelopen waren geweest."* Daarentegen is het
zeker, dat ook door Waldeck's leger vaandels of standaarden van
den vijand zijn vermeesterd ; echter minder dan het er zelf verloor.
Dr. P. L. Muller zegt, dat de Nederlanders 32 Fransche vaan-
dels hebben vermeesterd, en dat Waldeck bij dezen slag de
helft van zijn leger heeft verloren ; — dit stemt vrij wel overeen
met de opgave der verliezen bij Rousset; ook omtrent het ver-
lies aan artillerie bestaat geen groot verschil.
Dat de slag van Fieurus op den isten Juli 1690 voor ons eene
nederlaag is geweest, dat valt niet in het minst te ontkennen of
te betwijfelen. — Wat was de oorzaak van die nederlaag?
Digitized by
Google
FLEURUS. 5 1
Moet men die oorzaak enkel zoeken in de grootere getalsterkte
van Luxembourg's leger? — Wij gelooven van niet. Dat leger
was wel sterker dan dat van Waldeck; volgens de meeste waar-
schijnlijkheid is de verhouding geweest 40000 man tegen 30000;
maar die overmacht der Franschen is niet groot genoeg om,
alleen daardoor, hunne overwinning te verklaren, vooral niet, als
men de grootere militaire waarde van Waldeck's troepen in aan-
merking neemt, 't Is waar, onze opgaven spreken niet met groo-
ten lof van Waldeck's ruiterij^ waarvan een deel zich zwak moet
gedragen hebben, en waarvan een der aanvoerders, de generaal
Flodorf, weinig wordt geroemd; maar toen evenals in het alge-
meen maakte het voetvolk de voorname kracht van een leger
uit; het voetvolk is Varme des batailies; en het Hollandsche voet-
volk te Fieurus is beter geweest dan het Fransche, — zonder
dat, door dit oordeel, iets nadeeligs gezegd wordt voor Luxem-
bourg's infanterie: die was goed; de infanterie van Waldeck
was uitmuntend.
De voorname oorzaak van onze nederlaag moet daarin gezocht
worden, dat Waldeck als legerhoofd niet kon opwegen tegen
Luxembourg. De Fransche veldheer heefc te Fieurus op eene
stoute, meesterlijke wijze gehandeld; gewaagd, als men wil; maar
zonder wagen komt men in den oorlog niet ver ; men dient alleen
te weten hoever dat wagen mag gaan; dat hangt voornamelijk
af van de macht die men tegenover zich heeft; en dikwijls is
het alleen de uitkomst die beslist of dat wagen al dan niet ver-
standig was.
Kracht en stoutheid bij Luxembourg, traagheid en werkeloos-
heid bij Waldeck, — ziedaar wat hier hoofdzakelijk de beslissing
heeft teweeggebracht.
Waldeck had veel kennis van den oorlog, ondervinding van
den oorlog, maar het genie van den oorlog is hem vreemd
gebleven; hij is de Wagner geweest van Goethe's iFaust": de
man die er door blokken en zwoegen wil komen, maar die
daarbij steeds teleurgesteld wordt, omdat het hem geheel ont-
breekt aan een krachtigen, scheppenden geest. Spottenderwijze
zegt Rousset, dat indien Waldeck te Fieurus is geslagen, hij zich
althans daarmee kan troosten, dat hij de regels trouw in acht
heeft genomen; — Molière's dokter beweert, dat het er niets toe
doet of een zieke al sterft, als hij maar volgens de regels van
de geneeskunst is behandeld.
Wat zou een stout en bekwaam legerhoofd, in Waldeck's
plaats, een kans gehad hebben om te Fieurus eene schitterende
overwinning te behalen ! Geruimen tijd hebben de bondgenooten
niets anders tegenover zich dan De Gournay met de helft van
het Fransche leger; Luxembourg is, met de andere helft, verre
weg. Om 3 uur 's ochtends is het Fransche leger van Vélaine
Digitized by
Google
52 KKUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
op marsch gegaan, en de afstand van daar tot Fleurus is maar
een uur gaans; nu is het wel waar, dat men zich toen langzaam
bewoog, en dat het tijd kostte om eene colonne in slaglinie te
doen komen; maar toch kan men zonder onwaarschijnlijkheid
aannemen, dat De Gournay, om 6 of 7 uur 's ochtends, in slag-
orde heeft gestaan tegenover Waldeck; eerst om 10 uur 's och-
tends komt Luxembourg bij Wagnelée; en eerst om 11 uur heeft
hij zijne macht genoegzaam bijeen, om den linkervleugel van de
bondgenooten aan te vallen. Waldeck heeft dus minstens drie
uren tijds gehad om De Gournay aan te vallen, vóór dat Luxem-
bourg nog in werking kon komen; en er is alle waarschijnlijk-
heid voor, dat De Gournay dan geslagen zou zijn en Luxembourg
in een gevaarlijken toestand gebracht
Dat Waldeck den overgang van de Sambre niet betwist heeft^
is hem niet als een misslag toe te rekenen: die rivier was te
onbeduidend om haar goed te verdedigen. Maar zijne handelingen
te Fleurus kunnen den toets der kritiek niet doorstaan ; hij schijnt
van die omtrekking door Luxembourg, niets te hebben geweten,
niets te hebben vermoed; eene enkele ruiterpatrouille, voorwaarts
van den linkervleugel uitgezonden, ware voldoende geweest om
hem dienaangaande in te lichten. Om het kort en goed te zeg-
gen : Waldeck is de oorzaak geweest van de nederlaag bij Fleurus»
Als verontschuldiging voor Waldeck brenge men niet zijn
hoogen leeftijd bij, — hij was toen zeventig jaar oud; — zija
zijne misslagen het gevolg geweest van zijn leeftijd? Is hij
vroeger krachtiger en bekwamer legerhoofd geweest? — eD
bovendien: als zijn ouderdom het hem onmogelijk maakte om
zijn taak als veldheer goed te vervullen, waarom nam hij dan
die taak op zich? Het is geen kinderspel om op het oorlogsveld
een leger aan te voeren: niet slechts het leven en de eer van
vele duizenden, maar ook het lot van staten en volkeren hangt
daarvan af; wie daarvoor niet geschikt is, moet het niet onder-
nemen. Ongetwijfeld vordert de ouderdom eerbied; maar die
eerbied mag niet zóó ver gaan, dat men aan den ouderdom
eene taak opdraagt, waarvoor deze niet meer is berekend, en
die in hooge mate kracht van geest vordert, \^il zij goed vol-
bracht worden.
Was het legerhoofd der bondgenooten hier middelmatig, het
leger daarentegen was uitmuntend. Het behoort tot de groote
verdiensten van Willem III dat hij van de infanterie der Repu-
bliek toen de beste infanterie van Europa heeft gemaakt; — ei>
dat die bewering niets overdrevens heeft, kan men zien uit ver-
schillende opgaven van dien tijd. Neem onder andere de lijvige
boekdeelen van Folard, — de Clausewitz en Rüstow van zijne
dagen, thans natuurlijk verouderd, evenals Clausewitz en RUstow
Digitized by VjOOQIC
FLEURUS. 53
ook eens zullen verouderen. Op meer dan ééne plaats spreekt
Folard van de Hollandsche infanterie, van hare eigenaardige
vechtwijze, van hare orde, van de geduchte uitwerking van haar
vuur ; daarin — zegt hij — laat zij iedere andere infanterie achter
zich. Het is dan ook die infanterie, die, bij de veldslagen van
den Spaanschen successie-oorlog, aan Marlborough het over-
winnen gemakkelijk heeft gemaakt: hij heeft de vruchten geplukt
van de krijgskunst van Willem III.
Luxembourg, die een kleine twintig jaar te voren soms met
zooveel minachting van het Hollandsche leger gewaagde, is hier
niet karig met den lof van dat leger; — wij hebben dien lof
meegedeeld; wij hebben meegedeeld wat bij Rousset verder
daarover voorkomt. Ook in andere Fransche opgaven wordt
• met hoogen lof van die infanterie gewaagd; getuigenissen die te
meer waarde hebben, omdat zij van vijandelijke zijde komen.
Onze bondgenooten waren niet minder uitbundig in hun lof.
Weinige dagen na den slag van Fleurus zeide een afgevaardigde
van den bewindhebber der Spaansche Nederlanden, in eene volle
vergadering van de Staten-Generaal, »dat d' onuytspreeckelijcke
kloeckmoedigheyt bij de voetknechten van haar Hoog Mog. ge-
vonden, niet genoegsaem gepresen konde werden noch in Chro-
nycken beschreven of gelesen; dat door de Romeynen, hoe
vermaert, geenige diergelijcke daden uytgevoert waren ; dat men
sig daer over te meer most verwonderen, dewijl sij geen borst-
weeren noch hoogtens voor haer gehad hadden."
In minder gezwollen taal wordt, in het verhaal van den veld-
slag, door Heinsius en de beide andere leden der Staten opge-
maakt, van de Hollandsche infanterie, vooral van die van den
rechtervleugel, gezegd:
...>ende is mits dien en door een langen duur van tijt, ende
naer ses uuren vechtens in een gestadig vuur soo van de troupen,
als van de artillerye, sonder dat de infanterye van den Staet,
dewelcke die harde stoot uitgestaen ende beproeft heeft gehad
met een standvastigheyt, die niet uyt te drucken en eeuwigh te
melden is, eenigsints gewanckelt heeft.
De cavallerye niet meer hebbende konnen gerallieert werden,
de voorschreve infanterye genootsaekt geweest, alleen de franssche
infanterye ende cavallerye, die se voor de front had, te attacqueren,
terwijle dat se van achteren oock defensif moesten gaen; het
welck met sulcken onvertsaegtheyt ende grootheyt van moet uyt-
gevoert wiert, dat den vyant selfs besweeck ende de infanterye,
welcke op de rechtervleugel stont, niet meer dorst attacqueren;
soodanig, dat het aen de stantvastigheyt ende volvaerdigheyt van
het voetvolck noch aen het beleyt van de officiers van het leger
van den Staet niet ontbroocken heeft, dat men de volle over-
winninge niet heeft bekomen.
Digitized by
Google
54 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
£yndelijck al vechtende soo heeft de infanterye, die noch in
ordre, roaer sonder ammunitie was, verdacht geweest om de
heggen van Mellé" (Mellel) »te gewinnen; ende naer verscheyde
gedane'harde aenvalien soo lieten de afgeslagene fransche deselve
in haer gesicht ten getale van negen regimenten passeren, voor
de front van welcke sig bevont den Prince van Waldecq in per-
soon, mitsgaders de Lieutenant-Generaels, den Baron van Aylva
(die sijn kIoeckmoedighe3rt ende gewoonlijcke voorsorgen op sijn
post tot die tijt toe gecontinueert had) en Van Webnum" (die
naam wordt zeer verschillend vermeld: Webnum, Weibnom,
Webbenum enz.) »den wekken anderwaerts geen dienst meer
konnende doen (als alleen op de linckervleugel overgebleven
sijnde) soo als hij heerlijcker wijse geduurende al het gevecht
gedaen had, sigh bij de voorschreve infanterye begeven hebben;
soo als oock den Heer d'Hubuy, Lieutenant-Generael van de
Spaensche gedaen had, nadat hij veelmalen hadde gerallieert
ende de Cavalerye op sijn ordre met succes gechargeert hadde.
Bij die langsame aftocht, dewelcke sachtjes ende moedighlijck
op de hoogte van Mellé geschiede, vervoegden sig daer naer
vier regimenten infanterye, die van de linckervleugel overgebleven
waren, dewelcke de glorie hadden, om van gelijcken voor den
dag te komen, geaccompagneert sijnde met hel regiment Caval-
lerye van Waldecq, door den dapperen Brigadier Iitersum op
ordre van den Heer Lieutenant-Generael Van Delwick ende
voor derselver front dwars door den vyant heen gevoert ende
al vechtende tot een bosch genadert sijnde, het welck sij aen-
deden om hun retraitte te maken, die sij met de voorsz. negen
regimenten naer de kassye" (straatweg) top de hoogte van
Mellé voortsetteden."
Béranger heeft gezegd:
»}c n*eus jamais d'indifféreQce
pour la gloire du nom frangais;**
Ook wij deelen dit gevoelen van den Franschen zanger: de
eer en roem van Nederland zullen ons nooit ongevoelig laten;
die hartstocht blijft levendig bij ons; en het stuit ons tegen de
borst, het vervult ons met weerzin, wanneer wij soms landge-
nooten met voorname onverschilligheid van onzen aiouden volks-
roem hooren gewagen, of hen hooren pralen met een wereld-
burgerschap, dat vaak niets anders is dan het deftige kleed
waaronder zich zelfzucht en armhartigheid verbergen. Alles wat
onzen volksroem betreft is ons dierbaar, — ook onze krijgsroem ;
en daarom hebben wij er naar gestreefd om wat onze voor-
vaderen den isten Juli 1690 op het slagveld van Fleurus hebben
Digitized by
Google
FLKÜRUS. 55
verricht, zooveel mogelijk te doen uitkomen. Wij zullen in geenen
deele beweren, dat het verslag dat Heinsius en zijne ambtge-
nooten geven van den strijd bij Fleurus, een meesterstuk is van
duidelijkheid van voorstelling; want het tegendeel is waar; —
maar ook uit de aanhaling die wij aan dat verslag hebben ont-
leend, blijkt overtuigend hoe welgegrond de lof is, toen aan de
HoUandsche infanterie toegezwaaid.
Uit Namen was de kolonel Fagel met een paar duizend man,
meest troepen van de Republiek, naar het kasteel Froidmont
getrokken, om het Fransche leger het teruggaan achter de
Sambre te verhinderen ; natuurlijk keerde Fagel weer naar Namen
terug toen het bericht inkwam dat Luxembourg overwinnaar was
in den strijd bij Fleurus.
Willem III was in Ierland, toen hij het bericht ontving van
de ondervonden nederlaag; dadelijk schreef hij daarover aan
Heinsius (Archief van Heinsius, 2* deel, blz. 12):
»In *t leger bij Bellarney 4/14 Juli 1690.
Het is onmogelijck tegenwoordigh UEd. soo exact te schrijven
en t' antwoorden op Sijne brieven, als ick wel wenste. Die van
den 4e die ick huyde heb ontfangen, heeft mij niet weynig ont-
stelt van het ongeluckige rescontre bij Fleurus voorgevallen,
't geen mij t' eenemael wegh neemt de satisfactie van de goede
successen die ick al hier hebbe. Ick versoeck dat UEd. alles wil
contribueeren dat in Sijn vermogen is, om te repareeren de ge-
ledene schade. Ick heb oock aen deu vorst van Waldeck
gescreven, om hem soo veel doenlijck aen te moedigen,
't welk weegens de Staet oock dient te geschieden. Ick wil
hoopen, dat de geallieerden nu sodanigh sullen ageeren, dat de
vyant door dese beoogte victorie geen groter advantage mogen
scheppen."
De Staten-Generaal hadden die aanmaning van Willem III
niet afgewacht om Waldeck isoo veel doenlijck aen te moe-
digen''; dadelijk na het ontvangen van het bericht der nederlaag,
schreven zij hem: idat haer Hoog Mog. wel met droef heyt
hadden vernomen het ongeluck, dat aen het leger van den Staet
bij occasie van de jongste battaille was overgekomen, ende wel
hadden gewenscht dat het God almachtig gelieft hadde, aen die
sake een anderen uytslag te geven; maer dat haer Ho. Mog.
evenwel, uyt de rapporten van het gepasseerde hebbende gehoort
de goede conduite, bij hem Furst van Waldeck in die battaille
en gelegentheyt gehouden, geen andere redenen hadden, als om
ten hoogsten daer over voldaen te sijn, en te hopen, dat door
Digitized by
Google
56 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
de continuatie van Sijnen goeden ijver de saecke haest wederom
herstelt konde werden";- enz.
Die brief van de Staten-Generaal aan Waldeck bewijst dat de
toenmalige regenten van onze Republiek verstandige mannen
waren; — denkelijk zullen ook zij wel ingezien hebben, dat
Waldeck juist geen overvlieger was, en dat hij te Fleurus mis-
slagen had begaan; — maar zij begrepen te recht, dat het nu
het oogenblik niet was om die misslagen te doen uitkomen, dat
Waldeck wel geen uitstekend legerhoofd was, maar zij zoo
dadelijk geen beter hadden, dat het bovendien niets dan kwaad
zou stichten indien men hem op dat oogenblik verving; de
Amerikaan Lincoln heeft zeer juist gezegd: >men wisselt niet
van paarden op het oogenblik dat het rijtuig midden in een
wed is." De Staten-Generaal handelden dus zeer verstandig met
Waldeck's beleid te prijzen, om daardoor zijn gezag als leger-
hoofd te verhoogen; — zij deden wat Rome's Senaat ten aan-
zien van Terentius Varro deed na de nederlaag bij Cannae. In
ddt opzicht handelt een aristocratisch bewind meestal met meer
verstand dan eene volksregeering : bij eene volksregeering zou
men er met onstuimigheid op hebben aangedrongen om Waldeck
af te zetten en voor een krijgsraad terecht te stellen; men zou
de kreet van > verraad" hebben doen hooren; — en door dat
alles zou men de zaak veel erger hebben gemaakt.
Volgens Bosscha wilde Luxembourg na de overwinning van
Fleurus het beleg slaan voor Charleroi of Namen, maar werd
hem dit door Louvois verboden. Rousset geeft dienaangaande
eene andere lezing: volgens hem zou Louvois wel degelijk zulk
een beleg hebben gewild en zelfs uitvoerige voorschriften daar-
voor hebben opgemaakt, maar is het Lodewijk XIV die dat
beleg verboden heeft: de Koning vreesde dat de keurvorst van
Brandenburg, aan den Rijn verschijnende, daar gevaarlijk zou
worden voor het leger van den Dauphijn ; daarom moest Luxem-
bourg eene afdeeling afzenden tot versterking van het leger aan
den Rijn; Luxembourg zelf zou wel weer eenige troepen van
d'Humières tot zich trekken, en daardoor nagenoeg even sterk
blijven; maar met dat alles verliep tijd; en op die wijze bleef
de slag van Fleurus zonder gevolgen.
Kort na die nederlaag te lande bij Fleurus, ondervond de
Republiek eene nederlaag ter zee, in den strijd bij Bevesier of
Beachy-Head, op den loen Juli 1690. Over dien zeeslag deelt
Rousset enkele bijzonderheden mede.
Chamlay, de man die in alle Fransche krijgszaken toen een
woord meesprak, schrijft den lóen Juni aan Louvois:
Digitized by
Google
BEACHY-HEAD (BEVESIER). 57
tHannibal heeft gezegd^ dat men alleen te Rome de Romeinen
zou kunnen overwinnen. Ik geloof dat die stelregel in het geheel
niet van toepassing is ten aanzien van de Duitschers, die men
eer tot rede zal brengen als men Engeland en Holland aanvalt^
dan het Keizerrijk. Ik wil mij duidelijker uitdrukken : de Koning
kan er niet te veel werk van maken^ van zijn vloot te doen
optreden tegen die beide natiën^ om hen tot vrede te dwingen.
Ik weet niet of dit zoo gemakkelijk zal gaan met Engeland,
maar toch, De Ruyter heeft voorheen niet opgezien tegen een
tocht naar den Theems. Van den winter heb ik de eer ge-
had, aan den Koning iets voor te stellen wat mij zeer goed
voorkomt en wat voor den vijand een doodsteek zou zijn; het
zou daarin bestaan, zoo mogelijk, Zeeland te vermeesteren en
daar de dijken te vernielen om het onder water te zetten.''
Den 23steD had Louvois aan Chamlay geantwoord, dat de
Fransche vloot met den eersten gunstigen wind de reede van
Brest zou verlaten, met last om den vijand op te zoeken en
slag te leveren. «Onder ons" — voegde Louvois er bij — >als
zij De Ruyter aan haar hoofd had, dan zou ik er alles goeds
van verwachten."
Die laatste woorden van Louvois houden een'e geringschatting
in ten aanzien van den Franschen admiraal; die geringschatting
was onverdiend: Tourville heeft werkelijk behoord tot de familie
van De Ruyter, Duquesne en Nelson.
Den 235ten Juni steekt Tourville in zee, met een vloot van
78 oorlogsschepen; den loen Juli behaalt hij de overwinning van
Beachy-Head :
...«De Britsche admiraal Herbert kruiste in het Kanaal met
58 oorlogsschepen, waaronder 20 Hollandsche. Na verscheiden
dagen tegenover elkander gemanoeuvreerd te hebben, werden de
beide partijen handgemeen den locn Juli, ter hoogte van Beachy-
Head, op de kust van Sussex. De Hollanders, die den voortocht
uitmaakten, begonnen dapper den strijd en hielden dien acht
uur lang vol, met een geestkracht, der natie waardig die te
Fleurus aan Waldeck zijne beste infanterie had verschaft. Hier
ondervonden zij hetzelfde lot : eene nederlaag, maar glorievol ; —
de Engelschen deelden in de nederlaag, maar niet in de glorie.
>De Hollanders" — zeide Louvois, toen hij de eerste berichten
van den zeeslag aan den maarschalk De Lorge mededeelde —
>de Hollanders hebben uitstekend gevochten en alles gedaan
wat dappere mannen kunnen doen. De Engelschen, toen zij
zagen dat hunne schepen wat schade begonnen te lijden, zijn
meerendeels geweken en hebben op groote afstanden gevuurd.
De Hollanders zijn woedend op hen..."
Het kwam daarop neer, dat 1 Hollandsch oorlogsschip werd
genomen; 8 schepen zonken, waaronder slechts 2 Ëngelsche;
Digitized by
Google
58 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
7 andere schepen, masteloos, kwamen op het strand terecht en
werden, twee of drie dagen later, verbrand, óf door de eigen
bemanning, óf door de Franschen, terwijl van Tourville's vloot
geen enkel vaartuig ontredderd was. Dit waren de roaterieele
uitkomsten van zijne luisterrijke overwinning..." (Rousset, 4^deel,
blz. 420 — 421).
Onder de z e d e 1 ij k e uitkomsten behoorde de verbittering van
de Hollanders tegen de £ngelschen. Wat is de oorzaak geweest
van het slechte gedrag der Engelsche zeemacht te Beachy-Head ? —
Want, dat dit gedrag slecht is geweest, daaromtrent zijn de ge-
voelens van de tijdgenooten vrij eenparig. Rousset heeft meege-
deeld, wat het oordeel is geweest van Louvois; van den anderen
kant halen wij hier ook het oordeel aan van Willem III, en dat
van Van Citters, toenmaals onzen gezant te Londen.
Van P'leurus en van Beachy-Head gewagende, schrijft Willem III
uit Ierland, den 14/245160 Juli 1690 aan Heinsius (Archief, 2* deel,
blz. 12):
>Het is onuytspreeckelijck hoe sensible mij heeft geraeckt de
twee groote desastres aen de Staetsche wapenen soo kort op
den andere wedervaeren. Dat van de vloot raeckt mij soo veel
te sensibelder, want naer d' informatie soo hebben mijn scheepen
die van de Staet niet behoorlijck gesecondeert, maer in de steeck
gelaeten. lek heb ordre gegeven nauwkeurigh ondersoeck te doen,
als de Coninginne mede gedaen heeft, en sal de schuldigen met
rigueur doen straffen, sonder aensien van persoonen . . ."
En Van Citters schrijft uit Westminster, 10/21 Augustus 1690
aan Heinsius (Archief, blz. 23 — 24), over den Engelschen admi-
raal Herbert — toen, graaf van Torrington — , die het bevel
had gevoerd over de vereenigde vloot, en die wegens zijne han-
delingen te Beachy-Head gerechtelijk werd vervolgd:
• Men wil mij doen gelooven, dat velen sich moeyte geven, —
ja zelfs de marquis van Carmarthen, de grave van Nottingham
en anderen, om den grave van Torrington te salveren ; maar het
abuys is soo groot, dat niemant van onse hooft- en andere offi-
cieren hem ten minste van de uyterste lacheteyt weten te excu-
seren, omdat hij op het gegeven signael van den viant aen te
tasten, dat nevens andere niet gedaen heeft, maer om de zuyt
gierende daer te loefwaert met meest alle de Engelsen buyten
schoots van den viant is blijven leggen en ons volck als honden
laten vermoorden, sonder een schot te schieten, en naer de
bataille onse afgematte en ontramponneerde schepen niet willen
decken en alsoo salveren, maer geordonneeft die séïh te ver-
branden en te ruïneren, om in des viant's handen niet te laten
vervallen, 't gene naer aller opinie hadde voorcomen connen
werden, soo bij aldien hij met sijn esquader en andere Engelse,
Digitized by
Google
BEACHY-HEAD (BEVESIER). 59
die niet een schot op den viant gedaen hebben, haer hadde
bijgecomen, maar op pretext van met den viant nu hem niet te
konnen engageren, alles heeft liever geabandoneert en verlaten
en ieder sijn best naer de riviere** (de Theems) lin de uyterste
confusie doen seylen."
Van der Heim — de uitgever van het Archief van Heinsius — j
heeft bij het bespreken van den slag van Beachy-Head het oor-
deel over den Engelschen vlootvoogd Torrington nog eenigszins
willen verzachten. Heel gunstig kan dat oordeel echter niet zijn;
want in hoofdzaak komt het gebeurde daarop neer: dat Tor-
rington, die op uitdrukkelijken last van de Engelsche koningin
Maria overging tot het leveren van een zeeslag, dien slag heeft
laten uitvechten door de Hollandsche schepen, en met zijne
Engelsche schepen — verreweg de hoofdmacht uitmakende, —
bijna niet meê heeft gevochten; en dat, indien hij al geen bevel
heeft gegeven om, na den zeeslag, de ontredderde Hollandsche
schepen te verbranden, hij toch niets gedaan heeft om die
schepen te behouden; in stede van den vervolgenden vijand het
hoofd te bieden en daardoor den aftocht der Hollanders te be-
schermen, heeft de Engelsche zeemacht zich maar gehaast om
den Theems te bereiken. Naar alles wat wij er van weten, kun-
nen wij geen ander oordeel uitbrengen dan dit: het gedrag van
de Engelsche zeemacht te Beachy-Head is slecht geweest.
Waaraan ligt dit slecht gedrag? Lafheid? — lafheid is geen
Engelsche ondeugd, vooral geen ondeugd van de Engelsche
zeemacht. Is het verraad geweest van de Engelsche vlootvoogden,
die mogelijk koning Willem weer wilden vervangen door koning
Jakobus? — Als men zich herinnert, aan welke verraderlijke
handelingen Marlborough zich toentertijd heeft schuldig gemaakt,
dan is het niet zoo geheel ongeoorloofd, om ook Herbert van
zoo iets te verdenken; toch zijn er geen bewijzen voor. Heeft
zich hier misschien de oude vijandschap doen gelden tusschen
de beide volken, die, na zoo lang en zoo hevig tegen elkander
te hebben gevochten, niet in eens er toe konden worden ge-
bracht om naast elkander te vechten? — Dat laatste komt ons
nog het waarschijnlijkste voor; en het zou niet bevreemdend zijn
geweest, als de oude zeekapiteins van Tromp en De Ruyter niet
zoo in eens de beste kameraden zijn geworden van de oude
zeekapiteins van Blake en Prins Robbert. Verbeeld u, dadelijk
na Waterloo, de bataljons van Wellington in één leger vereenigd
met Napoleon's oude garde; dat zou immers ook niets goeds
hebben opgeleverd?
Torrington, of Herbert, — dat is een ongelukkige gewoonte
bij de Engelschen om als zij van stand veranderen, ook van
naam te veranderen; dat brengt verwarring teweeg bij de be-
Digitized by
Google
€o KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
handeling van de geschiedenis; zoo is er een schrijver, die
Torrington noemt als opperbevelhebber van de geheele vloot,
en den admiraal Herbert als bevelhebber van een smaldeel,
even alsof Torrington en Herbert twee verschillende personen
waren geweest — ; na deze tusschenvoeging gaan wij voort:
Torrington, of Herbert, ook van Engelsche zijde beschuldigd
van plichtverzuim, werd dadelijk bij zijn terugkomst te Londen,
in den Tower gevangen gezet; het opgewonden grauw stond
zelfs naar zijn leven. Spoedig echter bedaarde die drift, en be-
gonnen de Ëngelschen ie begrijpen, dat Torrington dan toch
altijd een Engelschman was, en niet moest worden opgeofferd
aan de Hollanders. Den 2ostcD December werd er een krijgsraad
gehouden op het Engelsche oorlogsschip Kent, op den Theems
bij Sheerness; Torrington, voor dien krijgsraad verschenen, werd
vrijgesproken van de beschuldiging van plichtverzuim in des
slag van Beachy-Head. Willem III ontsloeg hem echter als
vlootvoogd.
Wat in onze Holland se he Mercurius voorkomt over
dien krijgsraad, die Torrington vonniste, maakt het vrij duidelijk,
dat de Engelsche admiraal zijn vrijs])raak heeft te danken gehad
aan de partijzucht, of eenzijdige vaderlandsliefde, van zijne land-
genooten en wapenbroeders. Er is zooveel eenzijdigs in wat er
toen is voorgevallen aan boord van de Kent, dat het belangrijk
is om er iets van te vermelden.
De krijgsraad bestond uit ruim dertig Engelsche zeekapiteins,
met Delaval, den vice-adrairaal van de Blauwe vlag, tot voor-
zitter. Als getuigen werden eerst gehoord »verscheyde Engelsse
schippers, Constapels, quartiermeesters en andere geringe be-
dienden in de kajuyt, ende alleen een capiteyn, dewelcke al
t' samen luttel tegen haren admirael inbrachten."
Daarna werden drie Hollandsche zeeofficieren gehoord: de
schout-bij-nacht Schey, en de kapiteins Taelman en Swaen. De
getuigenis van die drie Hollandsche officieren werd in de Engel-
sche taal overgebracht door een der Engelsche officieren; —
natuurlijk zal die vertolking maar het zakelijke hebben weerge-
geven, en aan nauwkeurigheid wel wat te wenschen hebben
overgelaten.
Het opmerkelijkste is de getuigenis van Schey; die schout-bij-
uacht had. met zijn schip — de Prinses Maria van 92 stuk-
ken, — een belangrijk aandeel gehad aan den strijd: aan zijn
boord waren 12 man gedood en 60 gewond; er waren daar
24800 pond kruit verschoten; 140 schoten had het schip ge-
kregen, zoo onder als boven water, en 130 schoten door de fok;
de mast enz. was aan stukken lende in alles schadeloos"; (het
woord schadeloos schijnt toen beteekend te hebben: door
beschadiging onbruikbaar). In één woord, als iemand hier recht
Digitized by
Google
BEACHY-HBAD (BEVESIER). 6i
van spreken had, dan was het Schey ; en hij heeft dan ook va»
dat recht gebruik gemaakt op eene wijze die niet geheel is vri>
te pleiten van plompheid en ruwheid. De dappere zeelieden uit
de school van De Ruyter waren niet gewoon er doekjes om te
winden, maar alles te zeggen wat hun voor den mond kwam*^
hun vrijheid van taal evenaarde hun moed.
Ziehier wat in de Hollandsche Mercurius over dit punt voor-
komt (41* deel, blz. 345—347):
...1 Schey vertoonde een extract uyt sijn dag-register, op dat
de krijgs-raed ordentelijk het verrichtte ende gebeurde in het
gevecht mocht lesen; sij weygerde het aen te nemen, en wende-
voor: >sulcks tegen het gebruyck te strijden en alles uyt een
vaste geheugenis bij monde voorgedragen te moeten werden. ''^
Den Schout-bij-nacht ving sijn verhael van Sondag, den 9cn van
hoymaent, aen, en vertoonde »dat den grave van Torrington op-
een brief van de Coningin een krijghs-raed beriep en alle ledei^
met eenparige stemmen besloten, op haer Majesteyts ordre den
vyant slag te leveren; doch sig tot de aenkomst van Sir Clou-
desly-Shovel en den Vice-admirael Kullegrew, soo veel te loef-
waert, als het mogelijck was, te houden; en met beding dat,,
indien de voortocht, door de Hollanders gevoert ende het blootste,
in een gevecht quam, men de vijanden gelijckerhant soude aen-
tasten; dat den Grave den loen 't zeyn van rangeren, en, doe-
de vloot geschickt was, dat van den aenval — een roode vlag
op zijn voorstenge — uytstak; dat de Hollanders in goede ordre
op de fransse losgingen; maer dat Torrington en die van de
blaeuwe vlagh in een halve maen contrarie de linie der Hollan-
ders suckelden." Men vroeg den Schout-bij-nacht: »wat veroor-
saeckt had, dat de fransse Schout-bij-nacht met negen schepen
voor de Hollanders overliep en de loef won ?" — Hij antwoord^,,
•dat, soo Torrington met haer in een linie gesloten hadde blijven
leggen, men met de geheele vloot den vyant had konnen op-
volgen; doch dat hij, door sijn niet bewegen, de scheuring in
het hollantsch esquadre gebracht had." Men vorderde »of hi)
raed sag, met soo weynig door soo veel schepen heen te-
slaen"? — Schey betuygde, »dat het 't eerste niet soude geweest
zijn, en de Hollanders met 17 schepen, 34 k 36 fransse in de-
slag bij Siciliën soo gedeckt hadden, dat het haer daegs daer aen
niet meer luste." Acht van de krijgs-raed vielen hier op in;
ende porden den Schout-bij-nacht, met veele moeyelijckheyt De-
laval af te perssen, »wat voor karels zij waren, en wat gesag
sij hadden, buyten de krijgs-raed om te vragen"? Wijders hem
toe te voegen, »dat sij haer niet mosten verbeelden, dat sij,
schoon sij met haer duysent waren, bequaem souden wesen^
hem in verwarring te brengen; dat men sulcken wanhebbelijck-
heyt in Holland ongewoon was, en dat het beter een nest met
Digitized by
Google
Ó2 KRJJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
jonge... als een krijgs-raed geleeck;" (de dappere zeeman heeft
hier zeker eene zoo prachtige uitdrukking gebruikt, dat de zedige
Hollandsche Mercurius haar oningevuld heeft gelaten); >en tegen
den Grave, na wien hij sig draeyde, uyt te brommen: sen gij
Torrington, wat valt hier veel t* ondersoecken ? Vechten was de
bootschap. Doen gij met ons op haer Conincklijke Majesteyts
ordre vaststelde, den vyant eenparig aen te tasten, wat reden
had gij, om, — niet alleen gij, maar oock alle van uw Ësquadre,
te versuymen op de franssche van het begin tot het laetste toe
af te komen?" — De soon van den Grave van Bath eyschte,
»of Schey wel met eede wilde verklaren, dat, bij aldien Tor-
rington op sijn post afgesackt was, den vyant geslagen soude
zijn geworden?" en kreeg tot bescheyt: »of hij wel wilde swee-
ren, met twee tegens hem alleen, hem te doen lopen ? Doch dat
hij echter, en alle menschen van oordeel, onder Gods zegen,
aen een volkomen victorie niet konden twijfFelen; dan men niet
veel behoefde te vragen, wat uytgewrocht was; en dat men maer
des vyant*s schepen, die het souden tonen, mocht besien; want
dat, daer men hackt, spaenders vallen." Dit seggen wiert averechts
opgevat, en de geduyt, of de Hollanders mede niet gevochten
hadden. De Schout-bij-nacht drong derhalven >dat men een van
alle de 22 Capiteyns, waer op iets te seggen viel, soude noemen."
Ten eersten spelden de Engelsse den Admiraal Evertse. Schey,
die nae sijn schrijven hier niet veel wederleggens aen wist, al
soo hij hem gedurende het gevecht te loefwaerts gesien had,
hervatte »dat men niet een, buyten dien, welcke niet op alle
manieren reddeloos was, kon aenwijsen." Een oogenblick stilte
volgde dese laetste woorden, tot dat een der omstanders opstoof
»dat den Vice-Admirael Callenburg on beschadigt was, en dien
volgende niet gevochten most hebben." Dit ontstack Schey's
bloet; weshalven hij den segger bij de rock greep, begeerde te
weten twie hij was, en voldoening van de eer van een eerlijck
man, die soo wackeren soldaet van fortuyn was en van sijn
jeught aen soo veel proeven van sijn eerlijckheyt gegeven had,
te steelen"; en sprack — op sijn weygering van sijn naem te
ontdecken, en simpel seggen »een Capiteyn te wesen" — den
voorsitter aen, en betuygde tdat hij verbeteringh aen den Coning
soude versoecken ; en het tegendeel bleeck, door dien Torrington
<iaegs na 't gevecht een schip sont, om hem weg te slepen"
(hem is hier, denkelijk, Callenburg). Men hielt hem voor: tof
hij noch iets te verhalen had"? Hij antwoordde: dat hij om
500 Guinees wenschte, soo goed Engels als Duyts te kennen;
want dat hij dan nog wel een uur werck soude hebben, om de
laf hertigheyt uyt te drukken ; doch nu te veel vermoeyt was, en
van het beantwoorden der onnutte vragen al dorst begonde te
krijgen, >Doch sacht" — ging hij voort — »wij hebben nog
Digitized by
Google
BEACHY-HBAD (BEVESÏER). 63
niet gedaen; want toen het op de namiddag ten twee uuren
begon te werden, als ick den franssen Schout-bij-nacht te loef*
waert ende den Vice-Admirael in ley gehad had, ende naer een
hevig gevecht den franssen Vice-Admirael met sijn smaldeel op
de vlucht dreef) dat deselve met 6 chaloupen voor de boegh
van mij afroeyde, was dat geen teken genoeg van een aenstaende
victorie, bij aldten den admirael Torrington sijn partij mede soo
bejegent had; maer door sijn afhouden en blijven leggen gaf hij
noch meer occasie tot onse rampen; oock had selfs de fransse
Vice-Admirael, die het gros van den vyant voerde, met chalou-
pen voor de boegh mij soecken af te snijden, bij aldien ick het
hem niet ontleyt had. Wat was de reden hier van anders, als
dat den Admirael Torrington hem soo veel ruymte gaf, vermits
hij meer als een Duytsche mijl te loefwaert van ons afbleef ende
niet door dat Esquadre bevochten wiert. Als wij nu ten ancker
quamen, lag den fransschen Vice-Admirael soo nabij ons, dat met
het afschieten der wacht sijn kogel soo ver voor mij overwaterde,
als ick toenmaels van hem vertoefde;" met bijvoeging: »dat de
saecken van daegs na de battaille geen beschuldiging raeckten,
en Torrington doenmaels de Hollanders op alle manieren de
behulpsame hant socht te bieden."
De getuigenis van den kapitein Taelman was kort, en hield
alleen in: »dat hij op het gegeven zeyn van de slagh sijn post
had gevat ende soo veel met sijn schip te doen gehad, dat hij
op Torrington's handel niet konde letten; maer hem, ongeveer
ten vier uuren naer de middag, een Duytsche mijl te loefwaert,
vijf streecken uyt sijn vaerwater, gesien."
De kapitein Swaen zeide in zijn getuigenis: »dat Torrington
als een braef Admirael de Hollanders door het zeyn op den
vyant deed aenvallen; maer met sijn Esquadre noyt binnen's
schoots van den selven naderde."
Dus, »een braef Admirael", om anderen te laten vechten;
maar zelf zich buiten schot te houden.
Torrington vroeg : » hoe het dan mogelijck was, dat een bran-
der, die noch een Engelssche mijl boven hem lagh, geschoten
wiert?" — Swaen antwoordde: »dat een vervlogen kogel ver kan
reyken ; maer men volgens Soldaetschap ten minsten binnenschoots
van een drie ponts kogel, soo het niet op een musquetschoot was,
most wesen ; en dat, bij aldien den Grave soo na had afgesackt,
men niet twijfelde, of men soude, onder Godes hulpe, een vol-
komen victorie gehad hebben." Torrington vorderde de redenen
>om welcke hij dit oordeelde en de tekenen door hem gemerkt;
terwijl hij niet kon seggen, dat eenige bijsondere schade bij de
fransse te bespeuren was geweest." Swaen betuigde, tdit sijn
eerste noch derdemael niet te zijn, dat wanneer de vyanden hem
de rug toekeerden, sulks een voorteken van een gewenschte vic-
Digitized by
Google
04 KRIfGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWING LN.
torie had geweest; en dat, bij aldien Torrington lust daer toe ge-
had had, hij een onfeibare preuve had konnen nemen; niaer nu
averechts gedaen. en sig van den vyant afgehouden; en dat dit
't HoUants volck niet alleen de moet onttrocken had, maar oock
geport tot mompelen tegen hare officiers, dat het ter slacht-
banck geleyt wiert, dewijl Torrington zoo schandig te loefwaert
sammelde, dat het de franssche, al op de vlucht, weder stant
deed grijpen."
Ziedaar de getuigenissen van de drie Hollandsche zee-officieren,
voor dien krijgsraad^ die Torrington moest vonnissen. Waarom
maar drie Hollandsche zee- officieren als getuigen opgeroepen? —
Dit is zeker, dat die drie getuigenissen al krenkend genoeg waren
voor den Britschen vlootvoogd, en dat hem daarin op onge-
zouten wijze de waarheid is gezegd. Maar de partijdigheid van
den krijgsraad is duidelijk, en de vrijspraak van Torrington
schijnt te voren afgesproken te zijn geweest. Moet ook de ge-
schiedenis hem vrijspreken? — Wij gelooven van niet; en, Schey
moge wat ruw en wat hartstochtelijk gesproken hebben, zijn taal
draagt de kenmerken van overtuiging en van waarheid. Zooveel
is zeker, dat Beachy-Head, evenals Fleurus^ voor ons eene zeer
roemrijke nederlaag is geweest; zoowel leger als vloot waren
toen bij ons uitmuntend: het eerste was gevormd door Willem III,
de tweede door De Ruyter. Alles hangt af van den man die aan
het hoofd is.
De nederlaag bij Beachy-Head deed de vrees ontstaan voor
eene landing van den vijand in Holland of Zeeland. Vandaar
dat, in de tweede helft van Juli 1690, troepen uit Waldeck's
leger, en uit Maastricht en Den Bosch, naar de zeekust werden
gezonden. Onder andere wordt gezegd, dat de graaf van Hoome^
in Zeeland bevel voerende, daar 5 regimenten voetvolk en
I regiment ruiterij bijeen had, tot bescherming van Walcheren
en van Staats-Vlaanderen. Het bleek echter spoedig, dat de
vrees voor een landing van de Franschen, ongegrond was; —
uit den hierboven aangehaalden brief van Chamlay blijkt echter,
dat er toen bij den vijand sprake is geweest van een aanval op
Zeeland.
De tegenspoed, door de bondgenooten te Fleurus en te
Beachy-Head ondervonden, werd opgewogen door de overwin-
ningen, die Willem III in denzelfden tijd in Ierland behaalde.
In 1689 had Schomberg, met het Engelsche leger, nagenoeg
geheel Ulster, het noordelijke gewest van Ierland, aan het gezag
van koning Willem onderworpen; maar het grootste deel des
eilands, drie vierde, bleef de heerschappij van koning Jakobus
Digitized by
Google
IERLAND. 65
eerbiedigen. Uit Frankrijk werd in 1690 een vrij aanzienlijke
macht afgezonden naar Ierland, om den verdreven Koning te
ondersteunen; die macht bsstond uit »34i officieren en 6951
soldaten; behalve nog 61 officieren of beambten van de artillerie,
6 commissaires des guerres^ en 27 chirurgijns en hospitaal-beambten.*'
(Rousset, blz. 382).
Maar de keus van Lauzun, als bevelhebber van die Fransche
troepenafdeeling in Ierland, schijnt ongelukkig te zijn geweest;
Rousset spreekt op zeer ongunstigen toon over dien man, en
ziet in zijn benoeming een blijk, hoe de invloed van Louvois
op den Franschen koning aan het afnemen was:
*T k 8000 man goede troepen naar Ierland te zenden, en hen
tot aanvoerder te geven een gek, een hofnar, een man zonder
talent, zonder moed, zonder eergevoel, een Lauzun — wat een
jammerlijke handeling! Ziedaar wat Lodewijk XIV deed, om
genoegen te doen aan Jakobus II, aan de koningin van Enge-
land, misschien aan madame De Maintenon, en zeer zeker om
Louvois te ontstemmen. Wat een prachtige wijze om te toonen,
dat hij de gebieder was!..." (Rousset, 4* deel, blz. 382).
Maar hoe slecht ook aangevoerd, die beproefde Fransche
troepen konden eene uitmuntende kern zijn, waarbij zich de
lersche Jakobieten konden aansluiten; en ook daarom moest
men de partij van de Stuarts den tijd niet laten om in Ierland
een vasten samenhang aan hunne strijdkrachten te geven. Wil-
lem III zag dit in en begreep dat het voor hem noodzakelijk
was, in persoon in Ierland op te treden, daar het bleek dat de
onderwerping van dat land moeilijk was te wachten van den
ouden Schoenberg; en die onderwerping was noodig, ook om
het gezag van den Oranjevorst over Groot-Brittanje te verzekeren.
Over de samenstelling van het leger waarmede Willem III in
1690 in Ierland is werkzaam geweest, komen nog al uitvoerige
opgaven voor in de Hollandsche Mercurius. Daarin wordt ge-
zegd, dat de ruiterij sterk was 5350 man, — waaronder aan Hol- "^
landsche troepen : het regiment Hollandsche gardes 500 man, en
9 andere Hollandsche regimenten 1620 man ; — die laatste opgave
sluit dus in, dat ieder van die 9 regimenten gemiddeld 180
paarden sterk was. Bij Engelsche regimenten ruiterij wordt ge-
zegd, dat eene compagnie 40 man sterk was; daarom is het
waarschijnlijk, dat elk van die Hollandsche regimenten ruiterij
uit slechts 4 compagnieën heeft bestaan.
De dragonders waren sterk 2500 man; daaronder wordt ge-
noemd het Hollandsche regiment van Ëppinger dat 900 man
telde; de vijf andere regimenten dragonders schijnen Engelschen
te zijn geweest, en hadden een veel mindere sterkte dan dat van
Ëppinger: 3 è. 400 man ieder.
WILLEM iii. — III.
Digitized by
Google
66 KRIJGS- EN GESCHIEDK.UNDIGE BESCHOUWINGEN.
De infanterie had een sterkte van 31250 man; daaronder
waren 3 regimenten Fransche uitgewekenen, ieder van 750 man;
4 Schotsche regimenten, te zamen 3000; 2 bataljons Èngelsche
gardes, te zamen 1400 man; 3 bataljons HoUandsche gardes,
2100 man; en verder 29 andere regimenten, ieder van 750 man.
In hoeverre die 29 regimenten hebben bestaan uit troepen van
het Britsche rijk, is moeilijk te zeggen; onder de namen van de
aanvoerders komen de namen voor van hoofdofficieren, die het
bevel hebben gevoerd over Schotsche of Èngelsche regimenten
van óns leger; en het regiment >Grave van Nassau" en het
regiment «Brandenburg" hebben denkelijk behoord tot de land-
macht van de Republiek.
Voegt men bij, dit alles nog 7200 man aan Deensche troepen,
dan verkrijgt men voor de geheele sterkte van het leger van
Willem III in Ierland 46300 man. Dit cijfer komt niet overeen
met het cijfer van 30000 man, de sterkte die algemeen wordt
toegekend aan het leger waarmede Willem III den slag aan de
Boyne heeft geleverd; maar dit verschil kan door twee oorzaken
worden verklaard: vooreerst, doordat er detacheeringen kunnen
hebben plaats gehad; en ten tweede, doordat de sterkte der
regimenten — zooals de HoUandsche Mercurius ze opgeeft —
wél de sterkte kan geweest zijn die zij moesten hebben,
maar daarom nog niet de sterkte die zij hebben gehad.
Koning Willem, Londen verlatende, scheepte zich in te Ches-
ter, op de westkust van Engeland, en landde den 24sten Juni te
Carrickfergus, een weinig ten noorden van Belfast, op de noord-
oostkust van Ierland. Nog voor 's Konings komst had Schomberg
de onderwerping van Ulster voltooid, door de bemachtiging van
de vesting Charlemount, aan de zuidzijde van het meer Lough
Neagh ; de lersche bezetting verkreeg een vrijen aftocht (24 Mei),
evenals de bezettingen van twee sterke kasteelen, die zich, ook
toentertijd, aan de Orangisten overgaven.
Den 29stcn Juni brak Willem III met zijn legermacht op van
Belfast naar Hilsborough, en verder in zuidelijke richting, om
het leger van Jakobus op te zoeken, dat aanvankelijk in het
noorden van Leinster had gestaan, naar de zijde van Dundalk.
De Jakobieten gingen echter terug, op 'svijands nadering; wél
behaalden zij, den 2 en Juli, een klein voordeel op eene afdeeling
van een 200 Engelschen, die in eene hinderlaag viel ; maar toen,
den 3en Juli, de generaal Van der Duyn van *s Gravenmoer met
een 500 ruiters of dragonders op Dundalk rukte^ was de komst
van die voorhoede voldoende om die stad te doen ontruimen.
Over Ardee — of Atherdee — ging het leger van Jakobus terug
op Drogheda, — eene stad, een uur of tien ten noorden van de
Digitized by
Google
IERLAND. 67
hoofdstad Dublin, en waar zich de rivier de Boyne in zee werpt.
Achter die rivier, op den rechteroever, wilde het leger van
Jakobus den vijand het hoofd bieden, en een veldslag leveren
die over het lot van Ierland zou beslissen.
Koning Willem kwam den yen Juli met zijn leger te Dundalk,
en rukte den qch van daar* op naar de Boyne. Den loen bereikte
hij die rivier, en vond 's vijands leger aan de overzijde geschaard,
gereed tot den strijd. Het was dien dag dat de Oranjevorst, de
rivier en de vijandelijke stelling verkennende, in groot levens-
gevaar heeft verkeerd: een vijandelijke kanonskogel ging rake-
lings over zijn rechterschouder, nam boven- en onderkleeding
weg, en bracht een lichte wonde toe. Ook hier bleek weer die
nimmer zich verloochenende heldengeest van den grooten Stad-
houder: in een hollen weg gebracht om verbonden te worden,
zeide hij bedaard weg: tdat diende niet nader"; en toen
de zijnen te veel om hem bleven, voegde hij hun toe : y^Messieurs,
pourquoi ne marchez-vous pas?^ Na verbonden te zijn, bleef hij
nog vier uur lang te paard: en, hoezeer hij zijn rechterarm niet
kon gebruiken, heeft hij den volgenden dag toch den veldslag
bestuurd en onafgebroken daaraan deelgenomen. Hij behoorde,
wat de dapperheid aangaat, tot het geslacht der Caesars en der
Napoleons.
Rousset, den veldslag aan de Boyne besprekende, is daarbij
oppervlakkig en eenzijdig; zelfs vergist hij zich in den dag, en
stelt dien strijd, die den 11 en Juli heeft plaats gehad, op den
loen. Het leger van Willem III was volgens Rousset meer dan
30000 man sterk; dat van Jakobus bestond uit een 7000 man
goede Fransche troepen en een 20000 » uitgehongerde Ieren".
Obk hij gewaagt er van dat Willem III bijna gedood werd door
een kanonskogel; maar hij stelt dit feit op den 9en Juli, toen —
volgens hem — de beide legers nabij Drogheda aan de Boyne
tegenover elkander stonden, koning Willem op den linkeroever,
Jakobus op den rechter. Op den loen had er — naar hij be-
weert — eene ontmoeting plaats van weinig beteekenis:
...tDen volgenden dag" (10 Juli) mam de hertog van Schom-
berg, die het opperbevel had aanvaard, zijne beschikkingen om
de rivier over te gaan, boven- en benedenwaarts van het leger
van Jakobus II, om het aan de beide vleugels te omtrekken. De
voorste afdeelingen hadden den anderen oever nog niet bereikt,
toen reeds de helft van de Ieren op de vlucht was. Het is
onjuist om te spreken van een veldslag bij de Boyne; want daar
is volstrekt niets gebeurd wat eenigszins op een veldslag gelijkt;
alleen had er op één punt een soort van gevecht plaats, onbe-
duidend, maar waarin het toeval wilde dat Schomberg sneii velde;
zonder die omstandigheid, die eenig gewicht gaf aan die ont-
Digitized by
Google
68 KRUOS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
moeting, zou men er nooit iets anders in hebben gezien dan
een schermutseling, gevolgd door een verwarde vlucht.
Jakobus was niet een van de laatsten geweest om het doods-
gevaar te ontloopen {Jacques II n^avait pas été des demicrs d
prendre des süretés contre la mort). De Franschen, die bijna niet
gevochten hadden, verlieten hunne stalling op bevel van Lauzun,
om den persoon des konings te beschermen; echter werd deze
in zijne vlucht 'niet in het minst verontrust. Jabob Stuart bleef
ternauwernood twee of drie uren te Dublin: van daar bereikte
hij zoo snel mogelijk de haven van Kinsale" (op de zuidkust,
in Munster); t zestig mijlen afstands had hij afgelegd, schier
zonder te rusten; daar borg hij zich in een Fransch fregat, dat
hem, behouden en wel, naar Brest overbracht; zoodoende was
hij zelf de boodschapper van zijn oneer. Den 2 5 sten Juli kwam
hij terug op het kasteel van Saint-Germain, alsof hij er nooit
van daan was geweest. Luxembourg schreef aan Louvois: thun
die gehecht zijn aan den koning van Engeland, zal het genoegen
doen als zij hooren dat hij in veiligheid is ; maar hun die gehecht
zijn aan zijn roem, zal het spijten dat hij zulk een jammerlijke
rol speelt."
Hoe een mensch kan veranderen! Vroeger, als hertog van
York, als admiraal, was Jakobus dapper geweest; — als koning
is hij een lafaard geworden.
De opgaven van óaze zijde geven een geheel ander beeld
van den slag aan de Boyne dan Rousset dit doet; die opgaven
zijn, in hoofdzaak, een verhaal, namens Willem III van dien strijd
opgemaakt, en een brief van Hop aan de Staten van Holland.
Hop was de Amsterdamsche burgemeester die in 1684 het aaft-
dringen van den Stadhouder op versterking van het leger der
Republiek krachtdadig had bestreden, en die toen, beschuldigd
van te heulen met den Franschen gezant d'Avaux, zooveel
vijandschap tegen zich had opgewekt, dat hij bedreigd werd
met het lol der De Witten. Kort daarop is Hop zeer in aanzien
gekomen bij Willem III; en dit bewijst genoegzaam dat er in
die handeling van 1 684 niets was dat naar landverraad zweemde,
maar alleen een krachtig voorstaan van de rechten zijner stad.
Later, in het begin van den Spaanschen successie-oorlog, heeft
Hop geschitterd in den slag van Eeckeren (1703), toen hij Slan-
genburg ter zijde stond om het leger der Republiek te bevrijden
uit den gevaar vollen toestand waarin Obdam's slecht beleid het
had gebracht. Hop is in alle opzichten een bekwaam en kracht-
vol regent geweest, een man, even goed op zijn plaats op het
slagveld als in de raadzaal of aan de hoven der vorsten.
Toen Willem III den loen Juli de verkenning had verricht
Digitized by
Google
IERLAND. 69
van 's vijands stelling achter de Boyne, beraamde hij de wijze
waarop, den volgenden dag, de overtocht van die rivier zou
worden verricht. Behalve een paar bataljons die moesten dienen
om de bezetting van Drogheda in bedwang te houden, werden
nog twee afdeelingen belast met de taak om de Boyne over te
gaan, boven- en benedenwaarts van de stelling van koning Jako-
bus, en dus eene dubbele omtrekking van die stelling te ver-
richten: van den linkervleugel zou eene brigade ruiterij de
Boyne doorgaan beneden het leger der Jakobieten, dus tusschen
dat leger en Drogheda; maar de voornaamste omtrekking moest
op den anderen vleugel geschieden, door den jongen Schomberg
— een zoon van den Maarschalk; Schomberg zou, met al de
ruiterij van den rechtervleugel, met 6 bataljons voetvolk en 5
veldstukken, naar Slaine trekken, een uur gaans boven 's vijands
stelling, en daar de rivier trachten over te gaan. De hoofdmacht
van Willem III zou de rivier doorgaan, rechtstreeks tegenover
den vijand, op plaatsen die bij laag water doorwaadbaar waren.
Schomberg, 's ochtends vroeg op marsch gegaan zijnde naar
Slaine, vond daar 8 eskadrons van den vijand om hem den
overtocht te betwisten, maar trok toch, in weerwil van allen
tegenstand, om 8 uur 's ochtends de rivier over, schaarde zich
aan de andere zijde in slagorde, en sloeg daar den aanval af
van een 2000 ruiters, door koning Jakobus naar de zijde van
Slaine afgezonden. Op het bericht van het gelukken der onder-
neming van den jongen Schomberg, deed koning Willem, om
1 1 uur 's ochtends, de hoofdmacht de rivier doorgaan : in het
midden de HoUandsche gardes onder Solms; links van hen de
Denen ; rechts Fransche en Engelsche regimenten. De Jakobieten
hadden vlak bij de rivier sterke afdeelingen voetvolk geplaatst
in een gehucht of klein dorp dat daar gelegen was, en achter
de aarden wallen van de korenakkers; hunne hoofdmacht stond
meer achterwaarts, op twee liniën in slagorde geschaard.
De waadbare plaatsen in de Boyne schijnen nog al wat te
wenschen overgelaten te hebben; ten minste wordt er gezegd,
dat waar de Denen doortrokken, zij tot aan de schouders en
zelfs tot den hals door het water gingen, zoodat zij genoodzaakt
waren de geweren en de munitie boven het hoofd te houden,
om die te behoeden voor nat worden. Solms, met de Hol-
landsche garde, trof een minder diepe plaats, en bereikte het
eerst den anderen oever, in weerwil van het hevige vuur, door de
Jakobieten uit de huizen en van achter de aarden wallen op de
aanvallers gericht. Toen op den rechteroever van de Boyne
reeds twee bataljons van de HoUandsche garde in slagorde
stonden, werden zij aangevallen door vijf bataljons van de
Jakobieten, die tot zeer nabij naderden, — tot tter lengte van
een pieck", zegt ééne opgave; — het hevig vuur van de Hol-
Digitized by
Google
70 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
landsche infanterie dreef echter den vijand terug en bracht hem
groote verliezen toe; en toen nu ook het derde bataljon de
rivier door was en de HoUandsche garde vooruitrukte, sloeg zij
gemakkelijk de aanvallen af, die 's vijands voetvolk en ruiterij
nog op haar deden. Intusschen waren, links van Solms, de
Denen de rivier doorgekomen, en werden deze op den anderen
oever aangevallen door dragonders van koning Jakobus; rechts
verschenen Fransche en Engelsche regimenten, die op den rech-
teroever werden aangevallen door 's vijands ruiterij. Een der
opgaven stelt de werking van die ruiterij der Jakobieten als zeer
onbeduidend voor, en zegt van haar, >dewelcke echter niemen-
dal uytvoerden, als geen piecken hebbende"; — was dan de
sabel, óf het musket, toen voor den ruiter een wapen geheel
zonder waarde?
Ontembare dapperheid kan men over het geheel den Ieren
niet toekennen, die aan de Boyne hebben gestreden; — toch
zijn er, die zich toen uitstekend hebben gedragen. Een dertigtal
ruiters, deels van de lijfwacht van koning Jakobus, deels van het
regiment van Tyrconnel, aan niets anders dan aan hun moed
gehoor gevende, trokken zelve de Boyne door, om op den lin-
N keroever de troepen van koning Willem op te zoeken, eene
j' daad van vermetelheid, die zij duur betaalden: van de dertig
V- ) sneuvelden er vijf en twintig; maar de vijf overblijvenden, weer
\ <» op den rechteroever van de rivier teruggekeerd, vonden daar
y- 'X den maarschalk Schomberg, en een hunner doodde dat grijze
\L » legerhoofd met een pistoolschot.
Toen een genoegzame macht op den rechteroever vasten voet
had verkregen, deed Willem III al het overige de rivier door-
gaan; links, op een half uur afstands van de rivier, kwam toen
zijne ruiterij in gevecht met ruiterij van Jakobus, onder den
generaal Hamilton; de laatste werd geslagen, en Hamilton ge-
vangen genomen. Naar de rechterzijde trok de Stadhouder met
12 bataljons en 9 eskadrons, om den jongen Schomberg te
ondersteunen, die nog eene sterke vijandelijke afdeeling tegen-
over zich had; zoodra die afdeeling echter koning Willem zag
naderen, ging zij ijlings terug, met zooveel snelheid dat alleen
Schomberg's ruiterij haar met vrucht kon vervolgen.
De strijd was toen beslist. Koning Jakobus verliet het slagveld
met twee regimenten ruiterij, aan Lauzun de leiding van den
terugtocht overlatende ; maar Lauzun volgde zoo spoedig mogelijk
het voorbeeld van den Koning, zoodat er bij den terugtocht van
leiding geen sprake meer was. Integendeel, het werd eene vlucht;
geheele regimenten van de Jakobieten wierpen de wapens weg
en kozen het hazenpad; en velen ontkwamen, i vermits het lant
vol van naeuwe wegen en van moerasschen is, en vermits de
Yren wel te voet marcheeren." Willem III, die — zooals Hop
Digitized by
Google
IERLAND. 7 1
2egt — »sijn troepen personelijck lot het chargeren met den
vyant heeft aengevoert ende daerdoor aen niet weynig gevaer is
geëxponeert geweest", vervolgde met de ruiterij dien vluchtenden
vijand tot in den laten avond.
De overwinnaars hadden weinig verloren; maar onder de ge- /
sneuvelden telde men toch twee mannen van grooten naam: den \^/
maarschalk Schomberg, en Walker, den heldhaftigen verdediger
van Londonderry. Volgens Bosscha verloor het leger van Jakobus
1500 man aan dooden, 5000 aan gewonden en 3000 aan krijgs-
gevangenen; geschut, krijgs voorraad, levensbehoeften, alles was
in handen gevallen van den overwinnaar ; het leger van Jakobus
was zoo goed als ontbonden; en toen den volgenden dag van
het leger van den Stadhouder eene afdeeling van 5 bataljons en
4 eskadrons, onder De la Melonnière, naar Drogheda werd afge-
zonden, werd die stad dadelijk overgegeven; de bezetting, een
3000 man, verkreeg vrijen uittocht^ maar zonder wapens.
Ziedaar wat ónze opgaven zeggen over dien veldslag aan de
Boyne, en die opgaven treden zoozeer in bijzonderheden dat
men aan de waarheid niet kan twijfelen, — te meer, daar zij
afkomstig zijn van mannen als Willem III en als Hop. Rousset
heeft dus ongelijk, met dien strijd aan de Boyne voor te stellen
als iets geheel onbeduidends ; die strijd heeft de onderwerping
van Ierland ten gevolge gehad ; maar ook zonder dat belangrijke
gevolg is die strijd op zichzelf belangrijk : het is geen alledaagsch
iets, om, zonder bruggen, een rivier over te trekken, in weerwil
van den tegenstand van een bijna even sterken vijand. Dat
overtrekken van de Boyne is nog geheel iets anders geweest
dan de door Boileau bezongen overtocht van den Rijn in 1672.
De lichte wonde die Willem III had gekregen, den dag vóór
den veldslag, was aanleiding dat men aanvankelijk geloofde dat
deze een einde aan zijn leven had gemaakt; door geheel Europa
werd de tijding verbreid, dat hij in Ierland door een kanons-
kogel was gedood ; die tijding, dagen lang geloofd, wekte in de
hoogste mate algeroeene ontroering op ; en te recht merkt Rousset
(4' deel, blz. 424 — 425) aan, dat er moeilijk grooter roem voor
Willem III was te bedenken, dan die buitensporige vreugde van
zijne vijanden, bij het valsche bericht van zijn sneuvelen:
• Die maand Juli kon medetellen, wat betreft de herinneringen
van de Parijzenaars. Wat al nieuwstijdingen, bijna opeens! Den
3en de tijding van de overwinning van Fieurus; den i2en van
de overwinning ter zee; den 2 2sten van de nederlaag in Ier-
land; — verslagenheid, na gejubel. Maar den 27sten heeft er
eene plotselinge reactie plaats. Verbeeld u het Parijs van 1690,
Digitized by
Google
72 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
anders te middernacht somber en in diepe stilte, maar nu, in
een oogenblik, vol licht en vol levendigheid. Men loopt op
straat, men klopt aan de deuren: t ontwaak! hij is dood! de
Prins van Oranje is dood!" Overal flambouwen voor de ramen,
vreugdevuren op de pleinen, tafels op straat, wijnvaten die men
opensteekt; overal gejoel en dronkenschap. De politiedienaars
zijn verbaasd, verlegen; zij trachten, maar vruchteloos, die opge-
wondenheid te doen bedaren ; zij worden in een kring genomen,
omhelsd; men schenkt hun wijn; en zij doen mee met den
grooten hoop. En ziedaar voor de vreemde courantiers een aan-
leiding om, met schijn van waarheid, Lodewijk XIV en zijne
ministers te beschuldigen van tot die tooneelen te hebben aan-
gezet. Het tegendeel was waar : zij waren er zeer misnoegd over,
omdat zij het onbetamelijke daarvan inzagen.
Van Parijs verbreidde zich die dwaasheid door geheel Frank-
rijk, terwijl men in Duitschland en in de Nederlanden rouw
pleegde; want dat gerucht van den dood van den Prins van
Oranje verbreidde zich overal, en hield een tijd aan. > God geve
het,** — zei Chamlay — »den Koning kan geen grooter voor-
deel, geen grooter geluk te beurt vallen. Toch komt het mij
voor, dat de koning van Engeland wat al te veel haast heeft
gemaakt om zich in te schepen.'* (Brief van Chamlay aan Lou-
vois, van i Augustus). In zijn particuliere brieven kwam Louvois
er voor uit, dat hij wenschte dat het nieuws waar zou zijn. Den
6en Augustus schreef hij aan Beringen: »ik zie dat in *s vijands
leger de dood van den Prins van Oranje algemeen wordt
verhaald; — toch twijfel ik er sterk aan. Gij begrijpt licht
dat het mij niet bijzonder zal spijten, als ik hoor dat ik hierin
ongelijk heb.**
l3e Prins van Oranje was niet dood. Wat een roem voor hem,
die droefheid aan de eene zijde, die blijdschap aan de andere!
Die feestvreugde ter beschimping van zijne nagedachtenis, is een
onwillekeurige hulde hem toegebracht...**
Wij zijn het hier meer eens met Rousset dan met Voltaire,
die, in zijn y^Siècle de Louis XJT'*'' de uitgelatenheid van de
Parijzenaars over den dood van Willem III, minder toeschrijft
aan de vrees die zij voor hem koesterden, dan aan de verach-
ting en den haat die zij den man toedroegen, die een ketter
was, die zijn eigen schoonvader van den troon had gestooten,
en die het waagde om de vijand te blijven van hun grooten
Koning. Dat de Parijzenaars in Willem III een vijand zagen,
laat zich zeer licht begrijpen, maar verklaart op zichzelf hunne
opgewondenheid nog niet: men jubelt niet over den dood van
een onbeduidend vijand.
De weg naar Dublin was nu open voor het overwinnende
Digitized by
Google
IERLAND. 75
leger van Willem III; en reeds den 1300 Juli kwam Ouwerkerk
met 1000 ruiters in die hoofdstad; den dag daarop volgden twee
bataljons van de Hollandsche gardes, den 1560 de hoofdmacht
van het leger. Tegenstand was er niet; alle berichten stemden
daarin overeen, dat de meeste der regimenten van Jakobus
nagenoeg verloopen waren ; en eenige honderden Duitschers, die
behoord hadden tot de bataljons van Lauzun, kwamen den over-
winnaar hunne diensten aanbieden. Evenals altijd deed Willem III,
ook hier, eene strenge krijgstucht handhaven; en de galg was
de straf van eenige Engelsche soldaten die zich aan plundering
hadden schuldig gemaakt, en van een Schot die eenige krijgs-
gevangen Ieren had vermoord.
De geheele onderwerping van Ierland werd verhinderd door
de onrust, in Engeland opgewekt na de nederlaag bij Beachy-
Head; men vreesde daar eene landing van de Franschen en een
opstand van de aanhangers van Jakobus; er hadden inhechtenis-
nemingen plaats van verschillende Engelsche grooten, die men,
te recht of ten onrechte, verdacht van met de Stuarts te heulen ;
Engelsche regimenten werden uit de Nederlanden terug ontboden,
en betrokken, met andere troepen, een kamp nabij Londen.
Intusschen had er noch een opstand plaats, noch eene landing;
en alles bepaalde zich daartoe, dat de Fransche vloot, nu geheel
meester in het Kanaal, hier en daar op de Engelsche kust wat
roofde en brandde.
Munster en Connaught — het zuidelijke en het westelijke ge-
west van Ierland — moesten nu nog worden onderworpen; en
terwijl de generaal Douglas met ongeveer 10000 man naar de
zijde van Athlone werd gezonden om Connaught te bedreigen,
rukte koning Willem met de hoofdmacht in zuidelijke richting
op Munster, en kwam den 31 sten Juli te Carrick, een kleinen
dagmarsch ten westen van het nog door de Ieren bezette Water-
ford. Laatstgenoemde havenstad, den isten Augustus opgeëischt,
talmde wat met de overgave; totdat de generaal Kirke daarvoor
kwam met 5 regimenten voetvolk en met geschut en, namens
den Koning, dreigde de bezetting over den kling te laten sprin-
gen, als zij zich bleef verdedigen; de Ieren gaven toen Water-
ford over — 3 Augustus — en trokken uit, 1600 man in getal
en alleen met pieken gewapend, naar Limrick, in Connaught. Het
fort Duncannon, aan de baai van Waterford aan de andere zijde
van de stad gelegen, gaf zich evenzoo den 5 en Augustus over.
Was Willem III toen verder doorgedrongen in Munster, dan
is het waarschijnlijk dat Cork en Kinsale spoedig zouden zijn
vermeesterd, en daarmee het overige van het gewest. Maar het
Digitized by
Google
74 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
bericht kwam in, dat de aanhangers van Jakobus, door Tyrconnel
aangevoerd, hunne macht samentrokken in Connaught, en zich
daar vooral versterkten in de steden Sligo, Galway, Limrick en
Athlone: Sligo aan de noordkust van het gewest; Galway aan
de westkust; Limrick aan de Shannon, daar waar die stroom
bijna een zec-arm wordt; Athlone, hooger op aan dezelfde
rivier, aan de oostelijke grenzen van Connaught. De Koning
oordeelde het daarom noodig, allereerst zijne wapenen te wen-
den tegen Connaught; en, na een kort verblijf te Dublin tot
regeling van regeeringszaken, voegde hij zich weder bij het leger,
dat intusschen eenigszins was verzwakt door het terugzenden van
enkele regimenten naar Engeland.
Toen de generaal Douglas voor Athlone was gekomen, had
hij die stad ontruimd en ten deele verbrand gevonden; de
lersche bezetting was teruggegaan in het sterke kasteel, en wilde
niet van overgave hooren. Douglas, die geen middelen had voor
een geregeld beleg, keerde daarop onverrichterzake terug, en
sloot zich aan bij het hoofdleger, dat intusschen van de zijde
van Waterford was opgerukt, den i6en Augustus te Sallewood
en CuUen kwam, en den i7en te Carrick-ellish, een kleine 2 uur
ten oosten van Limrick. (Wij nemen die namen over, zooals zij
voorkomen in de HoUandsche Mercurius; wij moeten echter
aanmerken, dat op onze kaart van Ierland die namen anders
gespeld zijn : Sallewood heet daar Sollowhood; Gullen, C o n-
nagh; en Carrick-ellish, Cahir-Coulish. Wat is de ware
spelling van die barbaarsche namen? Die van de Mercurius, of
die van de atlas van De Wit?)
Lauzun schijnt Ierland toen reeds te hebben verlaten; die
man had noch de bekwaamheid van een legerhoofd noch den
moed van een soldaat, en het oordeel dat Rousset over hem
velt is zoo ongunstig als het maar zijn kan: »daar zijn woorden,
zóó verpletterend, dat de geschiedschrijver, die rechter is, ze niet
mag uitspreken dan met volle zekerheid; maar met volle zeker-
heid zeggen wij: Lauzun was een lafaard" (blz. 427). Tyrconnel
schijnt een man geweest te zijn van een geheel anderen stempel;
en vooral aan zijn beleid is het te danken geweest dat Con-
naught in 1690 nog behouden bleef voor koning Jakobus. Krach-
tig werd de lersche landvoogd hier bijgestaan door een bekwaam
Fransch officier. De Boisseleau, die als bevelhebber van Limrick
oplrad. Die goed versterkte stad was toen de groote wapen-
plaats van de Jakobieten; daar was een talrijke krijgsmacht
samengevloeid, die door Willem III wordt begroot, alleen aan
infanterie, op een 12000 man. Stroopende benden, uitgaande
van de zijde van Cork, doorkruisten het land in den rug van
het leger des Stadhouders, en verontrustten de gemeenschap van
dat leger met Dublin.
Digitized by
Google
IERLAND. 75
Onder die ongunstige omstandigheden had het beleg van Lim-
rick plaats; dat beleg is dan ook mislukt.
Nadat, den i8en Augustus, Bentinck met 900 ruiters en 200
man voetvolk eene verkenning van 's vijands stelling aan de
oostzijde van Limrick had verricht, werden, den igcn, de Ieren
teruggeworpen binnen de vesting, en deze toen opgeëischt. Bois-
seleau gaf het toen nog al gebruikelijke antwoord: >dat hij door
eene dappere verdediging de achting van den Prins van Oranje
hoopte te verdienen." Den 2osteD Augustus trok Ginckel met
5000 man de Shannon door, over een waadbare plaats nabij
Annagh, een klein uur boven Limrick; het was een vrij stoute
overtocht: in de rivier liep een sterke stroom, de bodem was
steenachtig, de infanterie moest tot aan het middel door het
water, en aan den rechteroever had eene sterke afdeeling Ieren
gestaan — 6 regimenten voetvolk en 5 regimenten ruiters en
dragonders, zegt ééne opgave — die echter dadelijk terugging
toen zij de voorste dragonders van Ginckel de Shannon zag
naderen. Limrick werd toen ingesloten op de beide oevers van
den stroom ; of er bruggen werden geslagen om de gemeenschap
der belegeraars op de beide oevers te onderhouden, hebben wij
niet vermeld gevonden; toch is dit waarschijnlijk.
Den 27 sten Augustus worden de loopgraven tegen Limrick
geopend, de nadernissen een 300 pas voortgezet, en twee kleine
schansen buiten de vesting vermeesterd; — aan welke zijde?
Wij weten het niet. In den nacht van den 28sten op den 29sten
viel men een ravelijn aan, met een vrij sterk reduit daarin, op
een 30 è 40 pas buiten de vesting; die aanval mislukte; vooral
— wordt gezegd — omdat, begunstigd door de nachtelijke duis-
ternis, een deel van de bestormers was achtergebleven. De vol-
gende aanval, in den namiddag van den 3osteD Augustus door
een Fransch regiment ondernomen, gaf betere uitkomsten: het
ravelijn en het reduit werden vermeesterd; en een uitval, door
de Ieren gedaan om dit werk te hernemen, werd teruggeslagen,
vooral door de dapperheid van het ruiterregiment van Schomberg.
Den isten September waren de batterijen des belegeraars ge-
reed om in werking te komen ; dat dit eerst toen het geval was,
schijnt voor een deel toegeschreven te moeten worden aan de
belemmeringen die de lersche partijgangers aan de konvooien
van den belegeraar in den weg legden; zoo viel onder andere
de lersche kolonel Sarsfield den 22sten Augustus bij Gullen, op
slechts 3 uur afstands van het leger, een konvooi aan, dat, ver-
trouwende op die nabijheid, met te weinig voorzorgen mar-
cheerde; Sarsfield joeg het geleide uiteen en vernielde al de
munitie die het konvooi aanvoerde, benevens twee van de acht
stukken belegeringsgeschut die voor Limrick moesten dienen.
Digitized by
Google
^6 KRIJGS- KN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Natuurlijk had daardoor eene vertraging plaats in de aanwending
van de batterijen van den belegeraar; eene verlenging dus van
het beleg; en dit was des te nadeeliger omdat het regenseizoen
naderde, dat de, toch niet zeer goede, lersche wegen geheel
onbruikbaar zou maken.
Den 3ea September waren de batterijen van den belegeraar
voltooid en met 30 vuurmonden bewapend; den 4en en 5eQ
werd er bres geschoten in een der bastions, de palissadeering
vernield, en naderden de loopgraven de gracht tot op 30 pas
afstands. Willem III deed den 6en September de bres bestor-
men ; die storm mislukte, — ditmaal door te groote dapperheid :
om drie uur 's namiddags snelden grenadiers vooruit, door ander
voetvolk ondersteund; de geheele bedekte weg werd genomen,
evenals een klein buitenwerk ; de bres werd binnengedrongen ; —
maar, in stede van zich daar in te graVen, snelde het grootste
deel van de bestormers verder, kwam zelfs in de stad, maar
werd teruggeslagen door de overmachtige Ieren, en ging toen
voor een goed deel verloren; men moest daarop de bres ook
weer verlaten; en, had het beleg tot dien dag aan de Engel-
schen maar een 200 man gekost, bij dien storm alleen telden zij
een 300 dooden of gevangenen. Den yen September werkte men
nog aan de nadernissen en aan het vergrooten van de bres;
maar de regen, in stroomen nedervallende, zette de loopgraven
vol water en dwong tot het staken van den arbeid. Nadat
daarop den gen September beleger ingsgeschut en bagage waren
teruggezonden, brak het leger den loen het beleg op, en trok
ongehinderd terug naar Clonmel, in de richting van Waterford.
"Willem III verliet toen het leger, en was den 2 2siea September
terug te Londen.
Na *sKonings vertrek kwam het opperbevel over het leger in
Ierland, eerst in handen van Solms, daarna van Ginckel; dat
leger was grootendeels in winterkwartieren verdeeld tusschen
Kilkenny en Cashill, in het zuiden van Leinster; meer noord-
waarts was eene sterke afdeeling onder Douglas werkzaam, deze
bemachtigde eenige sterke kasteelen van de Ieren. Spoedig echter
werd de aanval met meer nadruk voortgezet.
Willem III schijnt te Londen de overtuiging te hebben opge-
daan, dat Engeland's veiligheid niet zoo ernstig bedreigd werd,
of men kon van daar weer troepen afzenden om in Ierland
werkzaam te zijn; dit geschiedde dan ook, nog vóór den winter.
Eene macht van ongeveer 10 000 man voetvolk en ruiterij, onder
bevel van Marlborough, scheepte zich den 26sten September te
Portsmouth in, landde den 2eQ Ociober nabij Cork, geheel in
het zuiden van Ierland, en vereenigde zich daar met een deel
der macht van Solms. Na een kort beleg gaf Cork zich den
Digitized by
Google
VERDERE KRIJGSVERRICHTINOEN IN DE NEDERLANDEN. 77
9en October over; de bezetting, 4^1 5000 man sterk, werd krijgsge-
vangen. Daarna trok Marlborough op Kingsale — of Kinsale — ;
de stad werd door de Ieren verlaten ; de forten werden belegerd
en gaven zich den 2 7 sten October over, bedingende de bezetting
een vrijen uittocht met wapens en bagage naar Limrick.
Hiermede eindigde de veldtocht van 1690 in Ierland; de
onderwerping van het eiland was nog niet geheel voltooid; één
van de vier gewesten was nog onder de heerschappij van Jako-
bus; maar met grond kon Willem III zeggen, dat de zaken zoo
ver gevorderd waren dat zijne tegenwoordigheid daar niet meer
noodig zou zijn. In i6gi eindigden Ginckel's overwinningen, die
begonnen waren met de overwinning aan de Boyne.
De overwinning aan de Boyne was in zoover van invloed op
de krijgsverrichtingen in de Nederlanden, dat Luxembourg toen
last ontving om een veldslag te vermijden, tenzij er bijna zeker-
heid was van te overwinnen. Dat geval schijnt niet te zijn voor-
gekomen; — ten minste is er dat jaar in de Nederlanden geen
veldslag meer geleverd. Op het einde van Juli was de stand der
beide partijen nagenoeg de volgende: aan de Fransche zijde
d'Humières met 12 bataljons en 36 eskadrons — dus een 1500a
man — te Kortrijk; en Luxembourg met 44 bataljons en loo
eskadrons — dus een 50000 man — tusschen de Sambre en de
Schelde, in het kamp te Quiévrain. Bij de andere partij stond
Gastanaga, in Vlaanderen, tegenover d*Humières; en, nabij Aalst^
een 18000 man onder Waldeck en een 12000 man onder den
keurvorst van Brandenburg tegenover Luxembourg. Behalve een
enkelen mislukten of onbeduidenden strooptocht, gebeurde er
eigenlijk verder niets.
Ja, toch, er gebeurde iets: beleefdheden en geschenken, die
daarom niet geheel onvermeld mogen blijven, omdat zij een
eigenaardig licht werpen op de wijze waarop toenmaals oorlog
werd gevoerd.
Luxembourg vraagt vrijgeleide aan Gastanaga om uit Vlaan-
deren kant te laten komen. Gastanaga weigert dit vrijgeleide^
maar zendt kooplieden met kant naar het Fransche leger, die
daar voor een 10 000 kronen aan kant verkoopen zonder daar-
voor geld te willen aannemen. Als men zich herinnert, in welk
een benarden toestand, ook toen, de Spaansche financiën ver-
keerden, dan denkt men hier onwillekeurig aan het platte spreek-
woord: »hoe kaler, hoe royaler". Men had geen geld om het
eigen leger te kleeden; maar men had wél geld, om het vijan*
delijke legerhoofd kant ten geschenke te geven.
Nog iets. De keurvorst van Brandenburg zendt aan Luxem-
bourg paarden ten geschenke; en verzoekt hem, bij een gevecht,.
Digitized by
Google
'>■■'
V
^S KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
het bonte paard {cheval pié) te berijden^ daar aan de Branden-
burgsche troepen last is gegeven om niet te vuren op den be-
rijder van dat paard.
Die beleefdheden, waarvan hier in 1690 wordt gewaagd, be-
wijzen alweer dat in dien tijd, zelfs bij een oorlog, de hoogere
standen elkander zoo weinig kwaad deden als mogelijk was;
het was op Ie commun des martyrs dat de last van den oorlog
neerkwam.
Aan den Rijn wordt in 1690 zoo goed als niets verricht. Den
i6en Augustus gaat de Dauphijn te Fort-Louis, tusschen Straats-
burg en Philipsburg, op den rechteroever over, aan het hoofd
van 37 bataljons, 105 eskadrons en 64 stukken geschut; een
40 è 50000 man, dus nog al een belangrijke macht; — hij
voert daar echter niets uit; en den 3osten October gaat dit leger
weer uiteen. Overgroot was in die vroegere oorlogen de moei-
lijkheid om een leger bijeen te brengen; en als het bijeen was
gebracht, dan voerde men er soms niets meê uit.
In Italië was het voornaamste wapenfeit in 1690 de slag van
Staffarde — een dagmarsch ten zuidwesten van Turijn — , waar
Catinat den i8en Augustus het leger van den hertog van Savoye
sloeg; — bij dien veldslag doet zich Prins Eugenius voor het
eerst opmerken. Het Fransche leger ging in dezen veldtocht
weer op onmeêdoogende wijze te werk: de dorpen die zich
vijandig betoonden, werden verbrand, en de boeren opgehangen.
Het is een geheel onverdiende lof, als men Catinat soms voor-
stelt als een menschelijk aanvoerder, als een wijsgeerig legerhoofd.
HOOFDSTUK XXIII.
1691; IERLAND; MONS; VERDERE KRIJGS VERRICHTINGEN IN DE
NEDERLANDEN; DOOD VAN LOüVOIS; LEUZE.
In 1691 breidde Frankrijk zijn leger alweer uit: de infanterie
werd met 20 bataljons vermeerderd, en de ruiterij op eene ge-
heele sterkte gebracht van 463 eskadrons; — neemt men weer de
gewone sterkte aan van 160 man per eskadron, dan maak^ dit
74000 man, alleen aan ruiterij. Waarlijk, eene geduchte krachts-
inspanning! Hoe bewerkte men dit; hoe kwam men aan de
roenschen, aan het geld?
Digitized by
Google
1691. 79
Wat de menschen aangaat, — door werving, waarbij allerlei be-
driegelijke en gewelddadige handelingen werden aangewend, waarbij
de ergste misbruiken plaats hadden. De Fransche regeering nam
wel den schijn aan, alsof zij die misbruiken afkeurde en te keer
ging; maar meer dan schijn was dit niet; als het maar niet te
erg gïng^ dan had zij niets tegen die bedriegelijke en geweld-
dadige handelingen, die haar soldaten bezorgden. Zoo vaardigt
Louvois, den i4en Februari 1691, weer een streng verbod uit
aan de officieren die met de werving zijn belast, van daarbij
wederrechtelijk te werk te gaan; maar in dat verbod komen
toch ook deze woorden voor: > Zijne Majesteit keurt het goed,
dat men geen gewag maakt van de kleine listen (Jes petitez trom-
peries) die zij bezigen om de soldaten aan te werven." (Rousset,
4* deel, blz. 442). *s Ministers voorschriften komen dus hierop
neer: iets moet men door de vingers zien; als het maar niet
te ver gaat; als het maar geen schandaal maakt. — Louvois was
van de leer: plumer la poule sans qu^elle crie.
Wat het geld aangaat, — het is bekend hoe de oorlogen van
Lodewijk XIV Frankrijk hebben verarmd en uitgeput; hoe toen
de financiën van dat Rijk achteruitgingen en achteruit bleven
gaan, totdat eindelijk de omwenteling van 1789 daaruit is voort-
gesproten;— want heeft die omwenteling zeer zeker ook andere
oorzaken gehad, toch valt er niet aan te twijfelen, dat de gelde-
lijke nood veel heeft bijgedragen tot den val der Fransche
Monarchie.
Maar in den tijd dien wij behandelen, werden de meerdere
uitgaven voor de Fransche legers nog gevonden uit het » buiten-
gewone oorlogsfonds" {}'' extraordinaire des guerres\ een soort van
geheim fonds, door Louvois bijeengebracht uit de oorlogscontri-
butiën in Vlaanderen, en uit bezuinigingen die hij bij het Fransche
leger had gemaakt. Dit fonds was een appeltje voor den
dorst, een potje; iets, dat nog al in den smaak valt van
absolute regeeringen; iets, dat overeenkomt met de millioenen
die, in ónze dagen, Pruisen als krijgskas in de vesting Spandau
laat verschimmelen. Toen Louvois stierf was dit zoogenaamde
1 extraordinaire" een fonds van 18 millioen francs; — dien lof
moet hem worden gegeven, dat hij, wat de spaarzaamheid be-
treft, een voorbeeldig financier is geweest.
Eene enkele aanhaling uit Rousset (4" deel, blz. 446) moge
volstaan om duidelijk te maken hoe dat Fransche oorlogsfonds
aangevuld werd:
iDe Gazette de France berichtte aan het publiek, dat de mar-
kies De BoufBers den qch van Iperen was vertrokken met 13000
man voetvolk, 6000 paarden, 16 stukken geschut en 2 ponton-
treinen; en dat hij het fort te Plassendael had genomen en ge-
Digitized by
Google
8o KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
slecht, de Brugsche vaart was o vergetrokken, een voorstad van
Gent had verbrand, en het rijke land van Waas onder brand-
schatting gesteld. Die enkele tocht verschafte aan het buitenge-
wone oorlogsfonds een ontvangst van i 800 000 livres."
Ook aan de tegenpartij kostte de oorlog groote inspanningen.
De geldmiddelen van de Republiek werden er niet beter op; —
hoewel het dan toch voornamelijk, later, de overgroote inspan-
ningen van den Spaanschen successie-oorlog zijn geweest, die
de Hollandsche financiën voorgoed hebben bedorven. In Enge-
land begon men toen staatsleeningen te sluiten; men gaf toen
het aanzijn aan de publieke schuld, die later zulke reusachtige
afmetingen heeft verkregen; onder de regeering van koning
Willem bleef die Engelsche schuld zeer gematigd, en was zij
niet drukkend. Toch moest er geld zijn, meer dan gewoonlijk,
vóór vloot en leger.
Het leger dat Willem III, in 1691, in Groot-Brittan je wilde
hebben, bedroeg, volgens de Europische Mercurius: 8702
ruiters (144 compagnieën), 3440 dragonders (52 compagnieën)
en 59054 man voetvolk (881 compagnieën); dus in het geheel
71 196 man, wier onderhoud gedurende een jaar bijna 2 mil-
lioen ponden sterling kostte. Onder de sterkte van dat leger
waren begrepen een aantal Deensche regimenten; korpsen, samen-
gesteld uit Fransche réfugiés; en denkelijk een 12 k 15000 man,
die tot het leger van de Republiek behoorden ; — niet gesproken
van de vele vreemdelingen die men nog vond in de gelederen
van de Engelsche en Schotsche regimenten.
Dat leger van Willem III is in 1691 hoofdzakelijk werkzaam
geweest in Groot-Brittanje en in Ierland, vooral in het laatste
eiland. Het is noodig, hier met een enkel woord te gewagen
van dien lerschen veldtocht in 1691, die voor Holland's wapen-
roem niet onbelangrijk is geweest: Hollandsche troepen hebben
een gewichtig aandeel gehad aan dien strijd van 1691 in Ier-
land ; een Hollandsch legerhoofd heeft dat eiland toen tot onder-
werping gebracht. Terwijl Willem III in 1691 op het vasteland
van Europa optrad, werden de overwinningen, die hij het jaar
te voren in Ierland had behaald, voortgezet en op glansrijke
wijze voltooid door Rheede-Ginckel, die als legerhoofd door
moed en bekwaamheid den luister van zijn oud geslacht heeft
verhoogd.
Van de vier gewesten die Ierland uitmaken, Ulster, Leinster,
Munster en Connaught, waren de drie eerstgenoemde bij den
aanvang van het jaar 1691 zoo goed als onderworpen aan
Digitized by
Google
IERLAND. 8t
koning Willem; alleen Connaught^ het westelijke deel van Ier-
land, hield toen nog de zijde van Jakobus. De aanhangers van
de Stuarts hadden in Connaught eene legermacht vereenigd, wier
juiste sterkte moeilijk is op te geven, maar die toch minstens
een 30000 man bedroeg; en behalve dit geregeld leger be-
schikten de Jakobieten over een aantal ongeregelde troepen,
Raparies genaamd, half soldaat half struikroover, iets in den trant
van de Spaansche Guerillas uit Napoleon's tijd, maar van minder
militaire waarde; die Raparies waren weinig meê te tellen voor
het geregelde gevecht; maar zij waren goed voor strooptochten,
voor kleine ondernemingen, waardoor zij het den vijand lastig
maakten en de eigen partij voordeel aanbrachten. Troepen uit
Frankrijk schijnen in 1691 niet naar Ierland gezonden te zijn;
maar wel kwam er in de maand Mei van dat jaar een Fransch
eskader te Limrick en Galway aan, brengende een aantal Fransche,
Engelsche en Schotsche officieren, vele beambten en handwerks-
lieden, en een grooten voorraad wapens en munitie, — alles ten
dienste van het leger der Jakobieten; de opperbevelhebber van
dat leger, de Fransche generaal De Saint-Ruth, kwam met dat
smaldeel in Ierland aan.
Het leger te velde van de tegenpartij wordt begroot op een
33000 man; namelijk: 36 regimenten voetvolk, ieder van 700
man, maakt 25200; 40 eskadrons ruiters, ieder van 120 paarden,
dus 4800; en 20 eskadrons dragonders, ieder van 150 man, dus
3000. Hierbij dient echter te worden aaf^gemerkt, dat dit leger
van Ginckel spoedig verzwakt werd, doordien de Raparies gedurig
kleine afdeelingen of afzonderlijk marcheerende soldaten van dat
leger overvielen en doodden; ééne opgave — denkelijk over-
dreven — spreekt van 2000 soldaten, die op zulk een wijze den
dood hebben gevonden.
Uit die opgave van de sterkte der beide partijen zou men
moeten besluiten, dat de overmacht was aan de zijde van de
Jakobieten; — dit was echter zoo niet. Men moet nooit, wil
men de strijdkrachten van een oorlogvoerende partij kennen,
alleen letten op de cijfers; en die zoo verbreide spreuk: /e bon
Dieu est toujours du cóté des gros bataillons^ is eigenlijk onzin : niet
het talrijkste leger overwint, maar het best samengestelde, het
best aangevoerde. Nu was het leger van Ginckel veel beter
samengesteld dan het lersche, waarbij weinig orde was en dat,
niettegenstaande den ontvangen toevoer, gebrek schijnt te hebben
gehad aan krijgsbehoeften. Ook de aanvoering was niet te ver-
gelijken. Napoleon heeft eens gezegd: wi général médiocre vaut mieux
que deux bons; maar al waren misschien de twee hoofden van het
lersche leger — Saint-Ruth en Sarsfield — > goede aanvoerders",
WILLEM iii, — III. 6
Digitized by VjOOQIC
82 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Ginckel zou men groot onrecht aandoen, wanneer men hem een
» middelmatig legerhoofd" noemde: hij was meer dan gewoon.
Sarsfield en Saint-Ruth verkeerden bovendien in groote twee-
dracht; de laatste was, strikt genomen, de opperbevelhebber;
man van strengen en gebiedenden aard, duldde hij niet de
minste tegenwerping, en dreigde hij daarom eens, Sarsfield in
hechtenis te doen stellen; Sarsfield beantwoordde dit met een
gelijke bedreiging, en de groote invloed, dien hij op de lersche
troepen bezat, maakte dat zijn gezag tegen dat van Saint-Ruth
wel opwoog. Daar waar de hoofden zoo oneenig zijn, is er voor
het leger weinig heil te wachten; als Agamemnon en Achilles
twisten, dan heeft Hektor schoon spel.
Nadat reeds in de eerste maanden van 1691 kleine gevechten
hadden plaats gehad naar de zijde van Athlone en van Limrick,
tusschen Ëngelsche troepen en lersche afdeelingen die nog ten
oosten van de Shannon werkzaam waren, vingen in den zomer
meer belangrijke en beslissende operatiën aan. Ginckel had den
9en Juni Dublin verlaten en kwam den loen te Mullingar, een
plaats 10 ^ 12 uren gaans westelijk van lerland's hoofdstad ge-
legen. Te Mullingar vereenigde de Hollandsche veldheer een
sterk deel zijner macht; terwijl een ander deel, vooral Deensche
troepen onder een prins van Wurtemberg, uit het zuiden, uit
Tipperary, oprukte om zich bij hem te voegen. Zonder dat
korps van Wurtemberg af te wachten besloot Ginckel aan te
vallen op Ballimore, eene kleine vesting ten oosten van de
Shannon en die men niet moet verwarren met het Ballimore dat
zich westelijk van die rivier bevindt.
Den i6en Juni brak Ginckel op van Mullingar en trok tot
Kathcondra, halfweg Ballimore, maar iets meer noordelijk; den
volgenden ochtend bereikte men die vesting, die men insloot en
waartegen men 's nachts 4 batterijen opwierp, die met 14 kanon-
nen en 3 mortieren werden bewapend. Ballimore, een soort van
fort met buitenwerken, ligt aan de zuidzijde van een klein meer,
en had daardoor en door moerassen die het aan andere zijden
omgeven, eene vrij groote sterkte; de bezetting bedroeg een
1000 man, waarvan een vierde uit Raparies bestond; de bewape-
ning was zeer gebrekkig: 2 kleine metalen kanonnen en 500
geweren, de meeste met gebroken stokken; — de ijzeren laad-
stokken bestonden toen nog niet. In één woord, de bewapening
was niet van dien aard om een krachtigen aanval lang te kunnen
weerstaan.
Aan kracht ontbrak het den aanval niet. In den vroegen
ochtend van den i8cn Juni vingen de Ëngelsche batterijen een
hevig vuur aan ; en Ginckel rekende den vijand daardoor genoeg
Digitized by
Google
IERLAND. 83
geschokt om nog in den laten namiddag over te gaan tot de
bestorming; vier schuiten met troepen zouden aanvallen over
het meer, aan de zijde waar Ballimore niet voorzien was van
vestingwerken. Toen de belegerden die toebereidselen zagen tot
den storm, sloeg hun de schrik om het hart, en boden zij de
overgave aan. Nog dienzelfden avond werd Ballimore door de
troepen van Ginckel in bezit genomen, en de lersche bezetting
krijgsgevangen naar Dublin vervoerd. Die bezetting — zegt de
Europische Mercurius — was zóó slecht gekleed idat veele
naauwelijks hun schaamte konden bedekken"; — trouwens, men
kan daarom toch goed soldaat zijn; dit hebben de legers der
eerste Fransche Republiek bewezen:
»ces paysons, üls de la République,
aux bords du Rhtn, accourus h pieds nuds."
BÉRANGER.
Ballimore behoort nog tot Leinster; en om in Connaught door
te dringen moest Ginckel de Shannon overtrekken, die de oos-
telijke grens van dat gewest uitmaakt. De Shannon, hoezeer in
dit zo merjaargetijde enkele waadbare plaatsen opleverende, was
evenwel een vrij aanzienlijke rivier, die als een goede verdedi-
gingslijn kon worden beschouwd. De waarde van die verdedi-
gingslijn werd ook daardoor verhoogd, dat zich hier de vesting
Athlone bevond, die door Ginckel moest genomen worden, wilde
hij in Connaught doordringen. Athlone, een uur of drie ten
zuidwesten van Ballimore, ligt op de beide oevers van de Shan-
non ; het stadsgedeelte op den linkeroever, den oostelijken, werd
het Engelsch Athlone genoemd, en was niet zeer sterk; maar
goed bevestigd, vooral door een sterk kasteel dat zich daar be-
vond, was het stadsgedeelte op den rechteroever, dat den naam
had van het lersch Athlone; beide deelen der stad werden ver-
bonden door een steenen brug. Eene sterke bewapening had de
vesting niet, — bij de inneming van het lersche Athlone vond
men daar slechts 6 kanonnen en 2 mortieren als nog bruikbare
vuurmonden; het cijfer der bezetting, niet met juistheid opge-
geven, kan men op een 3000 man stellen.
Saint-Ruth en Sarsfield voerden eene legermacht aan van een
25 k 30000 man; met goed gevolg hadden zij dus aan Ginckel
den overtocht van de Shannon kunnen betwisten ; te meer omdat
zij, zich nabij Athlone plaatsende, door het bezit van die vesting
in de gelegenheid waren om naar willekeur op de beide oevers
van de rivier werkzaam te zijn. Zóó te handelen werd als het
ware aangeduid door den stand van zaken; — en toch hebben
de lersche legerhoofden niet zoo gehandeld, — misschien wel
ten gevolge van de oneenigheid die tusschen hen bestond: zij
Digitized by
Google
84 KRIJGS- EN GBSCHISDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
hebben de Shannon niet verdedigd, zij hebben de vesting Athlone
aan haar lot overgelaten. Ginckel trok van dien misslag goed
partij door aan te vallen met die veerkracht, welke in den oorlog
vaak ter overwinning voert.
De Deensche troepen, onder den Prins van Wurtemberg,
waren aangekomen bij het leger van Ginckel, dat in de laatste
dagen van Juni op Athlone rukte, eenige lersche troepen die
nog buiten de vesting waren, daarin terugwierp, en den 29steii
Juni tegen Engelsch Athlone eene batterij in werking bracht, die
met negen i8-ponders werd bewapend. Het vuur van die batterij
was gericht op een werk dat de courtine dekte tusschen de
Dublinsche poort en de Shannon; — zoo luidt de opgave in de
Europische Mercurius — ; maar aan die opgave heeft men niet
veel, als men geen plan heeft van de vestingwerken ; en het is
ons niet gelukt een eenigszins betrouwbaar plan machtig te
worden. Wanneer echter verder wordt gezegd, dat reeds om
twee uur op den namiddag van den 29s(eo in dat werk een
bres was geschoten izoo breed als het gansche werk", dan
maken wij daaruit op, als iets waarschijnlijk s, dat die bresbat-
terij zeer nabij de vesting is geweest; dat dus de artillerie in
de vesting, weinig te beduiden heeft gehad; en dat het muur-
werk op ddt punt van Engelsch Athlone niet bijzonder stevig is
geweest.
Wat hiervan zij, Ginckel deed nog den 295100 tot* de bestor-
ming overgaan. Nadat de batterij nog een paar uur onverpoosd
het vuur had voortgezet om het maken van binnen verschansingen
te beletten, rukte om vier uur 's namiddags de brigadier Stuart
vooruit, aan het hoofd van 500 grenadiers, gevolgd door sterke
afdeelingen gewoon voetvolk; — wij herinneren er aan, dat een
grenadier toen niet was een groot en zwaar infanterist met een
berenmuts, maar een infanterist die handgranaten wierp. De
storm had plaats èn bij de groote bres èn bij de poort van
Dublin, op beide punten met goed gevolg: de Engelschen drongen
de vesting binnen, bereikten de brug over de Shannon, verhin-
derden hare vernieling, en sneden door hare vermeestering aan
een deel der bezetting den terugtocht af, naar lersch Athlone
op den anderen oever. Die dag kostte aan de Ieren, alleen aan
gesneuvelden, een 400 man; het verlies van de aanvallers was
betrekkelijk gering. Op, of bij, de brug deed Ginckel dadelijk
een logement maken.
Dit was een goed begin, maar het moeielijkste bleef nog te
doen: men had de Shannon vóór zich, die men moest over-
trekken; en men moest het sterkste deel van Athlone nog
innemen. Men moest nu nog belegeringsgeschut en pontons
afwachten, die den 2en Juli aankwamen. Toen werd, vlak bij de
brug, een batterij opgeworpen van 5 vuurmonden; een tweede
Digitized by
Google
IERLAND. 85
batterij iets benedenwaarts, en twee andere bovenwaarts: hoe
sterk de bewapening was van die drie andere batterijen wordt
niet gezegd; maar de artillerie bij de brug werd gedurig ver-
meerderd, en telde ten laatste 26 vuur monden. Het was een
belegering »op zijn Coehoornsch", waarbij de kracht van den
aanval meer wordt gezocht in geschutvuur dan in schans-
graven. Het vuur van die batterijen, dagen lang voortgezet,
vernielde de vestingwerken van Athlone aan de rivierzijde en
maakte groote bressen in het kasteel. De Ieren verdedigden
zich goed; hun geschutvuur bracht den vijand in het ver-
overde gedeelte van Athlone verliezen toe; en het gelukte aan
de verdttdigeirs een paar bogen te vernielen van de brug over
de Shannon.
Aanvankelijk beoogde de belegeraar de Shannon over te
trekken door middel van bruggen, hetzij over de nog bestaande
steenen brug, hetzij over een pontonbrug. Maar men ondervond
hierbij te veel zwarigheden. In den nacht van den 5en Juli had
men de twee vernielde bogen nagenoeg hersteld, toen de Ieren
een stouten uitval deden en de bogen opnieuw vernielden. De
belegeraar begon toen met de dubbele sappe op de brug vooruit
te gaan, en nogmaals te arbeiden aan het herstellen van de
brug; — nogmaals een uitval van de Ieren, die ditmaal het
houtwerk der sappe, of der galerij, in brand steken. De belege-
raar zag toen af van het stormloopen op Athlone, over de
steenen brug; en een pontonbrug te slaan voor dien storm
schijnt men ook onraadzaam te hebben geoordeeld. Men besloot
toen maar te stormen zonder brug, door een waadbare plaats
die men intusschen had gevonden.
Den loen Juli, des namiddags te vier ure, begint die storm;
1500 grenadiers gaan voorop, en worden gevolgd door 6 batal-
jons ander voetvolk ; onder de bevelhebbers die hen aanvoerden,
worden ook genoemd de generaals Tettau en Mackay, beide
behoorende tot het leger van de Republiek De grenadiers,
hunne musketten en granaten op het hoofd dragende, trekken
de Shannon door, waarvan het water hun tot den schouder
komt; het onverpoosde vuur dat de vijand op hen richt, kan
die dapperen niet tegenhouden; zij bereiken den anderen oever;
zij snellen naar de bressen; zij werpen hunne granaten op de
verdedigers; zij storn^en; en m minder dan een uur tijds zijn
zij meester van geheel Athlone. In de eerste woede van den
strijd wordt alles wat weerstand biedt, over de kling gejaagd;
en vandaar dat dien dag meer dan 1000 Ieren hier den dood
vonden, terwijl slechts een 300 hunner krijgsgevangen werden;
onder de laatsten behoorde de bevelhebber van Athlone, de
generaal Maxwell. — Die inneming van Athlone is een schitterend
wapenfeit geweest; en er was eenige grond voor de (grootspraak
Digitized by
Google
86 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
waarmede Ginckel aan Willem III schreef, idat er geen dap-
perder troupen in de wereld waren als de zijnen."
Wat deed intusschen het lersche leger terwijl Athlone na
krachtigen tegenstand voor nog krachtiger aanval moest be-
zwijken? — Niets; en die werkeloosheid was een groote fout,
die te recht het misnoegen van Sarsfield en van de Ieren tegen
hun legerhoofd opwekte. Saint-Ruth schijnt toen de beradenheid
te hebben verloren, den moed echter niet; geprikkeld door de
verwijten van anderen, en denkelijk ook van zich zelven, besloot
hij slag te leveren en te overwinnen of te sterven ; er was toen
in hem iets van dien Hektor, die, zijn onvermijdelijk uiteinde
nabij ziende, uitroept:
*'k Wil niet laf vergaan^
maar eerst voor *t minst nog iets tot eeuw*ge eer bestaan."
Dien moed der wanhoop deelde Saint-Ruth aan zijne troepeo
mede; hij maande hen aan om hun plicht te doen, en sterkte
te zoeken in den godsdienst; er werd gebiecht, en de communie
uitgedeeld door de priesters ; en ook daardoor hebben de goed-
katholieke Ieren, bij den laatsten strijd die over het lot van
Ierland heeft beslist, eene dapperheid betoond die men moet
eerbiedigen.
Maar het veldheersbeleid was vèr te zoeken. Nadat men ver-
zuimd had den overgang van de Shannon aan den vijand te
betwisten, had men de Suk als verdedigingslijn kunnen aan-
nemen, een rechter zijrivier, die zich een uur of drie beneden
Athlone in de Shannon stort. Maar ook dit deed men niet;
men nam geen stelling bij de Suk; men betwistte den overgang
van die rivier niet in het allerminst; maar men plaatste zich
op een uur afstands, bij Agrim, op den weg van Athlone naar
Galway.
Die stelling bij Agrim wordt als zeer sterk beschreven. In het
midden werd die stelling doorsneden door den weg naar Galway;
rechts en links van dien weg had men twee moerassen, die hier
en daar schijnen doorsneden te zijn geweest door smalle, droge
wegen. Achter de moerassen werd de stelling uitgemaakt door
een berg of heuvel, waarop de hoofdmacht der Ieren stond, zich
links uitbreidende tot aan de abdij van Kilconnel, en rechts tot
aan de hoogten van Kilcomraodon; — Kilconnel hebben wij
op onze kaart van Ierland, Kilcommodon niet. Op hun linker-
vleugel, dus westelijk van het moeras, hadden de Ieren de over-
blijfselen van een oud kasteel met infanterie bezet; op hun
rechtervleugel hadden zij, bij de hoogten van Kilcommodon,
verschillende achter elkander liggende verschansingen; en even-
Digitized by
Google
IERLAND. 87
ZOO waren er in het centrum, achter de moerassen^ vijf droge
slooten, waarin voetvolk werd geplaatst, dat daar goed gedekt
stond.
De sterkte van het lersche leger wordt opgegeven als 20000
man voetvolk en 8000 ruiters en dragonders — behalve de
Raparies; oogenschijnlijk een groote sterkte; — maar de Raparies
behoeft men voor den geregelden strijd niet meê te rekenen;
bij de geregelde troepen lieten uitrusting, bewapening en orde
te wenschen over; en er was oneensgezindheid onder de aan-
voerders; — hier stond tegenover, dat er toen onmiskenbaar
dapperheid is geweest bij de leren. Geschut schijnen zij niet
veel te hebben gehad: ééne opgave spreekt van 9 vuurmonden,
eene andere slechts van 7.
Ginckel's leger was, volgens ééne opgave, 8000 man minder
sterk dan het lersche; hijzelf zegt, dat het 12000 man zwakker
was; als het waarschijnlijkste kan men aannemen, dat het onge-
veer een 20000 man telde. De Ieren hadden dus de overmacht
in getal; — maar Ginckel's leger bestond uit goede en goed
aangevoerde troepen, en die, door de reeds behaalde voordeden,
vol zelfvertrouwen waren.
Nadat Athlone genomen was, had men zich onledig gehouden
met het herstellen van de steenen brug, en met het slaan van
eene schipbrug, iets beneden de stad. Den 2ostcn Juli ging het
geheele leger over op den rechteroever der Shannon; de ruiterij
en het geschut over de steenen brug, het voetvolk over de
schipbrug; nog dien dag rukte men voort tot een kleine 2 uur
voorbij Athlone. Den 2isieii Juli trok men naar de Suk; men
vond die rivier door den vijand verlaten; een hevig onweer be-
lette om nog dien dag de Suk over te gaan, en aan de andere
zijde het lersche leger op te zoeken. Men bleef daarom dien
dag te Ballinaslo, op den linkeroever van de Suk, en stelde den
overtocht van die rivier en het aanvallen* op den vijand uit, tot
den volgenden dag.
Den 22sten Juli, 's ochtends vroeg, ging GinckeVs leger de
Suk over: het voetvolk en het geschut over de steenen brug
van Ballinaslo; de ruiterij door twee waadbare plaatsen, boven
en beneden die stad. Die overtocht geschiedde in stilte, zonder
het roeren van trom of trompet ; om tien uur 's ochtends stond
het geheele leger in slagorde op den rechteroever van de Suk.
De bagage bleef te Ballinaslo, onder bewaring van een regiment
dat tot de bezetting van Athlone behoorde.
Ginckel zond toen 3 eskadrons ruiters met een aantal uitge-
weken Fransche officieren vooruit, bij wijze van voorhoede, om
de voorposten der Ieren, die nog vóór de moerassen stonden,
op de hoofdstelling terug te werpen, en daardoor die stelling te
Digitized by
Google
88 KRTJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
verkennen. Dit geschiedde; de lersche voorposten gingen terug^
deels ook daartoe gedwongen door het geschut vuur van hunne
vijanden. Ginckel nam daarop zijne beschikkingen tot den aan-
val; en zijn leger^ vooruitgaande, kwam omstreeks drie uur in
den namiddag onder het bereik van 's vijands artillerie. De
eigenlijke strijd tusschen de beide legers, de strijd van nabij,
begon echter eerst om zes uur 's namiddags, en was twee uur
later reeds beslist: reeds om acht uur begonnen de Ieren terug
te gaan; om negen uur hadden zij het slagveld verlaten.
Die strijd, hoe kort ook, was bloedig geweest en, aanvankelijk,
zeer onzeker. Zoowel de rechter- als de linkervleugel van de
Ieren werden gelijktijdig door Ginckel aangevallen; — van een
aanval op het centrum, over den weg van Galway, wordt niet
gewaagd; denkelijk vormde die weg, in de lengte bestreken door
het geschut van den verdediger, een moeilijk te nemen défilé.
Voor hun rechtervleugel hadden de Ieren een boschje bezet,
met een daarbij liggend kasteel; Ginckel liet twee afdeelingen
dragonders eene omtrekking van dat boschje verrichten, dat
toen ontruimd werd door de Ieren, die vreesden afgesneden te
worden van de hoofdstelling. De dragonders, onder Eppinger,
vervolgden de Ieren, en werden daarbij ondersteund door 6
eskadrons ruiters; uit de hoofdstelling der Ieren rukte nu ook
ruiterij op, en deze viel aan op die van Ginckel; aan weerszijden
kwamen gedurig nieuwe troepen aan den strijd deelnemen; ook
voetvolk van Ginckel's leger, eerst de brigade Tettau, daarna
de brigade van den Prins van Hessen. De strijd schijnt hier
hevig te zijn geweest, en geruimen tijd onbeslist; de dapperheid
der troepen van Ginckel, vooral van de Hollandsche regimenten,
deed de zege aan hunne zijde overslaan. Bovenal onderscheidde
zich Bentinck's regiment garde-ruiterij, hier door Hompesch
aangevoerd; volgens de getuigenis van Ginckel zelf (brief van
den 23steQ Juli 1691), is dit regiment >genoegsaam het behoud
van de linkervleugel geweest." De Ieren, op hunne hoofdstelling
teruggeworpen, werden daar toen aangevallen door Ginckel's
linkervleugel, die tevens het moeras oostelijk van den weg van
Galway begon door te trekken. Langen tijd was de tegenstand
hevig; Holtzapfel, een van de generaals van de Republiek, sneu-
velde hier.
Bij Ginckel's rechtervleugel had men evenzeer met groote be-
zwaren te worstelen. Volgens Bosscha heeft zich hier bijzonder
onderscheiden Ruvigni — de latere Markies van Galway — de
bevelhebber van een ruiterregiment geheel bestaande uit Fransche
réfugiés; die onverschrokken ruiterij trok het moeras door, wes-
telijk van den weg naar Galway, over een pad waarop zich
slechts twee ruiters in front konden bewegen; men kon dus niet
anders dan langzaam voortkomen, en aldoor onder het moor-
Digitized by
Google
IERLAND. 89
dende vuur van den vijand. Op een ander punt werd het moeras
doorgetrokken door 3 bataljons voetvolk^ onder den Ëngelschen
kolonel Herbert^ een broeder van den man van Beachy-Head; —
de kolonel heeft beter zijn plicht gedaan dan de vlootvoogd.
Het gelukte aan die infanterie om^ aan de andere zijde van
het moeras, een droge plek gronds te bereiken en zich daar in
slagorde te scharen ; maar bij het vooruitrukken werden die batal-
jons met de uiterste woede door de Ieren aangevallen en terug-
geworpen; Herbert zelf en velen der zijnen vielen daarbij in
's vijands handen ; die bataljons schenen eene geheele vernieling
te gemoet te gaan, toen van lieverlede de kansen veranderden:
nieuwe infanterie, het moeras doortrekkende, sloot zich aan bij
de bataljons van Herbert; Ruvigni, met zijn ruiters, viel den
vijand aan; het sneuvelen van Saint- Ruth bracht wanorde teweeg
bij zijn leger; en toen dat leger ontdekte, dat het eindelijk aan
Ginckel's linkervleugel was gelukt, de daar aanwezige verschan-
singen te nemen en de verdedigers geheel uiteen te drijven, —
toen gaf het de hoop op de overwinning geheel op en staakte
den strijd. De Ieren, die volgens alle opgaven tot acht uur
's avonds met eene uitstekende dapperheid hadden gevochten,
sloegen toen over tot een wilde vlucht, wapens en geweer weg-
werpende, en op den voet vervolgd door de ruiterij van den
overwinnaar.
Nog vóór die vlucht had er eene schandelijke daad van
wreedheid plaats: Herbert, en veel andere Engelsche gevangenen
werden door de Ieren vermoord: — vermoord, wij kennen
geen ander woord voor het dooden van een weerloos krijgsge-
vangene. Geen wonder dus, dat toen de overwinnende Ëngelschen
van dien gruwel hoorden, ook zij, in de hevigste woede ont-
vlamd, in de eerste oogenblikken geen overwonnen vijand spaarden ;
men vindt vermeld, dat een geheel lersch regiment dat de ge-
weren had neergelegd en om lijfsbehoud smeekte, zonder eenige
genade over de kling werd gejaagd.
Maar de invallende nacht, en de nabijheid van moerassen,
redde menig lersch vluchteling het leven; toch waren er dien
dag meer dan 5000 Ieren gedood; het getal krijgsgevangenen
was minder; maar geschut, vaandels, legertros, alles was in
handen van den overwinnaar gevallen; en die slag bij Agrim
was de ontbinding van het leger der Jakobieten*. 12 II 1400 man
aan dooden en gewonden was het verlies van den overwinnaar.
Saint-Ruth was door een kanonskogel gedood, — een dood
als die van Turenne. Met dezen laatsten had hij echter alleen
de dapperheid gemeen; wat de bekwaamheid aangaat was hij
het tegenbeeld van den grooten veldheer. Maar de roemvolle
dood van Saint-Ruth dwingt ons een sluier te werpen over zijne
Digitized by VjOOQIC
90 KRUOS- EN GESCHIEDfCUNDIGE BESCHOUWINGEN.
misslagen en tekortkomingen; en er is waarheid in wat de
Europische Mercurius zegt over Saint-Ruth en zijn dood: >hij
was een rooeyelijk en heerszuchtig man, die de geenen welke
onder hem stonden, vrij wat ringeloorde. Toen hij noch maar
het ampt van Colonel bekleedde, waren verscheidene Capiteineo
en andere officieren genoodzaakt zijn regiment te verlaaten^
om dat ze niet met hem over weg konden. Maar de dood heeft
alle zijn gebreken uitgewischt; en zijnde het niet van onze
matei ie alle dingen ten naauwsten te ziften, zullen wij hem in
vrede laaten rusten."
Eppinger, met een 500 ruiters en dragonders dadelijk na de
behaalde overwinning vooruitgezonden, maakte zich meester van
een aanzienlijken voorraad munitie en leeftocht, te Portumny
bijeengebracht, een dagmarsch ten zuiden van Agrim, juist daar
waar de Shannon zich werpt in het meer Louchderg. Na enkele
dagen rust verliet Ginckel's leger Agrim, en kwam den 29steD
Juli voor Galway, de zeehaven waar de vaartuigen met onder-
stand uit Frankrijk gewoon waren binnen te loopen. In Galway
was een lersche bezetting van een 3000 man, waarvan evenwel
niet meer dan een 600 gewapend waren; toch sloegen de bevel-
hebbers — de Ier Dillon, en de Franschman d*Usson — aan-
vankelijk de opeisching tot overgave af: zij hoopten nog onder-
steund te worden door een lersche afdeeling onder een O'Donnel,
die Galway naderde aan de westzijde van een rivier die zich
daar in zee werpt. Maar Ginckel deed, nog in den nacht van
den 29stea Juli, 6 regimenten voetvolk en 4 eskadrons ruiters en
dragonders in blikken pontons de rivier overzetten, en Galway
dus ook aan de westzijde insluiten ; 0'Donnel, geen kans ziende
om zich binnen de stad te werpen, nam toen met zijn bende
de wijk naar het graafschap Mayo, het noordwestelijk deel van
Connaught; en de bevelhebbers binnen Galway traden daarop,
den 3osicn Juli, in onderhandeling met Ginckel. Den 400 Augustus
werd de siad overgegeven, en vertrok de lersche bezetting met
wapens en bagage en 6 stukken geschut naar Limrick.
Sligo, de zeehaven in het noorden van Connaught en ook
een der steunpunten van de macht der Jakobieten, werd pas den
25stcii September tot onderwerping gebracht; hier schijnt ver-
traging te hebben plaats gehad, doordien de lersche bevelhebber
binnen Siigo reeds vroeger de overgave had toegezegd, maar
daarna die toezegging weer had ingetrokken. Ook hier verkreeg
de bezetting — een 600 man — vrijen uittocht.
Nu bleef nog alleen over het onderwerpen van Limrick, de
sterke vesting waarvoor Willem III het jaar te voren het hoofd
had gestooten. Ook nu, voor de verdediging van dit laatste bol-
Digitized by
Google
IERLAND. 91
werk der Jakobieten, konden de Ieren over eene talrijke macht
beschikken, — over nagenoeg 20 000 man ; maar, was die macht
talrijk, aan orde en vooral aan zelfvertrouwen liet zij te wenschen
over: de val der Siuarts begon zich voor te doen als iets onver-
mijdelijks. Toch, hoezeer reeds in het laatst van Augustus aan-
gevallen, was het eerst den 1460 October dat Limrick in bezit
werd genomen door Ginckel; ongeveer zes weken had het beleg
van die vesting geduurd.
Wij zullen kort zijn over dat beleg, want wegens gemis van
een goed plan of eene duidelijke beschrijving van Limrick's ves*
tingwerken is het ons ondoenlijk een oordeel uit te brengen over
de krijgskundige waarde van die handeling. — Ziehier enkele
feiten.
Ginckel, de vijandelijke vesting op den linkeroever van de
Shannon naderende, verkende haar den 25steD Augustus, bij zich
hebbende 1500 ruiters en dragonders; de lersche ruiterij ging
toen terug naar den rechteroever van de rivier; maar 8 k 9000
man lersch voetvolk, op den linkeroever gebleven in eene ver-
schanste stelling vlak buiten de vesting, werden eerst den 4cn Sep-
tember binnen Limrick teruggeworpen.
Den 5en September kwam het belegeringsgeschut ; dien avond
werden de loopgraven geopend; en den volgenden dag eene
batterij opgeworpen om de brug te vernielen, die de gemeen-
schap uitmaakte tusschen de beide deelen van Limrick, aan
weerszijden van de rivier. Gedurig wordt er gewaagd van het
opwerpen van batterijen; — het blijkt echter niet of die batte-
rijen alle gelijktijdig zijn bewapend geweest, of de eene batterij
misschien roet het geschut dat vroeger voor eene andere had
gediend; ook niet waar die batterijen kwamen, en wat zij
moesten doen. Den 900 September waren twee nieuwe batterijen
opgeworpen, de eene voor 10 kanonnen en de andere voor 7
mortieren; den loen begon men aan een vierde batterij; en den
i5cn September begon men weer aan een nieuwe batterij, voor
23 kanonnen en 11 mortieren; — die laatste batterij schijnt als
bresbalterij dienst te hebben gedaan; zij was den i6en Sep-
tember voltooid, opende den volgenden dag haar vuur, en had
reeds den 1900 eene bres geschoten »zo groot, dat er honderd
man in front door konden." Niettegenstaande die groote bres
werd er geen bestorming ondernomen: men ontwaarde dat de
verdediger binnen verschansingen had gemaakt; en misschien was
ook nog de indruk levendig van de mislukte bestorming van
het vorige jaar.
Er wordt bij dit beleg ook gewaagd van eene circumvallalie-
linie, wat, bij de vijandige gezindheid van de lersche bevolking,
geen overtollige zaak zal zijn geweest. Ook werden gedurende
dit beleg kleine afdeelingen afgezonden tot vermeestering van
Digitized by
Google
92 ' KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
vijandelijke forten of kasteelen in de nabijheid : zoo maakte de
generaal Van der Duyn van 's Gravemoer zich roeester van
enkele sterkten beneden Limrick; zoo bemachtigde een prins
van Hessen-Darmstad het sterke kasteel Connell, aan de Shan-
non, een uur boven de vesting. Een smaldeel Engelsche oorlogs-
schepen hield den mond van de Shannon bezet^ en sloot dus
voor Limrick de gemeenschap over zee af; — maar vreemd is
het, dat terwijl men op den linkeroever van de Shannon de stad
belegerde en beschoot^ men den rechteroever langen tijd onbezet
liet, en dat het beleg reeds een maand had geduurd eer men,
ook daar, de insluiting verrichtte.
Eindelijk begon Ginckel in te zien, dat de val van Limrick
vooral bewerkt zou worden door een geheele insluiting. In den
nacht van den 25steo September wordt boven de vesting een
schipbrug geslagen over de Shannon; zonder dat dit, naar het
schijnt, werd bespeurd of verhinderd door de lersche ruiterij,
die gelegerd was nabij Killalow, op den rechteroever van de
Shannon, een paar uur boven Limrick. Den 26sten, met het
krieken van den dag, gaat eene sterke afdeeling ruiterij met
eenig voetvolk, de rivier over; vier regimenten lersche dragon-
ders, die hun paarden nog in de wei hebben, gaan, door Clif-
ford aangevoerd, den Engelschen te gemoet, maar worden terug-
geslagen; ook de nog bij Killalow staande macht, onder Bars-
field, neemt de wijk en trekt terug in noordelijke richting, naar
het graafschap Clare. Limrick wordt nu ook op den rechteroever
van de Shannon ingesloten.
Ginckel, die den vijand buiten de vesting geheel onschadelijk
wil maken, zendt eene sterke afdeeling naar Clare om daar de
Ieren op te zoeken, wier sterkte nog op een 4000 ruiters en
dragonders wordt begroot. Sarsfield, bericht krijgende van die
detacheering, wil nu eene poging doen om door de zwakker
bezette insluitingslinie te breken, en rich binnen Liiprick te
werpen; — die poging mislukt, ten minste grootendeels: op
slechts een half uur afstands van Limrick wordt Sarsfield door
troepen van Ginckel ingehaald en geheel geslagen; alleen aan
Sarsfield en een klein aantal der zijnen gelukte het binnen Lim-
rick te komen; maar daar sloeg hunne nederlaag de gemoederen
zoo ter neer, dat men spoedig daarop de onderhandelingen tot
overgave begon. Dat die onderhandelingen zoo lang duurden en
de vesting eerst den 1400 October werd overgegeven, is grooten-
deels daaraan toe te schrijven, dat Ginckel in de capitulatie niet
enkel de vesting Limrick wilde begrijpen, maar ook alle punten
waar nog gewapende Jakobieten waren; hij slaagde hierin, en
zoo werd Ierland geheel onderworpen.
Graaf van Athlone en Baron van Agrim, waren de eeretitels
waarmede Ginckel werd beloond; en ten volle verdiend was die
Digitized by
Google
MONS. 93
belooning; hij bekleedt eene eerste plaats onder de uitstekende
aanvoerders, in de school van Willem UI gevormd.
Nog vóór het beleg van Limrick was Tyrconnell gestorven;
hartzeer over het te niet gaan van zijne zaak rukte dien trouwen
dienaar der Stuarts weg. Ook anderen bleven hun trouw; want
van de 14000 man die bij de overgave nog binnen Limrick
waren, bleef wel is waar het grootste deel in Ierland, maar
eenige duizenden van hen maakten toch gebruik van de capitu-
latie om zich in te schepen en voor altijd hun vaderland te ver-
laten. Bannelingen in den vreemde, ter wille van vorsten die dit
zoo onwaardig waren ! Bij de legers van Lodewijk XIV vormden
die uitgeweken Ieren afzonderlijke bataljons, die zich vaak schit-
terend hebben onderscheiden; en de namen der Dillon's, der
Lally's, der Sarsfield's en der O'Donnel's komen voortaan voor
in de krijgsgeschiedenis van Frankrijk en van Spanje.
Geheel in het begin van 1691 — het laatst van Januari —
had Willem III Engeland verlaten, om de Republiek weer te
zien, waaraan hij door neiging zoo sterk was verbonden, al is
het dat hij, uit staatkunde, vaak hare belangen heeft opgeofferd
aan de algemeene belangen van Europa. Het was toen dat hij,
bij winterdag, door nevel en ijsschotsen heen, in een ranke boot
de Hollandsche kust bereikte, en de grootste gevaren braveerde
met een moed, die misschien te uitbundig is geprezen geworden.
Voor de overdrijving van dien lof is te minder reden, omdat
de onversaagdheid van den Oranjevorst iets onbetwistbaars is,
iets dat niemand ontkent, waaraan niemand twijfelt; dat Wil-
lem III een held is geweest, dat staat vast; kan men hem te
dien aanzien één verwijt doen, dan is het dat hij den moed
overdreef en dien soms deed ontaarden in roekeloosheid. Zoo,
onder andere, schrijft nog in dit jaar 1691 — 12 September —
Obdam aan den raadpensionaris Heinsius: >]a chose qui m'a Ie
plus inquietté pendant toute cette campagne, c'est d'avoir veu Ie
Roy s'exposer comme il a fait et Ie plus souvent sans nécessité,
sur quoy il est si incorrigible que personne ne luy en ose parier
de peur qu'il n'en fasse encore pis." (Archief van Heinsius,
2' deel, blz. 44).
In de laatste maanden van 1688 had het Hollandsche volk
den Stadhouder zien vertrekken, tot het beginnen van zijn
grootsche, maar ook hachelijke onderneming; die onderneming
kon zijne grootheid ten gevolge hebben, maar ook zijn geheelen
ondergang; zij kon de staatkundige en godsdienstige vrijheid
van Europa verzekeren, maar ook, mislukkende, dat werelddeel
doemen om slaafs te bukken onder de dwingelandij der vorsten
Digitized by VjOOQIC
y
94 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
en de heerschappij der priesters. De onderneming was gelukt,
volkomen gelukt; na eene afwezigheid van meer dan twee jaren
kwam Willem III als glorievol overwinnaar in Den Haag terug,
dat zijn intocht op luisterrijke wijze vierde. Tal van vorsten en
grooten snelden naar Holland, om hem te begroeten en te hul-
digen; want hij was nu een machtig gebieder^ de Agamemnon,
de oppervorst in het legerkamp der bondgenooten, bestrijders
van Frankrijk.
Willem III was te scherp van blik en te koel van karakter
om zich te laten bedwelmen door al den lof, al de hulde, die
men hem toebracht, door al den wierook dien de vleierij voor
hem brandde ; hij wist hoe ijdel, hoe voorbijgaand dit was. Toen
hij, pas op den Britschen troon verheven, nog met het uitbun-
digste vreugdegejuich door het Engelsche volk werd begroet,
zeide hij reeds: tnu is het nog, hosanna! hosanna! Spoedig
zal het zijn, kruist hem! kruist hem!" De groote Stad-
houder had in dat opzicht overeenkomst met zijn voorganger
Cromwell, wiens verstand hem het wufte deed inzien van de
volksgunst: bg eene openbare plechtigheid werd Cromwell ge-
wezen op de overgroote volksmenigte die zijn zegetocht toe-
juichte; zijn antwoord was: tgrooter nog zou de volksroenigte
zijn, om mij te zien ophangen."
Ook deed zich, te midden van de feesten en plechtigheden in
Den Haag en op het Loo, plotseling een mare hooren, die als
een schrille wanklank de algemeene vreugde verstoorde: Mons,
de sterke hoofdstad van Henegouwen, de belangrijke vesting
voor wier behoud in 1678 de slag van Saint-Denis werd geleverd,
was door de legers van Lodewijk XIV berend en aangevallen.
Het was dus tijd, misschien meer dan tijd, om de hofzaal te
verwisselen met de legertent.
Inderdaad was Mons den 1500 Maart door de Franschen be-
rend; en na eene korte belegering gaf het zich, den loen April,
aan hen over. Dit beleg van Mons van 1691 wordt van Hol-
landsche zijde eenigszins anders voorgesteld dan door Rousset;
en daarom willen wij, alvorens over te nemen wat door den
Franschen schrijver over deze krijgsgebeurtenis wordt gezegd, kor-
telijk laten voorafgaan wat bij onze schrijvers daarover voorkomt.
Volgens de Europische Mercurius was Mons een zeer goed
versterkte vesting; wel had zij, tusschen de poorten van Brussel
en van Ath, niets anders dan een eenvoudige muur; maar 4ït
deed niets ter zake omdat zij aan die zijde ongenaakbaar was
door de aanwezigheid van een groot moeras, létang des prêtres
en rétang des apótres. Bevelhebber was een prins De Berghes, —
denkelijk een Brabandsch edelman. De bezetting was een 6000
man sterk, — op ééne plaats wordt zelfs gesproken van 7000;
Digitized by
Google
MONS. 95
zij bestond, voor een deel^ uit troepen van de Republiek; onder
andere was daar het regiment van Fagel, den bevelhebber die
zich later, in den Spaanschen successie-oorlog, een goeden mili-
tairen naam heeft gemaakt. Bovendien was er in Mons >een
talrijke burgerij, wel geoeffend in de wapenen, doch daar men
veel grooter hoop op had gesteld, als het naderhand kwam uit
te vallen."
Hoofdzakelijk aan die burgerij wordt het kortstondige van de
verdediging van Mons geweten. Gedachtig aan de manhaftigheid
van vroegere tijden, verwachtte men ook nu veel van die bur-
gerij; »maar" — zegt de Europische Mercurius — »'t was er
wel anders gelegen; en d' uitkomst toonde dat de dapperheid
der voorouders, zo menigmaal te vergeefs door de Fransche
wapenen aangetast, in lafhertigheid (om niet arger te zeggen)
veranderd was." Die slechte geest der burgerij van Mons schijnt
het gevolg te zijn geweest van den invloed der Katholieke gees-
telijkheid aldaar, die ijverig kuipte in het belang van Lodewijk XIV :
die geestelijkheid verlangde natuurlijk niets liever, dan de ket-
tersche soldaten binnen Mons te vervangen door de soldaten van
den koning, die, door de vervolging van de Hugenooten, be-
wezen had met welk een blinde gehechtheid hij aan de Roomsche
kerkleer was verbonden.
Maar kon dan die burgerij van Mons niet in bedwang worden
gehouden door de bezetting? — Het schijnt van niet. Er wordt
gezegd, dat die burgerij zich zoozeer deed gelden, dat zij geen
sterkere macht dan 6000 man als bezetting wilde opnemen ; ook,
tdat de burgers meesters waren van de wallen, poorten en sleu-
tels"; — het is Fagel zelf die dit zegt, in zijn verslag van
20 April aan de Staten, over het gebeurde te Mons; en die
woorden van Fagel laten geen twijfel over, hoe vreemd zulk
een toestand ons ook voorkome in een belegerde stad. Niet ge-
waagd is de onderstelling, dat die prins De Berghes, — hoezeer
zijne dapperheid wordt geprezen — toch wegens gemis aan
geestkracht, niet was opgewassen tegen zijne taak als bevelhebber
van een belegerde vesting.
Nóg wordt als een nadeelige omstandigheid voor de verdedi-
ging van Mons genoemd, dat een groot aantal officieren van de
Hollandsche en Brandenburgsche regimenten, op het oogenblik
van de insluiting der vesting, in Den Haag waren om hunne
opwachting te maken bij Willem III; ook hier werkten hofcere-
monies nadeelig op het oorlogsbelang. Aan enkele van die offi-
cieren gelukte het no^ om, toen Mons reeds was ingesloten,,
door de Fransche liniën heen, binnen de vesting te komen.
Onder die officieren wordt Sparre genoemd, die later, tijdens
den Spaanschen successie-oorlog, zich als krijgsbevelhebber heeft
onderscheiden.
Digitized by
Google
96 KRIJGS- EN GESCH!EDÏCUND!G» BESCHOUWINGEN.
VolgeDs de opgaven van Fagel zijn de Franschen den 21 sten Maart
aan hunne nadernissen begonnen, tusschen de dorpen Quesmes
en Huon, aan de zuidoostzijde van Mons. Aan die zijde had
men buiten de vesting een molen, die door de belegerden eenigs-
zins versterkt was, en bezet met eene afdeeling van een 100
man; groote sterkte had die molen wel niet, maar voor het
malen van het koren wilde men haar gaarne zoo lang mogelijk
behouden; — die molen werd den 25sten, 's avonds, na door
de Fransche artillerie genoegzaam te zijn geteisterd, stormender-
hand genomen; de bezetting trok op Mons terug.
Den 26sten Maart begon het Fransche geschutvuur tegen de
vesting; aanvankelijk maar uit 4 batterijen: eene van 20 kanon-
nen; twee andere, ieder van 6; en eene batterij van 10 mor-
tieren ; — later werden die batterijen zeer vermeerderd, en vooral
werd er veel gebruik gemaakt van worpgeschut en van gloeiende
kogels om brand te doen ontstaan.
De nadernissen van den belegeraar W&ren hoofdzakelijk ge-
richt tegen het daar aanwezige hoornwerk van Bertaimont, met
een daartoe behoorend klein ravelijn; de rechterzijde van het
hoornwerk en van het ravelijn waren bezet door Spaansche
troepen, de linkerzijde beurtelings door Hollandsche en Bran-
denburgsche. Den 3osien Maart werd het ravelijn door de Fran-
schen genomen, maar dadelijk hernomen, door eene kleine afdee-
ling van Fagel's regiment. Den isten April werd het hoornwerk
bestorind ; aan de rechterzijde drong de vijand het werk binnen,
maar deze werd er dadelijk weer uitgeworpen door eene afdee-
ling van een 100 man, die Fagel afzond tot versterking van de
bezetting; aan de zijde van de Franschen moet toen het verlies
nog al groot zijn geweest; ten minste vroegen en verkregen zij
een uur wapenstilstand om hunne dooden te begraven.
Den 2en April werd de storm op het hoornwerk hervat, e»
ditmaal met gunstiger uitkomst voor den aanvaller: het werk
werd genomen; en eene poging van de Brandenburgers om het
te hernemen, mislukte. In de vesting werd toen in een krijgsraad
de vraag behandeld, of het raadzaam was een grooten uitval te
doen om het verloren hoornwerk te hernemen; men oordeelde
dit echter onraadzaam; — het advies van een krijgsraad is zel-
den een stout advies; — hier voerde men aan, als grond voor
dit voorzichtig besluit, dat de bezetting toen niet meer dan een
3400 weerbare mannen telde ; — dat cijfer klinkt wel wat vreemd^
vooral als men vermeld vindt dat de bezetting, toen zij den
loen April Mons verliet, sterk was 280 officieren en 4500 soldaten.
Reeds den 2eD April begon de stedelijke regeering van Mons
ongerustheid te betoonen over het lot dat de stad bedreigde;
zij liet zich toen echter nog geruststellen. Maar klaarblijkelijk
door de aanhitsing van kwaadwilligen nam die ongerustheid ge-
Digitized by
Google
MONS. 97
durig toe; dag aan dag kwam die regeering vertoogen indienen
bij den prins De Berghes om toch maar te capituleeren, daar de
halve stad verwoest was door het bombardement, en de burgerij
het ergste had te duchten, indien de stad stormenderhand werd
ingenomen. De Berghes schijnt niet krachtig genoeg te zijn ge-
weest om voor goed een einde te maken aan die vertoogen;
maar lang bleef hij daaraan weerstand bieden, en met recht:
slechts een enkel buitenwerk van Mons was gevallen; de hoofd-
wal was nog geheel ongedeerd ; en er was nog geen sprake van
een bestorming der stad. Maar den Sstea April kwam de burgerij
van Mons in volslagen opstand, en dreigde de poorten der stad
voor den vijand te openen, voor zich zelve met dien vijand te
verdragen, en de bezetting prijs te geven. Men had de zwakheid
van voor die bedreiging te zwichten, en onderhandelaars te
zenden naar het Fransche leger; de capitulatie werd gesloten,
en den loen Mons aan den vijand overgegeven, terwijl de
bezetting, gewapend, een vrijen uittocht verwierf. Die bezet-
ting had bij dit beleg een 900 man verloren aan dooden en
gewonden.
Volgens de opgave van Fagel zou de Dauphijn — de zoon
van Lodewijk XIV — bij den uittocht van de bezetting hebben
gezegd, >dat nooit een stad zo furieus geattaqueert was geweest
als Bergen" (Mons); — eene uiting, die meer getuigt van de
Fransche beleefdheid dan van oprechte waarheidsliefde. Rousset
daarentegen spreekt niet gunstig over die verdediging van Mons ; —
en wij gelooven dat hij hierin gelijk heeft.
Den lóen Maart naar het Loo vertrokken zijnde, had Willem III
daar spoedig de tijding ontvangen, dat Mons aangevallen werd;
in den avond van den 21 sten was hij daarop in Den Haag terug.
Aanstonds werden toen alle maatregelen genomen om een leger
samen te trekken, en daarmee Mons te hulp te komen : aan den
keurvorst van Brandenburg en aan andere Duitsche vorsten werd
de uitnoodiging gedaan om zoo spoedig mogelijk hunne troepen
te doen oprukken naar de Nederlanden; men wist echter bij
ondervinding dat er op dien spoed volstrekt niet viel te rekenen,
en dat men dus moest beginnen met alleen op eigen krachten
te bouwen. Uit Maastricht, en uit andere vestingen die geen
dadelijk gevaar liepen, deed m^n een deel der bezetting te velde
trekken; de Hollandsche garde te voet verliet den 24sten Maart
Den Haag, en trok naar de Spaansche Nederlanden; den 3 5 sten
werd zij gevolgd door de garde te paard, den 26sten door den
Stadhouder zelf. Die geheele macht werd samengetrokken te
Halle, tusschen Brussel en Mons; daar kwam ook de generaal
Mackay, met 4000 Engelschen.
Willem III wilde met het te Halle vereenigde leger oprukken^
WILLEM III. — III.
Digitized by
Google
98 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
om den vijand, die Mons belegerde, slag te leveren. Verschillende
zijner onderbevelhebbers — Waldeck, Solras en Bentinck —
brachten vertoogen in tegen dat besluit, dat zij als roekeloos
beschouwden; vooral wezen zij op de groote moeielijkheid om
bij dien opmarsch het leger te voorzien van brood en van paar-
devoer, daar het nu bleek, dat terwijl de Spanjaarden beloofd
hadden 4000 wagens te zullen verzamelen om voor het leger
leeftocht en fourage te vervoeren, zij inderdaad er slechts 500
bijeengebracht hadden. De ongeduldige en voortvarende vorst
liet zich echter door die vertoogen niet weerhouden: de aan-
wezige wagens moesten dan maar gebruikt worden voor de fou-
rage; het brood moest later worden aangevoerd; — ook Wil-
lem III schijnt hier de meening te zijn toegedaan geweest, dat
de mensch wel eens honger kan lijden, maar de paarden niet;
yjles chevaux ne se nourissent pas d'* enthousiasmi\ zeide een generaal
uit Napoleon's tijd.
Alles was gereed voor den marsch naar Mons, toen men op
den 960 April bericht kreeg, dat die vesting capituleerde; men
gaf toen de onderneming op, tot groote spijt van Willem III,
maar denkelijk niet van zijne onderbevelhebbers; — in een brief
van Dijkvelt van den 8sten April, uit Brussel, komt ten minste
voor, — na vermeld te hebben, dat de Stadhouder in weerwil
van de tegenwerpingen van Waldeck, Solms en Bentinck bij zijn
besluit bleef om Mons te hulp te komen, — dat denkelijk tdie
Heeren soo wel als verscheyde andere officieren van kennisse
ende experientie niet bedroeft sijn in gevalle het overgaen van
de stadt, de marche ende onderneminge, dewelcke misluckende
van een schrickelijck gevolgh soude connen sijn, dede achter-
blijven..." (Archief van Heinsius, 2* deel, blz. 32 — 33).
Toen Mons was gevallen, rekende de Fransche koning voor
het oogenblik weer genoeg te hebben gedaan, en ontbond hij
zijn leger; ook Willem III deed dit: het jaargetijde was nog
niet ver genoeg gevorderd, om lang goed te kunnen voorzien
in het onderhoud van een leger te velde. Brussel, dat men na
den val van Mons het meest bedreigd achtte, kreeg eene bezet-
ting van 9000 man; en Halle, als het ware een voorpost van
Brussel, werd in staat van verdediging gebracht. Ook de bezet-
tingen van Ath, Charleroi en Namen werden versterkt; het
overige van het leger kwam in kwartieren in de steden van
Braband en van Vlaanderen; de troepen die te Mons in bezet-
ting waren geweest, in het land van Waas. De Hollandsche
garde keerde naar Den Haag terug; ook Willem III vertrok
derwaarts, en, spoedig daarop, weer naar Engeland.
Ziedaar hoe van ónze zijde die eerste krijgsbedrijven van den
Digitized by
Google
MONS. • 99
veldtocht van 1691 in de Nederlanden, worden voorgesteld; —
laten wij thans zien wat Rousset daarvan zegt.
De Fransche schrijver noemt dat beleg van Mons van 1691,
»een tweede exemplaar van het beleg van Gent", wat aangaat
het onverwachte, en het goede der maatregelen door Louvois
genomen.
>Den i2eii Maart 1691 had Louvois bevel gezonden aan de
intendanten van Vlaanderen en van Artois om in stilte 900000
rations hooi te doen aankoopen, ieder van 15 pond; > onder
voorwaarde" — voegde hij er uitdrukkelijk bij — »dat dit hooi
voorhanden blijft bij hen die het verkoopen, tot op het oogen-
blik dat men het opvraagt; dit zal, op het allerlaatst, tegen het
einde zijn van de maand April aanstaande." Dit was bestemd
voor het beleg van Mons..." (Rousset, 4® deel, blz. 459.)
Den i3en Maart 1691 vertrekt Louvois, uit Versailles, naar
Vlaanderen.
. . . »Den volgenden dag, bij zijn lever^ verkondigt Lodewijk XIV,
dat Mons en Nizza gelijktijdig worden belegerd. Louvois schrijft
hem, uit Valenciennes : > omstreeks drie uur ben ik hier aange-
komen. De landstreek was zwart van al de oprukkende korpsen
voetvolk en ruiterij, en 'van de artilleriepaarden."
>Den lyen begint Louvois voor den Heer De Pont Charirain"
(minister, of intendant van financiën) >een dagboek, dat hij
voortzet gedurende het gansche beleg. >Mons is berend. Don-
derdag den 1560, om zeven uur 's morgens. De Gouverneur heeft
de burgerij bijeengeroepen en haar gezegd, dat dit slechts eene
vertooning was, dat er den volgenden dag geen vijand meer te
zien zou zijn, en dat zeer zeker de Franschen niet bij machte
waren om Mons te belegeren. Toen men gisteren, met het aan-
breken van den dag, de Franschen nog zag, bracht dit in de
stad eene groote ontsteltenis teweeg, die nog vermeerderde toen
men, tegen tien uur 's ochtends, aan alle zijden nog troepen zag
oprukken. Het schijnt dat men gisteren, tegen den middag, ge-
schut heeft gebracht op de wallen en dat men daar batterijen
maakt. Er is geen man binnen Mons gekomen, en de bezetting
is even sterk als twee maanden te voren; — uitgenomen dat de
meeste officieren van de Hollandsche en Brandenburgsche regi-
menten naar Den Haag zijn gegaan om hunne opwachting te
maken bij hunne gebieders. Vandaag begint men aan de liniën
te werken; binnen drie dagen zijn zij klaar."
> Denzelfden dag schrijft hij aan den Koning: »Uwe Majesteit
zal ontwaren, dat den isen, 's ochtends om tien uur, de Heer
De Gastanaga" (de landvoogd der Spaansche Nederlanden) tnog
niets wist van de bewegingen door Uwer Majesteit's troepen ver-
richt;" en, aan den aartsbisschop van Reims: > binnen nu en
vier of vijf dagen, zal de Koning tusschen de Lijs en de Maas
Digitized by
Google
lOO KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
45000 man voetvolk hebben en 30000 paarden, de bezettingen
niet meegeteld. Met zulk een macht zult gij wel niet gelooven,
dat de Prins van Oranje en Gastanaga in staat zijn om 's Konings
onderneming te doen mislukken." Rekende men de bezettingen
niet mede — of, om juister te spreken, de detachementen die
men op het eerste bevel uit de vestingen kon trekken, zonder
die onbezet te laten — dan had Louvois het geduchtste leger
dat men ooit had gezien — 80 bataljons en 240 eskadrons —
ter beschikking van Lodewijk XIV gesteld."
80 bataljons en 240 eskadrons; — denkelijk dus 64000 man
voetvolk en 38400 man ruiterij; over de 100 000 man; veel
meer dan noodig was. Maar daar waar de Koning in persoon
een beleg bestuurde, werd er een luxe van middelen aange-
wend om dat beleg te doen gelukken. Onmiskenbaar is hier
weer de werking van despotisme en van hovelingsbeleid.
» Lodewijk XIV, vergezeld van Monseigneur** (de Dauphijn)^ »van
Monsieur'* (de hertog van Orleans), »en van den maarschalk De
la Feuillade, kwam den 2 1 stea Maart van Versailles aan, en nam
zijn hoofdkwartier aan de zuidzijde van Mons, daar waar Vauban
de aanvallen richtte tegen de werken die de poort van Bertai-
mont dekten. De maarschalk De Luxembourg bezette het noor-
delijk deel der liniën ; alleen aan die zijde kon een hulpleger —
als de verraste bondgenooten tijd en middelen hadden om dat
bijeen te brengen — beproeven het beleg te doen opbreken.
Westelijk stond de maarschalk d'Humières in de nabijheid, met
eene macht aan voetvolk en ruiterij, die Louvois niet noodig
had geoordeeld binnen de liniën op te hoopen. Materieel, muni-
tie, leeftocht, paardevoer^ alles was ruimschoots voorhanden; men
had nog nooit een militair hospitaal gezien, zoo goed ingericht
en zoo weinig bezet; zooveel heelmeesters, en die, gelukkig, zoo
weinig hadden te doen. In één woord, het was een genoegen
om dit beleg te zien {ce siège était une vraie fété) ; er ontbrak
niets aan — naar het oordeel der kenners — dan wat meer
levendigheid bij de verdediging. >Van alle vestingen die, tot nu
toe, de Koning heeft belegerd" — zoo schreef Louvois aan
Pont Chartrain — »is er geene wier bezetting minder veerkracht
heeft betoond en zich flauwer gedraagt, dan deze. De vijf en
dertig 24-ponders en de 25 mortieren, die gisteren ochtend om
tien uur zijn begonnen te vuren" — zoo schreef hij den 27steB
Maart — » hebben dit het overige van den dag voortgezet en
een vreeselijk vuur afgegeven, dat den vijand zóó heeft ver-
schrikt, dat hij bijna geen musket heeft gelost; zoodat iedereen
vóór de loopgraven is gaan staan, zooals men doet tijdens eene
capitulatie." (Rousset, 4* deel, blz. 461 — 464.)
Dit klinkt anders dan wat van ónze zijde wordt gezegd, over
die verdediging van Mons.
Digitized by
Google
MONS. lOI
In de Cinq-Mai van Béranger — 5 Mei 1821, de sterfdag van
Napoleon — komt eene treffende schets voor van de vrees die
de groote Fransche keizer, zelfs op zijn rots van Sint-Hélena,
den koningen nog inboezemt; en hoe zij dadelijk er aan denken
om zich tot de tanden te wapenen, zoodra zij maar hooren dat
er op de kust een vreemd schip is verschenen, dat men niet
weet te huis te brengen:
»Dès qu*on signale une nei' vagabonde,
Serait-ce lui? disent les polentats;
Vient-il encore redemander Ie monde?
Armons, soudain, deux millions de soldats."
Onwillekeurig denkt men aan die verzen van den Franschen
zanger, als men bij Rousset leest, hoe hier door de belegeraars
van Mons met angstige spanning werd uitgezien naar Willem III,
naar de plaats waar hij was, naar wat hij wilde, wat hij deed.
Het beleg van Mons, op zichzelf, was geen oogenblik onzeker;
het was alleen onzeker, of Willem III zou oprukken om slag te
leveren; en te dien aanzien koesterde Lodewijk XIV een over-
dreven vrees.
...» Men vroeg niet : zal Mons het houden ? maar men vroeg :
zal Mons ontzet worden ? Lodewijk XIV zelf maakte zich weinig
ongerust voor Mons, maar des te meer voor den Prins van
Oranje, — veel te veel voor zijn eigen roem. Hij had zooveel
troepen bij zich, dat hij er geen weg meê wist; en toch meende
hij er nog te weinig te hebben; toch trok hij, den isten April,
nog 18 bataljons tot zich, en weinige dagen later nog 140 eska-
drons;"— denkelijk dus 14400 man voetvolk en 22400 ruiters;
te zamen 36800 man; dat, gevoegd bij de 75000 die er reeds
waren, maakt te zamen 11 1800 man; — »hij had er zóó veel,
dat zij elkander in den weg stonden, en dat zij bij een veldslag
geen voldoend terrein zouden gehad hebben om zich te bewegen.
Als men leest wat Louvois den 5en April aan De PontChar-
train schrijft, dan bespeurt men daarin, dat hij die overgroote
en onbetamelijke vrees afkeurt; die af keuring wordt niet openlijk
uitgesproken, maar te miskennen is zij niet: >van nacht is er
een boer gekomen, die mij zoo stellig verzekerd heeft dat hij
's vijands leger tot Halle vergezeld heeft, waar hij zegt dat hij
het heeft zien kampeeren, — dat toen ik dit den Koning heb
gemeld. Zijne Majesteit het raadzaam heeft geoordeeld mij te
gelasten van bevelen uit te vaardigen om vandaag en morgen
18000 man ruiterij tot versterking in het kamp te doen komen;
binnen drie uur tijds zijn die bevelen uitgevaardigd. Maar ik
heb weer een anderen boer gesproken, die mij verzekerd heeft
dat daar, toen hij, van Brussel komende, om tien uur 's ochtends
Digitized by
Google
I02 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
door Halle trok, volstrekt geen troepen waren. De ruiterij die
wij verwachten, zal hier niet van honger sterven, en naar alle
waarschijnlijkheid over drie of vier dagen naar hare garnizoenen
terugkeeren, als de Prins van Oranje niet komt." (Rousset^ blz. 465.)
Willem III is Mons niet te hulp gekomen; en Vauban —
geen hoveling — beweerde zelfs dat, onder de bestaande omstan-
digheden^ het een dwaasheid zou zijn, zoo iets te ondernemen;
dat de Prins van Oranje er ook nooit aan had gedacht om Mons
te ontzetten; en dat, wie hem zulk een voornemen toedichtte,
zijn goeden naam meer afbreuk deed, dan het verlies van een
vesting, zooals bij voorbeeld Breda, hem afbreuk zou kunnen
doen. — Uit de opgaven van ónze zijde weet men, dat Vauban
zich hier vergist heeft, en dat hij ten onrechte Willem III prijst
over eene voorzichtige onthouding, die volstrekt niet in het voor-
nemen lag van den Stadhouder.
Bijzonderheden over het beleg van Mons geeft Rousset voor
het overige niet; — alleen zegt hij het volgende van de over-
gave (blz. 466 — 467):
>Door bommen verpletterd, door ricochet-schoten omgewoeld,
door brandkogels verwoest, gaf zich de hoofdstad van Hene-
gouwen den Ssten April over; denzelfden dag kwam een renbode
van Catinat de tijding brengen van de overgave van Nizza.
Beide belegeringen, gelijktijdig aangekondigd, eindigden gelijk-
tijdig ; beide met nauw noemenswaard verlies. Voor Slons waren
er een 100 man gesneuveld en 450 gewond. De troepen van de
bondgenooten, die in opmarsch waren om zich samen te trekken,
kregen tegenbevel en keerden terug naar hunne kantonnementen ;
de hoofden van de coalitie wisselden verwijtingen en beleedi-
gingen. Koning Willem, door de Brusselaars zeer slecht ont-
vangen, bijna gehoond, nam een zeer koel afscheid van den
markies De Gastanaga; en keerde, ziek naar lichaam en naar
geest, naar Den Haag terug.
Daarentegen had Lodewijk XIV, vóórdat hij naar Versailles
terugkeerde, gelukwenschingen en belooningen uit te deelen.
tDe Koning," — zegt Dangeau den 9611 April — > heeft dezen
ochtend aan Vauban 100 000 francs geschonken, en hem aan
zijn tafel genoodigd, — een eer, waarvoor hij nog meer gevoelig
was dan voor het geld ; hij had nog nooit de eer gehad bij den
Koning te eten. Zijne Majesteit heeft 2000 pistolen" {Louis d'^or)
»aan Vigny gegeven, die het bevel voerde over de artillerie; en
2000 pistolen aan Mesgrigny" (de eerste ingenieur, onder Vau-
ban). >Nog veel andere gunsten heeft hij in het kamp uitge-
deeld."
> Zeker, dit was van 's Konings zijde zoo goed als het maar
zijn kon; — maar Louvois? hoe werd die beloond? >Ik heb
gehoord" — het is Dangeau die dit zegt — >ik heb gehoord
Digitized by
Google
MONS. 103
dat, gedurende het beleg, de Koning een weinig vertoornd is
geweest tegen den Heer De Louvois, over de stijfhoofdigheid
waarmede hij volhield, dat de Comm/ssaires des guerres het kamp
moesten inrichten voor de ruiterij welke men in die dagen
binnen de liniën heeft doen komen. Die taak behoorde natuur-
lijk tot dé verrichtingen van den Maréchal-des-logh der ruiterij;
en de Koning wilde dat men den gewonen gang van zaken zou
volgen."
(Wij hebben het bovenstaande overgenomen uit Rousset, — of
uit Dangeau — , en, om alle vergissing te vermijden, de woorden
Cotnmissaires des guerres^ en MaréchaUdes-logis onvertaald gelaten.
Een Commhsaire des guerres was een administratief beambte, van
minderen rang dan een intendant; men zou het door het woord
»ond er-intendant*' kunnen teruggeven. Maar Maréchal-des-
logis van de ruiterij? — Natuurlijk, dat men hiervan niet kan
maken wachtmeester. Het was denkelijk een hooggeplaatst
officier van de ruiterij, wiens voorname taak het was, de kwar-
tieren van dat wapen te regelen; een soort van Kwartier-
meester-Generaal, zooals men die had, ook bij onze legers
van dien tijd).
» Volgens den hertog De Saint-Simon had de twist de vol-
gende aanleiding: >de Koning, die er zich op liet voorstaan,
van meer kennis van militaire zaken te hebben dan ieder ander,
tot zelfs van de onbeduidendste, wandelde eens door het kamp
en vond een gewone ruiterwacht, die naar hij oordeelde ver-
keerd was geplaatst; hij zelf plaatste ze elders. Het toeval wilde
dat hij, op den namiddag van denzelfden dag nogmaals door
het kamp wandelende, diezelfde ruiterwacht voorbijkwam, die
hij weer verplaatst vond. Dit wekte zoowel zijne verwondering
als zijn misnoegen op. Hij vroeg den kapitein wie hem weer
geplaatst had waar hij stond; en deze antwoordde dat Louvois
dit had gedaan, die daar voorbij was gekomen. >Maar" hernam
de Koning, >hebt gij hem dan niet gezegd dat ik u had ge-
plaatst?" — >Ja, Sire," antwoordde de kapitein. De gebelgde
koning keerde zich tot zijn gevolg, en zeide: >dat is weer iets
van Louvois: hij meent dat hij een groot krijgskundige is en dat
hij alles weet." En oogenblikkelijk plaatste hij den kapitein en
de ruiterwacht weer op de plaats die hij hem 's ochtends had
aangewezen."
>Zeer zeker had Louvois groot ongelijk; de Commissaires des
guerres waren niets meer dan officieren van administratie, en met
de inrichting van een kamp hadden zij niets hoegenaamd te
maken; maar ongelukkig bestond bij Louvois de neiging om
het militaire te veel ondergeschikt te maken aan het administra-
tieve. Hij had ongelijk; — maar is dit wel de ware grief die
Lodewijk XIV tegen hem had? Als Dangeau — voorzichtig,
Digitized by
Google
>
I04 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
bedachtzaam, bedaard en gematigd tot aan flauwheid toe — het
waagt oen Lodewijk XIV voor te stellen als teen weinig ver-
toornd", wat moet die toom dan niet groot zijn geweest, hevig
en luid?*'
De ware reden van dien toorn van Lodewijk XIV schijnt ge-
weest te zijn, dat de Koning het aan Louvois niet vergaf dat
hij bij dat beleg van Mons weer werd blootgesteld aan het ge-
vaar van slag te moeten leveren tegen Willem III; en dat hij,
evenals in 1676 bij Bouchain, zijn overdreven vrees voor dat
gevaar niet wist te verbergen. — De ongunst van Louvois werd
zóó ruchtbaar, dat, toen Madame Deshoulières in een gedicht
op de inneming van Mons eenige verzen tot lof van Louvois
had ingevlochten, Dangeau, toen hij den Koning dat gedicht
voorlas, juist die verzen oversloeg.
tOp die wijze" — vervolgt Rousset (blz. 469 — 470) — >was
dat beleg van Mons, in stede van den roem van Louvois te ver-
hoogen en zijn invloed grooter te maken, voor hem eene aan-
leiding van ongunst, van ongenade. Men kan zeggen dat Louvois
doodelijk werd getroffen door dien slag; zijn gemoed werd
daardoor verbitterd ; en dit gaf aanleiding tot verdubbelde norsch-
heid, zelfs ten aanzien van de vrienden die hem het meest toe-
gedaan waren." — Onder anderen was dit het geval met Vauban.
Na de inneming van Mons werd, vooreerst, in de Nederlanden
niets bijzonders meer ondernomen. Rousset geeft de indeeling
die de Fransche legers toen verkregen op de verschillende oor-
logstooneelen, aldus op:
In de Nederlanden zou Luxembourg aan het hoofd staan van
40 bataljons (32000 man) en iio eskadrons (17600 ruiters);
dus, bijna 50000 man. — Bij Luxembourg kon zich nog aan-
sluiten Boufflers, die tusschen de Maas en den Moezel 20 batal-
jons had (16000 man), en 64 eskadrons (10240); te zamen een
26000 man.
Het Rijnleger stond onder het bevel van den maarschalk De
Lorge, » onder voorwaarde dat hij, in werkelijkheid, het gezag
deelde met den onmisbaren Chamlay {Vinévitable Chamlayy* (blz.
471); dat leger telde 24 bataljons (19200) en 92 eskadrons
(14720), dus bijna 34000 man.
Catinat voerde het bevel in Italië ; behalve over zijn leger van
35 bataljons (28000) en 60 eskadrons (9600), kon hij nog be-
schikken over verschillende nabijzijnde afdeelingen: 5000 man
te Casal, 5 bataljons (4000) te Plgnerol, 2 bataljons (1600) te
Susa, 6 bataljons (4800) in het graafschap Nizza, en in Savoye,
Dauphiné en Provence nog over 7 bataljons (5600), 14 bataljons
militie en 15 eskadrons dragonders (2400); — in het geheel had
Digitized by
Google
VERDERE KRIJGS VERRICHTINGEN IN DE NEDERLANDEN. I05
Catinat dus ruim 60000 man aan geregelde troepen, behalve
nog de militie.
In Catalonië had Noailles 14 bataljons (11 200) en en 18 eska-
drons (2880); te zamen 14000 man.
Naar Ierland — dit hebben wij reeds gezien — zond Frankrijk,
in 1691, geen troepen, maar alleen officieren, wapens, munitie
en geld.
Telt men al die legers, of legerafdeelingen, te zamen, dan
vindt men, dat Frankrijk in 1691 een iSo k 190000 man heeft
te velde gebracht. Het cijfer van de bezettingen der vestingen,
en van de troepen die in het binnenland zijn gebleven, wordt
niet vermeld.
Louvois wil die legermachten minder aanwenden om den
vijand slag te leveren, of om vijandelijke vestingen te nemen;
maar hij wil nu vooral beproeven om, door het aanrichten van
verwoestingen, de bondgenooten tot den vrede te dwingen. Hij
is, in dit laatste jaar zijns levens, meer onmeêdoogend en wreed
dan ooit te voren; — en dit zegt nog al wat.
...»De maarschalk De Luxembourg kreeg last om de geheele
stad Halle tot den grond toe te slechten, de kerken uitgezon-
derd; Halle was een soort van voorpost, tot beveiliging van
Brussel; en werd het verwoest, dan stond de hoofdstad van de
Spaansche Nederlanden bloot, en dan zou men daar om genade
beginnen te smeeken. Den 29steii Mei trok het Fransche leger
daarheen; en alleen op het zien van de voorste troepen nam
de bezetting van Halle de vlucht, in de uiterste wanorde. >Er
zijn", — zoo berichtte de Maarschalk — •twee officieren ge-
vonden die uit angst boven op den toren waren geklommen,
onder het klokkespel." Den volgenden dag werd in de stad alles
verwoest door pikhouweel en door mijnen; terwijl Luxembourg
met de ruiterij intusschen de stelling ging verkennen, welke
onder de muren van Brussel bezet werd door koning Willem,
die onverwijld ter hulp was geroepen door zijne radelooze bond-
genooten. Maar de Maarschalk oordeelde het onraadzaam om
die stelling aan te vallen; en, toen hij zijn taak volbracht had,
nam hij post te Braine-le-Comte en wachtte daar nadere be-
velen af." (Rousset, blz. 473.)
Bijna terzelfder tijd wordt de stad Luik door Boufflers ver-
nield.
...» Luik behoorde niet aan den koning van Spanje ; maar
van de onzijdigheid die het den Franschen koning had beloofd,
was Luik afgeweken om bijstand te bieden aan den koning van
Spanje. Vreeselijk werd het daarvoor gestraft. Van den 2en tot
den yen Juni werden, dag en nacht en zonder tusschenpoozen,
bommen en brandkogels geworpen, die in alle deelen van de
Digitized by
Google
Io6 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Stad de vlammen deden uitslaan en meer dan 3000 huizen door
het vuur deden verteren. De Luikenaars bleven onverwrikt, en
onderwierpen zich niet; zij wachtten hulp, of wraak; maar toen
de troepen van de bondgenooten aankwamen, — te laat om het
bombardement te stuiten — snelden deze niet ter vervolging van
Boufflers, die langzaam terugtrok, maar gaven zij er de voorkeur
aan om te voltooien wat de Franschen nog hadden overgelaten
te doen: die troepen wierpen zich op de rookende puinhoopen
van Luik, en plundering voltooide wat het vuur had gespaard.
Louvois was niet karig in loftuitingen ten aanzien van Boufflers . . ."
(Rousset, blz. 474.)
Wij moeten hierbij aanmerken, dat de opgaven van ónze zijde
over deze gebeurtenissen bij Brussel en Luik niet in allen deele
overeenstemmen met wat Rousset daarover zegt.
Bij die verkenning van de stelling der bondgenooten bij
Brussel, door Luxembourg op den 3osieii Mei verricht, was Wil-
lem III daar nog niet aanwezig: eerst den 2en Juni is hij bij
het léger gekomen.
Ten aanzien van het gebeurde bij Luik wijken onze opgaven
veel meer af. In het verslag, door den resident van Luik in
Den Haag bekend gemaakt, wordt gezegd dat, in weerwil van
de hevigheid van het bombardement, door de goede beschik-
kingen die men te Luik nam, de verwoesting in de stad niet
bijzonder groot is geweest; na de gegeven bevelen voor het
handhaven van de orde te hebben vermeld, wordt er bijgevoegd :
>het geen dier voegen wierd nagekomen, dat daardoor de meeste
straaten zijn behouden, en alleen het benedenste gedeelte van
de brug des arches^ en de daaromtrent staande huizen, door de
burgers, om hun leven te salveeren, verlaaten, door het gruwelijk
en onophoudelijk inwerpen van bommen en gloeijende kogels in
de assche geraakten"; — dit doet juist niet denken aan drie
duizend verbrande huizen! Ook het oordeel over het gedrag
van de troepen der bondgenooten is geheel anders; verre van
hen te beschuldigen van plundering, worden zij daarvan integen-
deel uitdrukkelijk geheel vrijgesproken: •de dapperheid der
vreemde troupen moet met stilswijgen mede niet voorbij ge-
gaan; en haar standvastigheid, getoont in niet een van de
minste burgershuysen, schoon van de bewoonders verlaaten, te
berooven, verdient gepreesen te werden."
De waarschijnlijkheid is er dus voor, dat Boufflers, in zijn
verslag, de verwoesting van Luik overdreven heeft voorgesteld,
wetende dat zoo iets Louvois aangenaam zou zijn; en dat hij
tevens de troepen der bondgenooten zwart heeft gemaakt, om
daardoor de blaam over het te Luik gebeurde niet op de
Fransche troepen alleen te doen rusten.
Digitized by
Google
VERDERE KRIJGS VERRICHTINGEN IN DE NEDERLANDEN. I07
Wat het gebeurde te Halle aangaat, in ddt opzicht schijnt de
opgave van Rousset niet onjuist. Van onze zijde wordt gezegd:
dat men eerst voornemens was Halle te verdedigen; dat men
daarom de bezetting versterkte tot een 3000 man; dat men
echter later begreep, dat daar er geen kanon binnen Halle was,
die stad niet bestand was tegen een aanval, en de bezetting dan
denkelijk krijgsgevangen zou worden; dat het dus beter was, bij
's vijands nadering, Halle te ontruimen ; en dat die ontruiming
met zooveel overhaasting was geschied, dat een deel van de
bagage werd achtergelaten; — dit alles komt vrij wel overeen
met wat Rousset zegt.
Zeer zeker kan men aanmerken: wilde men Halle verdedigen,
waarom er dan geen kanon in gebracht? en wilde men het niet
verdedigen, waarom dan aanvankelijk de bezetting versterkt? —
Die aanmerking zou bewijzen, dat de regeling van de krijgszaken
in de Spaansche Nederlanden wel eens wat te wenschen over-
liet; — maar dit stond in verband met den eHendigen toestand
waarin toen de geheele Spaansche Monarchie verkeerde. De
Spaansche koningen van die tijden waren gekroonde nietelingen,
die niets wisten, niets begrepen, niets wilden ; het waren poppen,
bewogen door een of ander minister of hoveling; zij kenden
zoo weinig den omvang van hunne heerschappij, dat als de
vijand hun eene vesting ontnam, zij soms in den waan ver-
keerden dat die vesting aan eene andere mogendheid had toe-
behoord, die dus dat verlies leed, en niet zij. Toen Mons ge-
vallen was, in 1691, kostte het zware beraadslagingen aan de
Spaansche ministers om te beramen, hoe men het best die tijding
zou meêdeelen aan koning Karel U; en zelfs is het niet eens
zeker, dat zij hem immer is meegedeeld; — 't is waar, hij was
ook half een waanzinnige.
Louvois maakte dus toen van den oorlog een brandstichting
op groote schaal; hoofdzakelijk op hem drukt de schuld van
die satanische handelingen; want soms wilde zelfs een Luxem-
bourg de wreede bevelen van den Minister niet uitvoeren. Toen
Willem III met zijn leger eerst naar Leuven en daarna naar de
zijde van de Sambre trok, wenschte Louvois dat Luxembourg
gedurende de afwezigheid van het leger der bondgenooten de
stad Brussel zou bombardeeren; in twee brieven aan den Minis-
ter — 26 en 30 Juni — zegt de Maarschalk, dat hij daartoe
weinig gezind is:
»Wat mij aangaat, ik beschouw een bombardement als een
ramp voor hen die het treft, en als van geen nut voor hem die
het doet; en ik beken u, dat ik Brussel niet gaarne zou bom-
bardeeren ; want de bevolking daar komt er openlijk voor uit, dat
zij gaarne onder 's Konings gezag zou komen . . ." (Rousset, blz. 477).
Digitized by
Google
Io8 KRUGS- £N GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Het boiubardeeren van een zoo groote stad en waar de
bluschmiddelen zoo menigvuldig zijn, zou — volgens Luxem-
bourg — ook weinig uitwerken; — mogelijk is dit laatste dan
ook de voorname reden waarom hij geen lust heeft om Brussel
te bombardeeren.
Vauban, altijd een tegenstander van het bombardement, uit
die meening ook nu weer, in een schrijven van den 27sten Juni
aan Louvois:
t Mijnheer de Maarschalk" — zoo schreef hij aan Louvois —
» heeft er mij over gesproken om Brussel te bombardeeren ; maar
daar ik niet heb bespeurd dat het gebombardeer {fes bombarderics)
van Oudenaarden, van Luxemburg, en zelfs van Luik, den Koning
een duimbreed gronds heeft doen winnen ; daar het, integendeel,
hem heel veel munitie heeft gekost — verspild — en de troepen
uitermate heeft vermoeid en verzwakt, zoo heb ik hem daarover
niets willen zeggen; het komt mij voor, dat het een zeer slecht
middel is om de genegenheid der bevolking te winnen; en dat
in een tijd, waarin de gemoederen hier te lande veel gunstiger
gezind zijn jegens den Koning dan ooit het geval is geweest;"
Louvois dringt nu niet meer aan op de d a d e 1 ij k e uitvoering
van het bombardement van Brussel; — nochtans ziet hij er niet
van af; hij acht dat bombardement noodig. > omdat zoolang er
zulke sterke legers in Vlaanderen zijn" {en Flandre; Louvois be-
doelt de Zuidelijke Nederlanden), tde Koning, om de bevolking
het geduld te doen verliezen, niet anders kan doen dan haar
teisteren zooveel als in zijn vermogen is; en bovendien bombar-
dementen de grootste ramp zijn welke die bevolking ducht'*
(blz. 477).
Kan men cynieker zijn?
In het begin van Juli heeft Luxembourg de troepen van Bouf-
flers tot zich getrokken, en neemt nu, met die vereenigde macht,
stelling bij Soignies; door die stelling beschermt hij Mons, en
bedreigt hij Brussel. Willem III plaatst zich met een leger, bijna
even sterk als het Fransche, nabij de Sambre, te Gembloux. De
beide partijen blijven elkander observeeren, zonder iels te onder-
nemen.
Maar de dagen van den man van bloed en geweld liepen ten
einde. Den i6cn Juli 1691, terwijl hij nog werkzaam is in het
kabinet des Konings, wordt Louvois ongesteld, en sterft weinig
uren daarna. Vergift ? Beroerte ? Wie weet het ? Het laatste wordt
als het waarschijnlijkste aangenomen. Saint-Simon beweert, dat,
zonder dien onverwachten dood, Louvois op last des Konings
in hechtenis zou zijn genomen: » Louvois" — zoo zegt hij —
Digitized by VjOOQIC
VERDERE KRIJGSVERRICHTINGEN IN DE NEDERLANDEN. I09
> was, toen hij stierf, zoozeer in ongenade, dat hij den volgenden
dag in hechtenis moest worden genomen en naar de Bastille
gebracht. Dat de Koning dit besluit had genomen en vastge-
steld, is een stellig feit, ik heb het later gehoord van zeer goed
onderrichte menschen; maar wat alles afdoet, dat is, dat de
Koning zelf het verhaald heeft aan Chamillart, die het mij heeft
gezegd."
Die bewering van Saint-Simon laat aan stelligheid weinig te
wenschen over; toch spreekt Rousset haar tegen; — maar hij
erkent, dat er bij Lodewijk XIV wrok bestond tegen Louvois.
Als een despoot wrok koestert tegen een zijner ministers, is het
dan zoo onwaarschijnlijk dat die minister zijn val nabij is, en
hem de kerker wacht? — Wij gelooven dat men geen reden
heeft om die bewering van Saint-Simon geheel te verwerpen. —
Maar zulk een handeling zou, van de zijde van Lodewijk XIV^
een daad van snooden ondank zijn geweest; — zeer zeker; maar
is dankbaarheid dan zulk een alledaagsche deugd bij de konin-
gen f Vorsten zijn, uit den aard der zaak, egoïsten ; zeer spoedig
vergeten zij de goede diensten die hun zijn bewezen.
Uiterlijk had Louvois nog al zijn macht behouden ; en daarom
wekte zijn onverwachte dood — hij was pas vijftig jaar oud —
een algemeene ontroering in Frankrijk. Welsprekend is madame
De Sévigné, als zij van dat sterven gewaagt: >hij is dus dood,
die groote minister, die man zoo hoog verheven, die een zoo
groote plaats innam, wiens i k — om met N i c o 1 e te spreken —
zich zoo wijd uitbreidde, die van zooveel zaken het middelpunt
was! Wat al staatszaken, ontwerpen, voornemens, geheimen, be-
langen te ontwarren, begonnen oorlogen ; wat al kuiperijen ; wat
al schitterende zetten te doen, of aan te raden op het groote
schaakbord! — O God, verleen mij nog een korten tijd: zoo
gaarne zou ik nog schaak willen geven aan den hertog van
Savoye, of den Prins van Oranje mat zetten! — Neen, neen;
niet één oogenblik wordt u langer verleend."
»Die groote minister"? — In den naam van recht en men-
schelijkheid spreekt de geschiedenis een streng oordeel uit over
Louvois; maar zeer zeker is het, dat zijne wreedheid, zijne
dwingelandij gepaard gingen met groote bekwaamheid, met
groote toewijding aan de zaak zijns konings. Die koning is na
den dood van Louvois met dezelfde wreedheid en dwingelandij
blijven regeeren ; maar de bekwaamheid, de toewijding waren er
niet meer; en Frankrijk's latere krijgsrampen zijn, voor een deel,
daaraan toe te schrijven^ dat er geen Louvois meer was om het
beheer te voeren over Frankrijk's krijgswezen.
Op het einde van Juni 1691 staat Luxembourg met hetFransche
Digitized by VjOOQIC
IIO KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
leger nabij Soignies, Willem III met het leger der bondgenooten
nabij Gemblours; maanden lang worden toen door die beide
legerhoofden doorgebracht met onbeduidende bewegingen, zon-
der dat zij eigenlijk iets noemenswaard verrichten. £en enk^l
woord over de oorzaken van die werkeloosheid is hier niet
misplaatst.
Die werkeloosheid lag vooral aan de krijgskunst van die tijden.
Het viel toen niet moeilijk om een veldslag te vermijden: men
had zich maar te plaatsen in eene sterke stelling, en die des-
noods eenigszins te verschansen; bij de weinige beweegbaarheid
van de troepen, vooral bij de weinige beweegbaarheid en de
geringe sterkte van de artillerie te velde, durfde dan de aan-
valler die stelling niet aantasten, tenzij er eene groote overmacht
aan zijne zijde was. Het kwam er dan op aan om zonder aan-
val, door manoeuvreeren alleen de tegenpartij uit die stelling
te doen komen; daartoe wendde men verschillende middelen
aan: óf men belemmerde den aanvoer van den leeftocht en de
munitie die de vijand noodig had ; óf men plaatste zich tusschen
die stelling en eene vijandelijke vesting die niet genoegzaam
bezet of voorzien was, en daarom bij een beleg spoedig zou
moeten vallen; óf men bedreigde het vijandelijke grondgebied
met een inval, met brandschattingen.
Door deze en soortgelijke middelen noopte men dan het
vijandelijke leger zijne stelling te verlaten, en eene nieuwe stel-
ling te kiezen, door welke het den marsch van zijne konvooien
beveiligde, de bedreigde vesting beschermde, het eigen grond-
gebied dekte. De groote kunst bestond dan daarin, die nieuwe
stelling goed te kiezen, en zoo snel en met zooveel beleid daar-
heen te trekken, dat men gedurende den marsch niet werd aan-
gevallen en gedwongen om slag te leveren; kón de aanvaller
den verdediger inhalen en aantasten vóór dat deze zulk eene
sterke stelling had bereikt en behoorlijk bezet, dan was dit eene
honne fortune voor den aanvaller; eene bonne fortune die echter
niet dikwijls voorkwam, en waarvan dan nog niet altijd gebruik
gemaakt werd; — zie onder andere in Goslinga's gedenk-
schriften, hoe Marlborough tijdens den Spaanschen successie-
oorlog dikwijls de gunstigste gelegenheid verzuimde om het
Fransche leger gedurende een marsch aan te vallen. Dikwijls
vergenoegde men zich daarmede, dat men zijn eigen land dekte
tegen 's vijands strooptochten en zooveel mogelijk leefde ten koste
van 's vijands land ; wie de meeste brandschattingen binnenbracht,
dat was de groote man. De gang der oorlogen was toen niet
alleen kunstig, maar zelfs gekunsteld ; — natuurlijk : fexcepte les
exceptions; — en onder die uitzonderingen behoort Willem III:
zijne ondernemingen in de winters van 1672 en 1673, om de
gemeenschap te verbreken tusschen Frankrijk en de Fransche
Digitized by
Google
VERDERE KRIJGSVERRICHTINGEN IN DE NEDERLANDEN. III
legermacht in Holland, zijn stoute strategische handelingen ge-
weest, die een Napoleontischen geest ademen.
Indien Willem III in 1691 niet op zulk eene beslissende wijze
de oorlogshandelingen heeft geleid, dan lag dit daaraan dat de
omstandigheden dit niet toelieten: er was te veel gelijkheid in
strijdkrachten tusschen de beide kampende partijen. Men zal dit
inzien, vestigt men den blik op de legerhoofden, op de getal-
sterkte der legers en op de militaire waarde der troepen.
Van de beide legerhoofden, Luxembourg en Willem III, is het
niet noodig hier iets te zeggen: zij zijn reeds genoeg bekend;
in 1691 kenden zij ook elkander reeds genoeg 3 ieder hunner i^
^wist dat hij te doen had met een tegenstander, met wien men
'niets kon wagen, tegen wien men altijd goed op zijn hoede
moest zijn.
Wat de sterkte aangaat van de wederzijdsche partijen in de
Nederlanden, die was voor de bóndgenooten niet meer zoo
ongunstig als in het begin van 1691, toen Lodewijk XIV met
zoo reusachtige overmacht voor Mons . verscheen, en het leger
van Willem III zoo geringe sterkte had dat zijn voornemen om
Mons te hulp te komen, door zijne onderbevelhebbers werd
afgekeurd als eene roekeloosheid. Wij hebben gezien dat de
Fransche koning na den val van Mons naar zijn land was terug*
gekeerd: en in verband hiermede was natuurlijk ook een deel
van de Fransche strijdkrachten weer weggenomen uit de Neder-
landen: daar waar de Koning zelf op het oorlogstooneel ver-
scheen, daar moesten ook alle mogelijke strijdkrachten worden
bijeengebracht, om den Monarch het behalen van wapenroem te
verzekeren; maar dit kwam er minder op aan, als een zijner
maarschalken het legerhoofd was; in het Frankrijk van die dagen
was het algemeen belang ondergeschikt aan de zorg voor den
roem en de grootheid van den Koning.
Terwijl het Fransche leger in de Nederlanden dus minder
sterk was geworden, had dat van Willem III in sterkte gewonnen
door de komst van de Brandenburgers en van andere Duitsche
hulptroepen; op die wijze kwam er meer gelijkheid in de macht
van de wederzijdsche partijen. Enkele cijfers zullen dit meer in
bijzonderheden doen zien.
Volgens Beaurain had Luxembourg's leger, in Augustus 1691,
eene sterkte van 54 bataljons en 135 eskadrons; had het bataljon
en het eskadron toen de gewone sterkte — wat evenwel niet
zeker is — dan maakte dit uit, 43200 man voetvolk en 21600
ruiters; te zamen 64800 man. Die macht werd toen nog ver-
sterkt door 33 eskadrons — ruim 5000 ruiters — waarmede
BoufHers vroeger was werkzaam geweest naar de zijde van Arlon
en van den Moezel. Bovendien was eene verschanste linie, die,
1/
Digitized by
Google
/
112 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
van de Schelde tot de zee gaande, Fransch Vlaanderen moest
beschermen tegen de strooptochten van de bondgenooten, bezet
door 7 bataljons en 35 eskadrons, te zamen 10 ^ 11 000 man,
onder het bevel van De Villars, het latere legerhoofd van Mal-
plaquet en Denain. De Fransche legermacht in de Nederlanden
was toen dus in het geheel een 80000 man; — altijd aan-
nemende dat het bataljon 800 man telde, en het eskadron 160.
Het leger van Willem III bestond, in Augustus 1691, uit 65
bataljons en 180 eskadrons; >'t geen*' — voegt de Europische
Mercurius er bij — »over de 56000 man uitmaakte;" — dit
cijfer is niet onwaarschijnlijk, want men bereikt het als men het
bataljon op een 600 man en het eskadron op een groote 100
ruiters stelt, de gewone sterkte bij het toenmalige leger van de
Republiek. Beaurain geeft aan het leger van Willem III eenige
bataljons meer, maar een aantal eskadrons minder: 72 bataljons
en ongeveer 100 eskadrons; — natuurlijk is hier de Hollandsche
opgave meer te vertrouwen dan de Fransche. — Behalve dit
leger van Willem III, was er eene afdeeling onder den Branden-
burgschen generaal Flemming, bestaande uit Brandenburgsche,
Hessische en Luiksche troepen, en sterk 17 bataljons en 30
eskadrons, te zamen over de 14000 man, volgens de Europische
Mercurius; Beaurain geeft aan die afdeeling van Flemming ook
17 bataljons, maar slechts 13 eskadrons. Eindelijk had Gastanaga,
de Spaansche landvoogd van de Nederlanden, nog in Vlaanderen
aan voetvolk, ruiters en dragonders ruim 7000 man, die, des
noods zijnde, nog eenigszins versterkt konden worden door afdee-
lingen uit de bezettingen der Spaansche vestingen. Voegt men
dat alles nu bijeen, dan komt men ook zoo wat tot het cijfer
van 80000 man, voor de legermacht der bondgenooten in de
Zuidelijke Nederlanden. Het is dus waarschijnlijk dat de beide
partijen aldaar toen nagenoeg gelijkstonden wat de getalsterkte
betreft.
Maar de militaire waarde der troepen? — daaromtrent deelen
wij het oordeel mede van de Europische Mercurius, die van het
leger van Willem III zegt:
>Alle verstandige persoonen en die den oorlog langen tijd
hadden gediend, verzekerden dat men wel veel grooter legers
had gezien, maar nooit schoonder troepen..."; en er dan bij-
voegt: >de fransche armee had eenige battaillons minder, maar
meerder cavallery, al te maal de bloem van des Konings troe-
pen..."; en van de afdeeling van Flemming: >d'infantery, be-
staande uit de troepen van Brandenburg en Hessen, was vol-
komentlijk goed en in goeden staat; doch de cavallery en
dragonders (waar onder 1500 man van Luik, gecommandeerd
door den Graaf van Serclas, en de rest van Brandenburg)
Digitized by
Google
VERDERE KRIJGSVERRICHTINGEN IN DE NEDERLANDEN. II3
waren de minste troepen, hoewel echter goed geheelen konden
worden . . ,"
Wij kunnen ons goed vereenigen met dat oordeel over de
militaire waarde der troepen, ook wat den Franschen betreft ;
want, hoezeer er reeds toen teekenen van verval vielen waar te
nemen in het Fransche krijgswezen, zoo belet dit echter niet dat
ook toen een Fransch leger nog een geduchte kracht had, en
dat >de bloem van des Konings troepen" — onder andere de
vermaarde Maison du Rot' — op het slagveld zelden haar gelijke,
en nog zeldzamer haar meerdere ontmoette.
Wij willen thans kortelijk de bewegingen van de beide legers
vermelden van half Juli tot half September, toen Willem III zijn
leger verliet om naar Holland terug te keeren.
Eenige bewegingen van de hoofdmacht der bondgenooten
hadden Luxembourg onrust ingeboezemd voor Dinant en Philip-
peville en voor de landstreek tusschen Sambre en Maas gelegen ;
de Fransche veldheer duchtte dat zijn vijand zich zou plaatsen
tusschen het Fransche leger en de zooeven genoemde vestingen,
en daardoor hare belegering gemakkelijk maken. Om dit nadeel
af te weren besloot Luxembourg de Sambre meer te naderen.
Den i4en Juli stelde het Fransche leger zich in beweging van
Soignies, en trok op Estinnes, iets westelijk van Binche; en den
i6en verliet het zijne legerplaats te Estinnes en kwam het te
Merbe-Potterie, op den linkeroever van de Sambre, nabij Thuin;
dadelijk werden er drie schipbruggen over de rivier geslagen.
De marsch van den 14611 Juli was een groote 2 uren gaans;
die van den lóen minder dan 2 uren gaans; beide dus kleine
marschen.
Van zijne zijde brak Willem III in den nacht van den igen
op den 2osten Juli van Gemblours op, en rukte vooruit op Fleu-
rus; hier bleef hij den 2osten; maar den 21 sten zette hij den
marsch voort naar de Sambre; ging, door middel van twee
bruggen, ieder van 10 pontons, die rivier over te Montigny, iets
ten oosten van Charleroi; en sloeg zich dien dag neer te Ger-
pinnes, op den rechteroever der Sambre, maar zoo wat een uur
gaans van die rivier verwijderd. Toen hij bericht kreeg van die
beweging der bondgenooten, ging ook Luxembourg nog den
21 sten Juli op den rechteroever der Sambre over, en bereikte
dien dag Boussu, tusschen Walcourt en Beaumont; den 2 2sten
zette hij den marsch voort, in oostelijke richting, op Florennes,
en dekte door die beweging de achterliggende vesting Philippeville.
Het yoornemen van Willem III was werkelijk om den 22sten
Juli op Florennes te trekken en verder op Philippeville; maar
toen hij vernam dat zijn tegenstander hem daartoe den weg
afsloot en diens stelling te sterk was om te worden aangevallen,
WILLEM III. — ni. 8
Digitized by VjOOQIC
114 KRIJGS- EN' GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
deed hij het leger der bondgenooten zich nederslaaD tusschen
Leneff en Bersée, op den rechteroever van de Heure, een
kleine rivier, of beek, die zich te Marchienneaupont in de
Sambre werpt. Zoo bleven de beide legers eenige dagen tegen-
over elkander staan, op een onderlingen afstand van niet meer
dan een groot uur gaans. Beaumont, dat men niet vatbaar achtte
voor een goede verdediging, werd door de Franschen ontruimd
en door een Hollandsche afdeeling bezet; een groot magazijn
van leeftocht en paardevoêr werd door de aftrekkende bezetting
in brand gestoken, zoodat slechts een kleine voorraad in handen
van de bondgenooten viel.
Ds Brandenburgsche afdeeling onder den generaal Flemming
rukte den 2en Augustus op van Hoey, en kwam den 6en aan de
Sambre, één k twee uur beneden Charleroi; hier kon die afdee-
ling gemakkelijk de rivier overgaan en aanvallen op de tegen-
overstaande macht van Boufflers. Luxembourg, vreezende dat
zijn onderbevelhebber dan in een nadeelig gevecht zou worden
gewikkeld, trok die afdeeling van Boufflers toen bij de hoofd-
macht aan; en van zijne zijde sloot Flemming zich, den loen
Augustus, bij het hoofdleger der bondgenooten aan.
Den yen Augustus verliet Willem III zijne legerplaats tegenover
Luxembourg, en trok in westelijke richting naar de zijde van
Beaumont; het kamp der bondgenooten kwam op slechts een
uur afstands van die stad tusschen Bersée en Hamsurheure. Die
stelling van Willem III tusschen Walcourt en Beaumont bedreigde
de gemeenschap van het Fransche leger met Maubeuge, Mons,
Valenciennes en andere vestingen, waar het zijne magazijnen had
en van waar het zijn toevoer ontving. Om dat gevaar te keeren,
trok Luxembourg ook naar de zijde van Beaumont en plaatste
hij zich ten zuiden van die stad. Een veldslag scheen toen aan-
staande. Den loen Augustus stonden beide legers in slagorde
tegenover elkander, maar gescheiden door de beek die door
Beaumont loopt; eenige uren had er over en weer kanonvuur
plaats; maar het legerhoofd van de bondgenooten oordeelde
's vijands stelling te sterk en zag af van den aanval. Beide legers
keeren daarop, den iicn Augustus, naar hunne kampen terug:
Luxembourg tusschen Boussu en Beaumont ; Willem III te Marbay
en het kasteel van Court, op den linkeroever van de Heure.
Daar bleven de beide legers nog een aantal dagen tegenover
elkander, zonder iets te doen. Geen der beide partijen had lust
om iets belangrijks te ondernemen. Luxembourg had last van
het Fransche hof om de vestingen te beschermen, maar geen
veldslag te leveren tenzij hij bijna zeker was van de overwin-
ning; en Willem III — zegt Beaurain — stelde zich daarmee
Digitized by
Google
VERDERE KRIJGSVERRICHTINGEN IN DE NEDERLANDEN. II5
tevreden, dat hij zijn leger en dat des vijands op grooten afstand
hield van Brussel, en daardoor het bombardement van die hoofd-
stad belette. Tot den 23sten Augustus bleef het leger der bond-
genooten aan de Heure; toen trok het, na den vorigen dag de
yestingwerken van Beaumont te hebben laten springen, in ooste-
lijke richting en sloeg zich neder te Saint-Gerard, nagenoeg even
ver van Charleroi als van Namen en een paar uur ten zuiden
van de Sambre; Luxembourg ging daarop iets vooruit en bezette
Beaumont.
Dat verlaten van de Heure door Willem III schijnt tot oor-
zaak gehad te hebben, dat in die landstreek geen paardevoer
meer was te vinden; en diezelfde oorzaak noopte eenige dagen
later om de legerplaats bij Saint-Gerard te verlaten: den 4en
September trok het leger van Willem III de Sambre over te
Fromont, halfweg Namen en Charleroi, en kwam dien dag te
Velaines en Fleurus. Luxembourg, op het eerste bericht dat de
bondgenooten weer op den linkeroever van de Sambre over-
gingen, trok ook, nog den 4en September, in de nabijheid van
Thuin die rivier over; betrok, nog dien dag, eene legerplaats
tusschen Séneffe en Arquennes; en kwam, den 6en, te Soignies.
De Brandenburgsche, Hessische en Luiksche troepen schijnen
zich toen weer te hebben afgescheiden van het hoofdleger der
bondgenooten, en eene afzonderlijke legermacht te hebben uit-
gemaakt, onder het bevel van een landgraaf van Hessen. In
September was die legermacht in Condroz, de landstreek op den
rechteroever van de Maas, ten zuiden van Hoey. Veel bijzonders
voerde de landgraaf van Hessen daar niet uit ; de Brandenburgers
van Flemrning en de Luikenaars van Serclaes » hadden een wijl
op 's vijands bodem geleefd" — zegt de Europische Mercurius;
en dit schijnt zoo wat bet voornaamste voordeel te zijn geweest,
dat men toen behaalde. Den 2osieii September gaat die macht
der bondgenooten van Marche terug op Hotton, een plaatsje
aan de Ourthe; eene Fransche troepenafdeeling, onder Boufflers^
staat toen eenige uren westelijk, te Rochefort. Tusschen de beide
partijen hebben nog onbeduidende bewegingen plaats; en de
veldtocht eindigt daarmee, dat die troepenmacht van den land-
graaf van Hessen zich nederslaat bij de stad Luik.
Luxembourg, weer op den linkeroever van de Sambre terug-
komende, had daarmee tot doel het dekken van Henegouwen
en Fransch Vlaanderen, zooals hij op den rechteroever der
rivier de vestingen Dinant en Philippeville had beschermd. Ook
hier had de Fransche veldheer geen moeielijke taak, daar zijn
tegenpartij niets ernstigs meer ondernam. De liniën die Fransch
Vlaanderen dekten, waren in Augustus bedreigd geworden door
Gastanaga met een Spaansche troepen afdeeling van 7 bataljons
Digitized by
Google
Il6 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
en 13 eskadrons; die afdeeling kon nog versterkt worden door
een 1200 man uit de nabijzijnde vestingen. Een aanval bleef
echter achterwege, omdat men onderricht werd dat Villars, de
Fransche bevelhebber, te goede maatregelen van verdediging had
genomen.
Beaurain vermeldt, dat Villars bij die gelegenheid de schansen
der linie had doen bezetten door » gewapende boeren, in elke
schans ondersteund door vier of vijf uitgelezen soldaten"; {il m'ait
mis dans chaqiie redoute des paysans armés et avec eux quatre ou cinq
soldats choisis pour les rassurer); hijzelf was, met zijn geheel ver-
eenigde macht, gereed om naar d4t punt der linie te trekken»
waar de vijand zou willen aanvallen. Dat bezigen van gewapend
landvolk tot het bezetten van schansen of versterkte steden, was
toen geen zeldzaamheid; men had de boeren maar voor het
oproepen, want aan die oproeping ongehoorzaam te zijn, dat
vermeette zich toen niemand, dat werd gestraft als rebellie of
hoogverraad; en bovendien, die boeren hadden er persoonlijk
groot belang bij, dat hunne huizen en akkers beveiligd bleven
tegen een vijandelijk leger dat gewoon was met onverbiddelijke
gruwzaamheid te woeden tegen den vreedzamen landzaat.
Of nu die maatregelen, door Villars tot verdediging van de
Fransche liniën genomen, een goede uitkomst zouden hebben
gehad, kan niet uit de ondervinding worden afgeleid; want de
bondgenooten hebben toen die liniën niet aangevallen. Er hebben
tusschen de beide hoofdlegers nog onbeduidende bewegingen en
marschen plaats, ten gevolge waarvan Luxembourg achteruit
gaat naar de Schelde, en den lyea September te Renaix is; het
leger der bondgenooten stond toen nabij Ath. Willem III verliet
dien dag het leger om naar Holland terug te keeren, denkende
dat er geen kans meer was op een belangrijke ontmoeting.
Waldeck kreeg het opperbevel; en het nadeelig ruitergevecht
bij Leuze, op den 1960 September, waarmede de veldtocht ein-
digde, is, misschien, voor een deel te wijten aan zijn minder
goed beleid.
De billijkheid vordert, hierbij te voegen, dat Waldeck volstrekt
--7 niet geïntrigeerd had om dat opperbevel te verkrijgen: hij was
toen op gevorderden leeftijd en ziekelijk, en had reeds vroeger,
maar tevergeefs, aan Willem III verzocht om zich uit het leger
te mogen verwijderen. Reeds den 3osten Augustus, nog uit de
legerplaats van Saint-Gerard, schrijft Waldeck aan den raadpen-
sionaris Heinsius: »Nóg blijven wij hier, en ik weet niet wanneer
Z. M. zal opbreken en welken weg inslaan. De te nemen maat-
regelen zijn vrij moeielijk, vooral als Z. M. weggaat en het leger
wordt ontbonden. Mijne ongesteldheid heeft mij verlof doen
vragen, om elders rustig mijne gezondheid te herstellen; maar
Z. M. wil dat ik bij het leger zal blijven; en daar zal mijn taak
Digitized by
Google
LEUZE. 1 1 7
ZÓÓ nioeielijk zijn, dat ik er aan twijfel of ik die goed kan vol-
brengen. Aan *s lands dienst offer ik mijn leven op, mijn ge-
zondheid, en alles wat ik ter wereld heb; maar mijn krachten
nemen af, en verdriet en kommer zullen mijn einde verhaasten.
God ontferme zich over de mijnen.*' (Archief van Heinsius, 2'
deel, blz. 44.)
Aan een man die in zulk een toestand verkeert, mag men, in
billijkheid, geen strenge eischen als veldheer stellen.
Nog den 1760 September was het leger van de bo.ndgenooten
opgebroken van Ath, om Doornik te naderen; het legerde zich
oostelijk van Leuze, een dorp halfweg Doornik en Ath; het
kamp van de bondgenooten maakte front naar de Dender,
leunde links aan Leuze en aan de beek die zich daar in die
rivier werpt, en rechts aan de beek van Blicquy, die zich ook
met de Dender vereenigt maar zoo wat een uur gaans beneden
de beek van Leuze. Wat die beweging naar de zijde van Doornik
ten doel had, is onzeker; had zij een doel? men zou er haast
aan twijfelen; onmiddellijk daarop besluit Waldeck ten minste
om naar Ath terug te keeren. Den 1900 September heeft die
marsch der bondgenooten plaats, van Leuze naar Ath; en het
is bij dien marsch dat hunne achterhoede door Luxembourg
wordt aangevallen.
Het Fransche legerhoofd was den i8en September van Renaix
getrokken naar de Schelde, op Hermes, nagenoeg een uur of
drie gaans ten noorden van Doornik. Te Herines zelf kwam de
hoofdmacht van het Fransche leger ; maar Luxembourg, die eene
onderneming tegen de bondgenooten wilde beproeven, trok zelf
met 70 eskadrons ruiters en dragonders op Doornik, en legerde
zich in de onmiddellijke nabijheid van die stad. Van daar zond
hij dadelijk eene afdeeling van 400 paarden ter verkenning uit,
om berichten in te winnen van den vijand; en toen, nog in
den nacht, door die verkenningspatrouille bericht werd inge-
zonden, dat de bondgenooten deo 1960 op marsch zouden gaan
van Leuze op Alh, deed Luxembourg onverwijld zijne ruiterij op-
zadelen, van zins om daarmee 's vijands achterhoede aen te vallen.
Het leger van de bondgenooten was 's morgens om vijf uur
op marsch gegaan naar de zijde van Ath, maar had spoedig
den marsch moeten staken, omdat de bruggen over de beek
van Blicquy, naar het schijnt gebrekkig gebouwd, onbruikbaar
werden toen het geschut daaroverheen trok. Het herstellen van
die bruggen kostte geruimen tijd, zoodat het elf uur werd voor-
dat de hoofdmacht van het leger zich weer in beweging stelde.
Achtereenvolgens werd de beek van Blicquy overgetrokken, door
den rechtervleugel onder den Spaanschen generaal De Grigny,
Digitized by
Google
Il8 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
door het centrum, waarbij Waldeck zelf was, en eindelijk door
den linkervleugel onder Nassau-Sarbruck. Men had wel een be-
richt bekomen, dat er Fransche ruiterij in aantocht was van de
zijde van Doornik; maar een uitgezonden verkenning had niets
bespeurd van den vijand; men meende dus niets te duchten te
hebben; hoogstens, meende men, kon de marsch verontrust
worden door eenige ruiterij van de bezetting van Doornik.
Weinig vermoedde men dat Luxembourg, dien men in front van
het legerkamp der bondgenooten naar de zijde van Lessines
waande, zoo spoedig met sterke macht hun linkervleugel zou
komen aanranden.
Een zware mist hield het veld overdekt, en ook daardoor
bleef 's vijands nadering verborgen voor de bondgenooten ; maar
toen tegen den middag die mist optrok, ontdekte men den aan-
tocht van eene sterke vijandelijke ruiterij. Op dat oogenblik was
Nassau-Sarbruck, met een groot deel van den linkervleugel,
reeds teruggegaan achter de beek van Blicquy; en tusschen die
beek en de beek van Leuze stond toen niets anders dan een
achterhoede, onder den generaal De Tilly, en sterk 4 eskadrons
ruiterij, 2 regimenten dragonders en 2 regimenten voetvolk, alles
troepen van de Republiek. Tilly zou zeer goed het gevecht heb-
ben kunnen ontwijken door terug te gaan achter de beek van
Blicquy, en daar eene stelling te nemen die de vijand moeielijk
zou hebben kunnen aanvallen ; maar aan dat teruggaan viel toen
niet te denken, omdat juist op dat oogenblik de bruggen over
de beek versperd waren door de overtrekkende bagage ; het was
toen dus onvermijdelijk om stand te houden en het gevecht aan
te nemen. Tilly schaarde zijne ruiters en dragonders op eene
vlakte, nagenoeg halfweg tusschen de beide beken, in eene slag-
linie die, rechts, zich tot bij de Dender uitbreidde, en, links,
naar heggen en bosschen, ongeveer een kwartieruur gaans ten
zuiden van de rivier; die heggen en bosschen werden bezet door
de twee regimenten voetvolk.
Van Doornik vertrekkende, had Luxembourg eerst zijn marsch
genomen in zuidelijke richting, over den grond die, een halve
eeuw later,* het slagveld van Fontenoy zou heeten, had toen
links aangehouden, was den weg van Doornik naar Mons over-
getrokken, en had, zich steeds in oostelijke richting bewegende,
eindelijk Leuze bereikt. Villars, die met enkele eskadrons vooruit
was, berichtte aan den veldheer dat de bondgenooten hun leger-
kamp hadden opgebroken, en dat zich tusschen de beide beken
niets meer bevond dan eene achterhoede; — een 14 of 15 eska-
drons, volgens de Franschen ; volgens onze opgaven veel minder.
Luxembourg gelastte niet aan te vallen vóór dat hij zich zelf
van den stand der zaken had vergewist; maar toen hij, ijlings
Digitized by
Google
LEUZE. 119
vooruitgerend zijnde, bij Villars was gekomen, begreep hij dat
het zaak was om niet te wachten totdat de 70 eskadrons Leuze
hadden bereikt, maar onverwijld aan te vallen met de voor-
handen ruiterij, een groote 20 eskadrons. Het vertragen van den
aanval kon toch aanleiding geven dat de vijandelijke achterhoede
krachtig werd versterkt; of dat zij zich in veiligheid stelde door
terug te gaan achter de beek van Blicquy.
Twee regimenten Fransche dragonders stijgen af en vallen het
Hollandsche voetvolk aan, dat de heggen en bosschen bezet aan
de linkerzijde van de Hollandsche ruiterij; het doel van dien
aanval is voornamelijk om het vuur van dat voetvolk af te
leiden van de Fransche ruiterij op de vlakte; — die ruiterij
rukt ten aanval, een zestal eskadrons in eene tweede linie plaat-
sende, omdat het terrein niet toelaat ze in de eerste linie op te
nemen. De strijd vangt aan; de Franschen bezigen daarbij de
goede ruiter-taktiek, de taktiek van Seydlitz: zij hielden zich niet
op met het gebruiken van de vuurwapens, maar reden den vijand
te gemoet >den degen in de vuist, en hun hoofden op de halzen
der paarden gelegt", — zegt een Hollandsche opgave; de Hol-
landsche ruiterij, 'daarentegen, eenigszins beschermd door een
soort van ravijn vóór haar front, bleef stilstaan en vuurde op
den vijand; en toen die vijand, zonder veel moeite het ravijn
doortrekkende, aan de andere zijde aanviel op de Hollandsche
ruiterij, had dit het gewone gevolg dat die ruiterij werd overhoop
geworpen en geslagen. Die nederlaag is te minder te verwon-
deren, als men bedenkt dat de Fransche ruiterij eene groote
overmacht aan hare zijde had, en dat bij die ruiterij de Maison du
Ros was, toen ontegenzeggelijk de dapperste ruiterij van de wereld.
Bij de eerste verschijning van Luxembourg's macht had Tilly
hiervan bericht gezonden, en versterking gevraagd; die verster-
king kwam toen ijlings en achtereenvolgens op het slagveld —
het allereerst natuurlijk ruiterij — en nam het gevecht op; maar
hoe? dit is moeielijk te zeggen. De Fransche opgaven — zelfs
Beaurain — stellen de zaak zóó voor, alsof de ruiterij der bond-
genooten geregeld op zes liniën heeft gestaan, en alsof al die
zes liniën, achtereenvolgens, zijn overhoop geworpen en geslagen ;
en zij beroemen zich daarop, dat 26 of 28 eskadrons, zonder
eenige infanterie, de overwinning hebben behaald op 75 Hol-
landsche eskadrons, door voetvolk en geschut ondersteund. Die
voorstelling heeft de waarschijnlijkheid niet aan hare zijde: het
kan zeer goed zijn, dat er van de 70 eskadrons van Luxembourg
slechts 26 of 28 in gevecht zijn gekomen; maar het is niet aan
te nemen, dat er aan de Hollandsche zijde 75 eskadrons, tege-
lijk, in werking zijn geweest; het is veeleer waarschijnlijk dat
die Hollandsche eskadrons, ieder op zichzelve, dadelijk bij hunne
Digitized by
Google
120 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
verschijning op de strijdplaats, in het gevecht zijn gewikkeld, dat
verward zal zijn geweest^ zooals een ruitergevecht dikwijls is.
Dat laatste grondt zich ook op wat door den generaal Was-
senaer-Obdam over dat gevecht van Leuze wordt gezegd. Men
moet niet vergeten, dat Wassenaer-Obdam, wiens militaire naam
later gekreukt is geworden door de gebeurtenis van Eeckeren,
toch anders een braaf en dapper krijgsman is geweest; hij had
den moed van een soldaat, indien hem al de bekwaamheid ont-
brak van een legerhoofd. Bij dien marsch van den I9en Sep-
tember 1691 was Wassenaer-Obdam aan het hoofd van den lin-
kervleugel, toen het bericht inkwam dat de achterhoede werd
aangevallen; ijlings daarheen gesneld, was hij in een oogenblik,
vóór dat hij er aan denken kon, te midden van den vijand en
in een gevecht gewikkeld, waaraan hij dapper deelnam, maar
dat hij niet in het minst heeft kunnen leiden:
...»Je me trouvay d'abord" — schrijft hij aan Heinsius —
»^ la portee du pistolet de la première ligne des ennemis, com-
posée de toute la Maison du Roy; aussi il ne s'agissoit plus que
de charger en caribinier, car nous n'eusmes pas Ie loisir de faire
la fonction de généraux comme il falloit, et il n* y avoit qu' k
payer de sa personne." (Archief van Heinsius, 2^ deel, blz. 45).
Uit die verklaring van Wassenaer-Obdam — die hier, om hare
volle kracht te behouden, onvertaald is gelaten — is het dus
duidelijk, dat dit gevecht bij Leuze een verward ruitergevecht is
geweest, waarbij men niet met juistheid kan zeggen wie ge-
streden heeft, waar en hoe; wel, hoelang: algemeen komt
men daarin overeen, dat de strijd een groot uur heeft geduurd;
toen deed Luxembourg zijne ruiterij teruggaan; eensdeels omdat
Waldeck's legermacht intusschen stelling had genomen achter de
beek van Blicquy, en er dus voor de Franschen aan geen verder
doordringen viel te denken, en anderdeels omdat zij te veel ver-
lies begonnen te lijden door het geweer- en kanonvuur van de
Hollanders, uit de bosschen en heggen ten zuiden van de kamp-
plaats: eene opgave zegt, dat hier aan de Hollandsche zijde 3
stukken werkzaam waren; eene andere opgave spreekt zelfs van
9 vuurraonden.
Hoe dit zij, genoeg, de Fransche ruiterij ging terug; zeer
ordelijk: de eerste linie, de Maison du Roi^ werd opgenomen
door de tweede linie, de Gensdarmerie^ en kwam op 300 pas
achter die tweede linie weer in slagorde; dan trok de Gensdar-
merie op dezelfde wijze terug; in één woord, het was een ge-
regeld doortrekken van de liniën. Vervolging van de Hollandsche
zijde had er niet plaats ; tot vier uur 's namiddags bleef Waldeck
in de stelling achter de beek van Blicquy, en zette toen den
marsch ongehinderd voort.
Digitized by
Google
LEUZE. 121
De verliezen van de beide partijen bij dit gevecht van Leuze
worden verschillend opgegeven. Volgens de Franschen zou Luxera-
bourg's ruiterij niet meer dan een 400 man hebben verloren aan
dooden en gewonden ; van de bondgenooten daarentegen zouden
er ongeveer 1400 man op het slagveld zijn gebleven, 400 ge-
vangen genomen, en bijna 1500 gewond zijn; 36 standaarden
en 2 paar keteltrommen vielen den Franschen in handen. Onze
opgaven betwisten de juistheid van die cijfers; en volgens Wal-
deck zelven zouden de verliezen nagenoeg gelijkstaan, en bij
elke der beide partijen ongeveer een 600 man bedragen. Wat
de standaarden betreft, de Europische Mercurius zegt, dat wij
ook enkele op de Franschen hebben veroverd; en dat, wanneer
wij een veel grooter getal standaarden hebben verloren dan ge-
nomen, dit is toe te schrijven aan eene bijzondere omstandig-
heid: > ondertusschen moet men ook weeten, dat er de fran-
schen zoo veel niet in hunne esquadrons hebben, als de hoUanders;
en dat men ze" (de Hollandsche standaarden) > dikwijls, bij ge-
brek aan officiers, aan slechte" (gewone) » ruiters te bewaaren
geeft^ welke geen eer stellende in ze te behouden, zich er zonder
veel ceremonie af ontslaan, om er niet mee belemmerd te weezen."
De waarheid is hier denkelijk wel weer in het midden, zoodat,
indien de Fransche opgaven al zeer overdreven zijn, het toch
waarschijnlijk is dat Waldeck's ruiterij veel meer verlies heeft
geleden dan de ruiterij van Luxembourg. Dat de Hollandsche
ruiterij hier de nederlaag heeft geleden, kan ook moeilijk worden
ontkend. Die nederlaag had kunnen worden voorkomen en elk
gevecht vermeden, wanneer de marsch van Waldeck 's leger op
den iQcn September beter geregeld ware, wanneer men gezorgd
had voor bruikbare bruggen over de beek van Ülicquy. Die
slechte raarschregeling, en Luxembourg's krachtdadige handeling
zijn de oorzaken van den tegenspoed die de wapenen der bond-
genooten hebben ondervonden bij dat gevecht van Leuze.
Die tegenspoed van de bondgenooten verhoogde den roem
der Fransche wapenen, maar had geen andere gevolgen : Luxem-
bourg werd door het behaalde voordeel niet aangespoord tot
verdere ondernemingen; en Waldeck werd door het geleden
nadeel niet weerhouden van ondernemingen, waartoe toch bij
hem geen voornemen bestond. Het leger der bondgenooten trok
nog naar de zijde van West-Vlaanderen, en het Fransche leger
volgde het daarheen; maar er gebeurde niets; en in de eerste
helft van October verdeelden de wederzijdsche legers zich in de
winterkwartieren, en was de veldtocht geëindigd.
Die veldtocht van 1691 in de Nederlanden is vrij onbeduidend
geweest; geheel in het begin van het jaar was de vermeestering
van Mons voor de Franschen een belangrijk voordeel; maar
Digitized by
Google
122 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWiNGKN.
daarna heeft er niets anders plaats dan het verwoesten van Halle^
het bombardeeren van Luik, en het gevecht van Leuze; feiten
die meer of min in het voordeel waren van de Fransche wape-
nen, maar die toch eigenlijk geen noemenswaard belang hadden.
HOOFDSTUK XXIV.
1692; LA HOGUE; NAMEN.
De >Europische Mercurius" begint zijn verhaal der gebeurte-
nissen van het jaar 1692 met deze aanmerking: »de staat daar
Europa zich tegenwoordig in bevond, was een geweldige staat,
die niet lang kon duuren, maar er na allen schijn een nieuwe
Y gedaante aan zou geeven, en er dat zoo noodzaakelijk tegen-
wicht, 't geen de verzekerdheid der Rijken en landen en de rust
en het geluk der volkeren stond te maaken, herstellen."
Dit is, in zeer defiige taal, eene profetie die men ten allen
tijde heeft kunnen hooren, ook in ónze dagen: >zóó kan het
niet lang blijven ; er moet spoedig verandering komen ; eene ge-
heele omkeering is waarschijnlijk;" — ziedaar wat de mensch
zoo dikwijls zegt, als hij ontevreden is over het tegenwoordige, —
en meestal is hij dat. Nu ja, er komt dan ook verandering; de
wereld behoudt nooit dezelfde gedaante; alles wisselt met den
tijd; — maar een geheele omkeering van zaken, plotseling, in
één oogenblik, als door een coup de thédtre^ dat behoort tot de
zeer zeldzame uitzonderingen, tot hel buitengewone, tot het
onwaarschijnlijke. Ook het jaar 1692 heeft zulk een zeldzame
uitzondering niet te aanschouwen gegeven; de loop des oorlogs
moge in dat jaar eenige wijziging hebben gebracht in den toe-
stand van de strijdende partijen; toch, niets beslissends, niets
dat het voortzetten van den oorlog tot eene onmogelijkheid maakte.
Hij, die voor 1692 het krachtigste oorlogsplan ontwierp, was
Lodewijk XIV. Dat oorlogsplan omvatte twee groote, doortas-
_^ tende handelingen: door middel van een Fransch leger en van
/ een Fransche oorlogsvloot Jakobus II weer op den troon van
Groot Br iitanje plaatsen; en Namen nemen, het geduchtste bol-
werk van de Spaansche Nederlanden. Gelukte het eerste, dan
was daardoor de doodsteek gegeven aan de zaak der bondge-
nooten ; gelukte het tweede, dan waren de reeds veege Spaansche
Nederlanden in zulk een toestand gebracht, dat hare geheele
verovering door de Fransche wapenen geen onwaarschijnlijkheid
zou zijn geweest.
Digitized by
Google
1692. 125
In 1692 was het geen ijdele hoop bij Jakobus II, wanneer hij
zich vleide van de kroon weer te winnen, die hij in 1688 door
zijn dwingelandij verloren had. Het volk is wispelturig; en na
een tijdsverloop van drie jaren was de herinnering van de vroe-
gere dwingelandij verflauwd, en begon men weer gunstiger te
denken over den weggejaagden koning, die nu met de beste
beloften aankwam, zooals vorsten in nood gewoonlijk doen.
Bovendien, Jakobus was dan toch altijd een Stuart, een zoon
van een inheemschen stam, een geboren Brit; Willem III was
een vreemdeling, die zijne Hollanders overal voortrok, en weinig
deed om de Engelschen te vleien en hun gunst te winnen; ook
was hij het, die hen wikkelde in de oorlogen van het vasteland,
die Engeland schatten en stroomen bloeds zouden kosten. Enge-
land's machtige aristocratie was de voorname oorzaak geweest
der troonsverheffing van Willem III; en die aristocratie, zelf-
zuchtig, oneerlijk en bedorven in hooge mate, werd spoedig
afkeerig van een eerlijk, verstandig koning, die zich niet kon
verlagen tot een blind werktuig van de rusteloos woelende staats-
partijen. De hooge Engelsche adel wendde dan ook spoedig
weer het oog naar Jakobus, van wien zij meende grooter voor-
deden en meer macht te kunnen afpersen. Met een bijna onge-
loofelijke onbeschaamdheid, eene onbeschaamdheid waarvan men
versteld staat, hadden in dezen tijd vele grooten, die krachtig
hadden medegewerkt tot de omwenteling van 1688, zich nu weer
aangesloten bij Jakobus II, en ijverden rusteloos om den pas
ingeroepen Oranjevorst weer te verdrijven; de bezworen trouw
vertraden zij met voeten, de liefde voor het vaderland, voor
zijne vrijheid en eer gold bij hen minder dan de zucht naar
geld en hoogheid. Marlborough behoorde tot die misdadigen;
hij, later zoo omkransd met veldheersroem, tot zoo grooten
luister en hoogheid verheven, een roemrijken naam in de ge-
schiedenis verwervende, was toch inderdaad een laag, verach-
telijk karakter, dat niets dan weerzin en afschuw moet verwekken.
Een opstand in Engeland en het overgaan van de Engelsche
vloot, — daarop bouwde Jakobus voor een deel zijn hoop op
den goeden uitslag van zijne onderneming; die hoop grondde
zich ook daarop, dat een goed deel van de Britsche legermacht
in het voorjaar van 1692 naar de Nederlanden vertrok, en ook
koning Willem zich toen in Holland bevond. Te recht oordeelde
men dat die Oranjevorst de grootste vijand was van Frankrijk en
van de Jakobieten; en men deinsde niet terug voor sluipmoord,
om dien vijand uit den weg te ruimen; een Fransch edelman,
Grandval, bood zich aan om die schandelijke misdaad te plegen ;
de Fransche regeering spoorde hem daartoe aan, en zegde hem
eene schitterende belooning toe; ook koning Jakobus had kennis
van dien aanslag, evenzoo madame De Maintenon, en denkelijk
Digitized by
Google
124 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
■dus ook Lodewijk XIV. Waarom niet? De Spaansche Filips II
had immers ook moordenaars afgezonden om den grooten Zwijger
te doen vallen!
Het is opmerkelijk, dat bij die half godsdienstige, half staat-
kundige worstelingep van de zestiende en van de zeventiende
«euw, het bijna uitsluitend de hoofden van de katholieke partij
zijn, die hun toevlucht nemen tot sluipmoord: zij belagen het
leven van de Engelsche Elizabeth, van den Franschen Hen-
drik IV, van onzen Willem I, Maurits en Willem III; maar
nergens leest men, dat Elizabeth, Hendrik IV, of de Oranje-
vorsten moordenaars hebben afgezonden tegen Filips II, Lode-
wijk XIV of Jakobus. Het eenige wat wij ons van dien aard
herinneren, is het vermoorden van den eersten hertog van Guise
door Poltrot; Coligny werd beschuldigd van daarin de hand te
hebben gehad; Coligny heeft echter altijd, met nadruk, elke
medeplichtigheid aan dien gruwel ontkend.
Behalve op die medewerking in Engeland en op den dood
van Willem III, bouwde Jakobus ook op den krachtigen bijstand
van de Fransche wapenmacht. In het voorjaar van 1692 was in
het noordwestelijk gedeelte van Normandië, van Honfleur, waar
de Seine zich in zee werpt, tot aan Kaap La Hogue een leger
samengetrokken van een 30000 man; over verschillende punten
van de kust verspreid, moest dit leger, naar het heette, eene
landing beletten die men van de zijde van Engeland en Holland
vreesde; het voorname doel was echter, dit leger, mét koning
Jakobus, naar Engeland over te brengen. De maarschalk De
Bellefonds was aan het hoofd van die legermacht; de ongenade
van 1674 was voor dien Maarschalk weer uitgewischt; maar daar
men geen groote verwachting had van zijn beleid, dat, nooit
uitstekend, er met den ouderdom niet beter op was geworden,
had men hem eenige bekwame onderbevelhebbers toegevoegd;
daaronder wordt genoemd de lersche generaal Sarsfield, die
zich bij de veldtochten in Ierland tegen Willem III en Ginckel
gunstig had onderscheiden. Een deel van deze legermacht bestond
ook uit Engelschen en Ieren; en de eigenlijke opperbevelhebber
was koning Jakobus zelf, die, het Fransche hof verlatende, zich
naar het leger begaf; verlangend het oogenblik verbeidend
waarop hij de zee zou kunnen oversteken, om, evenals zes
eeuwen te voren de Normandische veroveraar, Engeland aan
zijne wapenen te onderwerpen.
Sommige opgaven stellen de macht die bestemd was om in
Engeland te landen, op niet meer dan een groote 20000 man;
misschien dat een deel der troepen van Bellefonds moest achter-
blijven tot bescherming van de Fransche kusten; maar, hoe dit
2ij, zooveel is zeker dat het leger van Jakobus in getalsterkte
Digitized by VjOOQIC
1692. 125
het leger overtrof dat Willem III vergezelde bij de beroemde
onderneming van 1688. De transportschepen om die Fransche
legermacht het Kanaal te doen oversteken, waren voorhanden;,
men wachtte maar, om den tocht te beginnen, op de komst van
de Fransche oorlogsvloot. Tourville, de oveiwinnaar van Beachy-
Head, zou met die vloot Brest verlaten na eerst versterkt te zijn
geworden door een smaldeel onder d'Estrées, dat uit de Mid-
dellandsche Zee moest komen, uit Toulon. De Britsche en Hol-
landsche oorlogsvloten waren nog niet in zee; maar verschenei>
zij in het Kanaal, dan twijfelde men er niet aan, of zij zouden^
evenals twee jaar vroeger, door Tourville worden geslagen; te
meer, omdat men redenen had om te gelooven dat op de
Engelsche vloot Jakobus, vroeger haar admiraal, tal van aan-
hangers had. Aan het Fransche hof was men zoozeer overtuigd
dat de onderneming zou slagen, dat, toen koning Jakobus naar
het leger vertrok, Fransche hofdames hare gelukwenschen kwamen
brengen aan zijn vrouw, even alsof het koninklijke echtpaar reeds
weer zetelde op den troon van Groot-Brittanje.
En toch is de onderneming geheel mislukt, de verwachting
van Frankrijk en van de Jakobieten geheel verijdeld.
De samenzwering in Engeland werd in het begin van Mei
ontdekt; en een tijdig ontdekte samenzwering houdt op gevaarlijk
te zijn. Talrijke inhechtenisnemingen hadden in Engeland plaats,
ook van de aanzienlijksten des lands, onder anderen van Marl-
borough; er werd echter, na verloop van tijd, tegen verreweg
de meesten der beschuldigden geen rechterlijke vervolging ge-
voerd, hetzij dat er geen voldoende bewijzen van schuld waren^
hetzij dat men het meer raadzaam en staatkundig achtte om
oogluiking te gebruiken. Intusschen werden alle maatregelen ge-
nomen om Engeland te wapenen tegen een inval des vijands;
van de daar aanwezige legermacht — een 14000 man — werd
een groot deel vereenigd in een kamp tusschen Portsmouth en
Londen; zes regimenten die reeds ingescheept waren om naar
de Nederlanden te vertrekken, kregen last om in Engeland te
blijven; en Willem III hield de meeste der Engelsche troepen
die in Holland waren, in de nabijheid van de Willemstad, gereed
om aan boord te gaan en de Noordzee weer over te steken.
Bevelen werden gegeven om met den meesten spoed de zee-
macht van Brittanje en van de Republiek in het Kanaal te doen
verschijnen; en daar in Engeland alom adressen van getrouwheid
aan den Koning werden ingezonden, kon ook de Engelsche
vloot zich niet onttrekken aan die algemeene beweging; ook zi}
zond haar adres van trouw in, en maakte het daardoor aan de
geheime aanhangers van Jakobus, die zij denkelijk nog in haar
midden telde, onmogelijk om voor hunne gevoelens uit te komen»
Digitized by
Google
/
126 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Russel met de Engelsche vloot, Almonde met de Hollandsche,
waren dra in het Kanaal vereenigd, gereed om elke Fransche
legermacht den overtocht naar Engeland te betwisten. Aan de
Fransche zijde was het smaldeel van d*£strées nog niet komen
opdagen uit de Middellandsche zee, en had men voor het
Kanaal nog maar alleen beschikbaar de oorlogsvloot van Tour-
ville; — toch kreeg die vlootvoogd bevel om Brest te verlaten
en het Kanaal in te zeilen, de vereenigde zeemacht van Enge-
land en van de Republiek van daar te verdrijven, en op die
wijze het mogelijk te maken aan koning Jakobus en aan het
leger van Bellefonds om naar Engeland over te steken.
Aan wien is dat onvoorzichtig bevel te wijten geweest? — Aan
den Koning, zal men zeggen ; en, rechtens, heefc men gelijk met
zoo te antwoorden ; want in een absoluten staat is het hoofd van
<3ien staat altijd de verantwoordelijke man. Maar Lodewijk XIV
had toen reeds een gevorderden leefiijd bereikt, en had niet
altijd de teugels van de regeering meer vast in handen ; vrouwen
en biechtvaders kregen al meer en meer invloed; het ging den
Franschen koning toen als in 1866 — 1870 den laatsten Franschen
keizer, die toen ook bij vele handelingen der regeering een lijde-
lijke rol heeft vervuld; yygouverner eest prévoir\ is een spreuk
geweest van Napoleon III; die spreuk is zeer waar; maar even
waar is de spreuk: y^ouverner eest agir'*\
Hoe het zij, zooveel is zeker dat Tourville geen schuld heeft
aan de onvoorzichtige handeling om met eene veel minder sterke
vloot de vijandelijke zeemacht aan te vallen en slag te leveren;
met die handeling gehoorzaamde hij aan de bevelen van men-
schen die misschien nog verblind waren door de zege bij Beachy-
Head, of zich met de ijdele hoop vleiden dat de Britsche zee-
macht de zaak van Willem III zou verlaten en naar de zijde
van de Stuarts overgaan. Den 29sten Mei valt Tourville, eenige
mijlen oostelijk van Barfleur, de zeemacht der bondgenooten
aan; volgens de Fransche schrijvers had hij niet meer dan 44
linieschepen, en Russel en Almonde, vereenigd, 90; ónze op-
gaven geven aan de vloot der bondgenooten ook nagenoeg die
sterkte, maar geven aan Tourville eene macht van 50 k 60 linie-
schepen. Zooveel is zeker, dat er eene groote overmacht is ge-
weest aan de zijde van de Engelschen en Hollanders.
De strijd van den 29sten Mei, van elf uur 's ochtends tot
's namiddags zes uur aanhoudende, toen een poos gestaakt en in
den avond hervat, eindigt met de nederlaag en de vlucht van
de Fransche vloot, die in dien kamp een klein aantal schepen
verliest. Ware het hierbij gebleven, het zou voor Frankrijk een
onbeduidende ramp zijn geweest. Maar de overwinnaars gaan
over tot een krachtige, rustelooze vervolging; en de Fransche
vloot vindt geen haven om haar tot veilige wijkplaats te dienen :
Digitized by
Google
NAMEN. 127
de oorlogshaven van Cherbourg is eerst van ónze dagen. Een
goed gedeelte van de Fransche vloot gelukt het om naar de
zijde van Brest te ontkomen; ipaar Tourville, met de overige
scheepsmacht afgesneden, weet niet andens te doen dan zijne
schepen op het strand te zetten, en die daar te laten verbranden
door de overwinnaars ; dit had plaats den 2en Juni, voornamelijk
in de nabijheid van kaap La Hogue, die haar naam aan dezen
zeeslag heeft gegeven.
Over de verliezen van de Fransche vloot zijn de opgaven
eenigszins uiteenloopend: de overwonnene vermindert die tot
een twaalftal schepen, de overwinnaar stelt die op een twintig-
tal. Zooveel is echter zeker, dat die slag van La Hogue van een
beslissenden aard is geweest, dat van dien tijd af de oorlogsvloot
van Lodewijk XIV in verval is geraakt; en dat men al dadelijk
afzag van de voorgenomen landing in Engeland, en het leger
van De Bellefonds terstond deed uiteengaan. — De zeemacht
der Republiek heeft wel aan den strijd van den 29sten Mei even
goed deel genomen als de Engelsche; maar de vernieling van
Tourville*s schepen bij de vervolging is bijna geheel het werk
geweest van de Britten; ook was de scheepsraacht van Russel
bijna dubbel zoo sterk als die van Al monde. — Volgens de
legende zou koning Jakobus, van het strand de vernieling ziende
van de Fransche schepen, de dapperheid van zijne landgenooten
luidkeels hebben toegejuicht; — men kan zalig worden, al ge-
looft men niet aan de waarheid van dit verhaal.
Dus, de onderneming op Engeland was mislukt; men moest
er van afzien om, op dat oogenblik, koning Jakobus weer op
den troon te verheffen. Nu bleef nog de andere handeling over,
die Lodewijk XIV had voorgenomen: het nemen van Namen.
Namen was een vesting van groote sterkte, en Willem III had
een sterk leger om die vesting te hulp te kotnen; de onder-
neming van Lodewijk XIV scheen dus hachelijk en onzeker.
Maar dat hachelijke, dat onzekere werd zeer verminderd door
de omstandigheid, dat de Franschen nauwkeurig bekend waren
met den toestand waarin de vesting Namen toen verkeerde; bij
elke onderneming in den oorlog is het een groot voordeel wan-
neer men juist weet hoe de staat van zaken bij den vijand is.
Op welke wijze waren de Franschen tot die kennis van den
toestand van Namen gekomen ? — Op eene wijze die weinig pleit
voor het eergevoel der militaire bevelhebbers van dien tijd.
Te Namen voerde het bevel de prins De Barbangon; maar
onder hem was daar als tweede bevelhebber — als comman-
dant, zouden wij thans zeggen — een edelman uit Franche-
Comté, de generaal-majoor baron De Bressé, evenals De Bar-
Digitized by
Google
128 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
banton in Spaanschen krijgsdienst. Eens, in het begin van Maart
1692, doet De Bressé eene verkenning buiten de stad, en wordt
toen door eene Fransche afdeeling opgelicht; nauw verneemt
men dit in Namen, o^ men wendt moeite aan om De Bressé, dien
men >voor een zeer goeden en noodzaakelijken officier hield",
weer in vrijheid te doen stellen door het betalen van losgeld;
maar dit weigeren de Franschen, en zij vorderen daarentegen
op dreigenden toon, dat men de vrouw en kinderen en de eigen-
dommen van De Bressé ongehinderd uit de vesting zal laten
vertrekken. Spoedig blijkt het dan ook, dat die geheele gevan-
genneming van De Bressé maar een komediespel is geweest; dat
hij reeds lang in verstandhouding heeft gestaan met den vijand;
dat hij in Franschen krijgsdienst is getreden, en daar den rang
van Maréchal-de-camp bekleedt; en dat hij zijne nauwkeurige be-
kendheid met de vesting Namen nu natuurlijk aanwendde ten
bate van de Fransche legerhoofden.
En dat alles wordt als een zeer gewone handeling vermeld,
zóó gewoon zelfs, dat de Fransche schrijvers er in het geheel
niet van gewagen. Dan is toch sedert 1692 de openbare denk-
wijze aanmerkelijk veranderd — en verbeterd. Wie thans zou
handelen als De Bressé, zou voorgoed aan den schandpaal van
de algemeene verachting geboeid staan. Men denke slechts
aan wat De Bourmont is wedervaren, voor wiens desertie van
1815 toch nog meer verzachtende omstandigheden zijn aan te
voeren dan voor de desertie van De Bressé in 1692.
De Bressé*s opgaven stelden den Franschen bewindhebbers in
staat, zich een duidelijk en juist beeld te vormen van Namen en
van den toestand waarin de verdedigingsmiddelen van die vesting
toen verkeerden; want wie kan dat beter weten dan hij die het
bevel in die vesting heeft gevoerd!
Namen, de aloude hoofdstad van het graafschap van dien
naam, gelegen aan de samenvloeiing van Sambre en Maas, be-
stond toen eigenlijk uit twee vestingen: de stad en het kasteel.
De stad, op den linkeroever van de Sambre en op den linker-
oever van de Maas, wordt aan hare zuidzijde bespoeld door
eerstgenoemde rivier, aan hare oostzijde door de Maas; de Maas
te Namen had eene breedte van een 100 k 150 meters en was
ondoorwaadbaar ; de Sambre, half zoo breed, had, nabij Namen,
doorwaadbare plaatsen. De stad was geheel omgeven door een
ouden ringmuur, met torens van afstand tot afstand, op de wijze
zooals veel oude steden toen versterkt waren; aan de waterzijde
was er natuurlijk geen gracht vóór die muur, want de Sambre
en Maas dienden daarvoor; maar aan de land- of noord-
zijde, had die ringmuur eene gracht vóór zich, waarvan de oos-
telijke helft een natte gracht was; op dat gedeelte van den
Digitized by
Google
SAhLEli, 129
hoofdwal der stad dat naar de Maas gekeerd was, had men,
halfweg, een soort van vrij groot bastion. Aan de landzijde werd
de hoofdwal omgeven door een reeks van gcbastionneerde fron-
ten, zeven bastions bevattende, eenige lunetten en andere werken,
eene gracht waarvan de oostelijke helft nat was, de andere droog,
en een bedekten weg ; zelfs, vóór de westelijke fronten, een dub-
belen bedekten weg ; — al die werken waren gemetselde werken,
op een enkel ravelijn na, aan de Maaszijde. Aan de noordzijde,
vlak aan den bedekten weg, stroomde een beek, die, van het
dorp Ve^drin komende, uit dien hoofde de beek van Vesdrin
wordt genoemd, en zich bij de Namensche vestingwerken in
de Maas werpt; een steen en beer in die beek van Vesdrin deed
een kleine onderwaterzetting ontstaan, vóór dét deel van den be-
dekten weg dat de Maas nabij was. Aan de overzijde van de
beek, ten noorden, had men hoogten die de stad beheerschten ;
op die hoogten, niet ver van de Maas, waren de dorpen
S. Nicolas en Bougé, nagenoeg een 800 k 1000 el van de stad
verwijderd.
De tweede vesting, het kasteel van Namen, was gelegen tus-
schen den rechteroever van de Sambre en den linkeroever van
de Maas, op een rotsachtige hoogte, ten zuiden van de stad, en
haar beheerschende. Dat kasteel was, als vesting, gewichtiger
dan de stad; het had eene zeer groote sterkte. Van binnen naar
buiten gaande had men eerst, op het oostelijk uiteinde der rots,
het eigenlijke kasteel of slot, een oud gebouw, eene groote bin-
nenruimte omgevende; voorwaarts van dat slot waren de eigen-
lijke vestingwerken van het kasteel; daarvóór een uitgestrekt
werk, Terra Nova^ een soort van onregelmatig kroonwerk met
gracht en bedekten weg; en eindelijk vóór Terra Nova, ten
westen daarvan, het fort Koning fVillem^ een uitgestrekt gesloten
werk, dat door Coehoorn was ontworpen en gebouwd, maar
dat, tijdens het beleg van 1692, nog niet was voltooid.
Al die werken waren gemetselde werken, met diepe droge
grachten, en mijngangen. Om van de stad naar het kasteel te
komen was er eene brug oVer de Sambre; eene hooge steenen
trap geleidde naar het slot op de rots. Aan den oostelijken voet
der rots, tusschen het kasteel en den linkeroever van de Maas,
had men eene soort van benedenstad, beschermd door werken
die de ruimte afsloten tusschen de rots en de rivier; evenzoo
waren er nog enkele werken tusschen de hoogte van het kasteel
en de Sambre. Op een 3 k 400 el ten zuiden van fort Koning
Willem en van Terra Nova was een vrij uitgestrekt werk, La
CasoUe^ open in de keel, maar voorzien van eene soort van
reduit, dat in sommige verslagen het duivelshuis wordt ge-
noemd. Maar dat werk La Casotte was in 1692 nog onvoltooid;
evenzoo ontbraken toen nog eenige kleine werken, die Coehoorn
WILLEM in. — III. 9
Digitized by VjOOQIC
130 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
ontworpen had om de gemeenschap te verzekeren van het fort
Koning Willem met het daarachter liggende Terra Nova. In één
woord, toen Namen in 1692 werd belegerd, was het nog in
wording; het was nog geen afgebouwde vesting.
Wij hebben nog een van Namen's vestingwerken vergeten: de
faubourg de Jambe^ op den rechteroever van de Maas, tegenover
het kasteel, en daarmee verbonden door een vaste brug over
de rivier. Die voorstad werd verdedigd door een niet sterken
gebastionneerden wal, met droge gracht, maar zonder eenig
buitenwerk en zonder bedekten weg; vóór de brug .over de
Maas diende eene lunette als bruggenhoofd, en als reduit voor
de verdedigers van de voorstad van Jambe.
Ziedaar de vestingwerken van Namen in 1692; thans een enkel
woord over de bezetting, bewapening en uitrusting.
De opperbevelhebber was — dit is reeds gezegd — de prins
De Barbangon, een generaal in Spaanschen dienst; de bezetting
bestond, zooals meestal, uit troepen van verschillende natiën:
Spanjaarden, Walen, Hollanders, Brandenburgers, zelfs Engel-
schen. De Quincy zegt, dat die bezetting telde 18 bataljons,
Duitschers, Hollanders en Spanjaarden; i compagnie artillerie,
bestaande uit 80 Engelschen; 300 ruiters, alles te zamen 8280
man, zoodat de gemiddelde sterkte van het bataljon bijna 440
man moet geweest zijn. Andere opgaven wijken eenigszins af van
die opgave bij De Quincy. Beaurain spreekt van tiy bataljons
van verschillende natiën, een regiment ruiterij van 200 man, een
vrijkorps i compagnie uitmakende, en 80 kanonniers;*' voor de
geheele sterkte noemt hij evenwel ook 8280 man. Volgens Racine's
verhaal van het beleg van Namen bestond de bezetting van
Namen uit 9280 man, uitmakende 17 regimenten voetvolk, i
regiment ruiterij, en eenige compagnieën vrijkorpsen; van die
17 regimenten voetvolk waren er 5 Brandenburgers of Lune-
burgers, 5 Hollanders, 3 Spanjaarden en 4 Walen.
Men ziet, dat die opgaven over de sterkte van de bezetting
van Namen nog al niet veel uiteenloopen ; het geldt een duizend
man meer of minder. Uit alles schijnt te blijken dat die bezet-
ting eene genoegzame sterkte had voor de verdediging; en wan-
neer soms de aanmerking wordt gemaakt, dat de belegeraar zulk
een overmacht in getalsterkte heeft gehad, dan merken wij daarop
aan, dat dit bij een beleg zeer weinig ter zake afdoet: een ves-
ting valt niet doordat zij belegerd wordt door 50 of 60000 man,
maar doordat zij beschoten wordt door 50 of 60 vuurmonden ;
de artillerie is hier het beslissende wapen; en de infanterie van
den belegeraar heeft eene voldoende sterkte wanneer zij sterk
genoeg is om de uitvallen der belegerden tegen te gaan; bij
meerdere sterkte heeft men geen baat of voordeel.
Digitized by
Google
NAMEN. 131
Wat de bewapening en uitrusting van Namen in 1693 aangaat,
het schijnt dat die voldoende zijn geweest; nergens wordt daar
ten minste over geklaagd, wat anders spoedig gebeurt om het
minder goede van eene verdediging te verontschuldigen. Ook
blijkt het dat, bij de overgave van de stad, de belegerde daar
munitie heeft achtergelaten; wat hij stellig niet zou hebben ge-
daan, had hij gebrek aan munitie verwacht voor de verdediging
van het kasteel.
Ziedaar, in het groot, den toestand van Namen en van zijne
verdedigingsmiddelen in 1692, een toestand die — het zij her-
haald — bij de Franschen nauwkeurig bekend heeft kunnen zijn
door het verraad van- De Bressé. — Thans een woord over de
strijdkrachten van den aanvaller.
Hoe langer de oorlog duurde, hoe meer de sterkte toenam
van de Fransche legers, al ging die toeneming dan ook gepaard
met de geheele uitputting des lands. Zoo werd het voetvolk in
1692 vermeerderd met 5 man bij elke compagnie; wat, voor
het geheele leger, een aantal duizenden uitmaakte. Bij Beaurain
wordt ook gewaagd van eene nieuwe indeeling die de Fransche
infanterie in 1692 verkreeg: het regiment van 3 bataljons, ieder
van 17 compagnieën, werd toen samengesteld uit 4 bataljons,
maar ieder van slechts 13 compagnieën; daarom moet men dan
ook, in 1692, een Fransch bataljon niet meer schatten op een
800 man, maar op slechts 650 k 700. — De stelling van het
bataljon was op 5 gelederen, soms zelfs op 4; de piekeniers
waren vereenigd in het midden, behalve 4 of 6 rot op ieder
der beide vleugels van het bataljon. Het was toen reeds ge-
ruimen tijd het gebruik om, voor den strijd met de blanke
wapens, de bajonet met een houten steel, of schaft, in den loop
van het geweer te plaatsen. Dragonders en grenadiers waren
allen gewapend met het geweer: maar bij de gewone infanterie
waren de piekeniers talrijker dan de manschappen met vuurwapens.
De maarschalk De Lorge kreeg het bevel over het Fransche
leger aan den Rijn, Catinat over dat in Italië, Noailles over de
krijgsmacht in Catalonië; Bellefonds — dit hebben wij reeds
geitien — over de strijdkrachten die aan de kusten van het
Kanaal werden vereenigd, hetzij om eene landing van den vijand
te beletten, hetzij om zelf met koning Jakobus in Engeland te
landen. Wij bepalen ons tot die enkele aanduidingen, maar ziil-
len ons meer bijzonder ophouden bij de legermachten die in
1692 bestemd waren om, rechtstreeks of zijdelings, in de Neder-
landen werkzaam te zijn.
Twee groote legers waren bestemd om tot den val van Namen
te worden gebezigd; het eene, onder het persoonlijk bevel van
Digitized by
Google
132 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Lodewijk XIV, moest dienen voor het beleg van die vesting;
het andere, onder Luxembourg, om dat beleg te dekken. Vol-
gens Beaurain was het leger des Konings sterk 67 bataljons en
209 eskadrons, dus, naar schatting, ruim 45000 man voetvolk
en 33000 ruiters, te zamen 78000 man; het andere leger telde
37 bataljons en 90 eskadrons, of 25000 man voetvolk en 14000
ruiters, te zamen 39 000 man ; de geheele sterkte der beide legers,
vereenigd, zal dus een 115 è, 120000 man zijn geweest. Nu vindt
men in Racine's geschiedverhaal over het beleg van Namen de
sterkte dier beide Fransche legers, afzonderlijk, anders opge-
geven dan bij Beaurain; maar de gezamenlijke sterkte is toch
nagenoeg dezelfde. Ook moet hierbij in het oog worden gehou-
den, dat de sterkte van de beide legers niet onveranderd is
gebleven, daar, gedurende het beleg, het observatie-leger van
Luxembourg herhaaldelijk versterkingen heeft ontvangen van het
leger des Konings
Buiten die legers van Lodewijk XIV en van Luxembourg,
werd er aan de Maas, naar de zijde van het Namensche, eene
troepenmacht vereenigd onder De Boufflers; zij telde 16 batal-
jons en 60 eskadrons, of een 10 000 man voetvolk en bijna even-
veel ruiterij; te zamen een 20000 man. Bovendien werden de
liniën die Fransch Vlaanderen moesten dekken van de Schelde
tot de zee, bezet door De Maulevrier, met 3 bataljons en 26
eskadrons; dus een 2000 man voetvolk en een 4000 ruiters, te
zamen 6000 man. Wij laten buiten beschouwing eene Fransche
krijgsmacht die, onder De Joyeuse, aan den Moezel samentrok
om in het Keulensche werkzaam te zijn; maar de afdeelingen
van Boufflers en van Maulevrier moeten wel degelijk meege-
rekend worden onder de Fransche strijdkrachten die in 1692 ir>
de Nederlanden zijn werkzaam geweest; en doet men dit, dan
vindt men voor het geheele bedrag dier strijdkrachten een
140000 man.
Maar voor een beleg heeft men meer noodig dan een sterk
leger; men moet daarvoor hebben een aan merkelijken voorraad
aan geschut, munitie, delfgereedschappen en schanswerktuigen^
leeftocht en paardevoer; — vooral het laatste was eene hoofd-
zaak, daar, bij de legers van dien tijd, de ruiterij een zoo groote
getalsterkte had.
Het is duidelijk dat er aanzienlijke middelen bijeengebracht
moesten worden, wilde men iets goeds verwachten van de onder-
neming tegen Namen. In Frankrijk had men zich dan ook lang
te voren op het bijeenbrengen van die middelen voorbereid; en
men was daarbij te werk gegaan met die inspanning en zorg,
met die ruimte aan geldelijke uitgaven, die men altijd kan op-
merken daar waar Lodewijk XIV in persoon eene krijgsonder-
Digitized by
Google
NAMEN* 1 33
neming bestuurt, of bijwoont: daar waar de Koning zelf tegen-
woordig is, moeten de oorlogsmiddelen zulk een omvang nemen,
dat de kansen van het mislukken der onderneming zoo klein
mogelijk worden.
Reeds in Augustus 1691 had Malezieux, de intendant van de
provincie Champagne, last gekregen om, in stilte en van liever-
lede, in magazijnen nabij de Maas, 1300000 rations paarde voer
bijeen te brengen, die hij moest trekken, hetzij uit Champagne,
hetzij uit het Luxemburgsche, of uit Lotharingen, of uit Metz
en de andere bisdommen. Gedurende den winter ontvingen De
Bagnoles, intendant in Vlaanderen, en Chauvelin, intendant in
Picardië, evenzoo bevel om 900000 rations paardevoer op te
koopen en die per as op te zenden naar de zijde van de Sambre.
In de Henegouwsche vestingen kwamen aanmerkelijke magazijnen
van leeftocht; te Givet, Dinant, Philippeville en Maubeuge waren
in het geheel 40000 zakken meel, elke zak van 200 pond; te
Mezières, Avesnes, Landrecies en Mons waren 45000 zakken;
en bovendien had Chauvelin last, om al het graan en meel dat'
hij kon opkoopen, op te zenden naar de magazijnen bij de Sambre.
Vauban was tijdig naar Henegouwen gezonden om alles bijeen
te brengen wat noodig was tot het beleg van een groote ves-
ting; en reeds in Januari 1692 kreeg De Vigny, de bevelhebber
van de artillerie in Fransch Vlaanderen, last om een belegerings-
park te organiseeren. Bij Beaurain vindt men uitvoerig vermeld
welk geschut, welke munitiën en gereedschappen voor het beleg
van Namen hebben gediend, of daarvoor zijn bijeengebracht;
wij nemen enkele bijzonderheden daarvan over. Aan kanonnen
had men een getal van 196; hiervan waren er echter 100 be-
neden het kaliber van 12 pond, denkelijk dus enkel veldgeschut;
men had 96 kanonnen van 12 pond, 16 pond, 24 en 33. Mor-
tieren waren er 59, waarvan evenwel slechts 3 van 18 duim, de
overige waren van 12 en van 8 duim; bovendien waren er 8
steen mortieren. Kanonskogels waren er bijna 109000, waarvan
nog niet de helft bij het beleg werd verbruikt; bommen 13000,
waarvan een 9000 verbruikt werden; en 43000 granaten, waar-
van meer dan de helft ongebruikt bleef.
Bij die opgave van de aanvalsmiddelen kan i\og worden ge-
voegd, dat er in Vlaanderen, Henegouwen, Picardië en Cham-
pagne een 20000 boeren waren aangewezen, die als schansgravers
hebben gediend bij dit beleg van Namen.
Toen alle toebereidselen zijn afgeloopen en de onderneming
kan beginnen, vertrekt Lodewijk XIV den lyen Mei 1692 naar
het leger, dat in de nabijheid van Mons samentrekt; de Dauphijn
en het geheele hof vergezellen den Koning. Op eene ruime
vlakte, een groot uur ten zuidoosten van Mons, houdt de Koning
Digitized by
Google
134 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
den 21 sten Mei eene groote wapenschouwiug over zijn leger en
over dat van Luxembourg. Het moet een schitterend schouwspel
zijn geweest, die macht van bijna 120000 man daar bijeen te
zien; Racine, bestemd de geschiedschrijver van dit beleg vao
Namen te worden, was op 's Konings last bij het leger en woonde
die wapenschouwing bij ; maar uit de beschrijving die hij daarvan
geeft, den daarop volgenden dag in een brief aan zijn vriend
Boileau, blijkt duidelijk dat de dichter van Phèdre en van Athalic
eigenlijk een te goedhartig en vreedzaam mensch was, om veel
behagen te vinden in al die oorlogsdrukte :
>De Koning" — zoo schrijft Racine — t hield gisteren eene
wapenschouwing over zijn leger en over dat van den Heer De
Luxembourg. Het was ongetwijfeld eene vertooning, zoo schit-
terend als men in vele eeuwen niet heeft gezien. Ik herinner mij
niet, dat de Romeinen ooit iets dergelijks zagen; want hunne
legers waren, geloof ik, nooit sterker dan een 40000 man,
50000 op zijn allermeest; en gisteren waren er 120000 man
bijeen, op vier liniën; als men met de uiterste nauwkeurigheid
telt, dan is dit cijfer nog geen 3000 man te hoog. Om elf uur
's ochtends begon ik mij in beweging te stellen; mijn paard
stapte goed door en zonder ophouden, en toch had ik eerst
om acht uur 's avonds gedaan; reken maar, dat men twee uren
noodig had om van het eene einde eener linie naar het andere
einde te komen. Maar, heeft men nooit zooveel troepen bijeen
gezien, gij kunt er staat op maken dat men er ook nooit schit-
terender gezien heefc. Ik kan u een zeer goede beschrijving geven
van de twee liniën van 's Konings leger, en van de eerste van
het leger van den Heer De Luxembourg; maar wat diens
tweede linie betreft, daarvan kan ik alleen spreken op gezag van
anderen. Ik was zóó moede, zóó verblind door het blinken van
zooveel degens en musketten, zóó dof door het gedruisch van
trommen, trompetten en pauken, dat ik inderdaad mijn paard
maar liet voortstappen, zonder op iets te letten ; en van ganscher
harte had ik gewenscht, dat al die mannen die ik zag, weer in
hun hut of huis waren bij hun vrouwen en kinderen, en ik bi)
mijn gezin in de Rue des Mafons, In een heldendicht is u mis-
schien de wapenschouwing van een leger langdradig en vervelend
voorgekomen; maar déze wapenschouwing kwam mij voor lang-
dradig boven alles en zelfs — vergeef mij die goddelooze uit-
drukking — vermoeiender dan de wapenschouwing in de Pucelle'*.
(de Pucelle^ het heldendicht van Chapelain^ een prul, waarvan
Racine te recht met minachting spreekt, hoewel er in die min-
achting toch ook eenige ondank schuilt, daar Racine, bij den
aanvang van zijn dichterlijke loopbaan, steun en leiding bij
Chapelain had gevonden).
Digitized by
Google
NAMEN. 135
Twee dagen na de groote wapenschouwing, den 2351011 Mei,
stellen zich de beide Fransche legers in beweging, zij verdeelden
zich: het leger van Luxembourg, het noordelijkste van de twee,
gaat op Arquennes, en slaat dien dag een kamp op, in de vlakte
noordelijk van Séneffe; de Koning, met het andere leger, trekt
naar de zijde van den oorsprong van den Piéton, en komt dien
dag te Carnières; de afstand tusschen de beide legers is toen
een kleine 2 uur gaans. Den 24sten komt het leger des Konings
te Sombreffe en naar de zijde van Fleurus; dat van Luxembourg,
te Marbaix; de beide legers zijn elkander dus iets genaderd.
Den 25sten trekt het leger van Lodewijk XIV op Masy, — tus-
schen Sombreffe en Namen; dat van Luxembourg komt te
Gemblours, noordelijk van het leger des Konings.
Het onweder begon dus Namen te naderen; en reeds den
25sien Mei ging men over tot de berenning van die vesting. Op
den rechteroever van de Maas verscheen de legerafdeeling van
Boufflers — 16 bataljons en 48 eskadrons — en sloot op dien
oever, van boven tot beneden de stad, de gemeenschap naar
buiten af. Twaalf eskadrons van Boufflers waren ter beschikking
gesteld van den generaal Ximenes, die uit Dinant en Philippe-
ville 6 bataljons had getrokken; en met die vereenigde macht
werd Namen, — of beter, het kasteel — , berend in de ruimte
tusschen de boven-Maas en de Sambre. Van den linkeroever
van de Sambre tot aan de beek van Vesdrin werd de berenning
verricht door eene brigade ruiterij, onder De Quadt; en tusschen
die beek en het lagere gedeelte van de Maas door Condé {M, Ie
Prince^ een zoon van den beroemden Condé), met 4 brigaden
ruiterij en 1500 man voetvolk. Bovendien, om de vijandelijke
afdeelingen tegen te houden die nog zouden willen doordringen
tot Namen, werden, van Luxembourg's leger, 4000 paarden,
onder Montal, geplaatst nabij den oorsprong van het riviertje
de Méhaigne; en eene tweede afdeeling van 2 brigaden ruiterij,
onder De Coigny, te Chatelet, iets beneden Charleroi, om de
bezetting van die vesting te beletten de konvooien aan te vallen
die van Maubeuge moesten komen.
Toen de berenning voltooid was, trok Lodewijk XIV met zijn
leger den 26sien Mei op Namen, en deed dien dag en den vol-
genden eene verkenning om de verdeeling van de kwartieren der
insluitende macht te regelen. De Fransche koning — dit is be-
kend — hield veel van den belegcringsoorlog, en had dus wel
eenige kennis daarvan; toch is de onderstelling niet gewaagd,
dat zijne legerhoofden, en vooral Vauban, hem hier in deze taak
zeer behulpzaam zijn geweest, en hem hebben ingegeven wat hij
moest bevelen. Dadelijk na de berenning kwamen de 20000
Digitized by
Google
136 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
schansgravers, die men uit Frankrijk's noordelijke gewesten had
bijeengebracht, voor Namen; zij vingen onverwijld aan met het
graven van eene circumvallatie-linie, die, volgens ééne opgave,
eene uitgestrektheid moet hebben gehad van een vijf uur gaans ;
schipbruggen werden geslagen over de Sambre en over de
Maas ; drie bruggen, volgens ééne opgave ; in het plan der
belegering van Namen, bij Beaurain, komen twee bruggen voor
over de Maas beneden, en eene over de Maas boven Namen;
maar geene over de Sambre, die er toch denkelijk wél zijn ge-
weest. Het belegeringspark kwam aan, gedeeltelijk over Philip-
peville te land, gedeeltelijk over Dinant, in schuiten de Maas
afzakkende; binnen de linién gekomen, werd alles in twee par-
ken verdeeld, het eene achter de hoogten van Bouge ten noord-
oosten van de stad, het andere in de ruimte tusschen de Sambre
en de boven-Maas ten zuidwesten van het kasteel; beide parken
waren een 15 i 1600 meters, of ellen, verwijderd van het meest
nabijzijnde werk der vesting, en dus beveiligd voor de werking
van het geschut van dien tijd. In het dorp Flavines, op den
linkeroever der Sambre, een groot half uur gaans westelijk van
Namen, was het hoofdkwartier van den Franschen koning; daar
kwamen ook de ovens, om het brood te bakken voor het leger.
Al die toebereidselen schijnen op voortvarende wijze te zijn
verricht, zoodat men binnen weinige dagen kon overgaan tot
het openen van de loopgraven. Men wilde* eerst de stad aan-
vallen, daarna het kasteel; de aanval op de stad zou gepaard
gaan met een aanval op den faubourg de Jambe op den rechter
Maasoever, tegenover het kasteel; de poging om die voorstad
te vermeesteren was wel geen schijnaanval, maar toch een aan-
val van ondergeschikt belang, die voornamelijk diende om eece
afleiding te maken ten voordeele van den aanval op de stad.
Bij de stad wilde men aanvallen, het front onmiddellijk sluitende
aan de Maas en bestaande uit twee gerevêteerde bastions en een
daartusschen liggend ravelijn, dat niet gerevêteerd was; dit front
had natte grachten, gevormd door het water van de beek van
Vesdrin, dat opgehouden werd door den steenen beer. Door
batterijen op den rechteroever van de Maas wilden de Franschen
het front van aanval op den linkeroever teisteren en, zoo moge-
lijk, den steenen beer vernielen.
In den nacht van den 29sten op den 3osien Mei worden de
loop'Traven geopend en komt men al dadelijk tot op een 150
meter afstand van het glacis bij het f'-ont van aanval op den
linkeroever, — het front van S. Nicolas^ zooals wij het zullen
noemen, naar de daar aanwezige poort van dien naam. Noch
daar, noch tegen de loopgraven bij den faubourg de Jambe heeft
Digitized by VjOOQIC
NAMEN. 137
een uitval plaats, óf wordt eenig ander middel aangewend om
den arbeid van den belegeraar te verhinderen; men laat hem
rustig begaan. Bij den hoofdaanval op den linkeroever komt
eene loopgravenwacht van 3 bataljons; bij den aanval tegen den
faubourg de Jambe eene wacht van 2 bataljons, op een afstand
door 2 eskadrons ondersteund.
In den daarop volgenden nacht — 30 op 31 Mei — worden
op den linkeroever, op de hoogten van Bouge, twee batterijen
opgeworpen, de eene voor 10, de andere voor 5 kanonnen; en
eene derde batterij voor 12 mortieren. Op eene hoogte op den
rechteroever van de Maas doet Boufflers gelijktijdig twee batte-
rijen opwerpen, bestemd om haar vuur te richten op het front
van aanval op den anderen oever; de eene batterij voor 6
kanonnen, de andere voor 4. Reeds in den ochtend van den
31 sten Mei openen al die batterijen haar vuur, dat groote uit-
werking heeft. Dien dag worden op den rechteroever drie nieuwe
batterijen aangelegd, onmiddellijk aan de rivier; twee daarvan
zijn bestemd om haar vuur te richten op het front van Saint-
Nicolas ; de derde moet den steenen beer vernielen. Ook op den
linkeroever komen op de hoogten van Bouge drie nieuwe batte-
rijen : twee voor kanonnen, eene voor mortieren.
Men zegt dat Lodewijk XIV eerst voornemens was Namen te
doen vallen, alleen door een bombardement; maar dat Vauban
den Koning van dat voornemen heeft doen afzien door de ver-
zekering te geven, dat Namen binnen weinige dagen zich zou
overgeven zonder dat het noodig was van de stad een puinhoop
te maken. Men ziet intusschen dat Vauban bij zijn aanval op
krachtige wijze zijne artillerie aanwendde; evenwel richtte hij
het geschutvuur op de vestingwerken, niet op de stad.
Bij den hoofdaanval werden de loopgraven voortgezet tot
onmiddellijk aan de Maas, om — zegt Beaurain — den vijand te
beletten aan die zijde uitvallen te doen; maar eene hartstochte-
lijke neiging tot het doen van uitvallen schijnt hier bij den be-
legerde niet te hebben bestaan. Den isten Juni, om acht uur 's och-
tends, doet Boufflers de verschansing van den faubourg de Jambe
aanvallen door 300 grenadiers en 400 dragonders; met weinig
moeite wordt dit werk genomen; de verdedigers trekken terug
op de lunette die als bruggenhoofd en reduit diende. Ook die
lunelte wordt den 4en Juni verlaten, toen de Franschen in den
faubourg de Jambe twee batterijen hebben aangelegd waarmede
zij de steenen brug over de Maas kunnen beschieten en dus de
gemeenschap afbreken van de lunette met den linkeroever der Maas.
Bij den hoofdaanval maakte men ook snelle vorderingen; de
steenen beer werd stuk geschoten, zoodat het water afliep, en
dus de belegeraar niet veel moeite had om de voorgracht over
te komen, de gracht van het ravelijn, in den nachc van 2 op 3 Juni
Digitized by
Google
;
138 ICRIJGS* ES GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
te dempen, en den 3en dat werk te bezetten. In Racine's ver-
haal van het beleg komt voor. dat de Maas een poos zeer laag
was, zoodat men over een droog gedeelte van de rivier mineurs
wilde doen overgaan om in het vestingfront op den anderen
oever eene mijn te maken; — een plotselinge was van de rivier
dwong evenwel van dit voornemen af te zien.
Het was echter niet noodig, van den rechter Maasoever over
te gaan tot de bestorming van de stad : de aanval op den lin-
keroever was voldoende. In het bastion, onmiddellijk aan de
Maas sluitende, was bres geschoten; en de verdedigers vonden
het dan ook raadzaam dit werk te ontruimen, waarop de be-
legeraar, in den nacht van 4 op 5 Juni, zich daarin vestigde.
De stad had nu niets anders meer om den vijand tegen te hou-
den dan haar ouden ringmuur met torens en omgeven door
eene natte maar ondiepe gracht; bij eene dappere bezetting, bij
een heldhaftigen bevelhebber zou ook zulk een omwalling met
goed gevolg aan den vijand zijn betwist: Haarlem had geen
betere vestingwerken om Alva's soldaten tegen te houden. Maar
de verdedigers van Namen in 1692 hadden zeer weinig van
Ripperda en zijne dapperen; zij meenden geen bestorming te
kunnen afwachten; te meer niet omdat, volgens ééne opgave,
door het springen van een kruittoren een gedeelte van den
stadswal was vernield; — van die laatste omstandigheid komt
echter geen woord voor bij Beaurain, die anders nog al in
bijzonderheden treedt. Hoe dit zij, den 5en Juni trad de ver-
dediger in onderhandeling, en den volgenden dag werd de stad
overgegeven; de bezetting verkreeg vrijen uittocht naar het kas-
teel; en men kwam overeen, dat stad en kasteel, wederkeerig,
niet op elkander zouden vuren.
In een brief van den laen Juni 1692 aan den raadpensionaris
Heinsius, spreekt Willem III van >d*infame defentie die de stadt"
(Namen) t heeft gedaen." (Archief van Heinsius, 2" deel, blz. 56).
Nu moet men wel in aanmerking nemen, dat Willem III niet
gewoon was bij zulke gelegenheden de zachtste woorden te ge-
bruiken, en men zijn oordeel niet altijd onvoorwaardelijk als
juist en billijk moet beschouwen; hier echter schijnt dat oordeel
wél gegrond te zijn geweest; en als men de verdediging van de
stad Namen zwak noemt, dan beoordeelt men haar zoo gunstig
als het maar kan. Is die zwakke verdediging misschien het ge-
volg geweest van kwade trouw, van verstandhouding met den
Franschen koning, van bedekte begunstiging der Fransche wape-
nen? — Dit blijkt nergens uit; integendeel, in een brief van
Racine aan Boileau, den 24sien Juni 1692 uit de legerplaats voor
Namen geschreven, komt eene bijzonderheid voor, die zou doen
denken dat men toen te Namen meer Spaanschgezind dan
Digitized by
Google
^
NAMEN. 139
Franschgezind was; sprekende over de bommen die gebruikt
zullen worden tegen het kasteel van Namen, zegt Racine, dat
men een aantal bommen gevonden heeft in het Jezuïetenklooster,
even buiten de stad:
>Bij de eerwaarde vaders Jezuïeten te Namen zijn gisteren
twaalf honderd en zestig bommen gevonden, alle gevuld, en
met de buizen. Die goede vaders hadden die fraaie zaken be-
waard met de meest mogelijke zorg en zonder er een woord
over te spreken; waarschijnlijk hoopten zij ze terug te geven
aan de Spanjaarden, voor het geval dat wij het beleg hadden
moeten opbreken. Toch schenen zij uitermate blij onder 's Konings
heerschappij te komen ; en aan mij zelven zeiden zij, met een
blijmoedig en openhartig gelaat, dat zij overgroote verplichting
hadden aan den Koning, omdat hij hen verlost had van die
vervloekte Protestanten, die te Namen in bezetting waren en
preeken hielden in hunne gebouwen. De Koning heeft den opper-
sten {Je père recteur) naar Dóle opgezonden ; maar zelfs vader
La Chaise" (de biechtvader van Lodewijk) >zegt, dat de Koning
al te goed is, en dat de oversten der Jezuïeten strenger zullen zijn.*'
Maar waar bleef Frankrijk's groote vijand, terwijl de stad
Namen zoo boog voor de Fransche wapenen?
Omstreeks half Mei was Willem III te Brussel gekomen, en
had daar den nieuwen landvoogd van de Spaansche Nederlanden
ontmoet, Maximiliaan, keurvorst van Beieren, Maximiliaan, die
door bloedverwantschap de verwachting had van eenmaal aan
het hoofd te komen van de Spaansche Monarchie, had zich nu
alvast willen belasten met het bestuur van de Zuidelijke Neder-
landen ; men hoopte dat die Beiersche keurvorst, jong en krijgs-
haftig van aard, Willem III tot krachtiger hulp zou zijn dan de
Spaansche landvoogden, die zoo slecht ondersteund werden door
hun Koning; — de uitkomst heeft die hoop niet verwezenlijkt.
In de tweede helft van Mei, toen de Fransche legers Hene-
gouwen binnenrukten, verzamelden d^ Koning en de Keurvorst
een 26 ^ 27000 man nabij Brussel, om die hoofdstad te dekken;
bevelen werden afgezonden naar alle gekantonneerde troepen
om zich bij de hoofdmacht aan te sluiten, evenzoo aan de
Luiksche troepen onder Tserclaes, die bij Luik, en aan de Bran-
denburgsche onder Flemming, die bij Aken stonden. Flemming
met zijne Brandenburgers sloot zich eerst den óen Juni bij het
hoofdleger aan ; hij verloor tijd — zeggen ónze opgaven — met
het overtrekken van de Maas; nog al een vreemde reden, daar
er toch te Maastricht en te Luik vaste bruggen waren over die
rivier. Hoe dit zij, zooveel is zeker dat eerst den 6en Juni het
leger van Willem III geheel vereenigd was; het telde toen 85
bataljons en 188 eskadrons; dus, naar onze schatting, ruim ,
Digitized by
Google
140 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
50000 man voetvolk en bijna 20000 ruiters; alles te zamen een
70000 man.
Toen het duidelijk werd dat Namen het hoofddoel van het
Fransche leger was, verliet Willem III met zijne krijgsmacht de
omstreken van Brussel en trok naar de zijde van Leuven; den
28sten Mei was hij te Bethlehem, een klooster aan de westzijde
van die stad; den 3en Juni, bij de abdij van het park, een
kwartieruurs oostelijk van Leuven. Van daar trok het leger der
bondgenooten naar de Geete en de Méhaigne; kwam den 5en
Juni te Meldert, een uur ten zuidwesten van de stad Thienen;
den ócQ te Hongaerde, tusschen Thienen en Guldenaken; den
yen te Orp en Montenaken, een paar uur ten zuiden van Sint-
Truyen; bereikte den 8sien, over Hannuye, de Méhaigne, en
sloeg zijn kamp op bij het dorp Villers, nabij den linkeroever
van het riviertje, zoo wat een half uur gaans ten zuiden van
Hannuye.
Het leger van Luxembourg had die bewegingen van den vijand
gevolgd; was den 4en Juni van Gemblours getrokken op Long-
champ, 2^3 uur ten noorden van Namen; en, den marsch in
oostelijke richting op den rechteroever van de Méhaigne voort-
zettende, kwam het den 6en Juni te Eraptinne, en den 8stcn in
de vlakte van Acoche, tegenover het leger van Willem III.
De Fransche veldheer had de twee detachementen, vroeger
door hem afgezonden, weer tot zich getrokken; en toen de stad
Namen zich had overgegeven, en Lodewijk XIV daar dus minder
troepen noodig had, zond de Koning 16 bataljons, 41 eskadrons
ruiters of dragonders, en 20 stukken geschut ter versterking van
Luxembourg af. De geheele macht van den Maarschalk bestond
toen uit 82 bataljons en 268 eskadrons: naar schatting moet dit
geweest zijn ruim 53000 man voetvolk en bijna 43000 ruiters, dus
een 90 k 100 coo man; — ééne opgave begroot echter de sterkte
van Luxembourg's leger op niet meer dan 80000 man. Maar
zelfs al neemt men die minste sterkte aan als de ware, dan was
toch het Fransche leger sterker dan dat van Willem III. Beaurain
beweert dat de bondgenooten meer infanterie hadden dan de
Franschen, want dat Willem III 85 bataljons had en Luxembourg
slechts 82, en het bataljon bij de bondgenooten sterker was dan
bij de Franschen; dat laatste is minder juist: gewoonlijk telde
het bataljon bij de bondgenooten een 600 man; bij de Fran-
schen. toen, 650 a 700. Aan ruiterij was Luxembourg ontegen-
zeggelijk veel sterker dan Willem III.
Een veldslag scheen nu nabij; want te recht schrijft Dijkvelt
in een brief aan Heinsius, den gen Juni 1692, van het ter hulp
komen van Namen gewagende: > niets tot desselfs secours tegen
Digitized by
Google
NAMEN. 141
den vyant te tenteren, ende denselve maer te blijven liggen aen-
kijcken en comt gansch niet over een met het humeur ende
genegentheyt van S. M." Maar tevens stelt Dijkvelt den aanval
op Luxembourg's stelling als een gewaagde en zeer gevaarlijke
handeling voor: >over de riviere te gaen ende Luxemburgh soo
avantageus geposteert ende soo sterck als wij, aen te tasten met
de gantse armee, oordeelen meest alle de generaels van soo
groote difficulteyt, dat het bijnae onmogelijck schijnt daer inne
te connen reusseren; ende seer aparent van, misluckende, wey-
nigh van de trouppes te sullen connen behouden ende afvoeren.
Ende deselve, dewelcke gisteren morgen op de aencompste de
saecken heel faciel stelden, bekennen nu, naer dat sij het terrain
ende de gantse gelegentheyt hebben gerecognoceert ende over-
wogen, dat het is vermenght met het uyterste gevaer van te
worden geslaegen." (Archief van Heinsius, 2* deel, blz. 55). Men
ziet dus, dat IJijkvelt toen zeer gestemd was tegen het aanvallen
en slag leveren; en de raadpensionaris Heinsius, die hem den
iien Juni uit Den Haag antwoordt op dien brief, raadt het slag
leveren dan ook af, daar eene nederlaag den zedelijken indruk
zou doen verloren gaan, door den gewonnen zeeslag van La
Hogue gemaakt. Heinsius schreef in denzelfden geest aan Wil-
lem III; de Raadpensionaris voegde er bij, dat dit niet alleen
zijn eigen gevoelen was, maar ook dat van >de meeste heeren
van de regeringe."
Duidelijkheidshalve voegen wij hierbij: dat Dijkvelt toen in
het hoofdkwartier der bondgenooten was, en bekend met alles
wat daar voorviel ; dat hij reeds vele jaren, ook als gedeputeerde
te velde, Willem III ter zijde had gestaan, en dus met juistheid
kon oordeelen over >het humeur ende genegentheyt van S. M.'*;
en dat Dijkvelt zich steeds veel meer gekenmerkt heeft door ge-
heele toewijding aan Willem III dan door onafhankelijkheid van
karakter; zoodat, waar hij eene meening uit, verschillend van
die van den Stadhouder, dit wel moet zijn teweeggebracht door
eene zeer sterke overtuiging.
Het valt moeilijk om thans, na een tijdsverloop van bijna twee
eeuwen, daarover te oordeelen, of die stelling van Luxembourg
achter de Méhaigne zoo sterk was, dat zij moest worden be-
schouwd als bijna onaanvalbaar ; er zijn te weinig gegevens om
tot een grondig oordeel te kunnen komen. De Méhaigne op
zichzelve is geen belangrijke terreinhindernis: het is een kleine
rivier, op veel punten doorwaadbaar, — ten minste in gewone
tijden. De beide legers kwamen bijna gelijktijdig aan de rivier;
de bondgenooten wilden dadelijk beginnen aan het slaan van
bruggen, maar werden daarin verhinderd door het vuur van 20
stukken geschut, die Luxembourg in batterij bracht; toen echter
Digitized by
Google
1
142 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
de bondgenooten eene sterkere artillerie in werking brachten,
ging het Fransche geschut terug. Intusschen was daarmee tijd
verloopen, zoodat er op den Sstea Juni van een aanval geen
sprake meer kon zijn. Om vijf uur 's namiddags vereenigde Wil-
lem III al zijn generaals in eene hoeve yfa ceme de r Empereur'' ^
om hun de bevelen raeê te deelen voor den aanval van den vol-
genden dag; bij alle regimenten werden kleine bruggen gemaakt
om de Méhaigne over te komen; het aantal van die houten
bruggen moet zeer groot zijn geweest : y^une mfinité de ponn''\ zegt
Racine; — wanneer die schrijver er echter bijvoegt, dat Wil-
lem III de bestaande steenen bruggen over de Méhaigne deed
afbreken, dan is dit eene opgave waarvan de onwaarschijnlijkheid
in het oog springt.
Maar was de Méhaigne in gewone tijden een onbeduidend
riviertje, dit schijnt niet het geval te zijn geweest op dét oogen-
blik: slecht weer, een sterke en aanhoudende regen bracht een
buitengewoon hoogen v/aterstand teweeg. Het gebeurt dikwijls
dat traagheid en werkeloosheid in den oorlog worden toege-
schreven aan het slechte weer; dat is dan de zondebok, waarop
de schuld wordt geschoven; — hier echter was dat slechte weer
meer dan een verdichtsel of een uitvlucht. Constantijn Huygens
— de zoon, secretaris bij Willem III — heeft in zijn dagboek
daarover het volgende opgeteekend:
Op den 8sien Juni: >het regende dien dag met buyen en tegen
den avondt vrij sterck, daer door de Mehaine wel een voet of
twee opliep, en al de morassen tusschen de vyandt en ons soo
nat en diep werden, dat men seyde dat geen cavallerie daer
soude over konnen." Huygens voegt er bij, van Dijkvelt ver-
nomen te hebben, dat Willem III tot den aanval besloten was
> hoewel de meeste Generaels daertegen waeren, uytgenomen de
Keurvorst van Beyeren (daer nae seyde men oock den Hertogh
van Wirtembergh). Dat de Prins van Vaudemont geseght hadde:
>qu*il ne falloit pas jetter Ie manche après la coignée", houdende
Namen als verloren. '
Op den 9en Juni vermeldt Huygens in zijn dagboek, dat, vol-
gens een berichtgever. >met die stereken regen van 's avonls te
voren den grooten ijver tot de attacque verkoelt was." Toch
meent men dat er slag zal worden geleverd; en de troepen zijn
> ongemeen geanimeerd", 's Namiddags is Huygens bij den Koning,
en vraagt — niet dezen, bij wien hij niet veel had in te bren-
gen — maar aan een der volgelingen van Willem III, of nu de
aanval zou plaats hebben, »dat hij heel verre wierp, als zijnde
eene onmogelijckheit door het oploopen van de riviere en het
nat werden der morassen — dat oock de franschen stercker
waeren als wij etc." Willem III had 's ochtends vroeg met den
generaal Solms eene verkenning van de Méhaigne verricht; mis-
Digitized by
Google
NAMEN. 143
schien ten gevolge daarvan bleven de bevelen tot den aanval
achterwege. Het slechte weer houdt aan: > tegen den avont be-
gon het weder argher te worden met regenen en waeijen, en
's nachts daer aen soo seer, dat ick*' (Huygens) >daer van
wacker wierd, en vond eenige pennen van mijn tent uytgewaeydt,
en sagh mijne tafel naest het bedde om verre vallen.*'
Op den loen Juni komt in het dagboek voor: >die sware storm
en regen continueerde voormiddags en seyde men dat in het
leger alle de tenten waeren omverre gewaeyt"; — en, verder:
»het quade weder van daeghs te voren continueerde noch all,
en, als geseght, quam er dan regen, dan slercke windt en dan
weder voor een weynigh sonneschijn. — De soldaten seyden, dat
Lutzenburg" (Luxembourg) >dat weder maekte door sijn duyvels-
kunsten."
Op II Juni: »het weder was noch al met regen en windt,
maer niet soo vehement als gisteren."
Op den i2en: »was nog al weder als gisteren, maer niet al
even soo koud."
Op den i3en: >het begon beter en warmer weder te worden,
naer al de koude, stormen en regen, die tot hier toe gehadt
hadden."
Op den i4en: >was heel schoon en warm weder, met de
nieuwe maen beginnende."
Maar nu komt er, op 15 Juni, in het dagboek voor: 's mer-
gens wierd groote Crijchsraedi gehouden, en daer met de meeste
of meest alle de stemmen verstaen, dat Namen te ontsetten niet
doenlijck was en niet raetsaem 't selve te tenteren." Van het
weer wordt dien dag niet gesproken; maar wel vindt men nog,
op den i6en Juni: »was weder los, buyachtig en nat weder."
Ziedaar wat wij, omtrent deze aangelegenheid, in het dagboek
van Huygens hebben opgevischt uit een plas van vuile beuzel-
taal. Wij moeten deze gelegenheid waarnemen om een onrecht
te herstellen, waaraan wij ons vroeger hebben schuldig gemaakt
ten aanzien van de uitgevers van dat dagboek: verontwaardigd
over het gemeene en liederlijke van die aanteekeningen, die zoo
duidelijk aantoonen hoe onbeteekenend die zoon van den groo-
ten Huygens is geweest, hebben wij de uitgave van dat dagboek
veroordeeld; — wij komen op dat oordeel terug, om het te
herroepen. Dat dagboek is wel degelijk een aanwinst voor de
studie van de geschiedenis, ook van de krijgsgeschiedenis ; dit
ondervinden wij nu. Het walgelijke van den inhoud blijft noch-
tans even stuitend.
Het slechte weer van 8 tot 13 Juni en de snelle was van de
Méhaigne schijnen onbetwistbare feiten. Ook Willem III vermeldt
Digitized by
Google
144 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
die omstandigheden in een brief van den i2en Juni 1692 uit de
legerplaats bij Villers aan den raadpensionaris Heinsius: iP. S»
Wij staen nogh gecampeert in 't gesight van den vyant, maer
het terrible quaet weer dat dese drie daghen en naghten heeft
gedaen, veroorsaeckt dat het riviertje Mehagne is gedebordeert
en tegenswoordigh impassable." (Archief van Heinsius, 2* deel,
blz. 56). — In dat archief volgt daarop een andere brief van
den Stadhouder aan Heinsius, die ook de dagteekening voert
van 12 Juni, maar die klaarblijkelijk op 16 Juni moet gedag-
teekend worden; en daarin komt voor: ...»Het casteel van
Naemen defendeert sigh nogh en wij sijn van intentie om morgen
een march naer de reghterhandt te doen en traghten den vyant
dien wegh aen te koomen, is het doenelijck; hebbende gisteren
een crijgsraet gehadt van alle de Generaels, die meest eenparigh
van sentiment sijn geweest, dat het onmogelijck was den vyant
van hier aen te lasten, daer deselve tegenwoordigh geposteert
staet."
Wat was de persoonlijke meening van Willem III, ten opzichte
van dien aanval op de stelling van Luxembourg? Was hij voor
dien aanval? en heeft hij alleen daarvan afgezien, omdat zijne
onderbevelhebbers bijna eenparig daartegen waren?
Met zekerheid zijn die vragen niet te beantwoorden. Aan den
eenen kant mag men wijzen op het stoutmoedig karakter van
den Stadhouder, dat hem — in 1678 — zelfs niet deed terug-
deinzen voor den aanval op de sterke stelling van Saint-Denis;
maar aan den anderen kant moet men ook niet vergeten dat
Willem III een man was van verstand en oordeeU die niet naar
het onmogelijke streefde ; en dat hij hier, aan de Méhaigne, met
-sterker stelling had te doen dan in 1678 te Saint-Denis. In dien
reeds aangehaalden brief van den i2en Juni aan Heinsius bezigt
Willem III eene uitdrukking, waaruit men moet opmaken, dat
hij niet veel hoop heeft op het redden van Namen: »Ick en
twijfele niet, hadt de stadt maer drie daghen langer 'gehouden,
soude wij deselve onder Godes segen hebben gesecoureert, maer
wat van 't Casteel sal werden en weet ick als nogh niet; dat
deselve tusschen de Maes en Sambre light schijnt insurmontable."
Dit schijnt geen anderen zin te kunnen hebben, dan: hadden
wij Luxembourg geslagen, dan zou niets ons belet hebben om
door te dringen tot de stad; maar nu de stad over is, moeten
wij, om het kasteel te ontzetten, eerst de Sambre overgaan; en
dit » schijnt insurmontable".
De landstreek, waar acht dagen lang een 150000 k 160000
man tegenover elkander hebben gestaan, was over het algemeen
eene open vlakte; de grond liep aan weerszijden af naar de
Digitized by
Google
NAMEN. 145
Méhaigne, welke door die vlakte stroomde; de helling die het
dal van de Méhaigne insloot aan de noordzijde, aan de zijde
waar zich de bondgenooten bevonden, was bijna onmiddellijk
bij de rivier; de helling aan de zuidzijde — de zijde waar
Luxembourg stond — was op veel grooter afstand van het
riviertje; geen van beide hellingen was van groote beduiding.
Hier en daar had men in die landstreek een klein bosch, voorts
vele dorpen en alleenliggende hoeven; en een aantal op zich
zelve staande hoogten, of kleine heuvels, die men voor Roraeinsche
graftomben uitgeeft en die in de landstreek dan ook den naam
dragen van > tombe"; — geen van die terreinvoorwerpen had
echter belang, noch als verdedigingsmiddel, noch als hindernis.
De eenige groote hindernis was, bij hare toenmalige gesteldheid,
de Méhaigne zelve.
De slaglinie van de bondgenooten breidde zich uit over een
anderhalf uur gaans, de linkervleugel nabij Hosdin, de rechter-
vleugel ongeveer een kwartieruurs ten zuiden van Hannuye. Vol-
gens de gewoonte van dien tijd stond het leger op twee liniën,
het voetvolk in het midden, de ruiterij op de beide vleugels;
achter de tweede linie stond cene kleine afdeeling voetvolk en
ruiterij, als een soort van reseive; tusschen de beide liniën waren
twee kleine afdeelingen dragonders; vóór de slaglinie stonden
eenige batterijen, onmiddellijk aan den rand der helling, om de
rivier te bestrijken, de bruggen te verdedigen, en het overtrekken
van de Méhaigne te beschermen. Hiertegenover stond, op den
rechteroever, het Fransche leger, nagenoeg in dezelfde slagorde
als dat des vijands; iets uitgestrekter; zich uitbreidende, rechts,
van de hoeve en van de > tombe" van Viscou; en links tot
voorbij Emptine. De Fransche slaglinie was op een aanmerke-
lijken afstand van de Méhaigne, meestal een half uur gaans,
soms minder, soms meer; de ruimte tusschen de Fransche slag-
linie en de rivier, een geheel opene vlakte, werd bestreken door
het vuur van eenige batterijen, die vóór de slaglinie stonden.
Die stelling van Luxembourg was met bekwaamheid gekozen;
had hij zijn leger onmiddellijk bij de Méhaigne geplaatst, dan
zou dit te veel zijn blootgesteld geweest aan het geschutvuur
van de bondgenooten; en bovendien kon men dan weinig ge-
bruik maken van de ruiterij, het wapen waarin het Fransche
leger zoo overmachtig was. Nu de stelling meer achterwaarts
was genomen, had men daardoor het leger onttrokken aan
's vijands geschutvuur; met het eigen geschut kon men den
vijand teisteren, als hij de Méhaigne was overgetrokken; op de
vlakte, waar de bondgenooten dan verschenen, kon de Fransche
ruiterij met voordeel tegen hen optreden; en, werden de bond-
genooten daar geslagen, dan hadden zij, met de Méhaigne onmid-
wii.LEM III. — III. 10
Digitized by VjOOQIC
146 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
dellijk achter zich, een zeer moeielijken terugtocht, en waren zij
in een zeer gevaarlijken toestand.
Het voordeel van die stelling van Luxembourg springt zoozeer
in het oog, dat men gerust kan aannemen dat hij uit zichzelf
die stelling heeft gekozen; Beaurain echter beweert, dat Luxem-
bourg zoo gehandeld heeft op bevel van Lodewijk XIV. Tot
het werk van Beaurain (Hhtoire militaire de Flandre^ depuis Vannée
1690 jusqu'en 1694 inclusivement) hebben de aanteekeningen van
Luxembourg zelf als bouwstof gediend; en nu is het niet te ver-
wonderen, dat die Maarschalk — hoveling, zooals in Frankrijk
toen bijna iedereen was — de eer, die hem zelf toekwam, op
Lodewijk XIV heeft willen overbrengen.
Bij Beaurain wordt het voorgesteld, alsof Luxembourg met
opzet den overtocht van de Méhaigne onbetwist wilde laten, om
zijn tegenstander als het ware uit te dagen tot het leveren van
een veldslag, door hem het slagveld als aan te wijzen. Ja maar,
dat slagveld was in geenen deele aan te bevelen voor de bond-
genooten. Toen Willem III in 1678 te Saint-Denis slag leverde,
viel hij wel eene sterke stelling aan; maar, mislukte die aanval,
moest hij teruggaan, het zou weinig kwaad hebben gedaan, want
het zou niets anders zijn geweest dan een gewone terugtocht.
Hier aan de Méhaigne was het echter geheel iets anders: de
stelling van Luxembourg was misschien niet sterker dan te Saint-
Denis, misschien minder sterk; maar, mislukte de aanval op die
stelling, werd Willem III geslagen, dan kon dit eene geheele
nederlaag van de bondgenooten ten gevolge hebben, daar zij
onmiddellijk achter zich de rivier hadden.
Willem III heeft niet aangevallen; en alles wel beziende ge-
looven wij dat hij zeer verstandig daaraan deed. De hoofdzaak
die men in aanmerking moet nemen bij het uitbrengen van dit
oordeel, is de toestand waarin toen de Méhaigne verkeerde; en
uit alles moet men opmaken, dat dit riviertje toen werkelijk
eene zeer belangrijke hindernis zou geweest zijn, minder nog
bij den overtocht naar den vijand toe, dan bij den overtocht
als men geslagen werd en vervolgd door den vijand. Beaurain,
niet tegensprekende dat de Méhaigne toen zeer gezwollen was,
geeft echter te kennen, dat Willem Til dit maar als voorwendsel
gebruikte om af te zien van een veldslag, die, ongunstig uitval-
lende, lichtelijk gevolgd zou worden door een opstand in Enge-
land: » hetzij dat die vorst vreesde" — zegt hij — »dat een
verloren veldslag daar" (in Engeland), >op een oogenblik waarop
daar nog zeer groote gisting was, een omwenteling zou teweeg-
brengen ; hetzij dat hij het niet raadzaam achtte om de Méhaigne
over te trekken wegens den hoogen waterstand, veroorzaakt door
de regenbuien; zooveel is zeker, dat hij dit laatste als voor-
wendsel bezigde bij de bondgenooten, en niets ondernam."
Digitized by
Google
NAMEN. 147
Iets werd toch beproefd. Den i4en Juni, *s avonds, vertrok de
generaal Tserclaes met 5 k 6000 ruiters uit de legerplaats der
bondgenooten, tr^ op Hoey, nam voetvolk van de bezetting
dier vesting met zich mede, en naderde de Fransche liniën
op den rechteroever van de Maas; het voetvolk van Hoey trok
langs den oever, om de schipbrug van de Fransche te ver-
nielen, beneden de stad; Tserclaes, met de ruiterij, wilde het-
zelfde ondernemen tegen de Maasbrug bovenwaarts van Namen,
die tot gemeenschap diende tusschen de kwartieren van Boufflers
en van Ximenès; men hoopte zich ook meester te maken van
de munitie die de Franschen op den rechter Maasoever hadden.
Klaarblijkelijk was alles hierbij aangelegd op eene overvalling:
was de vijand intijds gewaarschuwd, dan was hij te sterk om
iets tegen hem te ondernemen. De vijand werd intijds gewaar-
schuwd; de afdeeling van Boufflers, op den rechter Maasoever,
werd aanzienlijk versterkt ; en toen Tserclaes dit vernam, en zag
dat er aan geen verrassing meer viel te denken, gaf hij de
onderneming op, en keerde over Hoey weer terug naar het
hoofdleger der bondgenooten. — In de opgaven van onze zijde
wordt niet gesproken van die onderneming van Tserclaes; de
Fransche schrijvers zijn daaromtrent echter te stellig en te uit-
voerig, om de zaak in twijfel te trekken.
Willem III brak den lyen Juni met het leger op, om — zooals
hij zich heeft uitgedrukt — >een march naer de reghterhandt te
doen en traghten den vyant dien wegh aen te koomen"; hij
wilde, óm den linkervleugel van Luxembourg, over een hooger
gedeelte van de Méhaigne naar de zijde van Namen doordringen.
Reeds om drie uur *s ochtends ging het leger op marsch bij
slecht en regenachtig weer, en trok, over het later beroemd ge-
worden Ramillies, de Méhaigne hooger op; er werd een afstand
van ongeveer 4 uren gaans afgelegd; toen kwam het leger weer
in slagorde, de rechtervleugel nabij Perwez, de linker nabij
Branchon, het front naar de Méhaigne. Luxembourg, op het
vernemen van dien marsch der bondgenooten, volgde dadelijk
die beweging, trok ook de Méhaigne hooger op, en kwam den
lyen mst den rechtervleugel te BouefFe, den linkervleugel bij
Temploux, nabij den oorsprong van de Méhaigne.
Hier blijven de beide legers weer tegenover elkander staan.
De bondgenooten doen herhaalde verkenningen, die soms aan-
leiding geven tot onbeduidende schermutselingen. Bij eene dier
verkenningen was de keurvorst van Beieren bij Bouef — of
Boueffe — de Méhaigne overgegaan; — Bouef, het dorp, was
op den linkeroever, aan de zijde van de bondgenooten; maar
Bouef, de abdij, op den rechteroever, aan de zijde van de Fran-
schen. — Toen de Keurvorst met zijne verkenning wilde voort-
Digitized by
Google
148 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
rukken in de vlakte van Boueffe, werd hij aangevallen door
Fransche ruiterij en gedwongen terug te gaan achter de Méhaigne.
De verkenningen naar de zijde van Luxembourg's linkervleugel
leverden geen gunstiger uitkomst op: men ontdekte dat het ter-
rein vóór de Fransche slaglinie zóó bedekt was, dat het zeer
raoeielijk zou zijn om door al die heggen en al dat hout gewas
de wegen en openingen te maken, noodig om geregeld die slag-
linie te bereiken; — men houde hierbij in het oog, dat de
vechtwij^e in verspreide orde toen niet bestond.
Den 2osteo veranderde Luxerabourg zijne stelling, verliet de
Méhaigne, en naderde Namen en de Sambre; zijn rechtervleugel
was bij het dorp Dausoir, een kleine 2 uur gaans ten noord-
westen van Namen; zijn linkervleugel te Millemont, aan den
Orneau, een beek die, van Gemblours komende, in de richting
van het noorden naar het zuiden stroomt, en zich in de Sambre
werpt een klein uur ten zuiden van Millemont.
Pie nieuwe stelling van het Fransche leger had ten doel om
de bondgenooten de nadering van de Sambre te verhinderen;
daarentegen was de nadering tot de stad Namen nu weer vrij
voor hen; maar daar hadden zij niet veel aan, sinds die stad
in *s vijands handen was. Willem III, dit inziende, besloot nog
eene poging te doen om het kasteel te hulp te komen, door
een hooger gedeelte van de Sambre te bereiken. Den 2 2sten Juni
ging de marsch op Sombref, waar de linkervleugel der bondge-
nooten kwam, terwijl hun rechtervleugel leunde aan Villers-Pernin ;
den 24steD werd Charleroi iets meer genaderd; dien dag stond
de linkervleugel te Saint-Amand, de rechter nabij Frasnes, — de
slagvelden van 1815. Intusschen werden door Luxembourg maat-
regelen genomen, hetzij om Willem III den overgang van de
Sambre te betwisten, hetzij om zich nog tijdig op den rechter-
oever te kunnen plaatsen tusschen hem en de Fransche liniën
vóór het kasteel van Namen; eene afdeeling van Luxembourg
werd reeds dadelijk overgebracht op den rechteroever van de
Sambre, en verscheidene bruggen geslagen om het geheele leger
ook spoedig die rivier te doen overgaan. Willem III schijnt dan
ook te hebben ingezien, dat er te weinig kans was om, op
den rechteroever van de Sambre, het Namensche kasteel te
hulp te komen; hij blijft werkeloos in zijne stelling; totdat, op
den avond van den 3osien Juni, het victorie-schieten in het leger
van Luxembourg verkondigt dat Namen's laatste bolwerk is be-
zweken.
Wij gaan thans over tot die belegering van het kasteel van
Namen.
Na de overgave van de stad bracht Lodewijk XIV zijn hoofd-
kwartier over op den rechteroever van de Sambre, in de ruimte
Digitized by
Google
NAMEN. 149
tusschen die rivier en het hoogere gedeelte van de Maas; daar
was de Koning weer in de nabijheid van de aanvalswerken tegen
het kasteel. Tien bataljons kwanten in bezetting in de stad Namen ;
wat er nog beschikbaar was, na aftrek van de versterking aan
Luxembourg toegezonden, werd tegen het kasteel aangewend;
eene afdeeling voetvolk en ruiterij bezette de circumvallatie linie
van de abdij van Malogne aan de Sambre, tot aan de bruggen
over het hoogere gedeelte van de Maas; en 10 bataljons moesten
stelling nemen, meer in de nabijheid van het kasteel, op hoogten
die zich uitbreidden van de Maas tot de Sambre, tusschen „/<?
balance'* en y^a Manche fnaison'\ Dit alles moest eerst plaats hebben
op den yen Juni; want bij de capitulatie van de stad was be-
paald, dat men tot dien dag de vijandelijkheden zoude staken.
Toen den yen Juni de 10 Fransche bataljons de hoogten
naderden waar zij moesten legeren, bespeurden zij dat die hoog-
ten nog bezet waren door den vijand: de belegerden hadden
daar een 300 man als voorposten geplaatst, op een 1000 pas
achterwaarts ondersteund door 5 bataljons, een groote 2000 man.
Soubise, de aanvoerder van de Fransche bataljons, zond den
Koning bericht van dien stand van zaken, en verzocht, en ver-
kreeg, vergunning om den vijand van de hoogten te verdrijven.
De Fransche soldaat wierp het tentgereedschap neder, waarmede
hij was beladen, en schaarde zich ten aanval; die aanval gelukte
volkomen: de voorposten van de bondgenooten gingen terug;
evenzoo werden de achterstaande bataljons tot wijken gedwon-
gen; en ongehinderd konden toen de bataljons van Soubise
hunne tenten opslaan op de genomen hoogten. Volgens Racine
moet dit gevecht hun echter een 100 k 120 man hebben gekost
aan dooden en gewonden.
In den nacht van den Ssien op den 9en Juni werden de loop-
graven geopend, èn tegen het fort Koning Willem, èn tegen
Terra Nova; of, juister gezegd, tegen het vóór Terra Nova ge-
legene La Casotte. De loopgravenwacht, voor de beide aanvallen
te zamen, bestond uit 7 bataljons. Slecht weer, regen en wind,
en de moeielijke harde grond waren oorzaak dat de loopgraven-
arbeid niet vlug ging, en het eenige dagen duurde eer de batte-
rijen haar vuur openden. Spoedig echter had dat vuur genoeg
uitwerking om Vauban te doen besluiten, den i3en Juni La
Casotte te bestormen; natuurlijk na eerst 's Konings toestemming
daartoe te hebben ontvangen.
Die storm gelukt volkomen. In de loopgraven, die de werken
van La Casotte reeds zeer nabij zijn gekomen, staan 15 com-
pagnieën grenadiers, een 200 Mousquetaires, een 150 grenadiers
te paard, — hier, zeker: te voet; die uitgelezen soldaten zullen
Digitized by
Google
150 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
de voorste bestormers zijn, maar op den voet worden gevolgd
door 1500 fuseliers, in drie afdeelingen gesplitst; de 7 bataljons
van de loopgraven wacht, de 10 bataljons van de Brigade du Roij
en een afgestegen regiment dragonders staan gereed om het ge-
vecht op te nemen, wanneer uit het kasteel eene sterke afdee-
ling des vijands mocht opdagen, ter hulp van La Casotte. Vau-
ban wijst den troepen de verschillende punten aan van 's vijands
verschansingen waarop zij moeten aanvallen; en om zich niet
onnoodig bloot te stellen aan verliezen, verbiedt hij om, na het
vermeesteren van die verschansingen, verder door te dringen.
Te middag wordt, door drie bomworpen, het sein gegeven
tot den storm; de Grenadiers en Mousquetaires springen uit de
loopgraaf, snellen naar de verschansingen, en ontvangen van
zeer nabij een salvo van de 400 Spanjaarden die daar staan, en
die, na dit vuur, oogenblikkelijk de wijk nemen. De Franschen,
zonder zich een oogenblik op te houden, bereiken het reduit
van die verschansingen, het zoogenaamde Duivelshuis^ bezet door
een 300 Spanjaarden ; dapper wordt dit gepalissadeerde huis ver-
dedigd, maar toch weldra genomen; de bezetting gaat grooten-
deels verloren; haar aanvoerder, een Spaansche grande, tot het
huis De Lemos behoorende, sneuvelt; — maar ook de verliezen
der Franschen zijn niet onbeduidend. Dadelijk graven zich de
bestormers in, op den veroverden grond.
Racine, die het beleg van Namen bijwoonde, schrijft in zijne
brieven aan Boileau bijzonderheden over die bestorming van
den i3en Juni en is daarbij niet zuinig met vertelseltjes. De
dichter loopt hoog weg met den heldenmoed van zijn Koning»
Lodewijk had zich, om de bestorming te zien, op eene hoogte
geplaatst, waar hij blootgesteld was aan 's vijands vuur ; om den
Koning te beveiligen, waren drie schanskorven vóór hem ge-
plaatst; maar — zegt Racine — in die schanskorven waren ook
steenen, zoodat, werden zij door een kanonskogel getroffen, het
gevaar zeer groot zou zijn geweest; toch hield een van die
schanskorven een vijandelijken geweerkogel tegen, die regelrecht
op den Koning aankwam; — hoe men dit zoo nauwkeurig heeft
kunnen zien? — Nabij den Koning werd een zijner basterden,
de graaf van Toulouse, toen veertien jaar oud, door een mus-
ketkogel, niet getroffen, maar geraakt; het galon op de
mouw van zijn rok had zelfs een zwarte plek daardoor gekregen ;
de arm zelf was echter ongedeerd gebleven. — Die Spaansche
bevelhebber van het Duivehhuh^ de, graaf De Lemos, was gedood
door een der grenadiers, die, toen het lijk van den gesneuvelde
werd teruggegeven aan de verdedigers, tevens eene beurs met
geld van De Lemos teruggaf, met de woorden: > ziedaar zijn
geld, dat ik niet wil hebben; als de grenadiers de'hand slaan
aan een vijand, dan is het alleen om hem te dooden." Te allen
Digitized by
Google
NAMEN. 151
tijde hebben de Franschen een zwak gehad voor goed klinkende
woorden, voor la phrase. — Racine neemt in zijn schrijven aan
Boileau zelfs eene anekdote op, die men in menigen ouden
almanak terugvindt : in de loopgraaf wordt een Zwitser het hoofd
afgeschoten door een kanonskogel \ een ander Zwitser, zijn kame-
raad, dicht daarbij staande, roept daarop, schaterend van lachen :
the ! dat is grappig ; nu keert hij zonder hoofd naar het kamp terug."
Nu moet er bijgevoegd worden, dat van al die fraaiigheden
niets voorkomt in de geschiedenis van het beleg van Namen
door Racine; dddr blijft de toon deftig; die wordt alleen ge-
meenzaam in de vertrouwelijke brieven aan Boileau. Wat ook
opvalt bij deze gelegenheid, dat is de kerkelijke toon die daarin
uitkomt; sprekende over het sneuvelen van een luitenant der
Grenadiers te paard, laat Racine daarop volgen: ...iVous ne
serez peut-être pas fdché de savoir qu'on lui tiouva un cilice
sur Ie corps. Il étoit d*une piété singuliere, et avoit même fait
ses dévotions Ie jour d'auparavant. Respecté de toute Tarmée
pour sa valeur, accompagné d'une douceur et d'une sagesse
merveilleuse . . . Effectivement, on dit que dans cette compagnie
il y a des gens fort régies. Pour moi je n'entends guère de messe
dans Ie camp qui ne soit servie par quelque mousquetaire et oü
il n' y en ait quelqu'un qui communie, et cela de la maniere
du monde la plus édifiante."
Wij hebben die woorden van Racine onvertaald overgenomen,
om de kracht der uitdrukking niet te verminderen. Het maakt
een zonderlingen indruk een zoo stichtelijke taal te hooren van
den zanger van ^^Phèdre'' en y^Henmone\ van den vroegeren min-
naar van La Champmeslé (eene Fransche tooneelspeelster) ; —
maar in 1692 was Racine tot rijpen leeftijd gekomen, hij was ge-
trouwd, huisvader; en het Fransche hof, en dus geheel Frankrijk,
was toen kerksch; — kerksch, men verwarre dit niet met
godsdienstig.
Toen La Casotte genomen was, deed Vauban den aanval op
het fort Koning Willem met meer kracht doorzetten. De ver-
dediging van dit fort is zeer geroemd; en wij gelooven met
recht; maar om met volkomen zekerheid hierover te kunnen oor-
deelen moet men den juisten toestand kennen van die sterkte,
op het oogenblik van het beleg; en daartoe zijn wij niet ge-
heel kunnen geraken.
Het fort Koning Willem was toen nog niet afgewerkt, — dat
is zeker; het was een soort van hoornwerk, vrij onregelmatig;
gelegen op een hoogte aan de westzijde van Terra Nova en
van het kasteel, waarmee het in verband had moeten worden
gebracht door buitenwerken; maar die buitenwerken bestonden
nog niet. Wél was er, tusschen fort Koning Willem en Terra
Digitized by
Google
152 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Nova een lunet met gemetselde escarpe en contrescarpe, en met
de keel sluitende aan de Sambre; maar die lunet, hoezeer op
den rechteroever van de Sambre gelegen, werd gerekend lot
de vestingwerken van de stad en was daarom, bij de overgave
van de stad, aan de Franschen ingeruimd en door Vauban bezet
met 50 fuseliers. De gemeenschap van fort Koning Willem met
Terra Nova en het kasteel kon dus zonder veel moeite door
den belegeraar worden afgebroken. Voor het overige wordt ge-
zegd, dat het fort Koning Willem goed gedefileerd was tegen
alle nabijzijnde hoogten; en dat Vauban zevenmaal zijne batte-
rijen heeft moeten veranderen, alvorens daarmee uitwerking tegen
het fort te kunnen doen; — wij maken daaruit op, dat het tracé
van het fort met groote bekwaamheid was ontworpen; maar ge-
heel duidelijk is ons de zaak toch niet.
Maar een voornaam punt bij- het beoordeelen van de waarde
van fort Koning Willem, is de vraag: waren daar, in 1692,
kazematten of bomvrije lokalen? De waarschijnlijkheid is er
voor, dat zij er geweest zijn; want de hoofdwal was voltooid,
en onder dien hoofdwal moet men dan toch de kazematten
zoeken. Maar uit het levensbericht van Coehoorn, door zijn zoon
geschreven, zou men haast opmaken dat er geen kazematten zijn
geweest; want ziehier wat daarover voorkomt op bladzijde 10
van dat levensbericht, door Sijpesteyn uitgegeven: ...>il n'y avoit
point de casemattes pour y pouvoir loger Ie monde k couvert
des bombes et des feux d'artifice, que les assiégeans y jettèrent
en grand nombre, dont la garnison fut extrêmement inquiettée
et incommodée." — Nu zijn die woorden van >Gosewijn Theo-
door baron van Coehoorn" wel eenigszins dubbelzinnig: zij
kunnen, beduiden, dat in de door zijn vader verdedigde sterkte
volstrekt geen kazematten waren ; maar zij kunnen ook beduiden,
dat er geen kazematten genoeg waren voor de geheele bezetting.
Omtrent dit belangrijke punt, waarvan de waarde van de vesting
voor een goed deel heeft afgehangen, blijven wij dus in twijfel.
De bewapening van fort Koning Willem hebben wij nergens
vermeld gevonden; trouwens, bij onze oude schrijvers komt zoo
iets dan ook zelden voor. De bezetting had — volgens de Euro-
pische Mercurius — eene sterkte van 1500 man; Beaurain schat
haar hooger, daar hij zegt, dat zij bij de overgave nog een 1600
man telde; zij bestond denkelijk uit Spaansche, Brandenburgsche
en Hollandsche troepen. Maar wie was bevelhebber? — Bij de
overgave is de capitulatie onderteekend door den > Baron de
Heyde"; andere opgaven noemen den generaal Wijnbergen als
bevelhebber; — wie het van rechtswege is geweest, laten wij
daar; maar metterdaad is het Coehoorn geweest: hij was in fort
Koning Willem; hij had het gebouwd; hij had, veel meer dan
Digitized by
Google
NAMEN. 153
Heyden en Wijnbergen, verstand van den belegeringsoorlog 5 hij
wist zijn gezag krachtig te doen gelden; en dus is hij de ware
bevelhebber geweest, niettegenstaande Heyden en Wijnbergen
generaals waren, en Coehoorn eerst generaal werd kort daarna;
tijdens het beleg bekleedde hij geen hoogeren rang dan dien
van kolonel.
Geen ©ogenblik deed Vauban na den val van La Casotte
verloren gaan om met kracht verder te doen arbeiden aan de
amvalswerken tegen fort Koning Willem. In den nacht van 13
op 14 Juni vorderde men ongeveer 500 pas naar de zijde van
de keel van het fort; den i4en breidden de belegeraars zich
rechts uit, en wierpen zij twee batterijen op tegen «Koning
Willem" en tegen het kasteel: den nacht daarop begonnen zij
loopgraven te maken van de zijde van de abdij van Salsenne —
of Solsine — aan de Sambre, en kwamen daarmee tot op 300
pas afstands van den bedekten weg van fort Koning Willem.
Volgens Beaurain was op den 15^0 het geschut van Coehoorn
bijna geheel gedemonteerd; ónze opgaven laten niet toe dit te
bevestigen of te weerspreken; maar onwaarschijnlijk is de zaak
niet, let men op het groot aantal batterijen, die, volgens het
belegeringsplan, op het fort zijn gericht: aan de noordzijde, bij
de Sambre, 5 kanonbatterijen, waarvan drie aan de overzijde
der rivier, en twee op den rechteroever; aan de zuidzijde op
zijn minst 3 kanonbatterijen op een gemiddelden afstand van
300 el van het fort, en 3 mortierbatterijen ; het getal vuurmonden
op die batterijen wordt niet opgegeven; maar het is duidelijk,
dat dit getal niet zóó klein kan zijn geweest, of van het geheel
was toch een geduchte vuuruitwerking te wachten.
Den i5en en i6en Juni kwam de belegeraar zeer dicht bij een
voorliggenden bedekten weg van » Koning Willem"; ook werkte
hij aan eene dubbele sappe, om de gemeenschap af te snijden
van het fort met het kasteel; bij de nadernissen aan den kant
van Salsine kwamen de loopgraven van den belegeraar tot tus-
schen het kasteel en de kleine lunet aan de Sambre, die door
50 Fransche fuseliers was bezet. Hier echter werd de belegeraar
eenigen tijd gestuit door een uitval die Coehoorn deed, aan het
hoofd van een 3 k 400 man, den lyen Juni, met het krieken
van den dag. Die uitval, gericht tegen de nadernissen aan den
kant van Salsines, heeft, volgens ónze opgaven, volkomen vol-
daan: van de 100 Fransche grenadiers die dddr, in de loopgraaf,
waren, ontkwamen slechts enkelen; een bataljon Zwitsers, ter
hulp van de grenadiers toegesneld, wierp Coehoorn's soldaten
wel terug, maar eerst na een scherp gevecht, en nadat een goed
deel van de loopgraven was vernield.
De Fransche opgaven stellen, zooals gewoonlijk, de zaak voor
Digitized by
Google
154 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWIKGEy.
als van veel minder gewicht; maar toch kan men uit wat bij
Beaurain daarover voorkomt, duidelijk opmaken dat de uitval
gelukt is ; hij zegt van de belegei den : » zij brachten groote wan-
orde teweeg onder de werkers; omstreeks dertig soldaten daar-
van, en twee of drie officieren, werden gedood; maar de loop-
graven-wacht wierp hen dadelijk terug, en herstelde in weinig
tijds de vernieling aan de loopgraven." — Racine bepaalt er
zich toe, te zeggen dat de belegerden bij hun uitval tegen de
linkerzijde der loopgraven »daar eenige wanorde deden ontstaan.
Maar de Zwitsers, die daar de wacht hadden, wierpen hen
dadelijk terug, en herstelden in zeer weinig tijds wat er vernield
was aan de nadernissen. Aan weerszijden sneuvelden een 40 k
50 man." De Europische Mercurius stelt den uitval op den i8en,
de Fransche opgaven daarentegen op den lyen Juni; de laatste
zijn hier het meest betrouwbaar.
Na dien uitval van den lyen verloopen er vijf of zes dagen
waarin de belegeraar niets anders doet dan zijne aanvalswerken
voortzetten en onverpoosd het vuur van zijne batterijen richten
op » Koning Willem"; den i8en, of den iQcn Juni, is de gemeen-
schap van dat fort met het kasteel zoo goed als geheel afge-
broken door de voortgezette dubbele sappen; aan het hoofd
van die dubbele sappen zijn scherpschutters om hunne schoten
te richten op ieder die het waagt den afstand tusschen het fort
en Terra Nova — een 200 el (meters) — te doorloopen. De
Europische Mercurius spreekt van »de weg van communicatie
welke na 't Kasteel leidde"; — daaruit zou men moeten op-
maken, dat. er eene caponnière was tusschen het fort en het kas-
teel; dat is echter niet aan te nemen; want in de Fransche
opgaven komt niets voor wat maar in het minst daarop gelijkt;
en op het plan van de belegering, bij Beaurain, is van zulk een
caponnière niets hoegenaamd te zien.
Even bezijden de waarheid schijnt de opgave, in de » Mercurius"
voorkomende, dat op den 21 sten Juni tusschen negen uur *s och-
tends en twee uur des namiddags, de Franschen herhaaldelijk
het fort Koning Willem hebben bestormd, maar dat die stormen
telkens zijn afgeslagen; — de Fransche opgaven hebben geen
enkel woord over die bestormingen op den 21 sten; en Bosscha
neemt ze dan ook niet als waar aan; wij evenmin.
Maar den 2 2sten Juni oordeelt Lodewijk XIV, dat fort Koning
Willem lang genoeg geteisterd is door het vuur van de Fransche
batterijen, om tot eene bestorming over te gaan van de twee
bedekte wegen vóór den linkervleugel van het hoornwerk; — in
dien linkervleugel zelf was eene bres, die echter nog niet goed
beklimbaar was, en bovendien bestreken kon worden door het
geschut van het kasteel. Om zes uur *s avonds komen 8 com-
pagnieën grenadiers en 8 compagnieën fuseliers in de loopgraven,
Digitized by
Google
NAMEN. 155
om de bestorming te doen; terwijl de 7 bataljons die de loop-
graven-wacht uitmaken, gereed staan om eiken uitval te keeren.
's Avonds om negen uur wordt het sein voor den storm ge-
geven: een salvo van 6 kanonnen. De grenadiers en fuseliers
springen uit de loopgraaf, snellen naar den bedekten weg, ver-
meesteren dien, vervolgen de verdedigers op den voet, en nemen
ook den tweeden bedekten weg; dit alles na scherpe gevechten,
waarbij onder anderen Coehoorn ernstig aan het hoofd werd ge-
wond. In hun onstuimige drift gingen eenige Fransche soldaten
zelfs door de gracht van het fort, en beklommen de vrij moeie-
lijke bres. De bezetting van fort Koning Willem schijnt toen de
verdere verdediging ondoenlijk te hebben geacht; denkelijk zal
het buiten gevecht stellen van Coehoorn hiertoe hebben bijge-
dragen; in zijn levensbericht, door zijn zoon, komt ook voor,
dat eenige Duitsche troepen van de bezetting oproerig werden,
en op capitulatie aandrongen.
Hoe het zij, de Chamade werd geslagen; men trad in onder-
handeling; en de overgave van het fort volgde op den 23sten
Juni, met vrijen aftocht voor de bezetting. Volgens Beaurain
trok die bezetting, op den middag van den 23sten Juni, met
slaande trom en vliegende vaandels door de bres weg; ^—
wat niet geheel en al overeenstemt met de vroegere opgave, dat
die bres >zeer moeijelijk te bestormen" was.
Alleen aan den tachtig jarigen generaal Wijnbergen werd ver-
gund naar het kasteel van Namen te vertrekken; al de andere
verdedigers van het fort gingen op marsch naar Gent. Die marsch
was door de Franschen zoodanig geregeld, dat de bezetting een
grooten omweg moest maken; denkelijk met het inzicht, haar
meer te vermoeien, en daardoor de soldaten meer aan te sporen
om over te gaan in P'ranschen krijgsdienst, wat ook met velen
gelukte. Die laatste omstandigheid verklaart misschien het ver-
schil in sterkte van de bezetting, volgens de Fransche opgaven
en volgens de onze: Beaurain zegt, dat de bezetting, bij de
overgave, 80 officieren en 1564 soldaten telde; de Europische
Mercurius 81 officieren en omtrent 1200 soldaten; misschien is
de eerste opgave de sterkte waarmede men uittrok, de tweede
de sterkte waarmede men te Gent aankwam.
De verdediging van fort Koning Willem in 1692 is goed en
krachtig geweest, en verdient geroemd te worden; dit is zelfs
door de Franschen gedaan; onder anderen doet dit Racine, die
— in den brief, den 24sten Juni uit het kamp voor Namen aan
Boileau geschreven — na eerst voor zijn vriend het fort Koning
Willem te hebben beschreven, aldus vervolgt: »de Ingenieur die
het heeft ontworpen en die alles bestuurd heeft wat daar is ge-
daan, is een Hollander, met name Cohorn. Om de sterkte te
Digitized by
Google
156 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
verdedigen had hij zich daarin begeven, en er zelfs een graf
laten maken, zeggende dat hij daar begraven wilde worden. Mét
de bezetting trok hij er gisteren uit, gewond door een bomscherf.
Mijnheer De Vauban heeft hem uit nieuwsgierigheid opgezocht,
en, na hem veel lof te hebben toegezwaaid, hem gevraagd, of
hij meende dat de wijze van aanval beter had kunnen zijn? De
ander heeft hem geantwoord: dat als hij op de gewone wijze
was aangevallen, met loopgraven tegen de courtine en de halve
bastions, hij zich nog wel veertien dagen langer zou hebben
verdedigd; maar dat, toen de loopgraven hem van alle zijden
omgaven, hij gedwongen was zich over te geven."
Van de bezetting zegt Racine: »zij was nog vijftienhonderd
man sterk, troepen die er zeer goed uitzagen. De voornaamste
aanvoerder, Mijnheer De Virabergue, is bijna tachtig jaar; daar
hij bovendien zeer geleden had door de vermoeienissen van de
laatste veertien dagen en niet meer gaan kon, had hij zich laten
dragen naar de kleine bres, door ons geschut vuur gemaakt, van
zins om daar te sterven, met den degen in de hand. Hij is het
die de capitulatie heeft gesloten; en hij heeft er in laten zetten,
dat het hem vergund wordt om naar het kasteel te vertrekken,
en daar deel te nemen aan de verdediging tot aan het einde
van het beleg. Gij ziet daaruit wie de menschen zijn die tegen-
over ons slaan; en dat al de wetenschap en al de voorzorgen
van Mijnheer De Vauban noodig zijn om tal van dappere
mannen te behouden, die zich zonder nut zouden willen op-
offeren."
Indien Wijnbergen, toen hij naar het Namensche kasteel ver-
trok, gehoopt heeft daar eene even goede verdediging bij te
wonen als die van fort Koning Willem, dan is hij deerlijk teleur-
gesteld: die verdediging van het kasteel is slecht geweest en
heeft korter geduurd dan die van het onvoltooide buitenfort.
Dadelijk na de overgave van fort Koning Willem wierp de
belegeraar, in de keel van dat werk, een kanonbatterij en twee
moriierbatterijen op, om daarmede Terra Nova te bestoken. Het
front van aanval was nu kleiner geworden, en daar men boven-
dien den belegerde geen groote uitvallen zag doen, werden de
loopgraven der Franschen minder sterk bezet, en de daar ver-
blijvende macht van 7 bataljons op 4 verminderd. Het vuur der
batterijen werd rusteloos voortgezet tegen Terra Nova; en de
loopgraven, nu een gesloten geheel vormende van de NIaas tot
de Sambre, waren spoedig zeer nabij den dubbelen bedekten
weg, vóór dat deel van Terra Nova dat men wilde aanvallen,
een soort van hoornwerk. Den 28sten Juni gaat de belegeraar
over tot de bestorming, die door 9 compagnieën grenadiers en
Digitized by VjOOQIC
NAMEN. 157
9 compagnieën fuseliers moet worden verricht, ondersteund —
zoo noodig — door de bataljons van de loopgraven-wacht. De
Fransche koning, die gaarne zulk eene handeling op een afstand
zag, neemt zijn standplaats in het fort Koning Willem.
Het is bijna middag; om half twaalf doet zich een salvo van
twaalf kanonschoten hooren; op dit sein snellen de bestormers
uit hunne loopgraven naar de beide bedekte wegen, vermeesteren
die, en vervolgen den vluchtenden verdediger tot in de gracht,
en tot op den hoofdwal van Terra Nova. De bestormers dringen
vooral door naar het halve bastion, dat links van hen is; hier
was een kleine bres, die beklommen wordt door eenige Fransche
grenadiers; — maar men acht die bres nog te steil en te
moeielijk, om zich te wagen op den hoofdwal van het hoorn-
werk; men bepaalt zich tot het bezetten van eene contregarde,
vóór het linker half-bastion; men graaft zich daar in, evenals
bij de vermeesterde bedekte wegen.
De tegenstand van den belegerde schijnt hier niet bijzonder
groot te zijn geweest. De eerste bedekte weg was verlaten; bij
den tweeden werd gevochten, maar niet lang: de verdediger
haastte zich om weg te komen, door de poternen die naar de
droge gracht voerden; hier, bij de vervolging door de bestor-
mers, ondervond hij de meeste verliezen, evenals vroeger door
het geschutvuur des belegeraars; de Franschen — zooals uit den
aard van de zaak volgt — leden het meest terwijl zij bezig waren
met zich in te graven, en nog niet gedekt waren tegen het vuur
dat de verdediger van achter de borstwering van het hoornwerk
op hen richtte. Eene Fransche opgave zegt, dat bij die bestor-
ming de belegerde ruim 300 man, de belegeraar 2 k 300 man^
heeft verloren; — denkelijk hebben dus die verliezen elkander
niet veel ontloopen.
In den nacht van 28 op 29 Juni doet Vauban de afdaling
in de gracht verrichten, en daarop mijnkamers maken in het
muurwerk van de twee halve bastions en van de courtine van
het hoornwerk; — er wordt niet gezegd, dat de belegerde het
allerminste heeft gedaan om dien arbeid te verhinderen. Het
stond nu in de macht van den belegeraar om het geheele front
van het hoornwerk te doen springen, en door die wijde bres
binnen te stormen; — maar, liet men die borstwering vernielen,,
dan zou men later geld moeten uitgeven om ze weer op te
bouwen ; en men meende met minder kosten meester te kunnen
worden van Namen. Hierin bedroog men zich niet. In den
nacht van den 29sten op den 3osten Juni beklimmen 15 Fransche
grenadiers de bres van het linker halve bastion; zij vinden dat
werk onbezet, of zoo goed als onbezet; zij vermeesteren het dus
zonder moeite; al meer en meer worden die grenadiers versterkt
door andere Fransche troepen ; de belegerde verlaat daarop ook
Digitized by
Google
158 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
het rechter halve bastion; en bijna zonder slag of stoot zijn de
Franschen meester van geheel Terra Nova, waar zij zich dadelijk
ingraven.
De belegerde had niets gedaan om de bres te verdedigen,
zelfs niets om haar te bewaken; hij had niets gedaan om door
een krachtigen tegenaanval den kleinen hoop binnendringende
vijanden terug te drijven; hij was gevlucht, zonder strijd. Wat
er nu volgde zette de kroon op die lafhartigheid. Wel was het
voorliggende Terra Nova verloren, maar nog bleef het eigenlijke
kasteel over, een geduchte sterkte, met verschillende achtereen-
volgens te verdedigen fronten; en om die verdediging te voeren,
had men eene bezetting van nog 4500 man. Bene krachtige en
langdurige verdediging was dus mogelijk; haar te ondernemen,
was plicht. Maar geen oogenblik wordt aan zoo iets gedacht;
reeds den 3osten Juni, om zes uur 's ochtends, laat Barbangon
de Chamade slaan, treedt in onderhandeling, geeft de vesting
over, en trekt den isten Juli met zijne bezetting naar Leuven,
onder voorwaarde dat die bezetting in de eerste drie weken niet
zal optreden tegen de Franschen. De bezetting van het Namensche
kasteel trok uit door eene bres; — maar om dit mogelijk te
maken moest die bres eerst behoorlijk worden afgegraven.
Zoo viel Namen, na een beleg van niet veel meer dan eene
maand tijds. Dat beleg had aan het Fransche leger ongeveer
een 3000 man gekost, aan gesneuvelden; maar meer nog werd
het verzwakt door ziekten, ontstaan door het natte weer, door
vermoeienissen, en ook door ontberingen. Want wél waren de
Fransche magazijnen in de noordelijke grensplaatsen genoegzaam
voorzien; maar de aanvoer uit die magazijnen naar het leger
voor Namen was niet zonder bezwaren. Zoo wordt vermeld dat,
tijdens de aanvallen tegen fort Koning Willem, een Fransch
konvooi van 7 ^ 800 wagens met leeftocht en paardevoêr en
begeleid door 600 man voetvolk en dragonders, tusschen Beau-
mont en Philippeville werd aangevallen door eene afdeeling van
de bezetting van Charleroi; die afdeeling — 600 man voetvolk
onder den kolonel Heiden, en 400 ruiters onder den kolonel
De Bay — sloeg het Fransche geleide, en nam of vernielde toen
het konvooi, vóórdat de ter hulp toesnellende bezettingen van
Beaumont en van Philippeville dit konden beletten.
Dat het verlies van zulk een konvooi een groot nadeel was
voor het Fransche leger, behoeft geen uitvoerige toelichting;
vooral voor de ruiterij was dit nadeelig. Aanvankelijk had men
het paardevoêr gevonden in de landstreek waar men was; maar
spoedig moest dit ophouden; en van den i3en Juni afhebben
er regelmatige uitdeelingen plaats van fourage, uit de magazijnen ;
onder andere aan haver werd uitgedeeld voor ieder paard een
Digitized by
Google
NAMEN. 159
halve Fransche bohseau daags; — wij laten dat woord boisseau
onvertaald; want namen wij daarvoor ^cheper dan zou men
misschien denken aan »het Amsterdamsche schepel**, en dat is
niet hetzelfde: de Fransche boisseau stond gelijk met 13 kop
van onze nieuwe maat; het Amsterdamsche schepel met 27 kop. —
Alleen bij het leger van LuxembouVg werden 30000 boisseaux
haver, daags, uitgedeeld; dus — volgens Bartjens — waren er
bij dat leger 60000 paarden. Verkeerd zou het zijn dit cijfer
aan te nemen voor de sterkte van de ruiterij; want men had
een menigte pairden noodig voor de staven, voor de hoofd-
officieren, voor de bespanningen van het geschut en van de tal-
looze wagens beladen met de bagage en met het tentgereedschap ;
misschien dat niet veel meer dan de helft van het cijfer — een
30000 paarden — tot de ruiterij heeft behoord.
Wij willen thans, met een enkel woord, een oordeel uitbrengen
over de handelingen van de wederzijdsche partijen bij en tijdens
dit beleg van Namen.
De handelingen aan de Fransche zijde verdienen hoogen lof;
de inneming van Namen in 1692 is een grootsch en roemrijk
wapenfeit geweest. Boileau, die twintig jaar vroeger den roem
van Lodewijk XIV had bezongen bij den overtocht van den
Rijn aan »het tolhuis*', was ook nu de zanger van Namens val,
en weer even ondichterlijk als vleiend voor zijn Koning. Na
met veel bombast den oorlogsstorm te hebben geschetst waardoor
Namen werd geteisterd, stelt hij daarin den Koning voor:
»Contemplez bien ces approches,
voyez détacher ces roches,
voyez ouvrir ce terrein,
et dans les eaux, dans la flamnie,
Louis, ^ tout doDDant l'ame,
marcher tranquille et serein.
Voyez dans celte tempête
partout se montrer aux yeux
la plume qui ceint sa tête
d'uQ cercle si glorieux.
A sa blancheur remarquable
toujours un sort favorable
s'attache dans les combals;
et toujours avec la gloire,
Mars, et sa soeur la victoire,
suivent eet astre a grands pas."
»Ik heb mij hierin gewaagd aan nieuwigheden,** schrijft Boileau
aan zijn vriend Racine, hem de ode toezendende op de inneming
van Namen; tik heb zelfs gewaagd van de witte pluim die de
Digitized by
Google
l6o KRIJGS- IN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Koning op zijn hoed heeft. Maar ik ben van nieening, dat als
men in verzen wat nieuws wil zeggen, men gewagen moet van
zaken die nog niet in verzen zijn behandeld... De ode zal
achttien stanzas hebben; dat maakt honderd en tachtig verzen.
Ik dacht niet dat zij zoo groot zou worden."
Het is alsof men een behanger hoort spreken: ivoor die
kamer zijn zooveel vierkante ellen tapijt noodig; voor die kamer
zooveel; — ik dacht niet, dat ik zooveel goed zou noodig heb-
ben." — Boileau is een zeer verstandig man; zijne hekeldichten
zijn uitmuntend; maar voor het overige moet men hem niet
toetsen aan het » gevoel, verbeelding, heldenmoed" van Da Costa;
want dan blijft er niet veel van hem over; dan komt men tot
de overtuiging, dat hij een zeer ondichterlijk dichter is geweest.
Maar laten wij Boileau en Lodewijk XIV — den Koning met
de drie schanskorven — op zij stellen; erkennen moet men, dat
die veldtocht van 1692 in de Nederlanden luisterrijk is geweest
voor den Franschen wapenroem. 't Is waar, de strijdkrachten
van Frankrijk aldaar waren toen groot; het leger was talrijk,
goed samengesteld, goed uitgerust ; bij het beleg heeft niets ont-
broken wat tot het welslagen noodig was; — dat alles zijn
middelen om tot de overwinning te komen ; maar dat alles is
niet genoeg; men moet ook partij weten te trekken van die
middelen; er is een goede aanvoering noodig, de hoofdzaak bij
een oorlog; en aan die goede aanvoering heeft het Frankrijk in
1692 in de Nederlanden niet ontbroken.
Twee mannen hebben hier geschitterd : Luxembourg enVauban.
Luxembourg heeft op meesterlijke wijze zijn taak volbracht,
het dekken van de belegering van Namen, 't Is waar, het geluk
heeft hem daarbij gediend; het slechte weer en de menigvuldige
regens die dagen lang het Willem III onmogelijk maakten om
de Méhaigne over te trekken, waren gunstige omstandigheden
voor het Fransche leger, en gunstige omstandigheden waarop
men niet had kunnen rekenen. Maar ook zonder die omstandig-
heden zouden de kansen op de overwinning voor de bondge-
nooten niet groot zijn geweest, want Luxembourg's stelling achter
de Méhaigne was met zooveel bekwaamheid gekozen, dat daar-
door de kans op de overwinning voor de Franschen zeer groot
was, een verloren veldslag hun geen overgroot nadeel zou heb-
ben toegebracht, en een gewonnen veldslag hen in staat zou
hebben gesteld om den bondgenooten beslissende verliezen toe
i^«9 te brengen; — wat wil men van een legerhoofd meer vorderen:
wiskundige zekerheid van de overwinning, kan niemand ooit
geven. — Ook later weet Luxembourg met zooveel beleid te
werk te gaan, dat hij voor de bondgenooten steeds den weg
naar Namen afsluit; of, zoo zij tot daar willen doordringen, hen
Digitized by
Google
NAMEN. ' l6l
dwingt eene sterke stelling aan te vallen, waar — vooral bij de
taktiek van die dagen — de verdediger altijd verreweg de meeste
kansen heeft op de overwinning.
Vauban heeft zich bij deze belegering van Namen weer be-
toond als de groote meester in de kunst om eene vijandelijke
vesting te doen vallen, in den minsten tijd en met de minste
opofferingen ; daarin vooral ligt zijn grootheid, veel meer dan in
het bouwen van vestingen. Zeker, Vauban werd hier — evenals
Luxembourg — door de omstandigheden begunstigd: hij had te
doen met een nog niet geheel voltooide vesting, en door het
verraad van den vroegeren commandant van Namen kende hij
den toestand van die vesting; — gunstige omstandigheden, maar
alleen mannen van bekwaamheid weten daarvan partij te trekken.
De wijze waarop Namen werd aangevallen, en de voortvarend-
heid en orde, daarbij betoond, verdienen hoogen lof. Coehoorn
heeft den naam, dat wanneer hij eene vijandelijke vesting be-
legert, hij zijn toevlucht vooral neemt tot de aanwending van eene
zeer krachtige artillerie ; maar ook Vauban versmaadt dat middel
niet, als hij het noodig oordeelt; onder andere is het beleg van
Namen in 169a daarvan het bewijs.
Gaat men nu over tot de beschouwing van de tegenpartij, dan
moet het oordeel minder gunstig luiden.
De verdediging van Namen in 1692 is slecht geweest. Het fort
Koning Willem, ja, öé.t heeft zich goed verdedigd; en de eer
daarvan komt hoofdzakelijk toe aan Coehoorn, hij was niet alleen
een groot vestingbouwkundige, maar ook een dapper soldaat,
een oorlogsman van den goeden stempel. Of nu zijne verwonding
oorzaak is geweest, dat fort Koning Willem zich vroeger heeft
overgegeven dan het anders zou hebben gedaan, — is een
moeilijk te beantwoorden vraag: als dit niet was gebeurd, zou
dat dan wél zijn gebeurd? dit soort van vragen te behandelen,
is meestal een ijdel werk. Maar wat hiervan zij, zooveel staat
vast: Coehoorn heeft zijn plicht gedaan; de verdediging van
fort Koning Willem is goed geweest. — Maar die verdediging is
ook het eenige lichtpunt bij de geheele verdediging van Namen.
Zie, allereerst, wat er met de stad gebeurt. In den nacht van
29 op 30 Mei worden de loopgraven geopend, en reeds den
S^n Juni wordt de capitulatie gesloten; — een wederstand van
een week tijds. Ja maar, in een week tijds kan veel zijn voor-
gevallen, kunnen veel heldenfeiten zijn verricht; — hier is —
wij spreken van de verdediging — niets bijzonders voorgevallen,
hier is niets geboekt wat maar in het minst op een heldenfeit
gelijkt. De loopgraven worden geopend, zonder dat er iets be-
proefd wordt om dit tegen te gaan; de aanvaller brengt zijne
WILLEM iir. — III. II
Digitized by VjOOQIC
102 KRIJGS' EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
batterijen in werking, zonder dat er iets gedaan wordt om dit
te verhinderen *, de loopgraven naderen al meer en meer de ves-
ting, zonder dat er een uitval wordt ondernomen om dien voort-
gang te keeren. Carnot is van oordeel, dat, bij een beleg, de
verdediger in het begin slechts een dauwen wederstand moet
bieden, ten einde zooveel te meer zijne krachten te sparen voor
den hoofdstrijd bij de bressen; wat het flauwe van den weder-
stand bij het begin van het beleg betreft, heeft de verdediger
van de stad Namen trouw het voorschrift gevolgd, door Carnot
in later eeuw gegeven; maar toen het er op aankwam om den
beslissenden strijd bij de bressen te voeren, toen schoof hij Car-
not's voorschrift op zij, en gaf, zonder dien strijd af te wachten,
de stad dadelijk over. De verdediging van de stad Namen in
1692 is beneden alle kritiek geweest; het zou een ijdel verspillen
van woorden zijn, dit nog in het breede te willen aanloonen.
Met het kasteel van Namen is het niets beter gegaan; ook
ddt heeft zich maar een week lang verdedigd ; — en het kasteel
van Namen had, ook door zijn ligging, een veel grootere sterkte
dan de stad ; en terwijl men, voor de spoedige overgave van de
stad, nog het sprookje kon aanvoeren, dat men de burgerij niet
wilde blootstellen aan de noodlottige gevolgen van een gelukten
storm, miste men bij het kasteel zelfs die nietige uitvlucht. Wil
men den staf breken over de handelingen van den verdediger,
dan is het voldoende om te wijzen op de jammerlijke, ellendige
manier, waarop bij Terra Nova is te werk gegaan.
Ziehier op welke wijze Racine de spoedige overgave van het
kasteel van Namen verklaart. Na xie vermeestering van Terra
Nova te hebben vermeld, laat hij daarop volgen:
»Nog bleven er twee andere werken over, bijna gelijksoortig, niet
minder moeielijk aan te vallen dan de vorige, en die groote graéhten
hadden, zeer diep, in den rotsgrond uitgehouwen. Achter dat alles
kwam dan het eigenlijke kasteel (Ie corps du chateau), alleen reeds
voldoende om een aanvaller lang tegen te houden, en hem de
laatste schreden die hij te doen had, zeer duur te doen betalen.
Maar de opperbevelhebber, die zag dat zijne bezetting ont-
moedigd was, zoo door het onophoudelijke vuur met kanons-
kogels en bommen, als door de onvermoeide dapperheid der
belegeraars, en die merkte hoe weinig staat er was te maken op
de ijdele beloften van ontzet waarmede de Prins van Oranje
hem sinds een maand paaide, dacht er slechts aan om zich op
eervolle voorwaarden over te geven, en vroeg eene capitulatie."
Ook Beaurain zegt, dat de belegerden, >vreezende veel te
zullen lijden van de bommen, en uitgeput van vermoeienis, en
geen hoop hebbende op ontzet, den 3osten, om zes uur 's och-
tends, de Chamade sloegen, en vroegen om te capituleeren."
Digitized by
Google
NAMEN. 163
In het dagboek van Huygens (2* deel, blz. 89) komt voor:
dat een Rhijngraaf van Salms, die in het kasteel van Namen
was geweest, na de overgave zeide: »dat sij daer in 't eynde
schier niets als boonen gegeten hadden, en seer slecht water ge-
hadt om te drincken."
En eindelijk zegt de Europische Mercurius van de overgave
van het kasteel van Namen : 1 maar d'officiers welke het Kasteel
verdeedigden. moeten malkander noodzaakelijk niet wel hebben
verstaan, dewijl men andersins heel beswaarlijk kan begrijpen,
dat het zich zo haast zou hebben overgegeven, zijnde er noch
zo veele werken te veroveren."
Is er in die verschillende oordeelvellingen iets dat onze mee-
ning weerspreekt, dat het kasteel van Namen zich slecht heeft
verdedigd? — Wij gelooven van niet.
iMen at er, op het laatst, haast niets anders als boonen, en
men dronk er zeer slecht water"; — dat is, zeker, zeer onaan-
genaam; met een krachtige erwtensoep en een goed glas bier
kan men het beter stellen ; maar toch, slecht eten en slecht
drinken mag nooit als een reden worden aangevoerd om de over-
gave van eene vesting te wettigen.
De bezetting was 1 uitgeput van vermoei jenis ;'* — hoe kan dat?
Het front van aanval bij het kasteel was niet groot; de sterkte
van de bezetting was 4500 man; dus kon er bij een goede rege-
ling van den dienst geen sprake zijn van uitputting door ver-
moeidheid.
De belegerden leden door 's vijands geschutvuur; of, zooals
Beaurain zegt, zij vreesden »veel te zullen lijden van de bom-
men," — eene verdediging die om zulk een reden wordt gestaakt,
is eene jammerlijke verdediging.
Maar men had tgeen hoop op ontzet"; — zelfs al was daar
hoegenaamd geen hoop op, toch had de verdediging zoo lang mo-
gelijk moeten worden volgehouden; en bovendien, men had geen
recht om aan dat ontzet te wanhopen.
Al die verontschuldigingen voor de haastige overgave van het
kasteel van Namen, beduiden dus inderdaad niets; en de ware
reden van die overgave zal wel geweest zijn het plichtverzuim
van de bevelhebbers; of, zooals verzachtenderwijze de Europische
Mercurius zegt, »d'officiers welke het Kasteel verdeedigden,
moeten malkander noodzaakelijk ni^t wel hebben verstaan." De
hoofdschuldige was, zooals vanzelf spreekt, de opperbevelheb-
ber, de Prins De Barbangon. De openbare meening viel dien
bevelhebber dan ook sterk aan over zijn plichtverzuim en ge-
brek aan moed bij de verdediging van Namen; en die aanvallen
gingen zóó ver, dat 's Prinsen gedrag bij die gelegenheid werd
onderworpen aan een onderzoek door een Spaanschen krijgsraad
te Madrid, en dat die krijgsraad op den i" Mei 1693 eene
Digitized by
Google
104 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
openlijke verklariDg uitgaf, waarbij Barbangon in zijn eer werd
gehandhaafd, en laster werd genoemd alles wat te zijne nadeele
was gezegd van zijn gedrag te Namen. — Is die verklaring van
den Spaanschen krijgsraad aan te nemen als onfeilbare waarheid ?
Is het lastertaal als men zegt, dat Barbangon zijne vesting slecht
heeft verdedigd? — Wij gelooven van niet.
Maar ook Willem III is bij deze gelegenheid niet vrij geble-
ven van blaam, of afkeurende beoordeeling. Aan het hoofd te
staan van een sterk en goed leger; een maand tijds te hebben
om Namen te hulp te komen, en dan niets te doen om die groote
vesting te behouden, geen veldslag leveren om haar te ontzet-
ten; — natuurlijk dat zoo iets op het algemeen een zedelijken
indruk moest maken, die niet gunstig was voor den veldheer der
bondgenooten.
Aan de Fransche zijde, bij de afgodische bewonderaars van
Lodewijk XIV, namen de jubelkreten geen einde, en sprak men
met minachting en hoon van iFrankrijk*s grooten tegenstander,
f Machtige kampvechters van Spanje,'* — roept Boileau uit —
»snel nu naar de Méhaigne, de overtocht is u vrijgelaten; men
biedt u den veldslag aan. maar gij durft dien niet aannemen;'*
— en verder zegt hij nog, »dat zelfs binnen Brussel's muren de
vaalkleurige Nassau (Nassau blème) siddert voor den Franschen
koning."
Racine heeft gepaster toon, in zijn officieel verhaal van het be-
leg van Namen; maar, vleier van Lodewijk XIV — geheel Frank-
rijk was dit toen, — rechtvaardigt hij de werkeloosheid van Wil-
lem III daarmede, dat deze verstandig genoeg was om in te zien,
dat het ijdel was om zich te verzetten tegen een krijgsonderneming
die door den Franschen koning in persoon werd bestuurd:
»In Europa heeft men op zeer verschillende wijze gesproken
over de houding van den Prins van Oranje tijdens dit beleg; en
velen hebben de redenen willen doorgronden die hem belet
hebben slag te leveren, toen het zaak scheen om alles te wagen
ten einde den val te voorkomen van eene zoo belangrijke stad,
welker verlies hem voortdurend zou worden verweten. Men heeft
zelfs beweegredenen vermeld die hem geen eer aandoen. Maar
als men kalm oordeelt over een vorst, wiens waarde wordt er-
kend, dan moet men zeggen, dat het door hem genomen besluit
van groot verstand getuigt, omdat de ondervinding van het ver-
leden hem had geleerd hoe ijdel het was om eene onderneming
tegen te gaan die door den Koning zelf werd bestuurd; en hij
zag in, dat Namen verloren was, zoodra hij hoorde dat de Koning
in persoon het belegerde. En bovendien twee geduchte legers
des Konings bijna voor de poorten van Brussel ziende, heeft hij
geoordeeld dat hij geen veldslag mocht wagen^ daar eene neder-
Digitized by
Google
MAMEK. 165
laag gevolgd zou zijn door den ondergang van de Nederlanden,
misschien door zijn eigen ondergang, door het uiteenspringen
van een verbond, dat hij met zooveel moeite had tot stand ge-
bracht."
Maar, was in 1692 de openbare meening Willem III ongunstig,
hoe moet nu het oordeel zijn over zijn veldheersbeleid tijdens
het beleg van Namen?
Bij het bespreken van die vraag stellen wij op den voorgrond :
dat Willem III in 1692 de geheele macht en dus ook de geheele
verantwoording van een legerhoofd heeft gehad. Vroeger, bij
andere veldtochten^ is dit niet altijd zoo geweest; in 1674 onder
andere was het Keizerlijke leger onder De Souches zoo goed
als onafhankelijk van den Stadhouder, en handelde dit soms ge-
heel in strijd met diens inzichten ; de verkeerde handelingen in
1674 — onder andere het opbreken van het beleg van Oude-
naarden, toen Condé tot ontzet oprukte — zijn dus in geenen
deele te wijten aan Willem III, maar wel aan De Souches. In
1693 was dit echter anders: de keurvorst van Beieren en de
onderbevelhebbers van Willem III konden raad geven; het bleef
bij raad: hij deed toch wat hij wilde. In 1692 moet men, zijn er
misslagen begaan in de leiding van den oorlog, deze niet wijten
aan onderbevelhebbers van Willem III, maar aan hem zelven.
Maar had de Stadhouder dus niet te kampen met de tegen-
streving van onderbevelhebbers, wél werd hij tegengewerkt door
omstandigheden waaraan hij niet kon verhelpen. Het gewone
nadeel van een verbonden leger had men ook hier weer, name-
lijk dat het lang duurde voordat het leger voltallig was; men ver-
loor tijd met het wachten op de Brandenburgsche troepen : eerst
den 6eo Juni sluiten deze zich bij het hoofdleger aan. Men trekt
daarop naar de Méhaigne; maar toen men daar komt, heeft er
weer een omstandigheid plaats waaraan Willem III niets heeft
kunnen doen: slecht weer, zware regens, die den overtocht van
de rivier gedurende eenige dagen ondoenlijk maken.
Maar eindelijk houdt dat slechte weer, houden die regens op;
de Méhaigne kan nu worden overgetrokken, — en nu doet men
den overtocht niet. Wij gelooven, dat men zeer verstandig
heeft gehandeld door dien overtocht niet te doen.
De rivier overgegaan zijnde zou men op den rechteroever, tot
aan de stelling van Luxembourg, een half uur gaans verder, eene
open vlakte vmden, zeer geschikt voor de werking van de over-
machtige Fransche ruiterij ; dat de stelling van Luxembourg door
opgeworpen veldwerken meer sterkte had verkregen, wordt ner-
gens gezegd; toch was zoo iets te verwachten, en men kon er
ten minste op rekenen, dat gedurende dat oponthoud van eenige
dagen, de vijandelijke stelling zoo gunstig mogelijk zou zijn inge-
Digitized by
Google
l66 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
richt voor den veldslag dien men verwachtte ; Luxembourg's
leger was^ zoo niet sterker, ten minste even zoo sterk als dat van
Willem III; — neemt men dat alles in aanmerking, is het dan
zoo onwaarschijnlijk om te gelooven, dat de aanval van de bond-
genooten op 's vijands stelline zou zijn mislukt, en zij eene neder-
laag zouden hebben geleden r En wat zou het gevolg zijn geweest
van zulk een nederlaag, onmiddellijk vóór de Méhaigne, en vóór
de bruggen, evenveel défilés vormende? — Men behoeft nog
geen groot krijgskundige te zijn om die vraag te beantwoorden.
Willem III, van den frontaanval afziende, wil daarop om Luxem-
bourg's linkervleugel heen gaan, en zoo aan de zijde van de Sambre
tot Namen doordringen ; maar Luxembourg volgt die beweging,
en plaatst zich telkens tusschen het vijandelijke leger en Namen ;
hij kiest daarbij telkens zoo sterke stellingen, dat de bondge-
nooten het niet wagen hem aan te vallen; en zoo gaat dat
voort, tot aan den val van het kasteel, Namen's laatste bolwerk.
Hierbij moet men op de volgende punten letten: vooreerst,
dat omtrekkingen, en marschen in het algemeen toen zeer moeie-
lijk en omslachtig waren; de toenmalige legers waren niet zeer
beweegbaar; het manoeuvreeren was hun zwakke zijde. Ten
tweede : dat Luxembourg, die zich op den binnencirkel bewoog,
altijd kleiner afstand had af te leggen dan Willem III, die den
buitencirkel volgde. En ten derde: dat het, bij de toenmalige
vechtwijze, meestal gemakkelijk viel om eene stelling zulk eene
sterkte te geven, dat zij moeielijk of niet was aan te vallen.
Die laatste omstandigheid vooral geeft een eigenaardig ken-
merk aan de oorlogen van dien tijd: zeer dikwijls was het toen
mogelijk een veldslag te ontwijken, door zich te plaatsen in eene
stelling, zóó sterk, dat de vijand haar niet durfde aanvallen. Later
is dat veranderd: toen de infanterie de colonne-formatie en het
tirailleur-ge vecht had aangenomen, en de artillerie te velde meer
beweegbaar en talrijker was geworden, werd het zeer moeielijk
om onaanvalbare stellingen te vinden, waar eene mindere macht
rustig eene meerdere kon afwachten: de aanvaller, met zijn veel
meer beweegbaar leger, viel die stelling in front aan of omtrok
haar en deed flankaanvallen of sloot haar geheel in.
In onze dagen echter schijnt dat kenmerk van onaanvalbaar-
heid weer aan eene stelling gegeven te kunnen worden, — wan-
neer men eenigen tijd heeft, en wanneer men slechts zorgt dat
de stelling niet geheel wordt ingesloten ; tot die uitkomst is men
vooral gebracht door de toepassing van de veldverschansing op
de taktiek en door de verbetering van de vuurwapens, iets, ge-
heel in het voordeel van den verdediger. De Turken — waarlijk
geen overvliegers in krijgskunst, maar die de groote krijgs-
deugden van dapperheid en zelfverloochening in hooge mate bc-
Digitized by
Google
NAMEN. 167
zitten — hebben getoond wat cene stelling als die te Plewna
vermag; hunne groote fout is geweest, dat zij zich te Plewna
hebben laten insluiten ; want om dien kring van insluiting te door-
breken, zijn zij toen, op hunne beurt, aanvallers moeten worden
op de goed versterkte stellingen van hunne vijanden.
Staatkundige beweegredenen kunnen ook hebben medegewerkt
om Willem lil te weerhouden van slag te leveren.
Pas was de overwinning ter zee, bij La Hogue, behaald; de
landing van koning Jakobus in Engeland was daardoor belet,
een opstand in Engeland voorkomen, de troon van Willem III
meer verzekerd ; — dit waren belangrijke uitkomsten ; maar men
had geen recht er op te rekenen, dat er nu voor goed eene be-
slissing was verkregen, en dat de staatkundige toestand, door de
omwenteling van 1688 geschapen, voortaan onaangevochten zou
blijven. Integendeel ; in Groot-Britanje woelde nog altijd de
Jakobitische partij, en had nog geenszins de hoop opgegeven
om den overweldiger — 200 noemde zij Willem 111 — weer van
den troon te stooten; zij rekende nog altijd op bijstand uit
Frankrijk, daar Tourville's nederlaag te herstellen was; en een
geheele ommekeer van zaken in Engeland wachtte misschien
slechts op eene groote nederlaag, door Willem III in de Neder-
landen geleden. Het is zeer zeker dat Heinsius, en anderen, den
toestand van zaken toen zóó hebben ingezien ; en evenzeer staat
het vast dat zij toen aan den Stadhouder den raad hebben gegeven,
geen slag te leveren en zich liever het kleinere nadeel van het
verlies van Namen te getroosten, dan zich bloot te stellen aan het
grootere nadeel van eene beslissende nederlaag.
Willem 111 heeft dien raad gevolgd, — in hem nog al iets
vreemds; het bewijst echter, dat hij zich naar de omstandigheden
wist te voegen, en dat hij wist te onderscheiden tusschen stout-
heid en roekeloosheid, tusschen volharding en het hardnekkig
doorzetten van eenmaal ontworpen plannen. Het niet slag leve-
ren om Namen te ontzetten, is in 1692 eene verstandige hande-
ling geweest; — het was echter volstrekt geen schitterende hande-
ling; en het lijdt geen twijfel, dat de tijdgenooten daarover
ongunstig hebben geoordeeld, en dat de veldheersnaam van
Willem lil daardoor, voor het oogenblik, aan luister heeft verloren.
^
Digitized by
Google
l68 KRIIGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
HOOFDSTUK XXV.
1692: STEENKERKB.
Denkelijk heeft Willem III gemeend, dat de krenking, door
hem ondervonden met het verlies van Namen, door een schitte-
rend wapenfeit moest worden hersteld; denkelijk heeft die mee-
ning aanleiding gegeven tot den slag van Steenkerke, het tweede
groote wapenfeit in dezen veldtocht en dat wij thans zullen be-
schouwen.
Den 3ea juH verliet Lodewijk XIV het leger, na den dag te
voren de vestingwerken van het veroverde Namen in oogen-
schouw te hebben genomen; over Dinant keerde de Fransche
koning met kleine dagreizen naar Versailles terug; in die hof-
stad rustte hij uit op zijne lauweren.
Het Fransche leger in de Nederlanden onderging toen eenc
vermindering, — zooals dit regel was, zoodra de Koning ophield
met in persoon op het oorlogstooneel tegenwoordig te zijn.
Vooreerst werd van het leger de bezetting afgenomen voor
Namen: 14 bitaljons voetvolk, i regiment ruiterij en i regiment
dragonders; — alles onder djn generaal Guiscard. Dan werd
De Coigny met eene afdeeling van 4 bataljons en 41 eskadrons
afgezonden naar de Duitsche grenzen, naar den Rijn, om daar
den maarschalk De Lorge te versterken; van die afdeeling van
Dd Coigny werden echter nog 2 regimenten dragonders afge-
nomen, die gevoegd werden bij eene kleine legermacht waarmede
de generaal d'Harcoart op de noordelijke grens van het Luxem-
burgsche bleef; d'Harcourt moest dat gewest beschermen tegen
de aanslagen van Flemming en Tserclaes, die toen, met de Bran-
denburgsche en Luiksche troepen, nabij Hoey stonden. Na aftrek
van deze afdeelingen, en van enkele bataljons die de bezettingen
van de grensvestingen versterkten, bleef Luxembourg aan het
hoofd van een leger van 81 bataljons en 214 eskadrons; het
leger van BoufHers, dat om zoo te zeggen met dat van Luxem-
bourg een geheel uitmaakte, bestond uit 19 bataljons en 52
eskadrons; — gezamenlijk dus 100 bataljons en 266 eskadrons;
naar schatting dus een 60000 man voetvolk en een 40000 rui-
ters, zoo wat een 100 000 man, dus een leger van nog aanzien-
lijke sterkte. Bovendien waren nog 18 eskadrons bestemd om de
liniën te bewaken, die Fransch Vlaanderen beschermden.
Hoe sterk het leger van Willem III toen was, is niet met
juistheid te zeggen; wij hebben het vroeger begroot op een
Digitized by VjOOQIC
STESNKERiCE. 169
70030 man, en het had nog geen noemenswaarde verliezen ge-
leden; maar nu beweert Beaurain, dat het binnenkort versterkt
zou worden door 8000 Hannoveranen , en door troepen uit
Engeland. Die Fransche schrijver zegt, dat de getalsterkte van
de bondgenooten niet kleiner was dan die van de Franschen;
Luxembourg — voegt hij er bij — »was niet in staat om een
beleg te ondernemen; zijne troepen hadden rust noodig, en de
ruiterij had veel geleden door het slechte weêr en door de
schaarschte van het paardevoêr.'' — Dit kan zijn; en het is dus
mogelijk dat onze schatting van de sterkte van het Fransche
leger wat te hoog is: — toch hebben wij bij die schatting het
Fransche bataljon en eskadron iets minder genomen dan de
normale sterkte van 6 k 700 infanteristen en van 160 ruiters.
Het waarschijnlijkste is, dat de wederzijdsche legermachten, in
sterkte, elkander niet veel ontliepen; wel te verstaan, wanneer
Willem III zijne geheele macht bijeen had; en dit was niet het
geval, daar de Brandenburgsche en Luiksche troepen nabij Hoey
stonden, tegenover de Fransche afdeeling van d'Harcourt, die
niet meegeteld is bij de sterkte der legers van Luxembourg en
Boufflers.
Luxembourg, die zelf geene belegering wilde ondernemen, had
voornamelijk tot taak, den vijand te verhinderen dit te doen;
daarom moest hij naar de zijde van Enghien trekken, eensdeels
om Brussel in onrust te houden, en anderdeels om spoedig naar
de zeezijde te kunnen trekken, als de bondgenooten aan die
zijde Frankrijk wilden binnendringen.
Den 2en Juli verliet Luxembourg zijne legerplaats ten noorden
van de Sambre, ging achter die rivier terug, en plaatste zich op
den rechteroever te Saint-Gérard, een kleine 3 uur ten zuiden
van de Sambre, tusschen Charleroi en Namen; hier bleef hij
eenige dagen, zoo om zijne troepen rust te gunnen, als om den
vijand te beletten 'sKonings reis naar Versailles te storen. Den
6en Juli trok Luxembourg, in westelijke richting, op Thuin ; ter-
wijl, op een kleinen dagmarsch van hem, Boufflers te Florennes
kwam. Den yen ging Luxembourg weer op den linkeroever van
de Sambre over, en sloeg hij zijn kamp op nabij die rivier, te
Merbe-Ponerie, een uur westelijk van Thuin; Boufflers kwam
toen nabij Philippeville.
Bij Luxembourg's infanterie waren er, op die marschen, een
menigte achterblijvers; zoodat de Maarschalk, om hen te be-
schermen, het zelfs noodig oordeelde, eene afdeeling af te zen-
den naar de zijde van Charleroi, om de vijandelijke bezetting
aldaar te beletten iets te ondernemen tegen die achterblijvers.
De vermoeienissen bij het beleg van Namen worden opgegeven
als de oorzaak van dien slechten toestand waarin de Fransche
infanterie zich toen bevond.
Digitized by
Google
170 KKUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Luxembourg was genoodzaakt den 8sten Juli in zijne leger-
plaats bij Merbe-Potterie te blijven^ omdat hij een konvooi
moest afwachten dat te water van Maubeuge aankwam. De voe-
ding van de legers veroorzaakte toen veel bezwaren, en belem-
merde de vrijheid van beweging. Kwam men in eene landstreek
waar in den laatsten tijd geen oorlog was gevoerd, dan kon men
daar levensmiddelen vinden voor het leger ; maar bleef het leger
daar eenigen tijd, — zooals dikwijls het geval was, — dan was
die landstreek spoedig uitgeput, en dan moesten de troepen ge-
voed worden door toevoer van elders. Het was een buitenkansje
voor een legerhoofd, als hij zijn kamp kon opslaan in een land-
streek die rijkelijk leeftocht en paardevoêr opbracht; zoo vindt
men vermeld, dat toen Luxembourg den loen Juli te Soignies
aankwam, hij den wensch uitte dat de bewegingen van de bond-
genooten hem vrijheid zouden laten om eenigen tijd in die vrucht-
bare landouwe te blijven, waar vooral zijn ruiterij goed in hare
behoeften kon voorzien. Wilde men met het leger een reeds
kaal gegeten gewest binnenrukken, dan moest ten minste brood
worden meegevoerd voor de troepen; en dan hing natuurlijk de
grootte van den marsch en de duur van het verblijf in dat gewest
hoofdzakelijk af van het aantal wagens waarover men kon be-
schikken voor dat broodvervoer : toen Luxembourg in de laatste
helft van Juli door den Koning werd aangespoord om voort te
rukken op Halle ten einde den bondgenooten onrust in te boe-
zemen voor Brussel, moest de Fransche veldheer afzien van die
handeling, omdat zijne wagens maar voor vier dagen brood
konden aanvoeren, en dus zijn verblijf bij Halle niet lang ge-
noeg kon duren om den vijand bevreesd te maken voor een
aanval op Brussel.
Behalve door de bezwaren waarmede de voeding van de troe-
pen gepaard ging, werden de marschen toenmaals ook zeer be-
moeilijkt door den toestand van de wegen, die toen in zulk een
slechten staat waren dat men zich heden ten dage daarvan nauwe-
lijks een denkbeeld kan maken. Den loen Juli trekt Luxembourg
van Ville-sur-Haisne, — zoo wat een uur ten oosten van Mons —
in noordelijke richting op Soignies; het is een marsch van 2 k
3 uur gaans, meer niet; toch bereikt slechts een deel van het
Fransche leger den loen het kamp westelijk van Soignies; het
overige komt daar eerst den volgenden dag. De zware regen die
er viel — wordt gezegd — had de diep ingezonken wegen ver-
anderd in ondoorkoorobare waterpoelen.
Wij staan stil bij deze bijzonderheden, om daardoor het tra^e,
flauwe, gebrekkige van de toenmalige oorlogsvoering eenigszins
te verklaren; dat gebrekkige moet niet altijd geweten worden
aan gemis aan bekwaamheid en veerkracht bij den veldheer:
het was zeer dikwijls het noodwendig gevolg van de samenstelling
Digitized by
Google
STEENKERKE. I7I
der toenmalige legers^ van de wijze waarop moest worden voor-
zien in hunne voeding en verpleging, en van de eigenaardige
gesteldheid van de landstreek^ vooral van den slechten toestand
der landwegen. Die slechte toestand der landwegen had ook tot
natuurlijk gevolgd dat het vrije bezit van de vaart op rivieren en
kanalen toen bij het oorlogvoeren van oneindig meer gewicht
was dan in onze dagen.
Luxembourg, den 9cn Juli te Ville-sur-Haisne gekomen, trok den
loen op Soignies, waar hij het overige van de maand bleef. Wij
hebben reeds gezien dat hiertoe gedeeltelijk besloten werd omdat
de landstreek rondom Soignies goed voorzag in de voeding van
zijn leger, vooral in het onderhoud van zijne ruiterij; maar ge-
deeltelijk werd dit standhouden ook teweeggebracht door de
vrees dat de tegenpartij eene poging zou doen om Namen te
hernemen. Willem III had na de overgave van die vesting stel-
ling genomen te Genappe, en bleef daar geruimen tijd stand-
houden; zijne dreigende nabijheid, en het bijeenbrengen te Luik
van zwaar geschut en van andere belegeringsmiddelen uit Hol-
land, deden aan de Fransche zijde de vrees ontstaan, dat de
vijand het beleg van Namen voorhad, en bewogen Luxembourg
de bezetting van die vesting te versterken met lo bataljons van
Boufflers.
Aan den anderen kant kregen de Fransche bewindhebbers
berichten uit Engeland, dat er op den Theems troepen werden
ingescheept, die bestemd waren om, in verband met afdeelingen
van het leger van Willem III, Duinkerken of Calais aan te val-
len ; op 's Konings last zond Luxembourg daarom het regiment
van Guiche naar Duinkerken, en dat van Bourbon naar Calais.
In het journaal van Huygens wordt ook gewaagd van eene
poging der bondgenooten om, in het begin van Juli, Mons te
verrassen; de Fransche schrijvers zwijgen daarover; maar wél
gewagen zij van de vrees die er toen bestond, dat Willem III
de liniën wilde aanvallen die Fransch Vlaanderen dekten.
Toen dan ook het leger van de bondgenooten den 31 sten Juli
opbrak in noordwestelijke richting, en over Brainc-le-Leud den
isten Augustus te Halle de Senne overging, en zich op den lin-
keroever der rivier, onmiddellijk ten westen van Halle, te Lem-
beek, nedersloeg, achtte Luxembourg het noodig die beweging
te volgen, en den istcn Augustus van Soignies op Enghien en
Steenkerke te trekken. De beide legers waren, te Lembeek en
te Steenkerke. nog geen 3 uur gaans van elkander verwijderd.
Boufflers, die zich om Luxembourg bewoog als een wachter om
Digitized by
Google
172 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
de planeet, kwam toen te Manuy-Saint-Jean^ op ongeveer 2^3 uur
afstands zuidwestelijk van Luxembourg's legerplaats te Steenkerke.
Maar noch Namen, noch Calais, duinkerken of de liniën van
Fransch Vlaanderen hielden toen Willem III bezig; de bedrei-
ging van die liniën en vestingen was niets anders dan een schijn-
vertooning, ten doel hebbende Luxembourg's leger te verzwakken
door het afzenden van troepen naar de bedreigde punten. Het
Fransche leger slag leveren, ziedaar wat de Stadhouder toen
voorhad; — en daar waren verschillende redenen, die dit slag
leveren toen tot eene goede en verstandige handeling maakten.
Het was aan geen twijfel onderhevig dat het niet te hulp
komen van het belegerde Namen een indruk had gemaakt,
nadeelig voor den krijgsroem van Willem III en voor het ver-
trouwen dat de bondgenooten in hem stelden ; en om dien indruk
uit te wisschen zou niets meer dienstig kunnen zijn dan het be-
halen van eene overwinning op het Fransche leger; daardoor
zou het bewijs worden gegeven, dat dit leger niet het overwicht
had op de bondgenooten, en dat het niet daaraan was toe te
schrijven dat men geen * veldslag had geleverd om Namen te
redden. Behaalde men eene overwinning op Luxembourg, dan
kon dit groote gevolgen hebben: want het jaargetijde was nog
niet zóó ver gevorderd, of men kon nog zeer goed eene be-
langrijke vesting van den vijand belegeren, of zelfs een inval
doen in Frankrijk; maar ook zonder die gevolgen zou alleen
reeds de zedelijke indruk van de behaalde overwinning een groot
voordeel zijn.
Maar was er veel kans om die overwinning te behalen?
Op die vraag moet het antwoord zijn: zekerheid van de over-
winning te behalen, is er bij een veldslag nooit; wil men zonder
die zekerheid geen slag leveren, dan levert men nooit slag; men
kan hier alleen van waarschijnlijkheid spreken; en verschillende
omstandigheden maakten het voor Willem III waarschijnlijk, dat
hij zijn tegenstander zou slaan. Veertien jaar vroeger, in 1678,
te Saint-Denis, had de Stadhouder het leger van Luxembourg
geslagen, dat sterker was dan het zijne en in eene sterke stelling
stond; in 1692 was de stelling van de Franschen bij Enghien
en Steenkerke niet zoo sterk als die bij Saint-Denis; en wat de
getalsterkte aangaat, — met volkomen juistheid kan hiervan niets
worden gezegd; maar denkelijk was het leger van den Stad-
houder toen niet het zwakste van de twee, vooral daar hij
Luxembourg op zoo beleidvolle wijze tot verschillende detachee-
ringen had uitgelokt. Het terrein was ook gunstig voor Willem III,
want in en vóór de stelling van Luxembourg was dat terrein be-
dekt met bosschen en houtgewas, en doorsneden met heggen;
het was weinig geschikt voor de aanwending van ruiterij, bijna
alleen voor voetvolk; en Willem III oordeelde met recht dat,
Digitized by
Google
STEENKBRKE. 173
•
mocht zijne ruiterij soms onderdoen voor de Fransche, zijne uit-
muntende infanterie de hunne overtrof. — En eindelijk, daar
was een bijzondere omstandigheid, die aan de bondgenooten
het voordeel der verrassing verschafte, en hen in staat stelde
om Luxembourg aan te vallen vóór dat hij zich goed had kun-
nen bereiden tot tegenwecr.
De keurvorst van Beieren, de landvoogd van de Spaansche
Nederlanden, die zich bij Willem III in het leger der bondge-
nooten bevond, had in zijn gevolg onder anderen een Jacques
Millevoix^ een muzikant. Die Millevoix had zich door den vijand
laten omkoopen om voor spie te dienen, en stond in geregelde
briefwisseling met Luxembourg, aan wien hij mededeelde wat er
voorviel in het leger van de bondgenooten-, — verraderlijke ver-
standhoudingen van dien aard behoorden toen niet tot de zeld-
zaamheden; in ónzen tijd komen zij minder voor. — Een brief
van Millevoix aan den Franschen veldheer werd onderschept,
en maakte zijne misdadige handeling kenbaar; de schuldige, ge-
grepen, verhoord, overtuigd van het misdrijf, werd veroordeeld
om levend geradbraakt te worden; de rampzalige deinsde terug
voor zoo wreed een dood; en om den zachteren dood met den
strop te sterven, stemde hij er in toe, een briefje aan Luxem-
bourg te schrijven, waarin gemeld werd, dat de bondgenooten
op den 3^0 Augustus eene groote fourageering zouden doen,
en daartoe sterke troepen afdeelingen van hen naar de zijde van
het Fransche leger zouden trekken. Dit briefje werd Luxembourg
in handen gespeeld en had het natuurlijk gevolg, dat hij er aan-
vankelijk in het geheel geen acht op sloeg, toen men hem in den
ochtend van den 3en Augustus kwam berichten, dat sterke vijan-
delijke afdeelingen het Fransche leger naderden : hij wist dat dit
geen aanval ten doel had, maar alleen geschiedde om de foura-
geering te dekken. — Den 6cn Augustus werd Millevoix opge-
hangen; — vreemd, dat men in het journaal van Huygens niets
vindt van die terechtstelling ; dit hoorde daar anders juist Ie huis.
Alvorens over te gaan tot het verhaal van den slag van Steen-
kerke, is eene korte terreinbeschrijving hier noodig.
Het riviertje de Senne, in noordelijke richting stroomende,
heeft op zijn linkeroever het dorp Steenkerke, waar zich eene
beek, van Braine-le-Comte komende, op den rechteroever in het
riviertje werpt. De Senne stroomt vervolgens, kronkelend maar
over het geheel in noordoostelijke richting, naar de stad Halle;
Halle is ongeveer 3 uur gaans van Steenkerke verwijderd; en
ongeveer ten noorden van Steenkerke — iets westelijk — heeft
men, op bijna i\ uur afstands, het stadje Enghien. Trekt men
nu rechte lijnen van Enghien naar Steenkerke en naar Halle,
Digitized by
Google
174 KRTJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
t
dan maken die t^ee lijnen mét den loop van de Senne tusschen
Steenkerke en Halle, in ruimen zin de grenzen uit van het slag-
veld van den 3en Augustus 1692. In ruimen zin: wij bedoelen
daarmee, dat er buiten dien driehoek — laten wij gemakshalve
de Senne beschouwen als een rechte lijn — toen niet is gevoch-
ten; en binnen dien driehoek slechts op een gedeelte.
Het algemeene karakter van dit slagveld was bedekt en door-
sneden terrein; >als ik hier spreek van vlakten," — zegt
Luxembourg in zijn verslag aan den Koning, — »dan moet
Uwe Majesteit zich voorstellen, dat ik spreek van een grond
die geen bosch is, maar overigens zoo doorsneden met heggen
en slooten, dat daar doorgangen moeten worden gemaakt, willen
de troepen er zich goed bewegen." Vooral op een groot half
uur oostelijk van Enghien had men groote bosschen, die van
Tirou, en andere: maar ook kleine bosschen waren verspreid
over het geheele slagveld. De grond was meestal golvend en
heuvelachtig; er wordt gesproken van > hoogten" ; het blijkt
echter niet dat die hoogten zóó aanmerkelijk waren, of zóó steile
hellingen hadden, dat zij daardoor een aanvaller bijna onover-
komelijke bezwaren in den weg legden. De landstreek was zeer
bebouwd; men had er eene menigte hoeven, molens, kasteelen,
dorpen; en behalve de niet menigvuldige landwegen had men
nog een ouden steenweg, denkelijk een Romeinschen weg, maar
die den naam droeg van ^Chaussée de Brunehauf^\ — zooals in
deze streken nog veel wegen genoemd worden naar Brunehilde,
de Frankische vorstin, die aan een wild paard werd vastgebon-
den en zóó den dood vond. Die oude Romeinsche weg, van het
noorden naar het zuiden gaande, liep tusschen Enghien en de
bosschen van Tirou; een half uur ten zuiden van die bosschen
had men, oostelijk van dien weg, het kasteel van Waret, en wes-
telijk het kasteel van Hoves; — die beide kasteelen worden hier
genoemd, omdat Hoves het hoofdkwartier is geweest van Luxem-
bourg; en het kasteel van Waret, mét het dorp Steenkerke —
zoo wat een afstand van een half uur gaans — de uiteinden van
de 5trijdplaats hebben uitgemaakt. De kleine beken die op dit
slagveld voorkomen, zijn geheel onbeduidend en behoeven dus
niet vermeld te worden; ook de Senne was een kleine rivier, en
had, in de ruimte tusschen Steenkerke en Halle, vele bruggen.
Halle en Enghien waren ommuurde steden; Enghien had aan
de zuidoostzijde een groot park, uitgebreider dan de stad zelve,
wij behoeven ons echter niet op te houden bij den toestand van
dat park en van die beide steden, daar op die punten niet is ge-
vochten; en om dezelfde reden behoeven wij ook niet in bijzoiv
derheden te treden aangaande Steenkerke en andere dorpen.
Op dit terrein nu hadden, op den avond van den 2en Augus-
tus, de wederzijdsche legers de volgende stellingen:
Digitized by
Google
STEENKERKE. 175
Beide legers kampeerden, — dat staat op den voorgrond. Het
kamp van Willem III breidde zich uit over eenc uitgestrektheid
van een anderhalf uur gaans, westelijk om de stad Halle; de
linkervleugel van het kamp was nabij het aan de Senne gelegen
Tubise; het hoofdkwartier van den Stadhouder was te Lem-
beek, achter het midden van het kamp, aan de Senne en na-
genoeg halfweg tusschen Halle en Tubise. Het is onnoodig om
verder uit te weiden over de inrichting van het kamp of over
het terrein in den omtrek, dewijl de strijd niet dddr heeft plaats
gehad.
Het kamp van Luxembourg had een uitgestrektheid van onge-
veer twee uur gaans; de rechtervleugel sloot te Steenkerke aan de
Senne, en breidde zich uit naar de zijde van het kasteel van Hoves,
een eenigszins inspringend punt, van daar liep het kamp in noor-
delijke richting, geheel in de nabijheid en westelijk van Enghien,
en bleef in die richting voortgaan tot meer dan een half uur gaans
voorbij die stad; het linker uiteinde van het kamp sloot aan een
paar dorpen; en achter den linkervleugel kampeerde nog eene
kleine afdeeling, een zoogenaamde reserve. Enghien was bezet
door eene brigade voetvolk van 4 bataljons; en vóór den uiter-
sten rechtervleugel, bij Steenkerke, kampeerden, op eene hoogte,
de infanterie-brigade Bourbonnois en 4 regimenten dragonders,
die hier als infanterie dienst deden; op die hoogte stonden ook
3 batterijen artillerie. De veiligheidsdienst werd waargenomen door
veldwachten die in het geheel 1050 man infanterie sterk waren.
In onzen tijd zou men het vreemd vinden, dat die veldwachten
haast evenzeer in den rug als in het front van het Fransche
legerkamp waren ; in die dagen moest een leger te velde niet minder
maatregelen nemen tegen desertie en maraudeeren dan tegen
eene overvalling van de zijde des vijands. Tegen die overvalling
konden dienen : drie veldwachten, aan de Senne geplaatst, bij de
dorpen Steenkerke, Rebeeck en Quenaste, — het laatste dorp
is een groot uur gaans van Steenkerke ; eene sterke veldwacht —
130 man — bij het gehucht Ie Petit Enghien^ een half uur gaans
ten oosten van de stad Enghien, en eene veldwacht bij den molen
van Haute Croix — of Aucroi>c — een half uur gaans oostelijk
van den uitersten linkervleugel van het Fransche legerkamp.
Die verschillende veldwachten waren op groote afstanden van
elkander, stonden niet onderling in verband, en konden, op dit
boschachtige terrein moeielijk eene bedekte nadering van vijan-
delijke afdeelingen verhinderen ; vooral was dit moeielijk wat be-
treft het terrein tusschen de Senne en de bosschen van Tirou,
— de grond waar men 's vijands nadering het meest had te wachten.
Om eenigszins te voorzien in dit gebrek, werden cavalerie-patrouilles
afgezonden in de richting van Halle, tot aan het dorp Sainte-Re*
nelle, op nog bijna anderhalf uur van die stad ; daar die patrouilles
Digitized by
Google
I'/Ó KRiJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
echter slechts weinig schijnen te zijn uitgezonden, baatte dit veilig-
heidsmiddel niet veel.
Over de plaatsing van de Fransche artillerie bestaat ecnige
onzekerheid ; op het slagplan bij Beaurain komt zij voor, achter
het midden van het kamp; maar, wanneer was zij öéAr ge-
komen? — Die artillerie, 40 vuurmonden sterk, was aanvanke-
lijk te Mons geweest, dus afgescheiden van het leger; den len
Augustus was zij — volgens Beaurain — weer daarbij aangetrok-
ken; maar Luxembourg's verslag aan den Koning over den slag
van Steenkerke zou doen twijfelen aan die opgave van Beaurain;
want in dat verslag wordt gezegd: >il y avoit longtemps que les
ennemis nous canonnoient avant que Taction commen^it, sans
que Ie canon de Votre Majesté püt répondre, parce qu'il n'éioit
pas encore arrivé. 11 vint bientót apiès.*' — Dat bientót rijmt
wel niet heel juist met het vroegere longtemps. — Nu is het wel
mogelijk dat men Luxembourg's woorden in dezen zin moet
verstaan: niet dat de Fransche artillerie toen nog niet was aan-
gekomen van Mons, maar dat zij nog niet was aangekomen van
het kamp. Zooveel is zeker dat èn bij Luxembourg, èn bij Wil-
lem III de artillerie heeft deelgenomen aan den slag van Steenkerke;
zoodat, wat in > Decker 's taktiek" voorkomt over het wegblijven
van die artillerie van het slagveld, geheel en al ongegrond is.
Over de sterkte van Luxembourg's leger ontbreekt het aan
gegevens, wat de ruiterij betreft; — trouwens, dit doet minder
af, daar dit wapen te Steenkerke weinig heeft verricht. Wat het
Fransche voetvolk betreft wordt n bij Beaurain genoemd 75 ba-
taljons, behalve 7 regimenten dragonders, die als voetvolk zijn
opgetreden ; van die 75 bataljons hebben er, zeker, 54 deelge-
nomen aan den strijd; van de 21 andere is dit onzeker. Aan het
leger van Boufflers wordt, in ééne opgave, eene sterkte toege-
schreven van een 20 000 man ; maar dii leger was op een 2 S 3
uur afstands van het leger van Luxembourg; de ruiterij en de
dragonders van Boufflers hebben deelgenomen aan den slag van
Steenkerke; van zijne infanterie kan dit niet met zekerheid worden
gezegd; zelfs is het waarschijnlijk dat die infanterie het slagveld
eerst na den strijd heeft bereikt. Men zal niet ver van de waar-
heid zijn als men aanneemt, dat, aan voetvolk en dragonders^
aan de Fransche zijde een 50 h. 60 000 man op het slagveld zijn
verschenen, en dat daarvan minstens een 40000 man aan den
strijd hebben deelgenomen.
Vindt men in die opgaven aangaande het Fransche leger nog
veel duisters en onbepaalds, niet minder is dit het geval wat be-
treft het leger van Willem III; wat echter bekend is over de
aanvankelijke beschikkingen, door den Stadhouder genomen voor
den aanval op het Fransche leger, getuigt onwedersprekelijk voor
zijn goed beleid als veldheer.
Digitized by
Google
STKENKERKE. I77
Om te beletten dat de vijand bericht kreeg van de toebereid-
selen tot den aanval, liet Willem III in den avond van den 2«n
Augustus het legerkamp van de bondgenooten nauwlettend be-
waken, zoodat niemand het kon verlaten. Aan de infanterie en
aan de dragonders werden kruit en kogels uitgedeeld; — dit
was toen het gebruik, als men een gevecht voorzag; in den
regel was de soldaat niet voorzien van munitie, — denkelijk
omdat men vreesde dat hij er een slecht gebruik van zou maken.
Het leger moest in drie colonnes uit het kamp opbreken; aan
het hoofd van elke colonne was eene afdeeling van 400 werkers,
bestemd om openingen te maken in de heggen, en overgangen
over de slooten ; en aan elk regiment voetvolk werden 24 pioniers-
gereedschappen uitgegeven. De generaals, die de colonnes aan-
voerden, ontvingen, mét de opgave van de troepen die onder
hunne bevelen werden gesteld, tevens de aanwijzing van de pun-
ten waarheen zij den marsch moesten richten; zij hadden tot
last om, zoodra zij nabij den vijand waren gekomen, die stel-
lingen te bezetten die hun het voordeeligst zouden voorkomen,
zonder zich in het minst om de slagorde te bekreunen.
Die beschikkingen, die men grootendeels kan vinden bij De
Quincy, getuigen van verstand en van krijgsbeleid. De opmarsch uit
het kamp naar den vijand in drie colonnes, berust op wat men
ziet op het slagplan bij Beaurain ; in een paar opgaven van ónze
zijde wordt van slechts twee colonnes gesproken; maar daarin
wordt ook gewaagd van eene voorhoede onder den hertog
van Wurtemberg, en dit kan dan de derde colonne zijn geweest;
volgens aanteekeningen, door den hoogleeraar Muller in Waldeck's
papieren gevonden, zou het leger van Willem III toen ingedeeld
zijn geweest in eene voorhoede, drie legerkorpsen, en boven-
dien nog eene kleine reserve aan ruiterij. Beaurain stelt de geheele
sterkte van het leger der bondgenooten — op het slagveld —
op 61 bataljons en 117 eskadrons; het is moeielijk, zich te
vergewissen aangaande de nauwkeurigheid van die opgave, wat
betreft de ruiterij; dit doet echter ook weinig af, daar dit wapen
slechts een ondergeschikte rol heeft gespeeld bij dien slag van
Steenkerke. Ten aanzien van het voetvolk komt Beauram's opgave
vrij wel overeen met de lËuropische Mercurius", die de verlie-
zen opgeeft van 58 bataljons van ons; die opgave is echter weer
geheel in strijd met wat een berichtgever in de >Europische Mer-
curius" zegt, dat te Steenkerke slechts 25 of 26 bataljons van ons
slaags zijn geweest met meer dan 48 Fransche bataljons, niet
gerekend de Fransche dragonders.
Het is geen zeldzaamheid dat de geschiedschrijvers, bij het
verhaal van groote gebeurtenissen, alle eenstemmigheid missen,
en elkander geheel tegenspreken; dit is dan ook het gevai met
Steenkerke; houdt men zich voor dien veldslag uitsluitend aan
WILLEM III. — III. 12
Digitized by VjOOQIC
178 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
één schrijver, en laat men de andere buiten aanmerking, dan
kan men zooveel verschillende voorstellingen geven van dien
veldslag, ab er verschillende schrijvers zijn. Dit is niet de goede
wijze om tot de kennis der waarheid te komen; daartoe wordt
veeleer vereischt dat men zich aan geen enkelen schrijver onvoor-
waardelijk bindt, maar de verschillende schrijvers leest, ver-
gelijkt, onderling toetst en zich daardoor een beeld vormt van
den waarschijnlijken loop van zaken. Ddt hebben wij trachten
te doen met betrekking tot dien veldslag van Steenkerke, en
natuurlijk daarbij vooral ook geraadpleegd Dr. P. L. Müller's werk
y^JVilhelm lil von Oranten und Georg Friedrich von ff^aldeck^\ een
werk waarvan de kennis onmisbaar is voor wie zich bezighoudt
met de studie der veldtochten van Willem IIL
In dat werk van Dr. P. L. Muller komen opgaven voor, ont-
leend aan Waldeck*s nagelaten papieren over den slag van Steen-
kerke. Die opgaven zouden zeer groote waarde hebben, wanneer
zij meer duidelijk en meer betrouwbaar waren; — toch is het
noodig hier enkele bijzonderheden daaruit over te nemen.
Volgens Muller zou Willem III, bij zijn aanval op Luxembourg,
in werking hebben gebracht: 57 bataljons voetvolk, 77 eska-
drons ruiters, 22 eskadrons dragonders, 24 stukken zwaar geschut
en 36 regiments-kanonnen; dit zouden Ëngelsche troepen, en
troepen van de Republiek zijn geweest; terwijl de Spaansche,
Beiersche, Brandenburgsche en Hannoveraansche troepen »te Lem-
beek schijnen te zijn gebleven, waarschijnlijk om Brussel te dek-
ken tegen Boufflers" (Muller, 2« deel, blz. 98 — 99).
Duidelijk en betrouwbaar is dit niet: waarom moesten er troe-
pen te Lembeek blijven, om Brussel te dekken tegen Boufflers?
— Boufflers stond 2 II 3 uur gaans ten zuidwesten van het
kamp van Luxembourg^ en zou, wilde hij op Brussel trekken,
zijn weg niet nemen over Lembeek; veeleer was dit te wachten
van Luxembourg, wien men te gemoet trok. Bovendien : was er
toen wel noemenswaardige macht aan Spanjaarden, Beierschen,
Brandenburgers en Hannoveranen bij het leger van Willem III?
De Brandenburgers stonden, met de Luiksche troepen, bij Hoey,
en werden daar beziggehouden door de Fransche macht van
d'Harcourt.
Eene voorhoede, en drie legerkorpsen, was — volgens Muller —
de indeeling van het leger der bondgenooten, bij den aanval op
Luxembourg. De voorhoede, onder den hertog van Wurtemberg,
had 10 bataljons voetvolk, 300 ruiters, 6 zware kanonnen en 800
werkers: de drie legerkorpsen bestonden evenzoo uit de drie
wapens, maar van werkers wordt hier geen gewag gemaakt, het
I* legerkorps werd aangevoerd door Nassau-Sarbruck, het 2* door
den stadhouder van Friesland, het 3* door Solms. Bovendien was
er nog eene reserve ruiterij van 17 eskadrons.
Digitized by
Google
STEENKERKS. I79
Of men nu deze opgave geheel mag betrouwen, is onzeker.
De indeeling die zij vermeldt, stemt niet geheel overeen met de
opgave van de verliezen aan dooden en gewonden, — eene opgave
die trouwens zeer onvolledig is. Ook is het niet waarschijnlijk,
dat alleen de voorhoede werkers bij zich heeft gehad, en de
andere colonnes niet.
De vorming van zelfstandige legerkorpsen, uit de drie wapens
samengesteld, is als een vaste formatie aangenomen, een eeuw
later, né, 1789, door de legers van de Fransche Republiek; hier
bij Steenkerke, schijnt zij slechts voor het oogenblik te hebben
gediend, en niet blijvend te zijn geworden : gewoonlijk bleef men
zich houden aan de indeeling in rechter- en linkervleugel, voet-
volk en ruiterij beide op twee liniën, het voetvolk in het midden,
de ruiterij op de beide vleugels.
Den 3en Augustus, met het krieken van den dageraad, stelde
Willem III zijn leger in beweging, en kwam daarmee om negen
uur *s ochtends in slagorde op een eenigszins open terrein, noor-
delijk van het dorp Rebeeck. De voorhoede der bondgenooten,
onder den hertog van Wurtemberg, had intusschen den marsch
voortgezet, en kwam aan eene boschrijke hoogte, onmiddellijk
vóór de hoogte op den uitersten rechtervleugel der Franschen,
die bezet was door de brigade Bourbonnois en de 4 regimenten
dragonders; de beide hoogten waren gescheiden door een smal
ravijn. Willem III, die ouder gewoonte geheel vooraan was, ge-
lastte aan den hertog van Wurtemberg om op die onbezette
hoogte de voorhoede te plaatsen, dddr geschut te brengen, en
door kanonvuur op de brigade Bourbonnois en de Fransche
dragonders den aanval voor te bereiden op de vijandelijke stel-
ling. Bij die voorhoede — uit Denen, Engelschen en Neder-
landers bestaande, — had zich de generaal Fagel aangesloten
met 7 bataljons van de Republiek; zoodat toen 17 bataljons op
dit punt waren vereenigd. De Hollandsche artillerie kwam — vol-
gens Dijkvelt — om tien uur bij de voorhoede aan, en opende
toen haar vuur op de tegenoverliggende hoogte, door de Fran-
schen bezet; andere opgaven zeggen, dat dit kanonvuur » vóór
elf uur" begon. Als men in aanmerking neemt, hoe weinig marsch-
vaardig de troepen toen waren en hoe weinig beweegbaar het
geschut, dan moest men tevreden zijn, dat men over zoo moeielijk
terrein in zoo korten tijd 'svijands stelling had bereikt. Tegelijk
met dat geschutvuur begon men te ischermutseeren"; wij ge-
looven dat men onder dit woord moet verstaan een vuurgevecht
met kleine afdeelingen voetvolk.
Dit alles was, zooals van zelf spreekt, niet zoo onbemerkt
voorgevallen, of Luxembourg had er bericht van gekregen; maar
langen tijd bleef hij in den waan, dat het Willem III niet te
Digitized by
Google
l8o KRU6S- KN GBSCHIBDKUNDIGB BESCHOUWINGEN.
doen was om slag te leveren, maar alleen om een groote foura-
geering te verrichten — zooals de spion had meegedeeld; — of
om een marsch op Ninove te doen, ten einde Vlaanderen te
bereiken. £en ruiter-patrouille, die naar Tubise was gezonden,
had in den vroegen ochtend het kamp van de bondgenooten
zien opbreken, zonder dat er trom of trompet werd geroerd;
daarvan werd bericht gezonden aan Luxembourg, die daarop
echter geen acht sloeg. Een tweede bericht van die patrouille
hield in, dat eene sterke vijandelijke macht, waarbij ook geschut
was, in de richting van Sainte-Renelle trok; een derde bericht,
dat de vijand, Sainte-Renelle rechts latende, naar de zijde van
Steenkerke en van de Senne trok; — al die berichten werden
door den Franschen veldheer verklaard door 's vijands voornemen
om de aangekondigde groote fourageering te dekken ; en hij werd
in die meening versterkt toen er van den linkervleugel, van de
veldwacht bij den rooien van Uaute-Croix, bericht inkwam, dat
men daar in de nabijheid vijandelijke ruiterij in slagorde had
zien komen, waarvan eenige manschappen het te veld staande
gewas waren begonnen te maaien. Het was dus eene fourageering,
— zoo oordeelde Luxembourg; — van een veldslag was geen
sprake.
Maar toen nu, tusschen tien en elf uur 's ochtends, het kanon-
vuur begon te bulderen, moest de Fransche veldheer wel inzien
dat hij zich had bedrogen, en dat een ernstige strijd met zijn
geduchten tegenstander na op handen was. Luxembourg, in zekeren
zin verrast en overvallen, was de man niet om lang weifelend
en onzeker te blijven omtrent wat hij te doen had; met die vaar-
digheid van besluit, die een der voornaamste eigenschappen is
van een bekwaam veldheer, zond hij de bevelen af, om het leger
onder de wapens te doen komen^ en de meest nabijzijnde afdee-
lingen onverwijld te doen trekken op Steenkerke, waar 's vijands
aanval het eerst dreigde. Luxembourg was bij dat dorp, toen hij
die bevelen uitvaardigde; en er verliep dus een geruime tijd
voordat het geheele leger die bevelen ontving, daar de uiterste
linkervleugel toen ongeveer 2 uur gaans verwijderd was van den
veldheer; voeg daarbij de mindere beweegbaarheid der troepen
van dien tijd, en het zal duidelijk zijn, dat er uren moesten
verloopen alvorens het Fransche leger eenigszins was samenge-
trokken.
Het schijnt echter dat Luxembourg, hier, bij deze gelegenheid,
uitmuntend ondersteund werd door zijne onderbevelhebbers, die
vol ijver de verschillende brigaden dadelijk deden oprukken naar
de zijde van Steenkerke, en ze daar, naarmate zij aankwamen
en zonder zich om de slagorde te bekommeren, op vijf liniën
plaatsten; achter die vijf liniën Fransche infanterie kwam de
Matton du Roi^ de Gendarmerie, en andere ruiterafdeelingen.
Digitized by
Google
STEENKERKE. l8l
Onverwijld werd ook naar Masnuy-Saint-Jean — 2^3 uur van
Steenkerke — , bericht gezonden van het gebeurde, en de spoe-
dige hulp van BoufHers ingeroepen.
Het was één uur in den namiddag, toen het schermutselen
overging in een krachtigen aanval. De hertog van Wurtemberg
bestormde met zijne 17 bataljons de hoogte waarop de brigade
Bourbonnois en de 4 regimenten Fransche dragonders stonden;
de bondgenooten wierpen die Fransche macht overhoop en ver-
overden eenige stukken geschut. Op die hoogte had toen een
bloedige strijd plaats^ waarbij het voordeel eenigen tijd geheel
en al was aan de zijde van de bataljons van Willem III; rechts
de 10 bataljons der voorhoede, links de 7 bataljons van Fagel,
werpen achtereenvolgens de drie voorste der vijf liniën voetvolk
van Luxembourg overhoop; de eerste van die liniën bestond uit
18, de tweede uit 16, de derde uit 8 bataljons. De overwinnaars
drongen door tot in de onmiddellijke nabijheid van Steenkerke;
en, waren zij op de veroverde hoogte tijdig versterkt geworden
door andere afdeelingen van Willem III, dan is het waarschijnlijk
dat de Stadhouder eene volkomen overwinning zou hebben
behaald.
Maar die tijdige versterking bleef weg; — waaraan dat weg-
blijven is te wijten, valt niet met zekerheid te zeggen ; er is hier
iets duisters; — naar wij meenen heeft de zaak zich naar de
meeste waarschijnlijkheid aldus toegedragen:
Een deel van de infanterie van Willem III was bestemd om
rechts — of noordelijk — van de bataljons van Wurtemberg op
te rukken ; en daarna, door eene zwenking links, een flankaanval
te doen op de Fransche bataljons, die op de hoogte in gevecht
waren met de voorhoede van de bondgenooten. Werd die be-
weging goed uitgevoerd, dan was het zeer waarschijnlijk, dat het
gedeelte van het Fransche leger dat nabij Steenkerke was, op
de hoogte oostelijk van dat dorp, een geheele nederlaag zou
hebben geleden; zelfs Folard, over Luxembourg en den slag
van Steenkerke sprekende^ zegt:
»le même général" (Willem III) >le surprit encore dans
son camp k Steinkerque en 1692^ et si pleinement, que si
une colonne d'infanterie ne se ffit égarée de sa marche,
nótre armee étoit perdue et taillée en pièces." (Folard, 4*
deel, blz. 178).
De beweging die moest leiden tot een flankaanval op de
Fransche infanterie, werd niet goed uitgevoerd ; de Hollandsche
— of Engelsche — afdeeling verdwaalde, hield te veel rechts
aan, en kwam terecht nabij het kasteel van Waret, in stede van
bij den heuvel ten oosten van Steenkerke. Algemeen wordt het
Digitized by
Google
l82 KRIJGS- EN GESCHIKDKUNOIGE BESCHOUWINGEN.
verkeerde van die beweging toegeschreven aan het sneuvelen van
den generaal Mackay, den bevelhebber dier afdeeling. Willem III,
de verwachte troepen niet ziende opdagen bij den heuvel^ ging
ze in persoon opzoeken en geleidde ze naar de zijde van Steen-
kerke. Maar het was reeds te laat : de bataljons van Wurtemberg
en Fagel hadden den heuvel moeten verlaten, die zoo roemrijk
was gewonnen.
Ziedaar op hoedanige wijze wij meenen, dat de zaken zich
zullen hebben toegedragen, bij dit keerpunt van den strijd. Vraagt
men, of die uitlegging ons geheel bevredigt, of zij het geheel
duidelijk maakt waarom die slag van Steenkerke voor Willem III
eene nederlaag is geworden in stede van eene overwinning, —
dan moeten wij die vragen ontkennend beantwoorden; er blijft
nog veel duisters over: volgens de indeeling van het leger van
Willem III, bij Dr. P. L. Muller, behoorde de generaal Mackay
bij het I* legerkorps onder Nassau-Sarbruck, maar wordt geen gewag
gemaakt van eene afzonderlijke colonne Mackay en van
hare samenstelling; en het blijft bij alle schrijvers onopgehelderd,
waarom de Hollandsche voorhoede, in haren kampstrijd om de
betwiste hoogte, niet ondersteund is geworden door andere bri-
gaden voetvolk; er hebben toch, op het slagveld van Steen-
kerke, 58 bataljons van Willem IE gevochten; de macht van
Wurtemberg en Fagel bestond uit 17 bataljons; en zeker is het
dat de 41 andere bataljons niet alle tot de afdeeling van Mackay
hebben behoord.
Luxembourg, nog onzeker of de bondgenooten niet andere*
gedeelten van de Fransche stellingen wilden aanvallen, had de
stad Enghien bezet blijven houden, en de Fransche linkervleugel,
ten noorden van die stad, vóór haar legerkamp gelaten, — ten
minste aanvankelijk. Al het overige trok naar Steenkerke; werd
daar, naarmate het aankwam, in slaglinie geplaatst, en zonder
toeven ten aanval gevoerd tegen de bataljons van Wurtemberg
en Fagel, Die aanvallen — dit is reeds gezegd — mislukten:
eene eerste linie der Fransche infanterie moest terug; evenzoo
de tweede; evenzoo de 8 Zwitsersche bataljons, die de derde
linie uitmaakten. Maar toen kwam de vierde linie van de Fransche
infanterie in gevecht, 4 bataljons van de Gardes frangaises en 4
bataljons van de Gardes suisses. Die keurtroepen beslisten de over-
winning; zonder zich met vuren op te houden, vielen zij aan
met den degen en met de piek, op de Hollandsche bataljons;
en deze, reeds verzwakt door den gevoerden strijd en de geleden
verliezen, waren niet bestand tegen dien onstuimigen aanval; zij
werden van de veroverde hoogte weer afgeworpen, het vroeger
vermeesterde geschut en een klein getal van hunne eigen veld-
Digitized by
Google
STEENKERKE. ' 183
Stukken in 's vijands handen achterlatende. Waarschijnlijk was
het toen omstreeks drie uur in den namiddag.
Van dat oogenblik af was de uitkomst van den veldslag niet
twijfelachtig meer. Wel deed Willem III nieuwe aanvallen ver-
richten om de verloren hoogte te hernemen, en gedurende een
paar uur werd om dit punt gestreden; maar die hoogte bleef
toen voortdurend in het bezit van de Franschen. De toestand
van Luxembourg werd met ieder uur gunstiger; de wanorde,
aanvankelijk door de verrassing teweeggebracht, had opgehouden ;
het behaalde voordeel deed het zelfvertrouwen herleven; de
slaglinie werd telkens versterkt door de komst van nieuwe regi-
menten; ook de ruiterij en de dragonders van Boufflers, ver-
schenen op het slagveld; en toen men ontwaarde dat de linker-
vleugel niet werd aangevallen, deed men de daar aanwezige
, troepen, door de bosschen van Tirou, oprukken tegen de bond-
genooten.
De Franschen werden toen aanvallers, — zonder daardoor
echter belangrijke uitkomsten te verkrijgen. Er hadden verschil-
lende gevechten plaats, waarbij de infanterie van Willem III goed
partij wist te trekken van de voordeelen van het terrein om
's vijands aanvallen af te slaan. De ruiterij der bondgenooten,
op twee liniën geschaard achter den rechtervleugel van het voet-
volk, belette het deboucheeren van den vijand uit de bosschen
van Tirou; die ruiterij kwam echter bijna niet in gevecht; onder
de weinige ruiterkorpsen die met den vijand slaags raakten,
worden genoemd de dragonders van Eppinger, die, op den
uitersten linkervleugel, nabij de Senne, met voordeel streden
tegen eenige Fransche ruiterij.
Willem III, overtuigd dat de hoop op de overwinning ver-
vlogen was, deed, tusschen zes en zeven uur 's avonds, den terug-
tocht beginnen, die in goede orde en zonder verliezen werd vol-
bracht. Van eene ernstige vervolging van de bondgenooten was
geen sprake; Luxembourg zag te recht in, dat dit tot niets goeds
kon leiden : en tevreden van aan eene dreigende nederlaag te
zijn ontkomen, deed hij zijn leger in het kamp teruggaan; Wil-
lem III betrok weer zijne legerplaats bij Halle.
De toestand van beide partijen was na den slag dezelfde als
voor den slag; alleen waren beide eenige duizend man ver-
zwakt door de verliezen op het slagveld. Die verliezen, naar ge-
woonte nog al verschillend opgegeven, schijnen bij beide partijen
zoo wat even groot te zijn geweest: bij elke partij, aan dooden
en gewonden, een 6 k 7000 man. Bovendien verloren de bond-
genooten aan gevangenen een 12 è 1300 man; ook eenige artil-
lerie-veldstukken — 4 volgens de laagste opgave, 10 volgens de
hoogste. Wat de vaandels en standaarden aangaat zegt Dijkvelt
Digitized by
Google
184 KRIJGS- EK GKSCHEBDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
in zijn verslag aan de Staten-Generaal, dat de bondgenooten
er volstrekt geen hebben verloren, maar dat de dragonders van
Eppinger een Franschen standaard hebben buit gemaakt; Luxem-
bourg, in zijn verslag aan den Koning, zegt dat het Fransche
leger 8 of 9 vaandels en standaarden heeft veroverd; maar —
voegt hij er bij — wij kunnen Uwe Majesteit er maar 5 aanbieden :
de andere zijn verloren gegaan. — Bij een beslissende overwin-
ning kan de overwinnaar gewoonlijk bogen op een groot aantal
van die zegeteekenen, niet bij dien slag van Steenkerke, waar de
nederlaag geheel onbeteekenend is gebleven. — Eene opgave, onder
Waldeck's papieren gevonden (zie Muller. 2' deel, blz. 341), stelt
de verliezen der bondgenooten op 8530 man; die opgave is even-
wel niet volkomen betrouwbaar.
Ziedaar den veldslag van Steenkerke, van den 3en Augustus
1692. — Enkele opmerkingen daarover mogen hier volgen.
Dat Luxembourg zich te Steenkerke heeft laten overvallen,
is onbetwistbaar; en ware die overvalliog door eene nederlaag
gevolgd, dan zouden de benijders en vijanden van het Fransche
legerhoofd hem bij Lodewijk XIV denkelijk wel van onbekwaam-
heid hebben beticht, en als veldheer ten val hebben gebracht.
Toch zou men verkeerd en onbillijk handelen, Luxembourg die
overvalling als een erge zonde toe te rekenen ; want de verstand-
houding die hij in het vijandelijke leger meende te hebben, wet-
tigde hem om langen tijd te gelooven, dat de bewegingen van
de bondgenooten niets anders ten doel hadden den eene foura-
geering, en geenszins een veldslag.
Wil men aanmerken, dat de veldwachten van Luxembourg
slecht waren geplaatst, en de gebrekkige veiligheidsdienst het
leger blootstelde aan eene overvalling, — dan zullen wij dit geens-
zins tegenspreken ; bij een oorlog in ónze dagen, zou zulk een
veiligheidsdienst, met volle recht, worden afgekeurd en veroor-
deeld. Maar bij de beoordeeling van oorlogshandelingen moet
men zich verplaatsen in den tijd waarin zij voorvielen; en doet
men dit, dan zal men dien gebrekkigen veiligheidsdienst bij het
Fransche leger minder streng veroordeelen ; want zóó handelden
toen alle legers; de veiligheidsdienst werd gewoonlijk nergens
beter waargenomen ; bijna ieder legerkamp was evenzeer aan
eene overvalling blootgesteld als het Fransche legerkamp bij
Steenkerke; — en toch kwamen die overvallingen toen niet veel-
vuldig voor; het is bijna, alsof de strijdende partijen toen een
stilzwijgende overeenkomst hadden aangegaan om elkander het
leven niet al te moeielijk te maken, en dat zij daarom het mid-
del der overvallingen maar weinig bezigden, om niet in de nood-
zakelijkheid te vervallen van aan den veiligheidsdienst eene lastige
uitbreiding te moeten geven.
Digitized by
Google
STEENKERKB. 185
Dit zijn de » verzachtende omstandigheden'' voor Luxembourg's
fout van zich te Steenkerke te hebben laten overvallen; maar
wat hierbij als verzachtende omstandigheid het meest op den
voorgrond moet komen, dat is de vaardigheid waarmede hij over-
ging tot de beste maatregelen om de gevaren van die overvalling
af te weren; daaraan herkent men den beproefden oorlogsman^
den bekwamen veldheer ; daaraan beeft hij het te danken gehad,
dat de dreigende nederlaag werd afgeweerd, dat hij de overwin-
ning behaalde, — al is die overwinning dan ook onbeduidend
geweest.
De bekwaamheid van den veldheer vond hier steun bij de
dapperheid van het leger, vooral bij de dapperheid van Luxem-
bourg's onderbevelhebbers ; die prinsen van den bloede, die leden
van Frankrijk's ouden adel, die daar vol drift en vuur hunne
brigaden aanvoerden tegen den vijand, bewijzen weer dat er
waarheid is in Voltaire's woorden:
»des courtisans francais tel est Ie caractère:
vils flatteurs a la cour, héros au champ de Mars."
Natuurlijk was dan ook Frankrijk, Parijs, het hof opgetogen
van blijdschap over de behaalde zege; alom werd gewaagd van
den moed der jeugdige edellieden, van dien hertog van Char-
tres — den lateren hertog van Orleans, den Regent — die, nauw
den kinderjaren ontwassen, reeds deelnam aan het bloedig spel
van den oorlog; van die dapperen, die, in hun ongeduld om den
vijand te gemoet te snellen, nauw den tijd namen om zich te
kleeden, en zelfs — voor een Fransch hofman van die dagen
een ongehoord iets! — met slordig omgeknoopte das op het
slagveld verschenen.
Frankrijk heeft te Steenkerke zijn krijgsroem vermeerderd; —
maar toch moet men er bijvoegen, dat het, op verre na, niet
allen Franschen zijn geweest, die daar onder Luxembourg's aan-
voering hebben gestreden; veel vreerade regimenten had hij bij
zijn leger: Italiaansche. lersche, Duitsche, vooral Zwitsersche.
Men vindt in de «Europische Mercurius" opgeteekend, dat in
ditzelfde jaar 1692, door de gezanten van den Keizer en van de
Republiek, krachtige maar vruchtelooze vertoogen werden inge-
diend bij de regeering van de Zwitsersche kantons, over het te
groot aantal Zwitsers die bij Frankrijk in krijgsdienst waren; —
te groots want dat Zwitsers toen in vreemden krijgsdienst traden,
dat was sinds lang een algemeen aangenomen gebruik, waar-
tegen niet veel meer viel in te brengen; maar volgens vroegere
overeenkomsten mocht Zwitserland niet meer dan 16000 man in
Franschen krijgsdienst laten treden; en thans had men bijna het
cijfer van 40000 man bereikt In 1692 waren er 29 Zwitsersche
Digitized by
Google
l86 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
bataljons bij de Fransche legers voor Namen; en de sterkte
van het Zwitsersche bataljon was gewoonlijk tweemaal zoo groot
als de sterkte van het Fransche.
Die bijzonderheden worden hier bijgebracht, alleen om maar
weer te bevestigen wal reeds meermalen is gezegd : dat er in dien
tijd geen nationale legers waren, en dat ook de legers van Lode-
wijk XIV dit niet zijn geweest. De aanvoerders — namelijk, de
hoogere aanvoerders — waren Franschen; en daarom worden
die legers, Fransche legers genoemd. Men heeft dus ook het
volste recht om het leger van Willem III — voor zoover het tot
de legermacht van de Republiek behoorde — een Hollandsch
leger te noemen, al is hel dat daarbij de vreemdelingen —
Engelschen, Schotten, Denen, Duitschers — talrijker waren dan
de eigenlijke Nederlanders.
Laten wij thans een woord zeggen over de handelingen «van
de bondgenooten bij dien slag van Steenkerke.
Dat Willem III gegronde redenen had om een veldslag te leveren,
dat hij door beleidvolle handelingen de kansen op het behalen
van de overwinning grooter had gemaakt, dat zijne beschik-
kingen voor den opmarsch van het leger naar 's vijands stelling
goed waren, — dat ailes is reeds gezegd en aangetoond. Maar,
hoe zijn de handelingen van den Stadhouder geweest, gedurende
den veldslag? — Die zijn niet genoeg bekend, om daaruit te be-
wijzen dat hier zijn veldheersbeleid uitstekend is geweest ; maar
ook niet om aan te nemen, dat het hier gefaald heeft.
De ware oorzaak dat de bondgenooten te Steenkerke niet de
overwinning hebben behaald, heeft daarin bestaan, dat hunne voor-
hoede — de bataljons van Wurlemberg en Fagel — niet tijdig
genoeg ondersteund werd door andere infanterie; maar dit ver-
zuim, of die misslag, wordt volstrekt niet geweien aan het leger-
hoofd, maar toegeschreven aan het sneuvelen van Mackay, den
aanvoerder van de afdeeling die Wurtemberg en Fagel had moeten
ondersteunen; Willem III wordt daarover volstrekt niet aange-
vallen; dus, hoezeer men niet kan bewijzen dat hij geen schuld
heeft gehad aan dat verzuim, zoo moet men hem evenwel daar-
van vrijpleiten, daar niemand hier optreedt als zijn beschuldiger.
De eenige aanmerking die gemaakt wordt op de leiding van
den veldslag bij de bondgenooten, komt van de zijde van Luxem-
bourg; maar die aanmerking is weinig gegrond.
In zijn verslag aan den Koning geeft Luxembourg zijne ver-
wondering te kennen, dat de bondgenooten geene artillerie heb-
ben gebracht op den rechteroever van de Senne, om van daar
hun vuur te richten op de Fransche infanterie en dragonders, die
den heuvel, oostelijk van Steenkerke, bezet hielden. Maar, onder-
stel dat die artillerie daar gemakkelijk was te brengen, en dat
Digitized by
Google
STEBNKERKE. 187
zij daar goede uitwerking kon doen op de Fransche troepen op
den anderen oever, dan zou toch die handeling onraadzaam zijn
geweest; want de Fransche troepen, meester zijnde van Steen-
kerke en van de brug bij dat dorp, konden ieder oogenblik
deboucheeren op den rechteroever van de Senne, en daar de
Hollandsche artillerie in gevaar brengen; wilde men dus die
artillerie niet prijsgeven, dan moest men haar beschermen door
eene sterke troepenafdeeling^ waardoor de slaglinie noodwendig
eene te groote uitgebreidheid zou hebben verkregen.
Geen gegronde aanmerking wordt gemaakt op het beleid van
Willem III bij dien slag van Steenkerke; maar wél wordt dat
beleid geroemd, ook door Fransche schrijvers, door tijdgenooten.
Zoo leest men bij De Quincy: >de Prins van Oranje die deze
onderneming (Steenkerke) had bestuurd, handelde hier als een
bekwaam legerhoofd, (y agU en prince de tête^. Herhaaldelijk
vuurde hij, door woord en daad, de zijnen ten strijd aan, en her-
zamelde ze, zoo vaak dit noodig was. Maar toen hij zag dat de
zaak eene ongunstige wendmg nam voor zijn leger, deed hij een
aftocht, een groot veldheer waardig; en ware een deel van zijne
troepen, dat ons in de üank moest aanvallen, niet afgedwaald
van den te volgen weg, dan zou het te vreezen zijn geweest, dat
het den Heer De Luxembourg zou hebben berouwd, de herhaalde
berichten over 's vijands opmarsch zoo te hebben veronachtzaamd.'*
Dit wat den veldheer betreft, nu het leger.
Het leger, — dat is hier alleen de infanterie, daar de ruiterij
weinig of niet gevochten heeft. Folard, die anders de Hollandsche
infanterie van dien tijd uitbundig prijst, is hier onbillijk te haren
opzichte: >men moet" — zegt hij — »het beleid van Willem
III niet veroordeelen ; want met veel bekwaamheid koos hij een
slagveld, waarop alleen zijne infanterie kon werkzaam zijn, daar
hij op zijne ruiterij weinig vertrouwde; maar het ongeluk wilde
dat zijne infanterie al niet veel beter was ;" — ziedaar, niet woor-
delijk maar in hoofdzaak, wat de Fransche schrijver over Steen-
kerke zegt. Dat oordeel over de Hollandsche infanterie te Steenkerke
is geheel onjuist : die infanterie heeft daar uitmuntend gevochten ;
en de 17 bataljons van Wurtemberg en Fagel zijn hier ten volle
dat Hollandsche voetvolk waardig geweest, dat twee jaar vroe-
ger, op het slagveld van Fleurus, zich zoo roemrijk had onder-
scheiden.
Men behoeft niet verder te gaan dan tot het uitvoerig verslag
van Luxembourg over den slag van Steenkerke, om de overtui-
ging te erlangen van de geduchte kracht, door de Hollandsche
infanterie aldaar ten toon gespreid. In dat verslag wordt de aan-
vankelijke nederlaag der Fransche troepen niet openlijk erkend,
maar schemert die toch genoeg door in weerwil dat het leger-
Digitized by
Google
l88 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
hoofd haar tracht te verbloemen met ingewikkelde woorden. Toen
de Fransche en Zwitsersche garden aan den strijd weer een gun-
stige wending gaven^ hernamen zij — zegt Luxembourg — »het
geschut dat wij hadden verloren;" — vroeger was er met geen
woord van gewaagd dat men geschut verloren had. — Dat de
voorste liniën van de Fransche infanterie overhoop zijn geworpen,
wordt in het verslag verzwegen; het heet daar nu eens »dat
regiment hield wat links aan," of >dat regiment voegde 2ich
rechts, bij dat andere," dan weder >dat regiment onderging zulk
een hevig vuur dat het het niet veel vooruit kon komen;" van
teruggaan, van overhoop werpen is bij dat alles geen sprake ; —
maar het slagplan bij Beaurain verklapt de nederlaag ; daar staat
duidelijk — wij nemen de woorden onvertaald over — : y^dnpo
tition des troupes du Rot\ après que les aïliés eurent mis en désordre
les trots premières ïignes d^ infanterie^''
Het voetvolk van Willem III vond, toen en later, zijne voor-
name kracht in zijn geweervuur; bedaard, koelbloedig, uitmun-
tend geoefend en gewoon aan strenge orde, was de vuur-tactiek
der Hollandsche infanterie toen een even krachtig middel om te
overwinnen, als later het geduchte geweervuur der bataljons van
Wellington dit is geweest. Volgens Beaurain was ook de bewa-
pening van de infanterie der bondgenooten veel beter dan die
van de Fransche infanterie: >men weet" — zegt hij — »hct
voordeel dat de vijand aanvankelijk behaalde in den slag, aan
het groot aantal geweren" (met vuursteensloten) »dat hij had;
bijna alle vreemde troepen, vooral de Engelschen, waren daar-
mede gewapend; 'sKonings troepen hadden nog het musket" —
(lontroer); en dit verschil in bewapening was oorzaak, dat het
vuur van de bondgenooten veel krachtiger was dan dat der
Fransche infanterie. Na die ondervinding had met dezen veld-
tocht het musket moeten vervallen; werkelijk was dit 'sKonings
voornemen; en ten gevolge van het verslag dat de Heer De Luxeai-
bourg inzond over deze ontmoeting, vatte Zijne Majesteit het
besluit op, de geheele infanterie te bewapenen met geweren en
pieken; Zijne Majesteit schreef daarover aan de generaals van de
verschillende legers, hun gelastende om daarover de meening in
te winnen van de bekwaamste officieren, opdat men bij het einde
van den veldtocht zou kunnen overgaan tot wat men het beste
oordeelde voor *s Konings dienst. Maar, daar het moeielijk ging
om gedurende den tijd van de winterkwartieren geweren te geven
aan twee derde der infanterie ; en daar er nog een oud voor-
oordeel was, dat aan het musket een overwicht toekende als er
langen tijd moest worden gevuurd, nam men het besluit om maar
één derde van de compagnie met geweren te wapenen, en -het
overige met musketten en pieken."
£ene bijzonderheid mag hier niet onvermeld blijven bij dien
Digitized by
Google
STEBNICBRKE. 189
Strijd der Hollandsche infanterie tegen de infanterie van Luxem-
bourg; het is deze, dat de Hollandsche bataljons friesche ruiters
vóór hunne slaglinie plaatsten, om, onder bescherming daaiyan,
het vuur meer ongehinderd te kunnen voortzetten en het den
vijand lastig te maken om met de blanke wapens aan te vallen.
Onze opgaven gewagen niet van die bijzonderheid, die ons ook
vreemd voorkomt, en moeielijk aan te nemen: hoe werden die
friesche ruiters medegevoerd door de infanterie; hoe werden zij
geplaatst; en was er van zulk een Mcane-middéi veel te ver-
wachten, wanneer — zooals uit het slagplan bij Beaurain blijkt —
slechts hier en daar kleine gedeelten van de slaglinie der Hol-
landsche infanterie door zulke friesche ruiters waren beschermd,
maar het grootste gedeelte van die slaglinie niet? — De zaak
komt ons moeielijk verklaarbaar voor, zoodat wij ook twijfelen
aan de waarheid, of juistheid, van deze opgave; wij hebben haar
echter willen vermelden, omdat zij uitdrukkelijk voorkomt in
Luxembourg's legerbericht :
. . . „/« ennemis étant sortis des bois^ et étant venus fort prés de
nous poser les chey^aux de frise^ derrière lesquels ils faisoient un feu
trhS'Considérabli'* enz.
Indien de lezer vindt, dat ons verhaal van den slag van Steen-
kerke hier en daar duistere punten heeft, dan zullen wij dit niet
in het minst tegenspreken, maar er bijvoegen, dat wij dit ver*
haal zoo duidelijk hebben gemaakt als mogelijk was, na lezing
en vergelijking van de verschillende beschrijvingen van dien veld-
slag. In het bijzonder hebben wij nagegaan wat daarover b ge-
zegd door mannen die toen bij de strijdende legers waren; —
niet dat wij in het algemeen zulk een bijzondere waarde
hechten aan het verhaal van een veldslag, door iemand die den
veldslag heeft bijgewoond : zoo iemand ziet soms zeer weinig, en
oordeelt dikwijls geheel verkeerd. Wij herinneren ons dat wij
eens aan een onzer wapenbroeders, die in 1809 den slag van
Wagram had bijgewoond, bijzonderheden daarover vroeger; zijne
beschrijving van den slag van Wagram was kort en bondig : >Wij"
(hij behoorde tot het leger van Eugène Beauharnais, den onder-
koning van Italië), >wij hadden witte broeken aan, wij trokken
eene groene, modderige beek door" (denkelijk de Rus ch beek);
>toen wij aan den anderen kant kwamen, schoten de Oosten-
rijkers als de bliksem; hals over kop gingen wij weer door
de beek terug; en onze witte broeken waren bedorven." Het be-
derven van die witte broeken was voor hem de groote gebeur-
tenis van den slag van Wagram.
Maar hooggeplaatste deelgenooten aan een strijd, die in de
gelegenheid zijn geweest de ware toedracht van zaken te kennen,
die kunnen dikwijls belangrijke opgaven mededeelen ; —kun-
nen, ja; maar ook hier hebben wij ondervonden, dat zij dit niet
Digitized by
Google
190 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
altijd doen. Dijkvelt, toen gedeputeerde te velde bij het leger
van Willem III; Huygens, de secretaris van den Stadhouder;
Luxembourg, de veldheer van het Fransche leger, — die man-
nen kunnen, meer dan ieder ander, een duidelijke voorstelling
geven van den gevoerden strijd. Stel er u niet te veel van voor,
lezer, — een kort woord over wat wij gevonden hebben in de
opgaven van Dijkvelt, Huygens en Luxembourg.
Het verslag door Dijkvelt aan de Staten-Generaal ingezonden,
den 4eii Augustus, den dag na den veldslag, heeft die verdienste,
dat het eenige tijdsbepaling en eenige feiten inhoudt ; maar niet al
die feiten zijn waar, en dit kan dus ook twijfel doen ontstaan
aangaande de tijdsbepaling. Dijkvelt zegt : dat het leger der bond-
genooten >'s morgens heel vroeg" opbrak; dat Willem III >met
de avantgarde, onder het commando van den hertog van Wir-
temberg," omstreeks negen uur in het gezicht van den vijand
kwam; dat hij toen de voorhoede stelling deed nemen op »eeQ
hoogen berg, hier en daar met hout en met heggen bezet," vóór
's vijands slaglinie; dat men om tien uur begon »te schermut-
seeren en met kanon op malkanderen te schieten ;" dat omstreeks
één uur, het i formeel gevecht" begon, en de hertog van Wur-
temberg toen «met zijn infantery, en met de verdere battaillons
die daar omtrent mede wierden aangevoerd" doordrong, den
vijand overhoop wierp en eenige stukken geschut veroverde; dat
«daar op onze verdere infantery aankomende," er een hevig ge-
vecht plaats had > ettelijke uuren gecontinueerd; daar door weder-
zijds veel volk is gebleeven ;" dat de overmachtige vijand te ver-
geefs getracht heeft »d* onzen van den gemelden berg" te verdrijven,
totdat I tegens den avond" Boufflers aankwam en zijn legerkorps
met >veel swaar kanon" in werking bracht, «waar door aan de
brigade van Fagel, onder 't commandement van den Prince van
Nassau-Sarbrukke, op den voorschreven berg zeer groote schade
is gedaan;" dat Willem III toen, omdat hij met den avond en
met het moeielijke terrein voor eenige wanorde vreesde, den
terugtocht deed aanvangen ; dat die terugtocht in volkomen orde
plaats had, en de vijand wel aanvankelijk de houding aannam
alsof hij vervolgen wilde, maar spoedig daarvan afzag, en > zon-
der iets te ondernemen," naar zijne legerplaats terugkeerde.
Die beschrijving, door Dijkvelt van den veldslag gegeven, is
duidelijk en begrijpelijk; maar in sommige gewichtige punten is
zij onwaar, of onjuist; zij wordt ten minste geheel tegengesproken
door de andere opgaven. Zoo is het onjuist, het voor te stellen,
alsof Boufflers met zijn geheele macht en met zwaar kanon op
het slagveld is gekomen, en alsof alleen daardoor en toen het
reeds tegen den avond liep, de bondgenooten de eerst veroverde
hoogte weer hebben verloren : die hoogte was reeds veel vroeger
verloren, vóór dat Boufflers op het slagveld kon zijn. Zoo is het
Digitized by
Google
STEENKERKE. I9I
onjuist^ te zeggen dat de eerste aanval op de door de Franschen
bezette hoogte, behalve door de voorhoede, ook nog door andere
Hollandsche bataljons is verricht : alle andere opgaven komen
daarin overeen, dat, behalve door de lo bataljons van Wurtem-
berg, die eerste aanval alleen is gedaan door de 7 bataljons van
Fagel, door sommige opgaven beschouwd als behoorende tot
de voorhoede. Zoo is het vooral onjuist, het voor te stellen alsof
de geheele infanterie van Willem III geregeld is opgerukt tegen
de vijandelijke stelling, en daarbij geheel te zwijgen van het ver-
dwalen van de colonne van Mackay: zelfs Fransche schrijvers
wijten de nederlaag der bondgenooten aan het verdwalen van
die colonne.
In het voorbijgaan eene aanmerking op Macaulay. Macaulay
heeft zeer groote waarde als geschiedschrijver, maar niet als krijgs-
kundige; men moet niet te veel bouwen op zijne beschrijving
van een veldslag; soms maakt hij er maar wat van. Zoo, bij de
beschrijving van den slag van Steenkerke, stelt hij het voor, alsof
de Engelsche troepen van Willem III op roekelooze wijze zijn
opgeofferd door hun aanvoerder Solms; dit stemt niet overeen
met de opgave van de verliezen, voorkomende in de >£uropi-
sche Mercurius"; want daaruit blijkt, dat de Hollandsche briga-
den Fagel en Salis aanmerkelijke verliezen hebben geleden, even-
als de Engelsche brigaden Ramsay en Ëllenberger, maar het verlies
van de andere Engelsche brigaden voetvolk van weinig beduiding is
geweest. — Wij tellen de brigade Ëllenberger, onder de Engelsche
troepen : zij bestond uit Denen, in Engelsche soldij. De Engelsche
brigade Ramsay stond onder het bevel van Nassau-Sarbruck,
en niet onder Solms; — het is dus moeielijk te begrijpen wat
die arme Solms eigenlijk gedaan heeft, dat hij door Macaulay
zoo wordt aangevallen.
Dijkvelt zegt van het Hollandsche leger : > en heeft onze militie
zich doorgaans uittermaaten wel gequeeten." Van Willem III luidt
het: »den Koning heefc (indien het geoorloftis te zeggen) zich al te
veel geëxponeert ; en is niet alleen van het .begin tot het einde
geduurig geweest in 't vuur, en binnenschoots van het kanon en
musketten; maar ook van tijd tot tijd, en onophoudelijk, geree-
den door het heetste van de eene oord aan de andere, om op.
alles order te stellen ; en heefl zelfs verschelde battaillons aange-
voerd, in 't marcheeren na den vijand. Zijne Majesteit is ook
altijd d'eerste geweest aan 't hoofd van de troupen, en in het
aftrekken de uiterste in de Arriergarde ; zo dat het moet werden
geconsidereerd als een half miracul, en God de Heere niet ge-
noeg kan werden gedankt, dat Zijne Geheiligde en dierbaarste
persoon geen ongeluk heeft gehad, en tegens alle onheilen is be-
waard geworden."
Everard van Weede, heer van Dijkvelt, was een bekwaam man.
Digitized by
Google
192 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
en een ijverig aanhanger van den grooten Stadhouder, — wat
hem tot eer verstrekt, — maar hij is ook geweest een hoveling,
een vleier, een dme damnée van Willem III, -^ en dit strekt hem
minder tot eer. Waartoe, telkens, die uitbundige lofredenen op de
dapperheid van Willem UI ? Dat die dapperheid buitengewoon is
geweest en zich nooit heeft verloochend, dat is een feit dat vast-
staat, dat door niemand betwijfeld wordt, of betwijfeld kan wor-
den; maar juist daarom was het overbodig om daar zoo telkens
van te gewagen. — Maar Dijkvelt was hoveling.
Het Journaal van Constantijn Huygens (de zoon); — dat kan
misschien veel licht geven over Steenkerke ; want Huygens, secre-
taris van Willem III, zag den Stadhouder bijna alle dagen, dik-
wijls zonder dat anderen er bij waren, en kon dus, in een ver-
trouwelijk gesprek, wel het een en ander hebben gehoord ; bovendien,
al was Huygens zelf niet op het slagveld geweest, dan had hij
toch wel eenige inlichtingen kunnen verkrijgen van de bevelheb*
bers die daar hadden gestreden en die hij dagelijks ontmoette.
En toch, als men dat Journaal van Huygens doorbladert, dan
vindt men daarin niets, of bijna niets, dat belangrijk is voor de
kennis van den slag van Steenkerke. En dit is niet moeielijk te
verklaren: Willem III was de man niet om veel te praten, en
schijnt bovendien weinig achting en vertrouwen aan zijn secre-
taris te hebben geschonken ; en Huygens was een veel te beperkt
verstand om de groote zaken goed te begrijpen, juist te beoor-
deelen, en het belangrijke te onderscheiden van het onbeduidende.
Zoek in het Journaal van Huygens geen nieuw licht over de
groote gebeurtenissen die hij heeft bijgewoond; — maar zijt gij
belust op de chronique scandaleuse van dien tijd, wilt gij weten
hoe toen de zoogenaamde voorname wereld zich met vuile achter-
klap en smerige praatjes bezig hield, of stelt gij er belang in, te
vernemen hoe of het^ dag voor dag, met de dierbare gezondheid
was van Huygens zelf, wanneer of hij het pootje kreeg, of buik-
pijn, of misselijkheid, — dat alles kunt gij trouw geboekt vinden
in dat Journaal.
Toen den 31 sten Juli het leger der bondgenooten van Genappe
opbrak naar Halle en Lembeek, werd de zware bagage langs
een omweg, over Brussel, derwaarts gezonden, omdat de recht--
streeksche weg, dien het leger volgde, te moerassig was voor de
zware voertuigen. Huygens maakt — met toestemming van den
Stadhouder — ook dien omweg over Brussel ; hij wijdt uit in den
lof van die landstreek: »de wegh is seer aerdigh en plaisant,
ende het landtschap schoon;'* hij komt door het dorp >Waterlo",
— een naam toen weinig bekend, in later tijd bestemd tot zoo
groote vermaardheid; het bosch van Soignes verrukt hem. >Soo
schoon en van sulcke fraeije boomen, die soo dicht ende versch
van groen ende bladeren ende recht van stam waeren, dat het
Digitized by
Google
STEENKERKE. I93
seer aengenaem was om te sien, de grondt daer benevens gedeckt
zijnde met een fluweelachtighe pelouse of kort grass, mede soo
schoon van couleur, dat het charmeerde." — Als het geheele
Journaal in dien toon was geschreven, wij zouden er vrede mede
hebben.
Op I Augustus vindt men aangeteekend dat Huygens 's och-
tends om half negen uit Brussel is vertrokken, maar >door de
quade wegen en embarras van menichte bagagie," eerst om drie
uur 's middags te Lembeek aankwam, in het hoofdkwartier bij
Willem III: thet Gasteel van Lembeeck, daar de Con." (verkor-
ting van Koning; na 1689 wordt Willem III niet anders ge-
noemd in het Journaal) >op logeerde, was seer vervallen, zijnde
anders van een aerdighe situatie, en hebbende achter van een
balcon een schoon gesicht. Het hoort den Prins van Steen-
huysen toe."
Op 2 Augustus: ...>A11 de dispositie wierd gemaeckt en opge-
schreven, om sanderen daeghs de Franschen in het campement
omtrent Enguien te attacqueren.
De Con. sond all de Ministers en ook Blatwait van hem af,
gevende haer verlof om naer Hall, Brussel etc. te gaen, maer
seyde mij niet met all.
All de bagagie van 't leger wierd over de Senne, een half uer
verbij Hall, gesonden, en daerbij eene escorte gelaten van 4 bat-
taillons en eenighe dragonders, gecommandeert door Brigadier
Wijnbergen . . ."
Op 3 Augustus — een Zondag — : > De Con. reed smergens
ten 3 ueren uyt, en het leger ging op de marsch.
lek en Blatwait en Mr. Hill, die mede geresolveert hadde bij
de bagagie de uytkomst af te wachten, gingen omtrent 9 ueren
bij den Hr. van Dijckvelt, noch half krepel van de jicht zijnde,
en noode hij ons te gast, maer de bagagie over de Senne en
wech moetende, wierd het uytgestelt tot dat daer souden wesen.
Quamen daer en aten in een tent omtrent half vieren, hoorende
het groot schieten van 't canon, dat duerde tot omtrent half
se ven.
Kregen voor die tijdt weynigh tijdinge, maer hoorden eyndelijck
van Mackay's doot en van Coronel Moor, man van JofF Van
der Haven, item van Cor. Goos, Isax Swager, met vele andere
valsche tijdingen . . ."
Op 4 Augustus: > hoorde dat de Con. savonts te voren noch
weder te Lembeeck gekomen was, en hebbende met Dijckveldt
gesproken en hem twee kopjes chocolate gegeven, reed weder
door Hall naer Lembeeck, en trock in mijn oude quartier in 't
Stadt-huys.
. . . Men meende dat er van onse sijde wel omtrent de 4000
man gebleven was, een groot deel van de Engelsche regimenten . , ."
WILLEM III. — III. 13
Digitized by VjOOQIC
194 KRIJGS- EN GESCHIBDKUNDIGB BESCHOUWINGEN.
Op 5 Augustus: . ..»Rooseboona seyde dat de Con. geseght
hadde, dat de Franschcn over de 400 officiers verloren hadden."
en eindelijk nog, op 10 Augustus: ...>Noyelle seyde, dat er
schrickelijck veel volck van de Franschen in de actie gebleven was."
Dat is alles wat in het Journaal van Huygens over Steenkerke
voorkomt; veel bijzonders is het niet; pour tout potage leert men
er uit, dat Dijkvelt niet tegenwoordig is geweest bij den veld-
slag, maar rustig zat te eten terwijl de heldhaftige Stadhouder
den dood onder de oogen zag; Dijkvelt heeft dus zijn verslag
over de gebeurtenissen opgemaakt naar de opgaven van anderen.
— Het > Journaal*' spreekt ook van de groote verliezen der
Engelsche regimenten, en stemt dus in dat opzicht overeen met
Macaulay; — wij hebben reeds gezegd, dat deze bijzonderheid
weersproken wordt door den Staat der geledene verliezen.
Een derde bericht van een tijdgenoot over den slag van Steen-
kerke, is het verhaal dat Luxembourg, onder dagteekening van
den 4cn Augustus, daarvan doet aan den Koning. Dat verhaal,
vertaald voorkomende in de Europische Mercurius, en in het
oorspronkelijke bij Beaurain, is zeer uitvoerig en treedt in zeer
veel bijzonderheden ; — zóó zelfs, dat daardoor de dagteekening
zeer verdacht voorkomt, en het vermoeden wordt gewekt dat
Luxembourg dit verslag eerst veel later heeft laten opmaken,
toen hij het met zichzelven eens was geworden, welke voorstel-
ling hij zou geven van den gevoerden strijd, en welke Fransche
regimenten en welken Franschen aanvoerders hij daarin meer
bijzonder lof zou toezwaaien.
De veldheer van Lodewijk XIV kon niet volstaan met in een-
voudige, sobere taal den gevoerden strijd en de behaalde over-
winning te beschrijven; neen, hij moest die gebeurtenis schilder-
achtig, dichterlijk maken, uitweiden over het aandeel dat ieder regi-
ment had genomen aan den strijd, en vooral de namen noemen
en den roem vermelden van de prinsen van den bloede en van
die edelen, die als aanvoerders onder Luxembourg waren opge-
treden. Nu, in dit legerkamp, mocht Luxembourg de meerdere
zijn van die prinsen en edelen; later, in de hofbalen van Ver-
sailles, hield die meerderheid op, en was hij hoveling evenals zij
en hij wist zeker dat hij hunne gramschap en haat op zich zou
laden, als hij in het legerbericht aan den Koning hunne namen
verzweeg en niet ruimschoots lof toezwaaide aan hunne dapper-
heid en krijgsbeleid. Vandaar dan ook, dat Luxembourg zijn
verslag aan den Koning zoodanig inricht, dat al die hoogere
bevelhebbers hunne namen en wapenfeiten daarin terugvinden;
dat verslag is eigenlijk niets anders dan een voortdurende » eer-
volle melding."
Wil men een proef hoe Luxembourg daarbij te werk gaat,
en in welke uitvoerigheid hij daarbij vervalt, men leze wat hij
Digitized by
Google
STEENRSRKE. I95
zegt over den zeer jongen Orleans, — toen nog Hertog van
Chartres :
ij'avois supplié M. Ie Duc de Chartres de se tenir k la réserve,
qui étoit derrière Ënghien^ lui donnant ma parole que je trouve-
rois un temps pour Ie faire agir et satisfaire k Textrême envie
•qu'il avoit de donner des marques de son courage. Il vint me
trouver pour cela dès Ie commencement, lorsque nous observions
les enne mis ; mais pour ne point Texposer, je Ie conjurai de s'en
retourqer: ce qu'il fit avec sa douceur ordinaire, m'envoyant
pourtant des gens de sa Maison pour me dire qu'il seroit bien aise
de voir Ie commencement du combat. Comme je ne me laissai
point vaincre k leurs instances, M. D'Arcy" (de gouverneur van
den jongen hertog) > me vint dire de sa part, qu'il étoit si touche
de s'en aller, et avoit tant d'envie de voir quelque chose, qu'il
vouloit que je Ie laissasse un moment. Je ne pus résister k ses
empressemens, non plus qu' aux prières de M. D'Arcy. C'est ce
•qui fit qu'il demeura, et que dans Ie commencement du combat
il regut un coup dans son juste-au-corps, qui traversa d'une épaule
il l'autre. La frayeur que j'eus du hazard qu'il avoit couru,
m'obligea de lui dire qu'il s'en retournit k sa brigade; ce qu'il
me promtt."
Dit is de taal van een hoveling, niet van een legerhoofd.
£n zoo gaat het telkens, bij elke gelegenheid; er wordt geen
naam genoemd, of er wordt een bijzonder woord van lof bijge-
voegd: >M. Ie Prince de Conti, dont la capacilé egale Ie courage,
«et fait qu'il a l'oeil k tout ce qui se passé;" — of wel: >M. Ie
Duc D'£lbeuf étoit k ce poste, d'oü il ne bougea depuis Ie com-
mencement jusqu' k Ik fin, et fit tout ce qu'on doit attendre d'un
■homme de sa naissance et de son courage ;" of wel, over Ber-
wick, den onechten zoon van koning Jakobus: >M. Ie Duc de
Barwick se trouva dès Ie commencement lorsque nous allions
reconnottre les ennemis, et agit durant tout Ie combat aussi bra-
vement que j'ai rendu compte k votre Majesté qu'il avoit fait la
■campagne passée." En zoo kan men menig voorbeeld aanhalen
van de wijze waarop Luxembourg het wierookvat zwaait onder
•de neuzen van hen die hij meent te moeten ontzien.
Soms neemt de lofspraak van Luxembourg een vorm aan, die
ons heden ten dage wel wat vreemd voorkomt ; zooals daar, waar
hij van Rochefort, den bevelhebber van het regiment Bourbonnois,
zegt: ,..>le premier bataillon de Bourbonnois, oü étoit Ie mar-
•quis de Rochefort, soutint encore son poste sans y être ébranlé:
c'est aussi un témoignage que je dois k la vérité, de dire que Ie
colonel est un fort joli et fort brave gargon." Potsierlijk is het
^enigszins, wanneer in Luxembourg's verslag ook met hoogen
lof wordt gewaagd van zijn t Major Général" — Chef van den
i;eneralen staf, zouden wij nu zeggen — ; en wanneer men daarbij
Digitized by
Google
196 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
bedenkt, dat het waarschijnlijk die >Major-Général" zelf is, die
dat verslag heeft opgemaakt.
De twee slagplannen van Steenkerke, die bij Beaurain voor-
komen, hebben hooge waarde, het rapport van Luxembourg niet :
dat is er maar op uit om de zaak te kleuren, aangenaam voor
te stellen; een duidelijk begrip van het gebeurde geeft het niet;
tijdsbepaling ontbreekt bijna altijd, maar aan praatjes geen gebrek.
Bij voorbeeld, bij den beslissenden aanval van de Fransche en
Zwitsersche gardes op de bataljons van Wurtemberg en Fagel wor-
den een paar Zwitsersche bevelhebbers bijna sprekende ingevoerd :
...>elle" (de brigade Fransche gardes) >marcha avec une fierlé
qui n'étoit interrompue que par la gaieté des officiers et des sol-
dats: eux mêmes, ausse bien que tous les généraux, furent d*avis
de n'aller que Tépée k la main, et c'est comme cela qu'ils mar-
chèrent. Les Gardes Suisses, imilateurs des Frangois, marchè^
rent avec la même gaieté et la même hardiesse. Reinold vint
proposer de n'aller que Tépée k la main, et Vaguenaire" (Wagener?)
> dit que c'étoit la meilleure maniere. Tout aussitót il vola au centre
de son bataillon, et Ie mêna k la même hauteur que les Gardes.,
droit aux ennemis," enz.
Maar al genoeg aanhalingen om een denkbeeld te geven, wat
of dat verslag van Luxembourg is: een lofrede op zijn leger,
zijne onderbevelhebbers en zichzelf; maar geen duidelijke uit-
eenzetting en juiste beoordeeling van wat er gebeurd is ; hij stelt
de zaak voor, alsof alles geregeld en ordelijk is toegegaan, als
de vrucht van de verstandige beschikkingen van den veldheer,
terwijl het toch zeker is, dat bij een onverwachten veldslag, bij
eene overvalling, wanorde moeielijk kan worden vermeden, en
het toeval eene voorname rol speelt. Nu is het, in zekeren zin^
aan Luxembourg niet ten kwade te duiden, dat hij zijn eigen
beleid van de gunstigste zijde voorstelt: het is van een mensch
niet te vorderen, dat hij kwaad zegt van zichzelf.
Bovendien, bij een oorlog moet een veldheer, in zijne be-
richten of verslagen, niet de geheele waarheid zeggen; hij moet
de zaken op het gunstigst voorstellen; liegen is voor hem vaak
een plicht; — want het is zijn plicht om geestdrift en zelfver-
trouwen levendig te houden bij leger en volk. Niemand zal van
den bevelhebber een er belegerde vesting vorderen, dat hij het
aan de groote klok hangt, dat die vesting maar schaars voor-
zien is van munitie of van leeftocht, of slechts een onbeduidende
bezetting heeft; integendeel, deed hij dit, hij zou misdadig han-
delen; er is een waarheidsliefde, die aan verraad gelijk is te
stellen. Napoleon wordt dikwijls veroordeeld over de wijze waarop
hij aan de waarheid te kort doet in de voorstelling van zijne
oorlogsdaden; — die veroordeeling is maar ten deele gegrond r
toen de Fransche keizer op Sint-Helena over zijne oorlogei^
Digitized by
Google
LATERE KRIJGSVERRICHTINGEN IN 1 69 2. I97
schreef, bestond er geen reden meer van algemeen belang om
van de waarheid af te wijken, en had hij dus toen de krijgsge-
beurtenissen moeten beschrijven, zooals zij werkelijk zijn geweest ;
maar toen de Fransche keizer van de slagvelden zijne bulle-
tins naar Parijs afzond, was het wel degelijk zijn belang en zijn
plicht, om, ook ten koste van de waarheid, de zaken op het
gunstigst voor te stellen; want het was toen zijn belang en zijn
plicht, om in Frankrijk, in geheel Europa, het geloof aan het
overwicht van zijn veldheersgenie onverminderd te laten.
Na Steenkerke zijn, in 1692, de krijgsverrichtingen in de Neder-
landen van een weinig belangrijken aard; zij vorderen slechts
«en korte vermelding.
Had Luxembourg, vóór den strijd bij Steenkerke, eenige be-
zorgdheid voor Namen, deze verdween na de behaalde over-
winning. Volgens Beaurain was die strijd van ongunstigen invloed
op de bondgenooten : de desertie nam toe bij hun leger, dat
ook verminderde in zelfvertrouwen, en in vertrouwen op de aan-
voering van Willem III; terwijl daarentegen de Fransche infan-
terie had geleerd, dat zij, door stoutweg aan te vallen met de
blanke wapenen, het vuur van de vijandelijke infanterie niet be-
•hoefde te vreezen. Als een blijk van de ontmoediging bij de
bondgenooten haalt de Fransche schrijver aan, dat op den
5en Augustus eene fourageering die de bondgenooten wilden
doen naar de zijde van Haute-Croix, verhinderd werd, doordien
■de bedekking — een 2000 paarden — na een klein gevecht op
•de vlucht werd gedreven door 600 ruiters en dragonders van
de Franschen.
Van onze zijde wordt de toestand der wederzijdsche partijen
geheel anders voorgesteld. Van eene toenemende desertie wordt
gezwegen, evenzoo van dat gevecht op den sen Augustus, dat
«dan ook geheel onbeduidend schijnt te zijn geweest. Van het
overwicht dat de Fransche infanterie zou hebben verkregen, is
miets gebleken bij menigen lateren veldslag, waarin de overwin-
'ning werd beslist door het geduchte geweervuur van het voetvolk,
•door Willem III gevormd. En zoo weinig was het zelfvertrouwen
.geschokt bij de bondgenooten, dat zij voortdurend bleven in
hunne legerplaats bij Halte, daardoor hun vijand als het ware
•uitdagende tot een nieuwen veldslag. Luxembourg vond het echter
niet raadzaam om die uitdaging aan te nemen; integendeel, om
den strijd te ontgaan, brak hij, den 11 en Augustus, 's nachts, in
stilte zijn kamp op, met zooveel overhaasting — zeggen ónze
opgaven — dat hij de zieke krijgsgevangenen achterliet.
Men moet bij die strijdige opgaven natuurlijk letten op de
eenzijdigheid en overdrijving die gewoonlijk daaraan kleven. De
Digitized by
Google
198 KRUGS- EN GESCHIBDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
bondgenooten bleven te Halle, en daagden dus hunne tegenpartij
uit tot een nieuwen veldslag; — daar kan men immers tegen-
over stellen: Luxembourg bleef bij Enghien, en toonde daar-
door dat hij een nieuwen veldslag niet ontweek; dit staat vol-
komen gelijk. Zooveel schijnt echter, dat de overwinning bi>
Steenkerke voor de Franschen zonder eenig gevolg is gebleven^
en hun niet het minste overwicht heeft gegeven op de bondgenooten..
Er was in dezen zomer — den 5eo Augustus — eene Engel-
sche en Hollandsche oorlogsvloot in het Kanaal verschenen,
waarbij een aantal transportschepen eene sterke troepenafdeeling
aan boord hadden. Wat die expeditie ten doel had, is niet recht
duidelijk; — of, beter gezegd, het is duidelijk dat men zelf niet
wist wat men beoogde, dat men maar op avontuur uitging, en
dat de geheele onderneming onberaden en onbekookt is geweest.
In zee werd er beraadslaagd over wat men eigenlijk wilde doen;
eene landing in Frankrijk, — dat stond vast; maar waar? firest
aanvallen, — dat was te moeielijk; Saint-Malo — evenzeer; toen
werden opgenoemd Hivre, Calais, Duinkerken, — maar bij elke
van die oorlogshavens werden zwarigheden geopperd, die vai>
een aanval deden afzien; en men eindigde met onverrichterzake
naar Engeland terug te keeren. Ruim zoo verstandig zou het
geweest zijn om die beraadslaging te houden en het aanvalsplan
vast te stellen, niet na maar voor het uitzeilen, voor het
bijeenbrengen van de expeditie.
De landingstroepen zouden nu gebezigd worden in de Neder-
landen; maar het werd einde Augustus eer zij daarheen ver-
trokken, en het was i September toen zij te Oostende voet aan
wal zetten; het waren 15 Engelsche bataljons, volgens ééne op-
gave een getalsterkte uitmakende van 14 k 15000 man. Geruimen
tijd vóór dat die versterking voor de bondgenooten aankwam,
waren de beide legers reeds opgerukt in westelijke richting;
Luxembourg had het eerst die beweging aangevangen, daar hij
te recht begreep dat Duinkerken en de liniën van Vlaanderen
thans meer werden bedreigd dan Namen.
In den nacht van 11 Augustus van Enghien opgebroken, was
Luxembourg eenige dagen gebleven in een kamp bij Bassily^
een groot uur ten noordwesten van Enghien, op den weg naar
Lessines. Den isen werd de marsch voortgezet op Lessines, waar
het Fransche leger eenige dagen bleef, en de landstreek af fou-
rageerde naar de zijde van Ninove, gedeeltelijk ook om den
vijand te verhinderen daar wat op te halen voor zijn leger.
Boufders was de beweging van het hoofdleger gevolgd, en stond
met zijn legerkorps te Chièvres, een kleinen dagmarsch ten zui-
den van Lessines,
Digitized by
Google
LATERE RRIJGSVERRICHTINGEN IN 1692. I99
Willem III had, toen de vijand den i len Augustus van Enghien
opbrak, eenige ruiterij ter vervolging afgezonden, die echter geen
beletselen in den weg legde aan den marsch van het Franscbe
leger. Den iQen Augustus brak de Stadhouder op van Halle, en
trok den 2osten de Dender over, en plaatste zich bij Ninove,
evenals Lessines aan die rivier gelegen, maar een uur of drie
meer noordelijk. In den nacht van den 25sten op den 26sten
Augustus trokken de bondgenooten naar de Schelde, op Gavere,
halfweg Gent en Oudenaarden. Den 27stcn trok Willem III de
Lijs over te Deynse, en zond eene sterke afdeeling naar de zijde
van Kortrijk. Luxembourg was op het eerste bericht van den
marsch der bondgenooten naar Schelde en Lijs, die beweging ge-
volgd en had stelling genomen bij Haerlebeeke, tusschen Deynse
en Kortrijk ; door die stelling werd laatstgenoemde stad beschermd
tegen den vijand. Den 29steü trok Luxembourg op Kortrijk ; ter-
wijl de macht van Boufflers grootendeels oprukte naar Meenen
en Iperen, om die vestingen te verzekeren.
De Engelsche bataljons, den isten September te Oostende ge-
land, trokken weinige dagen daarna op Nieuwpoort, waar zich
eene afdeeling van het leger van Willem III bij hen voegde.
Veurne en Dixmude waren door de Franschen ontruimd ] Luxem-
bourg had zich niet sterk genoeg geacht om die vestingen te
hulp te komen, en daarom de bezettingen daaruit genomen; de
bondgenooten namen daarop Veurne en Dixmude in bezit, en
bedreigden daardoor Duinkerken en het nabijgelegen Sint-Winox-
bergen. Tot een aanval op die beide vestingen kwam het echter
niet : beide waren te goed bezet en te goed voorzien, en Luxem-
bourg was nabij om ze te hulp te komen. £r gebeurde hier dan
ook niets meer van eenig belang; en den 26sten September ver-
liet Willem III het leger, en keerde terug naar Holland ; den
28sten ging het leger uiteen en betrok de winterkwartieren. De
veldtocht was hier geëindigd.
Meer oostelijk hadden in de Nederlanden nog eenige krijgs-
verrichtingen plaats. Allereerst moet melding worden gemaakt
van een gevecht dat op den 2 7 sten Augustus plaats had te Séclin,
halfweg Namen en Hoey, op den rechteroever van de Maas:
eene Fransche afdeeling van een 1000 man van de bezetting van
Namen, die te Séclin hout wilde ophalen voor palissaden, werd
door eene half zoo sterke afdeeling van de bezetting van Hoey
overvallen, geheel geslagen en op de vlucht gedreven, een groote
300 man achterlatende als krijgsgevangenen. Beaurain zegt geen
woord van dat gevecht; de opgaven van onze zijde zijn echter
te stellig, om de waarheid der gebeurtenis in twijfel te kunnen
trekken.
Digitized by
Google
200 fCRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Die kleine tegenspoed van de Fransche wapenen werd, kort
daarop, hersteld door een grooter voordeel. £en 30 eskadrons
van de bondgenooten — troepen van Keulen en van Gulik —
waren naar de Ourthe getrokken, om een strooptocht te doen
in het Luxemburgsche ; maar d'Harcourt, hun met 24 Fransche
eskadrons te gemoet trekkende, sloeg hen den loeo September
in een gevecht tusschen Bastogne en Marche-en-famine ; de over-
winnaars verloren slechts een 200 ruiters, de bondgenooten drie-
maal zoo veel. Het verhaal van dit ruitergevecht komt voor bij
Beaurain, en stemt nagenoeg overeen met wat de Europische
Mercurius daarover zegt.
Toen de legers van Willem III en van Luxembourg nabij
Duinkerken waren, bevonden zij zich in eene landstreek die de
aanwending van groote korpsen ruiterij niet toeliet; en daarom
werd Boufflers met 60 eskadrons afgezonden naar Namen, ten
einde door het doen van strooptochten in Braband een deel van
de macht der bondgenooten af te leiden van Vlaanderen en van
de zeekust. Den 3611 September van Kortrijk vertrokken, kwam
Boufflers met die ruiterij den gen te Namen ; d'Harcourt voegde
zich met een deel zijner ruiterij, na het behaalde voordeel in
het Luxemburgsche, bij Boufflers ; en beiden trokken daarop, den
2osten September, naar de zijde van de Jeker, de Geete en de
Dijle, om in de door die rivieren besproeide landstreek brand-
schattingen te heffen. Lang duurde echter de tocht niet, en ver
werd deze niet voortgezet, omdat men beducht was van afge-
sneden te zullen worden door het oprukken, aan de eene zijde
van de Luiksche en Keulsche troepen onder Tserclaes en Flem-
ming, en aan de andere zijde van eene kleine troepenafdeeling^,
door Willem III naar de zijde van Leuven afgezonden. De rui-
terij van Boufflers en d'Harcourt keerde terug naar Namen.
Toen men de krijgsverrichtingen voor 1692 reeds geëindigd
waande en de tijd der rust van de winterkwartieren aanbrak,
werd aan de Fransche zijde nog een aanslag beproefd op Char-
leroi. Die aanslag had volgens Beaurain niets anders ten doel
dan een bombardement, eensdeels om daardoor te beletten dat
in die vesting eene sterke bezetting huisvesting vond, en van
daar strooptochten maakte op het Fransche grondgebied, en
anderdeels als maatregel van weerwraak over het bombardement
waarmede Engeland en de Republiek verschillende Fransche
oorlogshavens hadden bedreigd. Van onze zijde wordt het voor-
gesteld, alsof het niet enkel was toegelegd op het bombardement,
maar ook op het innemen van Charleroi; en werkelijk komt bij
Beaurain ook voor, dat de verwachting om de benedenstad van
Charleroi te bemachtigen, ijdel bleek te zijn.
Digitized by
Google
LAT£RB KRTJGSVERRICHTJNGEN IN 1692. 20I
De ondernemiDg kan als mislukt worden beschouwd. Boufflers,
met eene sterke troepenafdeeling voor Charleroi verschenen, ont-
dekt dat de inundatie de bestorming van de benedenstad ondoenlijk
maakt. In den nacht van den 1760 op den i8en October worden
daarop de loopgraven geopend, en twee kanon- en twee mortier-
batterijen aangelegd; 12 en 8 kanonnen, en 12 en 4 mortieren,
kwamen in die batterijen, die den 1960 het vuur openden, dat
den 2osten en 2isten werd voortgezet. 2500 bommen werden in
de stad geworpen, 18000 kanonschoten op hare vestingwerken
gedaan, een kleine 100 man van de bezetting daardoor gedood
of gewond, en een 40 huizen afgebrand. Daarna trokken de
aanvallers weer weg. Bij de bondgenooten was intusschen eene
troepenmacht vereenigd om Charleroi te ontzetten; Willem III,
op het punt van naar Engeland te vertrekken, kwam ijlings naar
Brussel over; hij keerde echter dadelijk naar Holland terug, toen
het gevaar was geweken.
Hoewel daarmede eenigszins vooruitloopende op het jaar 1693,
moet hier toch nog met een enkel woord worden vermeld, op
welke wijze de vestingen Veurne en Dixmude weer verloren
gingen voor de bondgenooten.
Voor de veiligheid van het Fransche grondgebied, om het te
beschermen tegen strooptochten en brandschattingen, was het
zeer dienstig dat Veurne en Dixmude weer in handen kwamen
van Frankrijk. Zoolang de legers te velde waren had Luxem-
bourg geen kans gezien om iets te ondernemen tegen de beide
vestingen; maar men achtte de kans gunstig toen eenmaal de
winterkwartieren waren betrokken: met snelheid uit die winter-
kwartieren een Fransche legermacht samentrekkende, hoopte men
daarmede Veurne en Dixmude te doen vallen vóór dat de bond-
genooten in staat zouden zijn om tot ontzet op te rukken. Bouf-
flers werd met die taak belast; — Luxembourg had toen het
leger reeds verlaten, om den winter door te brengen aan het
hof te Versailles.
Het voornemen geheim te houden, en daartoe den vijand af
te leiden door andere handelingen, dit was, zooals van zelf
spreekt, eene hoofdzaak voor deFranschen. Boufilers wilde de bond-
genooten bezig houden bij de Sambre en de Maas, en hen doen
gelooven dat het Charleroi gold, of Hoey, of zelfs Luik, waar-
voor Coehoorn toen versterkingsplannen ontwierp. Reeds in
November waren verschillende kleine plaatsen nabij en rondom
Charleroi door de Franschen bezet en versterkt, om die vesting
eenigerroate in te sluiten; — eene HoUandsche troepenmacht,
onder Rheede-Ginkel — of Athlone, zooals hij toen werd ge-
noemd — nabij Brussel samengetrokken, voorzag echter Char-
Digitized by
Google
202 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
leroi van leeftocht en munitie en versterkte de bezetting met
een 500 man. In het laatst van December werd Hoey bedreigd r
eene Fransche legermacht van een 18000 man kwam in den
nacht van 26 op 27 December voor die vesting, viel verschillende
buitenposten aan, maakte loopgraven en batterijen, bombardeerde
gedurende eenigen tijd, en trok daarop terug, den 28steD, naar
de zijde van Namen.
Van onze zijde wordt nog al hoog opgegeven van die onder-
neming tegen Hoey, alsof wel degelijk het bemachtigen van die
vesting daarbij ernstig is beoogd, maar de Franschen daarvan
zouden hebben afgezien door den dapperen wederstand, die hun
een 1200 man zou hebben gekost. Van Fransche zijde wordt
die geheele onderneming tegen Hoey voorgesteld als niets meer
dan eene schijn vertooning, ten doel hebbende om de legermacht
van de bondgenooten naar Luikerland te doen trekken, en dus
te verwijderen van Vlaanderen; die voorstelling is wel de waar-
schijnlijkste; en als schijn vertooning heeft die aanslag op Hoey^
zeer goed beantwoord aan het doel, daar, op het eerste bericht
dat die vesting gevaar liep, de keurvorst van Beieren haar te
hulp snelde met eene sterke macht van de bondgenooten.
Op hetzelfde oogenblik — 28 December — verscheen Boufflers
met 48 bataljons en 50 eskadrons, spoedig uit de kwartieren
bijeengebracht, voor Veurne, sloot de vesting in, en verschanste
het terrein naar de zijde van Nieuwpoort, van waar alleen het
ontzet van Veurne kon komen. Dat ontzet kwam echter niet; de
bondgenooten rekenden de stelling en de macht van Boufflers
onaanvalbaar, vooral toen die macht nog versterkt werd door
eene afdeeling van 12 bataljons eri 32 eskadrons. Den 6en Januari
1693 gaf zich Veurne over; de bezetting — 2500 man onder
den graaf van Hornes — verkreeg vrijen uittocht, met krijgseer,.
naar Nieuwpoort. Dixmude werd daarop door de bondgenooten
ontruimd, en door de Franschen in bezit genomen; — en toen
keerden de beide partijen weer terug naar hunne winterkwartieren.
Oppervlakkig zou men geneigd zijn een afkeurend oordeel
uit te spreken over die spoedige overgave van Veurne; bij nader
onderzoek ontdekt men echter, dat die afkeuring niet de bezet-
ting moet treffen: Hornes heeft eigenlijk niets anders gedaan
dan gehoorzamen aan de bevelen die hij kreeg. Den 2eD Januari
was de keurvorst van Beieren te Nieuwpoort gekomen; den vol-
genden dag kwam daar Athlone; er werd een krijgsraad belegd^
om te onderzoeken wat er gedaan moest worden ; en die krijgs-
raad besloot met eenparigheid van stemmen — zooals Athlone
aan den raadpensionaris Heinsius schrijft — >voor als noch het
ontset niet te tenteren maer af te wachten wat Godt door quaet
weder of andersints geven sal." In een schrijven van den keur-
Digitized by
Google
LATERE KRIJGS VERRICHTINGEN IN 1692. 205
vorst van Beieren aan Hornes wordt aan dezen uitdrukkelijk
gezegd: >Gij zult uwe mesures weten te nemen, om niet de
uiterste extremiteiten af te wachten; hetgeen ik mij verplicht
vinde u positief te zeggen, nadien de codservatie van uw guar-
nisoen van grooter belang is, als die van de plaats zelfs." Zulk
een schrijven wettigt de overgave, want het legerhoofd — dat
was de Keurvorst toen — zegt zeer duidelijk: verdedig u niet
tot het uiterste; maar zorg, dat de bezetting behouden blijft;
daaraan is meer gelegen dan aan het behouden van de vesting.
Die gebeurtenis te Veurne wordt hier meer in bijzonderheden
vermeld, omdat zij een eigenaardig licht werpt op de begrippen
van krijgsplicht van die dagen. Bij de oorlogen van dien tijd
komt meer dan ééne verdediging van vestingen voor, die wij,
volgens onze hedendaagsche begrippen, als zwak en laf moeten
veroordeelen, maar waarvoor, volgens de begrippen van die
dagen, zeer veel kan worden gezegd tot rechtvaardiging^ of tot
verontschuldiging. Thans geldt de krijgsregel, dat de bevelhebber
van eene belegerde vesting de verdediging moet voortzetten
zoolang hij middelen heeft om dit te doen; de overgave, vóór
dat de verdedigingsmiddelen zijn uitgeput, is in den regel een
misdaad in den bevelhebber; Napoleon's decreet van 1811 leert
dit ten duidelijkste. Bij de oorlogen van Lodewijk XIV daaren-
tegen werd aan den bevelhebber van eene belegerde vesting ge-
zegd: >niet tot het uiterste de verdediging voortzetten, want dan
zoudt gij groot gevaar loopen dat de bezetting verloren ging;
terwijl het een aangenomen gebruik is, dat de bezetting een
vrijen aftocht verkrijgt als de verdediging bijtijds ophoudt. Dus,
de verdediging zoolang voortzetten totdat aan de eer der wape-
nen is voldaan, maar niet langer, want anders verkrijgt de be-
zetting geen vrijen aftocht; en er is meer gelegen aan het be-
houden van de bezetting dan aan het behouden van de vesting."
Het behoeft niet uitvoerig te worden aangetoond, dat het
hedendaagsche beginsel voor de verdediging van eene vesting,
het ware militaire beginsel is; terwijl de stelregels van vroeger
soms noodwendig moesten leiden tot zwakheid, plichtverzuim,
lafheid. In die vroegere dagen kon de bevelhebber van eene
belegerde vesting soms moeielijk komen tot een helder inzicht
van zijn plicht: hij mocht de vesting niet zoo lang verdedigen,
dat daardoor het behoud van de bezetting gevaar liep ; — maar
tot hoelang dan? Wanneer was er genoeg gedaan voor de eer
der wapens; wanneer kon de hoop op ontzet worden beschouwd
als geheel vervlogen ? — dat waren moeielijk op te lossen vragen ;
en eene verkeerde oplossing, vrucht van minder juiste inzichten^
is misschien de eenige schuld geweest van een bevelhebber, die
met zijn hoofd heeft geboet voor de aan lafheid of verraad toe-
geschreven overgave van zijne vesting.
Digitized by
Google
204 KRIJGS- E2i GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Dit overzicht van de krijgsverrichtingen in 1692 mag niet
eindigen^ zonder daarbij met een woord te gewagen van den
dood van een der legerhoofden van de Republiek.
Den iQcn November 1692 stierf te Arolsen de Prins van Wal-
<ieck, de vertrouwde van Willem III, nog meer in staatszaken
dan in krijgsaangelegen heden ; hij had een gevorderden leeftijd
bereikt; maar had, niettegenstaande zijne geheel verzwakte ge-
zondheid, toch nog met zelfopoffering den veldtocht van dit
jaar bijgewoond. In weerwil van zijne uitgebreide krijgskennis
en rijke ondervinding, behoorde Waldeck niet tot de uitstekende
legerhoofden : hij was geen veldheer die, tegen de regelen, eene
overwinning behaalde; maar een veldheer die, volgens de rege-
len, eene nederlaag leed; de routine van den oorlog had hij,
niet het genie.
Maar het was een braaf en rechtschapen karakter, een man
van plichtgevoel, van onbaatzuchtige zelfverloochening; — en
treffend is de gemoedelijke toon, waarop hij een paar dagen
voor zijn dood, aan Heinsius de geheel verwaarloosde belangen
van het Waldecksche huis aanbeveelt:
• Arolsen Ie 8/18 Nov. 1692.
Voyant approcher l'heure de ma mort, je viens de vous dire
adieu. Monsieur, en vous remerciant de Taffection que vous
m'avez si sincèrement tesmoigné pendant Ie tems, que vous
tenez les renes des affaires. Le bon Dieu vous recompense^ ce
que je n'ay pas pu faire moy mesme par des agréables services.
Il bénisse vos conseils salutaires et vous conserve pour la gloire
de TEstat et le service du publicq encore longues années en
toute sorte de prosperité; mais n'oubliez pas. Monsieur^ je vous
en supplie, d'assister et de protéger ma familie, laquelle j'aban*
donne assez désolée, n*ayant jamais songé k autre chose que de
bien servir mes maistres et la cause commune^ et c*est qui me
fera espérer que TEstat par votre bonne récommendation en
voudra bien avoir souvenance, dont je seray beaucoup console
k Testat oü je me trouve, qui sois jusqu' au tombeau etc."
Willem III betoont zijn deelneming in den dood van zijn
onderbevelhebber; den 26sten November (6 December) schrijft
hij aan Heinsius:
>De confirmatie van de doot van den goeden Vorst van W.
bedroeft mij seer en is voor de Republiek en mij een irreparabel
verlies, 't welck al sijne vyanden al te vroeg sullen moeten be-
kennen. Sijne goede en trouwe diensten meriteren wel dat de
Staet sijn versoeck op sijn dootbed quame toe te staen."
(Archief van Heinsius, 2' deel, blz. 60 — 61).
Digitized by
Google
1693. 205
HOOFDSTUK XXVI.
1693; NEERWINDEN.
De oorlog, in 1688 begonnen, trad nu het zesde jaar in; en
nog was het geen der beide partijen gelukt om zooveel voordeed
te behalen, dat zij daardoor een beslissend overwicht had ver-
kregen, en hopen kon de tegenpartij te dwingen tot het aan-
nemen van een nadeeligen vrede. Aan de eene zijde was Wil-
lem III onbetwist gebieder over Engeland, Schotland en Ierland ;
en alle pogingen van Lodewijk XIV om den weggejaagde»
Stuart weer op den troon zijner voorvaderen te verheffen, waren
verijdeld; de nederlaag van La Hogue scheen elke hoop op
eene restauratie van Jakobus II den bodem te hebben ingeslagen.
Aan de andere zijde hadden de Fransche wapenen wel voordeelen
behaald in de Nederlanden, aan den Rijn, in Italië en aan de
Spaansche grenzen; maar dit waren geen voordeelen geweest
van eenigszins afdoenden aard: Wat beduidde dat voordeelig
cavalerie-gevecht bij Leuze ? Het kon hoogstens strekken om den
nadeeligen strijd bij Walcourt te doen vergeten. Fleurus was
eene belangrijke overwinning geweest, maar die geen gevolgen
had gehad; en de grootsche belegering van Namen, waarop»
Frankrijk zich te recht verhoovaardigde, was kort daarop ge-
volgd door den slag van Steenkerke, die zoo duidelijk bewees
dat het nog altijd te doen had met een onverzwakten en niet
ontmoedigden vijand. In één woord, op het voornaamste tooneel
van den oorlog — de Zuidelijke Nederlanden — kon nog geen
der beide kampvechters beweren van voorgoed de overwinning
te hebben behaald; het bleef eene worsteling zonder uitkomst.
Het gezond verstand, nog meer dan de menschelijkheid, had er
dus toe moeten leiden om dan maar naar den vrede te streven,
en in 's hemels naam een oorlog te eindigen, die niet aan het
doel beantwoordde.
Maar gezond verstand en menschelijkheid zijn niet altijd de
drijfveeren die de handelingen eener regeering besturen; — ei>
die aanmerking geldt niet alleen de eenhoofdige regeering, zij
geldt evenzeer de volksregeering : bij die groote vragen over
vrede of oorlog handelt een volk dikwijls al even verkeerd en
onverstandig als een despoot, die met volstrekt gezag bekleed
is. — Van den oorlog tot den vrede over te gaan, zonder dat
de gebiedende noodzakelijkheid dit vordert, is voor eene regee-
ring dan ook een moeielijke stap, lastig en onaangenaam om te
doen: men erkent niet gaarne, dat het aan krachten ontbreekt
om het doel te bereiken, dat men beoogde met het voeren va»
Digitized by
Google
306 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
den oorlog ; men voedt de hoop dat de krijgskans gunstiger zal
worden^ al is er moeielijk een rechtmatige grond voor die hoop
te bedenken ; men waant dat 's vijands krachten uitgeput zullen
worden en hem daardoor de wapens uit de handen zullen vallen ;
en men bedenkt niet, dat die uitputting wederkeerig is, en men
zelf, door het langdurige van den oorlog, de hulpmiddelen kwijt-
raakt om dien oorlog te voeren. Bij vele oorlogen is het, alsof
de kampende partijen aan niets anders denken dan aan de oude
spreuk: de aanhouder wint.
Er kon ^een vrede worden gesloten, — dit stond vast — , zon-
der dat Willem III erkend werd als de wettige gebieder van het
Britsche Rijk; en in 1693 kon Lodewijk XIV nog niet besluiten
tot die erkenning, die, in zijn oog, een inbreuk was op het god-
delijk recht der vorsten. Daarom besloot de Fransche koning
zijne krachten in te spannen om, ook nu, den oorlog met nadruk
te voeren; van het reeds zwaar gedrukte land werden nieuwe
offers gevraagd, in menschen en in geld ; Frankrijk bracht die
offers, — maar ten koste van zijn welzijn, en dan nog niet in
voldoende mate, want wanbetaling bracht soms oproer tewe^
onder de Fransche troepen ; de boog was reeds te sterk ge-
spannen. Toch slaagde men er in om 12 nieuwe regimenten voet-
volk, ieder van slechts één bataljon, op te richten, en aan de
noordergrenzen, bij Schelde en Maas, een belegeringspark bijeen
te brengen van 150 kanonnen, en een 60 gewone mortieren en
steenmortieren. Alles was dus weer voorbereid om eene vijande-
lijke vesting aan te vallen ; en, om in de voeding van de legers
te voorzien, werden, van Doornik tot Namen, op verschillende
plaatsen groote magazijnen van leeftocht aangelegd.
Het was noodig, in Frankrijk, den krijgsgeest aan te wakkeren
en te beloonen; — vandaar, in 1693, de instelling van de mili-
taire orde van den Heiligen Lodewijk; vandaar, ook toen, de
benoeming van zeven nieuwe maarschalken van Frankrijk. Onder
de nieuwbenoemden was Catinat de uitstekendste ; opvallend en
het meest blootgesteld aan de kritiek van het algemeen, was de
benoeming van Tourville, den overwonnene van La Hogue ; » wordt
men maarschalk van Frankrijk na eene nederlaag, wat zal men
dan worden na eene overwinning!" zoo uitte zich de hekelende
spotzucht: — onbillijke woorden; want die nederlaag was vol-
strekt niet te wijten aan Tourville, maar alleen aan den Koning,
die dit op loffelijke wijze erkende door den bekwamen vlootvoogd
te begiftigen met den maarschalksstaf. Onder de nieuwe maar-
schalken was ook Boufflers, die later door de verdediging van
Namen en van Rijssel getoond heeft die eer waardig te zijn. De
andere benoemden waren van minder beduiding ; onder hen was
Digitized by
Google
i693' 207
ook Villeroy, die door zijne weinige bekwaamheid, in later jaren,
Frankrijk meer dan één krijgsramp heeft berokkend.
In 1693 zou Frankrijk een leger onder Noailles in het Rous-
sillonsche hebben, om tegen Spanje werkzaam te zijn; een ander
leger, onder Catinat, in Piémont; een derde leger, onder De
Lorge, aan den Rijn. De zeemacht werd, zooveel doenlijk, weer
in goeden staat gebracht; toch ontveinsde men zich niet, dat
men niet sterk genoeg was om een grooten zeeslag te leveren
tegen de vereenigde vloten van Engeland en van de Republiek;
dat men zich ter zee moest bepalen tot minder belangrijke han-
delingen, hoofdzakelijk tot de kaapvaart; en dat het dus niet tot
de onmogelijkheden behoorde, dat de vijand eene landing be-
proefde in Frankrijk. Monsieur — de hertog van Orleans — was
belast met de taak om die landing te keer te gaan; onder hem
waren de maarschalken d'Humières en Bellefonds — twee mis-
lukte legeraanvoerders; Normandië en Bretagne achtte men het
meest bedreigd, en in die gewesten was dan ook eene macht
vereenigd, bestaande uit 11 batajlons van het leger, uit eenige
regimenten dragonders, en uit den tweeden en derden ban. De
samenstelling van die troepenmacht aan de kusten van het Kanaal
toont aan, dat men van 's vijands zijde geen onderneming ver-
wachtte op eenigszins groote schaal.
De groote massa van de Fransche strijdkrachten moest weer in
de Spaansche Nederlanden werkzaam zijn, en zou door den Koning
in persoon worden aangevoerd. Men wilde ditmaal de Maas
als operatielijn aannemen en Luikerland ver meesteren, vooral
Luik, de hoofdstad. Slaagde men daarin, dan kon men de ves-
tingen bedreigen die de Republiek had op het lagere gedeelte
van de Maas, en den oorlog ook overbrengen in de gewesten
tusschen Maas en Rijn; daar was het terrem gunstig voor de
talrijke en goede ruiterij van de Franschen ; en werd het oorlogs-
tooneel meer naar den Rijn overgebracht, dan zouden misschien
sommige Duitsche vorsten, beducht voor hun eigen grondgebied,
de partij van de bondgenooten verlaten.
Het oorlogsplan was niet kwaad: — maar het werd niet uit-
gevoerd, of slechts gebrekkig; het heeft dus slechts tot eene
onbeduidende uitkomst geleid.
Toch waren de strijdmiddelen, die men in de Nederlanden wilde
aanwenden, van meer dan gewone sterkte. Er zouden weer twee
legers werkzaam zijn; het eene, in naam aangevoerd door den
Koning en den Dauphijn, maar inderdaad door Boufflers, het andere
onder de bevelen van Luxembourg. Het leger van Luxembourg
was sterk 78 bataljons en 160 eskadrons, met 50 stukken geschut;
dat van Boufflers 52 bataljons en 116 eskadrons, met 52 stuk-
Digitized by
Google
2o8 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
ken geschut ; dus te zamen 130 bataljons^ 276 eskadrons en 102
vuurmonden; naar schatting geeft dit een 80000 man voetvolk
en een groote 40 000 ruiters ; dus, zonder de artillerie, een groote
120000 roan. De beide legers waren bestemd om altijd in ver-
band met elkander te blijven; — waartoe het noodig was, die
krijgsmacht in de Nederlanden te splitsen in twee legers, is dan
ook moeielijk in te zien ; krijgskundige redenen voor die splitsing
waren er niet, en denkelijk zal zij haar ontstaan alleen te dan-
ken hebben gehad aan redenen van persoonlijken aard, aan het
verlangen van enkelen om een onafhankelijk bevel te bezitten.
Behalve die twee groote legers was er nog eene kleine afdeeling
van 4 bataljons en 16 eskadrons, onder De La Valette, bestemd
om de liniën te bezetten tusschen de Schelde en de zeekust;
eene andere kleine afdeeling van 4 regimenten ruiters, of dragon-
ders, onder d'Harcourt, moest het Luxemburgsche dekken tegen
strooptochten.
Den 21 sten Mei 1693 trok het leger van den Koning — of van
Boufflers — bij Doornik te zamen; het zou van daar trekken in
de richting van Mons; en Lodewijk zou zich den 28sien Mei
daarbij voegen, wanneer het gekomen was te Lens, een plaatsje
2 è, 3 uur gaans ten noorden van Mons — en niet te verwarren
met Lens westelijk van Douay, in Fransch Vlaanderen. Luxembourg,
die den 2 7 sten Mei met zijn leger te Givries was, een groot uur
ten zuidoosten van Mons, was dus zoo goed als vereenigd met
het leger van Boufflers; en de Koning kon dus met zijn 120000
man oprukken waarheen hij verkoos. — Maar plotseling kwam
er vertraging en stilstand.
Den i6en Mei had Lodewijk XIV Versailles verlaten om zich
naar het leger te begeven, maar te Quesnoy komende werd hij
ongesteld ; natuurlijk moesten toen alle bewegingen van de Fransche
legers worden gestaakt, want zonder den Koning mocht er
niets plaats hebben ; hij was de spil waarom alles draaide. Ernstig
schijnt die ongesteldheid van den Koning echter niet te zijn ge-
weest; ten minste schrijft Racine, die mét het hof mede te veld
trok, den 3osten Mei uit Quesnoy aan zijn vriend Boileau : >'tis
overheerlijk schoon weer. De Koning, die een bezetting op de
keel {une fluxion sur la gorgé) heeft gehad, is gezond en wel; dus
zullen wij spoedig te velde zijn." Uit dien brief ziet men ook,
dat Madame De Maintemn en Père La Chaise toen met den
Koning te Quesnoy waren ; — wij hebben nooit gehoord, dat
Napoleon, bij zijne veldtochten, zijn roaitresse en zijn biechtvader
bij zich had!
Willem III, in de eerste helft van April uit Engeland vertrok^
ken, had eenigen tijd in Holland doorgebracht en kwam in het
Digitized by
Google
i693« 209
laatst van Mei te Brussel, waar zich het leger van de bondge-
nooten samentrok. Omtrent de sterkte en samenstelling van dat
leger vindt men bij Beaurain en in de Europische Mercurius vrij
uitvoerige opgaven, die wel niet geheel overeenstem Qtien maar
toch slechts weinig uiteenloopen.
Volgens Beaurain was het leger van Willem III toen sterk 61
bataljons^ 142 eskadrons en loi stukken geschut. Onder Willem III
en den keurvorst van Beieren worden als de voornaamste bevel-
hebbers genoemd : de maarschalk. Prins van Nassau Sarbrück ;
de generaal graaf van Athlone; de luitenant-generaals Ouwer-
kerk, 's Gravemoer (Van der Duyn), Portland (Bentinck) en
Obdam; en de generaal- majoors Galloway, La Forest, Nassau-
Weilburg, Tilly, Scarborough, Glocester, Zuylestein en Ittersum.
In hoeverre die opgave nauwkeurig en volledig is, is moeielijk
te zeggen; men mist er, onder anderen, den naam van Solms;
en dat Solms in 1693 bij het leger is geweest, wordt daardoor
bewezen dat hij in den slag van Neerwinden is gesneuveld.
Volgens de Europische Mercurius was het leger van Willem III
sterk 70 bataljons en 135 eskadrons. Bij het voetvolk had men
20 Hannoversche bataljons, 8 Deensche, 23 Engelsche en Schot-
sche, en 19 Hollandsche ; de ruiterij bestond uit 35 eskadrons
Spanjaarden, 37 Hollanders, 24 Engelschen, 6 Denen en 33
Duitschers.
Men ziet dus, dat die beide opgaven nog zooveel niet uiteen-
loopen; wat de ruiterij aangaat, is het verschil onbeduidend : 142
eskadrons, of 135. Bij het voetvolk is het verschil grooter; de
sterkte bij Beaurain is 9 bataljons minder dan in de Europische
Mercurius; maar nu kan dit daarmee worden gevonden, dat
Beaurain er bijvoegt, dat Willem III eene sterke troepenafdeeling
{un gros corps de troupes) naar Luik afzond, dat de Mercurius die
afdeeling heeft begrepen onder de geheele sterkte, en Beaurain, niet.
Om uit de sterkte aan bataljons en eskadrons tot de geheele ge-
talsterkte van het leger van Wi.llem III te besluiten, vindt men in
de Europische Mercurius de opgave, dat het bataljon 500 man
sterk was, en het eskadron 300 paarden. Maar is die opgave te
betrouwen ? — Wat het voetvolk aangaat, ja ; wat de ruiterij be-
treft, neen: 300 paarden aannemen voor de sterkte van het
eskadron, is iets onwaarschijnlijks aannemen; hoogstens kan men
die sterkte stellen op 200 paarden; bij het Fransche leger was
het eskadron zelfs maar 160 paarden. Stelt men nu het bataljon
op 500 man en het eskadron op 200 paarden, dan krijgt men
voor de sterkte van het leger van Willem III 35000 man voet-
volk en 27 000 man ruiterij ; te zamen dus een 60 k 65 000 man.
Eéne opgave spreekt van eene sterkte van 80000 man; — het
is moeielijk te begrijpen, hoe men tot dat cijfer komt; maar zelfs
als men dat hoogste cijfer aanneemt, dan nóg is het duidelijk,
wiLLBM ni. — III. 14
Digitized by VjOOQIC
2IO KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
dat er eene zeer groote overmacht was aan de Fransche zijde:
ruim I20 000 man tegen 80000. Er kon dus voor Willem III
geen sprake van zijn om over te gaan tot een beleg of tot eene
aanvallende handeling, zijne taak moest zich daartoe bepalen,
dat hij den vijand belette groote, beslissende voordeelen te be-
halen; — en die taak heeft hij op uitmuntende wijze verricht.
Den 2en Juni kwam Lodewijk XIV bij het leger van Boufflers,
te Thieusies, in de nabijheid van Mons; den 3611 hield hij eene
wapenschouwing over dat leger; dien dag trok Luxembourg met
zijn leger van Givries op Felluy, op slechts een groot uur af-
stands van het leger des Konings te Thieusies, en dus zoo goed
als daarmee vereenigd. Beide legers trokken daarop in oostelijke
richting naar de zijde van den Piéton en de Méhaigne; en kwa-
men, den 7 en Juni, het leger des Konings te Gemblours, dat van
Luxembourg te Tourines-les-Ordons, een paar uur ten noorden
van Gemblours. — Toen Willem III bericht kreeg dat de Fran-
sche legermacht naar de zijde van Luikerland trok, verliet hij
den omtrek van Brussel en kwam den sen Juni met zijn leger
bij Leuven, waar hij zijn kamp opsloeg bij de abdij van het Park,
aan de zuidoostzijde van de stad.
Toen werd eene beslissende handeling verwacht; maar die
verwachting bleef ijdel. Lodewijk XIV, met eene zoo geduchte
krijgsmacht te velde getrokken, had zich te Versailles gevleid
overwinningen te behalen, veroveringen te maken; maar, op het
oorlogstooneel gekomen, deinsde hij terug voor de onzekerheid
van de kansen waaraan hij zich blootstelde. Luik belegeren? —
maar Luik was door Coehoorn versterkt geworden, en van eene
genoegzame bezetting voorzien; dat beleg kon eens mislukken!
Willem III slag leveren? — Het belegeren van Luik zou denke-
lijk gepaard gaan met een veldslag; en wie waarborgde, dat die
veldslag eene overwinning zou zijn ? Die overwegingen deden den
Franschen koning het hart in de schoenen zinken.
Laten wij duidelijk zijn ; met de woorden hier gebezigd, willen
wij in geenen deele zeggen, dat het Lodewijk XIV aan persoon-
lijken moed ontbrak; integendeel, dien had hij; — maar hij had
een zoo hoog denkbeeld van zijne waardigheid en grootheid, dat
de gedachte hem onuitstaanbaar was, van persoonlijk in den oor-
log een tegenspoed te ondervinden, eene nederlaag te lijden;
hij deinsde terug voor de mogelijkheid, dat bij een veldslag,
waar hij aan het hoofd van Frankrijk's legers stond, Willem III
de overwinnaar zou kunnen zijn; dat was eene vernedering waar-
aan hij zich niet wilde blootstellen. Die geaardheid van den
Franschen koning was reeds meermalen gebleken: bij Bouchain
in 1676, bij Mons in 1691; zij bleek ook in 1693. Lodewijk XIV
besloot het oorlogstooneel te verlaten; — maar hoe dit op be-
Digitized by
Google
i693' 211
tamelijke wijze te doen, nadat hij, met zooveel ophef en verge-
zeld van geheel zijn hofstoet, te velde was getrokken, als naar
eene ontwijfelbare zege? — Er moest een voorwendsel worden
gevonden; en daartoe werd gebruik gemaakt van eene krijgsge-
beurtenis aan den Rijn, de vermeestering van Heidelberg door
de Franschen.
De maarschalk De Lorge, aan het hoofd van een kleine 50 000
man, was, half Mei, nabij Philipsburg den Rijn overgetrokken, en
had zich, na een zeer kort beleg, den 2 2 sten Mei stormenderhand
meester gemaakt van de stad Heidelberg, en den volgenden dag,
door capitulatie, van het kasteel. Die spoedige vermeestering
van Heidelberg, en de daarop volgende verwoestingen en wreed-
heden waaraan het Fransche leger zich schuldig maakte, wekten in
Duitschland de algemeene verontwaardiging op; men eischte een
offer; en de bevelhebber van Heidelberg, de generaal Heiders-
dorf, moest het ontgelden. Te recht, of ten onrechte? Was Heiders-
dorf inderdaad schuldig aan verraad of lafheid; of moest hij
boeten voor het wanbestuur der regeering? Niet zelden toch
gelden de woorden van den Franschen dichter:
»de tout temps
les petits ont pdli des sottises des grands."
Hoe het zij, Heidersdorf werd ter dood veroordeeld; en hoe-
wel die straf veranderd werd in levenslange verbanning, zoo werd
zij toch uitgevoerd op die ruwe en vernederende wijze, die toen
gebruikelijk was, en die haar erger maakte dan de doodstraf: op
een vuilniskar werd de veroordeelde, geboeid, voor het front
van het leger heengevoerd, en daarna door den scherprechter
met zijn verbroken degen in het aangezicht geslagen ; hij was
Duitsch-ridder ; in het gebouw van die ridderschap werden hem
de teekenen dier waardigheid van het lijf gescheurd, en hij daarna
het gebouw uitgeschopt. — In die dagen was men, physiek en
moreel, minder gevoelig dan in onzen tijd.
Dat voordeel aan den Rijn behaald, werd aan Fransche zijde
op het breedste uitgemeten als het voorspel van beslissende
handelingen, die weldra een einde aan den oorlog konden maken ;
en in het legerkamp van Gemblours werd daarop een krijgsraad
gehouden tusschen den Koning en de hoogere bevelhebbers, om
de vraag te behandelen: of de inneming van Heidelberg geen
wijziging moest teweegbrengen in het oorlogsplan in de Neder-
landen ?
Chamlay was hier de voornaamste woordvoerder; hij, de chef
van den staf van Luxembourg, de raadsman en vertrouwde van
dien veldheer, had zich toen ter tijd overal weten in te dringen
Digitized by
Google
212 KRIJGS- EN GESCmEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
en noodzakelijk te maken; telkens en overal werd hij geraad-
pleegd. Chamlay was een man van bekwaamheid^ maar tevens
een eerzuchtige, een hoveling; hij had dus zeer goed begrepen
welke raad den Koning het aangenaamst zou zijn. Ziehier wat
Beaurain daarover zegt ; — waarbij men niet moet vergeten, dat
de aanteekeningen en papieren van Luxembourg zelf gediend
hebben tot de samenstelling van het werk van Beaurain:
iTe Gemblours hoorde de Koning^ welke maatregelen de
Prins van Oranje had genomen om 's Konings ontwerpen tegen
te werken; terwijl Zijne Majesteit te Quesnoy was, had zij de
tijding gekregen van de inneming van Heidelberg, eene gebeur-
tenis waaraan men groot gewicht hechtte, en die verandering
scheen te moeten brengen in het geheele oorlogsplan; daarover
werd te Gemblours een krijgsraad gehouden, waarin de Heer De
Chamlay, die sedert den dood van den Heer De Louvois 's Konings
vertrouwen had gewonnen, overtuigend aantoonde, dat daar Zijne
Majesteit de middelen zocht om een einde te maken aan den
oorlog, het meer voordeel opleverde om de strijdkrachten te
doen optreden in Duitschland; dat de inneming van Heidelberg
het Duitsche rijk had geschokt, en men daarvan partij moest
trekken om verder door te dringen in dat Rijk; hij twijfelde er
niet aan, dat wanneer men met een o ver machtig leger Duitsch-
land binnenrukte, men de meeste vorsten^ zelfs den Keizer, zou
nopen om vrede te maken; dat wanneer men hierin slaagde, de
andere bondgenooten dat voorbeeld zouden volgen; hij wees er
ook op, dat, voordat men Luik aanviel, men eerst Hoey moest
nemen, en die stad zich lang genoeg kon verdedigen om den
Prins van Oranje den tijd te geVen, Luik volledig uit te rusten
{tnettre Liège hors éfimultè). De Heer De Chamlay, wien deze raad
werd ingegeven door zijne liefde voor de waarheid en voor het
algemeene welzijn, liet niet na er bij te voegen: dat de krijgs-
verrichtingen in de Nederlanden, door Zijne Majesteit bestuurd,
haar ongetwijfeld meer roem zouden aanbrengen, maar minder
heilrijk zouden zijn voor hare onderdanen. De Koning, meer be-
dacht op het geluk van zijn volk^ dan op zijn eigen roem en
den luister zijner wapenen, voegde zich naar dien raad ; en daar
zijne gezondheid hem niet toeliet om langer te velde te blijven,
besloot hij Mijnheer den Dauphijn met 34 bataljons en 75 eska-
drons naar Duitschland af te zenden, om daar zooveel verove-
ringen te maken als hem mogelijk was. Dadelijk daarop gingen
de troepen, die te Gemblours overbleven, kampeeren te Chau-
mont en te Courois" (in de nabijheid van Gemblours), >en de
Koning keerde terug naar Versailles, aan den Heer De Luxem-
bourg het bevel latende over het leger in de Nederlanden, dat,
na den afmarsch van Mijnheer den Dauphijn, was samengesteld
uit 96 bataljons en 201 eskadrons."
Digitized by VjOOQIC
1693. 213
Wat is die Lodewijk XIV toch een edel koning geweest: hij
dorst naar krijgsroem, hij heeft een vurig verlangen om in de
Nederlanden het oorlogsbeleid te voeren, en daar overwinningen
te behalen, waaraan hij niet twijfelt; — maar die krijgslust, die
roemzucht offert hij op aan het welzijn van zijn volk; en met
een bloedend hart stemt hij er in toe, om, zonder aan eene
enkele krijgshandeling te hebben deelgenomen, het oorlogstooneel
te verlaten, en naar Versailles terug te keeren ! Het is bijna zoo
aandoenlijk, als toen, bij den overtocht van den Rijn in 1672,
hij zich beklaagde dat zijn hooge rang hem weerhield om,
evenals zijne ruiters, de rivier te doorwaden:
» Louis, les animant du feu de son courage^
se plaint de sa grandeur, qui Tattacbe au rivage."
Of — om ernstig te spreken — wat een onwaardig komedie-
spel! Wat een behendige drogredenen van de hovelingen om
een schijn van grootheid te geven aan eene handeling die juist
van het tegenovergestelde getuigde! »Het is in Duitschland dat
onze sterkste legermacht moet optreden; dddr zijn beslissende
voordeelen te behalen, dédr is de vrede te verwerven." — Zoo?
Waarom dit dan niet vroeger ingezien ; waarom de sterkste leger-
macht naar de Nederlanden gezonden? Die inneming van Hei-
delberg kan daarin toch zoo'n groote verandering niet hebben
teweeggebracht, — een onbeduidend wapenfeit, het nemen van
eene slecht versterkte stad, flauw verdedigd door eene bezetting
van maar een paar duizend man ! £n die legermacht, die nu uit
de Nederlanden naar den boven-Rijn wordt gezonden, die heeft
tijd noodig om dat nieuwe oorlogstooneel te bereiken, en zal
dus daar niet veel meer kunnen uitvoeren ? en die Dauphijn, die
daar het bevel zal voeren, is dat een bekwaam legerhoofd,
waarvan veel is te verwachten? — >0m Luik aan te vallen,
moet men eerst Hoey vermeesteren"; — maar is dat iets, dat
men eerst den yen Juni te Gemblours ontdekte? Kon men dat
niet weten, nog vóór het vaststellen van het oorlogsplan? en
wanneer men, toen, daarin geen bezwaar zag, waarom dan,
nu, wél?
In één woord, het kost geen moeite om aan te toonen, dat
het advies van Chamlay hoegenaamd geen krijgskundige waarde
heeft, en alleen is uitgebracht om den Koning een schoonschij-
nend voorwendsel te geven om het leger te verlaten.
Aardig is het om in de briefwisseling van Racine en Boileau
op te merken wat zij zeggen van die terugkomst des Konings
te Versailles. Nog den 6en Juni schrijft Boileau uit Parijs aan
zijn vriend, die bij het leger is:
>Ik twijfel er niet aan. Mijn Heer, of gij zijt op het punt om
Digitized by
Google
214 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
eene groote en gelukkige gebeurtenis bij te wonen; en, bedrieg
ik mij niet, dan zal de Koning den zegerijksten veldtocht ver-
richten, dien hij nog ooit verricht heeft. Hij zal groot genoegen
doen aan den Heer De la Chapelle, die, als wij zijn zin wilden
volgen, ons reeds een gedenkpenning zou doen ontwerpen op
de inneming van Brussel; ik ben overtuigd dat hij zelf, in zijne
verbeelding, die gedenkpenning reeds hééft ontworpen."
Uit Gemblours, den gen Juni, meldt Racine aan zijn vriend
de verandering in het aanvankelijk oorlogsplan, en geeft niet
onduidelijk te kennen wat de ware reden is van die verandering:
»De Koning zendt eene sterke afdeeling van zijn leger, onder
Monseigneur*^ (de Dauphijn), »naar Duitschland. Hij heeft gemeend,
dat men aan die zijde partij moest trekken van een zoo gunstig
begin van den veldtocht; te meer dewijl, indien de Prins van
Oranje hier hardnekkig blijft nabij groote vestingen en achter
kanalen en rivieren, de oorlog hier zeer slepende zou kunnen
worden, en misschien minder uitkomst zou opleveren dan men
aan den Rijn kan verkrijgen."
Boileau, die eerst zoo opgetogen was met de vooruitzichten
op den krijgsroem, door Lodewijk XIV in de Nederlanden te
behalen, is nu ook weer blij dat de Koning maar terugkomt.
Den i3en Juni schrijft hij aan Racine:
»Ik kan u niet zeggen, hoe blij ik ben dat de Koning terug-
komt. De nieuwe goedheid die Zijne Majesteit mij heeft betoond,
met aan mijn broeder de door ons verzochte gunst te verleenen,
heeft mijn ijver en oprechte genegenheid voor haar nog ver-
meerderd. Ik ben opgetogen, nu ik weet dat 's Konings gehei-
ligde persoon in deze volstrekt geen gevaar zal loopen; en de
eene roem heeft evenveel waarde als de andere: het komt mij
voor, dat men even goed lauweren kan verwerven aan den Rijn
en aan de Don au, als aan de Schelde of Maas ..."
Welzeker kan men dat; — maar het kwam er hier op aan,
de redenen te kennen en te beoordeelen die deden afzien van
het » verwerven van lauweren aan de Schelde of Maas." Van
Boileau, een hofdichter, was zulk een onderzoek echter niet te
wachten ; hij was vleier en lofredenaar, het tegenovergestelde van
een onpartijdig beoordeelaar. Maar de geschiedenis heeft het
recht en den plicht om te zeggen, dat die handeling van 1693
geenszins strekt tot roem van Lodewijk XIV, dat zij integendeel
afbreuk doet aan zijne grootheid, en dat zij hem kenmerkt als
een man die te kort schoot aan geestkracht en aan heldenmoed,
de meest noodzakelijke eigenschappen voor het hoofd van eene
machtige monarchie.
Wat een triomf voor zijn tegenstander, die, door het ontzag
dat zijn naam inboezemde, den Franschen koning zooveel vrees
aanjoeg, dat hij, onder een voorwendsel dat niemand misleidde.
Digitized by
Google
1693. 215
het strijdperk verliet zonder den kamp aan te vangen. Onver-
wrikt had Willem III het gevaar onder de oogen gezien, en het
daardoor verminderd ; dat dreigend onweder, dat over de Neder-
landen moest losbarsten, was voor een deel naar Duitschland
afgedreven; en er was tijd gewonnen, voor den verdediger eene
groote winst. Nóg werden er krachtige inspanningen gevorderd
om Frankrijk's overmacht het hoofd te bieden; maar toch, de
kansen waren reeds veel gunstiger geworden voor de bondge-
nooten ; en terwijl het bij den aanvang van den veldtocht scheen
alsof de Spaansche Nederlanden onfeilbaar moesten verloren
gaan, kon men nu de hoop koesteren van 's vijands aanslagen
grootendeels te zullen verijdelen en hem slechts onbeduidende
voordeelen te zien behalen.
Toch, hoezeer verminderd, was het Fransche leger in de
Nederlanden nog altijd veel sterker dan dat der bondgen ooten :
het eerste telde een 60 è 70000 man aan voetvolk en een groote
30000 ruiters of dragonders, dus te zamen 90 k 100 000 man;
terwijl het leger van Willem III, naar onze schatting, slechts
60 k 65000 man telde, 't Is waar, in een brief van Athlone
(Rheede-Ginkel) van den 2osten Juli, wordt de sterkte van het
leger der bondgenooten gesteld op in de 80 bataljons en 150
eskadrons; een 40000 man voetvolk en 30000 ruiterij, te zamen
70000 man, dus een 5 k 10 000 man meer dan ónze schat-
ting; — toch blijft men dan nog altijd beneden de sterkte van
het Fransche leger. Het vertrek van den Koning gaf nu ook
aan Luxembourg het voordeel, van meer zelfstandig en vrij te
werk te kunnen gaan.
Den i5cn Juni brak Luxembourg zijn kamp op te Tourine, en
rukte hij het leger der bondgenooten te gemoet; hij sloeg zich
dien dag neder tusschen Bossu en Ecluse, — of Bossuyt en
Sluis; want, in dit gewest van eene tweeslachtige nationaliteit, is
het onzeker of men de Fransche namen moet bezigen, of de
Brabandsche. Te Ecluse was het PVansche leger maar 1 k 2 uur
gaans verwijderd van het leger van Willem III, dat nog altijd
ten zuidoosten van Leuven stond, bij de abdij van het park.
Of Luxembourg toen voornemens was om het leger van de
bondgenooten aan te vallen en slag te leveren, is zoo geheel
zeker niet; maar hij nam er toch den schijn van aan, en deed
op den 1760 Juni eene verkenning van 's vijands stelling. Die
verkenning bracht Luxembourg tot het inzicht, dat zulk een
aanval ondoenlijk, ten minste onraadzaam, was: de stelling van
Willem III was sterk ; de beide uiteinden van de slaglinie waren
goed aangeleund, de rechter aan de Dijle, de linker aan bos-
schen; in geval van tegenspoed was de terugtocht goed ver-
Digitized by
Google
2l6 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEIÏ.
zekerd, daar men in de onmiddellijke nabijheid was van Leuven,
dat het geslagen leger kon opnemen ; een flankaanval kon Luxem-
bourg niet doen ; en een frontaanval was ook moeielijk, doordien
de linkervleugel van de bondgenooten beschermd werd door een
beek met steile wanden, en zich' voor het verdere front bosch-
achtig, ontoegankelijk terrein bevond, waartusschen slechts enkele
doorgangen waren, op sommige punten zoo weinig breed, >dat
maar twee eskadrons in front*' zich daar konden bewegen.
Beaurain, aan wien wij die bijzonderheden ontleenen, verklaart
dan ook, dat het, in die stellingen, voor de wederzijdsche legers
eene onmogelijkheid was om een algemeenen veldslag te leveren.
Bij onze hedendaagsche tactiek, met hare zooveel meer be-
weegbare troepen, met het verspreide gevecht, met de zoo
groote uitwerking der vuurwapens, en met de aanzienlijke uit-
breiding van de artillerie, zou — zooals van zelf spreekt — dat
oordeel van Beaurain niet gelden. Maar men moet zich in dien
vroegeren tijd verplaatsen; de legerhoofden van de 17e eeuw
handelden volgens de tactiek van de 17e eeuw, niet volgens de
hedendaagsche; en dat Luxembourg — wien het niet ontbrak
aan stoutheid en ondernemingsgeest — geen aanval durfde wagen
op de stelling van Willem III, bewijst dat die stelling werke-
lijk zeer sterk was, en met bekwaamheid was gekozen.
Maar toen Luxembourg afzag van een veldslag, wat deed hij
toen? — in den eersten tijd, niets; gedurende bijna eene maand
tijds bleven de beide legers, werkeloos, op korten afstand tegen-
over elkander staan. Een maand winst voor den verdediger, een
maand verlies voor den aanvaller! Geen kleinigheid, in een tijd
toen men meestal slechts de helft van het jaar met krijgsver-
richtingen doorbracht.
Maar al vochten de legers niet, zij moesten toch eten; dit is
te allen tijde eene hoofdzaak geweest bij het oorlogvoeren; en
de helft van de veldheerskunst bestaat daarin, om te zorgen dat
de troepen geen gebrek lijden. In de 17e eeuw had de zorg
voor de voeding van de legers te velde hare eigenaardige be-
zwaren; *t is waar, er werd toen minder voor die voeding ge-
vorderd, daar men niet zoo veeleischend en verwend was als in
onze dagen; maar aan den anderen kant waren de middelen
om die voeding te verkrijgen, oneindig schaarscher en beperkter
dan thans. De troepen zelve te laten voorzien in hunne voeding,
door ze in te kwartieren bij de ingezetenen, dat ging niet, dat
was ondoenlijk door de samenstelling der legers zooals die toen
was; men moest die legers voeden door geregelde uitdeelingcn,
en daartoe was het noodig fourageeringen te verrichten, of leef-
tocht aan te voeren uit de magazijnen in de vestingen. Maar
het middel van de fourageeringen kon zelden volstaan, omdat
Digitized by VjOOQIC
1693. 2^7
de landen toen minder bebouwd waren en de legers meestal
geruimen tijd bleven in dezelfde landstreek; en de aanvoer van
levensmiddelen uit de magazijnen werd toen zeer bemoeilijkt,
omdat de landwegen toen zoo slecht en gebrekkig waren.
Willem III, die reeds den 500 Juni in zijn kamp bij Leuven
stond, had gezorgd dat de fourageeringen voornamelijk verricht
werden in de landstreek ten zuiden van die stad; zoodat, toen
Luxembourg in die landstreek kwam, hij er niet veel meer vond.
Vandaar dat het Fransche legerhoofd vooral zijn toevlucht moest
nemen tot konvooien met levensmiddelen uit de magazijnen van
Frankrijk's noordelijke vestingen, soms ook uit Mons. Die kon-
vooien om het leger van Luxembourg te bereiken, gingen over
Beaumont, over Philippeville, over Namen; zij moesten soms
omwegen maken, om zich minder bloot te stellen aan vijande-
lijke aanvallen. Willem III had uit zijn kamp afdeelingen ruiterij
afgezonden naar Charleroi en naar Hoey, om, vereenigd met de
bezettingen van die vestingen, aanvallen te doen op de kon-
vooien die naar Luxembourg's kamp op weg waren; en het
schijnt dat daardoor de marsch van die konvooien soms werd
vertraagd en de voeding van het Fransche leger belemmerd.
Bij eene dier ondernemingen tegen de Fransche konvooien
ondergingen de bondgenooten echter een gevoelig nadeel. Den
4en Juli vertrok, van Beaumont naar het leger van Luxembourg,
een konvooi van 600 wagens, beladen met meel, brood, wijn en
verderen leeftocht, en met twee millioen aan geld; ook waren
daarbij eenige honderden runderen en schapen. Tusschen Beau-
mont en Philippeville werd dat konvooi aangevallen door eene
afdeeling der bondgenooten, uit Charleroi opgerukt, en sterk
1500 man voetvolk en 1400 ruiters. De aanval mislukte geheel
en al; het konvooi bereikte veilig Philippeville; de bondge-
nooten werden geslagen, en verloren — volgens Beaurain —
behalve de gewonden en gevangenen, een 200 man aan dooden.
De Europische Mercurius stelt dit verlies wel kleiner voor; maar
erkent toch ook, dat de bondgenooten hier de nederlaag heb-
ben geleden.
Den Sstcn Juli brak Luxembourg zijn kamp op bij Bossu en
Ëcluse, en sloeg zich neder tusschen de riviertjes de Groote en
de Kleine Geete, bij Heylisem, omstreeks een uur gaans ten
zuiden van Thienen, of Tirlemont. Denkelijk heeft er eene twee-
ledige reden bestaan voor die verandering van stelling: het zal
bezwaarlijk geweest zijn om in die stelling bij Ëcluse nog langer
te voorzien in de voeding van het Fransche leger; en Luxem-
bourg wenschte de Maas meer nabij te komen, om een aanval
op Hoey en Luik te kunnen ondernemen. Daar het Fransche
Digitized by
Google
2l8 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
leger te Ecluse op korten afstand van den vijand stond, moest
de marsch op Heylisem met de noodige voorzorgen geschieden;
Luxembourg liet het daaraan dan ook niet ontbreken; en met
zooveel beleid ging hij daarbij te werk, dat, hoezeer Willem III
dadelijk vooruitrukte toen hij den afmarsch van den vijand ont-
dekte en dien vijand door 60 eskadrons deed volgen, de Stad-
houder het evenwel onraadzaam achtte om het Fransche leger
bij dien marsch aan te vallen. — Van 8 tot 18 Juli bleef
Luxembourg in dat kamp bij Heylisem.
Volgens Beaurain werd het leger van Willem UI toentertijd
versterkt met 22 bataljons, getrokken: 10 uit Luik, 6 uit Maas-
tricht, 3 uit Charleroi ; de 3 andere waren uit Holland gekomen.
Bij onze schrijvers zoekt men tevergeefs naar die bijzonderheid;
en het waarschijnlijkste is, dat die versterking grootendeels niets
anders is geweest dan het terugkomen van afdeelingen, vroeger
uit het leger afgezonden naar Luik, Maastricht en Charleroi. Zoo
was ook de ruiterij van Charleroi weer teruggekomen bij het
leger. Eene andere ruiterafdeeling van een 3000 paarden, die,
onder Tilly, bij Hoey had gestaan, was van daar teruggegaan
en den i3eu Juli, over Luik, te Tongeren aangekomen; hier
bleef zij ook den i4cn, gekampeerd ten zuiden van de stad, op
den rechteroever van de Jeker, bij het kasteel Hamal.
Luxembourg, hiervan onderricht, besloot die ruiterij — Luike-
naars, Lunenburgers en Hannoveranen — te overvallen. Eene
sterke afdeeling, een 10 000 man zeggen onze opgaven, verliet
in den avond van den 1400 het kamp te Heylisem, ging iets
beneden Waremme op den rechteroever van de Jeker over, en
naderde in stilte het kamp van de bondgenooten bij Hamal. De
patrouilles, door Tilly uitgezonden, hadden niets van den vijand
bespeurd ; maar omstreeks middernacht kwam een geestelijke den
bevelhebber waarschuwen; deze had maar even den tijd om
zijne ruiterij te ];aard te doen stijgen, en, door op Maastricht
terug te trekken, aan het dreigend gevaar te ontkomen; maar
zijne achterhoede, door de voorste Fransche eskadrons aange-
vallen, stoof in verwarde vlucht uiteen, en verloor een paar
honderd man aan dooden en gevangenen, drie standaarden, en
al de bagage.
Die voordeelen, door het Fransche leger behaald, waren even-
wel van een weinig beduidenden aard; en Willem III, 'svijands
sterkte misschien te licht schattende, besloot nu op zijne beurt
aanvallenderwijze te handelen. Een aanval op de liniën van
Fransch Vlaanderen werd voorgenomen, en daartoe eene macht
bestemd van een 9 i 10 000 man voetvolk en een 5000 ruiters,
alles onder den hertog van Wurtemberg. Den iien Juli verliet
Digitized by
Google
1693. 219
het grootste gedeelte dier macht het legerkamp bij Leuven;
enkele bataljons kwamen uit Gent en andere vestingen in Vlaan-
deren. Het slechte weer vertraagde den marsch; de wegen waren
door den regen bedorven; zoodat het 18 Juli werd voordat men
de vijandelijke liniën kon aanvallen: de ruiterij was reeds een
dag of vier voor die liniën geweest, maar Wurtemberg's voetvolk
had niet zoo spoedig kunnen marcheeren.
De liniën die bestemd waren om Fransch Vlaanderen te dek-
ken, moesten de ruimte afsluiten tusschen de Schelde en de Lijs;
rechts begonnen zij te Espierre aan de Schelde, en eindigden
links aan de Lijs, nabij de vesting Meenen; zij hadden eene
lengte van omstreeks 4 uur gaans. De linie bestond uit eene
borstwering, met daarvoor liggende gracht van 6 meter breedte
en 2 è. 3 meter diepte; van afstand tot afstand had men in die
linie kleine gesloten werken; van die kleine redouten waren er
in het geheel 30, — maar er wordt niet van gewaagd dat zij
met geschut waren bewapend. De Espierrette, een beek of kleine
rivier, stroomde op korten afstand langs een groot gedeelte van
de linie, en maakte een eerste hindernis uit voor den aanvaller.
De verdedigende macht, onder De la Valette, wordt door de
Europische Mercurius begroot op een 10 000 man geregelde
troepen, behalve de gewapende boeren ; denkelijk is er niet veel
overdrijving in dat cijfer; want De la Valette had aanvankelijk
wel niet meer dan 4 bataljons en 16 eskadrons, maar is later
versterkt geworden door troepen die in het begin des jaars in
Normandië en Bretagne waren geplaatst om eene vijandelijke
landing tegen te gaan, maar die van daar werden weggenomen
toen men bespeurde dat zulk eene landing niet meer was te vreezen.
Maar ook hier bleek weer de onwaarde van die uitgestrekte
verschanste liniën, die de verdediger niet overal kan bezetten
en die de aanvaller overal kan aantasten. Toen de hertog van
Wurtemberg, den i8en Juli, na eenig geschutvuur, drie storm-
colonnes deed voortrukken, ondervonden deze slechts geringen
tegenstand, en waren zij in een half uur tijds de liniën binnen-
gedrongen, waarschijnlijk op punten waar geen genoegzame be-
zetting was. Bij Moucron, zoo wat halfweg de Schelde en de
Lys, deed De la Valette nog eene poging om, met 1800 man
voetvolk en 8 eskadrons ruiterij, den binnengedrongen vijand
staande te houden; die poging slaagde echter niet, en de Fran-
sche bevelhebber werd gedwongen om achter de Lys terug te
gaan. De geheele onderneming had aan de bondgenooten maar
een paar honderd man gekost aan dooden en gewonden.
Wurtemberg deed daarop een goed deel der liniën slechten,
en trok toen het land verder in. Den 23sten Juli vermeesterde hij
het kasteel van Trésin, tusschen Rijssel en Doornik, na een scherp
Digitized by
Google
220 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
gevecht dat aan elke der beide partijen eenige honderd man
kostte. Toen werden Artois en Fransch Vlaanderen door de bond-
genooten op brandschatting gesteld, die daarmede eene som van
meer dan 6 millioen guldens ophaalden; — een gewichtig voor-
<leel in een tijd toen het oorlogvoeren meebracht dat men bij
den vijand roofde, om daardoor diens oorlogsmiddelen te ver-
minderen, de eigene middelen te vermeerderen.
Dat voordeel door de bondgenooten behaald bij de Schelde,
werd spoedig meer dan opgewogen * door nadeelen in het Luik-
sche en in Braband geleden ; en Willem III ondervond toen hoe
gewaagd de handeling was om zich te verzwakken tegenover een
stout en bekwaam legerhoofd, dat gebruik wist te maken van de
minste onvoorzichtigheid van zijn tegenstander.
Toen Luxembourg bericht ontving, dat eene troepenmacht der
bondgenooten in aantocht was naar de liniën van Fransch Vlaan-
deren, oordeelde hij met reden dat het weinig zou baten, al werd
van het Fransche hoofdleger versterking toegezonden aan De la
Valette; daar de liniën vermeesterd konden zijn vóór de komst
van die versterking. Hij achtte het verkieslijk om partij te trek-
ken van de verzwakking van het leger van Willem III, om nu
over te gaan tot de uitvoering van de reeds lang beraamde
ondernemingen tegen Hoey en Luik.
Allereerst werd besloten Hoey te belegeren ; en om dat beleg
te dekken, brak Luxembourg den iScn Juli zijn kamp bij Hey-
lisem op, en trok in zuidoostelijke richting naar de Maas; dien
dag werd de marsch voortgezet tot Walef, een vrij groote marsch ;
— Walef is zoo wat een uur gaans ten zuiden van Waremme.
Den iQen was de marsch onbeduidend; het leger sloeg zich toen
neder te Vignamont, een klein uur ten noorden van Hoey; het
stond hier den bondgenooten in den weg, als deze het mochten
beproeven om Hoey te hulp te komen. Dien dag werd de ves-
ting berend door een deel van het leger van Luxembourg, door
troepen uit Namen, en door de kleine afdeeling van d'Harcourt;
de maarschalk Villeroy werd belast met het opperbevel over die
gezamenlijke macht en met het beleid van de belegering. — Dat
beleid heeft niet veel hoofdbrekens gekost; Hoey heeft zich
flauw verdedigd.
Die vesting, in onze krijgsgeschiedenis vooral vermaard door
de verrassing van 1594, ligt op den rechteroever van de Maas,
nagenoeg halfweg Namen en Luik, ter plaatse waar zich eene
kleine rivier, of beek, de Hoyou of Hoyoul, in de Maas werpt.
De stad werd, door eene brug over de Maas, vereenigd met eene
groote voorstad op den linkeroever; bij de nadering van het
Fransche leger was die brug afgebroken, en de vaart op de Maas
belet door een staketsel. Stad en voorstad waren ommuurd, en
Digitized by
Google
1693- 221
voorzien van wal en gracht; maar de eigenlijke sterkte van Hoey
werd toch gevormd door het kasteel, gelegen op een hooge
rots met steile wanden, ten westen van de stad; op een 3 k
400 el of meter vóór het kasteel, westelijk daarvan, had men
op de rots het fort Picard; en tusschen dat fort en het kasteel
een versterkte toren. Over bewapening en bezetting van Hoey
ontbreekt het aan bijzondere opgaven; wat men er van weet is^
dat die bezetting bestond uit Luiksche troepen, en dat die geen
gunstig voorkomen hadden, volgens Saint-Simon, — den ver-
maarden schrijver der ,jAjémofres*\ die, na de overgave, tegen-
woordig was bij den uittocht van die troepen. Aan dit oordeel
van iemand die de bezetting maar even ziet, is juist geen groote
waarde te hechten; maar de verdediging zelve van Hoey geeft
geen gunstig denkbeeld van de bezetting, — ten minste geen
gunstig denkbeeld van haar bevelhebber.
26 mortieren en 24 kanonnen, van Namen aangevoerd, komen
den 2ostcn Juli in 8 batterijen; eene van die batterijen — voor
14 mortieren — is op de rots waarop het fort Picard en het
kasteel zijn gelegen ; de zeven andere batterijen richten wel haar
vuur ook op die beide sterkten, maar bevinden zich op eene
andere hoogte, ten zuidwesten van de stad. De Luiksche bevel-
hebber. Renesse, tot de overgave uitgenoodigd, antwoordt vol-
gens de £uropische Mercurius, >dat hij zich kloekmoedig meent
te verdedigen"; — heeft hij dat antwoord gegeven, dan is hij
later van meening veranderd.
Reeds den 21 sten nemen de aanvallers de stad in bezit, aan
den bevelhebber en de bezetting den vrijen aftocht toestaande
naar het kasteel. Het fort Picard, dat den toegang naar het
kasteel afsloot,- geeft zich reeds den 2 2 sten over; de bezetting,
300 man sterk, wordt krijgsgevangen naar Namen gebracht; —
volgens onze opgaven zou die bezetting aftocht hebben gevraagd
naar het kasteel, maar dit geweigerd zijn door de Franschen;
Beaurain daarentegen beweert, dat de Franschen die vraag heb-
ben ingewilligd, maar de bevelhebber van het kasteel die bezet-
ting van het fort Picard daarin niet heeft willen opnemen.
Nadat nog den 23stcn de versterkte toren tusschen fort Picard
en het kasteel vermeesterd is door de belegeraars, treden ook
de verdedigers van het kasteel in onderhandeling en geven di&
sterkte over, onder voorwaarde van vrijen aftocht ; den 24sten Juli
trekt de bezetting met krijgseer uit het kasteel, naar Luik; —
wanneer er sprake kan zijn van krijgseer, bij zulk een flauwen
wederstand. Het is met volkomen recht, dat Willem III, in een
brief aan Heinsius, spreekt van >de infame verdediging" van
Hoey; en Renesse oordeelde het dan ook maar raadzaam om
vooreerst in het Fransche leger te blijven.
Digitized by
Google
222 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
De Stadhouder, hoorende dat Hoey werd aangevallen, had
besloten die vesting te hulp te komen. Den 2osten Juli brak hij
op uit zijn kamp bij Leuven, en kwam dien dag te Thienen;
den 2isteQ te Neerhespen, aan de Kleine Geete, nabij Leeuwe;
en den 2351011 te Hopertingen, tusschen Sint-Truyen en Borchloon.
Het doel van die bewegingen was Hoey meer nabij te komen,
en misschien Luxembourg slag te leveren; toen echter den
24stcn het bericht inkwam, dat Hoey was bezweken en dat in
Luik de vrees voor de Franschen de menigte in gisting had ge-
bracht, veranderde men van inzichten. Het was nu zaak om aan
het behoud van de Bisschoppelijke hoofdstad te denken; zich
met het geheele leger bij Luik te plaatsen, dit kon Willem III
niet, daar dan Leuven en Brussel werden blootgesteld aan Luxem-
bourg's ondernemingen; integendeel, het was zaak dat het leger
der bondgenooten nu die beide Brabandsche steden weer meer
nabijkwam; — toch moest er eene afdeeling worden afgezonden
om de bezetting van Luik te versterken.
10 bataljons voetvolk en 2 eskadrons ruiterij, — ruim 5000
man te zamen — werden door Willem III naar Luik afgezonden,
en kwamen, in den ochtend van den 26sten Juli, binnen die stad;
daardoor klom toen de bezetting van Luik tot een 30 bataljons ;
men zal niet ver van de waarheid zijn, als men dit stelt op een
15000 man. Het leger van de bondgenooten ging weer terug in
westelijke richting en kwam den 2 5 sten te Neérhespen, waar het
eenige dagen bleef; — te lang, zooals de uitkomst heeft bewezen.
Luxembourg, het oorlogsplan tegen Luik willende uitvoeren
en hopende op eene volksbeweging ten voordeele van Frankrijk,
trok den 25 sten Juli in de richting van die stad en kwam dien
dag te Lesky, een paar uur gaans ten westen van Luik. Maar
de volksbeweging bleef uit ; Luik had eene talrijke bezetting ; en
toen de Fransche veldheer, in den ochtend van den 26sten juli,
eene verkenning deed van Luik, overtuigde hij zich dat hij daar
zou stuiten op sterke verschansingen.
Luik in zijn tegenwoordige gedaante gelijkt niet meer op de
stad van 1693; maar d£ citadel op den linkeroever van de Maas,
en de y^Chartreusi'* op den rechteroever bestonden toch ook in
dat jaar, hoewel in anderen vorm dan thans; van beide wordt
gezegd, dat de versterkingen gebrekkig waren en verbetering
vereischten. De stad op den linkeroever en de voorstad op den
rechteroever der Maas waren met wal en gracht omgeven, —
zooals toen gewoonlijk alle steden; — maar de verschillende
groote voorsteden van Luik, op den linkeroever van de Maas,
lagen buiten de omwalling.
Het bisdom Luik was een onafhankelijke staat, die denkelijk
Digitized by
Google
1693. 223
liefst geen deel had willen nemen aan den toen ge voerden oor-
log. Maar een kleine staat, ingesloten tusschen machtige oorlog-
voerende partijen, kan moeielijk onzijdig blijven; en Luik had
zich dan ook maar aangesloten bij de bondgenooten. Op die
aansluiting kon men echter niet onvoorwaardelijk bouwen; want
Frankrijk had veel aanhangers in de stad, en in het Bisdom. —
Behalve de Luiksche troepen onder Tserclaes, had men in Luik
Brandenburgsche troepen, onder Heiden, en troepen van de
Republiek, onder Coehoorn.
Aan den grooten HoUandschen ingenieur werd de taak opge-
dragen om Luik in staat van verdediging te brengen; en die
taak heeft hem bezig gehouden van het najaar van 1692 tot in
1694. Coehoorn was van oordeel, dat Luik moeielijk te ver-
dedigen was, wanneer men die verdediging niet verrichtte op
een afstand van de stad; en daarom liet hij, terwijl hij de
citadel en de Chartreuse verbeterde, tevens verschanste liniën
aanleggen op de hoogten die Luik op den linkeroever van de
Maas nabij komen. Die liniën, vier in getal, omgaven de voor-
steden ; van de boven-Maas beginnende, had men eerst eene linie
vóór de voorstad Saint-Gilles ; dan eene linie vóór de voorstad
Sainte-Marguerite ; tusschen die linie en de stad werd de abdij
van Saint-Laurent ter verdediging ingericht; eene derde linie
was op de hoogte tusschen de voorsteden Sainte-Marguerite en
Sainte-Walburge ; de vierde was vóór laatstgenoemde voorstad,
ten noorden van Luik. De voorstad Saint-Leonard, aan de
beneden-Maas, werd alleen beschermd door een klein werk op
de hoogte onmiddellijk ten westen van die voorstad. Geheel
voltooid zijn die liniën eerst in 16^4; in welk een toestand zij
waren den 26sten Juli 1693, blijkt niet met zekerheid.
Bij die versterking van Luik ondervond Coehoorn nog al
tegenwerking van andere hooge bevelhebbers der Republiek;
te recht of ten onrechte waren zij van oordeel, dat die liniën te
uitgebreid waren en voor hare verdediging een te groote troe-
penmacht vorderden. Dat gaf nog al eens onaangenaamheden.
Onder de tegenstanders van Coehoorn wordt vooral de generaal
Van Heukelom genoemd; maar ook de hertog van Holstein-
Plön, die Waldeck als veldmaarschalk opvolgde, schreef eens
aan Coehoorn deze bitse woorden: »het schijnt, Mijnheer, dat
gij maar uw eigen hoofd volgt, zonder naar anderen te luis-
teren; het zal mij eens benieuwen, hoe de Koning" (Willem
III) »dit zal opnemen," Maar Coehoorn was tegen zoo iets be-
stand ; hij was ingenieur, en Fries ; als Fries gaf hij eene eenmaal
opgevatte meening niet spoedig op; en als ingenieur had hij
een onwankelbaar geloof in het heilrijke van vestingen en ver-
schanste liniën. Trouwens, in de dagen van Coehoorn was voor
dat geloof meer reden dan in onzen tijd.
Digitized by VjOOQIC
224 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BÏSCHOUWINGKN,
Dat daargelaten; zooveel is zeker, dat die liniën in 1693 het
behoud van Luik zijn geweest; of, om juister te spreken, die
liniën hebben Luxembourg toen verhinderd om Luik aan te
vallen. Ziehier wat Beaurain daarvan zegt; en Beaurain — dit
is reeds aangemerkt — heeft, bij het samenstellen van zijn werk^
de opgaven van Luxembourg zelf geraadpleegd.
>Den 26sten, *s ochtends vroeg, ging de Heer De Luxembourg het
verschanste kamp van Luik verkennen ; en nadat hij het met aan-
dacht had beschouwd, was hij van oordeel, dat het te nemen was,
maar niet zonder dat het veel volks kostte en zonder gevaar te loe-
pen van, misschien zonder nut, de beste infanterie van zijn leger te
verliezen: het terrein vóór de verschanste liniën was doorsneden
met groote zware heggen, en daarin zou men openingen moeten
maken onder het vuur van den vijand ; men was niet zeker, ver-
meesterde men de verschansingen, den vijand even zwaar verlies
toe te brengen als men zelf zou lijden; de vijand kon, zoodra
hij zag dat de linie ergens geforceerd werd, zeer spoedig in de
stad terugtrekken: het verschanste kamp werd door een ravijn
in tweeën verdeeld, zoodat, a)s men het eene deel had genomen,
men zoo goed als geen nadeel kon toebrengen aan de troepen
die het andere deel verdedigden; het was ook te duchten, dat,
nadat men bij den aanval op die verschansingen de beste infan-
terie had verloren, de Prins van Oranje zou trachten *sKonings
leger slag te leveren op een terrein, waar de overwinning niet
enkel door de ruiterij beslist zou worden; — dit alles bracht
den Heer De Luxembourg tot de meening, dat het aanvallen
van die verschanste liniën niet het middel was om het doel te
bereiken dat men moest beoogen: een voordeel te behalen op
den vijand, waarbij deze grooter verlies leed dan 's Konings leger,
en hem op die wijze te dwingen om de troepenmacht terug
te roepen die afgezonden was om de verschanste liniën van
Espierre te bemachtigen." {Hhtoire militaire de Fiandre; 2" deel,
blz. 283.)
Ziedaar wat Luxembourg weerhield om de sterkte van de
verschanste liniën van Luik op de proef te stellen; en de
redenen voor dit niet-aanvallen gegeven, schijnen gegrond en
verstandig.
Het Fransche legerhoofd begreep evenwel, dat Willem III, door
het afzenden van die afdeeling van Wurtemberg naar de zijde
van Fransch Vlaanderen en van eene versterking naar Luik, het
hoofdleger der bondgenooten wel met een 20000 man had ver-
zwakt; en dat er dus op dat oogenblik eene groote overmacht
was aan de zijde der Franschen. Luxembourg was een te be-
kwaam en te krachtig legerhoofd, om geen partij te trekken van
die overmacht; en hij besloot dus om, van Luik afziende, snel
naar de Geete's te trekken, naar de zijde van Lceuwc, naar
Digitized by
Google
1693. 225
Neerwinden en Neerhespen, waar hel leger van Willem III stond.
Het geheele Fransche leger zou dien marsch doen, omdat de
mogelijkheid bestond, dat die marsch tot een veldslag leidde;
dien veldslag achtte Luxembourg echter niet waarschijnlijk;
hij rekende er veel meer op, dat Willem III, overtuigd van de
groote overmacht der Franschen, zich bij hunne nadering zou
haasten om achter de Geete terug te gaan; maar dan wilde
Luxembourg met zijne sterke en uitmuntende ruiterij den terug-
gaanden vijand hefiig vervolgen, en hem bij die vervolging groote
verliezen toebrengen; het gevecht bij Leuze in 169 1 stond hierbij
den Franschen veldheer voor den geest.
Maar het was zaak om Willem III ten aanzien van dat aan-
valsplan te misleiden en hem te doen gelooven dat het nog
altijd in de bedoeling lag om Luik aan te vallen ; daarvan werd
dan ook de schijn aangenomen, en aan elk der Fransche batal-
jons gelast om 300 fascinen te maken, voor de bestorming van
de liniën. De afstand van het kamp van Lesky naar de stelling
van Willem III te Neerwinden was een 8 uur gaans; toch wilde
Luxembourg dien afstand afleggen in een enkelen marsch, omdat
hij vreesde dat zijne tegenpartij anders tijdig terug zou trekken
op de moeielijk aan te vallen stelling bij Leuven, Reeds den
2 7sien Juli moest die marsch naar de stelling van de bondge-
nooten geschieden; maar onvoorziene omstandigheden verhin-
derden dit: het was dien dag zeer slecht weer, zware regen; en
een paar patrouilles, naar de zijde van Neerwinden uitgezonden,
brachten het valsche bericht mede, dat de bondgenooten hunne
stelling déiéLT reeds hadden verlaten, op den linkeroever van de
Kleine Geete waren overgegaan, en naar Thienen marcheerden.
Later kreeg Luxembourg bericht, dat die patrouilles verkeerd
waren ingelicht, en de bondgenooten nog altijd bij Neerwinden
legerden; toen werd de onderneming vastgesteld op den 28sten
Juli; en den 28sten Juli, nog vóór het morgenrood, begon het
Fransche leger den marsch, die aanleiding gaf tot een van de
belangrijkste veldslagen van dezen oorlog.
Het kan niet ontkend worden, dat Willem III, bij dit gedeelte
van den veldtocht, te veel heeft gewaagd: zijn leger is minder
sterk dan het Fransche, en nóg verzwakt hij het met een 12 ^
15000 man, die de liniën van Fransch Vlaanderen aanvallen;
en hij doet dit, niet tegenover een d'Humières of een Villeroy,
maar tegenover een Luxembourg, wiens uitstekendheid als leger-
hoofd hij door langdurige ondervinding kende. Dit was overmaat
van stoutheid; dit was een misslag.
Maar na dien misslag, na het afzenden van die legerafdeeling
van Wurteraberg, is het moeielijk te zeggen wat Willem III
anders had kunnen doen, dan hij gedaan heeft. Toen het beleg
WILLEM III. — IH. 15
Digitized by VjOOQIC
226 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
van Hoey begint, trekt de Stadhouder naar de zijde van het
Fransche leger; of hij het slag wil leveren, — dit zal van de
omstandigheden afhangen, dit is onzeker; de spoedige overgave
van Hoey maakt een einde aan die onzekerheid, en doet het
voornemen om slag te leveren vervallen, — indien het bestaan
heeft. Maar nu wordt Luik bedreigd, en moet de bezetting van
die stad worden versterkt; door die afzending van 5000 man
naar Luik werd het leger alweer verzwakt, en werd dus het ge-
vaar verhoogd waarin het verkeerde; maar die afzending was
eene noodzakelijkheid, men kon er niet buiten. Maar waarom
dan, met het zoo verzwakte leger, niet dadelijk teruggetrokken
op de sterke stelling bij Leuven? — Omdat men zich dan te
veel verwijderde van Luik, en die stad dan geheel prijsgaf aan
de ondernemingen van Luxembourg.
In één woord^ het valt gemakkelijk aan te toonen, dat alle
handelingen die het leger van Willem III toen in zulk een ge-
vaarlijken toestand hebben gebracht, geen misslagen zijn geweest;
maar dat zij de onvermijdelijke gevolgen waren van een vroe-
geren misslag: het afzenden van die 12 èi 15000 man naar de
liniën van Fransch Vlaanderen.
Zoo staan de zaken, toen patrouilles, op den middag van den
28sicn Juli door de bondgenooten uitgezonden, terugkomen met
een paar Fransche krijgsgevangenen, die, ondervraagd, den op-
marsch berichten van Luxembourg's leger; andere patrouilles,
daarop uitgezonden, stuiten op sterke massa's van den vijand,
die in aantocht zijn naar de stelling der bondgenooten. Wil-
lem III en zijne onderbevelhebbers stijgen te paard en plaatsen
zich, met eene bedekking van ruiterij, bij eene veldwacht tus-
schen de dorpen Neerwinden en Rumsdorp; van hier zien zij
hoe, tusschen drie en vier uur des namiddags, eene sterke afdee-
ling Fransche ruiterij het stadje Landen bereikt, en dat doet
bezetten door afgezeten dragonders; in de verte ziet men aan
alle zijden sterke vijandelijke colonnes oprukken, zoodat er geen
twijfel meer kan bestaan aan 'svijands voornemen om slag te
leveren. Wat nu gedaan, in dit gevaarvol oogenblik ?
Sommige der generaals van Willem IIÏ, en ook de Gedepu-
teerden te velde, opperen de raeening om den slag te ontwijken
en snel terug te trekken achter de Kleine Geete ; maar met volle
recht verwerpt de Stadhouder die raeening: hij zegt, dat de
bagage terug moet gaan vóór dat het leger teruggaat; dat dit
tijd vordert, omdat veel paarden nog in de weide zijn; dat er
bovendien maar weinig bruggen zijn over de Geete ; dat het dus
lang zal duren voordat het leger den terugtocht kan beginnen,
en er dus alle waarschijnlijkheid is, dat de vijand vóór dien tijd
zal aanvallen; en dat daarom het terugtrekken een veel gevaar-
lijker handeling is dan het standhouden en slag leveren.
Digitized by
Google
NEBRWINDEN. 227
Dit waren verstandige gronden voor het aannemen van den
strijd, 't Is waar, 's vijands overmacht was groot ; — volgens de
waarschijnlijkste opgaven telde Luxembourg's leger een 70000
man, dat van Willem III slechts 40 k 45000 — ; maar die
overmacht kon worden opgewogen door de sterkte der stelling
van de bondgenooten, door de deugdelijkheid van hunne troe-
pen, en vooral door den heldenzin en de ontembare geestkracht
van den veldheer. — Er werd tot den veldslag besloten.
Luxembourg had dat niet verwacht; en bij de regeling van
den marsch van den 28sten Juli was aan de infanterie-colonnen
zelfs voorgeschreven om dien dag den marsch niet verder voort
te zetten dan tot Waremme en de Jeker, en daar hun kamp op
te slaan; alleen ruiterij en dragonders zouden verder gaan.
Hierin kwam echter verandering toen, in den loop van den
marsch, aan Luxembourg met zekerheid werd bericht dat de
bondgenooten bleven standhouden en den aanval schenen af te
wachten; ook de Fransche infanterie moest toen den marsch
voortzetten. Maar hoewel de ruiterij reeds 's namiddags bij het
stadje Landen en in de nabijheid van 's vijands stelling kwam,
zoo kon toch dat wapen, alleen, den strijd niet aanvangen; en
het werd avond vóór dat de Fransche infanterie Landen be-
reikte; dien dag kon er dus van slag leveren geen sprake zijn.
Geen wonder is dit, wanneer men in aanmerking neemt, dat
dien dag het Fransche leger een zeer grooten marsch had ge-
daan: het had zeker 8 uren afstands afgelegd.
£ene bijzondere omstandigheid gaf ook nog aanleiding tot
tijdverlies. Regimenten, die in de slagorde vooraan hadden
moeten staan, waren, bij de regeling van den marsch, aan den
staart der colonnen gekomen ; zij hadden daarin berust, zoolang
zij meenden dat het een gewone marsch was; toen zij echter
hoorden dat er slag zou worden geleverd, eischten die regimenten
om aan het hoofd der colonnen te komen; en de inwilliging
van dien eisch veroorzaakte natuurlijk oponthoud.
Toen de morgen van den 29steD Juli 1695 aanbrak, zag de
Fransche veldheer het leger zijner vijanden tot den strijd gereed,
en ontdekte hij met verbazing, dat het van den nacht gebruik
had gemaakt, om, met ongeloofelijke voortvarendheid, eene ge-
duchte sterkte te geven aan de stelling die het bezette.
Die stelling breidde zich uit over eene lengte van een groot
uur gaans, van de Kleine Geete nabij het dorp Heylisem, tot
aan het dorp Neerlanden en de daarlangs stroo mende beek, die
zich in de Kleine Geete werpt, bij het stadje Leeuwe, op een kleine
2 uur gaans achter de slaglinie der bondgenooten. De stelling
werd uitgemaakt door eene hoogte, die den zuidelijk gelegen
Digitized by
Google
228 KRUOS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
grond — de plaats waar het Fransche leger was — domineerde;
en die aan dit eene voordeel dat andere paarde, dat de terrein-
verlaging aan de binnenzijde toeliet om de troepen grootendeels
te onttrekken aan het gezicht en aan het vuur van den vijand.
De rechtervleugel was goed aangeleund aan de Kleine Geete,
een riviertje dat moeielijk anders dan over de bruggen o verge-
trokken kon worden. Op een groote looo el (meter) van de
Geete had men, op dien rechtervleugel, het dorp Neerwinden ;
en tusschen Neerwinden en de rivier, maar eenigszins vooruit-
springende ten aanzien van de slaglinie, het dorp Laer; zoowel
Neerwinden als Laer waren dorpen bestaande uit stevige steenen
huizen, verbonden door heggen, en met een kerk in het midden;
de sterkte van die dorpen werd verhoogd door het opwerpen
van dwarswallen in het inwendige. De linkervleugel kon ook
als goed verzekerd worden beschouwd; men had d^dr een ravijn,
dat, loopende over eene lengte van 8 k 900 el, eindigde bij de
beek van Landen ; dat ravijn had vrij steile wanden, en was dus
gemakkelijk te verdedigen; en tusschen het ravijn en het stadje
Landen had men, voorwaarts van de slaglinie, Rumsdorp, een
van zware heggen voorzien dorp. De beek van Landen had,
achter de slaglinie, waadbare plaatsen; die werden onbruikbaar
gemaakt door verhakkingen ; en bovendien werd het dorp Neer-
landen bezet, aan de overzijde van de beek gelegen. Het mid-
den van de stelling, het opene en aanvalbare gedeelte tusschen
het dorp Neerwinden en het begin van het ravijn, — eene lengte
van een 2500 k 3000 el — werd afgesloten door eene verschanste
linie, die daar *s nachts werd opgeworpen, en die zich ook achter
het ravijn uitbreidde tot aan de beek van Landen.
Over die verschanste linie zijn de opgaven niet eenstemmig;
sommigen kennen haar eene groote sterkte toe ; — onder anderen
doet dit Lodewijk XIV zelf, in zijn brief aan den aartsbisschop
van Parijs, over het te houden Te Deum; — eene andere opgave
zegt, dat die verschanste linie niet veel beduidde; — die laatste
opgave is de waarschijnlijkste; want in één nacht tijds graaft
men geen diepe gracht, en werpt men geen steile, hooge borst-
wering op. Maar, onbeduidend op zich zelve, gaf die verschanste
linie toch het groote voordeel, dat zij den verdediger eenigszins
beschutte voor 'svijands vuur, en dat zij eene belemmering uit-
maakte voor den aanvaller, vooral voor de ruiterij. De stelling
der bondgenooten — zegt eene Fransche opgave — was onge-
naakbaar voor de ruiterij; en daar vooral dit wapen de kracht
van Luxembourg's leger uitmaakte, is het duidelijk dat die in
haast opgeworpen linie wel degelijk de overmacht van het
Fransche leger zeer verminderde. Dat die linie op zichzelve
onbeduidend was, blijkt ook nog uit de omstandigheid dat zij
een open gedeelte had, dat men uit gebrek aan tijd niet had
Digitized by
Google
NEERWINDEN. 229
kunnen afmaken, en dat men toen maar afsloot met in elkander
geschoven wagens van de bagage.
Heeft het onze korte beschrijving niet geheel ontbroken aan
duidelijkheid, dan zal men begrijpen dat die stelling van Wil-
lem III te Neerwinden in hooge mate getuigt voor zijne be-
kwaamheid als veldheer; het verschansen van het slagveld en
het bezetten en versterken van dorpen komt hierbij voor op
eene wijze, voor die tijden buitengewoon en die men zelfs niet
terugvindt bij de latere veldslagen van Frederik II. — Kortelijk
vermelden wij nu op welke wijze het leger der bondgenooten in
die stelling werd geplaatst.
Allereerst moeten wij nog opmerken, dat gedurende den
nacht de bagage van het leger — en in dien tijd was zulk een
bagage geen kleinigheid! — werd teruggezonden, deels naar
Leeuwe, deels naar Thienen. Tevens verlieten het leger al die
personen die met de krijgszaken niets te doen hadden, zooals
Blathwait, de Engelsche secretaris van Willem III, en Constantijn
Huygens, de Hollandsche. De laatste geeft in zijn journaal hier
weer een treffend blijk, welke verhevene gedachten hem ver-
vulden bij zoo groote aanstaande gebeurtenissen; onder dagtee-
kening van 28 Juli 1693 wordt van oorlogszaken slechts schaars
gewaagd, maar komt de belangrijke bijzonderheid voor: dat men
>deed braeden, om koudt eten sanderen daeghs te hebben." —
Die man wekt een onverwinbaar gevoel op van weerzin en min-
achting !
Terwijl de bagage werd weggezonden, nieuwe bruggen over
de Geete werden geslagen, de dorpen versterkt en de verschanste
linie opgeworpen werd, schaarde het leger van Willem III zich
tevens in die slagorde waarin het 's vijands aanval wilde afwachten.
Bij de opgave van de plaatsing der troepen in eene verdedi-
gende stelling wordt het allereerst de plaatsing vermeld van de
artillerie, — want naar de plaatsing van de batterijen regelt zich
de plaatsing van de andere wapens; laten wij dus eerst spreken
van de artillerie der bondgenooten, — al is het dat dit wapen
in de zeventiende eeuw op lange na niet die uitwerking en dat
belang had, dat het tegenwoordig heeft.
Het geschut van de bondgenooten — 80 vuurmonden, volgens
de meeste opgaven; Beaurain zegt 90 — werd geheel geplaatst
achter de verschanste linie, in het centrum der stelling; het moet
daar zeer goed hebben gestaan, en eenparig wordt gewaagd van
de groote uitwerking van zijn vuur; het moet overmachtig zijn
geweest ten aanzien van de artillerie van Luxembourg. Twee
oorzaken verklaren die overmacht: vooreerst was de Fransche
artillerie, in weerwil van de groote sterkte van het Fransche
leger, minder sterk dan die der bondgenooten, daar zij slechts
Digitized by
Google
230 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
70 vuurmonden telde; en ten tweede kon de artillerie van WD-
lem III veel vroeger haar vuur beginnen, daar zij al dadelijk
eene borstwering vóór zich had die haar dekte, terwijl voor de
Fransche artillerie die dekkende borstwering nog eerst moest
worden opgeworpen. — £ene opgave van onze zijde spreekt ook
van artillerie in de dorpen Neerwinden en Laer ; uit de gevechten
om die dorpen blijkt hiervan echter niets.
Wil men een blijk, hoeveel minder toen het belang was van
de artillerie, en hoe dit wapen toen nog werd beschouwd als
eene bijzaak, dan kan men dit afleiden uit deze enkele omstan-
digheid: de artillerie van Willem ni was hier 80 vuurmonden
sterk ; bij eene veldartillerie van 80 vuurmonden zou men tegen-
woordig meer dan één generaal hebben, haar bevelhebber zou
een van de hoogste rangen van het leger bekleeden ; — de artil-
lerie van Willem III te Neerwinden had aan haar hoofd een
kolonel. Gouion.
De infanterie van de bondgenooten stond hier in eene eerste
linie, vóór hunne ruiterij, die, uit den aard der zaak, aanvan-
kelijk geen deel kon' nemen aan den strijd. Op den rechter-
vleugel waren de dorpen Laer en Neerwinden sterk bezet door
Hannoversche en Brandenburgsche bataljons en door de £ngelsche
brigade Ramsay, volgens eene opgave 5, volgens eene andere 3
bataljons tellende; op den linkervleugel waren het dorp Neer-
landen en de heggen nabij Rumsdorp bezet door bataljons van
de Republiek en door Deensche bataljons; de overige infanterie
stond in het centrum, achter de verschanste linie; geen infanterie
als reserve.
De ruiterij stond achter het voetvolk, achter den rechtervleugel
op drie liniën, achter het centrum en den linkervleugel op twee;
de drie liniën ruiterij achter Laer en Neerwinden werden aan-
gevoerd door den keurvorst van Beieren; de ruiterij van den
linkervleugel, waarover Athlone bevel voerde, had, ter hoogte
van Neerlanden, een haaksgewijze stelling ingenomen, front
makende naar de beek, en zich uitbreidende tot aan het dorp
Dormael, een half uur gaans van Leeuwe; in het centrum wor-
den verschillende bevelhebbers genoemd bij de ruiterij, Obdam,
Nassau-Sarbruck, Bentiock en Van der Duyn van 'sGravemoer;
de stadhouder van Friesland schijnt, met Solms en Fagel, aan
het hoofd te hebben gestaan van de infanterie bij Neerlanden
en Rumsdorp. Willem III, zonder harnas, maar duidelijk ken-
baar aan de ster van de orde van den Kousenband, was overal
waar strijd en gevaar het grootst waren.
Bij het verhaal van een hedendaagschen veldslag wordt dui-
delijk en bepaald opgegeven, op welk punt van de stelling ieder
deel en onderdeel des legers heeft gestaan en gestreden; bij
onze oudere schrijvers moet men zoo iets niet zoeken; men
Digitized by
Google
NEER WINDEN. 23 1
moet zich tevredenstellen met algemeene, onbepaalde opgaven,
die geen juist denkbeeld geven van het gebeurde, maar veel
onzekers en duisters overlaten. Wil men weten, hoe het Hol-
landsche leger gestreden heeft te Séneffe of te Neerwinden,
men doet dan het best met Fransche krijgskundige schrijvers
te raadplegen ; — natuurlijk, raadplegen met het noodige onder-
zoek, met de noodige kritiek; onvoorwaardelijk geloof moet men
dien Franschen schrijvers niet schenken; hunne waarheidsliefde
laat te wenschen over; — maar zij zijn duidelijk, zij zijn te be-
grijpen. Dijkvelt zond, onder dagteekening van 30 Juli, dus kort
na den strijd, een verslag daarvan aan de Staten-Generaal ; Wil-
lem UI doet dit onder dagteekening van den 2en Augustus; het
verslag van Dgkvelt is niet kwaad, dat van Willem III veel beter;
maar toch, beide verslagen staan in duidelijkheid ver achter bij
het verhaal dat Beaurain geeft. Vooral is duidelijk wat die
schrijver zegt over de plaatsing van het Fransche leger vóór
dat nog de strijd aanving ; — wij willen dit hier kortelijk overnemen.
Aanvankelijk was Luxembourg*s macht bijna gelijkelijk ver-
deeld tegenover de geheele slaglinie van den vijand, en zou die
slaglinie dan ook over het geheele front worden aangevallen;
het zou dus zijn, wat men met den kunstterm bestempelt van:
evenwij digen veldslag. De meeste veldslagen van dien tijd
waren evenwijdige veldslagen; bij de methodieke wijze van oor-
logvoeren van die dagen meende men dat dit zoo behoorde bij
een fatsoenlijken veldslag; een krijgskundig schrijver van dien
tijd — Feuquières, indien wij ons niet vergissen — maakt zelfs
bezwaar, den naam van veldslag te geven aan den bloedigen en
grootschen strijd van Séneffe, omdat dddr de verschillende deelen
van de wederzijdsche legers niet gelijktijdig, maar achtereenvolgens
op het slagveld zijn verschenen.
De Fransche rechtervleugel, aangevoerd door den Prins de
Conti, bestond uit 25 bataljons voetvolk en 16 eskadrons dra-
gonders. Het voetvolk stond op verschillende liniën, bij het dorp
Rumsdorp, op den linkeroever van de beek van Landen; de
dragonders, afgestegen zijnde, waren de beek overgegaan, en
moesten op den rechteroever het dorp Neerlanden aanvallen.
De Fransche linkervleugel was bestemd om Laer en Neer-
winden aan te vallen; tegenover die dorpen schaarden zich, op
ééne linie, 29 bataljons voetvolk, onder de generaals Rubantel,
Montchevreuil en Berwick, de onechte zoon van koning Jakobus.
Tot steun van die 29 bataljons stonden, in eene tweede linie,
nog 3 bataljons voetvolk en 4 eskadrons afgezeten dragonders;
en daarachter bevonden zich de maarschalken Joyeuse en de
generaal De Ximenès met 49 eskadrons ruiterij, op twee liniën
geschaard, gereed om, zoodra Laer en Neerwinden zouden zijn
Digitized by
Google
232 KRTJGS- EN GESCHIEDKUNDIGB BESCHOUWINGEN.
genomen, door die dorpen heen op de vlakte te deboucheeren
en daar 's vijands ruiterij op te zoeken.
Het Fransche centrum had eene slagorde, die bevreemding
opwekt en waarvan het nut, of het doel, moeielijk is te raden:
het stond op niet minder dan 8 Hniën; de eerste en derde linie
waren ruiterij; de tweede en vierde voetvolk; de vier laatste
liniën weer ruiterij. Hoezeer het geheel verkeerd is, de begin-
selen van de hedendaagsche krijgskunst toe te passen op de
oorlogen van de 17e eeuw, zoo kan men toch met den besten
wil van de wereld geen verstandige reden bedenken voor die
slagorde van het centrum van Luxembourg's leger. Wat een
vreemde dooreenhaspeling van liniën voetvolk en van liniën
ruiterij! en wat een aantal liniën achter elkander geplaatst, als
wilde men er voor zorgen dat van de vijandelijke kanonskogels
er toch zoo weinig mogelijk verloren zouden gaan! Waarlijk,
van krijgskundig beleid getuigt die opstelling van Luxembourg's
centrum niet.
De eerste en derde linie bestonden, te zamen, uit 25 eskadrons
ruiterij ; — hierbij bevond zich de vermaarde Maison du Roi\ die
aan haar hoofd den hertog van Chartres had, den lateren Regent;
de maarschalk De Villeroy en de generaals Rosen en Feuquières
voerden die ruiterij aan. De tweede linie bestond uit 11, de
vierde uit 21 bataljons voetvolk; de vier laatste liniën maakten
te zamen 89 eskadrons uit.
De geheele sterkte van Luxembourg's leger wordt gesteld op
93 bataljons voetvolk en 183 eskadrons ruiters en dragonders;
hieronder is niet begrepen eene macht van 20 eskadrons ruiters
en dragonders, waarmede d'Harcourt in den loop van den strijd
op het slagveld verscheen; hij was van Hoey opgerukt, — op
het hooren van het kanonvuur, zegt eene opgave; op bekomen
bevel van Luxembourg, zegt een andere opgave, wel de waarschijn-
lijkste. Uit die opgave over de samenstelling van Luxembourg*s
leger volgt, dat er denkelijk geen overdrijving is in de schatting,
die dit leger eene sterkte van een 70000 man toekent, en het
dus een 30000 man sterker maakt dan het leger van Willem III.
Het geheele Fransche leger schijnt te zijn gebleven op den
rechteroever van de Kleine Geete; op den linkeroever, nabij
Heylisem, stonden eenige weinige eskadrons van de bondge-
nooten, om den marsch van de bagage naar Thienen te be-
schermen tegen aar^slagen van Fransche afdeelingen; maar er
wordt geen melding gemaakt van zulke aanslagen, of van het
verschijnen van Fransche troepen op den linkeroever.
De beweegbaarheid van de troepen was in dien tijd niet
bijzonder groot; zoodat het geen verwondering kan baren dat
het acht uur 's ochtends werd, voordat het Fransche leger in de
Digitized by
Google
NEERWINDEN. 233
slagorde stond Jie hierboven is opgegeven. Het geschut van de
bondgenooten opende reeds om vier uur 's ochtends zijn vuur,
dat aan de Franschen gevoelige verliezen toebracht; eerst tus-
schen vijf en zes uur werd dit vuur beantwoord door de 70
vuurmonden van Luxembourg, die zich vóór het Fransche cen-
trum hadden ingegraven. Uit den aard van de zaak volgt, dat
de bondgenooten door het kanonvuur minder leden dan hunne
tegenpartij; toch ondergingen zij daardoor een smartelijk ver-
lies: een der eerste schoten bracht eene doodelijke wonde toe
aan den dapperen Solms; op het slagveld achtergebleven en in
'svijands handen gevallen, stierf hij weinige dagen daarna; in
hem verloor Willem III een bekwaam en krachtvol onderbevel-
hebber.
Ëenige uren lang duurde het Fransche geschutvuur, voorna-
melijk gericht op het centrum van de bondgenooten en op Neer-
winden en Laer. Geloovende den vijand genoegzaam te hebben
geschokt door dit vuur, doet Luxembourg, ruim negen uur.
Neerwinden en Laer bestormen door het voetvolk van Rubantel,
Mont Chevreuil en Berwick. Die aanval, met Fransche onstui-
migheid verricht, schijnt aanvankelijk volkomen te gelukken:
Laer wordt geheel genomen ; in Neerwinden dringen de Fransche
bataljons op verschillende punten binnen ; en de Fransche ruiterij,
dadelijk partij trekkende van dit voordeel, rijdt door het dorp
Laer heen, en deboucheert op de vlakte aan de andere zijde,
om daar de ruiterij van de bondgenooten op te zoeken. Bezons,
met 18 eskadrons, is vooraan; maar Joyeuse, met de hoofdmacht
van de ruiterij, is gereed om die voorste afdeeling te volgen.
Maar spoedig verandert de kans. Willem III herzamelt de ge-
slagen verdedigers van Laer; hij doet den strijd in Neerwinden
met nadruk volhouden, en trekt bataljons uit het centrum tot
zich, om daarmede den rechtervleugel te versterken. Er heeft
een woedende kamp binnen Neerwinden plaats, die eindigt met
de nederlaag van de Franschen; Beaurain wijt dit voor een deel
daaraan, dat de aanvalscolonnen van de Franschen in het dorp
ieder op zichzelve te werk gingen; terwijl de bondgenooten,
door de uitmuntende wijze waarop zij het inwendige van het
dorp hadden versterkt, meer met eenheid konden handelen, voet
voor voet den grond betwisten, en telkens nieuwe bataljons doen
oprukken in het dorp. De Fransche bevelhebbers brengen, voor
en na, de 29 bataljons van de eerste linie, en de 3 bataljons
en de afgezeten dragonders van de tweede, in de dorpen; niets
baat; voor en na teruggedrongen, moeten zij eerst Neerwinden
en daarna ook Laer geheel ontruimen; in verwarring worden zij
teruggeworpen op de vlakte; een hunner bevelhebbers, Mont
Chevreuil, sneuvelt; een ander, Berwick, valt in 's vijands handen.
Digitized by
Google
234 KRIJGS- £N GESCHIBDKUNDIGB BESCHOUWINGEN.
Bezons was met zijn i8 eskadrons reeds doorgedrongen op
de vlakte achter Laer, en daar met de ruiterij van de bondge-
nooten in gevecht geraakt; ook dat gevecht liep nadeelig af
voor de Franschen, vooral door de wending die de dorpsge-
vechten hadden genomen. De Fransche bevelhebber haastte zich
om terug te gaan door Laer, of op zij van dat dorp^ en zijne
vluchtende eskadrons te herzamelen achter Joyeuse's ruiterij.
Kort na het begin van dien aanval op Neerwinden en Laer
deed het Fransche centrum ook eene poging om de verschanste
linie van de bondgenooten te doorbreken; — eene poging
slechts, waarvan men echter spoedig afzag. De voorste linie van
dat centrum — ruiterij — die op ongeveer een looo el afstands
van die verschansing stond, reed daarheen, als wilde zij ze be-
stormen; nu bestond die afdeeling wel, voor de helft, uit de
Maison du Rot\ die toen, en niet zonder grond, werd gehouden
voor de dapperste ruiterij van de wereld ; en nu heeft de krijgs-
geschiedenis wel een enkel voorbeeld van het nemen van schansen
door ruiterij, — onder andere bij den slag van Borodino in
1812; — maar toch is het in den regel eene dwaasheid, eene
roekelooze opoffering van troepen, om met ruiterij vijandelijke
verschansingen te willen nemen. Dit ondervond men ook hier:
de Fransche ruiterij, die — volgens Saint-Simon — de vijande-
lijke verschansingen naderde tot op minder dan een pistoolschot
afstands, ontving toen zulk een geducht geweervuur dat zij ijlings
terugkeerde »met veel grootere snelheid dan waarmee zij ge-
komen was." In ééne Fransche opgave wordt het Feuquières
eenigszins verweten, dat hij met zijne troepen geen deel heeft
genomen aan dien aanval; indien dit het geval is geweest, dan
heeft Feuquières zeer verstandig gehandeld: van zulk een aanval
was niets goeds te wachten; hoogstens kan men dien eenigszins
daarmee verontschuldigen, dat men door dien aanval beoogde
de bondgenooten te verhinderen om de troepen achter de ver-
schanste linie te doen oprukken naar Neerwinden en Laer.
De Fransche rechtervleugel deed hare aanvallen bij Rumsdorp
en op Neerlanden iets later dan de aanvallen op Neerwinden
en op het centrum. Omtrent dien strijd bij Neerlanden zijn de
opgaven uiteenloopend : van ónze zijde wordt beweerd, dat Neer-
landen tot tweemaal toe door den vijand werd aangevallen; dat
de Franschen wel iri het dorp zijn doorgedrongen, maar, na een
hardnekkigen strijd, er weer geheel zijn uitgeworpen ; Willem III,
eerst bij Neerwinden gestreden hebbende, was dadelijk daarop
naar Neerlanden gerend, en had ook hier, door zijne dapperheid,
de dapperheid zijner bataljons verdubbeld. Beaurain daarentegen
beweert dat de Fransche dragonders Neerlanden hebben ge-
Digitized by
Google \j
NEERWINDEN. 235
nomen; — hij voegt er echter bij, dat bij den strijd om de
heggen van Rumsdorp het nadeel aan de Fransche zijde is ge-
weest; dat de Fransche bataljons toen gestuit zijn tegen het
ravijn en de daarachter liggende verschansing; en dat die batal-
jons toen zoo groote verliezen hebben geleden door 'svijands
vuur, dat zij in verwarring zijn teruggegaan, en dat ook de
heggen bij Rumsdorp door de bondgenooten weer bezet werden.
De waarschijnlijkheid is er dus voor, dat ook het dorp Neer-
landen in het bezit is gebleven van de bondgenooten. Trouwens,
op Beaurain's slagplan van Neerwinden komt hier de aanduiding
voor: f mislukte aanval van de Fransche infanterie op den lin-
kervleugel der bondgenooten." {attaque sans succes, faite par V in-
fanterie franfoise contre la gauche des alliés),
Luxembourg was de man niet, om na dien eersten tegenspoed
dadelijk af te zien van den strijd; integendeel, hij besloot dien
onverwijld te hervatten ; maar nu meer uitsluitend tegen 's vijands
rechtervleugel bij Neerwinden en Laer, terwijl hun centrum en
linkervleugel voor het oogenblik onaangevallen zouden blijven.
Uit de tweede en de vierde linie van het Fransche centrum
worden 1 2 bataljons voetvolk, onder De Guiche en Stoppa, naar
de zijde van Neerwinden en Laer gezonden ; de geslagene batal-
jons van den Franschen linkervleugel sluiten zich aan bij die
versche troepen; en allen werpen zich nu gezamenlijk op de
beide dorpen, wier bezit beslissend zou zijn voor de uitkomst
van den veldslag. ^
Ook bij dien tweeden aanval is het voordeel aanvankelijk aan
de zijde der Franschen: Laer wordt door hen geheel genomen;
en in Neerwinden dringen zij zoo krachtig doQr, dat alleen de
uiterste rand van het dorp nog in het bezit blijft van de bond-
genooten. Maar Willem III is weer ter hulp toegesneld, met
eenige bataljons uit het centrum ; de komst van die nieuwe troe-
pen doet de krijgskans keeren ; de bondgenooten, op hunne beurt
aanvallers, dringen den vijand al meer en meer terug en her-
nemen het grootste gedeelte van Neerwinden en van Laer. Bij
dit hevige en bloedige dorpsgevecht was de infanterie van den
Stadhouder in het voordeel, wat Beaurain aan twee oorzaken
toeschrijft: vooreerst waren hare vuurwapens beter dan die van
het Fransche voetvolk; en ten tweede was er bij de bondge-
nooten eenheid van handeling, terwijl de Fransche infanterie als
het ware versnipperd was, omdat men verzuimde — of den tijd
niet had — om de heggen en kleine muren op te ruimen, die
in het dorp de verschillende Fransche colonnen van elkander
gescheiden hielden. Wat hiervan zij, zooveel is zeker, dat de
Fransche bataljons, na eene hardnekkige worsteling, weer met
groot verlies uit de dorpen worden verdreven ; toch blijven zij zich
Digitized by
Google
236 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGB BESCHOUWINGEN.
Staande houden bij enkele heggen, aan de uiterste omheining; —
een voordeel dat bij den eersten aanval niet was verkregen.
De zon had nu reeds de middaghoogte bereikt, de uren lang
volgehouden strijd had duizenden Franschen op het slagveld
doen vallen, en nog was de stelling van de bondgenooten zoo
goed als in haar geheel gebleven. Geen wonder dat sommige
der hoogere bevelhebbers van het Fransche leger de meening
begonnen te uiten, dat het raadzaam was om den kamp af te
breken, en zich niet langer vruchteloos uit te putten in het
streven naar een moeielijk te behalen overwinning. Maar bij
wien die meening ook ingang mocht vinden, niet bij Luxem-
bourg ; de leerling van Condé toonde ook hier, dat de stoutheid
van zijn meester hem ten deel was gevallen. De laatste krachten
wilde hij inspannen, om bij Neerwinden of bij de verschansingen
met zijne infanterie door te breken, en daardoor de overmach-
tige en goede Fransche ruiterij in werking te kunnen brengen ; —
die ruiterij was toen nog versterkt, doordien d'Harcourt met zijn
20 eskadrons op dat oogenblik op het slagveld verscheen.
Alwat er nog aan voetvolk beschikbaar was bij het Fransche
leger, zou deelnemen aan dien derden aanval op 'svijands stel-
ling. In het centrum stonden er, in de vierde linie, nog 13
bataljons voetvolk; Luxembourg deed die naar Neerwinden en
Laer trekken, om, mét de bataljons die daar reeds gestreden
hadden, die dorpen nogmaals te bestormen; Conti zou hier den
aanval besturen.
In de tweede linie van het centrum kon men nog beschikken
over 7 bataljons, het beste voetvolk van het Fransche leger:
4 bataljons Gardes frangahes en 3 bataljons Gardes suisses. Die
keurbende moest Neerwinden aanvallen, daar waar dit dorp aan
de verschanste linie sloot; de Gardes frangaises zouden het dorp
aanvallen, de Gardes suisses de verschanste linie. Meer rechts
zou Feuquières eenige bataljons van den rechtervleugel uit Rums-
dorp doen oprukken, naar ddt deel der vijandelijke stelling waar
de verschanste linie vervangen was door in elkander geschoven
wagens; hij zelf zou met de ruiterij van het centrum die batal-
jons volgen, en, zoodra de mogelijkheid daar was, door eene
opening in de verschanste linie op de vlakte aan de andere zijde
deboucheeren ; evenzoo zou de gardebrigade op den voet worden
gevolgd door de eskadrons van de Maison du Koi en van de
ruiterbrigade Phélippeaux; evenzoo, de bataljons die Neerwinden
en Laer moesten aanvallen, door de talrijke ruiterij van den
Franschen linkervleugel. Het voetvolk moest, het kostte wat het
wilde, de dorpen en de verschanste linie vermeesteren; de rui-
terij, zoodra er maar de minste mogelijkheid toe was, door die
dorpen en linie heen trekken, en, op de vlakte aan de andere
zijde, den strijd opnemen.
Digitized by
Google
NEERWINDEN. 237
Die laatste en uiterste inspanning, op krachtvolle wijze ge-
regeld en met groote dapperheid uitgevoerd, gelukt; zij beslist
den strijd; zij geeft aan het Fransche leger eene volkomene
overwinning, — al is het dan ook geweest een lang betwiste en
duur gekochte overwinning.
Het allereerst dringt Feuquières de vijandelijke stelling bin-
nen ; hij heeft bespeurd dat de Stadhouder, om met meer macht
bij Neerwinden op te treden, zijn centrum heeft verzwakt; hier-
van trekt de Fransche aanvoerder partij; hij doet eenige batal-
jons, onder Créquy, van Rumsdorp oprukken naar het deel der
linie dat door de wagens werd uitgemaakt; die aanval gelukt,
de wagens worden weggeruimd, door de opening trekt Feu-
quières met zijne ruiterij en schaart die in slagorde binnen de
linie, front makende naar Neerwinden ; de andere Fransche infan-
terie, uit Rumsdorp, volgt; en van het behaalde voordeel wordt
dadelijk kennis gegeven aan Luxembourg.
Dat bericht doet de aanvallen op Neerwinden en Laer met
onstuimigheid hervatten. De Fransche infanterie, in het bezit
gebleven van de uiterste omheining, vindt nu minder bezwaar
om in de dorpen door te dringen; nóg heeft zij te doen met
een zich dapper verdedigenden vijand; maar. die vijand heeft
aan strijdkracht verloren, en komt in verwarring toen hij ontdekt
dat het Fransche leger op andere punten is doorgedrongen. De
bataljons, die Willem III uit het centrum naar Neerwinden wil
doen trekken, kunnen dat dorp niet meer bereiken, daar zij
daarin worden verhinderd door het doordringen van de ruiterij
van Feuquières. Het einde is dat de bondgenooten, na een
dapperen wederstand, geheel worden verdreven uit Laer en uit
Neerwinden; en het Fransche voetvolk nu de omheining van
die dorpen bezet, om het deboucheeren van hare ruiterij te be-
schermen.
Willem III wendde toen nog zijn uiterste krachten aan, om
dat deboucheeren te beletten ; hij had Athlone, met het grootste
deel van de ruiterij die aanvankelijk den linkervleugel uitmaakte,
de Geete doen naderen en zich doen plaatsen achter de ruiterij
van den rechtervleugel; hij zelf viel, met voetvolk en ruiterij,
de Fransche en Zwitsersche garden aan, die in de onmiddellijke
nabijheid van Neerwinden waren doorgebroken. De Maison du Rot
was die garden op den voet gevolgd, reed ze voorbij en poogde,
voorwaarts daarvan, eene slaglinie te vormen; maar met onstui-
migheid aangevallen door den Stadhouder, worden de voorste
eskadrons in verwarring teruggeworpen. De Fransche en Zwit-
sersche garden houden zich daarentegen staande, slaan den
aanval af van 5 bataljons der bondgenooten, en, de verschan-
singen al meer en meer slechtende, geven zij daardoor aan de
nakomende troepen gelegenheid om binnen de stelling van de
Digitized by
Google
238 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
bondgenooten te dringen, en zich aan te sluiten bij de Fransche
en Zwitsersche garden.
Moet men dit doordringen van den vijand bij Neerwinden
ook wijten aan de omstandigheid, dat de Hollandsche artillerie
toen haar vuur staakte, en terugging? — Willem III, in zijn verslag
van den strijd, van dit doordringen des vijands gewagende, zegt :
lons kanon aan die kant niet meer zo wel waargenomen wer-
dende"; en in een ander verslag vindt men de bijna gelijklui-
dende woorden: >ons kanon van die zijde ook zo veel dienst
niet meer doende". Het is zeer waarschijnlijk dat de Hollandsche
artillerie, toen zij Feuquières de verschanste linie zag binnen-
dringen, is teruggegaan om niet in 's vijands handen te vallen;
zelfs is het moeielijk, dat teruggaan te misprijzen; — toch werd
het gewraakt, en het had de afzetting van haar bevelhebber,
Gouion, ten gevolge. Die bevelhebber beweerde niet eigenmachtig
te zijn teruggegaan, maar op last van den generaal Obdam;
Obdam ontkende dat hij dien last had gegeven; en, bij eene
samenkomst bij Willem III, hield Gouion zijne bewering vol,
met eene heftigheid die hem den eerbied voor den Koning uit
het oog deed verliezen: >wat Sakrament, Sire!" waren de
woorden die den kolonel meer dan eens ontvielen, en die hem
dan een »foei, foei mijnheer" van den vorst op den hals
haalden. Juist die hevigheid van taal wekt het vermoeden op,
dat Gouion wel degelijk bevel had gekregen om terug te gaan ; —
toch werd hij in het ongelijk gesteld, en in het bevel over de
artillerie vervangen door Verschuer, den bevelhebber die, tien
jaar later, bij Eeckeren heeft geschitterd.
Ook door Neerwinden en Laer, en ter zijde van die dorpen,
is allerwege de Fransche ruiterij doorgedrongen op de vlakte
en heeft zich daar in slagorde geschaard; zij valt nu aan op de
voorste linie van de ruiterij van den keurvorst van Beieren. Op
den linkervleugel van die linie staat de Hannoveraansche ruiterij,
die, geheel ontmoedigd, zonder gevecht teruggaat ; dat teruggaan
heeft de nederlaag ten gevolge van de Spaansche ruiterij, die den
rechtervleugel der linie uitmaakte. Het ruitergevecht dat daar
op volgt, is natuurlijk niet in bijzonderheden en met juistheid
op te geven : een ruitergevecht is altijd een verwarde handeling.
Genoeg zij het, te zeggen, dat ook de Hollandsche alsmede de
Ëngelsche ruiterij bij afwisseling in gevecht komen, en nu eens
overwinnen en dan weer overwonnen worden; maar dat de
groote overmacht van de Fransche ruiterij al meer en meer doet
inzien, dat men den vijand niet langer kan tegenhouden, dat
men den strijd moet opgeven. Om drie uur 's namiddags beveelt
Willem III den terugtocht.
Digitized by
Google
NSEKWINDEN. 239
Bg dien terugtocht kon het leger van de bondgenooten onmo-
gelijk bijeen blijven, dewijl hun rechtervleugel door het door-
dringen van Feuquières bij de verschanste linie geheel afgescheiden
was van den linker. Van dien linkervleugel stonden 9 HoUandsche
en Deensche bataljons, onder Fagel, nog achter het ravijn nabij
Rumsdorp, en waren, door het doordringen van de Fransche
ruiterij, zoo goed als afgesneden; maar die infanterie, even uit-
muntend als de HoUandsche bataljons op het slagveld van
Fleur us, volbracht haren terugtocht in volmaakte orde en zonder
noemenswaard verlies. Het is niet bij ónze schrijvers dat wij
deze roemvolle bijzonderheid vinden; wij ontleenen haar aan
Beaurain ; ziehier wat hij daarover zegt {Histoire militaire de Flandre^
2* deel, blz. 296):
»Die 9 bataljons bleven onverwrikt, hoewel van zeer nabij
vervolgd en bijna omsingeld door de Fransche ruiterij, aange-
voerd door den Heer De Feuquières; zij gaven eenige salvo's
op de eskadrons die hun te nabij kwamen; en, ondersteund
door 12 i 15 eskadrons, gelukte het die infanterie om terug te
trekken en de bruggen over de Geete te bereiken, het meest
nabij Leeuwe. De brigaden Fransche infanterie, die op den
rechtervleugel stonden, werden opgehouden door de vijandelijke
afdeelingen in de heggen van Rumsdorp; ook opgehouden door
de moeielijkheden van het terrein; zij konden de HoUandsche
infanterie niet genoeg nabij komen om haar in de vlakte aan te
vallen; en die infanterie trok ongedeerd terug."
Wij merken hierbij aan, dat Beaurain bij vergissing spreekt
van f bruggen over de Geete"; het waren de bruggen over de
beek van Landen, bij Dormael.
De terugtocht van den rechtervleugel van de bondgenooten
was minder voorspoedig.
Wel is waar kwam de infanterie ongedeerd op den linkeroever
van de Geete; maar de ruiterij, die den aftocht moest dekken,
had het harder te verantwoorden. Die ruiterij viel gedurig aan
op de steeds voortdringende ruiterij van Luxembourg; het is
onmogelijk om hierbij in het bijzonder te vermelden wat het
deel is geweest van elke der nationaliteiten waaruit de cavalerie
van Willem III bestond; wat er verricht is door de Engelsche
regimenten, wat door de HoUandsche, wat door de Duitsche,
wat door de Spaansche; alleen worden met bijzonderen lof ge-
noemd de drie HoUandsche regimenten van Zuilestein, Ittersum
en Dompré, en de compagnie HoUandsche Gardes-du-corps^ door
Ouwerkerk aangevoerd. Die cavalerie-gevechten werden met af-
wisselende uitkomsten gestreden; nu eens overwonnen de bond-
genooten, dan weer werden zij overwonnen; maar toch, de uit-
komst was dat zij al meer en meer grond verloren, en al meer
en meer teruggedrongen werden door den overmachtigen vijand.
Digitized by
Google
240 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Bij eene laatste poging om dien vijand tot staan te brengen,
valt Willem III, roet het regiment van Ruvigny — of Galloway — ,
grootendeels bestaande uit Fransche réfugiés^ op de ruiterij van
Luxembourg aan, werpt eenige eskadrons overhoop, maar wordt
daarna op zijne beurt geslagen door andere Fransche ruiter-
benden. De luitenant-kolonel van Ruvigny valt in 's vijands han-
den ; > mijne heeren," zegt hij tot hen die hem gevangen nemen,
en wijzende op den wegrennenden Stadhouder, »gij zoudt meer
hebben aan dien man dan aan mij." Maar na gestreden te heb-
ben zoolang strijden mogelijk was, zag de Stadhouder in, dat
het tijd was om aan ontkomen te denken; met moeite gelukte
het hem om eene der bruggen bij Neerhespen te bereiken en
daar de Geete over te gaan; van zijne vluchtende ruiters waren
velen minder gelukkig: op den voet gevolgd door den overwin-
naar, wierpen zij zich in de rivier of kwamen daarin terecht,
door het breken van sommige niet sterk genoeg gebouwde
bruggen; een aantal ruiters vond op die wijze den dood in het
water; — blijkbaar is er echter eene grove overdrijving in de
bewering van een der berichtgevers, dat van de ruiterij der
bondgenooten er meer in de Geete zijn verdronken dan op het
slagveld gesneuveld; meer waarschijnlijk is eene Fransche op-
gave, die het getal der verdronkenen stelt op 7 k 800 ruiters.
Alleen tot aan de Geete zette de overwinnende Fransche rui-
terij de vervolging voort; zij bleef op den rechteroever, en liet
de bondgenooten verder ongehinderd aftrekken ; — toch was het
toen pas tusschen drie en vier uur des namiddags, en de zomer-
dag was dus nog lang niet ten einde.
Het slagveld en bijna de geheele artillerie van Willem III
bleven in de macht van den overwinnaar; de nederlaag van
den Stadhouder was dus onbetwistbaar; — maar het was een
glorievolle nederlaag; en aan Luxembourg kwam zijne overwin-
ning duur te staan. Zooals gewoonlijk loopen de cijfers van de
verliezen zeer uiteen; moeielijk is het daaromtrent iets te be-
palen; en het heeft ook geen groot belang, of het eene of het
andere leger een duizendtal soldaten meer of minder op het slag-
veld heeft gelaten. De opgave bij Beaurain — eene half-of&cieele
opgave, daar zij ontleend is aan de aanteekeningen van Luxem-
bourg zelf — stelt het verlies van de bondgenooten op 18000
man, dat van het Fransche leger op 7 k 8000; die opgave is
klaarblijkelijk overdreven; maar even overdreven is eene opgave
van de Hollandsche zijde, dat het leger van Willem UI in den
slag van Neerwinden niet meer dan een 5000 man zon hebben
verloren. De meeste waarschijnlijkheid is er voor, dat de ver-
liezen van Luxembourg niet kleiner zijn geweest dan die van
Willem III, denkelijk grooter.
Digitized by
Google
NEERWINDEN. 24 1
Laten wij die meening met een enkel woord toelichten en
verdedigen.
In dien strijd bij Neerwinden vangt het geschutvuur reeds in
den vroegen ochtend aan; om negen uur worden de dorpen
bestormd; eerst in den namiddag komt de beslissing. Tot aan
die beslissing, tot aan het doordringen in de stelling der bond-
genooten streden de Fransche troepen onder ongunstige omstan-
digheden: zij vielen aan; zij moesten, onbedekt, vooruitrukken
tegen een stilstaanden en bedekten vijand, die beschermd werd
door heggen, door muren, door opgeworpen borstweringen; die
vijand beschikte over meer, of betere, vuurwapens, en had betere
vuurtactiek; er valt dus niet aan te twijfelen, dat bij die aan-
vallen, — ten minste drie in getal — de verliezen van de Fran-
schen veel grooter moeten geweest zijn dan die van hunne
vijanden; en het is zeer twijfelachtig, of dit later opgewogen
heeft tegen de verliezen die de bondgenooten leden toen een-
maal hunne slaglinie doorbroken was.
Lodewijk XIV, in een brief aan den aartsbisschop van Parijs,
stelt Neerwinden voor als eene volkomen, als eene beslissende
overwinning: »na die verschrikkelijke nederlaag" — zegt hij —
>is er niets wat de bondgenooten niet hebben te vreezen, niets
wat ik niet gerechtigd ben te hopen." De koninklijke trots spreekt
uit die woorden; misschien ook dat, in de bedwelming over de
behaalde zege en bij de overdreven opgaven in het eerste oogen-
blik van het slagveld ingekomen^ de monarch meende dat die
woorden geen grootspraak inhielden; — toch had ééne beden-
king voldoende moeten zijn om hem te doen inzien dat de be-
haalde zege van een weinig beslissenden aard was: indien het
waar was dat het kleinere leger van Willem III tienduizend man
meer verloren had dan het sterkere leger van Luxembourg,
waarom heeft er dan geen vervolging plaats gehad ? De Fransche
veldheer beschikte toch over eene sterke en uitmuntende ruiterij ;
en men kon de overblijfselen van het geslagen vijandelijke leger
nog gedurende vele uren nazetten, vóór dat de nachtelijke duis-
ternis dit verhinderde.
Maar die vervolging heeft niet plaats; de Geete wordt niet
overschreden; — waaraan is dit toe te schrijven? — Eenvoudig
daaraan, dat het leger van Willem III niet zoo geheel geslagen
was ; en dat het leger van Luxembourg door den strijd bij Neer-
winden zooveel had verloren, dat het geen kracht meer had om
te vervolgen; — want het is niet aan te nemen, dat de Fransche
ruiterij van de vervolging afzag omdat hare paarden uitgeput
waren, daar zij in geen twee dagen waren gevoederd. Die ver-
klaring van de niet-vervolging is een sprookje: waren de paar-
den der Fransche ruiterij te uitgeput om, na eene behaalde
overwinning, te vervolgen; wat hadden die paarden dan moe-
WILLEM III. — III. 16
Digitized by
Google
242 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
ten doen om, na eene geleden nederlaag, aan den vijand te
ontkomen ?
Kan men dus gemakkelijk aantoonen dat Luxembourg's leger,
naar alle waarschijnlijkheid, te Neerwinden groote verliezen heeft
geleden, men vindt die waarschijnlijkheid zoo goed als in zeker-
heid veranderd door opgaven van de Fransche zijde zelve.
Beaurain, sprekende over wat Luxembourg had kunnen doen
na de behaalde overwinning, zegt onder andere, als verklaring
dat toen werd afgezien van een aanval op Luik; dit zijn de
woorden van den Franschen schrijver: »de verliezen die 's Konings
infanterie in den slag bij Neerwinden had geleden, verhinderden
om aan den aanval op de verschansingen van Luik te denken."
{Histoire militaire de Flandre^ 2* deel, blz. 297).
Neerwinden is eene nederlaag geweest, die Willem III heeft te
wijten gehad aan de onvoorzichtigheid om zijn leger te ver-
zwakken door het afzenden van eene sterke afdeeling naar
Vlaanderen, en aan de bekwaamheid en snelheid waarmede
Luxembourg zijn voordeel wist te doen met dien misslag. Maar,
dit eenmaal erkend zijnde, moet men er bijvoegen, dat bij den
veldslag zelf de veldheer der bondgenooten niet heeft achter-
geslaan bij zijn tegenstander, veeleer dat hij dien heeft overtroffen.
Dat een leger van 40 è 45000 man goede troepen geslagen
wordt door een leger van 70000, even goede, heeft niets dat
moet bevreemden ; integendeel, wanneer er eenige stof tot be-
vreemding is te zoeken, dan is het wel daarin, dat het zwakkere
leger een halven dag den strijd volhoudt, en de uitkomst lang
onzeker laat. Maar, waarom dien ongelijken strijd gevoerd? —
Eenvoudig daarom, omdat het terugtrekken gevaarlijker zou zijn
geweest dan het slag leveren. Dat Willem III den vijand te
Neerwinden heeft afgewacht, is geen misslag geweest, maar eene
goede en verstandige handeling; evenzoo is het geen misslag
geweest in Luxembourg, dat hij pas den 295100 Juli heeft slag
geleverd : op den 28sten had het Fransche leger een zóó grooten
marsch verricht, dat het onmogelijk was om nog dien dag de
vijandelijke stelling aan te vallen.
De wijze waarop Willem III gebruik maakte van den nacht
vóór den strijd om zijne stelling te versterken, getuigt in hooge
mate voor zijne bekwaamheid als legerhoofd. De slag van Neer-
winden kan altijd als voorbeeld worden aangehaald, hoe van
dorpen en van veldverschansingen partij kan worden getrokken
op een slagveld. De plaatsing van de troepen, de leiding van de
dorpsgevechten, de groote geestkracht waarmede de strijd tot
het laatste toe werd gevoerd door het leger der bondgenooten^
dit alles verdient hoogen lof, en is alleen reeds voldoende om
Willem III tot een groot veldheer te stempelen.
Digitized by
Google
NEERWINDEN. 243
De handelingen van Luxembourg kan men niet zoo onbeperkt
roemen. Waarom maakte hij geen gebruik van zijne groote over-
macht om eene omtrekkende beweging tegen zijn wederpartij te
ondernemen? Waarom bepaalde hij zich tot een frontaanval?
Waarom dien aanval aanvankelijk over het geheele vijandelijke
front verdeeld? waarom niet dadelijk zijne macht grootendeels
aangewend op één punt, het beslissende? Waarom het centrum
geplaatst in acht achter elkander staande liniën, die aan 's vijands
geschutvuur de grootste uitwerking verschaften? — Die vragen
kunnen niet worden opgelost op eene wijze die Luxembourg's
uitstekendheid als veldheer onverminderd laat; — maar ten volle
blijkt die uitstekendheid in de volharding en geestkracht waar-
mede hij den eenmaal begonnen strijd voortzet, en daardoor tot
de overwinning komt.
De dapperheid van het eene zoowel als van het andere leger
verdient allen lof. Verkeerd zou het zijn, daarop te willen afdin-
gen bij de bondgenooten, door te wijzen op het achteruitgaan
van het geschut en op het zonder gevecht teruggaan van de
Hannoversche cavalerie: dat ruiterij zonder gevecht teruggaat,
gebeurt bij het beste leger, overkomt de beste ruiterij; en dat
de Hollandsche artillerie hare plaatsing in de slaglinie verliet, is
denkelijk eene noodzakelijke handeling geweest, waarin niets valt
af te keuren ; men heeft in dat teruggaan eene der oorzaken ge-
zien van de ondervonden nederlaag : er moet altijd eene oorzaak
gezocht worden bij een tegenspoed. Maar over het geheel heeft
het leger van Willem III te Neerwinden op uitmuntende wijze
gestreden; evenzoo het leger van Luxembourg j beide, waren
den legerhoofden waardig, — en dit is geen gennge lof. Roemt
men aan onze zijde Athlone, Fagel en zooveel andere uitstekende
onderbevelhebbers, ook Frankrijk kan bogen op Conti, Feu-
quières en andere bekwame aanvoerders, die Luxembourg hier
ter zijde hebben gestaan en veel hebben bijgedragen tot het
behalen van de overwinning door het Fransche leger.
De persoonlijke dapperheid van Luxembourg schitterde ook
op dit slagveld; de persoonlijke dapperheid van Willem III is
buiten allen twijfel: en het is reeds vroeger gezegd, dat het een-
tonig en vervelend wordt daarvan telkens te gewagen; indiener
iets geschiedkundig is bewezen, dan is het wel, dat nooit in
oorlogsgevaar Willem III vrees heeft gekend, dat hij in helden-
zin Caesar heeft geëvenaard. Wij zullen dus niet verder uitweiden
over dit onderwerp; niet wijd en breed beschrijven, hoe de
Stadhouder, nu eens voetvolk, dan weder ruiterkorpsen tegen den
vijand aanvoerde; hoe zijne paarden werden gedood, zijn sjerp
afgeschoten, en zijn lichaam gekneusd door een vijandelijken
kogel; hoe hij van het eene punt van het slagveld naar het
andere snelde, overal was waar de strijd het hevigst, het gevaar
Digitized by
Google
244 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
het grootst was, en een van de laatsten was om de strijdplaats
te verlaten; — dat alles is te overbekend; ook van Fransche
zijde werd de oorlogsroem gehuldigd, door den Stadhouder te
Neerwinden verworven: Luxembourg zwaait daaraan hoogen lof
toe, en Racine zegt in een zijner brieven dat Willem lU toen
wonderen van dapperheid heeft verricht.
In één woord, Neerwinden is een wapenfeit geweest, glorievol
voor onze krijgsgeschiedenis, glorievol voor het huis van Oranje.
Ontken het niet, dat het eene nederlaag is geweest, — het zou
dwaasheid zijn dit te willen betwisten; maar eene nederlaag na
zoo heldhaftigen kamp, eene nederlaag zoo spoedig hersteld,
overtreft in luister menige overwinning. Ten volle zijn op Wil-
lem III hier toepasselijk de woorden die de Fransche dichter
zijn vaderland toeroept, dat zich zoo spoedig uit den tegenspoed
weer weet te verheffen:
#ta peux tomber, mais c^est comme la foudre
qui se relève en grondant daos les airs."
In de eerste oogenblikken na Neerwinden schijnt Willem lU
zich de verliezen grooter te hebben voorgesteld dan zij werkelijk
waren; het leger was uiteen, en men had nog geen volkomen
juist bericht waar de verschillende deelen zich bevonden, en in
welk een toestand zij verkeerden. De linkervleugel was op Leeuwe
teruggetrokken, en van daar op Diest; van den rechtervleugel
had de keurvorst van Beieren een groot deel naar Thienen ge-
voerd; hierbij voegde zich Willem III toen hij het slagveld ver-
liet, trok verder met die macht terug, en vernachtte den aQsien
te Bautersem, halfweg Thienen en Leuven.
Den 3osteQ werd de marsch voortgezet tot bij Leuven ; en den
istea Augustus werd een kamp betrokken bij Eppinghem, op den
linkeroever van de Senne, tusschen Mechelen en Vilvoorden;
den 3en kwamen daar ook de troepen die hun aftocht over
Leeuwe en Diest hadden gemaakt; Wurtemberg, uit Vlaanderen
ontboden, was den 2en Augustus te Aalst gekomen, en had zich
verder bij het hoofdleger aangesloten. De verspreide vluchte-
lingen — het onvermijdelijke gevolg van een verloren veldslag —
waren weer bij hunne regimenten gekomen; en geen week na
de geleden nederlaag was het leger der bondgenooten weer even
sterk, of sterker, dan vóór den veldslag, en weer geheel bereid
om opnieuw den strijd te aanvaarden.
Het zelfvertrouwen, misschien een oogenblik geschokt, was
geheel hersteld. »Wij moeten ons beste doen om weder te cal-
lefateren, en hoopen dat Godt de Heere ons haest een beter
geluck geven sal"; zoo schrijft Athlone den 3en Augustus aan
Digitized by
Google
VERDERE K RIJGSVERRICHTINGEN IN 1693. 245
Heinsius; en den dag te voren had Willem III aan den raad-
pensionaris onder andere geschreven: lick geloof dat ons verlies
soo groot niet en sal sijn als in 't eerst hadde gemeent, en ick
hoop dat wij weder haest in staet sullen sijn om met een for-
midabel leger den vyant te kunnen het hoofd bieden." De Stad-
houder betuigt, in denzelfden brief, zijne tevredenheid »over de
kordaetheyt van de menschen in HoUandt'', die zich niet hadden
laten nederslaan door het bericht van het ondervonden nadeel;
hij wenscht den Raadpensionaris over de zaken te" spreken; en
deze komt dan ook, den 6en Augustus, in het kamp te Éppinghem.
Ziedaar hoe het eene. leger zich herstelde van de ondervonden
nederlaag; ziehier wat het andere leger deed, na de behaalde
overwinning.
Luxembourg had den 29sten Juli op het slagveld doorgebracht;
en was den 3osten niet vooruitgerukt, maar teruggekeerd naar
zijn kamp bij het stadje Landen, — Landen fermé^ zooals dit
bij de Franschen wordt genoemd. Hier blijft hij ook den 31 sten
Juli en den isten Augustus; den 2en Augustus stelt het Fransche
leger zich eindelijk in beweging, — echter niet om vooruit te
rukken, maar om terug te gaan op de Jeker, op een kamp nabij
Waremme. Nabij Waremme bleef Luxembourg bijna veertien
dagen werkeloos. Alleen werd er, den 4en Augustus, eene afdee-
ling van 40 eskadrons ruiterij en 800 dragonders, onder Rosen,
naar de zijde van Bree en Peer gezonden, om daar, en ook in
Noord-Braband, brandschattingen te heffen ; die Fransche ruiterij
ging echter spoedig weer terug, op het bericht dat Athlone, met
3 è, 4000 paarden, uit het kamp van Éppinghem was opgerukt
om Noord-Braband te beschermen.
De Fransche opgaven, die Neerwinden voorstellen als eene
volslagen nederlaag van het leger der bondgenooten, zijn wel
wat verlegen om de werkeloosheid van Luxembourg na die be-
haalde overwinning te verklaren, en geen wonder: is Neerwinden
zulk een volkomene overwinning geweest, dan bewijst die wer-
keloosheid dat Luxembourg een onbekwaam legerhoofd was; was
Luxembourg geen onbekwaam legerhoofd, dan moet Neerwinden
niet zulk eene volkomen overwinning zijn geweest ; — het laatste
was de waarheid het meest nabij.
Het lag in den aard van de zaak, dat wanneer Neerwinden
aan het Fransche leger een beslissend overwicht had gegeven op
de tegenpartij, van dat overwicht gebruik had moeten worden
gemaakt om Luik te vermeesteren; dit zou voor Frankrijk een
groot voordeel zijn geweest; en te meer was het zaak om daar-
naar te streven, omdat in de stad, en in het Bisdom, Frankrijk
veel aanhangers had ; zoozeer zelfs dat, dadelijk na Neerwinden,
Digitized by
Google
246 KRIJGS- £N GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
eenige dier aanhangers, leden van het Luiksche domkapittel, in
hechtenis werden genomen en naar Maastricht gehracht. Maar
Luik aanvallen, dat ging niet — zegt Beaurain; — en, zooals
reeds gezegd is, is hij hier genoodzaakt om te erkennen, dat die
aanval onmogelijk was geworden door de groote verliezen die
de Fransche infanterie te Neerwinden had geleden ', het zou zijn,
die infanterie geheel opofferen (la détruire entièrement\ zelfe al
wist men zeker dat de aanval zou gelukken; want in de liniën
bij Luik hadden de bondgenooten 31 bataljons voetvolk en 5
regimenten ruiters of dragonders.
Onze opgaven stellen die macht bij Luik op iets minder voor;
maar groot is het verschil niet; en zooveel is zeker, dat het
Fransche leger zich niet sterk genoeg achtte om die macht aan
te vallen; en dat, in weerwil van den indruk door den slag bij
Neerwinden teweeggebracht, en in weerwil van de zich duidelijk
uitende Franschgezindheid van een deel der Luiksche bevolking !
Is er meer bewijs noodig, dat de verliezen der Franschen te
Neerwinden zeer groot zijn geweest? — Maar Beaurain geeft nog
een andere reden op, waarom Luik toen niet werd aangevallen:
»het was de vraag" — zegt hij (Hhtoire militaire de Flandre^
2* deel, blz. 297 en 298) — »of het wel voordeelig was om die
stad te vermeesteren, terwijl 's Konings legers niet sterk genoeg
waren om Maastricht te belegeren ; of het niet beter was, haar
aan den vijand te laten, die zeer hechtte aan het behoud van
Luik, en daarom gedwongen was om daar altijd een legertje te
laten, wat eene goede en voordeelige diversie was voor 's Konings
troepen." — Deze reden, door Beaurain opgegeven, doet denken
aan den vos in de fabel, en de zure druiven.
Maar dan had Luxembourg de belegering kunnen verrichten
van Leuven, — of ten minste van Leeuwe? — Ook niet, ant-
woordt Beaurain; — en Beaurain is, hier, Luxembourg zelf. —
Voor dat belegeren van Leuven, of van Leeuwe, was noodig
zwaar geschut, en mortieren, en bommen; het was moeielijk om
dat alles spoedig aan te voeren, omdat er gebrek was aan paar-
den; leeftocht zou men bij Leuven niet vinden^ en de caissons
waren niet bij machte om brood aan te voeren. Dat alles maakte
de belegering van Leuven, of van Leeuwe, onmogelijk. — Ja,
zulke redenen zijn altijd te vinden; op dfe wijze kan men bij
elke voorgenomen handeling bewijzen dat zij onmogelijk is.
Luxembourg achtte alleen het belegeren van Ath, of van Char-
leroi, eene uitvoerbare zaak; hij stelde dit aan Lodewijk XIV
voor; na uiteengezet te hebben wat de voordeden waren en be-
zwaren, verbonden aan elke van die handelingen, vroeg hij
's Konings beslissing. De Koning besliste voor het beleg van
Charieroi.
Digitized by
Google
VERDERE KRIJGS^ERRICHTINGEN IN 1693. 247
Het is waarschijnlijk dat Luxembourg, had hij kans gezien om
belangrijke uitkomsten te verkrijgen, wel wat meer uit zichzelf
zou hebben gehandeld; nu vroeg hij 'sKonings bevelen, om de
verantwoordelijkheid van zich af te werpen van het onbedui-
dende der latere krijgsverrichtingen ; hij zag in, dat er met zijn
leger toen niet veel bijzonders meer viel uit te voeren; want
niet alleen dat dit leger zeer in sterkte was verminderd, maar
ook de krijgstucht liet veel te wenschen over. Wanbetaling deed
meermalen oproer ontstaan onder de Fransche troepen, onder
andere ook in de legerplaats bij Nivelles, waar Luxembourg den
lyen Augustus kwam:
>In die legerplaats was een vrij belangrijke muiterij onder de
soldaten ontstaan ten gevolge van wanbetaling ; het geld was op,
de hulpmiddelen schaarsch; en daar men de troepen niet kon
verzorgen, was men gedwongen tot oogluiking voor de wanorde-
lijkheden die dagelijks plaats vonden; gedurende eenige nachten
hadden er bij verscheidene regimenten samenrottingen plaats om
de achterstallige soldij te eischen. De ergste muiters werden ge-
straft, de anderen gepaaid door het uitdeelen van eenig geld
onder de troepen; en de Koning nam maatregelen om, tot het
einde van den veldtocht, de soldij geheel te doen betalen."
(Histotre militaire de Flandre^ 2' deel, blz. 305).
Ten einde eenigszins te voorzien in de verminderde sterkte
van Luxembourg's infanterie, werden toen 11 bataljons voetvolk
naar de Nederlanden gezonden ; die bataljons waren aanvankelijk
in Normandië voor de kustverdediging bestemd geweest; maar
men achtte deze toen minder noodig.
Hoewel er aan de Fransche zijde besloten was om Charleroi
aan te vallen, duurde het nog geruimen tijd eer het beleg van
die vesting aanving; de geheele maand Augustus en de eerste
dagen van September werden door Luxembourg doorgebracht
met marschen en bewegingen die geheel en al onbeduidend
waren. Die werkeloosheid wordt weer verklaard door gebrek
aan fourages, door schaarschte van levensmiddelen, en door ge-
mis van een genoegzaam aantal paarden voor het geschut ; maar,
zegt Beaurain, »daar waren hovelingen, afgunstig van Luxem-
bourg's roem, die niet schroomden zijn beleid te laken, en in
hunne gesprekken te kennen gaven, dat het wenschelijk ware ge-
weest om na den veldslag verder door te dringen in 'svijands
land." Die hovelingen hadden — volgens Beaurain — hierin
groot ongelijk: — wij zijn niet van die meening.
Het loont de moeite niet, om die marschen en bewegingen
van het Fransche leger uitvoerig te vermelden. Genoeg zij het
te peggen, dat Luxembourg den isen Augustus van nabij Waremme
trok op BonefFe aan de Méhaigne, den lóen Sombreffe bereikte,
Digitized by
Google
248 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
den lyen Nivelles, den 19*0 Soignies; daar bleef hij geruinien
tijd, de komst afwachtende der bataljons uit Normandië. Den
gen September verlaat het Fransche leger Soignies en komt aan
de Haisne, te Haisne-Saint-Paul en Haisne-Saint-Pierre ; den vol-
genden dag bereikt het den Piéton, waar het zich op den lin-
keroever nederslaat, tegenover Gouy en Trasignies. De aanleiding
en reden van die marschen van Luxembourg te willen opzoeken,
leidt tot niets.
De Stadhouder, om 's vijands leger te beletten iets te onder-
nemen tegen de Brabandsche steden en tegen Ath, verliet de
legerplaats te Eppinghem den i2eii Augustus, en trok achtereen-
volgens op Anderlecht bij Brussel, op Lerabeek bij Hal, en ein-
delijk, in het laatst van Augustus, op Gaesbeek, om Ath meer
nabij te komen. Het kwam tot geen ontmoeting tusschen de
beide legers; geen van beide zocht die.
Het eenige wapenfeit dat nu nog vermelding verdient bij dien
veldtocht van 1693, is de belegering van Charleroi. Het was om
die belegering te dekken, dat Luxembourg aan den Piéton kwam,
en daar bleef.
Charleroi was eene vesting, die in deze oorlogen vaak werd
aangevallen, en, door hare sterkte, die aanvallen dikwijls deed
mislukken. De stad zelve ligt op den linkeroever van de Sambre ;
maar op den rechteroever heeft men de benedenstad, toen ver-
sterkt door een gebastionneerden hoofdwal met natte gracht, en
moeielijk aan te vallen wegens eene inundatie die haar bijna
geheel omgaf. De stad Charleroi, op een hoogte gelegen, was
een regelmatig gebastionneerde zeshoek, met droge gracht, en
voorliggende lunetten en hoornwerken; zij was voorzien van een
mijnstelsel, en werd beschermd, aan de westzijde, door het moe-
ras van Darmay, gevormd door het afdammen van eene beek^
die, in de richting van het noorden naar het zuiden stroomende,
zich in de Sambre werpt. Dat moeras van Darmay, in de onmid-
dellijke nabijheid van de bovenstad, had eene breedte van 100 k
150 el; en onmiddellijk aan de westzijde van het moeras had
men hoogeren grond, waarop het dorp Darmay is gelegen, bijna
een half uur gaans van Charleroi verwijderd. De vesting had
verschillende kleine buitenwerken, waaronder vermelding ver-
dienen een kleine, in het moeras gelegen redoute, in het noor-
delijk gedeelte; en de redoute van Darmay, over het moeras,
aan de zuidzijde, niet ver van de Sambre.
Over den toestand van de vestingwerken van Charleroi wordt
niets bijzonders vermeld, — deze schijnt goed te zijn geweest;
over uitrusting en bewapening vindt men geen bepaalde opgavjen,
men mag dus aannemen dat beide voldoende waren; de bezet-
Digitized by
Google
VERDERE KRIJGSVERRICHTINGEN IN 1693. 249
ting was 4000 man sterk, grootendeels Spaansche troepen^ maar
ook voor een deel Hanno versche ; bevelhebber was de markies
Del Castillo.
In het Archief van Heinsius (2« deel, blz. 76, in een nool)
komt eene verdenking voor, alsof Del Castillo in verstandhouding
heeft gestaan met de Franschen, alsmede een gezegde, alsof
Charleroi zich maar kort heeft verdedigd; — dit is geheel
onjuist: er is schijn noch schaduw van zulk eene verraderlijke
verstandhouding; en de verdediging van Charleroi heeft eene
maand lang geduurd, en is, over het geheel, goed en krachtig
geweest, een van de beste verdedigingen van eene Spaansche
vesting tijdens die oorlogen. Spanje had toen eene ellendige
regeering, en vandaar dat ook het Spaansche krijgswezen toen
zooveel te wenschen overliet; maar de schildering daarvan wordt
wel eens overdreven, en men is wel eens geneigd om eiken
tegenspoed van de bondgenooten maar uitsluitend te wijten aan
de Spanjaarden. Wil men billijk zijn, dan moet men erkennen,
dat hier, bij de verdediging van Charleroi, de Spanjaarden hun
plicht hebben gedaan.
Met het beleg van Charleroi was belast, de maarschalk De
Villeroy in naam, Vaaban metterdaad; de groote ingenieur zou
aan den Franschen koning de verzekering hebben gegeven, dat
de vesting in minder dan veertien dagen tijds zou vallen ; indien
dit zoo is — men mag aan de waarheid twijfelen, want het staat
alleen in de Europische Mercurius — dan heeft Vauban toen
meer beloofd dan hij kon doen. De aanvalsmiddelen waren alles-
zins voldoende: den Qcn en loen September werd de stad inge-
sloten door 30 bataljons en 33 eskadrons; die macht kwam deels
uit Namen, deels uit Frankrijk, deels uit Luxembourg's leger.
Dadelijk werd begonnen aan het maken van eene circumvallatie-
linie; 12000 schansgravers waren daartoe, den i2«n September,
voor Charleroi aangekomen; en in den nacht van den isen op
den i6en werden de loopgraven geopend. De artillerie, het hoofd-
wapen bij eene belegering, was zeer sterk: 139 kanonnen, waar-
onder 57 van 33 en 24 ^; voorts 57 mortieren van 18, 12 en
8 duim, en 4 steenmortieren. Zeer zeker een aanzienlijk belege-
ringspark, vooral als men in aanmerking neemt, dat Charleroi
toch eigenlijk behoorde tot de kleine vestingen.
Op hulp van buiten, op ontzet had Charleroi niet te rekenen.
Wel schrijft Willem III aan Heinsius, den loen September, op
het eerste bericht van de insluiting: lick ben besigh om alles
te prepareren om het te traghten t' ontsetten"; maar op die
woorden laat hij dadelijk volgen: »het manquement van fourage
en de groote sieckte onder het volck embarasseert ons niet wey-
nigh/' De Stadhouder was niet de man, om, als hij handelen
Digitized by
Google
250 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
wilde, zwarigheden te maken, of spoedig >geëmbarasseert" te
zijn; als hij dus zóó schrijfi, kan men er op rekenen, dat hij
het verstandiger vindt om niet te handelen; hij oordeelde, dat
het te gewaagd was om Luxembourg, die in zijne sterke stelling
van den Piéton het beleg dekte, daar aan te vallen en slag te
leveren ; en dat het voorzichtiger was om zich het kleine nadeel
te getroosten van het verlies van Charleroi. £en oogenblik wordt
eene legerafdeeling van de bondgenooten naar de zijde van
Vlaanderen gezonden, om eenigszins eene diversie te maken;
maar spoedig ziet men in, dat dit weinig baat; die legerafdeeling
wordt teruggeroepen ; er wordt verder niets gedaan om Charleroi
te helpen; Willem III ziet geheel daarvan af, en, den veldtocht
geëindigd achtende, verlaat hij den 24steQ September het leger
en keert naar Holland terug.
Ziehier, kortelijk, den gang van het beleg:
De benedenstad werd niet aangevallen, maar alleen beschoten,
of beworpen, door eenige batterijen, vooral met mortieren be-
wapend; van de bovenstad was de westzijde, die vóór zich het
moeras van Darmay had, het front van aanval; maar ook aan
de oostzijde van dat moeras werd een aanval gericht op een
der noordelijke fronten van Charleroi. Reeds den lycn opende
de Fransche artillerie haar vuur, dat zeer overmachtig was en
reeds den i9en het geschut der vesting grootendeels tot zwijgen
bracht; de verschillende batterijen, van den i7en tot den 24steD
September door den belegeraar opgeworpen, waren, in het geheel,
bewapend met 48 kanonnen en 47 mortieren. De belegerden
poogden hunne minderheid in geschut eenigszins te doen opwegen
door herhaalde uitvallen, en brachten daardoor den vijand soms
gevoelige verliezen toe ; Beaurain maakt die verliezen kleiner dan
de Europische Mercurius dit doet; maar toch, ook uit den
Franschen schrijver blijkt, dat die uitvallen, op krachtdadige
wijze verricht, den gang van het beleg aanmerkelijk hebben ver-
traagd. De loopgravenwacht bestond iederen dag uit 8 bataljons:
5 bij den aanval op het noordelijke front, 3 bij den aanval aan
de zijde van Darmay.
Den 24sien wordt de redoute in het moeras door de Franschen
genomen; zij bezigen daartoe 6 kleine schuiten, twee aan twee
aaneengekoppeld, met een planken vloer overdekt, en daarop
20 soldaten vervoerende. Die 60 man ondervinden geen tegen-
stand van de Spaansche bezetting der redoute, die zich over-
geeft; — dit zal weinig verwonderen als men in aanmerking
neemt, dat die bezetting, aanvankelijk 50 man sterk, reeds negen
of tien dagen in die kleine schans was geweest, zonder afgelost
te worden of ondersteuning te krijgen, en nu, door de geleden
verliezen, tot op 17 man was verminderd.
Den 26sien September werd ook de redoute van Darmay,
Digitized by
Google
VERDERE KRIJGSVERRICHTINGEN IN 1693. 251
's avonds om tien uur, door den belegeraar stormenderhand ge-
nomen. Nadat de Franschen, door het doorsteken van den dam,
het water van het moeras van Darmay in de Sambre hadden
laten afloopen, werden de loopgraven door het nu droge moeras
naar de zijde van Charleroi voortgezet en in verband gebracht
met den anderen aanval tegen het noordelijk front van de vesting.
Het zou te uitvoerig zijn, al de verschillende pogingen te ver-
melden tegen den bedekten weg en de vestingwerken van Char-
leroi, of de verschillende uitvallen waardoor de Spanjaarden den
voortgang van de belegeraars poogden te vertragen; genoeg zij
het te zeggen, dat de zeer sterke Fransche artillerie een belangrijk
aandeel heeft gehad aan de inneming van de vesting; dat het
vuur van die artillerie in Chaileroi groote vernieling aanrichtte,
en bressen schoot, ook in den hoofdwal ; dat de loopgraven van
den aanvaller dag aan dag vooruitgingen, maar niet zonder
tegenstand en strijd; dat de Franschen, onder andere den 8sten
October, bij het bestormen van den bedekten weg, — volgens
Beaurain — een 300 man verloren aan dooden en gewonden;
dat echter de Spanjaarden, ziende dat 's vijands mijngravers zich
reeds hadden genesteld in de bressen van twee bastions, den
iicn in onderhandeling traden.
Spoedig was men het eens aangaande de voorwaarden van
de overgave; en den 13611 October verliet de Spaansche bezet-
ting, met wapens en krijgseer, de vesting en trok af naar de
zijde van Brussel. Bij het uittrekken telde die bezetting nog maar
1500 man; — nu kunnen er nog wel eenige honderden, ziek of
gewond, zijn achtergebleven; maar wanneer men in aanmerking
neemt dat die bezetting bij het begin van het beleg 4000 man
sterk was, dan is het duidelijk dat zij niet gespaard is geworden
bij deze verdediging van Charleroi.
In October houden alle krijgsverrichtingen in de Nederlanden
op, en betrekken de wederzijdsche legers de winterkwartieren.
De veldtocht van 1693 is geëindigd.
Die veldtocht is voordeelig geweest voor Frankrijk: het heeft
Hoey en Charleroi vermeesterd, en te Neerwinden de overwin-
ning behaald. En toch had Willem lU alle reden om over dezen
veldtocht tevreden te zijn; herinnert men zich, met hoe groote
overmacht Frankrijk in de Nederlanden optrad, welke grootsche
voornemens het had, hoe het beoogde het bisdom van Luik te
veroveren en den oorlog over te brengen in de landstreek tus-
schen Maas en Rijn; en hoe die voornemens onuitgevoerd zijn
gebleven, de zuivere winst voor Frankrijk heeft bestaan in het
nemen van twee kleine vestingen, en die overwinning van Neer-
winden niets heeft beslist, en haast roemvoller is geweest voor
den overwonnene dan voor den overwinnaar; herinnert men zich
Digitized by
Google
253 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
dit alles, dan komt men tot het besluit dat in 1693 de zaken
van de bondgenooten in de Nederlanden niet zijn achteruitgegaan.
Evenmin op de andere oorlogstooneelen^ of althans niet van
belang; het meeste voordeel had Frankrijk verkregen in Italië,
waar Catinat in de eerste dagen van October, bij MarsaiUe,
eene overwinning had behaald, en daardoor de onzekere trouw
van den hertog van Savoye aan de zaak der 'bondgenooten aan
het wankelen bracht. — Op zee hadden de vereenigde Ëngelsche
en Hollandsche eskaders, in de baai van Lagos een gevoelig
nadeel geleden; en het bombardeeren van Saint-Malo door de
Ëngelsche zeemacht (December 1693) woog hiertegen niet op. —
Het vermeesteren van Rosas in Catalonië, van Heidelberg in
Duitschland moet ook worden geboekt in het voordeel van
Frankrijk; — maar dat waren kleine, onbeduidende voordeelen,
die niets beslissends hadden. Als de oppergod op den Olympus
het krijgsgeluk van Grieken en Trojanen tegenover elkander in
de schaal legde, kon hij nog niet beslissen aan welke zijde die
schaal oversloeg. Grieken en Trojanen — Frankrijk en de bond-
genooten — moesten dus den kamp nog verder voortzetten; en
zeker was het, dat Frankrijk door dien kamp veel meer leed
dan zijne vijanden, en dat het dien dus het eerst zou moeten
opgeven; vooral Engeland kon toen zeggen, wat Byron tijdens
den kamp tegen Napoleon heeft gezegd:
»and Gaul shall weep, before Albion shall cry."
HOOFDSTUK XXVII.
1694; KRIJGS VERRICHTINGEN IN DE NEDERLANDEN, TER ZEE,
IN DUITSCHLAND, ITALIË EN SPANJE.
Wie over den veldtocht van 1694 in de Nederlanden een uit-
voerig en belangrijk verslag wil geven, die moet de kunst ver-
staan om veel te kunnen zeggen over niets, — of bijna niets;
en daar die kunst ons vreemd is gebleven, zoo zullen wij kort
zijn over dien veldtocht ; een veldtocht zooals er, in die vroegere
eeuwen, meer voorkomen, en waarbij men geneigd is om onge-
duldig uit te roepen: »maak dan toch in 's hemels naam maar
vrede, liever dan zóó oorlog te voeren!"
Dat er in 1694 in de Nederlanden niets, of bijna niets, ge-
beurde, is aan verschillende omstandigheden toe te schrijven;
voor een deel van staatkundigen aard.
£r heeft, in het begin van dit jaar, iets zeldzaams plaats:
Digitized by
Google
i694- 253
Willem III geeft een oogenblik toe aan ontmoediging; hij ver-
langt naar vrede; hij dringt er bij' Heinsius op aan, dat deze
door de zaakgelastigden der bondgenooten in Den Haag een
ontwerp van vrede zal doen aannemen, zoo spoedig mogelijk,
kan het zijn nog vóór dat de veldtocht begint: >Ick beken aan
UEd." — schrijft hij aan Heinsius, den 2/12 Januari 1694 —
> dat ik gaerne van 't werck soude afsijn, als het maer eenigzins
bijquam, en dat vóór het aenvangen van de campagne, want als
die eens begonnen sal sijn, soo valt daer niet meer te nego-
tieren als naer men den uytslagh van deselve sal hebben gesien,
soo dat het werck soo veel doenlijck dient te werden verhaest."
(Van der Heim. Archief van Heinsius, 3' deel, blz. 61).
Die vlaag van ontmoediging bij den Stadhouder is maar voor-
bijgaande geweest ; en zij is lichtelijk te verklaren, eensdeels door
den tegenstand dien hij in Engeland ondervond, waar het Par-
lement hem op alle mogelijke wijzen dwarsboomde, en beperkte
in de middelen om den oorlog te kunnen voeren ; en anderdeels
door de omstandigheid, dat het hem toentertijd was gebleken,
dat de kuiperijen der rustelooze en bekwame Fransche agenten
het zaad der oneensgezindheid in Holland met goed gevolg
hadden gestrooid, en zelfs een bloedverwant van Willem III
hadden overgehaald tot misdadige verstandhouding met Frankrijk.
Hendrik Casimir van Nassau, de stadhouder van Friesland en
Groningen, is een van die menschen geweest wier eerzucht groo-
ler is dan hunne bekwaamheid; en die, te hooghartig om zich
te vergenoegen met een tweede rol, door dwaze ijdelheid streven
naar de eerste, waartoe zij geheel ongeschikt zijn. In stede van
het genie van Willem III te huldigen en diens grootsche inzich-
ten te erkennen en te bevorderen, meende de Friesche stad-
houder dat hij niet behoefde onder te doen voor zijn neef, en
even goed als deze het hoofd van de Republiek kon zijn; —
het was Phaëton, die de zonnewagen wilde leiden. Hendrik
Casimir, te recht of ten onrechte zich over verongelijking be-
klagende, wilde het hoofd van de oppositie worden tegen Wil-
lem III; hij stelde zich in gemeenschap met zendelingen van
Lodcwijk XIV, trad in onderhandeling, beloofde zijn hulp en
medewerking tot het tot stand brengen van den vrede met
Frankrijk, en vorderde daarvoor geldelijke belooning van den
Franschen monarch. In één woord, de Friesche stadhouder
maakte zich schuldig aan dezelfde misdaad, waarvoor Halewijn,
de Dortsche burgemeester, het jaar te voren tot levenslange ge-
vangenis was veroordeeld.
Met twee maten meten behoort bij Willem III niet tot de
zeldzaamheden ; hij lette meer op het staatsbelang dan op het
recht. Het staatsbelang vorderde de gestrenge bestraffing en den
Digitized by
Google
254 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
val van Halewijn, die groote bekwaamheid had en gevaarlijk
kon worden voor het stadhouderlijk gezag en de eenheid in de
Republiek; het staatsbelang vorderde het ongestraft laten van
Hendrik Casimir, die geen groote bekwaamheid had en dus
weinig gevaarlijk was, en wiens gerechtelijke vervolging een smet
zou hebben geworpen op het Nassausche vorstenhuis.
Spoedig was de Friesche stadhouder geheel onschadelijk ge-
maakt j de bekwame diplomatie van Willem III en Heinsius —
om juister te spreken: hun uitmuntend spionnen-stelsel — was
spoedig op het spoor van de handelingen der Fransche agenten^
en in het bezit van den draad hunner intriges. Zooals men bij
de mijnen-oorlog soms partij trekt van de mijn zelve die door
den vijand is aangelegd, zoo wisten Willem III en Heinsius hun
voordeel te doen met de onderhandelingen, door de zendelingen
van Lodewijk XIV in Holland aangeknoopt; die zendelingen
meenden alleen te doen te hebben met den Frieschen stadhouder
en met andere on vergenoegden in de Republiek, terwijl zij wer-
kelijk, en zonder het te weten, hunne opgaven ontvingen van
Willem III en van Heinsius, en, even zoo zonder het te weten,
den Stadhouder en den Raadpensionaris mededeelingen inzonden
betreffende de gesteldheid van zaken in Frankrijk. Geldelijke
ongelegenheid had den Frieschen stadhouder zoo geheel in de
macht gebracht van Willem III, dat eerstgenoemde spoedig het
ijdele inzag van zijne staatkundige kuiperijen, en reeds in 1695,
door tusschenkomst van Heinsius, zijne nederige verontschuldi-
gingen maakte bij Willem III. De dood maakte in 1696 een
einde aan het leven van Hendrik Casimir; een leven dat roem-
loos is geweest, de dapperheid op het slagveld uitgezonderd.
Met al die zorgen belast, en wetende dat in 1694 in de
Nederlanden een Fransch leger zou optreden dat sterk moest
zijn daar de Dauphijn zelf het zou aanvoeren, meende Willem III
dat hij zich tot de verdediging zou moeten bepalen, en dat hij
tevreden zou moeten zijn als hij den vijand maar verhinderde
om veroveringen te maken. Maar aan de zeezijde zou de oorlog
aanvallend worden gevoerd door de bondgenooten ; Engelscbe
en HoUandsche eskaders zouden Brest, Hivre, Dieppe, Duin-
kerken aanvallen en nemen, of vernielen ; op die ondernemingen
ter zee bouwde men groote verwachtingen, — die door de uit-
komst niet zijn verwezenlijkt.
Waren de inzichten van Willem III in 1694 dus van dien
aard, dat zij geen krachtigen aanvallenden oorlog beoogden, bij
de tegenpartij was het haast evenzoo. Ziehier wat Beaurain daar-
over zegt (Hhtotre militaire de Flandre^ 2* deel, blz. 331):
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGKN IN DE NEDERLANDEN. 255
iln weerwil van de voordeden, door de Fransche troepen
behaald op de bondgenooten bij de voorgaande veldtochten,
hadden de talrijke legers die Lodewijk XIV gedwongen was ge-
weest op de been te houden om op alle grenzen den vijand het
hoofd te bieden, en de groote uitgaven om die legers te onder-
houden, het rijk uitgeput aan menschen en aan geld, ten gevolge
waarvan het Frankrijk zeer moeielijk viel om de middelen bijeen
te brengen, noodig tot het voortzetten van den oorlog ; het mis-
gewas der veldvruchten vermeerderde in 1694 die moeielijkheden
en bezwaren; in sommige provinciën was de oogst zóó slecht,
dat men koren uit den vreemde moest doen aanvoeren, om in
de voeding der bevolking te voorzien. Om die redenen zag
Lodewijk XIV er van af, dit jaar nieuwe veroveringen te maken:
Zijne Majesteit beoogde alleen het behoud van de veroveringen,
de vorige jaren door hare legers gemaakt; zij beoogde niets
meer dan het tegengaan van 's vijands aanslagen. Maar om den
vijand in den waan te brengen, dat Frankrijk zich niet geheel
tot de verdediging zou bepalen, kreeg de Dauphijn het opper-
bevel over het leger in de Nederlanden, en, onder hem, de
maarschalk De Luxembourg de leiding van dat leger."
Dat wil zeggen: Luxembourg opperbevelhebber metterdaad,
de Dauphijn in naam. De plaatsing van 's Konings zoon aan het
hoofd van die legermacht was dus — volgens Beaurain — eene
schijnvertooning om den vijand zand in de oogen te strooien,
en hem te doen gelooven aan aanvallende voornemens, die men
niet had. Het kan zijn; toch moet aangemerkt worden, dat een
leger door Luxembourg aangevoerd eene werkelijke kracht had;
en dat ook de getalsterkte van dat leger alles behalve onbedui-
dend was, zooals men uit de volgende opgaven kan zien.
Het leger van den Dauphijn moest eene sterkte hebben van
81 bataljons en 162 eskadrons; naar schatting een kleine 50000
man voetvolk en een 25000 ruiters, te zamen dus 75000 man;
dat leger zou aan de Sambre samentrekken, en van daar naar
de Méhaigne oprukken. BoufBers zou aan de Maas blijven met
eene afdeeling van 15 bataljons (9 è 10 000 man voetvolk) en
23 eskadrons (3 k 4000 ruiters), te zamen dus een 13000 man;
die afdeeling van BoufHers moest de legermacht van de bond-
genooten te Luik in het oog houden, de konvooien beschermen
die van Namen, of Hoey, naar het hoofdleger zouden gaan, en,
zoo noodig, zich aansluiten bij dat hoofdleger. d'Harcourt, met
12 eskadrons (een kleine 2000 ruiters), moest de oostelijke gren-
zen van het Luxemburgsche beschermen, en zich daartoe plaat-
sen aan de Ourthe, nabij Laroche of Durbuy. De liniën tusschen
de Schelde en de Noordzee zouden verdedigd worden door De
la Valette, met 10 bataljons (6 k 7000 man voetvolk) en 22 eska-
Digitized by
Google
256 KRIJGS- EM GESCHICDKUKDIGE BESCHOUWINGEN.
drons (3 k 4000 ruiters), te zatnen dus ongeveer een 10 000 man.
Laubanie, die binnen Mons het bevel voerde^ moest van daar
de Haisne en de Trouüie bewaken; en Boisseleau en Guiscard,
de bevelhebbers van Charleroi en van Namen, zouden met de
bezettingen van die vestingen de Sambre beschermen en de ge-
meenschap met Mons verzekeren.
Dus, zonder de bezettingen van Mons, Namen en Charleroi,
wier sterkte niet wordt vermeld, had Frankrijk in 1694 toch een
honderd duizend man te velde, in de Nederlanden; geen onbe-
duidende legermacht. Wij moeten hierbij echter aanmerken, dat
wij ons bij de schatting van de getalsterkte van het Fransche
leger gehouden hebben aan de gewone sterkte van het bataljon,
6 è 700 man, en van het eskadron, 160 paarden; en dat er
twijfel kan bestaan, of de Fransche bataljons en eskadrons toen
wel die sterkte hebben bereikt. Wij gronden dien twijfel op het
gebrekkige onderhoud van het Fransche leger in 1694; Beaurain
zegt daarvan:
9 Dit begin van den veldtocht was uitermate moeielijk: de
Fransche troepen hadden geen soldij ontvangen, en tot den
isten Juli was men buiten machte om hun het vleesch te ver-
schaffen dat zij, te velde, van den Koning kregen; om daarin
te voorzien, en muiterij en desertie te voorkomen, lieten De
Rosen** (de bevelhebber van het hoofdleger vóór de komst van
den Dauphijn en van Luxembourg) » en de maarschalk De Bouf-
flers uit 'svijands land runderen wegnemen door daartoe uitge-
zonden afdeelingen; en op die wijze voorkwamen zij de nadee-
lige gevolgen, die uit gemis van soldij en van leeftocht hadden
kunnen ontstaan." {Histoire militaire de Flandre^ 2* deel, blz. 335).
Bij de legers van dien lijd was desertie altijd een gewone
zaak; hoeveel te meer moest dit het geval zijn bij een leger dat
zóó slecht betaald en verzorgd werd als het Fransche leger in
1694. Het is dus niet onwaarschijnlijk dat de sterkte van hon-
derd duizend man, die wij aangenomen hebben voor het geheele
bedrag der legermacht die Lodewijk XIV toen te velde had in
de Nederlanden, te hoog is gesteld. Maar de bondgenootcn,
bouwende op de gewone sterkte van de Fransche bataljons en
eskadrons, moesten toch dat cijfer aannemen als waarschijnlijk;
en de sterkte die men een leger toeschrijft maakt soms even-
veel indruk als de sterkte die het werkelijk heeft.
Over de sterkte die het leger van Willem III in de Neder-
landen had, in 1694, zijn de opgaven uiteenloopende en tamelijk
verward. De Europische Mercurius, de > Order van Bataille" der
bondgenooien opgevende, komt tot het besluit dat de geheele
sterkte is geweest: 95 bataljons voetvolk, 178 eskadrons ruiterij,
54 eskadrons dragonders en 140 stukken geschut, dus ongeveer
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN IN DE NEDERLANDEN. 257
een 50000 man voetvolk en een 40000 ruiters of dragonders;
te zamen een 90000 man, de artillerie niet medegerekend. Bij
de aanvoerders, onder Willem III, worden genoemd: de keur-
vorst van Beieren, Vaudemont, de hertog van Wurtemberg,
Holstein-Plön en Athlone; verder worden genoemd, onder de
luitenant-generaals, generaals-majoor en brigadiers: Churchill
(Marlborough), Rantzau, Tettau, Nassau-Weilburg, Fagel, Heu-
kelom, Ouwerkerk, Dompré, Van Dedem, Noyelles, Bentinck
(Portland), Zuilestein, Salis, Eppinger; — y^fen passe-ef des meilleurs'\
De >Ordre de Bataille" die Beaurain geeft, komt niet geheel
overeen met die van de Europische Mercurius; Beaurain stelt de
infanterie op mindere sterkte: slechts 83 bataljons in stede van
95 ; de ruiterij daarentegen sterker : 20 1 eskadrons, in plaats van
178; de dragonders hetzelfde: 54 eskadrons; wat het geschut
aangaat, is het verschil weinig beduidend: Beaurain geeft op 120
kanonnen en 12 mortieren; dus te zamen 132 vuurmonden, in
plaats van 140.
Maar nu komt er bij Beaurain eene bijvoeging, die de zaak
weer geheel verandert: behalve de 83 bataljons bij het leger
waren er bij Luik nog 40 andere bataljons, namelijk 14 Bran-
denburgsche, 20 Hollandsche en 6 Luiksche. Telt men die 40
bataljons mede, dan komt men voor de infanterie der bondge-
nooten tot een veel hooger bedrag dan in de Europische Mer-
curius. Bovendien — voegt Beaurain er bij — was het bataljon
bij de bondgenooten sterker dan het bataljon bij de Franschen.
Natuurlijk is het, bij zoo uiteenloopende opgaven, thans onmo-
gelijk om met zekerheid te bepalen, hoe sterk het leger van
Willem III in 1694 is geweest; men moet zich vergenoegen met
de waarschijnlijkheid. Naar onze meening is, in 1694, het leger
van Willem III sterker geweest dan het F ransche, maar zal het
verschil denkelijk geen 10 000 man hebben bedragen. Het zij
herhaald: hier wordt volstrekt niet gesproken met wiskundige
zekerheid, die trouwens ook door geen der beide partijen, wat
de sterkte der tegenpartij betreft, zal verkregen zijn. In den
oorlog weet men nooit met zekerheid, hoe sterk de vijand is;
maar bij de oorlogen van Lodewijk XIV was het al zeer veel
als men wist hoe sterk het eigen leger was.
Het was toen een vast gebruik, dat aan de legers te velde
brood werd uitgedeeld; andere leeftocht kon ontbreken, maar
het brood moest er zijn. Nu vindt men bij Beaurain opgetee-
kend, dat in Juni 1694 bij het leger van den Dauphijn — of
van Luxembourg — dagelijks werden uitgegeven 1 10 950 rations
brood, waaronder 9800 rations buitengewone uitdeeling {pour
r extraordinaire); bij de legerafdeeling van Boufflers 17500; en
bij die van De la Valette 11 000 rations daags. Kon men nu
WILLEM III. — III. 17
Digitized by
Google
258 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
zeggen zooveel rations brood, zooveel soldaten, dan had men
een gemakkelijk middel om de juiste sterkte van het Fransche
leger te kennen; maar wij vreezen dat dit middel niet is aan te
wenden, daar het zeer wel mogelijk is, dat soms meer dan één
ration aan offtcieren werd gegeven; of ook wel, rations aan vol-
gelingen van het leger, aan menschen die eigenlijk niet tot het
leger behoorden. Aan dat cijfer der uitgedeelde rations brood
kan men dus slechts een betrekkelijke waarde hechten; daaruit
blijkt alleen, dat het cijfer der soldaten van het Fransche leger
niet grooter is geweest dan dat cijfer der rations brood;
maar wel kan het kleiner zijn geweest.
Het was half Juni voordat het Fransche hoofdleger, het leger
van den Dauphijn of van Luxembourg, uit zijne kantonnementen
ten zuiden van de Sambre opbrak, en zich samentrok, eerst te
Gemblours, daarna te Jandrain, iets ten noorden van de Méhaigne,
vervolgens te Sint-Truyen ; Boufflers, ook de Maas overgetrokken
zijnde, kwam in de nabijheid van den rechtervleugel van het
hoofdleger. — Willem III had zijn leger toen samengetrokken
naar de zijde van Thienen, op den linkeroever van de Groote
Gecte.
Wij hebben onzen tijd en onze moeite er niet voor over, om ons
hier bezig te houden, met dag voor dag de bewegingen gade te
slaan van de wederzijdsche legers; zulk eene studie loont de
inspanning niet die men er aan besteedt, en wij willen geen
misbruik maken van het geduld onzer lezers, — aannemende
dat wij lezers vinden. Genoeg zij het te zeggen, dat het hoofd-
doel van Luxembourg schijnt geweest te zijn, zich te plaatsen
tusschen het leger van Willem III en Luik, om daardoor de
bondgenooten te nopen die stad te beschermen, en hen daardoor
te beletten met hunne hoofdmacht naar Vlaanderen te trekken;
dat Willem III van zijne zijde de gemeenschap van het Fransche
leger met Namen en met Hoey trachtte te bedreigen, ten einde
daardoor den aanvoer van konvooien te verhinderen, en op die
wijze, door gebrek aan levensmiddelen, Luxembourg te dwingen
om weer terug te gaan achter de Maas en de Sambre ; dat noch
de eene noch de andere partij een veldslag zocht, maar dien
vermeed door het bezetten van sterke stellingen, een middel dat
toen afdoende was; dat alles zich bepaalde tot pogingen om te
fourageeren, of om in 's vijands land te stroopen, — een wijze
van oorlogvoeren die toen niet vreemd was, maar die men in
onze dagen zou veroordeelen als geheel onbeduidend; en dat
eindelijk, in de tweede helft van Augustus, toen Willem III de
zekerheid had, dat het Fransche leger haast gebrek aan fourage
zou hebben en dus niet lang meer kon blijven ten noorden van
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN IN DE NEDERLANDEN. 259
Maas en Sambre, hij met het leger der bondgenooten opbrak
naar de zijde van de Schelde en van Vlaanderen, en onverwijld
ook door Luxembourg's leger, in evenwijdige richting, de marsch
derwaarts werd aangevangen.
Die marsch van de Méhaigne naar de Schelde (i8 — 24 Augus-
tus), is haast een wedloop van de wederzijdsche legers^ wie van
beide laatstgenoemde rivier het eerst zou bereiken. De Franschen
waren de winnende partij, bij dien wedloop. Toen de bondge-
nooten den 24sten Augustus aan den rechteroever van de Schelde
kwamen, halfweg Doornik en Oudenaarden, vonden zij den ande-
ren oever, ten noorden van Espierre en Helchin, reeds bezet
door het Fransche leger; en was dus, op ddt punt, de overtocht
van de rivier onmogelijk gemaakt. Om die uitkomst te ver-
krijgen had Luxembourg's leger zich buitengewone inspanningen
moeten getroosten, en snelle en aanhoudende marschen moeten
doen; men vindt vermeld, dat daarbij de Fransche soldaten
hunne tenten en hunne ransels achterlieten, onder bewaking van
hen die, door vermoeidheid, den marsch niet langer konden
volhouden. Te Condé was voor de doortrekkende troepen, brood
en bier bijeengebracht.
Willem III trok toen de Schelde lager af, en ging den 27sten
Augustus, te Oudenaarden, die rivier over. De macht der bond-
genooten was toen tusschen Schelde en Lijs; zij scheen Kortrijk
te bedreigen; en dit noopte Luxembourg om den 2 7 sten Augus-
tus stelling te nemen nabij die vesting, op den linkeroever van
de Lijs. Toen Willem III ook de Lijs was overgegaan, versterkte
Luxembourg zijne stelling bij Kortrijk zoodanig, dat zij moeielijk
was aan te vallen. Dixmude werd door de bondgenooten bezet
en versterkt; hiertoe bepaalden zich ook hunne verrichtingen in
Vlaanderen; — maar Willem III i willende de veldtocht niet
vruchteloos voorbij laaten gaan" — zoo zijn de naïeve woorden
van de Europische Mcrcurius — deed toen Hoey belegeren.
Een deel van de Hollandsche troepenmacht bij Luik was aan-
vankelijk Willem III gevolgd bij zijn marsch naar Schelde en
Lijs ; maar kreeg daarna bevel om naar de Maas terug te keeren
en Hoey in te sluiten; die troepenmacht — 16 bataljons voet-
volk onder Coehoorn, en 3000 paarden — kwam den i6en Sep-
tember voor de vesting en vond die reeds berend door Luiksche
troepen onder Tilly; tegelijk kwam daar ook aan, de hertog van
Holstein-Plön die met de leiding van het beleg belast was; —
ten minste in naam, want inderdaad had Coehoorn die leiding
in handen.
Dat beleg heeft niets buitengewoons opgeleverd, en kan kor-
telijk worden vermeld.
Digitized by
Google
26o KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
De Fransche bevelhebber binnen Hoey was Regnac; de be-
zetting bedroeg, volgens ónze opgaven, 1400 man voetvolk en
I compagnie dragonders; volgens Beaurain, slechts 900 man; —
die laatste opgave is de waarschijnlijkste: eensdeels, omdat er
bij de overgave, bij het uittrekken, slechts 700 man waren, en
het niet denkbaar is dat in de weinige dagen van het beleg
(17 — 27 September) de bezetting tot op de helft zou zijn ver-
smolten; en anderdeels omdat de door Beaurain opgegevene
getalsterkte voldoende was voor de verdediging van een vesting
van kleinen omvang, en die men denkelijk niet te hulp zou kunnen
komen. Want wel had Luxembourg, op het eerste bericht van
de vijandelijke voornemens tegen Hoey, ruiterij afgezonden tot
versterking van d'Harcourt, die in het Luxemburgsche was ge-
bleven ; maar hoewel die bevelhebber daardoor een 60 eskadrons
— 9 ^ 10 000 paarden — onder zijne bevelen zou krijgen, zoo
zou die versterking echter te laat komen om Hoey daarmee te
ontzetten; — trouwens, ware zij tijdig aangekomen, dan is het
nog zeer de vraag, of dat ontzet zou worden beproefd. In één
woord, Hoey was toen eene aan zichzelve overgelaten vesting,
en dus was de uitkomst van het beleg niet twijfelachtig.
De stad Hoey, die moeielijk te verdedigen was, werd door
de Franschen ontruimd en gaf zich reeds den i8en over; het
beleg gold eigenlijk het kasteel, dat niet mocht worden aan-
gevallen van de stadszijde, terwijl wederkeerig beloofd was geen vuur
te richten uit het kasteel op de stad. Den igen vingen de aan vals-
werkzaamheden tegen het kasteel aan; Coehoorn had te beschikken
over een sterk belegeringspark: 60 kanonnen en 30 mortieren,
volgens onze opgaven; 67 kanonnen en 37 mortieren, volgens
Beaurain; een verschil dat niet veel beduidt. Het kostte moeite
en tijd om die vuurmonden op de rots te krijgen, waarop het
kasteel was gelegen; maar toen de belegeraar, den 2 2sten Sep-
tember, het vuur van zijne batterijen opende, was het vuur van
de vesting spoedig tot zwijgen gebracht. Den 24sien wordt, door
800 man Brandenburgsche troepen, de bres van het fort Picard
bestormd; dat fort wordt genomen, ook het Fort rouge^ meer
nabij het kasteel gelegen, en de versterkte toren van Saint-Lémard,
Den 25stea opent Coehoorn het vuur zijner batterijen op het
kasteel, met zoo goed gevolg dat daarin spoedig een bres ge-
schoten is; de belegeraar maakt een mijngang bij die bres,
Regnac treedt daarop in onderhandeling en geeft den 27sten het
kasteel over, voor de bezetting een vrijen aftocht met krijgseer
bedingende, naar Namen.
De inneming van Hoey bewijst dat, in 1694, de wapenen der
bondgenoot en het overwicht hebben gehad in de Nederlanden.
Maar dit voordeel beduidde toch eigenlijk zeer weinig, en het
Digitized by VjOOQIC
KRIJGSVERRICHTINGEN TER ZEE. 26 1
bleef het eenige; spoedig daarop betrokken de wederzijdsche
legers de winterkwarlieren, en er gebeurde niets meer.
Want het verdient schier geen vermelding, dat de HoUandsche
generaal Tilly — een broeder van den aanvoerder der Luiksche
troepen — den 28sten September, uit zijne legerplaats bij Ath,
bijna te midden van zijne troepen, werd opgelicht door eene
kleine Fransche afdeeling, uit Mons afgezonden; een feit alleen
te verklaren door de buitengewone stoutheid van die Fransche
afdeeling, en door de nalatigheid waarmede de veldwachten van
Tilly den veiligheidsdienst waarnamen; dit laatste wordt eenigs-
zins bewezen, doordien een ritmeester die het bevel voerde over
eene dier veldwachten, door een krijgsraad werd veroordeeld
maar later begenadigd. Laubanie, de Fransche bevelhebber van
Mons, zond dadelijk na het gebeurde een bericht naar het
HoUandsche kamp bij Ath, dat de generaal Tilly, behouden en
wel, te Mons was aangekomen; eene beleefdheid, die wel wat
had van bespotting. Tilly werd, een maand later, ontslagen voor
een losgeld van vijftienhonderd gulden.
Dergelijke feiten hebben weinig krijgskundig belang, en kunnen
misschien alleen dienen om de militaire gebruiken van dien tijd
eenigszins toe te lichten. Als zulk eene toelichting kan ook die-
nen, het ter dood brengen, op den i4en September, in de leger-
plaats te Rousselaere, van een Franschman, die het artilleriepark
van de bondgenooten had willen in brand steken: nadat hem
de rechterhand was afgehouwen, werd hij levend verbrand; —
het was toen geen menschelijke tijd: ook in ónzen tijd zou de
doodstraf op zulk een feit worden toegepast, maar niet op zoo
wreede wijze. De misdadiger verklaarde, dat hooge bevelhebbers
van het Fransche leger hem hadden aangespoord tot zijne onder-
neming; met standvastigheid onderging hij zijn wreeden dood,
roemende dat hij stierf voor de zaak van zijn Koning en van
zijn godsdienst; — zoo moeielijk is het soms voor een verhit
brein om te onderscheiden wat goed en wat kwaad is.
Was de uitkomst van den veldtocht van 1694 in de Neder-
landen voor Willem III zeer onbeduidend, ook zijne onder-
nemingen ter zee tegen Frankrijk bleven verre beneden de ver-
wachting.
Sedert den zeeslag van kaap La Hogue, meende men dat de
Engelsche en HoUandsche oorlogsvloten het onbetwiste meester-
schap ter zee zouden hebben; dit was ook zoo, in dien zin, dat
Frankrijk zich vooreerst niet meer waagde aan een grooten zee-
slag; maar het bracht den bondgenooten afbreuk genoeg toe
door kleine eskaders en door kapers. Vooral Jean Bart, de
Digitized by
Google
202 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Duinkerker held, verwierf nieuwen krijgsroem door het slaan van
het Hollandsche eskader van Hidde de Vries (29 Juli). De Vries,
gevangen genomen, bezweek aan zijne wonden, en z ij n e dapper-
heid kan dus niet worden verdacht; maar bij sommige scheeps-
bevelhebbers, die onder hem hebben gestreden, is dit minder
zeker; Willem III noemde dit zeegevecht ten minste i schande-
lijk" voor ons; — maar de Stadhouder is dikwijls overdreven
streng in zijn oordeel over oorlogshandelingen. — Jean Bart
werd toen door Lodewijk XIV in den adelstand verheven, eene
onderscheiding die hij door zijne groote dapperheid verdiende,
al moge dan ook de kaapvaart niet de eervolste wijze zijn om
die dapperheid te doen blijken.
Een maand vroeger dan dat gevecht tusschen Hidde de Vries
en Jean Bart, had de scheepsmacht der bondgenooten een andere
nederlaag geleden. Eene vereenigde Engelsche en Hollandsche
oorlogsvloot, met eene sterke afdeeling landingstroepen — Engel-
schen — was naar de kusten van Bretagne gestevend, om daar
Brest aan te vallen en te nemen; — nog altijd schijnt bij de
Engelschen de wensch levendig te zijn geweest om een vast punt
aan den Franschen wal te bezitten; nog altijd schijnen zij het
verlies van Calais, in de zestiende eeuw, niet te zijn vergeten. —
Die onderneming tegen Brest mislukte geheel en al, denkelijk
door verraad; Macaulay legt aan Marlborough het schandelijke
feit ten laste, van het Fransche hof intijds te hebben bekend ge-
maakt met het voornemen van die landing in Bretagne; onwaar-
schijnlijk is die zware beschuldiging niet; want Marlborough —
toen heette hij nog Churchill — heeft zich meer dan eens schul-
dig gemaakt aan handelingen, die bewijzen dat hij nooit erg
geplaagd is geweest door een nauwgezet geweten, of een kiesch
eergevoel.
Hoe dit ook zij, de Fransche regeering, tijdig gewaarschuwd,
had hare maatregelen genomen, eene troepenmacht bij Brest
vereenigd, en door Vauban de zeekust in de nabijheid doen
versterken; met dat gevolg, dat toen den i8en Juni de Engelsche
generaal Talmash, bij de baai van Camaret — aan de zuidzijde
van Brest — de landing begon, hij door de Fransche troepen
spoedig teruggeworpen werd. Een Hollandsch oorlogsschip ging
verloren; andere bodems werden zwaar beschadigd door het
vuur van de Fransche batterijen; Talmash en eenige honderd
man sneuvelden; en onverrichterzake moest de oorlogsvloot der
bondgenooten weer wegzeilen.
Om die tegenspoeden te wreken, werden in den zomer van
1694 door de zeemacht der bondgenooten aanslagen ondernomen
tegen verschillende Fransche oorlogshavens aan het Kanaal, of
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN IN DUITSCHLAND, ITALIË, EN SPANJE. 263
aan de Noordzee: Dieppe, Havre-de-Grace (tegenwoordig ge-
woonlijk Havre genoemd), Calais en Duinkerken. Die aanslagen
hadden niet ten doel het vermeesteren van die oorlogshavens,
maar alleen, ze te vernielen door de aanwending van een bom-
bardement, of van helsche machines, vuurschepen, in den trant
van die waarmede Gianibelli, tijdens het beleg van Antwerpen
(* 584)1 Parma's brug over de Schelde vernielde. Die onder-
nemingen van de zeemacht der bondgenooten mislukten hier,
slaagden daar; het meest schijnt Dieppe geleden te hebben, dat
nagenoeg geheel vernield werd door de ingeworpen bommen;
ook Havre- de Grflce moet veel hebben geleden. Het was een
barbaarsche wijze van oorlogvoeren, maar die toen in gebruik
was, en die zelfs in onze dagen nog voorstanders vindt.
In Duitschland waren de krijgsverrichtingen van 1694 zonder
eenig belang. Prins Lodewijk van Baden en de Fransche maar-
schalk De Lorge stonden hier tegenover elkander, nu eens op
den rechteroever van den Rijn, dan weder op den linker; maar
zoowel op den eenen als op den anderen oever voerden zij
eigenlijk niets uit dat vermelding verdient; niet dan onbedui-
dende marschen en bewegingen, en onbeduidende schermutse-
lingen. Noch de eene, noch de andere der oorlogvoerende par-
tijen behaalde hier in 1694 eenig voordeel.
In Italië was evenmin, in 1694 iets gebeurd wat vermelding
verdient. Catinat stond hier tegenover den hertog van Savoye,
in wiens leger zich toen ook Prins Eugenius bevond. De ves-
ting Casal, door de Franschen bezet, werd al meer en meer
ingesloten door den Hertog; er hadden kleine gevechten plaats, —
ook tusschen de Fransche troepen en de Waldenzen; hier en
daar werd een post, een kleine sterkte aangevallen en vermees-
terd;.maar eigenlijk gebeurde hier, in het noorden van Italië,
niets dat genoemd mag worden. Het uitgeputte Frankrijk was,
in dit jaar, niet bij machte tot groote inspanningen; en de her-
tog van Savoye had misschien niet veel lust om den oorlog
krachtig door te zetten. Vergeleken bij de krijgsverrichtingen in
Duitschland en Italië, zou men zelfs geneigd zijn, den veldtocht
van 1694 in de Nederlanden minder onbeduidend te noemen.
Alleen in Spanje traden de Fransche wapenen in 1694 met
kracht op, en behaalden zij niet onbelangrijke voordeelen.
De maarschalk De Noailles, met een Fransch leger van een
30000 man Catalonië binnengerukt zijnde, behaalde den 2 7sien Mei,
Digitized by
Google
264 KRI[GS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
bij de rivier de Ter, een volkomen overwinning op een Spaansche
legermacht -van een 16000 man. Noailles vermeesterde daarop
verschillende vestingen in het noorden van Catalonië: Palamos,
Girona, Hostalrich en Castelfollit: de belegeringen van die sterk-
ten duurden niet lang, en de verdediging was niet bijzonder
krachtig, wat toegeschreven kan worden, eensdeels aan den
indruk teweeggebracht door den veldslag bij de Ter, en ander-
deels aan de omstandigheid, dat zich bij het Spaansche leger
veel Daitschers en Italianen bevonden, die er geen bezwaar in
zagen om over te loopen tot den overwinnaar, tot de sterkste
partij. Noailles drong zelfs door tot nabij Barcelona, maar zag
af van het aanvallen van die hoofdstad, toen daar eene Engelsche
en Hollandsche vloot onder Russell en Callenberg verscheen, en
een 4000 man versterkingstroepen uit Spanje aan wal zette.
Neemt men alles te zamen, dan ziet men, dat in 1694 het
krijgsgeluk zich nog in geenen deele tegen Frankrijk had ver-
klaard; — maar de middelen om den oorlog vol te houden,
begonnen te verminderen; het land raakte uitgeput aan men-
schen en aan geld; en Lodewijk XIV, die reeds zijn groote
veldheeren Condé en Turenne had verloren, verloor nu ook
Luxembourg. Beaurain besluit het verhaal van den veldtocht
van 1694 in de Nederlanden met deze woorden:
iDie veldtocht was de laatste van den maarschalk De Luxem-
bourg; de vroegere gebeurtenissen hadden bewezen, dat hij wist
te overwinnen als hij wilde strijden. In 1694 geen andere taak
hebbende, dan om den overmachtigen vijand te verhinderen om
grond te winnen aan Frankrijk's grenzen, wist hij hem ontzag
in te boezemen door stoute handelingen, zoodat die vijand niets
anders vermocht dan het Fransche leger te bemoeielijken in het
levensonderhoud. Luxembourg stierf in Januari 1695, toen zijn
beproefd oorlogsgenie hem nog zoo noodig maakte als leger-
hoofd. Zijne handelingen, roemvol voor den Staat, zijn waard
om der nakomelingschap ten voorbeeld te dienen; de vreemde-
ling bewonderde, de Koning en geheel Frankrijk betreurden
hem.** {Histoire milnaire de Flandre^ 2* deel, blz. 384).
Wat zullen wij zeggen over die woorden van den lofredenaar
van Luxembourg? — Onwillekeurig komt ons daarbij in de ge-
dachte, het puntdicht van Corneille bij den dood van den kar-
dinaal De Richelieu:
*Qu*on dise tanl qu'on veuille du fameux Cardinal,
ma prose ni mes vers n*en diront jamais rien.
Il m*a fait trop de bien, pour en dire du mal;
il m*a fait trop de mal pour en dire du bien."
Digitized by
Google
1695. 265
Zoo wekt ook Luxembourg gemengde gewaarwordingen op:
het is onbetwistbaar dat hij, in 1672, den welverdienden haat en
verfoeiing van de Hollanders op zich heeft geladen; het is
onbetwistbaar, dat hij een laag en verachtelijk karakter heeft
gehad; — maar even onbetwistbaar is het, dat hij een uitstekend
oorlogsman, een groot legerhoofd is geweest. Hij was de leerling
van Condé; in stoutheid en bekwaamheid heeft hij zijn meester
geëvenaard.
HOOFDSTUK XXVIII.
1695; namen; beleg van de stad.
Zoo onbeteekenend als de veldtocht van 1694 was, zoo be-
langrijk is die van 1695 in de Nederlanden geweest; hij is eene
schitterende bijdrage geweest tot den krijgsroem van Nederland,
tot de grootheid van Willem III als leger hoofd.
Die vorst werd in den aanvang van het jaar getroffen door
een slag, die zijn kracht scheen te moeten breken : den yen Ja-
nuari was zijn vrouw, koningin Maria, aan de kinderpokken ge-
storven. Schaarsch is het echtelijk geluk in de vorstelijke krin-
gen; en vaak is daar het rouwbetoon over den dood- van eene
gade niets anders dan eene ijdele vertooning, door gebruik en
welvoegelijkheid voorgeschreven, niets anders dan eene officieele
huichelarij, minachting en afkeer opwekkend bij hem die haar
doorziet. Hier, bij den dood van koningin Maria, was dat echter
niet het geval; zij was wel degelijk voor Willem III een trouwe,
teedere echtgenoote geweest; en haar dood vervulde hem met
een zoo groote droefheid, dat men in de eerste dagen eene
ernstige vrees koesterde voor het behoud van zijn leven, of van
zijn verstand. Maar met die mannelijke geestkracht, die zijn
kenmerkende karaktertrek is geweest, kwam hij weldra zijne
droefheid te boven, en bereidde hij zich opnieuw voor tot het
vervullen der grootsche plichten die hem waren opgelegd als
kampvechter voor Europa's vrijheid.
De vijanden van Willem III vleiden zich een oogenblik met
de hoop, dat de dood van Maria Stuart een einde zou maken
aan zijne heerschappij over Groot-Brittanje ; het Engelsche volk
— meenden zij — had hem als heerscher aangenomen, alleen
ter wille van zijne vrouw; nu koningin Maria, de telg van het
oude Britsche vorstenhuis, gestorven was, was er ook geen reden
meer om koning Willem, den vreemdeling, te behouden ; nu kon
Digitized by
Google
206 KRIJGS- EN GESCHIEÜKLNDIGE BESCHOUWING tN.
hij weer van den Engelschen troon afzien, zooals in vroeger tijd
de Spaansche Filips II daarvan had afgezien na den dood van
zijne vrouw, de Engelsche koningin y^bloody Mary\ \ Is waar,
Willem III was op wettige wijze erkend als koning; maar hing
toch niet alles af van den volkswil, van de genegenheid des
volks, die Willem III zich niet had weten te verwerven?
Het is een feit, dat Willem III toen niet bemind was in Enge-
land; — maar het Engelsche volk was, ook toen, te verstandig
om zich geheel te laten beheerschen door zijne neigingen; het
zag in, dat die vreemdeling, die zoo koel, zoo terugstootend
was, die zich zoo weinig schikte naar de Engelsche manieren en
gewoonten, die zoo weinig zijn afkeer verborg voor het slechte
dat toen het Britsche staatsieven aankleefde, — toch eigenlijk
een groot en heldhaftig karakter was, een verstandig koning,
toen onmisbaar voor Engeland's welzijn en vrijheid. Daarom
bleef Engeland, ook na den dood van koningin Maria, aan
Willem III verbonden; en, beperkte het diens gezag soms bin-
nen te enge grenzen, het had niet de minste aanvechting om
dat gezag omver te werpen. Lodewijk XIV en de aanhangers
van Jakobus hebben, na den dood van koningin Maria, gehoopt
op afval en oproer in Engeland; die hoop is ijdel gebleven.
Frankrijk zou, in 1695, nogmaals in het strijdperk moeten
treden tegen het verbondene Europa; en Frankrijk begon aan
krachten te verliezen.
Voor Lodewijk XIV waren de donkere dagen aangebroken;
bij den aanvang van zijne regeering was alles luister, alles zon-
neglans; hij werd vergood door Frankrijk, gevreesd en geëerd
door het overige Europa; men dong naar zijne vriendschap,
men deed alles om zijne vijandschap te voorkomen; schrandere
staatslieden, groote legerhoofden, uitmuntende legers en vloten,
een goed gevulde schatkist gaven hem een beslist overwicht op
alle staten van Europa ; overal deed hij zich als meester gelden ;
geluk en roem schenen onafscheidelijk aan zijn troon verbonden.
Hoe was dat alles verkeerd!
De leeftijd was voor den Franschen koning gekomen, waarin
de krachten van geest en lichaam afnemen, en de toekomst
met meer bezorgdheid wordt te gemoet gezien, dan met dat
hoopvol zelfvertrouwen, dat zooveel sterkte bijzet. Lodewijk was
niet meer de afgod van het Fransche volk, dat nu, door zware
lasten gedrukt en uitgeput, telkens tot oproer dreigde over te
slaan; een deel van dat volk, het nijverste, het rijkste, was door
ondragelijken gewetensdwang het land uitgedreven, en deed nu
gansch Europa weergalmen van zijne verwenschingen tegen den
dwingeland; dat Europa had de vroegere vrees voor het over-
wicht van Frankrijk 's macht afgelegd, en zag den dag der ver-
Digitized by
Google
1695. 207
gelding aanbreken waarop het wraak zou kunnen nemen over
lange jaren van onrecht en geweld; de sterke oorlogsvloten van
vroeger bestonden niet raeer, en waren vervangen door de kleine
smaldeelen, door de kaperschepen der Jean Barts en Du Guay-
trouins; wel werden, ten koste van groote inspanningen, de legers
op geduchte getalsterkte gehouden, maar de deugdzaamheid en
innerlijke kracht dier legers waren verminderd, vooral ook omdat .
de slecht gevulde schatkist niet toeliet om voldoende te voorzien
in al de behoeften van den oorlog; en, — wat het ergste voor
Frankrijk was, wat het meest het verval van een land aanduidt — ,
de menschen begonnen te ontbreken, de mannen van geestkracht
en bekwaamheid, geschikt om de zaken van staat en van oorlog
goed te leiden en te besturen! Colbert, Louvois, zij waren niet
meer daar, om Lodewijk in de regeeringstaak te ondersteunen;
Condé, Turenne, Luxembourg, zij voerden de Fransche legers
niet meer aan; die mannen waren opgevolgd door zwakken en
onbekwamen; opgevolgd waren zij, niet vervangen.
In oorlogszaken hangt bijna alles af van de waarde van den
opperbevelhebber; en de maarschalk De Villeroy, die in 1695
aan het hoofd werd geplaatst van de Fransche legermacht in de
Nederlanden, was niet berekend voor die taak. Het was een
ongelukkige keus.
Die keus had Villeroy te danken aan hofgunst: hij was de
zoon van den vroegeren opvoeder van Lodewijk XIV, en zóó
in gunst bij den Koning, dat, toen zelfs in de slaafsche hof-
kringen gemord werd over Villeroy's onbekwaamheid, Lodewijk
de onbillijke, haast ongerijmde woorden bezigde: »men valt hem
maar aan, omdat men weel dat ik hem voorsta." 's Konings
ingenomenheid met Villeroy zou te begrijpen zijn geweest, ware
het enkel om den mensch te doen; want uit alles blijkt, dat
Villeroy is geweest een eerlijk, rechtschapen man, op wiens
zedelijk karakter geen aanmerkingen zijn te maken; Villeroy
was, wat wij verstaan onder »fatsoenlijk man", wat de En-
gelschen begrijpen onder de woorden ia gentleman", wat de
Franschen van de zeventiende eeuw noemden lun galant
hom me". Villeroy streefde er ook naar, zich bij zijne officieren
bemind te maken: te hunnen behoeve had hij, bij het leger in
1695, honderd paarden op zijn stal; hij hield drie open tafels;
en zijn beurs was ter beschikking van hem die het noodig had.
Dat zijn allemaal goede hoedanigheden in een legerhoofd, maar
toch, het zijn zaken van ondergeschikt belang; de hoofdzaak
is de bekwaamheid als veldheer; daarop komt het aan; en die
bekwaamheid miste Villeroy geheel en al. Nu is die bekwaam-
heid ook niet zoo'n alledaagsch iets; ten onrechte spreekt men
er soms over, alsof men een groot veldheer maar voor het op-
Digitized by
Google
268 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
rapen heeft: een groot veldheer is even zeldzaam als een groot
dichter.
Het leger, waarover Villeroy in 1695 in de Nederlanden te
beschikken had, was in getalsterkte niet beneden de legermacht
die Frankrijk in de laatste jaren op dit oorlogstooneel deed
optreden. Volgens De Quincy bestond de legermacht, onmid-
dellijk onder de bevelen van Villeroy, uit 73 bataljons en 153
eskadrons^ dit was dus, een 48 k 50000 man voetvolk en een
24 k 25000 ruiters of dragonders, te zamen 72 k 75000 man.
Bovendien was Boufflers aan de Maas, met eene afdeeling, die,
volgens een andere opgave, 12000 man sterk was: en Montal
met een 10 000 man bij Veurne en Duinkerken; in het geheel
zal dit dus een 90 k 100 000 man hebben uitgemaakt.
Het spreekt van zelf, dat dit cijfer niet met wiskundige nauw-
keurigheid kan worden vastgesteld; te meer niet, omdat, toen
Willem III eenmaal de belegering van Namen had aangevangen
en dus de vestingen van Fransch Vlaanderen niet meer werden
bedreigd, Villeroy een deel der bezettingen van die vestingen
bij zijn leger kan hebben aangetrokken; vandaar, dat de sterkte
van het leger waarmede de Fransche maarschalk tot ontzet van
Namen is opgerukt, verschillend wordt opgegeven: de minste
opgave is een 70 k 80 000 man ; een andere opgave spreekt van
100 000 man, ééne zelfs van 120000; — de laatste is klaarblij-
kelijk overdreven groot ; maar eene andere opgave die dit Fransche
leger op een 60000 man wil terugbrengen, is zoo overdreven
klein, dat zij buiten aanmerking moet blijven.
Naar onze meening is het Fransche leger van 1695, wat de
getalsterkte betreft, vrij wel gelijk geweest aan het daartegenover
staande leger van Willem III; maar de militaire waarde van de
Fransche troepen was minder dan die der bondgenooten ; en
vooral de aanvoering maakte Frankrijk's minderheid ontwijfelbaar.
Niet, dat er aan de Fransche zijde geen bekwame, krachtvolle
aanvoerders waren: het is voldoende, de namen te noemen van
Boufflers en Montal; — maar de opperbevelhebber deugde niet,
en daarvan hangt bijna alles af. Dan had men ook weer, onder
de Fransche bevelhebbers, vorstelijke personen, onder anderen
den hertog van Maine, een der basterden des Konings; en de
aanwezigheid van zulke personen bij een leger werkt gewoonlijk
slecht, — tenzij die vorstelijke personen, bij uitzondering, be-
giftigd zijn met veldheerstalent; of dat zij — zooals bij de
Pruisen — geheel en al als een gewoon bevelhebber worden
behandeld, en aan al de strenge wetten der krijgstucht onder-
worpen blijven.
In 1693 waren de liniën tusschen Schelde en Lijs, die Fransch
Digitized by
Google
1695. 209
Vlaanderen dekten, door de bondgenooten vermeesterd en groo-
tendeels geslecht. In April 1695 werden die linien door de
Franschen weer opgemaakt, maar nu iets noordelijker, iets ver-
der van de Fransche grenzen: de linien van 1693 sloten aan de
Lijs te Meenen, en aan de Schelde bij Espierre; die van 1695
liepen van Kortrijk aan de Lijs, tot aan het dorp Avelghem aan
de Schelde. De nieuwe linie werd opgeworpen door 20000
schansgravers, beschermd door Boufflers met een 20 k 30000
man; na de voltooiing der linie ging die Fransche legermacht
weer naar hare winterkwartieren terug, omdat het jaargetijde nog
te guur was om de troepen te velde te laten blijven, en het
land nog geen paardevoer opleverde voor de ruiterij.
In de Europische Mercurius vindt men eenige afmetingen van
het profiel dier linien: de borstwering had eene hoogte van 9
voet (bijna 3 el, of meter), en eene dikte van 6 a 7 voet (ongeveer
2 el); de gracht had eene diepte van 8 voet (2,5 el), en was
breed, van boven 18 voet (ruim 5,6 ei), maar van onderen
slechts 8^9 voet (2,5 è. 2,8 el); »ter oorzaak'* — wordt er met
groote wijsheid bijgevoegd — idat men dusdanige aarde werken
zeer schuin moet maaken, op dat ze niet komen af te zakken." —
Van afstand tot afstand had men in de linien redouien, of bas-
tions, behoorlijk gepalissadeerd, en in alles met een honderd
vuurraonden bewapend.
De zee overstekende, kwam Willem III den 24siea Mei in
Holland aan, en na een kort verblijf aldaar verliet hij den
4ea Juni het Loo en kwam den volgenden dag te Gent aan,
waar hij den keurvorst van Beieren vond.
De legermacht der bondgenooten was toen samengetrokken
in twee groote massa's, in Vlaanderen en Braband. Het hoofd-
leger stond tusschen Thielt en Deynse, op den linkeroever van
de Lijs; het bestond uit 70 bataljons en 80 eskadrons, naar
schatting 35000 man voetvolk en 16000 ruiters of dragonders;
te zamen een 5 1 000 man, Engelsche troepen, of troepen van de
Republiek. Een tweede leger, bestaande uit troepen der Republiek
en uit Spaansche en Beiersche regimenten, stond tusschen Brussel
en Dender monde; het telde 36 bataljons — 18000 man voet-
volk — en 130 eskadrons — 26000 ruiters of dragonders, te
zamen 44000 man. — Verder had men nog, bij de Maas, een
legerafdeeling van Brandenburgsche en Luiksche troepen, met
eenige bataljons van de Republiek; die afdeeling stond bij Falais,
aan de Méhaigne, een paar uur ten noordwesten van Hoey; zij
bestond uit 25 bataljons voetvolk — i8 Brandenburgsche en 7
van de Republiek, te zamen 12500 man — ; en 32 eskadrons —
17 Brandenburgsche en 15 Luiksche, te zamen 6400 paarden — ;
in het geheel dus bijna 19000 man. — Eindelijk, voor het be-
Digitized by
Google
270 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
zetten der vestingen van West-Vlaanderen , had de generaal
Ellenberg, bij Dixmude^ eene macht van 20 bataljons — 10 000
man voetvolk — en 10 eskadrons — 2000 paarden; te zamen
een 12000 man.
Telt men de sterkte van al die afdeelingen te zamen, dan
komt men tot een geheel bedrag van bijna 126000 man, een
grooter cijfer dus dan wij hebben gevonden voor de legermacht
van Villeroy. Te dien aanzien moeten echter twee aanmerkingen
gelden : vooreerst hebben wij bij de schatting van de getalsterkte,
het bataljon gesteld op 500 man, en het eskadron op 200 paar-
den ; maar voor die sterkte van het bataljon staan wij veel meer
in dan voor die sterkte van het eskadron: op grond van vroe-
gere opgaven bij onze oude schrijvers hebben wij die sterkte
geschat op 200 paarden; maar het kan zeer goed zijn dat die
schatting te hoog is, en men dus de ruiterij van de bondge-
nooten moet verminderen met eenige duizend man. Ten tweede
kan die afdeeling van Ellenberger — 12000 man — eigenlijk
niet tot het leger te velde worden gerekend, dewijl zij moest
dienen als bezetting van de vestingen in Vlaanderen. Geeft men
acht op die twee aanmerkingen, dan zal men tot het besluit
komen, dat er in 1695 geen groot verschil heeft bestaan, wat
de getalsterkte betreft, tusschen de wederzijdsche legers in de
Nederlanden.
Het hoofdleger van de bondgenooten zou, onder Willem III,
worden aangevoerd door den Prins De Vaudemont, een zoon
van den vroegeren hertog van Lotharingen, en een bekwaam
legerhoofd. Bij dit hoofdleger had men verder den hertog van
VVurtemberg, die zich bij Steenkerke had onderscheiden ; Nassau-
Sarbruck ; Bellassis ; Noyelles, die het voetvolk van de Republiek
onder zijne bevelen had; onder de generaal-majoors worden ge-
noemd: Churchill — de latere Marlborough — , Ramsay, La
Melonière en Miremont. Ouwerkerk was aan het hoofd van de
ruiterij, en had onder zich La Forest en Eppinger. De kolonel
Goor had het bevel over de artillerie, — hare sterkte wordt
niet vermeld; en kwartiermeester-generaal was Dopff, die ook
tijdens den Spaanschen successie-oorlog die betrekking heeft be«
kleed, en daarvoor veel geschiktheid schijnt te hebben gehad,
al moge Goslinga, in zijne gedenkschriften, met geringschatting
van hem gewagen.
Het tweede leger, tusschen Brussel en Dendermonde, stond
onder het bevel van den keurvorst van Beieren; daarbij bevond
zich Holstein-Plön ; Athlone, de overwinnaar van Ierland, voerde
de ruiterij aan. Verder worden onder de bevelhebbers bij dit
leger genoemd: Tilly, Ittersum, Nassau-Weilburg, De Hubert,
Warfuzé, Fagel en Salis. De artillerie stond onder den generaal
Tettau.
Digitized by
Google
1695. 271
Het legerkorps bij de Méhaigne werd aangevoerd door den
Branden burgschen generaal Heyden en den Luikschen generaal
Berloo.
Ziedaar de legermacht, waarover Willem III in 1695 had te
beschikken, en waarmede hij zich slerk genoeg achtte om aan-
vallend te werk te gaan.
Heeft Willem III, al dadelijk, een bepaald oorlogsplan gehad;
heeft al dadelijk bij hem het voornemen bestaan om Namen te
belegeren? — Van der Heim (Archief van Heinsius, 2* deel,
blz. 29) beantwoordt die vraag ontkennend, en zegt, dat uit
een schrijven van den Stadhouder aan Heinsius blijkt, »dat het
plan" (om Namen te belegeren) >niet lang te voren was vastge-
steld." In dat schrijven van den 960 Juni 1695, uit het kamp te
Arselle in West- Vlaanderen, zegt Willem lïl aan den Raadpen-
sionaris: >ick en kan UEd. nogh niet seggen wat wij sullen
ondernemen, al soo het sigh eenighsins naer de movementen
van den vyant sal moeten reguleren, maer ick hoop dat sij het
aen alle kanten niet en sullen kunnen bewaeren, maer dat sij
ons occasie sullen geven, om iets te kunnen ondernemen van
importantie." (Archief van Heinsius, 2* deel, blz. 97).
Die woorden van Willem IIÏ bewijzen eigenlijk niets. Vooreerst
merken wij aan, dat het niet de gewoonte is van een goed
legerhoofd om met zijne oorlogsplannen te koop te loopen en
luid uit te bazuinen wat hij voornemens is te doen; allerminst
was Willem III met die slechte eigenschap behept : hij uitte zich
nooit veel, en verdient veel meer den bijnaam van tde zwijger"
dan de groote grondlegger van de Nederlandsche Republiek. —
Maar in zijne brieven aan Heinsius was hij zeer vertrouwelijk ; —
ja, over staatszaken; over krijgszaken, minder; daarover zegt hij
niet meer dan volstrekt noodig is. Afkeer van de inmenging van
niet- militairen in militaire aangelegenheden, was eene kenmer-
kende eigenschap in Willem III; de hedendaagsche reporters,
die overal waar oorlog wordt gevoerd heensnellen om af te
neuzen wat er gebeurt en dit door de dagbladen wereldkundig
te maken, zouden bij hem eene slechte ontvangst hebben ge-
vonden.
Wat de Stadhouder aan Heinsius schrgft bevat niets dan alge-
meenheden, die eigenlijk uit den aard der zaak voortvloeien:
»onze ondernemingen zullen zich regelen naar de bewegingen
van den vijand;" — ja, dat zal wel waar zijn; om zoo iets te
voorspellen behoeft men nog geen toovenaar te zijn; wanneer
Villeroy met zijn leger in de onmiddellijke nabijheid van Namen
blijft, dan wordt het beleg van Namen eene onmogelijkheid, —
volgens de krijgskunde van dien tijd. Maar dit zegt daarom niet,
dat het belegeren van Namen niet in het plan van Willem III
Digitized by
Google
272 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
heeft gelegen; integendeel, wij gelooven dat die onderneming
van den beginne aan door hem is beoogd; en wij gronden die
meening ook daarop, dat men niet zoo in een oogenblik een
kolossaal belegeringspark en uitgebreide aanvalsmiddelen bijeen-
brengt, als onmisbaar waren voor den aanval van een zoo groote
en sterke vesting.
Men moet zich verplaatsen in de oorlogsvoering dier tijden^
om te beseffen wat een beleg van Namen inhield; dat stond
gelijk met een beleg van Troje, of — juister gesproken — dat
stond gelijk met het leveren van een grooten veldslag: van de
uitkomst van zulk een beleg hing de gang van den oorlog af^
de veldheersroem van hem die dat beleg ondernam; — Wil-
lem III had dat ondervonden bij het mislukken van het beleg
van Maastricht in 1676.
In Mei had Villeroy*s leger zich samengetrokken tusschen
Mons, Condé en Valenciennes. Zoolang het Fransche leger daar
was, viel er voor Willem III niet te denken aan het belegeren
van Namen: daar dit leger de vesting kon bereiken, vroeger
dan de bondgenooten, of ten minste vóór dat de bondgenooten
haar op voldoende wijze hadden ingesloten. Het kwam er dus
op aan, de Fransche legermacht van Namen te verwijderen; en
hiertoe moest dienen het bedreigen van de Fransche vestingen
en liniën in Vlaanderen.
Villeroy was reeds eenigszins eene beweging in westelijke rich-
ting begonnen: uit het kamp bij Blaton — een groot uur ten
noorden van Condé — waar hij zich den 3^0 Juni had neder-
geslagen, trok hij den 6ea in noordelijke richting op Leuse, tus-
schen Doornik en Ath; de legerafdeeling van Boufflers kwam
dien dag te Fleurus. Op het bericht dat Willem III bij het leger
der bondgenooten was gekomen, brak de Fransche maarschalk
den 8sten van Leuse op, om de Schelde te naderen; den loen
Juni was hij te Cordes, tusschen Doornik en Oudenaarden; dien
dag kwam Boufflers te Havré, iets ten oosten van Mons. Den
i2ea Juni ging Villeroy op den linkeroever van de Schelde over,
bij het dorp Pottes, nagenoeg even ver van Doornik als van
Oudenaarden; het Fransche hoofdleger plaatste zich toen achter
de liniën tusschen Schelde en Lijs; den 17 en Juni kwam daar
ook het grootste gedeelte der legerafdeeling van Boufflers; een
klein gedeelte, onder d'Harcourt, was nog achter, maar volgde
met snellen marsch. Op die wijze kwam, omstreeks half Juni,
nagenoeg de geheele Fransche legermacht aan de westzijde van
de Schelde,
Een bewijs dat Willem III van den beginne aan de belegering
van Namen beoogde, kan men ook daarin vinden dat hij, den
Digitized by
Google
i695. 273
6en Juni, dadelijk bij zijn komst, aan den keurvorst van Beieren
bevel zond om Athlone met 40 eskadrons ruiters of dragonders
naar de zijde van de Maas te doen trekken, naar Thienen en
Landen ; daar moesten de 7 Hollandsche bataljons van de leger-
afdeeling aan de Méhaigne, zich bij Athlone aansluiten. De
Keurvorst ontving bevel om, zoodra hij bericht kreeg dat Vil-
leroy op den linkeroever van de Schelde was overgegaan, van
zijne zijde de Dender over te trekken en op Oudenaarden te
rukken. Den i4ea Juni was het leger van den Keurvorst te
Ninove, waar het de Dender was overgegaan; den i6en ging
het de Schelde over bij het dorp Ename, in de nabijheid van
Oudenaarden; en den 17 en stond het op korten afstand vóór de
Fransche liniën tusschen Schelde en Lijs. Ter vervanging van
de 40 eskadrons van Athlone, had Willem III den generaal La
Forest, met 22 eskadrons, doen overgaan van het hoofdleger
naar het leger van den Keurvorst.
Eenige dagen had Willem III doorgebracht met hel in ©ogen-
schouw nemen van zijn leger-, een noodzakelijke maatregel bij
het krijgswezen van die tijden, daar, zonder die voorzorg, een
legerhoofd volstrekt geen zekerheid h^-d omtrent de getalsterkte
en het gehalte van zijne troepen. Men vindt, bij de vermelding
van die wapenschouwing, ook aangeteekend, dat de ruiterij toen
pas in het kamp aankwam : men had haar zoo lang mogelijk ge-
kantonneerd gelaten in de nabijzijnde dorpen. Den i2en Juni brak
Willem III met zijn leger op, van Thielt en Deynze, en trok op
Rousselaere; den 1360 werd de marsch voortgezet tot in de nabij-
heid van de Fransche liniën, tusschen Iperen en Comines aan de
Lijs; — de troepen van Villeroy kwamen dien dag ook in die liniën.
Het Fransche 'legerhoofd was in onrust en onzekerheid, door
die bewegingen zijns vijands. Aan de zijde van Duinkerken
schenen de bondgenooten in Frankrijk te willen doordringen;
misschien wel om die stad te nemen, dat zeerooversnest dat hun
zooveel afbreuk deed; — maar ook Iperen, Meenen, Kortrijk,
het fort De Knokke, de liniën tusschen Lijs en Schelde, werden
bedreigd; welk punt moest men het eerst te hulp komen, voor
welk moest men het meest zorgen? — Villeroy wist niet, hoe
die vraag te beantwoorden; hij was als de kampvechter, die den
degen van zijne tegenpartij, in snelle opvolging, verschillende
deelen zijns lichaams ziet bedreigen, en die dan, om den ge-
vreesden stoot af te weren, in angstige overhaasting de bewe-
gingen van zijn vijand volgt; — Luxembourg zou die bedrei-
gingen hebben beantwoord met een tegenaanval; zoo iets was
van Villeroy niet te verwachten.
Willem III deed, om den vijand te misleiden, op twee punten
schijnaanvallen verrichten.
WILLEM IIL — III. ' 18
Digitized by
Google
274 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE DESCHOUWINGEN.
Aan de eene zijde nam het leger van den keurvorst van
Beieren de houding aan, alsof het de liniën tusschen Lijs en
Schelde wilde doorbreken; de Keurvorst liet door zijne troepen
fascinen maken voor het dempen van de grachten; en, na eene
verkenning op den 1900 Juni, deed hij eene vijandelijke afdeeling,
die vóór het dorp Belleghem stond — buiten de liniën, zoo wat
in het midden — en zich daar versterkt had, door Fagel aan-
vallen en terugwerpen binnen de verschansingen.
Aan de andere zijde rukte de hertog van Wurtemberg op
tegen het fort De Knokke, aan de samenvloeiing van de Isere
en de Iperlee, zoo wat een uur gaans ten zuidoosten van Dix-
mude. In de nabijheid van dat fort hadden, tusschen den lyen
en den 21 sten Juni, gevechten plaats tusschen Wurtemberg en
Montal, die daar de Fransche troepen aanvoerde; — ééne
Fransche opgave noemt, niet Montal, maar Lamotte als bevel-
hebber, en zegt dat de aanval van de bondgenooten zoo krachtig
werd afgeslagen dat zij, na veel verloren te hebben, in over-
haasting en wanorde terug moesten gaan. De Ëuropische Mer-
curius zegt van het eerste der gevechten bij De Knokke: 9men
weet niet wel, hoeveel volks deze actie aan wederzijde kwam te
kosten; doch het gemeen gevoelen is, dat er den hertog van
Wirtemberg omtrent tweehonderd, en de vyanden bij de vier-
honderd man verlooren." — Het schijnt dus, dat die gevechten
bij het fort De Knokke nog al ernstig zijn geweest.
Toch waren die gevechten maar schijnaan vallen, bestemd om
den vijand bezig te houden en zijne aandacht af te leiden van
Namen; aan Athlone en Heyden — den aanvoerder van de
Brandenburgers — was intusschen bevel gezonden om naar die
vesting op te rukken, en haar te berennen; zoodra dit verricht
kon zijn, zouden Willem III en de Keurvorst, met een deel van
hunne legermacht, Vlaanderen verlaten en oprukken naar Namen.
Den 23sten Juni verricht het leger der bondgenooten eene groote
fourageering, en den 25sien ontvangt het een belangrijk konvooi^
van Brugge komende ; Fransche partijgangers hadden dit konvooi
aangevallen, maar waren teruggeslagen door de bedekking, aan-
gevoerd door Bentinck.
Toen nu, op den 2 7 sten Juni, bericht inkwam van Athlone dat hij
oprukte om Namen te berennen, en men tevens vernam dat de
Franschen, eindelijk inziende wat bedreigd werd, eene troepen-
afdeeling wilden afzenden naar die vesting, deed Willem III
onverwijld de beweging naar de Maas beginnen.
In den nacht van den 27sten op den 28sten Juni brak het leger
van den Beietschen keurvorst op, van Gaster, aan de gehelde,
vóór de Fransche liniën; over Ninove en Halle kwam het, met
Digitized by
Google
NAMBN. 275
snelle marschen, den 3eo JuU voor Namen; 20 eskadrons van
den Keurvorst, onder den generaal Tilly, waren het leger vooraf-
gegaan om zich aan te sluiten bij Athlone.
Willem III ging den 28steii Juni met zijn leger op Rousselaere
terug; daar kreeg Vaudemont het opperbevel, en ging de Stad-
houder zelf den 29sten Juni vooruit naar het leger van den
Keurvorst, naar Namen; het regiment ruiterij van Keppel, het
regiment dragonders van DopfiF, 2 compagnieën Gardes-du-corps^
en grenadiers te paard, maakten de bedekking uit van Willem III.
Van het leger van Vaudemont werden, daarna, nog 20 ^ 25
bataljons afgezonden, om deel te nemen aan het beleg van
Namen; een 10 000 man, zegt de Ëuropische Mercurius, en dit
cijfer is nog al waarschijnlijk. Den 3en Juli, gelijktijdig met het
leger van den Keurvorst, kwam Willem III voor Namen aan ; —
welken spoed hij ook gemaakt had, toch kwam hij niet vroeg
genoeg.
Villeroy, eindelijk beseflende dat het Namen was waarop de
vijand doelde, had den 28sten Juni, uit het leger tusschen Lijs
«n Schelde, eene krijgsmacht afgezonden om de bezetting van
die vesting te versterken. BoufHers voerde die krijgsmacht aan,
en was bestemd om als opperbevelhebber binnen Namen op te
treden; Megrigny, de bekwame ingenieur, de leerling van Vauban,
was bij hem ; een aantal andere Fransche ingenieurs vergezelden
Megrigny; ook tal van vrijwilligers waren daarbij, brandend van
verlangen om deel te nemen aan de grootsche wapenfeiten,
waartoe een beleg als dat van Namen noodwendig moest leiden ;
en 7 regimenten dragonders — infanteristen te paard — verge-
zelden Boufflers. £ene sterke afdeeling voetvolk was eveneens
bestemd om met den Franschen maarschalk naar Namen te
gaan; — maar Boufflers begreep te recht, dat men er niet op
mocht rekenen, dat men ook dat voetvolk binnen Namen zou
kunnen brengen, dat het al wel zou zijn, als de ruiterij daar-
binnen kwam; en daarom trok hij, zonder zich om die infan-
terie te bekommeren, mét zijne ingenieurs, mét zijne vrijwilligers,
mét zijn dragonders ijlings voort Voort ging het, eerst naar de
Sambre, toen naar de Maas, langs een omweg om de heir-
scharen der bondgenooten te ontwijken, maar het nadeel van
dien omweg vergoedende door de grootste marschsnélheid, door
de minste rust of oponthoud. Den 2eii Juli, met den dageraad,
trekt Boufflers te Dinant de Maas over; en, na op den rechter-
oever dier rivier zijne paarden de volstrekt noodzakelijke rust
te hebben geschonken, zet de Maarschalk den marsch voort, en
komt om zes uur des namiddags binnen Namen; hij heeft nog
den tijd om de paarden van zes der dragonder-regimenten naar
Digitized by
Google
276 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Dinant terug te zenden; het zevende regiment zou als ruiterij
optreden.
Toen BoufHers op de hoogten van Sainte Barbe kwam, vlak
bij de Namensche voorstad op den rechter Maasoever, begon
juist de ruiterij der bondgenooten, beneden die stad, op dien
oever over te gaan, om de insluiting van Namen te voltooien;
de Fransche maarschalk had dus geen oogenblik later moeten
komen. De vraag is zelfs, of al de voortvarendheid van BoufHers
hem zou hebben gebaat, wanneer de bondgenooten gedaan had-
den wat zij hadden kunnen doen. Met zekerheid valt hierover
niets te zeggen; maar er is toch wel eenige grond om te ge-
looven, dat de insluiting van Namen met meer spoed verricht
had kunnen zijn. Die vesting werd, van de Sambre tot aan den
linker Maasoever beneden Namen, ingesloten door Athlone; en
tusschen de Sambre en de boven-Maas, door de Brandenburgsche
en Luiksche troepen, onder Heyden; — maar op den rechter-
oever van de Maas, naar de zijde van de landstreek Condroz^
werd de insluiting eerst later verricht. Den 2cn Juli kreeg Wil-
lem III bericht, dat naar de zijde van Condroz de toegang tot
Namen nog open was; de Stadhouder zond toen bevel aan
Athlone, om onverwijld een deel van zijne macht te doen over-
gaan op den rechteroever van de Maas, ten einde de insluiting
van Namen te voltooien. Athlone had dit bevel niet afgewacht,
maar reeds in den namiddag van den 2en, beneden Namen, een
deel van zijne macht doen overgaan op den rechteroever van
de Maas; maar toen was het te laat: reeds trok Boufflers Namen
binnen.
Wij herhalen het: met zekerheid valt niets te zeggen, of, bij
die insluiting van Namen, de bondgenooten zich hebben schuldig
gemaakt aan traagheid, aan tijdverlies; en aan wien die misslag
moet worden geweten, aan Athlone of aan Heyden: daar waar
dezelfde taak aan twee menschen wordt opgedragen, ontbreekt
het soms aan eenheid van handeling, of schuift de een die han-
deling op den ander.
De sterkte der legermacht die de insluiting van Namen ver-
richtte, wordt, in ééne opgave, begroot op een 20000 man; —
die begrooting is stellig te laag, daar alleen de troepenmacht
van Heyden bijna die sterkte had. Het schijnt dat, van den lin-
keroever der Sambre boven Namen, tot aan den linkeroever der
Maas beneden de stad, de insluiting alleen door ruiterij werd
verricht; ten minste, in een brief van Obdam aan den raadpen-
sionaris Heinsius — van den óen Juli, van voor Namen — komt
voor: ..,»Nous avons marché continuellement pour investir
Namur, ce qui estait fort gaillard sans infanterie devant une
place qui est toute entourée de bois et de déülés et dont la
Digitized by
Google
NAMEN. 277
garnison consistoit en 8 mille hommes alors (et qui a esté ren-
forcée depuis de Tautre costé) car il falloit nous partager en
divers quartiers assez peu communicables pour nous secourir
mutuellement en cas de besoin, de maniere que s'ils avoient
voulu, ils nous auroient pu jouer un méschant tour avant Tarri-
vée du Roy, ce qui fist que de 8 jours nous n'avons pü dormir
ny jour, ny nuit, estant quasi tousjours k cheval pour n'estre
point surpris..." (Dit laatste moet men natuurlijk niet in te let-
terlijken zin opnemen. — Die brief van Obdam komt voor in
Van der Heim's » Archief van Heinsius", 2' deel, blz. 98).
9 Het zal een harde noot zijn om te kraken", zeide Willem III
over het te beginnen beleg van Namen, — in zijn schrijven aan
Heinsius, van den 560 Juli. Dat die noot inderdaad nog al hard
was, blijkt uit wat wij weten over den toenmaligen toestand van
die vesting.
Het Namen van 1695 was een veel sterkere vesting dan het
Namen van 1692. In 1692, bij de belegering, was de vesting
nog niet voltooid; daartoe had Coehoom den tijd nog niet ge-
had; maar die voltooiing was verricht gedurende de drie jaren
dat Frankrijk in het bezit van Namen was geweest; Vauban had
gedaan wat zijn Hollandsche mededinger had willen doen. Maar
Vauban had meer gedaan; de aanval van 1692 had eeleerd, dat
het noordoostelijke front van Namen nabij de poort Samt-Nicolas,
het zwakste deel van de vesting was; en om die zwakheid te
verhelpen was eene nieuwe verdedigingslijn aangelegd, voorwaarts
van de beek van Vesdrin, op de hoogten ten noordoosten van
de stad. Die nieuwe verdedigingslijn bestond uit vier op zichzelf
staande bastions, of lunetten, van metselwerk voorzien en in de
keel gesloten; zij had eene uitgestrektheid van een 14 ^ 1500 el,
gerekend links van het bastion Saint- Antoine nabij de beek van
Vesdrin, tot rechts aan het bastion Balart, dat nog een 3 k 400
el verwijderd was van de Maas, en den toegang dekte naar de
werken bij de poort van Saint-Nicolas.
De ligging van die vier nieuwe buitenwerken — bastions of
lunetten, hoe men ze wil noemen — was met veel bekwaamheid
zoodanig gekozen, dat zij leunden aan ravijnen met steile wanden,
die het een belegeraar moeielijk zouden maken om ze geheel te
omgeven en van de stadswerken af te snijden. Alleen had die
linie van buitenwerken een zeer kwetsbaar punt aan haar rechter
uiteinde: ddir was, tusschen de Maas en de zuidelijke hellingen
der hoogten van Bougé een open vlakte van een 300 el breedte,
waarover een belegeraar met zijne loopgraven de werken bij de
poort van Saint-Nicolas onmiddellijk kon bereiken, en daardoor
de geheele linie van buitenwerken onnut kon maken. Vreemd,
dat aan de Fransche zijde die ruimte tusschen de rivier en de
Digitized by
Google
278 KRIJGSr EN GESCHIEDKUNDIGB BESCHOUWINGEN.
hoogten van Bougé niet tijdig is afgesloten door het een of
ander werk ; vreemd ook, dat de bondgenooten bij de belegering
niet dadelijk hunne aanvalswerken hoofdzakelijk op die ruimte
hebben aangelegd, maar integendeel hunne krachten voornamelijk
hebben ingespannen om vooruit te komen op de hoogte van
Bougé, in de ruimte tusschen het bastion Balart en het een 60a
el noordelijker gelegen bastion Saint-Fiacre.
Dat de belegeraar van 1695, ten minste aanvankelijk, de
hoogte van Bougé als front van aanval heeft uitgekozen, is zeer
zeker een misslag geweest; en te meer een misslag, omdat op
die hoogte nog andere verschansingen door de Franschen waren
aangelegd, voorwaarts van het bastion Balart. Bij eene hoeve,
Coquelet, zoo wat een 600 el ten noordoosten van het bastion
Balart, was door de Franschen eene verschanste linie aangelegd,
wier beide uiteinden leunden aan een steil ravijn, dat de schei-
ding uitmaakt tusschen de hoogte van Bougé en de hoogte
waarop het bastion Saint-Fiacre was gelegen. Nu zegt ééne
Fransche opgave wel, dat die linie bij Coquelet eigenlijk niets
beduidde, dat Coquelet zelfs niets meer was dan een duiventil,
en dat het onbegrijpelijk is dat de bondgenooten hier zóó om-
zichtig en geregeld hebben aangevallen ; — maar blijkbaar is die
voorstelling niets anders dan grootspraak, om de dapperheid van
de verdedigers te meer te doen uitkomen; en goede troepen —
zooals die van Boufilers — geven eene groote sterkte, ook aan
eene onbeduidende borstwering, als deze hen maar beschermt
tegen 's vijands vuur en de nadering van dien vijand bemoei-
lijkt; — men herinnere zich slechts de Turksche verschansingen
bij Plewna (1878): die waren ook onbeduidend op zichzelve;
maar de Turken, die ze verdedigden, waren dapper.
Waren dus de verdedigingsmiddelen van de stad Namen grooteren
beter dan in 1692, aan de zijde van het kasteel kon men hetzelfde
opmerken. Het fort Coehoorn — of fort Willem, want het draagt
beide namen — was geheel afgewerkt; La Cassotte en het Dui-
velshuis waren in goeden staat; tusschen La Cassotte en de
werken van Terra Nova was een gekazematteerd bastion gebouwd ;
en in den loop van het beleg werden die buitenwerken door
loopgraven verbonden met Terra Nova en met Coehoorn. Om
het kasteel en zijne buitenwerken nog meer te verzekeren tegen
een aanval, had Vauban, op een 600 el voorwaarts van La
Cassotte, eene verschanste linie aangelegd, die de ruimte afsloot
tusschen de Sambre en het hoogere gedeelte van de Maas. Die
linie — een 12 k 1400 el lang en, naar haren ontwerper, de
» linie van Vauban" genoemd, was in de rots uitgehouwen en
had eene zeer groote sterkte, bij een aanval in front; men
rekende er op, dat zij dan een belegeraar een verlies van een
6000 man zou kosten; — schattingen van dien aard komen bij
Digitized by
Google
MAMBM, 279
de vroegere schrijvers meermalen voor. — Maar die linie van
Vauban had weinig of geen waarde, wanneer de vijand in den
rug van die linie kon komen ; dit nu was aan de linkerzijde van
de linie, aan de zijde van de Maas, moeielijk of ondoenlijk, door-
dat de hoogte waarop de linie was gelegen aan die zijde steile
hellingen had; en aan de rechterzijde van de linie, naar den
kant van de Sambre, kon de linie van Vauban alleen ddn in de
keel worden aangevallen, wanneer de belegeraar was doorge-
drongen op den rechteroever dier rivier, in den boog dien zij
maakt tusschen de linie en de stad. Voor den belegerde was het
dus zaak om de in dien boog gelegen vaste punten — de abdij
van Salsine en het huis La Balance — goed te bezetten en
krachtig te verdedigen, om daardoor den belegeraar te beletten
.hier de Sambre over t? gaan; de troepen, met die verdediging
belast, liepen weinig gevaar, daar zij in het ergste geval een
wijkplaats konden vinden binnen het fort Coehoorn, een 1000 k
1200 el verwijderd van Salsine en van La Balance. — Wij zullen
zien, dat de Franschen te weinig zorg hebben gedragen voor de
verdediging van dit gedeelte van de Sambre, en dat de bond-
genooten met bekwaamheid partij hebben getrokken van dien
misslag.
Zooals van zelf spreekt, hebben wij hier alleen in groote
trekken den toestand van de vesting Namen in 1695 aangeduid;
voor ons bestek is dat voldoende; wij hebben niet noodig ieder
vestingwerk te noemen. Op één punt wenschten wij echter onze
lezers juister te kunnen inlichten; een voornaam punt: de bom-
vrije lokalen binnen de vesting; — daaromtrent is moeielijk iets
bepaalds te zeggen. Slechts hier en daar vindt men soms eene
opgave omtrent die bomvrije lokalen; zoo wordt onder andere
gezegd, dat het nieuw gebouwde bastion tusschen La Cassotte
en Terra Nova >gekazematteerd'' was; — ja, maar wat was de
omvang van die kazeiftatten ? Waarschijnlijk, of bijna zeker, zijn
er kazematten geweest in fort Coehoorn, in het kasteel, in Terra
Nova; maar, hoeveel kon er in die kazematten worden gebor-
gen ? — Op die .vraag hebben wij geen antwoord kunnen vinden.
Wij zijn de meening toegedaan, dat die bomvrije lokalen op
lange na niet voldoende zijn geweest voor eene zoo sterke be-
zetting: in dien tijd, toen het worpgeschut een veel minder ge-
bezigd aanvalsmiddel was, nam de belegerde ook minder voor-
zorgen tegen de verticale vurerf van den belegeraar.
De bewapening, uitrusting en bezetting van Namen in 1695
beantwoordden ten volle aan de uitgebreidheid van de vesting-
werken, en aan de hoop die men koesterde dat zij langen tijd
'svijands aanval zouden kunnen weerstaan. O n z e opgaven stem-
Digitized by
Google
38o KRIJOS- EN GESCHIBDKUNDIGE BBSCHOUWINGEN.
men te dien opzichte vrij wel overeen met de Fransche; er is
ten minste geen noemenswaardige afwijking. De vesting — wordt
gezegd — was voor zes maanden van leeftocht voorzien; mis-
schien is dit eenigszins overdreven ; in een Fransch dagboek over
de verdediging van Namen komt ten minste voor, dat men op
den 9eii Augustus nog voor twee maanden leeftocht had; en
dat men op dien dag voor het eerst 60 paarden slachtte; iet on
en servit sur la table de M. Ie Maréchal, qui en mangea Ie pre-
mier, avec les ofïiciers principaux; ce qui fit qu' après cela per-
sonne n'en eut du scrupule." (Journal de ce qui s'est passé au
siège de la ville et du Chasteau de Namur, par Ie Secretaire
d'un ofücier général, qui estoit dans la place, lequel a pris soin
de n'y rien obraettre de la vérité. — A Paris, chez Michel Brunet
dans la grande salie du Palais, au Mercure galant. MDCXCV. —
blz. 160).
Maar, zelfs al was er den gen Augustus nog maar voor twee
maanden aan levensmiddelen in Namen, dan was dit toch een
voldoende voorraad; men had niet te vreezen dat de vesting
zou moeten vallen door hongersnood: kon men tot 9 Octobcr
den belegeraar het hoofd bieden, dan was er alle kans voor, dat
het een mislukt beleg zou zijn.
Evenals van leeftocht was Namen ook genoeg voorzien van
geschut en munitie: er waren 120 kanonnen binnen de vesting,
8 mortieren, 12000 granaten, eene overgroote hoeveelheid kogels
en bommen, 1300000 pond buskruit, 16000 musketten ter om-
wisseling van onbruikbare, en een groot aantal andere wapens ; —
in één woord, voor dien tijd eene overvloedige bewapening en
uitrusting.
De sterkte van Namen's bezetting wordt vrij eenparig op een
15000 man begroot; » uitgelezen troepen", wordt gezegd van
onze zijde, in een half-ofïicieel verhaal van het beleg; en er is
alle grond om in die woorden niets meer te zien dan de een-
voudige waarheid. Die bezetting bestond, aan voetvolk uit 18
bataljons en 4 afzonderlijke compagnieën, yycompagnies franches*'* ;
bij dit voetvolk sloten zich aan i compagnie mineurs, i com-
pagnie kanonniers, en 8 regimenten dragonders, waarvan er 7
met BoufBers waren gekomen.
In dien Maarschalk vooral moet de kracht van Namen worden
gezocht: hij was waard om belast te worden met de zorg voor
eene zoo gewichtige vesting, waard om aan het hoofd te staan
van eene zoo sterke en dappere bezetting. Boufllers heeft ge-
schitterd bij de verdediging van Namen, evenals later bij de
verdediging van Rijssel; men kan hem, misschien, niet rang-
schikken onder de groote veldheeren, maar toch, zeer zeker,
onder de aanvoerders, die door voortvarendheid, geestkracht en
Digitized by
Google
NAMEN. 281
heldenmoed de dapperheid van hunne soldaten weten te verdub-
belen. Onder Boufflers voerde de generaal Guiscard het bevel,
die reeds in 1674, bij het beleg van Grave, onder Chamilly
geleerd had hoe men eene vesting verdedigt. In het dagboek
van Huygens wordt gesproken van een gerucht, dat er binnen
Namen een minder goede verhouding is geweest tusschen Boufflers
en Guiscard; die opgave wordt door niets bevestigd, en wordt
geheel en al tegengesproken door de opgaven van Fransche zijde.
Denkelijk is dan ook dit «gerucht" niets anders dan eene dier
vele praatjes, waaraan het hoofdkwartier van een leger rijk is,
en die Huygens maar zonder onderzoek of oordeel opneemt in
zijn dagboek.
Toen Boufflers binnen Namen was gekomen, hield hij zich
onmiddellijk bezig met het regelen van de wijze waarop de
verdediging van die vesting moest plaats hebben. De eene helft
der bezetting werd opgenomen in het kasteel van Namen; de
andere helft kampeerde in de vestingwerken van de stad; daar
hield zich Guiscard op; de Maarschalk, in het kasteel. De ver-
schanste linie bij Coquelet werd bezet door een 500 man, die
alle dagen afgelost werden, — behalve de bevelhebber die daar
voortdurend bleef; die bevelhebber was Reignac, de vroegere
verdediger van Hoey. In de abdij van Salsine werd eene bezet-
ting geplaatst van 100 man ; eene bezetting van 50 in La Balance.
De beek van Vesdrin werd afgedamd, om daardoor eene onder-
waterzetting te verkrijgen. Ook in de Sambre werd een dam ge-
maakt; daarmede beoogde men eene inundatie te verkrijgen bij
Salsine en La Balance, om daardoor den overtocht van de
Sambre aan den vijand te beletten; die dam heeft echter vol-
strekt niet beantwoord aan het doel, omdat er te weinig water
was in de rivier. Munitie en leeftocht werd, zooveel mogelijk,
uit de stad overgebracht naar het kasteel. Het geschut werd
nog geplaatst op de meest bedreigde werken; onder andere
kwamen er, op de linie noordoostelijk van de stad, nog den
8sten Juli 7 kanonnen in de redoute Saint-Fiacre, en 2 in de redoute
Epinois.
De eerste handelingen van den belegeraar moesten natuurlijk
bestaan in het verdeden van het leger, om daardoor Namen
geheel af te sluiten van het overige van het oorlogstooneel. De
gesteldheid van het terrein rondom de vesting bracht van zelf
mede, dat de belegeraar zijne macht splitste in drie groote
afdeelingen: eene voor de landstreek, van den linkeroever der
Sambre boven Namen, tot aan den linkeroever van de Maas be-
neden de stad; eene voor de landstreek tusschen Sambre en
Maas boven Namen, van den rechteroever van eerstgenoemde
Digitized by
Google
282 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
rivier tot aan den linkeroever der laatste ; en eene voor de land-
streek Le Condroz, op den rechteroever der Maas, van boven
tot beneden • Namen. Ziedaar de drie > kwartieren'*, waarin het
leger der bondgenooten zich splitste.
In het eerste kwartier, ten noorden van de stad en van Sambre
en Maas^ kwam Willem III zelf met 23 bataljons en 120 eska-
drons; hij had bij zich, als onderbevelhebbers, Holstein-PIön,
Athlone, Obdam, Tettau, Warfusé, Tilly, La Forest, De Hubert^
Ittersum, Salis en Fagel.
De landstreek tusschen Sambre en Maas, westelijk van bet
kasteel van Namen, werd bezet door den keurvorst van Beieren,
met 24 bataljons en 20 eskadrons. De Keurvorst had bij zich —
behalve Spaansche en Beiersche generaals en een Brandenburgsch
generaal — Coehoorn, de spil waarom de belegering heeft ge-
draaid.
Het kwartier van Condroz, op den rechteroever van de Maas,
werd bezet door Heyden en andere Brandenburgsche generaals^
en door den Luikschen generaal Berloo; hier legerden 10 batal-
jons en 60 eskadrons.
In het geheel maakt dit uit, 57 bataljons en 200 eskadrons.
Wij hebben echter gezien, dat er nog een aantal bataljons in
aantocht waren om het leger voor Namen te versterken; na de
komst van die versterkingen wordt dat leger geschat op 84
bataljons en 200 eskadrons, denkelijk een 80000 man. Men zal
echter zien, dat die sterkte nog al heeft afgewisseld ; — trouwens,
dit is een punt van ondergeschikt belang : als men het beleg van
eene vesting tot een goed einde brengt, dan is dit niet omdat
men die vesting belegert met honderd duizend man, maar
omdat men die vesting beschiet met honderd kanonnen.
Bij een beleg is de artillerie het beslissende wapen; en het is
voldoende als de getalsterkte van het voetvolk groot genoeg is
om de uitvallen tegen te gaan, en de verliezen te kunnen ver-
duren, die de bestormingen der aangevallen werken met zich
meebrengen. Nu was daarvoor de getalsterkte van het leger van
Willem III groot genoeg, al heeft dan ook de bestorming van
Namen 's vestingwerken vrij wat soldaten gekost.
Den 4en Juli had Willem III eene verkenning verricht van de
omstreken van Namen, en den aanleg gelast van de circumval-
latie- linie, een noodzakelijk versterkingsmiddel bij de belegeringen
van dien tijd. Terwijl de troepen hunne kampen opsloegen, werd
tevens gearbeid aan die circumvallatie-linie, die den 8sten of den 9en
Juli zoo goed als voltooid was. Van de Maas, een groote 2000 el
beneden Namen, was eene doorloopende verschanste linie, tot
nabij de beek van Vesdrin ; een klein gedeelte, bij die beek, was
niet verschanst, omdat men daar bosch had, dat men door
Digitized by
Google
NAMEN. 285
eenige verhakkingen onaanvalbaar maakte. Tusschen de beek
van Vesdrin en den linkeroever van de Sambre werd de land-
streek, voor de eerste helft, voorzien van eene verschanste linie ;
de tweede helft, sluitende aan de Sambre, was een uitgestrekt
bosch waarin verhakkingen werden gemaakt. De ruimte tusschen
Sambre en Maas was afgesloten, deels door verschanste liniën,
deels door verhakkingen in de vele bosschen die daar waren;
de circumvallatie-linie begon hier, van de Sambre nabij de abdij van
Maloigne, tot aan de Maas, een 3 k 4000 el boven Namen. Op
den rechteroever van de Maas, in Le Condroz, breidde de circum-
vallatie-linie zich uit, van het punt waar de linie tusschen Sambre
en Maas eindigde, tot het punt beneden Namen, waar de linie
op den linkeroever der Maas begon; die linie in Le Condroz
bestond, wat de westelijke helft aangaat, uit verhakkingen in de
uitgestrekte bosschen bij de abdij van Geronsart; de oostelijke
helft bestond uit verschansingen.
Drie bruggen maakten de gemeenschap uit tusschen de ver-
schillende deelen der circumvallatie-linie : eene over de Maas, be-
neden Namen, op het punt waar de verschansingen op de beide
oevers begonnen, eene over de Maas, boven Namen, tusschen
de verhakkingen in de bosschen van Geronsart op den rechter-
oever en de verschansingen op den linker-; en eene over de
Sambre, bij /a maison blanche^ geheel binnen de circumvallatie-linie»
Die drie bruggen waren gedekt door bruggenhoofden, of wat
daarvoor kon doorgaan. — Op het plan, bij het half officieel
verslag van het beleg, van onze zijde in 1696 in het licht ge-
geven, komt nog een tweede brug over de Sambre voor, een
groote 1000 el hooger dan »la maison blanche"; onwaarschijnlijk
is het bestaan dier tweede brug niet, daar de geringe breedte
van de Sambre het niet moeilijk maakte om haar te slaan.
Eene eigenlijke contrevallatie-linie, eene verschanste linie tegen
de vesting, werd niet aangelegd, hoezeer de sterkte der bezetting
van Namen wel eenige aanleiding gaf tot het aanleggen van zulk
eene linie. Men bepaalde zich diaartoe, met enkele redouten op
te werpen op hoofdtoegangen naar de stad; en met het maken
van eene verschanste linie tusschen Sambre en Maas, tegenover
de » linie van Vauban", en een groote 1000 el daarvan ver-
wijderd. Tevens werd het dorp Bouge in staat van verdediging
gebracht; — van de Fransche zijde trachtte men die laatste
werkzaamheid te belemmeren door kanonvuur uit het bastion
Balart.
Het zwaar geschut en het overige van het belegeringspark
moest in schuiten, of schepen, van Maastricht komen, de Maas
opvarende; daar de rivier toen niet veel water had, werd het
II Juli voordat dit park — en nog maar voor een gedeelte —
Digitized by
Google
284 KRIJGS- SN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
was aangekomen; het werd geplaatst op den linkeroever van de
Maas, beneden Namen, onmiddellijk nabij de circumvallatie-linie ;
ook de aangevoerde leeftocht kwam daar. Om die aanvoeren te be-
schermen tegen elke vijandelijke onderneming, werden 3 regi-
menten dragonders — twee Luiksche en een Brandenburgsch —
uit het leger afgezonden naar de zijde van Hoey én van Luik.
Een groot gedeelte van de ruiterij — 100 eskadrons, onder
Athlone — verliet op den 5en Juli de legerplaats voor Namen,
om zich bij den Piéton neder te slaan; die afzending van
Athlone*s ruiterij had het voordeel dat men daardoor vroeger
bericht kon krijgen van eene mogelijke nadering van Villeroy's
leger, en den marsch van dat leger kon belemmeren; maar
tevens zond men die ruiterij ook weg, omdat men er weinig
dienst van had vóór Namen, het moeielijk viel om dddr te voor-
zien in het onderhoud van zooveel paarden, en men aan den
Piéton meer fourages zou vinden.
Den loen Juli vereenigde Willem III de generaals in het dorp
Herpain op den rechteroever van de Maas; Herpain was het
hoofdkwartier van Heyden, den aanvoerder van de Branden-
burgsche troepen. Daar werd het belegeringsplan besproken, en
bepaald dat allereerst de stad Namen zou worden aangevallen,
en wel, evenals in 1692, aan de zijde van de poort Saint-Nicolas.
Eene loopgraaf, uitgaande van het dorp Bouge, zou op de hoogte
gericht worden op de verschansingen van Coquelet, en op het
bastion Balart; eene tweede loopgraaf zou, tusschen de hoogte
van Bouge en de Maas, uitgaan van het Jezuïeten-klooster, en
de werken naderen bij de poort Saint-Nicolas; aan de overzijde
van de Maas, op den rechteroever, zouden de Brandenburgers
hunne nadernissen maken tusschen de hoogte van Sainte-Barbe
en de rivier, en door het vuur van hunne batterijen die vesting-
werken van de stad teisteren, waartegen de nademissen op den
linkeroever waren gericht. Al dadelijk moesten de Brandenburgers
op de hoogte van Sainte-Barbe eene batterij voor 10 stukken
opwerpen, die van daar haar vuur zouden openen op het bastion
Balart, om daardoor het openen van de loopgraven op den lin-
ker Maasoever te beschermen.
Van de wijze van aanvallen van het kasteel van Namen werd
toen nog niet gesproken.
Alvorens verder te gaan, zal hier met een enkel woord de
vraag worden besproken : wie eigenlijk den gang der belegerings-
werkzaamheden tegen Namen heeft ontworpen en geleid?
Het staat vast, dat dit niet Willem III zelf is geweest : daar-
toe ontbrak het hem te veel aan de speciale kennis van den
ingenieur; zoo iets behoorde toen niet tot de vereischten van
Digitized by
Google
NAMEN. 285
een legerhoofd: Condé en Turenne hebben evenmin bewijs ge-
geven dat zij die kennis bezaten. Wat ook vaststaat, dat is, dat,
aanvankelijk, Coehoorn niet belast is geweest met de leiding
van het beleg, en dat, toen, de wijze van aanvallen te wenschen
heeft overgelaten; maar dat, later, Coehoorn wél die leiding
heeft gehad, en dat van dat oogenblik af alles uitmuntend is
gegaan. De vraag is nu maar: wanneer is Coehoorn met dat
opperste gezag bekleed geworden ; en wat heeft daartoe aanleiding
gegeven ?
Gosewijn Theodoor baron van Coehoorn zegt, in de levens-
schets van zijn beroemden vader, daarover het volgende: ...»De
heer Van Tettau, Grootmeester van de artillerie, en de heer
Dupui, Directeur-Generaal der fortificatiën, hadden het bestuur
over de aanvallen, die niet gelukkig slaagden; men verloor veel
volks, en men scheen niet veel te vorderen. Daar hij" (Coe-
hoorn) «dikwijls de werken bezocht en ze goed had beschouwd,
zeide hij, dat men op eene verkeerde wijze te werk ging, en
dat, als men zoo voortging, men de vesting nooit zou innemen;
hij was zoo vrij om dit herhaaldelijk te zeggen aan den Graaf
van Portland" (Bentinck) »die het ten laatste aan den Koning
zeide. Zijne Majesteit deed dadelijk een krijgsraad bijeen komen,
waarvan hij" (Coehoorn) ideel uitmaakte; hij hield zijne meening
vol tegen den geheelen krijgsraad, die de oude wijze van aan-
vallen voorgeslagen had; hij beweerde dat men een langdurig
en zeer moeielijk beleg moest vermijden, evenals het verlies van
een menigte officieren en soldaten, dat onvermijdelijk was bij
zulk een wijze van aanvallen; hij kende de vesting, vele harer
werken had hij gebouwd, en op grond daarvan gaf hij den raad
om de talrijke bezetting te doen vallen door een onophoudelijk
vuur van kanonskogels en van bommen, en onder begunstiging
van dat vuur de loopgraven vooruit te doen gaan.
Hier had hij het eerst de eer, bekend te worden bij den
Keurvorst van Beyeren; ziehier, hoe: toen die vorst, die den
krijgsraad bijwoonde, zag op welke wijze of hij sprak en zijne
meening uitte, werd hij dadelijk met hem ingenomen, en vroeg
hij den Koning, wie toch die wijsgeer was, die zoo ernstig
sprak; de Monarch antwoordde, dat die wijsgeer C... heette,"
(waarom of Gosewijn Theodoor hier den naam niet voluit schrijft,
behoort tot de geheimenissen van zijn stijl), »dat diezelfde wijs-
geer Namen zou doen vallen; de Koning voegde er bij, dat hij
hem van vroeger kende, van Maastricht, waar, onder de gansche
bezetting, geen officier was die hem evenaarde in dapperheid en
in kennis van de exercitiën. Sinds dien tijd was de Keurvorst
zeer met hem ingenomen, en heeft hem later altijd hoog geacht.
Na afloop van den krijgsraad gelastte de Koning aan den heer
Tettau, om in alles in overeenstemming met hem" (Coehoorn)
Digitized by
Google
286 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
»te werk te gaan; maar daar kwam niets van. Eens, dat een
bestorming naar de zijde van Coquelet en de poort Saint-Nicolas
met verlies was afgeslagen en de Koning zeer ontstemd was over
dien tegenspoed, zeide de Keurvorst aan Zijne Majesteit: dat
men Coehoorn moest laten begaan; dat, liet men hem vrij han-
delen, in weinig tijds, in minder dan tweemaal vier en twintig
uren, de stad zou vallen; dat hij dit verzekerde en zelfe zijn
hoofd er onder verbeurde, mits men maar de wijze van aanvallen
veranderde naar zijne inzichten. De Koning antwoordde, dat
men hem pas verzekerd had, dat hij er zich niet meê wilde
moeien; en dat hem dit gezegd was, door den heer Tettau zelf,
wien hij gelast had hem in alles te raadplegen." (Als men vitten
wil op den stijl van Gosewijn Theodoor, dan kan men aanmer-
ken, dat het niet altijd duidelijk is wie met them" of met >hij"
wordt bedoeld ; men moet dit raden uit de toedracht van zaken),
t Daarop werden beide ontboden. Den heer Tettau werd ge-
vraagd, of hij, zooals gelast was, alles in overeenstemming met
den anderen had gedaan; het antwoord was, dat hij hem, door
een ordonnans te paard, 'sKonings bevel had toegezonden; dit
werd erkend, maar er werd bijgevoegd, dat hij herhaalde malen
voorstellen, met redenen omkleed, aan Tettau had gedaan, zon-
der dat deze daarnaar had willen luisteren, of daarover in bijzon-
derheden had willen treden; waarop de Koning zoo driftig werd,
dat hij Tettau harde verwijten toevoegde, en hem beval zich niet
meer te moeien met het beleg, en het geheele beleid daarvan
aan hem gaf" (hier is »hem", Coehoorn), met last om in de
aanvalswerken al die veranderingen te maken, die hij dienstig
achtte; dit deed hij, en in minder dan tweemaal vier en twintig
uur, sloegen de belegerden de Chamade en gaven de stad over."
(Sijpestein's uitgave van »het leven van Menno baron van Coe-
hoorn, beschreven door zijnen zoon Gosewijn Theodoor baron
van Coehoorn;" blz. 12 — 13).
In dat levensverhaal dat Gosewijn Theodoor van zijn vader
geeft, en dat, natuurlijk, niet spaarzaam is aan loftuitingen, door
kinderliefde ingegeven, — komen soms onnauwkeurigheden voor,
en men kan er niet ten volle op vertrouwen ; in hoofdzaak schijnt
echter de voorstelling, hoe Coehoorn belast werd met het uit-
sluitend beleid over de belegering, waarheid te zijn, en deze
wordt dan ook algemeen als zoodanig aangenomen. In hoofd-
zaak, zeggen wij; want in enkele bijzonderheden is het verhaal
onnauwkeurig: daarin wordt het voorgesteld, alsof, dadelijk na
een mislukten storm, Coehoorn met het bevel over den aanval
werd bekleed, en de stad zich twee dagen later overgaf; dit is
onjuist; die mislukte storm heeft plaats gehad op den 2 7 sten Juli,
en pas den 3en Augustus werd op de wallen van Namen de
Chamade geslagen; er heeft nog wel een latere storm plaats ge-
Digitized by
Google
NAMEX. 287
had, op den 2en Augustus; maar die is niet mislukt, en is voor-
namelijk oorzaak geweest dat de stad zich den volgenden dag
overgaf.
Het komt ons voor, dat de zaak zich zóó heeft toegedragen:
van den beginne aan heeft Coehoorn het opperbeleid gehad, of
de eerste viool gespeeld, over de genie-werkzaamheden aan de
Sambre, tusschen die rivier en het hoogere gedeelte van de Maas,
alsmede over de werken der Brandenburgers op den rechteroever
dier rivier. De aanvallen naar de zijde van de poort Saint-Nicolas
en op Coquelet, schijnen ontworpen en bestuurd te zijn geweest
door Dupui, den inspecteur-generaal van fortificatiën, en Tettau,
den opperbevelhebber der artillerie. Kort vóór de overgave van
de stad Namen ontving Dupui de wonde, waaraan hij weinig
tijds daarna overleed; Tettau schijnt toen ook op zij te zijn ge-
schoven, en door Coehoorn vervangen. De Merveilleux — een
van de ingenieurs der Republiek, die de belegering van Namen
bijwoonde — heeft daarover reeds in 1695 een werkje uitge-
geven yjla Campagne de Natuur*"* ; daarin leest men (blz. 84), dat,
na de overgave der stad, »Sa Majesté" (Willem III) »pleinement
persuadée de la parfaite sufüsance et habileté du Général-Major
De Coehorn, Colonel d'un regiment d'infanterie hoUandaise,
rhonnora de la charge de Lieutenant Général, en lui remettant
en me me tems la direction absolue de tous les travaux qui se
devoient faire devant cette forteresse ; il fut seconde par les soins
infatigables du Colonel Tobias Reinard et du Lieutenant-Colonel
Vleugel, principaux directeurs des approches.'*
Het is ons voornemen niet, dag voor dag het beleg van Namen
te beschrijven, iedere schermutseling te vermelden, de weder-
zijdsche verliezen op te geven, elke batterij te noemen die opge-
worpen werd, en bij elke nadernis te zeggen hoeveel ellen loop-
graaf men telkens vooruitkwam- Gold het een hedendaagsch
beleg, dan zouden al die bijzonderheden een wetenschappelijk
belang kunnen hebben; dat belang is er niet bij een beleg van
de zeventiende eeuw. Daarom zullen wij er ons toe bepalen, met
alleen in groote trekken te schetsen hoe Namen in 1695 ge-
wonnen werd, en ons alleen ophouden bij de voornaamste wapen-
feiten die toen het beleg van die vesting hebben gekenmerkt.
In den nacht van den 11 en op den i2en Juli worden de loop-
graven geopend op de hoogte van Bouge, uitgaande van het
dorp en gericht op Coquelet; eerst twee dagen later, in den
nacht van den ijen op den 1460, begint men de nadernis tus-
schen de hoogte van Bouge en de Maas; die nadernis gaat uit
van het klooster der Jezuïeten. Aan den overkant van de Maas,
op den rechteroever, hebben de Brandenburgers reeds den i2en
Juli, van enkele batterijen op de hoogte van Sainte-Barbe, het
Digitized by
Google
288 KKUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
vuur geopend op hel bastion Balart en op de werken bij de
poort Saint-Nicolas^ aan den overkant van de rivier; hier worden^
langs de Maas, ook loopgraven geopend in de richting van de
voorstad van Jambe, aanvankelijk van beneden, later ook van
boven van die voorstad. Die beide nadernissen van de Branden-
burgers langs de rivier zijn later zoo wat tegenover Jambe, met
elkander in verbinding gebracht.
De batterijen, zoo bij den aanval van de Brandenburgers, als
bij die op den linker Maasoever, namen dag aan dag toe. In
de yyRelatim de la Campagne de Flandre et du siège de Namur en
rannée 1695" — een half-officieel werk, in 1696 uitgegeven in
Den Haag bij y^Henry van Bulderen^ marchand-libraire^ dam Ie
Vooten^ il Penseigne de Mezeray — komen al die batterijen voor,
op het plan van het beleg; en in de uitlegging wordt zelfs ge-
zegd : yjbatteriei de canon d'^autant de pièces qu*<m y voit d^ embra%ure%
marquéi'* ; en : ^atterie% de mortiers d^autant de pièces qiiil y a de
poinis marquéi^ Dat is zoo nauwkeurig als het maar kan^ — zal
men zeggen; — dat is ook zoo, maar — daar is een tmaar"
bij. Vooreerst vordert het een goed gezicht, die klein geteekende
schietgaten te onderscheiden, en te tellen; en ten tweede weet
men dan nog niet, hoeveel van die batterijen gelijktijdig in
werking zijn geweest; alle, zeker niet; de vuurmonden zijn van
de eene batterij overgebracht op de andere; want alleen op den
rechteroever van de Maas, bij den aanval van de Brandenburgers,
telt men, in het geheel, 80 k 90 kanonnen en mortieren ; en zóó
sterke artillerie is daar stellig niet in werking geweest.
De Fransche opgaven spreken er hunne verwondering over
uit, dat een leger van 80000 man, aan de onbeduidende ver-
schansingen bij Coquelet zooveel gewicht heeft gehecht, om ze
geregeld te belegeren. Wij hebben reeds vroeger gezegd, dat het
van den belegeraar een misslag is geweest, zijn aanval ook op
die verschansingen te richten; hij had zich daarmee niet moeten
ophouden, maar uitsluitend moeten aanvallen op het terrein tus-
schen de hoogte van Bouge en den linker Maasoever; drong de
belegeraar aan die zijde door tot aan de vestingwerken der stad
bij de poort Saint- Nicolas, dan zouden de buitenlinie van de vier
lunetten, en de verschansingen van Coquelet, van zelf moeten
vallen; de rechtstreeksche aanval op die buitenlinie was een
onnoodige verspilling van tijd, werk, munitie, — en vooral van
menschenlevens.
Het was dus niet noodig om de verschansingen bij Coquelet
aan te vallen; — maar, moesten zij aangevallen worden, dan
gebood de voorzichtigheid om dit op eene geregelde wijze te
doen; dadelijk een stormaanval te ondernemen, zou denkelijk
eene nederlaag, of eene zeer duur gekochte overwinning ten
Digitized by
Google
NAMKN. 289
gevolge hebben gehad. Want die verschansingen bij Coquelet,
onbeduidend op zichzelve, waren sterk omdat zij verdedigd
werden door goede troepen, die telkens ondersteund konden
worden door de bezetting van Namen. Boufflers had ingezien,
welk een voordeel het voor de Franschen was om den vijand
hier lang tegen te houden; daarom werden er al dadelijk, be-
halve de gewone bezetting van Coquelet, 4 bataljons ter be-
schikking gesteld van Reignac; die macht vermeerderde gaande-
weg, zoodat bij eene beslissende gelegenheid, bij Coquelet 8
Fransche bataljons waren; 10, volgens ééne opgave. Het terrein
aldaar was om zoo te zeggen een verschanst slagveld geworden,
waar dagen lang de wederzijdsche legers den strijd voerden;
Boufflers, Guiscard waren herhaaldelijk aldaar; want de Fransche
aanvoerders namen uitmuntend den plicht van een aanvoerder
waar, om in de gevaren te deelen van hunne soldaten.
Herhaaldelijk doen de Franschen uitvallen naar de zijde van
Bouge, en naar de aanvalswerken op den lagen grond tusschen
den linker Maasoever en de hoogte van Bouge. Die uitvallen
hebben het gewone gevolg: zij worden afgeslagen, maar ver-
tragen de werken van den belegeraar ; de verliezen van de beide
partijen worden, naar gewoonte, verschillend opgegeven, maar
schijnen elkander niet veel te hebben ontloopen; aan de Hol-
landsche zijde wordt onder de gewonden genoemd generaal
Fagel, — een naam, roemvol prijkende zoowel in onze militaire
als in onze staatkundige geschiedenis.
De nadernissen der bondgenooten, op de hoogte van Bouge
en aan den voet dier hoogte, gaan intusschen vooruit, en gedurig
worden daar nieuwe batterijen opgeworpen. Hetzelfde doen de
Brandenburgers op den rechter Maasoever; hunne batterijen
teisteren de vestingwerken bij Saint-Nicolas aan den overkant
van de rivier, en schieten bres in de rechterflank van het bastion
Balart. — Op een geheel ander punt, op de hoogten op den
linkeroever van de Sambre, tegenover de abdij van Salsine, doet
Coehoorn batterijen opwerpen, bestemd om door haar vuur,
later, den overgang van die rivier te beschermen.
Zoo gingen de zaken voort, tot den i8en Juli; dien dag had-
den er twee belangrijke gevechten plaats.
Het eerste viel voor bij de voorstad Jambs, op den rechter
Maasoever; hier deden de Franschen een uitval tegen de nader-
nissen nabij de rivier, bovenwaarts van de voorstad; die uitval
is geslaagd. Om twee uur des namiddags viel Grammont uit
Jambe, met eene macht die door ons op een 1200 man, door
de Franschen op bijna 1000 wordt begroot. Begunstigd door de
WILLEM iir. — III. 19
Digitized by VjOOQIC
290 KRIJGS- EM GBSCHIEDKUKDIGE BESCHOUWINGEN.
hopvelden (Jtoublonnières) die hen verborgen voor het gezicht van
den vijand, slopen 200 Fransche grenadiers langs den oever de
Maas hooger op. om, op een gegeven sein, aan alle kanten
hunne granaten te werpen in de loopgraven van de Branden-
burgers; de grenadiers werden gevolgd door 500 man gewoon
voetvolk^ die de loopgraven rechtstreeks moesten aanvallen, ter-
wijl eindelijk 250 dragonders, dadelijk na het verlaten van Jambe,
ijlings moesten rennen naar het punt waar de loopgraaf van de
Brandenburgers aanving, om hun den terugtocht af te snijden.
Volgens de Fransche opgaven gelukte die onderneming vol-
komen, en konden, van de 1000 man die in de loopgraaf waren,
slechts 180 zich redden; het verlies van de Brandenburgers zou
dus een 800 man zijn geweest. Onze opgaven verminderen dat
verlies tot op 250 man, en beweren dat ook het verlies van de
Franschen gevoelig is geweest. De uitvallende troepen werden
weder teruggedreven binnen Jambe^ maar niet dan nadat zij de
loopgraven van den belegeraar voor een deel hadden geslecht.
Bioediger en belangrijker was de strijd die, op den avond van
denzelfden dag^ plaats had op de hoogte van Bouge, bij het
bestormen en nemen van de verschansingen van Coquelet.
Zeven uur 's avonds was bepaald als de tijd voor die bestor-
ming, dus nog op klaarlichten dag. Voorop zouden gaan 800 Hol-
landsche en Engelsche grenadiers; zij stonden daartoe verdeeld in
8 kleine afdeelingen, zich uitbreidende^ links van nabij het dorp
Bouge, tot rechts, niet ver van Coquelet. B^n 20 è. 30 pas achter
de grenadiers waren 8 è, 900 schansgravers bestemd om, dadelijk
na het gelukken van den storm, borstweringen te maken tot
dekking van de bestormers; bij die schansgravers was Dupul»
met 22 ingenieurs; 10 hunner zouden dadelijk vooruitgaan met
de bestormers; de 12 anderen, onder De Merveilleux, als reserve
achterblijven. Dan kwamen 16 Engelsche en HoUandsche batal-
jons; de HoUandsche bataljons, onder Salis, Friesheim en Heu-
kelom, zouden aanvallen aan de zuidzijde, de Engelsche batal-
jons, onder Ramsay en Cutts, aan de noordzijde van Coquelet.
Achter die infanterie stond La Forest met 12 of 13 eskadrons;
ieder ruiter was voorzien van fascinen, om die aan te brengen
waar dit noodig was. Aan de rechterzijde van die bestormende
macht stond nog eene kleine afdeeling voetvolk en ruiterij, om
eiken flankaanval te kunnen tegengaan; aan de linkerzijde was
zulk een flankaanval niet te duchten. Tettau had het bevel over
de geheele aanvallende macht, die door de Fransche schrijvers
begroot wordt op een 15000 man; — veel overdrijving is er
denkelijk niet in die begrooting.
De verdediger, voor wien de toebereidselen tot de i>estorming
niet verborgen konden blijven, had Bouflüers kennis gegeven van
Digitized by
Google
NAMEN. 291
den nabijzijnden strijd; de Maarschalk, die toen in de voorstad
van Jambe was, zond Grammont ijlings met eenige bataljons
naar Coquelet; en kwam later in persoon ook aldaar. In het
half officieele verslag van het beleg, van onze zijde uitgegeven,
wordt de Fransche krijgsmacht bij Coquelet toen geraamd op
8 bataljons voetvolk, eene afdeeling dragonders, en al de grena-
diers van de bezetting; De Merveilleux spreekt van 10 bataljons.
De strijd, om zeven uur 's avonds aangevangen, eindigt om tien
uur; toen wijken de Franschen binnen den bedekten weg van
Namen, en blijven de bondgenooten meester van de verschan-
singen van Coquelet.
Met afwisselende kansen was die strijd gevoerd. Aanvankelijk
had een der bommen van den belegeraar de munitie van den
belegerde, in een klein magazijn geplaatst, doen springen; Bouf-
flers deed, om dit ongeval te verhelpen, munitie aandragen uit
Namen. Reignac had in een gedeelte van de borstwering een
veertigtal bommen doen ingraven ; toen de bestormers die borst-
wering beklommen, werden de bommen ontstoken ; en het sprin-
gen bracht bij de bondgenooten zooveel verliezen en verwarring
teweeg, dat Reignac, op zijn beurt aanvallende, hen een aanmer-
kelijk eind weegs terugdreef; de dappere Fransche bevelhebber
werd echter spoedig weer teruggeworpen, en moest ten laatste
den strijd opgeven.
Groot waren, aan weerszijden, de verliezen: De Quincy schat
die der bondgenooten op 4000 man aan dooden en gewonden,
en die der Franschen op 15 ^ 1600; een andere Fransche op-
gave zegt, dat de bondgenooten 1800 man aan dooden, 1500
aan gewonden verloren, en verkleint het eigen verlies tot op een
800 man. De opgaven van onze zijde zijn hiermede in strijd:
het half officieele verslag zegt, dat van de Fransche troepenmacht
bij Coquelet de helft is verloren gegaan, terwijl het verlies van
de bondgenooten een 1000 èi 1200 man heeft bedragen; De
Merveilleux stelt óns verlies op een 1400 man; de Franschen
— zegt hij — geven hun verlies op als een 800 man; maar het
is wel 1800 man geweest — Men ziet dus, dat er weer onzeker-
heid is omtrent het cijfer der verliezen.
Maar wat niet onzeker is geweest, dat is de uitstekende dap-
perheid, aan weerszijden betoond ; daaromtrent zijn alle berichten
eenstemmig, dat hier goede troepen hebben gestreden, aangevoerd
door goede bevelhebbers. De legerhoofden zelve waren, om zoo
te zeggen, op de strijdplaats : aan de eene zijde was Boufflers
ijverig in de weer, om Fransche soldaten, >die met te veel over-
haasting teruggingen''^ weer vooruit en in gevecht te brengen;
en aan de andere zijde waren Willem III en de keurvorst van
Digitized by
Google
292 KRIJGS' EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Beieren, geharnast, op de strijdplaats om de handelingen der
hannen te bestaren. Zulke aanvoerders zouden elke zwakheid
der strijders onverantwoordelijk hebben gemaakt; die zwakheid
is dan ook nergens gebleken; integendeel, er was heldenmoed
aan weerszijden. De Merveilleux zegt, dat de Franschen den
aanval der onzen hebben afgewacht tmet groote dapperheid"
(avec heaucoup de fierti) ; en Willem III, die voor zijn leger altijd
veel guller is geweest met blaam dan met lof, laat toch, in het
onder zijn toezicht geschreven verhaal van het beleg, het vol-
gende zeggen, over het gedrag van de Engelsche en Hollandsche
troepen bij dezen storm:
» Le Roi füt tres satisfait du courage et de la conduite de ses
troupes, dans cette action. Aussi peut- on dire qu'il ne s'est jamais
rien vü de plus vigoureux. Des gens k découvert, tambour Mtant,
attaquer leurs ennemis derrière un retranchement bien palissade,
sans craindre ni la mousqueterie, ni l'éclat des grenades et des
bombes, ni le fracas horrible des canons, des fourneaux et des
fougades" (fougasses ?), »pousser Tennemi Tépée dans les reins,
jusques dans la pallissade de la contrescarpe de la place, est une
action de bravoure qui a tres peu d'exemples." {Relation de la
Campagne de Flandre^ en Vannée 1695,* — blz. 23).
Om de kracht van de uitdrukking niet te verzwakken, nemen
wij deze plaats uit dat werk onvertaald over. Wij gelooven dat
het onbetwistbaar is, dat die bestorming der verschansingen van
Coquelet op den i8eii Juli 1695 roemvol is geweest voor de
Hollandsche wapens ; — wij moeten er echter bijvoegen, dat het
een noodeloos wapenfeit is geweest; dat men, ook zonder
die bestorming, de stad Namen had kunnen doen vallen. Eene
Fransche opgave legt — » denkelijk ten onrechte — Willem III
de woorden m den mond: »dat de strijd bij Coquelet meer had
van een veldslag dan van een schermutseling, en dat nooit een
duiventil met grooter dapperheid is verdedigd en aangevallen" ; —
het is niet waarschijnlijk, dat de Stadhouder op zoo verkleinenden
toon heeft gewaagd van die verschansingen bij Coquelet; maar
d^t is zeker, dat de Franschen een blijk van bekwaamheid heb-
ben gegeven met het verdedigen van die verschansingen,
de bondgenooten echter geen blijk van bekwaamheid met het
aanvallen: men had die duiventil ongemoeid moeten laten;
Namen zou dan vroeger zijn bezweken, en met minder opofferingen.
Van Maastricht kwam, den i9en Juli, weer een groot aantal
kanonnen en mortieren voor den belegeraar aan ; die vuurmonden
kwamen in vaartuigen de Maas op ; eenigen tijd was er te weinig
water in de rivier, en moest dus een deel van het belegeringspark
over land worden aangevoerd. Maar, over land of over water
gekomen, het belegeringsgeschut was er, en werd dan ook op
Digitized by
Google
NAMEN. 293
krachtdadige wijze aangewend tegen Namen. Op den rechter-
oever van de Maas vooral waren de batterijen der Brandenbur-
gers zeer werkzaam: zij maakten aanmerkelijke bressen in de
stadswallen aan de overzijde van de rivier^ met name ook in de
rechterface van het bastion dat onmiddellijk aan de Maas sluit,
en vandaar soms genoemd wordt „bastion de la Meuse\ soms ook
yjbaztim Saint-Nkolai'' ^ naar de zich daar dichtbij bevindende
poort van dien naam; ook in de kleine contregarde vóór dat
bastion Saint-Nicolas, schoten de Brandenburgsche batterijen
bres; en ten laatste vernielden zij ook, — maar met veel
moeite en veel tijdverlies — den stevigen steenen beer, die het
water van de hoofdgrachten van Namen belette af te loopen in
de Maas. 1
De voorstad van Jambe, te veel geteisterd door het geschut-
vuur van de bondgenooten, werd den 2osten Juli door de Fran-
schen ontruimd, na haar, gedeeltelijk, in brand te hebben ge-
stoken; ook de daar aanwezige brug vernielden zij. Coehoorn
deed toen Jambe bezetten, en dddr de beide nadernissen ver-
eenigen, die, langs de Maas, boven en beneden Jambe, op die
voorstad waren gericht geweest.
Op de hoogte van Bouge, en beneden die hoogte langs de
Maas, gingen de loopgraven van den aanvaller steeds vooruit;
het bastion Balart werd weldra daardoor omgeven, en zoo goed
als afgesneden van de stad; en toen de mineurs van den be-
legeraar zich begonnen in te graven aan de saillant van het
bastion, achtte de Fransche bevelhebber verderen wederstand
ondoenlijk, en gaf zich over, in den ochtend van den 26sten Juli,
met zijne bezetting van 4 officieren en 51 soldaten. De belege-
raar zette zijne nademissen toen alleen voort in den lagen grond
tusschen het bastion Balart en de Maas, naar de poort Saint-
Nicolas ; alleen d^r — begreep hij nu — moest de stad Namen
worden aangevallen; — hij had dit van den beginne aan moeten
begrijpen.
Een hevig en onverpoosd geschutvuur, ook van worpgeschut,
werd door den belegeraar gericht op het front van Saint-Nico-
las; de Franschen, voornemens aldaar binnen verschansingen te
maken, moesten, door 's vijands vuur, van dat voornemen afzien.
Natuurlijk werden de vorderingen van de bondgenooten gekocht
met verliezen, teweeggebracht door het vuur en de kleine uit-
vallen uit Namen; twee HoUandsche regimenten — Salis en
Lottum — die bij de bestorming van den i8en Juli zeer groote
verliezen hadden geleden, werden door Willem III naar Maas-
tricht teruggezonden, en vervangen door twee andere regimenten
— Dutheil en Anhalt — in die vesting in bezetting.
Digitized by
Google
294 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Den 2 7 «ten Juli heeft er weer een belangrijke en bloedige strijd
plaats, tusschen aanvaller en verdediger. Die strijd is tweeledig:
aan de eene zijde wordt de bedekte weg voor hel front van
Saint-Nicolas bestormd; en aan de andere zijde de overgang
ondernomen van de Sambre bij La Balance, Die laatste onder-
neming is volkomen gelukt ; de eerste is, voor de bondgenooten,
meer nederlaag geweest dan overwinning, in weerwil van de
schitterende dapperheid, ook hier ten toon gespreid door de
bataljons van Willem III.
Om vijf uur des namiddags zou de bestorming plaats hebben
bij Saint-Nicolas: 8 bataljons waren daartoe bestemd, voor de
eene helft Engeïschen, voor de andere helft Hollanders; de
eerste onder Ramsay en Hamilton, de tweede onder Lindeboom
en Friesheim; die bataljons zouden voorafgegaan worden door
6oo grenadiers, ook voor de helft Engeïschen en Hollanders,
en door 6oo schansgravers, in zes afdeelingen gesplitst, elk
aangevoerd door ingenieurs. Dupui, de directeur-generaal van for-
tificatiën, was hier aanwezig om de genie-werkzaamheden te leiden.
De Engeïschen, den rechtervleugel uitmakende, snellen, in
weerwil van het moorddadig vuur des vijands, naar den bedekten
weg, verdrijven den vijand van daar, en beginnen zich toen in
te graven op de kruin van het glacis; wolzakken, fascinen en
schanskorven worden daarbij aangewend; maar door een toeval
geraken deze in brand, en wordt daardoor de pas opgeworpen
borstwering weer voor een deel vernield. Toch bleven de Engeï-
schen standhouden, met die hardnekkige dapperheid die hun
landaard eigen is; het geschutvuur uit de werken van Saint-
Nicolas en uit het bastion Saint-Fiacre maakte zulke verwoes*
tingen in hunne rijen, dat zij — naar eene Fransche opgave —
» zeker zouden zijn teruggegaan, wanneer niet de hoofden der
bondgenooten de voorzorg hadden genomen om hunne soldaten
vóór den storm dronken te maken met brandewijn"; — eene
onwaardige beschuldiging, die bij meer dan één wapenfeit is
ingebracht, om den roem van 's vijands dapperheid te verduis-
teren. Hoe het zij, de Engeïschen herstelden die half afgebrande
borstwering, en bleven op het glacis; hoewel dit hun zware ver-
liezen kostte, en het hun onmogelijk was om door te dringen
in den bedekten weg.
Links van de Engeïschen, naar de zijde van de Maas, waren
de Hollandsche bataljons onmiddellijk langs den oever van de
rivier doorgedrongen, en hadden de bres bereikt in de rechter-
face van de contregarde vóór het bastion Saint-Nicolas; hier
vielen zij aan met eene veerkracht, die hun Engeïschen wapen-
broeders eenigszins ten goede kwam: de Franschen, zich nu
vooral bezig houdende met de Hollandsche bataljons, werden
daardoor afgeleid van den kamp tegen de Britten. Het is
Digitized by
Google
NAMEN. 295
ondoenlijk om een juist en nauwkeurig verslag te geven van wat
de troepen van Lindeboom en Friesheim hier hebben verricht:
onophoudelijk werpen van granaten; geweervuur; geschutvuur,
uit de vesting; kleine mijnen, die de Franschen laten springen;
voortdringen van de Hollanders het eene oogenblik, hun terug-
werpen door de verdedigers het andere oogenblik; dat alles
wisselt elkander herhaaldelijk af, gedurende de vier of vijf uren
dat hier werd gestreden. Toen, om tien uur 's avonds, de be-
storming geheel had opgehouden, waren de Hollanders meester
gebleven van de saillant der contregarde, waar zij zich ingroeven ;
evenzoo hadden zij ingravingen gemaakt op een klein gedeelte
van het glacis nabij de Maas; terwijl ook de Engelschen bleven
standhouden in hunne ingraving op het glacis. Dit was alles wat
men door de bestorming had verkregen; eene onbeduidende
uitkomst, volstrekt niet beantwoordende aan wat men had ge-
hoopt en verwacht; het was — wij herhalen het — voor de
bondgenooten meer nederlaag dan overwinning.
Vooral moet men van eene nederlaag spreken, als men let op
de verliezen van de bondgenooten bij die bestorming: om een
onbeduidend deel van het glacis bij Saint-Nicolas te winnen,
waren stroomen bloeds vergoten. Volgens Dt Quincy zou die
bestorming aan de bondgenooten hebben gekost, een 3000 man
aan dooden en gewonden, terwijl het verlies van de Fransche
troepen daarentegen niet meer dan een 4 k 500 man zou heb-
ben bedragen. Nu is De Quincy geen zeer betrouwbaar schrijver,
en men behoeft de cijfers die hij hier opgeeft, niet als waar aan
te nemen; daarin is stellig overdrijving; — maar evenzeer is er
overdrijving, wanneer in het half officieele verhaal, van de zijde
van Willem III afkomstig, de verliezen van de bondgenooten
als weinig beduidend worden opgegeven, wanneer gezegd wordt,
dat maar een 40 k 50 Engelschen sneuvelden, toen zij hunne
half vernielde ingraving herstelden; en dat 3 k 400 man dooden
en gewonden het geheele bedrag is van wat de bestorming heeft
gekost. De Merveilleux stelt het verlies van de bondgenooten bij
dien storm op een 600 man aan dooden en gewonden ; dit cijfer
komt denkelijk de waarheid meer nabij. 8 ingenieurs waren ge-
sneuveld, 15 gewond; onder de laatste behoorde Dupui, die
aan zijne wonden overleed. Onder de gesneuvelden was de
overste Veleveld, van het regiment van Heiden; onder de ge-
wonden de overste Labadie, die de Hollandsche grenadiers had
aangevoerd.
Dat Willem III aan den strijd deelnam en zijn leven in gevaar
stelde, behoeft niet gezegd te worden: dat was de gewone gang
van zaken ; daarin was niets opmerkelijks. Wat echter wél opmer-
kelijk was, dat is, dat Godfrey Rich, het hoofd van de eerste
Digitized by
Google
296 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Londensche bank, naast hem in de loopgraaf door een kanons-
kogel werd gedood; Rich was in het leger voor Namen ge-
komen, om met den Koning over geldzaken te spreken, en had,
zeer tegen den zin van Willem III, ooggetuige willen zijn van
de bestorming. Van Eek, een luitenant van de garde, verloor
een arm door denzelfden kogel die den Engelschen bankier had
gedood.
Ook hier wordt, in het half officieel verhaal, de dapperheid
geprezen van de troepen van Willem III: >men kan geen lof
genoeg geven aan den moed en onyerschrokkenheid door onze
infanterie hier betoond." {Campagne de 1695, blz. 27); en verder
wordt nog gezegd, dat tde Engelsche en de Hollandsche grena-
diers zich daar schitterend hebben onderscheiden" (blz. 28). Van
de verdediging wordt gezegd: >wat het merkwaardigst is geweest
bij de verdediging door den belegerde, dat is, dat eenige offi-
cieren, om hunne soldaten aan te moedigen, zich met den degen
in de hand, geheel zonder beschutting, vertoonden op het glacis
van den bedekten weg; en dat dertig k veertig man zich ook
geheel onbedekt plaatsten boven op het halve bastion, om de
bres van de contregarde te verdedigen; maar, ddt uitgezonderd,
is hunne verdediging noch zeer krachtig, noch zeer hardnekkig
geweest" (blz. 28). — Die laatste uitdrukking laat geen recht
wedervaren aan de troepen van Boufflers: eene verdediging, die
den vijand geheel tegenhoudt en hem groote verliezen toebrengt,
mag wel degelijk krachtig en hardnekkig worden genoemd.
De andere onderneming van de bondgenooten op den 2 7 sten
Juli, werd bekroond met een beslissend voordeelige uitkomst;
die uitkomst hebben zij te danken gehad, zoowel aan hun eigen
beleid en veerkracht, als aan de misslagen en verkeerde hande-
ling van Namen's verdedigers.
Het gold hier, voor de bondgenooten, om bij La Balance en
de abdij van Salsine over te gaan op den rechteroever van de
Sambre. Voor die onderneming waren aanvankelijk bestemd een
groote 1200 man, grenadiers en musketiers; voor de eene helft
troepen van den keurvorst van Beieren, voor de andere helft
Hollandsche troepen. Korten tijd nadat de bestorming bij Saint-
Nicolas is begonnen, zakken vier vaartuigen der bondgenooten
de Sambre af; die vaartuigen, ter verdediging ingericht, — hoe,
wordt niet gezegd — , hebben een 150 musketiers aan boord;
nabij La Balance springen die musketiers op den rechteroever
aan wal, vallen dat versterkte huis aan, en verdrijven, na een
onbeduidenden tegenstand, de Fransche bezetting, die de wijk
iieemt naar het kasteel. Met de vier vaartuigen wordt toen dade-
lijk, bij I^ Balance, een brug geslagen over de Sambre; de
aangewezen troepen trekken daarover, verschansen zich op den
Digitized by
Google
NAMEN. 297
rechteroever, en worden later nog gevolgd door eenige ruiterij.
Van uit het kasteel heeft men dien rivierovertocht gezien, en
heeft men dadelijk Boufflers gewaarschuwd; deze snelt uit de
stad naar het kasteel, maar doet niets om den vijand weer terug
te werpen achter de Sambre; integendeel, hij gelast de ontrui-
ming van de abdij van Salsine, die daarop dadelijk wordt bezet
door 100 man van den Keurvorst. — De geheele onderneming
heeft aan de bondgenooten maar een verlies van een 40 man
gekost.
Hier is aan de Fransche zijde ontegenzeggelijk een groote
misslag begaan.
Die > linie van Vauban", die zulk een groote sterkte had waa-
neer zij in front werd aangevallen, verloor alle waarde wanneer
de vijand haar aanviel aan de keelzijde; daarom moest dat
laatste belet worden \ daarom moest den belegeraar belet worden
om, bij La Balance en Salsine, over te gaan op den rechteroever
van de Sambre; — en het voornemen van de bondgenooten om
hier de rivier over te gaan was eenigszins gebleken door het
aanleggen van batterijen op den linkeroever, tegenover Salsine
en La Balance: vijf batterijen, volgens De Merveilleux; op het
plan van de belegering in de „Campagne de 1695" komen er
maar vier voor.
Boufflers schijnt eenigszins het belang te hebben ingezien, van
aan den belegeraar hier den overgang van de Sambre te betwis-
ten; vandaar het bezetten van La Balance en van de abdij van
Salsine; — maar dat was niet genoeg, dat was veel te weinig,
dat was eene onbeduidende verdediging tegen een aanval die
zoo beslissende gevolgen kon hebben. Men had hier veel sterkere
macht moeten aanwenden; men had, door ingravingen of door
kleine schansen. La Balance en Salsine in verband moeten bren-
gen met het kasteel, of met zijne voorliggende werken; men had
gereed moeten zijn om den belegeraar, als hij hier de rivier
overging, dadelijk aan te vallen en terug te werpen; men had,
in één woord, de Sambre hier moeten verdedigen op dezelfde
uitmuntende wijze als men de verschansingen bij Coquelet ver-
dedigd heeft; — en die verschansingen waren daarvoor veel
minder gunstig dan de rivier.
De verdediging van Namen door Boufflers, is, over het geheel,
zeer goed geweest; — maar die zwakke verdediging van de
Sambre kan met volle recht als eene beschuldiging worden
ingebracht tegen zijn beleid. In het Fransche y^Journal du siège de
Namur''* (blz. 98 — 99) komt iets voor, wat naar eene veront-
schuldiging zweemt: tmen had den overtocht van de Sambre
kunnen betwisten aan den vijand; maar de troepen waren zóó
vermoeid, dat wanneer zij een échec hadden geleden, het onmo-
Digitized by
Google
298 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
gelijk ZOU zijn geweest om het kasteel te verdedigen." Die ver-
ontschuldiging beduidt niets: het is niet met vermoeide troepen
dat men de Sambre moest verdedigen, maar met troepen, uit-
sluitend voor die taak bestemd, en dus nog niet vermoeid door
den strijd op een ander gedeelte van de vesting; daarvoor was
de bezetting van Namen talrijk genoeg.
De bestorming op den 2 7 sten Juli werd nu weer gevolgd door
het maken van nadernissen op het front van Saint-Nicolas^ en
vooral door geschutvuur; de steenen brug over de Sambre. die
van de stad naar het kasteel leidde, stond bloot aan het vuur
van eene batterij op den rechter Maasoever; het kennelijk doel
van den belegeraar was hierbij om door het vernielen van die
brug de gemeenschap tusschen stad en kasteel te verbreken, en
dus, bij een gelukte bestorming op de stad, hare bezetting ver-
loren te doen gaan. Om dien toeleg te verijdelen deed Boufflers
op een hooger gedeelte van de Sambre een schipbrug slaan
tusschen stad en kasteel; tevens deed hij van de steenen brug
een paar bogen afbreken, om, na het verlies van de stad, de
bondgenooten te beletten om gebruik te maken van die brug.
In den nacht van 29 op 30 Juli verwacht BoufHers een storm-
aanval, zoo aan de stadszijde bij het front Saint-Nicolas, als tus-
schen Sambre en Maas bij de linie van Vauban; men meent
groote toebereidselen, groote drukte bij de bondgenooten te
hebben ontwaard; en twee gedeserteerde Engelsche soldaten
berichten den nabijzijnden aanval, en verzekeren dat een paar
duizend stormladders zijn uitgedeeld. Boufflers doet zijne geheele
bezetting onder de wapens komen, wijst elk gedeelte zijn post
aan, en bezet vooral het zeer geteisterde front van Saint-Nicolas,
waar, in het halve bastion dat onmiddellijk aan' de Maas sluit,
reeds een bres is die men zelfs te paard kan beklimmen. De
dappere Fransche bataljons wachten met ongeduld de nadering
van den vijand; — maar het ééne nachtelijke uur voor, het
andere na, verloopt, zonder dat een aanvaller opdaagt; het vuur
van den belegeraar bij Saint-Nicolas is voor het oogenblik ver-
minderd ; maar daarentegen doet hij dddr het overschot springen
van den steenen beer, reeds half vernield door zijn geschutvuur.
De nacht gaat voorbij, zonder strijd; maar nauw is de morgen
van den 3osten Juli aangebroken, of de > linie van Vauban" wordt
aangevallen, en spoedig vermeesterd.
Coehoorn had hier de leiding van den aanval. Den dag te
voren waren twee ingravingen van de Franschen, vóór de linie
van Vauban, door den belegeraar vermeesterd; ónze opgaven
geven nog al hoog op van die zaak, en spreken van het ver-
meesteren van >twee liniën"; het half officieel verslag zwijgt er
echter over, evenzoo de Fransche opgaven ; en daar er ook niets
Digitized by
Google
NAMEN. 299
gezegd wordt van de verliezen, kan men aannemen dat het ge-
beurde onbeduidend is geweest. Niet zoo de vermeestering der
linie van Vauban; daartoe waren omvattende toebereidselen ge-
maakt. In front zou die linie worden aangevallen door den
generaal Schwerin, — of Schwerin, die in 1757 bij Praag den
heldendood stierf, een afstammeling van hem is geweest? — ,
met 500 grenadiers, 500 fuseliers en 1000 schansgravers. Van
de zijde van Salsine zou de linie in de keel worden aangetast
door den keurvorst van Beieren, of door Coehoorn, met een
3000 man voetvolk en een 1000 man ruiterij, Spaansche en
Beiersche; eenige bataljons stonden nog als reserve gereed, om,
zoo noodig, die macht te Salsine te versterken. Aan de linker-
zijde zou de linie in de keel worden aangevallen door de Bran-
denburgers, die daartoe van den rechter Maasoever op den
linker moesten overgaan, en trachten de steile hellingen te be-
klimmen van de hoogte waarop de linie van Vauban gelegen
was. Die Brandenburgsche afdeeling, aangevoerd door den gene-
raal Fiemming, zou bestaan uit 500 grenadiers en 2000 man
gewone infanterie, benevens eenige ruiterij ; hoe dit laatste wapen
hier van eenig nut heeft kunnen zijn, ten minste aanvankelijk,
is moeielijk te begrijpen.
Het oprukken van de bondgenooten van de zijde van Salsine
naar de linie van Vauban, maakte die linie onverdedigbaar; en
Bouffiers had dan ook last gegeven aan den bevelhebber der
bezetting van die linie, om daar niet lang stand te houden, maar
tijdig terug te trekken op het achterliggende La Casotte. Zoo
geschiedde het; en na een korten tegenstand viel de linie in de
macht der bondgenooten. Hadden de aanvallers zich daartoe
bepaald, hun verlies zou onbeduidend zijn geweest; maar, door
hunne dapperheid vervoerd, en vol geestdrift over het behaalde
voordeel, snelden zij verder, en wilden nu ook den bedekten
weg van La Casotte vermeesteren; terwijl, op een ander punt,
eene afdeeling voetvolk vooruitrukte, om eenig geschut te ver-
meesteren dat den dag te voren buiten het fort Coehoorn had
gestaan. Hierin slaagde men niet: het geschut was door de
Franschen reeds binnen het fort gebracht, en deze mislukte
poging berokkende den aanvaller een niet onbeduidend verlies.
Bij La Casotte wierpen de bestormers gedurende een half uur
een paar duizend granaten in den bedekten weg, maar hadden
ook veel te lijden van het vuur der aldaar staande Fransche
infanterie. Boufflers, op de plaats van den strijd gekomen, doet
toen een uitval bij La Casotte; met vier regimenten dragonders
te voet werpt hij de bondgenooten in verwarring terug, maar
wordt op zijn beurt teruggeworpen. Het eindigt daarmede, —
toen te zes uur 's ochtends het gevecht wordt gestaakt — , dat
de Franschen meester blijven van den bedekten weg van La
Digitized by
Google
300 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Casotte, de bondgenooten van de linie van Vauban; van deze
linie uitgaande wordt er toen dadelijk begonnen aan nadernissen
tegen La Casotte.
Dit gevecht van den 3osten Juli kostte aan de bondgenooten
2 k 300 man aan dooden en gewonden; De Quincy voert dit
verlies op tot het cijfer van 6 k 700 man. Over de verliezen van
de verdedigers ontbreekt het aan bepaalde opgaven; De Mer-
veilleux acht die niet minder te zijn geweest dan de verliezen
van de aanvallers; het Fransche y^Journal du siège de Namur*^ is
van eene tegenovergestelde meening; op bladzijde 119 — 120 kan
men daar lezen : dat 's ochtends om elf uur — denkelijk 30 Juli —
de keurvorst van Beieren een parlementair zond naar BoufHers,
met het voorstel om de dooden en gekwetsten weg te voeren,
die aan weerszijden gevallen waren bij het gevecht om de linie
van Vauban, en dat Boufflers toen geantwoord heeft: >bij mijn
weten is de linie van Vauban niet aangevallen; ik heb ze laten
ontruimen, omdat ik het niet meer dienstig achtte ze te be-
houden ; liggen daar dooden of gewonden van de bondgenooten,
die kunnen gerust worden weggehaald ; maar wederkeerig behoeft
dit niet te zijn, want Franschen zijn daar niet gevallen."
Heeft Boufflers werkelijk zulk een antwoord gegeven, dan is
daarin een staaltje te zien van echt Fransche grootspraak. »Ik
heb die linie niet willen verdedigen, ik heb ze vrijwillig ver-
laten ;** — vrijwillig f Ja, omdat die linie niet meer verdedigbaar
was, toen eenmaal — door uwe schuld — de belegeraar bij
La Balance op den rechteroever van de Sambre was gekomen;
ware dat niet het geval geweest, dan zou die linie eene zeer
groote sterkte hebben gehad; daaromtrent bestaat geen twijfeL
>Die linie" — zegt De Merveilleux (blz. 58—59) — >was geheel
uitgehouwen in de rots, en had vóór zich eene gracht van 5 k
6 el breedte, en meer dan 3 el" (meter) t diepte." Hij spreekt
verder van traversen, van batterijen, van eene redoute van met-
selwerk in het midden van de linie, en eindigt met deze woor-
den: teen overgroote arbeid en ongeloofelijke kosten waren
besteed aan die linie, die — naar de meening van de Fran-
schen — de bondgenooten minstens een maand moest tegen-
houden, en welker vermeestering hun leger een zeer belangrijk
verlies zou moeten kosten." Ook de half officieele ^Campagne de
1695" stemt hiermede in: >zoo" — wordt daar gezegd — » ver-
meesterde men die geduchte verschansing, die groote in de rots
uitgehouwen linie; de vijand had zich gevleid, dat het nemen
van die linie ten minste 6000 man Verlies zou kosten; en waar-
lijk, dat nemen zou zeer moeielijk zijn gevallen, ware de vijand
den versterkten post bij La Balance behoorlijk te hulp gekomen."
Over het gedrag van de troepen van Willem III spreekt de
Digitized by
Google
NAMEN.
30I
„Campagne de 1695" met hoogen lof; na eerst gezegd te hebben:
» de Koning was, naar gewoonte, bij dit gevecht tegenwoordig," —
volgt er later: »het verlies van ieder infanterist had men moeten
kunnen afkoopen met eene groote somme gelds; zóó dapper en
onverschrokken heeft de infanterie zich daar betoond." Bij de
opgave van de verliezen wordt gezegd, dat van de Beiersche
grenadiers een officier sneuvelde, een ander gewond werd; ook
van de HoUandsche grenadiers werden eenige officieren gedood
of gewond; de Brandenburgers verloren geen officieren.
Nog maar weinige dagen zou de tegenstand duren van de
stad Namen; zij zette echter dien tegenstand voort zoolang dit
mogelijk was, en bezweek niet dan na een laatsten roemvoUen strijd.
Terwijl Coehoorn, aan de zijde van het kasteel, zijne nader-
nissen voortzette van de linie van Vauban naar La Casotte, was
aan de stadszijde de artillerie van de bondgenooten onvermoeid
werkzaam tegen de werken van Saint- Nicolas. Zeer sterk moet
die artillerie zijn geweest, — al is er mogelijk overdrijving in de
Fransche opgave, in het y^Journal du siège de Namur*\ die haar
begroot op meer dan 120 kanonnen en 40 mortieren; den
isten Augustus was er voor Namen weer een konvooi van Meche-
len aangekomen, bestaande uit 25 kanonnen — vier-en- twintig-
ponders — en 200 wagens met bommen, kogels en andere
munitie. De artillerie van den belegeraar had dus alle middelen
om hare stem te doen hooren, en van die middelen maakte zij
een ruim gebruik.
Een klein kruitmagazijn in het half bastion Saint- Nicolas sprong
door een bom in de lucht, en vergrootte de verwoesting in dat
werk; en van de overzijde van de Maas maakten de batterijen
van de Brandenburgers het den Franschen onmogelijk om bin-
nenverschansingen aan te leggen; die batterijen schoten in den
stadswal aan de rivierzijde eene bres, groot genoeg — zegt eene
Fransche opgave — voor een geheel bataljon; nu moest de be-
stormer, om die bres te bereiken, wel eerst de Maas over; maar
in die rivier was eenigen tijd zoo weinig water, dat er ernstige
vrees bestond voor eene bestorming aan die zijde. Sterke regen-
vlagen, die de Maas weer ondoorwaadbaar deden worden, maakten
een einde aan die vrees, en dwongen den belegeraar om zijne
aanvallen te bepalen tot den linker Maasoever. In den avond
van den 2"! Augustus heeft daar weer eene bestorming plaats.
Alleen de gewone loopgravenwacht, dien dag onder het bevel
van den generaal Lindeboom, zou aan die bestorming deelnemen,
welke op twee punten moest worden verricht. Rechts zou lord
Cutts, een Britsch officier van uitstekende dapperheid, met 200
Engelsche grenadiers aanvallen op den bedekten weg van het
ravelijn voor de poort Saint-Nicolas ; links zou de generaal Van
Digitized by
Google
302 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Dedem^ met 200 HoUandsche grenadiers, onmiddellijk langs de
Maas doordringen, om aan te vallen op het zoo goed als ver-
woeste half-bastion Saint- Nicolas; die eerste aanvallers werden
ondersteund door afdeelingen van de regimenten uit de loop-
graven wacht, en gevolgd door een 400 schansgravers; daarbij
waren eenige ingenieurs, onder den kolonel Tobias Reinard, —
of, zooals de naam bij Sijpestein voorkomt: Thobias Reynhard.
Om zeven, of acht, uur 's avonds vangt de bestorming aan.
Cutts, met zijne Ëngelschen, vermeestert na een kort, hevig
gevecht een goed deel van den bedekten weg van het ravelijn ;
in een half uur tijds heeft hij zich daar ingegraven zonder groote
verliezen geleden te hebben.
Moeielijker en bloediger taak hadden de Hollanders. Van
Dedem, met de zijnen langs den rivieroever gaande, beklimt de
bres van het half-bastion Saint- Nicolas, en drijft de Fjranschen
uit dat werk, tot achter eene traverse bij de courtine van de
poort Saint-Nicolas. Bij die traverse blijft de verdediger hard-
nekkig standhouden; hij begrijpt dat alles hiervan afhangt, en
dat, als hij d^dr zwicht, de bestormers Namen binnendringen.
Aanvallen en tegen-aanvallen wisselen toen elkander af; en de
hevige strijd, aan weerszijden met gelijke dapperheid gevoerd,
wordt eenige uren voortgezet, — tot middernacht, zegt ééne
opgave. Het einde is, dat de Franschen meester blijven van het
grootste gedeelte van het half-bastion, maar er niet in kunnen
slagen om de Hollanders te verdrijven uit de ingraving die
intusschen gemaakt is op de bres, in de nabijheid van de rivier.
Volgens De Quincy bedroeg het verlies van de bondgenooten
bij deze bestorming een 4 k 500 man; onze opgaven begrooten
het op een 200 man, voor twee derde Hollanders. Maar ook
de verdedigers, die op eene in puin liggende borstwering hadden
gestreden en met hunne lichamen de ontbrekende wallen moesten
vervangen, hadden zware verliezen geleden; gevallen waren hier
een aantal hunner soldaten, een aantal dappere Fransche offi-
cieren, die hier met evenveel zelfopoffering hun leven prijsgaven
voor de glone van hun Koning als eenmaal Leonidas en de
zijnen voor de vrijheid van hun vaderland.
De storm van den 2en Augustus had de bondgenooten wel
niet binnen Namen gebracht, maar toch de kracht van Namen
geheel gebroken. Toen de bataljons van Willem III dan ook in
den ochtend van den 3en Augustus opnieuw gereed stonden om
den strijd te hervatten, en Boufflers nogmaals den storm wilde
afwachten, toonden zijne onderbevelhebbers hem aan, dat het
ondoenlijk was om den wederstand langer vol te houden: de
bressen zijn in den ellendigsten toestand, zeide Mégrigny; er is
geen oogenblik te verliezen om de Chamade te slaan, voegde
Digitized by
Google
OPERATIÊN IN VLAANDEREN EN BRABAND. 303
Guiscard er bij. De Maarschalk, hoe onwillig ook, moest toe-
geven aan den gebiedeoden eisch der noodzakelijkheid. Tegen
elf uur 's ochtends werd de Charaade geslagen op het half-bastion
Saint-Nicolas ; dddr verschenen, aan de eene zijde Guiscard, aan
de andere zijde de Engelsche generaal Ramsay, toen bevelhebber
van de loopgravenwacht ; ieder hunner vergezeld van twee offi-
cieren — het was toen een ceremonieele tijd — gingen zij
elkander op de bres halfweg te ge moet, omhelsden elkander, en
traden toen in onderhandeling; 's avonds werd de capitulatie
gesloten, en den 4eii Augustus de stad door de bondgenooten
in bezit genomen. De Fransche bezetting trok ongehinderd naar
het kasteel, in de stad een 1800 zieken en gewonden achterlatende.
Zoo viel de stad Namen. Alvorens den val van het kasteel te
verhalen, is het noodig een blik te werpen op wat op andere
gedeelten van het oorlogstooneel voorviel, en wat natuurlijk
invloed moest hebben op den gang van het beleg van Namen.
HOOFDSTUK XXIX.
operatiè^* in vlaanderen en braband ; beleg van het
kasteel van namen; krijgs verrichtingen ter
zee; aan des rijm; in italiê; in spanje.
Toen Willem III den 28sten Juni zijn leger verliet en het bevel
daarover opdroeg aan den Prins De Vaudemont, stond dit leger
iets ten noorden van Rousselaere, op den linkeroever van de
Lijs, front makende naar die rivier; of, juister gezegd, front
makende naar het riviertje de Mandere, dat zich een weinig
boven Deynse in de Lijs werpt ; het kamp van de bondgenooten
had eene uitgestrektheid van nagenoeg een uur gaans, sloot met
den rechtervleugel aan het dorp Denterghem, en breidde zich
met den linkervleugel uit naar het dorp Zeveren. Hier bleef
Vaudemont een veertien dagen standhouden ; hij had de dubbele
taak te vervullen, om de vestingen in Vlaanderen te beschermen
tegen Villeroy; en om, als Villeroy naar Namen oprukte, hem
daarheen te volgen en zich aan te sluiten bij Willem III. — Na
het vertrek van verschillende afdeelingen naar Namen, had het
leger van Vaudemont nog eene sterkte van 35000 man.
Toen Villeroy het bericht kreeg dat de bondgenooten Namen
bedreigden, had hij — zooals vroeger gezegd is — Boufflers
met eene ruiterafdeeling derwaarts gezonden; maar, wat er ge-
Digitized by
Google
304 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
daan moest worden met de hoofdmacht van het Fransche leger,
daaromtrent schijnt hij het met zichzelf niet eens te zijn geweest.
Eerst — zou men zeggen — is Villeroy voornemens Namen
dadelijk te hulp te komen; hij gaat over op den rechteroever
van de Schelde, en zendt ruiterij vooruit naar de zijde van Ath
en van Charleroi; en de vrees dat die Fransche ruiterij zijne
konvooien zal verontrusten, doet Willem III, den i4en Juli, een
twintigtal eskadrons afzenden naar de zijde van Hoey en van
Luik. Maar spoedig geeft de Fransche maarschalk dit voornemen
op om Namen rechtstreeks te hulp te komen; hij besluit nu
Vaudemont aan te vallen en slag te leveren ; het Fransche leger
is 80000 man sterk, meer dan dubbel zoo sterk als dat der
bondgenooten ; er is dus alle kans op het behalen van eene
groote overwinning, die natuurlijk aan de verdediging van Namen
ten goede moet komen.
Dat besluit van Villeroy is een goed besluit geweest; — maar
een goed besluit helpt niet veel, het moet ook goed worden
uitgevoerd; en aan die goede uitvoering heeft het ontbroken.
Aanvankelijk schijnen de bewegingen van Villeroy's leger het
beste te doen voorspellen; een snelle marsch brengt dat leger
van den rechteroever der Schelde lot op korten afstand van
Vaudemont's kamp: den i2en Juli, om tien uur 's avonds, opge-
broken van het dorp Potles, gaat Villeroy de Schelde en de
Lijs over, en is, in den ochtend van den i3en, met de voorhoede
nabij het dorp Roosebeeke aan de Mandere; in den loop van
den dag komt het geheele Fransche leger bij dat riviertje, en
des namiddags om zes uur zijn de voorste troepen in de onmid-
dellijke nabijheid van het dorp Denterghem. Uit een paar voor-
liggende kasteelen, of huizingen, worden de voorposten van
Vaudemont verdreven.
Het legerhoofd van de bondgenooten, den vijand nu onmid-
dellijk op zijn rechterflank hebbende, zag de noodzakelijkheid
in om van stelling te veranderen. Vaudemont had reeds in den
ochtend van den 1300 bericht gekregen, dat Villeroy van den
rechteroever van de Schelde op den linker was overgegaan en
naar de Lijs oprukte; maar toch bleef de aanvoerder van de
bondgenooten nog een goed deel van den dag in dezelfde stel-
ling, omdat hij nog onzeker was, of de bewegingen van den
vijand iets meer waren dan eene schijnvertooning, om een marsch
naar Namen te verbergen. In den namiddag verkreeg men echter
de zekerheid dat het geheele Fransche leger op den linkeroever
van de Lijs was overgegaan, evenzoo het riviertje de Mandere
overtrok, en fegen Denterghem oprukte. Vaudemont, die zich aan
geen flankaanval wilde blootstellen, deed toen oogenblikkelijk een
rechthoekige frontverandering op het midden verrichten; vóór
Digitized by
Google
OPERATIES IN VLAANDEREN EN BRABAND. 305
den avond was die beweging afgeloopen. De nieuwe slaglinie
van de bondgenooten^ nagenoeg even lang als de vorige, sloot
met den linkervleugel onmiddellijk aan de Mandere, terwijl de
rechtervleugel zich uitbreidde tot voorbij het dorp Arsele. Voor
het front van de stelling stroomde een beek, die zich bij Den-
terghem in de Mandere wierp; die beek was op ie grooten af-
stand van de stelling om goed te worden verdedigd ; toch kon
zij den opmarsch van den aanvaller belemmeren, of diens terug-
tocht, werd de aanval afgeslagen.
Vaudemont was bekend met 's vijands groote overmacht, maar
had toch aanvankelijk het voornemen om den strijd niet te ont-
wijken; hij nam hier zijn toevlucht tot hetzelfde hulpmiddel dat
Willem III, twee jaar vroeger, bij Neerwinden, met zoo goed
gevolg had aangewend: de veldverschansing. Nog in den avond
werd er begonnen aan het opwerpen van eene doorloopende
borstwering, eerst vóór den linkervleugel; gedurende den gan-
schen nacht werd die schansarbeid voortgezet, zoodat, in den
ochtend van den i4en Juli, het geheele front der slaglinie be-
schermd werd door eene doorloopende borstwering. Vroeger is
reeds gezegd, dat zulk een verdedigingsmiddel, op zichzelf onbe-
duidend, groote waarde krijgt als het gebruikt wordt door goede
troepen, die in zulk een dekkingsmiddel een gewichtig voordeel
vinden. Noyelles, de aanvoerder van de HoUandsche infanterie,
is belast geweest met dien schansarbeid, en schijnt die taak zeer
goed te hebben volbracht. Over het geheel getuigt het gunstig
voor het leger van Willem III, dat èn de frontverandering èn de
verschanste linie in zoo korten tijd zijn tot stand gekomen.
y^Je les tiem donc^ ces Anglais^\ riep Napoleon, vóór Watcrloo,
toen hij W^ellington's leger voor zich zag standhouden. Villeroy
kan iets dergelijks gezegd hebben, toen hij bespeurde dat het
leger van Vaudemont den aanval van de Franschen scheen te
zullen afwachten. Aan eene groote overwinning op den i4en Juli
behoefde niet te worden getwijfeld: de aanzienlijke overmacht
van de Franschen waarborgde die. Villeroy zond dan ook, nog
den i3en, een renbode naar den Koning, om den nabijzijnden
strijd aan te kondigen, en zijne grootsche verwachtingen. Met
spanning en ongeduld bleef men aan het Fransche hof de komst
te gemoet zien van den volgenden bode uit het leger; en mocht
aan dat hof menigeen vervuld zijn met onrust over het leven van
verwanten die aan dien strijd zouden deelnemen, toch was Frank-
rijk's krijgsroem hun te lief om niet reikhalzend uit te zien naar
het bericht van eene groote overwinning. Eene grievende teleur-
stelling was het dus, toen de eerstkomende zendeling uit het leger
geen veroverde Engelsche en HoUandsche vaandels aanbracht, maar
niets anders dan het bericht, dat er niet was gestreden en dat
het leger van de bondgenooten aan alle gevaar was ontkomen.
WILLEM in. — III. 20
Digitized by
Google
306 KR^GS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Die uitkomst is evenzeer toe te schrijven aan Vaudemont*s
bekwaamheid als aan de onbekwaamheid van Villeroy.
De Fransche maarschalk, partij trekkende van zijne groote
overmacht, besloot den vijand den 14^11 Juli niet alleen in front
aan te vallen, maar tevens diens rechtervleugel te omtrekken; —
een besluit dat volstrekt niet is af te keuren, maar dat weer op
jammerlijke wijze werd uitgevoerd: veel te traag, veel te laat.
Het was drie uur in den namiddag voordat het Fransche leger
in slagorde kwam tegenover de stelling van de bondgenooten,
en dat de 'omtrekkende afdeeling het dorp Caneghera bereikte,
in het verlengde van de slaglinie van Vaudemont en op ongeveer
een kwartieruur afstands van diens rechtervleugel. Die omtrek-
kende afdeeling — ruiterij en dragonders — was, volgens ééne
opgave, 15000 man sterk; de een noemt Montal als haar aan-
voerder; de ander, Berwick, den basterd van koning Jakobus;
het kan zijn, dat beiden bij die afdeeling zijn geweest; en in déi
geval zal de ware aanvoerder wel geweest zijn, Montal, de grijze
Fransche bevelhebber, aan oorlogsondervinding zoo rijk.
Toen Vaudemont bespeurde, dat hij niet alleen in front zou
worden aangevallen, maar ook bedreigd werd in de rechterflank,
begreep hij dat het langer standhouden een te gewaagde hande-
ling zou zijn; na eene korte raadpleging met zijne onderbevel-
hebbers deed hij, om vijf uur des namiddags, den terugtocht
aanvangen, die met uitstekend beleid werd geregeld, en met
voorbeeldige orde uitgevoerd.
Om den vijand zoo lang mogelijk in den waan te laten dat
men slag wilde leveren, deed men op den linkervleugel het ge-
schutvuur aanhouden, dat zich reeds den ganschen dag had doen
hooren; maar intusschen trok Schlundt, de luitenant- kolonel van
de artillerie, in stilte weg met het geschut van het centrum en
van den rechtervleugel, en sloeg daarmee den weg in naar
Deynse. Al dadelijk werd Ouwerkerk, met de ruiterij van den
rechtervleugel, en de brigade Collier — Engelsche infanterie —
geplaatst en pofence achter den rechtervleugel, om front te maken
tegen de Fransche afdeeling van Montal — of van Berwick —
bij Caneghem, en op die wijze de omtrekking van dien rechter-
vleugel te verijdelen. Ouwerkerk hield daar eenigen tijd stand
tegenover Montal, stelde zich daarna rechts in beweging, en trok
snel over de dorpen Vinck en Nevele in de richting van Gent;
5 eskadrons dragonders, waarmede Ëppinger toen juist aankwam
van de zijde van Brugge, sloten zich aan bij Ouwerkerk, en
vormden zijne achterhoede. Terwijl Ouwerkerk met de ruiterij
van den rechtervleugel en de infanterie van Collier dus wegtrok,
was Schlundt met het grootste deel van de artillerie meer bin-
Digitized by
Google
OPERAÏlËN IN VLAANDEREN EN BRABAND. 307
nenwaarts getrokken, over Zeveren naar Deynse; het grootste
deel van het voetvolk van Vaudemont trok terug over het dorp
Wouterghein, achter den linkervleugel; het overige der infanterie
ging terug over Wouterghem en Grammen, meer nabij de Lijs, —
de artillerie van den linkervleugel was bij die colonne; en ein-
delijk trok Rochefort, met de ruiterij van den linkervleugel, terug
onmiddellijk langs de Lijs.
Om dien terugtocht te verbergen was het geschutvuur zoolang
mogelijk gaande gehouden, en had men eenige huizen in brand
gestoken, vóór het front van de stelling; in die stelling bleef
Vaudemont nog geruimen tijd, met eenige van zijne onderbevel-
hebbers en hunne staven, die allen zich hadden geplaatst op één
gelid, om eene sterke ruitermacht voor te stellen ; daarna, ijlings
wegrijdende, voegde het legerhoofd zich bij de aftrekkende
colonnes, die intusschen, vaardig en in orde, waren teruggegaan.
Om zeven uur 's avonds was het grootste deel van het voetvolk
reeds de vlakte voorbij, ten westen van het dorp Grammen ; alle
gevaar was toen zoo goed als geweken.
Hoe goed de terugtocht van Vaudemont's leger werd bestuurd
en uitgevoerd, zoo kon die toch niet geheel onopgemerkt blijven
bij de tegenpartij, die in slagorde stond voor de stelling van de
bondgenooten. Sommige Fransche bevelhebbers — de Prins De
Conti, en de hertog van Bourbon {Monsieur Ie Duc) — wilden
dadelijk overgaan tot den aanval, maar durfden dit niet doen op
eigen gezag; zij zonden naar Villeroy, om machtiging tot den
aanval; maar de Maarschalk was niet dadelijk te vinden, zoodat
het zeven uur 's avonds werd vóór dat die machtiging kwam.
Het was te laat; de Franschen vonden dé stelling van de bond-
genooten verlaten; de vogel was gevlogen.
£r had nog een, weinig beteekenende, vervolging plaats. Bij
hèt dorp Vinck werd het voetvolk van Collier nog even aange-
vallen door Fransche ruiterij, maar die aanval werd afgeslagen.
Een paar eskadrons Fransche dragonders, over Denterghem en
Wouterghem voortrukkende, sloten zich aan bij de terugtrekkende
ruiterij der bondgenooten, alsof zij daartoe behoorden; — zulk
eene misleiding was toen zoo moeielijk niet, omdat de toenmalige
legers bestonden uit menschen van allerlei tongen en talen. De
Fransche officieren hadden hunne dragonders groene takjes op
de hoeden laten plaatsen, evenals bij de bondgenooten; zij lieten
den Engelschen marsch blazen, en kwamen zelfs in gesprek met
Engelsche ofRcieren, die hen voor vrienden aanzagen. Toen de
Fransche officieren de kans schoon zagen, vielen zij, in de
nabijheid van Grammen, de twee laatste bataljons der bondge-
nooten aan en brachten die eenig verlies toe; dit was echter
geheel onbeduidend. Niet verder dan tot nabij Deynse had de
vervolging plaats; de nacht was ingevallen; en de Franschen
Digitized by
Google
3o8 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
bepaalden zich toen tot het in brand steken van het dorp
Zeveren, en van eenige gehuchten, om daarmede hunne woede
te koelen over het ontkomen van den vijand. Bij een oorlog in
die dagen moest de arme landzaat boeten voor al het kwaad
dat een leger overkwam.
Vaudemont had, aanvankelijk, den marsch gestaakt bij Odonck,
een dorp aan de Lijs, ongeveer een uur beneden Deynse; hij
oordeelde het echter te gewaagd om daar lang te blijven ; zoodat
de terugtocht na eenige uren rust werd voortgezet. Den 1560 Juli,
's ochtends om negen uur, was het leger der bondgenooten ge-
heel vereenigd tusschen Gent en het nabijgelegen dorp Maria-
kerke; tegen den middag trok het door Gent, en sloeg zich
neer tusschen die stad en het dorp Melle, op den weg naar
Brussel. Het leger was behouden: — en hoewel het, in een let-
terlijken zin, niet juist was, wat Vaudemont aan Willem III
schreef, dat men bij dien terugtocht >noch man, noch paard,
noch kar, noch stuk kanon had verloren*', zoo was het geleden
verlies toch geheel onbeduidend geweest, en het behoud van
het leger eene grootsche uitkomst. Te recht zeide Willem III
dan ook, dat Vaudemont door dien terugtocht nog grooter be-
kwaamheid als legerhoofd had betoond, dan hij door een ge-
wonnen veldslag had kunnen betoonen.
De oneer van dien dag van den i4en Juli 1695 komt neer op
de Fransche legerhoofden.
Saint-Simon schrijft al de schuld toe aan den hertog De Maine,
den basterd van Lodewijk XIV. De Maine voerde den linker-
vleugel aan van het Fransche leger tegenover het dorp Arsele^
en moest den aanval beginnen; hij kreeg ook bevel daartoe,
maar hij voerde dat bevel niet uit : eerst moest 's vijands stelling
worden verkend. Toen die verkenning gedaan was, moest de
Hertog eerst biechten; — het zij verre van ons, van te willen
spotten met godsdienstzin; die is zeer goed bestaanbaar met
dapperheid; De Ruyter zocht zijne sterkte in het gebed, vóór
dat hij den strijd begon; — maar hier was die godsdienstzin
niets anders dan een dekmantel om de lafheid te verbergen ; de
Hertog wilde den strijd niet beginnen ; en vruchteloos bleven de
aansporingen van zijne officieren, wanhopig over dit schandelijk
gedrag van hun aanvoerder.
Dat men niet aanviel, dat de tijd werd verspild, dat men eerst
optrok tegen de stelling der bondgenooten, toen het leger der
bondgenooten die stelling reeds geheel had verlaten, — dat alles
was de schuld van de lafhartigheid van den hertog De Maine.
Villeroy, als een volmaakt hoveling, zweeg echter in zijne ver-
slagen over den Hertog, en nam de schuld van het gebeurde
Digitized by
Google
OPERATIËM IN VLAANDEREN EN BRABAND. 309
geheel op zich; niemand aan het Fransche hof, al wist hij wat
er was voorgevallen, waagde het om op te treden als beschul-
diger van den Hertog; maar door de Hollandsche nieuwsbladen
{les gazeftes de Hollande) vernam Lodewijk XIV eindelijk de ware
toedracht van zaken; de vader werd op hevige wijze geschokt
door het bericht van de oneer van zijn zoon. Toch onderging
de schuldige geen andere straf dan voor korten tijd van het hof
te worden gebannen.
Zóó zegt Saint-Siraon, Bij het lezen van dien schrijver denkt
men onwillekeurig aan het gezegde: >Wie dien man gelooft, en
Onzen Lieven Heer afvalt, die is er ongelukkig aan toe". Wel
is waar is die gemeenzame spreekwijze, waarmede een weinig
geloofwaardig mensch aangeduid wordt, niet ten volle toepasselijk
op Saint-Simon, maar toch is het gewaagd om een onvoorwaar-
delijk vertrouwen te schenken aan wat hij zegt. Saint-Simon is
een groot geschiedschrijver, — maar zijn waarheidsliefde laat te
wenschen over; de hartstocht is bij hem te veel in het spel; en
bij de woedende haat die hem bezielde tegen de basterden van
Lodewijk XIV, is het zeer goed mogelijk dat hij het onwaardige
gedrag van den hertog De Maine wat te sterk heeft gekleurd. Wat
hiervan zij, zooveel is zeker dat de ware schuldige toch altijd
Villeroy is; Villeroy was opperbevelhebber, en dus verantwoor-
delijk voor wat er gebeurd is; een opperbevelhebber mag zich
niet verontschuldigen met de ongehoorzaamheid van onderbevel-
hebbers; hij moet zich doen gehoorzamen, en hen straffen die
te kort doen aan die gehoorzaamheid. De Ëngelsche admiraal
Byng is doodgeschoten voor een feit, oneindig minder erg dan
wat Saint-Siraon aan den hertog De Maine ten laste legt.
Villeroy, teleurgesteld in zijne verwachting om het leger der
bondgenooten te slaan, besloot toen van zijne groote overmacht
gebruik te maken tegen de vestingen in Vlaanderen.
Allereerst wilde hij Nieuwpoort aantasten, waarin geen sterke
bezetting was, en waar de Franschen verstandhouding in de stad
meenden te hebben. De generaal Rubantel trok derwaarts met
eene Fransche afdeeling, en nam stelling te Schoore, tusschen
Nieuwpoort en Dixmude ; daardoor werd de bezetting van laatst-
genoemde plaats belet om eene versterking te werpen binnen
Nieuwpoort. Villeroy, met een" ander deel van zijn leger, volgde
Rubantel; maar de hoofdmacht van dat leger kwam te Rousselaere-
Den juisten datum van die komst van Rubantel te Schoore, zoo
in de onmiddellijke nabijheid van Nieuwpoort, hebben wij niet
kunnen uitvinden ; maar het is zoo goed als zeker, dat hier weer
te traag, te langzaam is gehandeld, en dat daardoor de onder-
neming op Nieuwpoort tot niets heeft geleid. Vaudemont, werk-
zaam en voortvarend, had, dadelijk «bij zijne komst te Gent, den
Digitized by
Google
3IO KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
generaal Beliasis, met 12 bataljons en 1 2 stukken geschut afgezon-
den naar Nieuwpoort en Plassendael, en die eerste afdeeling doen
volgen door eene tweede, naar Brugge en Oostende; die tweede
afdeeling, onder den hertog van Wurtemberg, was sterk 12 batal-
jons, 33 eskadrons ruiters en dragonders, en 12 stukken. Toen
Villeroy nabij Nieuwpoort kwam, vond hij dan ook, èn die ves-
ting, èn Oostende en Brugge, èn de tusschenliggende kanalen,
sterk bezet, gedekt door inundatiën, en verzekerd tegen eiken aanval.
Toen liet de Fransche maarschalk het oog vallen op Dixmude.
In die vesting was eene bezetting van 8 bataljons voetvolk en
I regiment dragonders, — Duitsche, Deensche of Engelsche troe-
pen, alles onder het bevel van den generaal Ellenberger, een
Duitscher of Deen van geboorte, maar in dienst van de Repu-
bliek. Dixmude was geen sterke vesting, en had alleen aarden
werken en geen bekleedingsmuren ; — naar ons gevoelen is dat
juist geen nadeel voor eene vesting; maar in dien tijd dacht men
er anders over, en noemde men eene vesting zwak, als zij geen
gemetselde escarp en contrescarp had ; — die zwakheid, meende
men, werd echter opgewogen door de sterkte van de bezetting,
een groote 4000 man tellende, en genoegzaam voorzien van
munitie en leeftocht. Men vertrouwde dus op eene krachtige,
eervolle verdediging.
Dat vertrouwen werd beschaamd door hét plichtverzuim van
den bevelhebber. Den 2 5 sten Juli komt eene Fransche troepen-
macht, onder Montal, voor Dixmude, en opent nog dien nacht
de loopgraven; en reeds den 2 7 sten treedt Ellenberger in onder-
handeling, en geeft den volgenden dag de vesting over; de be-
zetting wordt krijgsgevangen. Van eene bestorming, van bressen,
van verloren buitenwerken, is geen sprake; de nadernissen van
den aanvaller hadden nog niet eens het glacis bereikt; van de
bezetting is slechts een dertigtal manschappen gedood, of ge-
wond; — in één woord, het was eene schandelijke verdediging,
het was geen verdediging: en rechtvaardig is het doodvonnis,
in November daaraanvolgende over Ellenberger uitgesproken en
aan hem voltrokken.
Maar omkooping, verraad, behoeft men aan dien jammerlijken
bevelhebber niet ten laste te leggen ; men heeft dit in het eerste
oogenblik gedaan, zooals dat in zulke gevallen altijd plaats heeft ;
maar er is geen schijn van bewijs voor zoo iets, en alles pleit
er tegen om hier aan omkooping of verraad te denken. Aan
lafheid dan? — Ook dit is moeielijk aan te nemen bij een oud
krijgsman als Ellenberger, die, als gewoon soldaat begonnen, zich
door krijgsdeugd tot de hoogste militaire rangen had verheven;
en die, in zijn lange loopbaan, overal waar hij onder aanvoering
van anderen stond, ten volle zijn plicht heeft betracht. Denkelijk
Digitized by
Google
OPERATIEN IN VLAANDEREN EN RRABAND. 31I
moet men het misdrijf van Ellenberger weer wijten aan onkunde,
aan bekrompenheid van geest, — de oorzaak van zooveel kwaads,
ook in den oorlog: hij zal niet ingezien hebben dat er zooveel
verkeerds in was, zijne vesting zoo maar dadelijk over te geven ;
hij zal gedacht hebben, dat het er weinig op aankwam, dat die
vesting geen waarde had; en dat de bezetting, volgens het be-
staande Cartel^ toch dadelijk moest worden vrijgelaten, tegen
losgeld, of tegen uitwisseling met andere krijgsgevangenen. Dat
plicht en eer gebiedend voorschreven om Dixmude te verdedi-
gen, zoolang als die verdediging mogelijk was, — die waarheid
schijnt Ellenberger niet indachtig te zijn geweest; — had hij de
Romeinsche geschiedenis gekend, hij zou anders hebben gehan-
deld. «Engeland verwacht dat ieder zijn plicht zal doen", —
zeide Nelson vóór den slag van Trafalgar; — uitmuntend; maar
het komt er allereerst op aan om te weten wat die plicht is;
en dat leert men het best uit de lessen en voorbeelden van de
geschiedenis. Niet juist geleerdheid^ maar ontwikkeling des gees-
tes, is een vereischte in den krijgsbevelhebber.
Als een bijdrage tot de kennis van de zeden en gewoonten
van dien tijd, nemen wij hier over, wat in de Europische
Mercurius (6* stuk, 2* deel, blz. 306 — 307) voorkomt over de
onthoofding van Ellenberger; hij was in hechtenis te Gent, in
de herberg »den gulden appel"; den 4en November werden door
den krijgsraad vonnissen geveld, over hem en andere hoofdoffi-
cieren; en nadat die vonnissen door Willem III waren goedge-
keurd, werden zij den 3osten November voltrokken:
»De bovenstaande sententiën ■ door den Lord Bellasis met des
Konings goedkeuring uit Engeland weder terug gebracht zijnde,
vergaderde de krijgsraad op Maandag, den 28 November, in
de herberg Den Gulden appel, en velde het vonnis des doodts
tegens den Generaal-Majoor Ellenberger, die zich daarop aan-
stondts in den rouw kleedde, en tot een zaligen uitgang bereidde.
Dinsdags, na den middag, toogen den Hertog van Wirtemberg,
de Graaf van Nassau, en de generaal Forest, uit de stad, en
zonden des avondts een order aan den Adjudant Generaal van
Wirtemberg, om tegen des anderen daags morgens, ten zes uuren,
een gedeelte van het garnisoen in de wapenen te brengen. Ter
bestemde tijd posteerden zich dan drie Compagnieën paarden en
evenveel te voet, bij de herberg den Gulden appel. Met klokslag
van acht uuren kwam Ellenberger, na van een ieder afscheid
genomen te hebben, uit zijne kamer, en trad in een swarte koets,
verzeld door den Capitein Ellenberger, zijnen neef, een anderen
officier van zijne vrienden, en een predikant van de Gerefor-
meerde religie; en zijnde begeleid door vier honderd voetknechten
en zestig ruiters, reed de koets ter Dampoort uit, den Dender-
Digitized by VjOOQIC
3X2 KRIJGS- EN GBSCHIKDfCUNDIGB BESCHOUWINGEN.
mondschen weg op, tot aan een molen, de plaats der executie,
al waar men vier bataillons Deensche troupen geposteerd had.
Vlak op d' aarde lag, omtrent een roede in 't vierkant, een
swart kleed gespreid, daar een laage armstoel, met baay over-
dekt, op stond. Alhier gekomen, bewaX hij aan den gemelden
Capitein Ellenberger te gaan verneemen of de scherprechter ge-
reed was; en hebbende verstaan van ja, stuurde hij hem zes
goude Louisen, met vermaaning van zich wel in zijne plicht te
kwijten ; waar na ter koets uittreedende, zeide hij, dat, dewijl er van
hem uitgestrooid was, dat hij correspondentie met den vyand had
gehouden, hij d' omstanders bad het geduld te hebben van een
korte schriftelijke verklaaring aan te hooren, welke hij zijnen Audi-
teur toereikte, en beval overluid te leezen, zijnde van dezen inhoud :
Dat hij nu ter plaatse zijnde daar hij den dood verwachtte,
om vervolgens voor God te verschijnen,, verklaarde nooit
eenige kwaade intentie tegens Zijne Koninglijke Majesteit
van Engeland gehad, veel minder met den vyand gecorres-
pondeerd, of geld voor d' overgaave van Dixmuiden ge-
nooten te hebben, zijnde daaraan zo onschuldig als een
kind in 's moeders ligchaam, en dat hij zulks op zijne zalig-
heid kon verzekeren; doch dat hij zich wegens het ander
toeval gaarne aan den dood wilde onderwerpen: wenschende
dat de Wapenen van Zijne Koninglijke Majesteit en de hooge
Geallieerden te water en te land mochten gezegend, en tegens
hunne vyanden voorspoedig wezen enz.
't Geschrift geleezen zijnde, zeide hij, dat hij stierf als een
eerlijk man, en niet als een verraader; nam afscheid van d'om-
standers; deed zelve zijne das, en lichtte zijne paruik af; hielp
zijnen kamerdienaar het kamizool en hembd nederstrijken ; zette
zich aldus, zonder eenige vrees of ontroering te betuigen, in den
gemelden stoel ; en heffende d' oogen ten hemel, onder het zeg-
gen van, Jesus, ik leef, ik sterf, ontfing den slag: waar na
het ligchaam, benevens het hoofd, in een kist wierd gelegt, en
na het Sas van Gent gevoerd.
Aldus eindigde zijn leven op een ongelukkige wijs, Johannes
Antonius Ellenberger, ter ouderdom van acht-en-vijftig jaaren, na
van slecht" (gewoon) » soldaat langs alle trappen tot de waar-
digheid van Major Generaal opgeklommen te zijn, en een en
twintig veldtochten met groote lof bijgewoond te hebben; heb-
bende zich overal zo wel gedraagen, dat hij nooit voor een
krijgsraad te recht gesteld, en nooit in arrest was geweest."
De schuld van Ellenberger valt niet te loochenen, evenmin
als het rechtvaardige van het doodvonnis; — toch wekt hij mede-
gevoel op; en in de wijze waarop dat vonnis werd uitgevoerd,
is iets bevredigends, iets fatsoenlijks, dat, zelfs bij zulk een treur-
spel, weldadig aandoet.
Digitized by
Google
OPERATIÊN IN VLAANDEREN EN BRABAND. 313
Een paar dagen later vermeesterden de Franschen ook Deynse.
Den 29sten Juli komt Feuquières, met een deel van Villeroy's
leger, voor die vesting; en reeds den 3osten geeft Fergus d'Offa-
rel^ de bevelhebber, zich over met zijne bezetting van 2400 man,
bestaande uit zijn Schotsch regiment, en uit het Friesche regi-
ment van Scheltinga; — er was geen loopgraaf geopend, geen
kanonschot gelost, geen vestingwerk genomen, geen soldaat ge-
sneuveld; — in één woord, er was niet gevochten. De Merveil-
leux verontschuldigt die schandelijke overgave eenigszins daar-
mee, dat Deynse slecht versterkt was en slecht bewapend: niets
dan 8 kanonnen van klein kaliber, 3 kanonniers, en zeer weinig
munitie. Door den krijgsraad werd Oflfarel veroordeeld tot eer-
looze cassatie en levenslange gevangenschap; Scheltinga werd
> gesuspendeert van zijne Charge"; andere hoofdofficieren der
bezettingen van Dixmude en Deynse werden gestraft met geld-
boeten y^ad pias causas^ of godvruchtige werken", — zoo luidt
het in het vonnis.
Dixmude en Deynse werden door de Franschen ontmanteld;
wel een bewijs van de geringe waarde dier vestingen. In strijd
roet het bestaande cartel werden de krijgsgevangen bezettingen
niet vrijgelaten, maar naar Frankrijk gebracht; een groot aantal
soldaten dier bezettingen haalde men over om in Franschen
krijgsdienst over te gaan; — dat zal misschien wel de voor-
naamste reden zijn geweest, waarom men het cartel overtrad.
De vermeestering van Dixmude en Deynse had niet zooveel
invloed op Willem III, om hem Ie bewegen tot het opbreken
van het beleg van Namen; en om die vesting te redden besloot
Villeroy nu over te gaan tot eene andere handeling: het bom-
bardeeren van Brussel. Om die hoofdstad van de Spaansche
Nederlanden te hulp te komen, zou Willem III — zoo dacht
de Fransche maarschalk — , zoo niet zijn geheele leger, dan toch
een sterk deel daarvan, afzenden naar de zijde van Brussel; en
dan had Villeroy alle kans om Namen te ontzetten. Die ver-
wachting van den Franschen maarschalk is niet verwezenlijkt:
Willem III heeft Namen niet losgelaten, en zich niet bekreund
om Brussel; hij heeft hier gehandeld als in 1629 zijn grootvader
Frederik Hendrik, die het beleg van Den Bosch bleef voort-
zetten, zelfs toen de Spaansche en Keizerlijke legers voor de
poorten van Utrecht stonden.
Reeds bij het begin van het beleg van Namen was Athlone
met eene sterke ruiter macht — een loo eskadrons — aan den
Piéton geplaatst, om Villeroy op te houden, als deze tot ontzet
mocht komen opdagen. Villeroy kwam vooreerst niet; en Ath-
lone ging toen van zijne zijde over tot kleine aanvallen. Den
Digitized by
Google
314 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
21 Sten Juli werd de kleine vesting Binche overvallen en genomen,
door eene afdeeling ruiterij van de bondgenooten onder den
graaf Van der Lippe; de Fransche bevelhebber van Binche
sneuvelde hier, met een deel van zijne 400 man sterke bezet-
ting; het overige werd krijgsgevangen. — Dat kleine Binche is
bij de oorlogen van Willem III zóó dikwijls genomen en her-
nomen, dat het ook haast zou kunnen genoemd worden >de
ligtekooi van den oorlog", — de bijnaam^ dien de Spanjaarden^
tijdens den tachtigjarigen oorlog, aan de vesting Rijnberk gaven.
Vaudemont, begrijpende dat het Fransche leger na de inneming
van Dixmude en Deynse tot ernstiger ondernemingen zou over-
gaan, achtte zijne macht te gering om dat te beletten; hij vroeg
versterking. Willem III deed daarop, in de eerste dagen van
Augustus, 5 bataljons voetvolk en 3 brigaden ruiterij, — eene
Engelsche onder Montigni, en twee Hollandsche onder Dom pré
en De Rhoe (Van Rhoon ?) — , van Namen op Brussel trekken,
waar zij zich, later, bij Vaudemont aansloten. De overgave van
de stad Namen gaf gelegenheid om met minder sterke macht
het beleg voort te zetten ; daarom werd dan ook, den 6en Augus-
tus, Nassau- Sarbruck met 30 bataljons en 35 eskadrons afgezonden
uit het leger voor Namen naar de zijde van Mazy en Genappe,
om, zoo noodig, zich aan te sluiten bij Athlone. De legermacht,
die voor Namen bleef, moet toen nog een 50 bataljons en even-
veel eskadrons hebben uitgemaakt.
Eene kleine macht achterlatende in Vlaanderen, een 5 è. 6000
man onder Montal, trok Villeroy met zijn leger naar de zijde
van Braband op; niet spoedig evenwel: eerst werden eenige
dagen doorgebracht in een kamp te Wackene, nabij Deynse;
den 4eii Augustus brak men van daar op, en kwam te Avelghem,
een dorp op den linkeroever van de Schelde, lusschen Doornik
en Oudenaarden; den sen ging het Fransche leger die rivier
over, brood medevoerende voor zes dagen; den 6en kwam het
te Renay, slechts een paar uur gaans oostelijk van Avelghem;
den Ssten stond het tusschen Enghien en Steenkerke, op het
slagveld van 1692. Uit Mons verwachtte het leger een aantal
wagens met bommen en andere munitie; het voornemen van een
bombardement aan te wenden, werd daardoor merkbaar.
Die beweging van den vijand vernemende, begon Vaudemont
oogenblikkeHjk, in nagenoeg evenwijdige richting, te trekken naar
de zijde van Brussel; den 6eo Augustus stond hij tusschen Gent
en Dendermonde, den 7eii te Dieghem, tusschen Brussel en Vil-
voorden; geen trage marsch voorwaar. De hertog van Wurlem-
berg verliet toen ook Vlaanderen, en trok naar de zijde van
Digitized by
Google
OPfiRATlËN IN VLAANDEREN SN BRABANO. 315
Brussel^ kwam den 5en Augustus te Gent, . en vereenigde zich
den 9en^ nabij Brussel, met Vaudemont. Wurtemberg had bij
zich, volgens ééne opgave, lo bataljons voetvolk en 2 regimenten
ruiterij; eene andere opgave spreekt van 12 bataljons. De Her-
tog had, alvorens Vlaanderen te verlaten, de vestingen aldaar
tegen 's vijands aanslagen verzekerd door de bezettingen te ver-
sterken en inundatiën te stellen; omtrent het bedrag van die
versterkingen zijn de opgaven zeer uiteenloopena: volgens som-
mige opgaven kwamen er te Brugge 4 bataljons, te Oostende 3,
en te Nieuwpoort 1 1 ; eene andere opgave geeft wel voor Brugge
en Oostende dezelfde getallen, maar zegt dat er te Nieuwpoort
maar een bataljon kwam; — de laatste opgave is de waar-
schijnlijkste.
Vaudemont, die door een goed deel van zijne ruiterij de
vaart van Brussel naar Vilvoorden deed bezetten, trok met het
grootste deel zijner macht de hoofdstad door, en plaatste zich
aan hare zuidzijde, met den rechtervleugel aan de schans Mon-
terey, op den rechteroever der Senne, bij het punt waar die
rivier de stad inkwam ; de linkervleugel kwam bij het dorp Eisen
te staan, vlak bij Brussel, aan de zuidoostzijde. De troepen van
Wurtemberg kwamen meer aan de westzijde van Brussel, naar
den kant van Anderlecht. De stelling werd zooveel mogelijk door
ingravingen versterkt, en in de stad zelve alles ingericht ter ver-
dediging. Er wordt gezegd, dat de legermacht der bondgenooten,
in en bij Brussel, een 20000 man bedroeg.
Willem III wilde, zooveel hij kon, Brussel te hulp komen; en
hij deed daarom Athlone met zijn 16000 ruiters of dragonders,
en de 30 bataljons en 35 eskadrons van Nassau-Sarbruck opruk-
ken in noordelijke richting; den loen Augustus stond die macht
te Waterloo, — een naam toen nog onbekend, in later eeuw
bestemd tot eene zoo groote vermaardheid. Den loen Augustus
vertrok ook Willem III uit de legerplaats voor Namen, en kwam
dien dag te Waterloo; hij bracht nog een versterking aan van
20 eskadrons. De geheele macht, die zich toen te Waterloo be-
vond, wordt begroot op een 40 000 man ; — wat het "waarschijnlijk
maakt, dat de gemiddelde sterkte van het bataljon toen 500 man
geweest is, en van het eskadron 160.
40000 man te Waterloo, en 20000 te Brussel, die zich gemak-
kelijk in weinig uren tijds konden vereenigen, en dan eene sterke
stelling innemen bij Sin t-An na-Pee, een dorp iets ten westen van
Anderlecht, zouden denkelijk Villeroy belet hebben om Brussel
aan te vallen. Maar, werd op die wijze Braband's hoofdstad be-
schermd, dan gaf men daardoor tevens Villeroy volle vrijheid
om op te rukken uit zijne legerplaats bij Steenkerke, en stelling
te nemen tusschen Namen en het leger der bondgenooten bij
Brussel ; en dan was het moeielijk, of onmogelijk om het ontzet
Digitized by
Google
3l6 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
van Namen te bektten. Willem III zag dit in, en besloot het
mindere op te offeren aan het meerdere, liever Brussel bloot-
stellen aan een bombardement, dan afzien van de inneming van
Namen; daarom moest de legermacht te Waterloo niet verder
oprukken naar Brussel, maar steeds vrij blijven om op Namen
terug te gaan. — Nadat hij, in dien zin, voorschriften had ge-
geven aan Vatuiemont, vertrok de Stadhouder den i2en Augus-
tus weer naar Namen.
Villeroy was een paar dagen te Enghien en te Steenkerke ge-
bleven, om een groot konvooi van een 5000 wagens af te wach-
ten, dat van Mons kwam; den loen Augustus kwam hij te Halle,
en in den namiddag van den 11 en in de vlakte westelijk van
Brussel; de rechtervleugel van het Fransche leger kwam nab^
Anderlecht, de linker bij de dorpen Berchem en Ganshoven. De
door de bondgenooten bezette en min of meer versterkte posten
werden, na eenigen wederstand, vermeesterd door de Franschcn,
die toen .dadelijk begonnen aan het opwerpen van batterijen en
het maken van loopgraven. Toen dit gedaan was zond Villeroy,
den 1360 Augustus, een brief aan den Prins De Bergues, den
Spaanschen bevelhebber van Brussel, waarin dezen bericht werd^
dat de Fransche maarschalk, op bevel zijns Konings, Brussel
moest bombardeeren, om wraak te nemen over het bombar-
deeren van de Fransche zeehavens door de vloten der bondge-
nooten; maar dat door de Franschen van dit oorlogsmiddel
zou worden afgezien, zoodra de bondgenooten beloofden dat
ook te doen.
Die kennisgeving was klaarblijkelijk niets anders dan eene
soort van rechtvaardiging van het voorgenomen bombardement,
geen middel om dat bombardement nog te voorkomen; want
Willem III, die de gevraagde belofte moest doen, was niet bin-
nen Brussel; en, terwijl de brief van Villeroy heette om twaalf
uur 's middags te zijn afgezonden, ontving de bevelhebber van
Brussel dien eerst om vijf uur; en reeds om half zes vielen de
Fransche bommen in de stad. Het bombardement duurde den
geheelen nacht van den 1360, ook den i4eü Augustus, dag en
nacht; den i5en hield het tegen den middag op, — omdat er
geen bommen meer waren.
Met hoeveel en met welke vuurmonden het bombardement
werd verricht, en hoeveel bommen en gloeiende kogels er wer-
den geworpen en geschoten, slaan wij over, als van te weinig
belang; genoeg zij het te zeggen, dat op een aantal punten in
de stad branden ontstonden, die, aangewakkerd door den hevigen
wind, een goed deel van de benedenstad van Brussel in asch en
puin legden; — de bovenstad leed weinig. De schade werd op
millioenen begroot; De Quincy spreekt van 23 millioen, — den-
Digitized by
Google
OPERATIÈN IN VLAANDEREN EN BRABAND. 317
keiijk francs. De keurvorst van Beieren was dadelijk naar Brussel
gesneld, waar zijne vrouw zich bevond, in den laatsten tijd van
haar zwangerschap; zij beviel ontijdig, — zoo men zegt, door
den schrik over het bombardement.
Indien vorstelijke personen dus niet vrijbleven van de rampen
die de oorlog met zich meebrengt, zoo kan men oordeelen wat
de Brusselsche burger bij dit bombardement heeft geleden ; toch
bleef de bevolking rustig. In een schrijven van den lyen Augus-
tus aan den raadpensionaris Heinsius zegt de hertog van Wur-
temberg, dat de goede geest van de Brusselsche burgerij haar
dit bombardement geduldig deed doorstaan: «verbazend was
het, de kalmte van de burgers op te merken, die dit geduldig
verdroegen, zonder beweging te maken... Dezelfde burgers die
hunne huizen hadden verloren, troosteden zich met de hoop dat
het kasteel van Namen genomen zou worden."
Denkelijk maakt de Hertog zich hier een weinig illusie: het
is niet waarschijnlijk dat eene zege, door de wapenen der bond-
genooten behaald, den Brusselschen burger getroost zal hebben
over het verlies van zijne have en erve: daartoe was, toen, het
nationaliteits-gevoel bij hem te weinig ontwikkeld; de oorlog die
gevoerd werd, had ook weinig nationaals voor hem ; want, waren
het vreemden die hem aanvielen, het waren ook vreemden die
hem verdedigden. De rust van de burgerij moet, meer waar-
schijnlijk, worden toegeschreven aan de goede militaire maat-
regelen, door de bondgenooten genomen: i6 eskadrons patrouil-
leerden in Brussel; lo bataljons stonden op verschillende punten
van de stad; en 8000 man hielden de vestingwallen en de bui-
tenposten bezet. Waar eene zoo sterke krijgsmacht aanwezig is,
is een stad meestal rustig.
Het ligt in den aard van de zaak, dat die vernieling van een
goed deel van Brussel, kreten van verontwaardiging deed opgaan
h\] de bondgenooten; volkomen in hun recht zouden zij hierbij
zijn geweest, hadden zij niet hetzelfde gedaan, hadden zij zelve
het bombardement niet aangewend tegen de Fransche oorlogs-
havens; nu mogen Saint-Malo en Hivre steden zijn geweest van
veel minder beteekenis dan Brussel, het feit blijft daarom toch
hetzelfde.
Men weet dat de meeningen zeer verdeeld zijn over het ge-
oorloofde van het bombardement. Onze meening is deze: het
bombardement is geoorloofd, als men alleen te doen heeft met
eene vijandelijke vesting waarin geen burgerij is; — het geval
dat voorkwam bij het beleg van de citadel van Antwerpen, in
1832. Het bombardement is geoorloofd tegen een opgestane
stad, waar de bevolking aan den strijd deelneemt, en vesting-
werken maakt van hare huizen; — het geval dat voorkwam bij
Digitized by
Google
3l8 KRIJGS- EN GESCHlEDiCUNDIGB BESCHOUWINGEN.
het bombardement van de stad Antwerpen, iu 1830. Maar het
bombardement is niet geoorloofd, het is een onedel en oneerlijk
oorlogsmiddel, als men het aanwendt tegen een vreedzame bur-
gerij, met het inzicht om, door de rampen die men uitstort over
die burgerij, den bevelhebber van de aangevallen vesting te
nopen tot eene spoedige overgave.
Deze meening van ons, over het al of niet geoorloofde van
het bombardement, vindt volstrekt geen algemeene instemmiDg;
integendeel, de heerschende meening is, dat het bombardement
altijd mag aangewend worden, waar het krijgskundige voordeelen
oplevert; die stelregel hebben de Duitschers in 1870 tegen de
Fransche vestingen aangewend, — soms mét, soms zónder goed
gevolg. Deelt men die thans heerschende meening, dan heeft
men niet het recht om den staf te breken over Villeroy; dan
zal men misschien verzachtende omstandigheden vinden voor
wat Luxembourg in 1672 — 1673 deed, voor de verwoesting van
de Paltz door Louvois, en voor soortgelijke gruwelen.
Men moet ook in het oog houden, dat die wreede handelingen
niet te wijten zijn aan ééne partij, dat beide partijen elkander
hierin niet veel hadden te venvijten, dat er aan beide zijden van
de landpalen gezondigd werd: de verwoestingen, in 1704 in
Beieren aangericht door Marlborough, verschillen zoo heel veel
niet van de verwoesting van de Paltz; en, mogen wij bij de
oorlogen van de negentiende eeuw in vele opzichten mensche-
lijker zijn dan onze voorouders bij de oorlogen van de zeven-
tiende, dan is dit toch niet in alle opzichten; soms moet men
zeggen : wat toen gedaan werd, was slecht, maar wat nu gedaan
wordt, is niets beter.
Toen het bombardement van Brussel was afgeloopen, zond
Villeroy zijn zwaar geschut den i6en Augustus terug op Ënghien;
den i7en trok ook het leger derwaarts, in zes marsch-colonnen ;
het bleef den i8en te Ënghien, en kwam den igen te Soignies.
Villeroy, niet de man om uit zichzelf te handelen, had aan den
Koning nadere bevelen gevraagd; die bevelen kwamen nu, en
hielden in, dat, het kostte wat het wilde. Namen moest worden
ontzet. Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan.
Zoodra men te Brussel de aftrekkende beweging van het
Fransche leger bespeurde, was de generaal Van Heukelom met
10 bataljons van daar op Waterloo getrokken, om zich bij
Athlone te voegen; den iSen Augustus volgde Vaudemont met
het overige van zijne macht. Het leger der bondgenooten nam
toen stelling met den linkervleugel bij Genappe, de rechter naar
de zijde van het bosch van Soignies; dat leger bestond toen uit
76 bataljons voetvolk en 160 eskadrons ruiterij; dus, naar schat-
Digitized by
Google
OPERATIËN IN VLAANDEREN EN BRABAND. 319
ting, 38000 man voetvolk en een 25000 ruiters of dragonders,
te zamen een 63 000 man. Een deel van Vaudemont's ruiterij is
bovendien achtergebleven tot het bezetten van de vaart van
Brussel op Vilvoorden.
Te Soignies ontving Villeroy nog verschillende versterkingen,
deels getrokken uit de bezettingen van Frankrijk*s noordelijke
vestingen, deels bestaande uit eene afdeeling van eenige duizend
man, die van het Fransche Rijn-leger was afgezonden naar de
Nederlanden. De geheele sterkte van Villeroy's leger klom daar-
door tot een bedrag van 102 bataljons en 200 eskadrons; dus,
naar schatting, een 63000 man voetvolk en 32000 ruiters of
dragonders, te zamen een 95 000 man. De Merveilleux schat die
sterkte van het Fransche leger op slechts 90000 man; — zelfs
al neemt men dit kleinste cijfer aan als het ware, dan was dit
toch een zeer sterk leger; en als men daarbij in aanmerking
neemt, dat de verdediging van het Namensche kasteel nog ge-
durende de geheele maand Augustus is voortgezet, dan zou men
oppervlakkig zeggen, dat het ontzet van die sterkte niet heeft
behoord tot de onwaarschijnlijke zaken. Toch heeft dat ontzet
niet plaats gehad; de zwarigheden zijn te groot geweest.
Den 2osteD Augustus verliet het leger van Vaudemont de stel-
ling bij Genappe, om Namen meer nabij te komen; het stelde
zich op bij Mazy, op den linkeroever van den Ormeau; en kon
daar den overgang van die beek — of kleine rivier — aan Vil-
leroy betwisten, als deze aan die zijde tot Namen wilde door-
dringen. Te Mazy was Vaudemont's leger op slechts een paar
uur afstands van de legermacht voor Namen ; beide legers waren
toen dus zoo goed als vereenigd; troepen gingen gedurig over
van het eene leger naar het andere, naar gelang dit noodig was ;
en Willem III zelf ging, herhaaldelijk, uit de aanvalswerken voor
Namen, om te Mazy, of nabij die plaats, Villeroy het hoofd te
bieden. Het ligt in den aard van de zaak, dat Vaudemont's
leger toen eene afwisselende sterkte moet hebben gehad. De
macht der bondgenooten was vermeerderd met een 10 000 man
Hessische troepen, van het Duitsche leger aan den Rijn gezon-
den naar de Nederlanden, toen men vernomen had dat het
Fransche leger aan den Rijn hetzelfde had gedaan; van die
Hessische troepen kwam de infanterie voor Namen, de cavalerie
bij het leger te Mazy; dat leger, thans ook aangevoerd door
den Stadhouder zelven, had vroeger ook versterkingen gekregen
van het belegeringskorps, en bestond toen uit 95 bataljons en
ruim 200 eskadrons; denkelijk 47 k 48000 man voetvolk en
nagenoeg 33 000 ruiters of dragonders, te zamen een 80 000 man.
Het zij echter herhaald : die sterkte moet afwisselend zijn geweest.
Digitized by
Google
320 KRIJGS- SN GBSCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Den 23sten Augustus brak Villeroy op van Soignies, en trok
in de richting van Nivelles; hij kwam dien dag nabij Arquenne
en Séneffe, nabij het slagveld van 1674. Die beweging duidde
het voornemen aan, om naar de zijde van den Ormeau tot Namen
door te dringen: en Vaudemont's leger begon daarom verschan-
singen op te werpen achter die beek, in den omtrek van Mazy.
Den 26stea trok Villeroy op Marbais, en kwam met den rech-
tervleugel te Fleurus en den linker te Meliori, een dorp, een
kleine twee uur westelijk van Gemblours; 's avonds om tien uur
werden in het Fransche leger drie salvo's met het geschut ge-
geven, om daardoor aan Boufflers kenbaar te maken, dat er
hulp opdaagde. Nadat de Fransche maarschalk den 27steQ eene
soort van verkenning had verricht, schijnt hem dit bewogen te
hebben om af te zien van het forceeren van den overtocht van
den Ormeau bij Mazy, maar die beek over te gaan op een hoo-
ger gelegen punt, waar geen vijand was, en dan tot Namen door
te dringen in de ruimte tusschen den Ormeau en de Méhaigne.
Den 28sten Augustus trok het Fransche leger op Gemblours, en
ging, 's avonds, tusschen die plaats en het iets hooger gelegen
dorp Sauvenier, den Ormeau over, met het voornemen, den 29sten
in zuidelijke richting op te rukken tegen de stelling van de
bondgenooten.
Maar die stelling had eene geduchte sterkte, die weinig goeds
deed verwachten van een aanval. Het is voor ons thans zonder
belang om in bijzonderheden te vermelden hoe de verschillende
deelen van het leger van Willem KI in die stelling waren ge-
plaatst, en welke verschikkingen en veranderingen daarbij voor-
vielen, naarmate van de berichten die men kreeg van 'svijands
bewegingen; zulk eene uitvoerige vermelding zou vervelend zijn,
èn voor onze lezers, èa voor ons. Wij willen er ons toe bepalen,
die stelling in groote trekken aan te duiden.
In den ochtend van den 29sten Augustus, toen het Fransche
leger oprukte tegen die stelling, had zij eene frontlengte van
anderhalf uur gaans, van Mazy, waar de linkervleugel stond, tot
Osten, eene landhoeve bij de Méhaigne, waar de rechtervleugel
was geplaatst. Zulk eene frontlengte zou ons bij de Napoleon-
tische veldslagen nog al aanmerkelijk voorkomen; — maar men
moet niet vergeten, dat de troepen op het einde van de zeven-
tiende eeuw veel minder beweegbaar waren, en geheel vreemd
aan het gevecht in verspreide orde; een moerassig doorsneden
terrein, bosscheo, een weinig beduidende beek maakten toen
gewichtige, soms onoverkomelijke hindernissen uit; en bij de
stelling van de bondgenooten had men zulke hindernissen in
menigte. De linkervleugel leunde aan Mazy en aan de aldaar
opgeworpen verschansingen; vóór den rechtervleugel stroomde
een arm van de Méhaigne, — wel is waar geen diep water.
Digitized by
Google
OPERATIËN IN VLAANDEREN EN BRABAND. 32 1
maar dat toch voor eene gesloten troepenafdeeling moeielijk was
over te trekken, wanneer daarachter een genoegzaam sterke ver-
dediger was; ook waren d^dr de landhoeven van Osten en van
Brouart — of Bruyère — bezet en versterkt; de aanval op dien
rechtervleugel had dus niet veel kans van slagen. Nu bleef nog
in het midden eene ruimte over van een groot half uur gaans,
van waar de Méhaigne begint, tot nabij Mazy; maar in die
ruimte had men het dorp Saint-Denis, dat sterk was bezet en
goed ter verdediging ingericht; evenzoo waren de bosschen be-
zet, die zich noordwaarts van Saint-Denis bevonden, naar de
zijde van Argenton en Gemblours; de wegen in die bosschen
waren afgesloten door verhakkingen; en de open gedeelten tus-
schen die bosschen en dorpen waren aangevuld door opgeworpen
verschansingen. Wanneer men nu nog in aanmerking neemt, dat
in de frontlijn van die stelling meer dan loo veldstukken in bat-
terij stonden, — voor de helft 12-, 9- en 6-ponders, voor de
helft van kleiner kaliber — ; dat die stelling bezet was dooreen
80000 man, zeer goede troepen; dat het legerhoofd Willem III
was; dan is het zeer duidelijk, dat er, bij een aanval op die
stelling, voor Villeroy zeer weinig kansen waren op eene over-
winning, en dat het hem dus niet als een misslag is toe te reke-
nen, indien hij dien aanval niet heeft ondernomen.
Toch moest men op zulk een aanval bedacht zijn. Te mid-
dernacht, tusschen 28 en 29 Augustus, krijgt Willem III bericht,
dat de vijand, bij Gemblours en Sauvenier, den Ormeau begint
over te gaan, en op het dorp Argenton trekt. Oogenblikkelijk
worden de noodige bevelen uitgevaardigd; en vóór dat nog de
dag aanbreekt, is het leger van den Stadhouder gereed tot den
strijd. Eene zware mist en regen, in den ochtend van den 29stcn,
verhindert iets van den vijand te bespeuren; maar tegen den
middag, toen het goed weer wordt, ziet men eene Fransche
troepenmacht, grootendeels ruiterij, de stelling van de bondge-
nooten naderen, bijna tot onder het bereik van het geschutvuur;
het was Villeroy, die met een 20 eskadrons en 1000 grenadiers
die stelling kwam verkennen. Die verkenning leverde voor de
Franschen geen bevredigende uitkomst op; men bespeurde dat
er, tusschen de Méhaigne en Mazy, drie doorgangen of open
terreingedeelten waren tusschen de bosschen, maar dat die door-
gangen, reeds moeielijk door ravijnen en door moerassigen grond,
waren afgesloten door opgeworpen verschansingen. Villeroy, zijne
onderbevelhebbers raadplegende, stelde hun de vraag, of het
raadzaam was om aan te vallen en slag te leveren ; het antwoord
was ontkennend; — een krijgsraad gaat zelden over tot een
krachtig besluit; hier zou dit trouwens ook een onverstandig
besluit zijn geweest. Reeds tusschen drie en vier des namiddags
ging het Fransche leger terug op Gemblours; en, overtuigd dat
WILLEM II r. — III. 21
Digitized by
Google
322 KRljGS- EN GESCHIBDRUNDIGB BESCHOUWINGEX.
er dien dag geen aanval meer was te dachten^ zood Willem UI
nog om zes uur 's avonds 3000 grenadiers uit het leger naar
Namen terug^ om daar deel te nemen aan de bestorming van
het kasteel, die den volgenden dag moest plaats hebben.
Aan die zijde was 's vijands stelling te sterk ; — Villeroy wilde
het nu eens aan eene andere zijde beproeven.
In den ochtend van den 3osteQ Augustus trekt het Fransche
leger van Gemblours, over Perwez, naar de Méhaigne; en slaat
zich neder aan de noordzijde van dat riviertje, tusschen Perwez
en Taniers. Willem III was die beweging van den vijand gevolgd,
en breidde zijne stelling rechts uit, achter de Méhaigne, tot nabij
Boneffe; bij dat dorp waren een 40 Fransche eskadrons het
riviertje overgegaan, en kwamen daar in gevecht met een 30
eskadrons van de bondgenooten, onder La Forest.
Dat ruitergevecht wordt op uiteenloopende wijze vermeld.
Volgens ónze opgaven — de £uropische Mercurius en De Mer-
veilleux — had La Forest, met een deel van zijne ruiters aan-
vallende, daardoor den vijand in een hinderlaag gelokt, waar de
afgestegen dragonders van Ëppinger en Dopflf stonden; deze
had r) en door hun vuur de Fransche eskadrons in verwarring ge-
bracht, die daarop waren geslagen met een verlies van 150
paarden, terwijl de ruiterij van de bondgenooten maar een 50
paarden verloor. Volgens De Quincy daarentegen behaalde de
Fransche ruiterij de overwinning; ook geeft hij eene omgekeerde
verhouding van de sterkte, en zegt, dat de Franschen maar 30,
en de bondgenooten 40 eskadrons hebben geteld. De waarschijn-
lijkheid is er voor, dat dit ruitergevecht niet veel te beduiden
heeft gehad; in de half officieele y^Campagne de 1695^^ wordt dan
ook maar gezegd, dat La Forest »eene kleine schermutseling
{quelque légere escarmouchey^ met den vijand had, tot aan een
défilé dat door de dragonders van Dopff was bezet, en dat de
Fransche ruiterij tegenhield.
Den 31 sten Augustus deed Villeroy weer eene verkenning, en
raadpleegde hij weer zijne onderbevelhebbera, of het goed zon
zijn de Méhaigne over te trekken en slag te leveren; dit werd
niet goed gevonden. Men voerde dus dien dag niets uit, ook
den isten September niet; en den 2cn trok men weg, toen de
mare kwam dat het Namensche kasteel was gevallen. — Wij
hebben nu den kamp te behandelen die den val dier sterkte
teweegbracht.
Den 4eQ Augustus waren de poorten van Namen in bezit ge-
nomen door de belegeraars; den sen trok de Fransche bezetting^
een 7000 man, over de Sambre naar het kasteel terug, en werd
Digitized by
Google
BELEG VAN HET KASTEEL VAN NAMEN. 323
de Stad bezet door 6 bataljons van de bondgenooten, onder
Heiden; in den ochtend van den 6en braken de Franschen de
Sambre-brug af, die de gemeenschap uitmaakte van de stad met
de zoogenaamde benedenstad, aan den voet van het kasteel ge-
legen; Guiscard, het laatst binnen Namen gebleven zijnde, werd
toen, in een boot, de Sambre overgezet. Op het middaguur van
den 6eQ Augustus hield de wapenstilstand op, en begon het beleg
van het kasteel van Namen.
Die geduchte vesting, op hare hooge rots gelegen, aan twee
zijden beschermd door Maas en Sambre, aan de andere zijden
door krachtige voorliggende werken, scheen de sterkste wapen-
macht van een vijand te kunnen trotseeren, zoolang het haar
niet mangelde aan soldaten, aan wapenen, aan leeftocht, en,
vooral, aan een dapper en bekwaam aanvoerder ; — en dat alles
had zij in ruime mate.
Men kan de Fransche troepenmacht, die toen het kasteel van
Namen en zijne onderhoorigheden bezette, gerustelijk schatten
op eene sterkte van een loooo man; men neemt dan aan, dat
de Fransche bezetting sedert het begin van het beleg, tijdens de
verdediging van de stad, aan gesneuvelden, gewonden en zieken
een 5000 man heeft verloren, een cijfer dat denkelijk niet te
laag is gesteld. Die schatting van een 10 000 man voor de sterkte
der Fransche bezetting op den 6en Augustus, wordt eenigszins
waarschijnlijk gemaakt door de opgave van De Merveilleux, dat
de Fransche macht, bij het ontruimen van de stad, 7000 man
telde: er zullen, in het kasteel met zijne onderhoorigheden, wel
een 3000 man zijn geweest.
Aan wapenen — en bij de verdediging van eene vesting wil
dit zeggen, aan artillerie en munitie — , heeft het in het kasteel
van Namen ook niet ontbroken; want bij de overgave hebben
de belegeraars d^r, en in de voorliggende werken, gevonden:
»72 kanonnen van verschillend kaliber; 4 mortieren, behalve
nog eenige die onbruikbaar waren; 300000 pond kruit; 6000
kanonkogels; 3000 bommen; 40000 handgranaten; 150 vaten
salpeter; 8000 musketten; 50000 pond aan lonten; en al andere
voorraad naar evenredigheid."
Nu mag in die opgave wel wat onbepaalds zijn; — bij voor-
beeld aangaande de kalibers van het geschut, en de hoeveelheid
salpeter die in ieder vat was; — toch is het zeker dat die opgaaf
doet zien, dat het kasteel van Namen toen voorzien was, niet
slechts van eene genoegzame, maar zelfs van eene rijkelijke bewa-
pening; — altijd, naar de militaire begrippen van die dagen.
Hoe die artillerie in het kasteel en de buitenwerken geplaatst
Digitized by
Google
324 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
was, hebben wij niet, met juistheid, kunnen ontdekken; slechts
hier en daar hebben wij enkele aanduidingen gevonden.
Maar de soldaat moet niet alleen vechten, hij moet ook eten.
Ook te dien opzichte was het kasteel van Namen in een vol-
doenden toestand; want het Fransche y^Journal du siège de Namur^
zegt, dat er op den 960 Augustus nog een voorraad aan levens-
middelen was voor twee maanden; — en twee maanden was
hier zoo goed als eene eeuwigheid; want vóór het verstrijken
van dien tijd kon het slechte weer invallen, dat de voortzetting
van het beleg zou bemoeilijken, 't Is waar, op het kasteel van
Namen at men soms paardevleesch, — maar men was daarover-
heen; de bommen van den belegeraar vernielden wel eens de
ovens waarin het brood werd gebakken, — maar dan maakte
men weer andere ovens. In één woord: de voeding op het kas-
teel van Namen liet wel wat te wenschen over; zij was niet vol-
maakt; men was daar niet in Abraham's schoot; — maar is het
in eene belegerde vesting ooit anders gesteld?
En eindelijk de hoofdzaak: de aanvoering. In dat opzicht was
het kasteel van Namen zoo goed bedeeld als men maar wen-
schen kon. Behalve Guiscard en veel andere dappere en bekwame
officieren, moet hier vooral worden genoemd de maarschalk
Boufflers, de opperbevelhebber: een man vol geestkracht, vol
moed, een held. Vroeger is aangetoond, dat het spoedig ver-
liezen van de > linie van Vauban" moet worden geweten aan een
misslag van Boufflers; maar, in weerwil van dien éénen misslag
— wie begaat er geen ! — is het ontwijfelbaar dat hij is geweest
een uitstekend opperbevelhebber, een schitterend voorbeeld voor
ieder die belast wordt met de grootsche maar moeielijke taak
om een belegerde vesting aan den vijand te betwisten.
Met zulke middelen ter verdediging, zou het kasteel van Namen
in 1695 misschien niet zijn bezweken, ware het aangevallen,
evenals in 1692, aan de westzijde, aan den kant van La Cassotte
en Terra Nova en op de bedachtzame, stelselmatige wijze van
Vauban 1 Maar Coehoom, die in 1695 de belegering heeft be-
stuurd, besloot den aanval hoofdzakelijk te verrichten van de
stadszijde, en van den overkant van de Maas, en bij dien aan-
val middelen te bezigen, zóó geweldig, dat zij in dien tijd half
als revolutionnair werden aangemerkt.
Het kasteel van Namen aan te vallen aan de oostzijde, gaf
ddt groote voordeel, dat de batterijen binnen de stad Namen
en aan de Sambre, dan op slechts een 200 el afstands waren
van de rechterflank van fort Willem en van Terra Nova, het
muurwerk van die sterkten konden zien, en dus spoedig bres
Digitized by
Google
BELEG VAN HET KASTEEL VAN NAMEN. 325
daarin konden schieten; veel beter dan batterijen in de nader-
nissen aan d^ westzijde, aan den kant van La Cassotte, die op
meer dan het dubbele van den afstand zouden zijn van het
muurwerk waarin zij bressen zouden moeten maken; — boven-
dien was d^n de vermeestering van La Cassotte noodig, alvorens
fort Willem en Terra Nova te kunnen aanvallen. Door batterijen
op de stadswallen van Namen, en door batterijen aan de zuid-
zijde van het kasteel op den rechteroever van de Maas, kon
men ook de benedenstad aan den voet van het kasteel vernielen,
of ten minste bressen schieten in de muren die haar omgaven.
Maar wat had men daaraan? Hoe die bressen te bestormen,
waar Maas en Sambre nog tusschen beide waren? en zelfs, al
kon men die bestorming doen, a1 gelukte die, al werd men
meester van die benedenstad, was het dan toch geen onmoge-
lijkheid om van daar het kasteel aan te vallen, op de rots ge-
legen, en alleen genaakbaar over een hooge steenen trap?
De tegenwerpingen, in die vragen besloten, zijn slechts schijn-
baar gegrond «
Ja, de Sambre en de Maas zouden de bestorming van de be-
nedenstad hebben belet, wanneer die rivieren ondoorwaadbaar
waren geweest, maar dit waren zij niet bij cene eenigszins aan-
houdende droogte; en in het verhaal van dit beleg vindt men
opgeteekend, dat er toen dagen zijn geweest, waarin bij de be-
nedenstad de Sambre gemakkelijk was te doorwaden, een enkelen
keer zelfs de Maas; en, indien het al onmogelijk was om van
de benedenstad het kasteel te bestormen, zoo zou toch de ver-
meestering van de benedenstad door de bondgenooten, het voort-
zetten van de verdediging van het kasteel moeielijk hebben ge-
maakt, omdat het drinkwater voor de bezetting grootendeels moest
komen uit de benedenstad. Wat de bressen aangaat in de rech-
terflanken van fort Willem en van Terra Nova, die konden mis-
schien niet bestormd worden van de overzijde van de Sambre,
maar toch wél van den rechteroever dier rivier, uit de nader-
nissen, uitgaande van de zijde van Salsines.
(Wanneer hier gesproken wordt van rechterflanken van fort
Willem en van Terra Nova, dan moet men het woord flank
niet opnemen in de beperkte beteekenis waarin het voorkomt in
het gebastionneerde stelsel; hier wordt bedoeld: de rechter-
zijden van die beide werken).
Het door Coehoom gekozen aanvalsfront is dus denkelijk het
beste geweest; intusschen werd de val van het kasteel van Namen
niet alleen bewerkt door die gelukkige keus, maar ook door de
buitengewoon krachtige artillerie, tegen die vesting aangewend.
Het Fransche y^Journal du siège de Namur'''' stelt de geheele sterkte
der artillerie, door de bondgenooten tegen het kasteel in werking
Digitized by
Google
326 KRIjGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
gebracht, op bij de 200 kanonnen en mortieren; — dit cijfer
is denkelijk niet zeer overdreven, — indien het overdreven is; —
want in de half officieele opgave van onze zijde, in de ^Crav-
pagne de 1695", wordt gezegd, dat op den i6cn Augustus tegen
het kasteel en zijne onderhoorigheden, 80 zware vuurmonden in
batterij stonden; maar op den 2osten Augustus was dit reeds
geklommen tot 161 ; en, daar er op den 27steD nog eene batterif
van 10 vuurmonden bij kwam, klom het geheele cijfer tot 171.
Uit De Merveilleux zou men kunnen opmaken, dat hij de geheele
sterkte van de artillerie des belegeraars op 207 vuurmonden stelt,
maar er is eenige onduidelijkheid in de opgave van dien schrijver.
Zooveel is echter zeker, dat, al neemt men het kleinste cijfer —
de half officieele opgave van onze zijde — , een geduchte sterkte
aan artillerie hier tegen het Namensche kasteel werd aangewend.
Maar, heeft Coehoorn al veel vuurmonden in het belegerings-
park gehad, had hij ook te beschikken over veel munitie? De
belegeraars hadden een kleine 200 vuurmonden in batterij ; maar
hebben die vuurmonden druk geschoten?
Alle opgaven stemmen daarin overeen, om die vragen beves-
tigend te beantwoorden. In het Fransche „JoumaP^ verwondert
men zich, dat de stukken van den belegeraar een zoo onver-
poosd schieten hebben kunnen uithouden, en wordt de meening
geuit, dat die vuurmonden gedurig met andere zijn omgewis-
seld; — eene meening, die minder waarschijnlijk is. De Quincy
zegt, dat de bondgenooten Namen niet zouden hebben vermees-
terd f^ans la prodigieuse artillerie qü*ih y emplojèrent et qui Pouvrit
de tous cotes^"*; — de toon die de Fransche schrijver hier aanslaat,
klinkt bijna alsof hij wilde zeggen: »dat is geen eerlijk spel ge-
weest, op die wijze is het overwinnen gemakkelijk"; — hetzelfde
wat enkelen bij ons, aanvankelijk, hebben gezegd, toen de Fran-
schen in 1832 een zoo sterke artillerie aanwendden tegen de
citadel van Antwerpen; noch daar, noch bij het Namensche
beleg van 1695 is den belegeraar hieromtrent iets te verwijten.
Wil men een overtuigend blijk hebben, dat er bij deze bele-
gering van Namen door onze artillerie met ruime hand gebruik
is gemaakt van hare munitie, men leze in het Archief van Hein-
sius (2* deel, blz. 104), wat den 460 September 1695 uit Namen
aan den Raadpensionaris is geschreven, door Van Vredenburch van
Adrichem, toen gedeputeerde te velde bij het leger van Willem III.
...» Gbteren ben ick uyt het quartier van Méhaigne opge-
broocken ende coomen logeren in deze stadt, maer voor hoe
langh weet ick niet. Ick hebbe naeuwkeurigh de posten op
dewelcke de artillerye is gebruyckt besien, ende ben nu niet
meer verwondert dat de petitiën van behoeften jaerleyx soo
coomen te exorbiteren, zijnde, mijns oordeels, onbegrijpelijck
de wanordre daeromtrent, dervende mij vanteren, indien het
Digitized by VjOOQIC
BELEG VAN HET KASTEEL VAN NAMEN. 327
van mijn departement was, ick het landt hondert duy zenden
zoude doen profiteren; maer hier over breeder in mijn rapport
't geen in tijt en wijlen aen mijne Heeren en Confraters hoop
te doen."
Hoe jammer dat die Mijnheer Van Vredenburch van Adrichem
niet beiast is geweest met het bestuur over de artillerie voor
Namen: hij zou ze op betere manier hebben aangewend; hij
zou de munitie met mondjesmaat hebben uitgegeven; hij zou
het land tonnen gouds hebben bespaard ; — 't is waar, Namen
zou dan, misschien, niet genomen zijn geworden; en, brengt
men ook ddt in rekening, dan schijnt het haast, alsof de manier
van Coehoorn toch nog de verkieslijkste is geweest.
Bij hel^ beleg van 1692 zijn tegen het kasteel geen batterijen
aangewend van de stadszijde, bij het beleg van 1695 wél; —
mocht dat, was dat geoorloofd, was dat goed? — In de levens-
beschrijving van Coehoorn, door zijn zoon Gosewijn Theodoor,
wordt dienaangaande gezegd (blz. 13 — 14):
...»Hij" (Coehoorn) >deed daarop eenige batterijen opwerpen
op den stadswal, en in eenige tuinen in de stad, om daarmede
bres te schieten in het oude kasteel. In den beginne had de
vijand hier veel tegen in te. brengen, voorwendende dat dit in
strijd was met de Capitulatie; maar daar men hem onder het
oog bracht, dat het geschiedde op 's Konings bevel, die de
Capitulatie niet had geteekend — die men, opzettelijk, alleen
door den Keurvorst van Beyeren had laten teekenen — berustte
hij er stilzwijgend in.*'
Wat Gosewijn Theodoor hier zegt, is eene zeer slechte ver-
dediging van het bezigen van batterijen in de stad tegen het
kasteel: de capitulatie verbiedt dit wel, maar de capitulatie bindt
den Koning niet, die ze niet heeft onderteekend. Hoe! Moest
dan de Fransche bevelhebber van Namen niet in de vaste over-
tuiging verkeeren, dat de onderteekening van de capitulatie door
den Keurvorst geschiedde met voorkennis en goedkeuring van
Willem III; en was het met eer en goede trouw overeen te
brengen om, daarna, die verbintenis, door den Keurvorst aan-
gegaan, te verbreken, de belofte, door den Keurvorst gedaan,
te verloochenen; was dat niet een ergelijke kwade trouw, een
onwaardig bedrog, een echte Jezuïetenstreek ?
Zoo zou men over die handeling moeten oordeelen, wanneer
de voorstelling, door Gosewijn Theodoor gegeven, waar en juist
was; maar dat is zij niet: zij is geheel onjuist, of onwaar.
In de capitulatie van Namen staat niets, niets hoegenaamd,
wat maar in het minst kan uitgelegd worden als eene verbin-
tenis om geen geschutvuur van de stadszijde tegen het kasteel
aan te wenden ; Willem III had dus het volste recht om dit wél
Digitized by
Google
328 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
te doen : hiermede schond hij geen belofte, verbrak hij geen ge-
geven woord ; te dien opzichte had hij zijne volle vrijheid behouden.
Van de Fransche zijde is wel beweerd, dat de bondgenooten
hadden beloofd, niet te vuren van de stadszijde*, — maar dit is
een uit de lucht gegrepen bewering; er wordt niet gezegd wie
die belofte had gedaan; en toen den loen Augustus Guiscard
zich over deze aangelegenheid wendde tot Brouay, den bevel-
hebber der bondgenooten in de stad, gaf deze een geheel onbe-
vredigend antwoord : „/J quoy il ne répondit rien de posftff''\ —
zegt het Fransche „Journal du siège de Namur'* (blz. 162).
Later zeiden de verdedigers van het kasteel legen de belege-
raars: >als de stad schiet op het kasteel, dan schiet het kasteel
ook op de stad." — » Niets billijker dan dat,'* — was het ant-
woord der belegeraars — »gij moogt op de stad schieten; maar
weet, dat gij dan meteen schiet op de 1800 zieke of gewonde
Franschen, die nog in de stad worden verpleegd." Den 21 sten
Augustus werd dan ook, van het kasteel, het vuur van 9 kanon-
nen en vati 9 mortieren op de stad gericht; maar het zeer over-
machtige vuur van den bslegeraar bracht die Fransche artillerie
geheel tot zwijgen; het beschieten of bewerpen van de stad ver-
flauwde al zeer spoedig en hield binnen een paar dagen geheel op.
Wanneer het geldt de krijgskundige beschrijving van een heden-
daagsch beleg, dan moet, dag voor dag, vermeld worden wat er
door de beide partijen is gedaan: welke batterijen er zijn aan-
gelegd; wanneer, en hoe, die zijn bewap2nd; hoeveel ellen loop-
graaf de belegeraar heeft gemaakt; welke de uitwerking is ge-
weest van het wederzijdsche vuur; hoe men de beschadigingen
heeft hersteld, door dat vuur teweeggebracht; welke uitvallen er
zijn gedaan; hoeveel troepen de belegeraar heeft gehad in de
nadernissen, de belegerde in de werken der vesting; welke ver-
liezen elke partij heeft geleden enz. Eene beschrijving van een
hedendaagsch beleg moet, wil zij krijgskundige waarde hebben,
opgaven inhouden aangaande die punten.
Maar niet alzoo bij de beschrijving van een beleg, dat bijna
twee eeuwen geleden is, niet alzoo bij de beschrijving van het
beleg van Namen van 1695. Raadpleegt men de verschillende
opgaven over dat beleg — voornamelijk: onze y^Campagne de
1695",- De Merveilleux; en het Fransche y^Journal du siège de
Namur'*^ ; — dan bestaat zeer goed de mogelijkheid om met tame-
lijke juistheid en volledigheid eene krijgskundige voorstelling te
geven van wat, dag voor dag, bij dat beleg is voorgevallen; —
maar wat heeft de krijgswetenschap aan zulk eene voorstelling,
die noodwendig studie en arbeid vordert, en noodwendig toch
veel leemten zal hebben? — Daaraan heeft de krijgswetenschap
weinig of niets; zij leert daaruit weinig of niets; uit een heden-
Digitized by
Google
BELEG VAN HET KASTEEL VAN NAMEN. 329
daagsch beleg, uit een beleg van de citadel van Antwerpen, van
Sebastopol, van Straatsburg, van Béfort, — ja, daaruit kan de
krijgswetenschap leeren, raaar niet uit een beleg van Namen van
1695, dat ons — wat de krijgskunst betreft — haast even vreemd
is geworden als de belegering van Saguntum door Hannibal, of
de belegering van Jeruzalem door Titus. Sedert 1695 's het
artilleriewezen — de ziel van den vestingoorlog — zoo hemels-
breed veranderd, dat bijna niets van wat is voorgevallen bij óns
beleg van Namen, zijne toepassing zou kunnen vinden bij een
hedendaagsch beleg.
Wij zullen hier dan ook niet op uitvoerige, wetenschappelijke
wijze beschrijven, hoe in 1695 het kasteel van Namen bezweken
is voor Coehoorn's aanval; zulk eene beschrijving zou toch
weinig of geen waarde hebben voor den wetenschappelijken
lezer; voor den o n wetenschappelijken zou zij vervelend en ver-
moeiend zijn, — even vervelend en vermoeiend als voor den
schrijver zelf. Wij zullen er ons toe bepalen, den gang der ge-
beurtenissen in groote trekken te vermelden, aanwijzen, wat de
voornaamste bezwaren zijn geweest, waarmede men te worstelen
heeft gehad, en zeggen, hoe men door dapperheid en geestkracht
die bezwaren is te boven gekomen.
Willem III die, tot de overgave van de stad, zijn hoofdkwar-
tier gevestigd had gehouden in een hoeve. La rouge cense of La
maison rouge, ten noorden van de Sambre, had, tijdens het beleg
van het kasteel, zijn hoofdkwartier tusschen Sambre en Maas,
in de abdij van Maloigne, niet ver van het verblijf van Coe-
hoorn; de keurvorst van Beieren, tot op dien tijd gehuisvest in
die abdij, bracht toen zijn verblijf over in een Karmeliten-klooster,
zuidelijk van de abdij van Maloigne, en niet ver van den lin-
keroever van de Maas. In den nacht van den 6en op den 7 en
Augustus begon het geschutvuur tegen, en van, het kasteel van
Namen; de eerstvolgende dagen werden door den belegeraar
doorgebracht met het opwerpen van verschillende batterijen,, en
met het maken van twee nadernissen, de eene uitgaande van de
linie van Vauban, en de andere van La Balance en Salsines.
De loopgravenwacht werd toen vastgesteld op eene sterkte van
3400 man, onder bevel van één generaal-majoor, één brigadier
en vier kolonels; bovendien waren in de nadernissen meestal
een 700 schansgravers; — in de laatste dagen van het beleg
klom de loopgravenwacht in sterkte tot bij de 5000 man. Die
wacht was, tot op dien tijd, samengesteld uit geheele bataljons;
thans week men van die handeling af, en nam detachementen
uit ieder bataljon, of regiment; — op dezelfde wijze als thans
nog, volgens óns garnizoens-reglement, de wachtparade wordt
samengesteld. Dit is eene verkeerde samenstelling; het is veel
Digitized by
Google
330 KRIJGS- KN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
beter, de wachten samen te stellen uit bestanddeelen van een en
hetzelfde korps; 500 man, tot één regiment behoorende, hebben
oneindig meer kracht en samenhang, dan 500 man uit tien ver-
schillende regimenten getrokken; die waarheid behoort tot het
ABC van de krijgskunst, niet juist van de krijgskunst van onzen
tijd, maar van de krijgskunst van alle tijden.
Naar gelang de nieuwe batterijen van den belegeraar werden
bewapend, begonnen zij ook haar vuur te openen op het kasteel
en zijne onderhoorige werken; den lacQ Augustus was dit vuur
reeds vrij ernstig; en den i6en waren reeds 78 vuurmonden in
werking tegen het kasteel: 40 kanonnen en 12 mortieren uit
batterijen nabij de Brusselsche poort, in de stad, en 12 kanon-
nen en 10 mortieren uit batterijen aan de overzijde van de Maa&y
nabij de faubourg de Jambe, Het vuur van de reeds bestaande
batterijen begunstigde het aanleggen van nieuwe, onmiddellijk
bij de Sambre, in de stadswallen en stadstuinen; die nieuwe
batterijen moesten dienen tegen fort Willem, en tegen Terra
Nova. In de Campagne de 1695 wordt het onverklaarbaar ge-
vonden, dat de belegerde het aanleggen van die batterijen bij
de Sambre zoo lijdelijk bleef aanzien; daar hij dit toch bad
kunnen tegengaan, niet alleen door kanonvuur, maar zelfs door
geweerschoten uit de werken van Terra Nova. Die lijdelijkheid
— wordt er bijgevoegd — kan alleen verklaard worden door
het onophoudelijk geschutvuur van onze zijde<, dat den verdediger
opgesloten hield in zijne bomvrije lokalen, zoodat men in de
binnenruimte van het kasteel haast niemand zag. — Hoe heeft
men, uit de stad, die binnenruimte van het kasteel kunnen zien P
Misschien van een der torens?
Dat het geschutvuur van de bondgenooten groote uitwerking
had, kan men ontwaren uit het Fransche Journal du siège de
Namur; daarin wordt onder andere gezegd, dat op den i len Augus-
tus .door dat vuur op het kasteel meer dan 60 man werden ge-
dood of gewond; en van den i4en Augustus wordt gezegd: »de
vijand wierp zulk een groot aantal bommen, dat men niet wist
waar zich te beveiligen. Mortieren had hij in verschillende bat-
terijen, en die onderhielden zulk een kruisvuur dat het onmo-
gelijk was om zich daartegen te dekken.'*
Volgens dat Fransche journaal waren de verdedigers vooral
bezorgd voor de benedenstad, die geducht geteisterd werd door
het geschut van Coehoorn; en waar, in den zwakken hoofdwal,
eene bres was geschoten die op den 1500 Augustus reeds eene
breedte had van een 120 el. De Franschen hadden, zoo goed
en zoo kwaad als dit kon, in de benedenstad binnenverschan*
singen gemaakt, en daarbij sterke afdeelingen geplaatst, om eene
Digitized by
Google
BELEG VAN HET KASTEEL VAN NAMEN. 33 1
bestorming af te slaan; bij ééne gelegenheid stond die verdedi-
gende macht zestien uren aan één stuk onder de wapens, om
den vijand af te wachten; — maar de vijand kwam niet. Het
gevaar van eene bestorming was min of meer dreigend, naar
gelang er meer of min water was in de rivieren; enkele dagen
regende het sterk en werden de rivieren daardoor ondoorwaad-
baar, zoodat er geen bestorming was te duchten; maar den
i3en Augustus was de waterstand in de Sambre maar 4^5
palm; ook den isen was de rivier gemakkelijk doorwaadbaar;
totdat er dien dag een sterke regen viel, die ook den i6en aan-
hield, de rivieren weer aanmerkelijk deed wassen, en dus, voor
het oogenblik, de benedenstad weer waarborgde tegen eene be-
storming.
Boufflers wilde zijn toevlucht nemen tot uitvallen; — maar
gedurig gaf hij toe aan den raad van zijn onderbevelhebbers,
die van dit middel geen gebruik wilden maken, om geen ge-
vaar te loopen van later niet sterk genoeg te zijn om eene be-
storming af te slaan. Uitvallen, met zeer kleine afdeelingen, had-
den er echter van tijd tot tijd plaats, om daardoor den belege-
raar in onrust te houden, en de werkzaamheid aan de loopgraven
te vertragen.
In den nacht van den i8en op den i9en Augustus had er
echter, op grooter schaal, een uitval plaats uit het fort Willem,
tegen de loopgraven naar de zijde van Salsines; 120 dragonders
en 4 compagnieën grenadiers waren aan het hoofd van dien uit-
val, en werden gevolgd door eene sterke afdeeling, die hen
moest steunen bij het verder doordringen. Die uitval liep echter
niet goed af; de Franschen werden met verlies teruggeslagen,
omdat — zooals het Journal du stege de Namur zegt, — het
voornemen van uit te vallen aan de bondgenooten bekend was
geworden, en deze dus op hunne hoede waren. Het Journal
voegt er bij, dat Boufflers, die van een uitspringenden hoek van
den bedekten weg de uitvallers gadesloeg, daar bijna werd ge-
dood {manqua d*y estre tué). » Haast was de man dood" — zegt
het spreekwoord — >en toen leefde hij nog zeven jaar"; —
Boufflers heeft nog veel langer geleefd, na dien mislukten uitval,
toen hij ook haast dood was.
Coehoorn gaf den 2osteD Augustus bericht aan Willem III, dat
al het belegeringsgeschut — in alles 161 vuurmonden — in bat-
terij stond, en den volgenden dag het vuur kon openen, op het
uur dat Zijne Majesteit zou verkiezen. Den 21 sten, 's ochtends
om zeven uur, begon het vuur van al de batterijen, en dit werd
voortgezet tot den nacht.
De uitwerking moet vreeselijk zijn geweest. Van onze zijde
Digitized by
Google
332 KKIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
wordt daarover gezegd, in de Campagne de 1695: »de donder
van het geschut was verschrikkelijk. Het kanon vernielde de
muren; en de bommen brachten den vreeselijksten schrik te
weeg onder de bezetting; nooit heeft men zoo'n verwarring ge-
zien, als toen onder de belegerden. Daar de binnenruimten van
het fort Coehoorn" (fort Willem) >en van Terra Nova rijzende
zijn, kon men gemakkelijk het gewoel zien dat daar heerschte.
De paarden hadden tot nu toe eenige rust gehad; maar nu zag
«len ze, verbijsterd door dit verschrikkelijk gedruisch, overal
losbreken, in het wilde loopen, en vele zelfs zich naar beneden
«torten, zonder zich te bekreunen om grachten en palissaden."
Het Fransche Journal du siège de Namur stemt hiermede over-
een. Reeds op den iSen Augustus zegt het, dat de 14 batterijen
van den belegeraar den ganschen dag doorvuurden: » nooit heeft
men zulk een verwoesting zien aanrichten; nergens was men
veilig." Op den 2 1 sten Augustus — zegt het — brachten de be-
legeraars 20 batterijen in werking, met bijna 200 kanonnen of
mortieren: »daar men nog nooit zulk een geducht leven had
gehoord, waren de soldaten en de dragonders aanvankelijk eenigs-
zins ontsteld. De Maarschalk beijverde zich met zich overal te
vertoonen, om de zijnen gerust te stellen, en hen aan te manen
het gevaar kloekmoedig onder de oogen te zien. De Ridder De
Boufflers, zijn naaste bloedverwant, de eenige van denzelfden
naam, en die bij hem dienst deed als adjudant, werd aan zijn
zijde gedood. Alle bomvrije lokalen deed hij inruimen voor de
bezetting; en voor zichzelf hield hij maar zooveel plaats over,
als noodig was om er een matras te leggen. Dat geduchte vuur
hield aan tot den nacht, met zooveel geweld, dat men elkander
nauw kon verstaan, en dat de lucht verduisterd werd door den
kruitdamp. Dien dag werden bijna 200 man gedood of ge-
wond." — Eene andere opgave spreekt van een verlies van 300 man.
De Fransche artillerie was niet in staat om het vol te houden
tegen de artillerie van de bondgenooten ; — de gewone gang
van zaken bij een beleg. Een deel van het geschut van het kas-
teel, — 15 k 18 kanonnen en mortieren — werd aanvankelijk
aangewend tegen de stad Namen, maar met weinig goed ge-
volg: men schoot daar vijf of zes huizen omver, beschadigde er
nog eenige, maar moest weldra afzien van die handeling, daar
de overmachtige artillerie van den belegeraar die Fransche vuur-
monden spoedig tot zwijgen bracht. Wil men een blijk van de
machteloosheid waartoe de artillerie van de vesting was ver-
vallen, men vindt het in de omstandigheid dat op den 24sten
Augustus, op klaarlichten dag, de belegeraar zijne loopgraven
deed vooruitgaan, »wolbalen voor zich uit schuivende, om zich
te dekken tegen de musketschoten uit den bedekten weg van
fort Willem;" — voor kanonkogels schijnt hij dus, daar,
Digitized by
Google
BELEG VAN HET KASTEEL VAN NAMEN. 335
niet meer beducht te zijn geweest. Het Fransche Journal zegt,
dat na den 21 sten Augustus de bezetting dagelijks door het vuur
van den belegeraar nooit minder dan 60 k 80 man verloor;
magazijnen en andere gebouwen werden door dat vuur verwoest ;
en den 26sten Augustus waren er vijf groote bressen : een in de
benedenstad: een in de rechterzijde van Terra Nova, die bijna
geheel in puin lag; en drie bressen aan de rechterzijde van fort
Willem, — bressen, groot genoeg voor een bataljon.
Let men op die verwoesting en vernieling, door het geschut
van den belegeraar aangericht in het Namensche kasteel, dan
moet men de verdediging van dat kasteel heldhaftig noemen ; —
even heldhaftig als de verdediging van Antwerpen 's citadel in
1832, toen zij weken lang een verwoestend en vernielend ge-
schutvuur doorstond. — Dat vuur op het Namensche kasteel
moest eene groote en algemeene bestorming voorbereiden en
gemakkelijk maken ; in afwachting daarvan had er nog een enkele-
kleine aanval plaats.
Den 25steii Augustus vermeesterden de bondgenooten de lunet
op den rechteroever van de Sambre, tusschen de stad en fort
Willem; twee aan elkander gekoppelde schuiten, waarop een
zestigtal grenadiers waren, zakten des namiddags om vijf uur de
Sambre af, bereikten de keel der lunet, en namen met weinig
moeite dit werk, dat slechts door 15 of 16 man was bezet. Om
de aandacht van de Franschen af te leiden, hadden er tegelijker-
tijd vertooningen plaats tot een aanval naar de zijde van La
Cassotte. — Volgens Fransche opgaven had er dien dag nog een-
uitval plaats uit de benedenstad, naar het hoogere gedeelte van
de Maas, naar den weg van Dinant; pas aangekomen Hessische
troepen zouden daarbij eenig verlies hebben geleden : 40 dooden
en 23 gevangenen. Onze opgaven zwijgen van dit kleine nadeel.
Tien dagen lang woedde het vuur van Coehoorn's batterijen;
den 3osteD Augustus meende mén dat het 'svijands kracht vol*
doende had gebroken, om tot de bestorming te kunnen over-
gaan. De belegeraar wilde eerst nog eene poging aanwenden,
om, zonder bloedvergieten, meester te worden van de zoo geteis-
terde sterkte.
Om elf uur 's ochtends hield het vuur der belegeraars een-
oogenblik op, en vertoonden zich op den hoofdwal der stad,
tegenover het kasteel, Bentinck en Hoome, verlangende een
niondgesprek te hebben met de Fransche bevelhebbers; drie
dier bevelhebbers, Laumont, Sainte Hermine en Grammont,
kwamen daarop, op het tegenoverliggende bastion van het kas*
teel. Hoome deed toen de opeisching, in naam van den keur-
vorst van Beieren; hij toonde de nutteloosheid aan van eene-
Digitized by
Google
334 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
verdere verdediging, daar Villeroy, na drie dagen te hebben
gestaan tegenover het leger van Willem III zonder het te dar-
ven aanvallen, was afgetrokken naar' de Méhaigne. Het antwoord
van de Fransche officieren was, dat zij de beslissing van Bouf-
fiers hierover moesten vragen ; een kort uitstel werd hiertoe ver-
leend; maar toen de tijd van dat uitstel reeds lang verstreken
was en het antwoord nog uitbleef, verwijderden zich Bentinck
en Hoorne en staakten zij eene poging, die wel is waar een goed
doel had, maar tevens gepaard ging met het nadeel, dat de
vijand daardoor gewaarschuwd werd, dat het oogenblik van de
bestorming nabij was.
Bouffiers had sedert een maand niets van Villeroy vernomen;
den 26steQ Augustus had men kanonvuur gehoord naar de zijde
van Mazy, en daaruit kunnen opmaken dat het Fransche leger
nabij was; den volgenden dag had men van een overlooper ver-
nomen, dat dit inderdaad het geval was; maar toen verliepen er
weer dagen, zonder dat er van ontzet iets kwam ; de hoop daarop
begon dus te verflauwen; en bij den geheel ontredderden toe-
stand waarin zijne vesting verkeerde, zou het dus zeer natuurlijk
zijn geweest, als de Fransche maarschalk tot de overgave had
besloten en een einde had gemaakt aan eene verdediging die
roemvol was geweest. Maar de heldengeest van Boufflers liet hem
niet toe om te zwichten, zoolang er middelen waren ter verdedi-
ging; hij bereidde zich ten strijd. De opeisching, het samen-
trekken van sterke afdeelingen in de loopgraven, en het uitdeelen
van pieken en rechte zeisen bij den belegeraar, lieten geen
twijfel over of de storm zou aanvangen; en de bezetting van
het kasteel stond op de verschillende posten in 't geweer, gereed
om den vijand het hoofd te bieden.
Boufflers zelf plaatste zich met 500 man in Terra Nova;
Mégrigny, d'Asfeld en De Nogent waren bij hem. Bij het ge-
kazematteerde bastion tusschen Terra Nova en La Cassette stond
Guiscard met 1000 man. Van het fort Willem was de bedekte
weg sterk bezet: aan de rechterzijde — het meest bedreigde
gedeelte — door Reignac met 600 man ; aan de linkerzijde door
De Quélus met 300. In het fort zelf was De Prince met 500
man, terwijl bovendien het ravelijn nog bezet was door 100 man
onder De Montagnac; — De Prince was nog slechts kort bevel-
hebber in fort Willem; vroeger had daar bevel gevoerd, De
Moulinneuf; maar die dappere en bekwame officier was den
2 5 sten Augustus doodelijk gewond geworden. In den bedekten
weg van La Cassette stond Saint Laurent, met 1200 man, terwijl
bovendien een 60 man, onder den kapitein De la Cime, het
Duivelshuis bezet hielden ; — bij La Cassotte en bij fort Willem
verwachtte men den storm het eerst; minder bij Terra Nova,
Digitized by
Google
BELEG VAN HET KASTEEL VAN NAMEN. 335
waarvan 's vijands loopgraven nog zoo ver waren verwijderd. De
benedenstad was bezet door lyco man, onder De Lomont, ter-
wijl 'm het eigenlijke kasteel, het donjon^ nog 500 man waren,
onder Marigny.
Telt men al die cijfers op, dan komt men tot een geheel be-
drag van 6460 man, voor de sterkte die de Fransche bezetting
toen had. Dit cijfer komt vrij wel overeen met de sterkte bij de
overgave, in verband gebracht met de verliezen, door de Fran-
schen bij die bestorming van den 3osten Augustus geleden.
Zijn de Fransche opgaven uitvoerig en duidelijk in de ver-
melding van de plaatsing der verdedigende macht op den 3osteii
Augustus, ook onze opgaven laten weinig te wenschen over, wat
de beschikkingen voor de bestorming aangaat. Ziehier wat dien-
aangaande wordt gezegd.
Terra Nova zou worden bestormd', want — wordt gezegd —
juist omdat de loopgraven nog op zoo grooten afstand waren
van de bres van dat werk — een 7 ^ 800 pas — was er te
meer kans dat de storm zou gelukken, omdat de vijand er niet
op verdacht zou zijn. — Die redeneering is wel wat vreemd; er
waren evenwel andere redenen, die het doen van dien storm op
een zoo grooten afstand eenigszins konden verontschuldigen. De
bres was zeer beklimbaar; en, niet alleen door geschutvuur, maar
ook door het geweervuur van 400 infanteristen, daartoe sedert
eenige dagen op den stadswal geplaatst, had men den vijand
belet de bres af te graven, of aldaar binnen verschansingen te
maken. Bovendien zou de stormcolonne aangevoerd worden door
lord Cutts, een Engelsch of&cier van buitengewone dapperheid,
die bij den strijd altijd daar gevonden werd, waar het vuur het
hevigst was, en daarom van zijne soldaten den roemvollen
bijnaam had verkregen van >de Salamander". — Cutts zou 3500
man aanvoeren, Engelschen; daarvan zouden 300 grenadiers
voorafgaan, en door de bataljons worden gevolgd.
Om Cutts, bij zijn marsch naar de bres van Terra Nova, te
dekken in de rechterflank tegen de aanvallen die de Franschen
uit fort Willem konden doen, zou de kolonel De Marsilly met
500 man zich plaatsen in eene verlaging van het terrein, tusschen
fort Willem en Terra Nova.
De bressen van fort Willem moesten worden bestormd door
een 3000 man, nl. 2000 Hollanders, 1000 Beierschen; de
Beiersche generaal Rivera zou hen aanvoeren. Om die bestor-
ming te ondersteunen moest tegelijkertijd de bedekte weg aan
de linkerzijde van fort Willem worden aangevallen, door den
generaal De la Cave, met 2000 man Hollandsche en Branden-
burgsche troepen. Eindelijk zou de generaal Schwerin, met 2000
man, aanvallen op La Cassotte en het Duivelshuis. — 900
Digitized by
Google
336 KRUOS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
schansgravers, in drie afdeelingen gesplitst en door ingenieurs
aangevoerd, zouden de stormcolonnen vergezellen; zij hadden
fascinen bij zich en delfgereedschap, en sommigen hunner waren
van ladders voorzien. — Het geheel der stormcolonnen bedroeg
een lo è. 12000 man.
Toen Bentinck en Hoorne zich na de vruchtelooze opeisching
van de vesting verwijderd hadden, begonnen de batterijen van
den belegeraar weer te spelen ; dit vuur hield aan tot half twee,
toen de bestorming begon; een ton met buskruit, in de vlakte
bij Salsines ontstoken, is het voor allen zichtbare sein tot dien storm»
Cutts snelt met zijn 300 grenadiers vooruit; hij laat, door zijne
onstuimige drift vervoerd, zijne bataljons verre achter zich; hi>
bereikt de bres van Terra Nova en dringt daar binnen. Een
honderdtal Fransche soldaten is, in het eerste oogenblik, alles
wat hij tegenover zich vindt; maar deze houden goed stand, en
worden versterkt, eerst door een ander honderdtal, daarna door
BoufBers zelf, die met den degen in de vuist zijne geheele be-
schikbare macht tegen de Britten aanvoert. Tegelijkertijd zendt
Guiscard, onderricht van het gevaar dat bij Terra Nova dreigt,
eene sterke afdeeling ter hulp; die afdeeling werpt zich op de
500 man van Marsilly, en slaat die; Marsilly sneuvelt. Cutts en
zijne grenadiers loopen nu gevaar van afgesneden te worden,
indien zij langer bij de bres blijven; zij gaan dus ijlings terug;
daardoor, en door het teruggaan van Marsilly's colonne, worden
ook de achterstaande Ëngelsche bataljons in verwarring gebracht
en gaan deze ook terug. De storm is hier mislukt, en wordt niet
hervat; — tot die mislukking heeft bijgedragen het kanonvuur
der Franschen, uit een bastion van het kasteel vlak aan de
Sambre gelegen, niet ver van de bres van Terra Nova.
De bestorming door de colonne van Rivera loopt wat minder
slecht af, zonder evenwel geheel te gelukken. Rivera heeft last,
niet juist om den bedekten weg van fort Willem te vermees-
teren, maar om die sterkte zelve binnen te dringen en te nemen
door de meer zuidelijk liggende bressen. Die last wordt verkeerd
begrepen; Rivera houdt te veel rechts aan; hij sneuvelt, bij het
begin van den strijd; zijn opvolger, een prins van Holstein,
wordt zwaar gewond en daardoor buiten gevecht gesteld; de
colonne is een oogenblik zonder bevelhebber; en in plaats van
den storm door te zetten, houdt men halt op een twintig pas
afstands van den bedekten weg en begint een vuurgevecht tegen
de daar opgestelde soldaten van Reignac. Dat vuurgevecht houdt
drie uren aan, zonder tot eene beslissing te leiden; eindelijk,
komt Cutts met een 3 k 400 zijner Engelschen, en, hoezer ge-
wond, bestormt die dappere aanvoerder den bedekten weg, werpt
Digitized by
Google
BELEG VAN HET KASTEEL VAN NAMEN. 337
de Franschen daaruit, en graaft zich in. Van een binnendringen
door de bressen kan echter geen sprake meer zijn, daar men te
groote verliezen heeft geleden.
De aanval van La Cave gelukt: hij verdrijft de soldaten van
Quélus uit den bedekten weg van de linkerzijde van het fort
Willem, en graaft zich daar in.
Evenzoo slaagt Schwerin bij La Cassotte: met hevigheid aan-
vallende op den bedekten weg, voorzien van ecne dubbele
palissadeering, en verdedigd door Saint- Laurent met 1200 man,
vermeestert hij dien bedekten weg en graaft zich daar in ; Saint-
Laurent trekt terug op de lunet tusschen La Cassotte en Terra
Nova. Het Duivelshuis blijft echter in de macht van de Franschen:
Heeft er toen, gelijktijdig, ook eene bestorming plaats gehad
van de benedenstad? — Ziehier wat het Fransche Journal du
siège de Namur daarvan zegt:
>De vijand, die de benedenstad wilde bestormen, gelijktijdig
met het kasteel, deed een schijnaanval bij de poort van Bulley"
(dit was de poort der benedenstad, waardoor men naar het hoo-
gere gedeelte van de Maas ging, de weg naar Dinant), »De heer
De la Marre, die dit gedeelte bezette, verdreef hem met weinig
moeite; — maar op hetzelfde oogenblik deboucheerde de vijand
uit de stad, door de poort van Graver, schaarde zich in slag-
orde en ging de Sambre over die doorwaadbaar was; toen hij
de bres wilde beklimmen bij Grogneau," (de poort der beneden-
stad bij de samenvloeiing van Maas en Sambre), >deed de heer
De Lomont hem aanvallen door honderd dragonders, onder
bevel van de heeren Dantigny en den Markies De Maury, ge-
steund door den heer De La Borie en door den kapitein der
grenadiers van het bataillon van Sobre. Men richtte een zoo
hevig vuur op den vijand en men doodde hem zooveel volks,
dat het water der rivier rood werd van het bloed; zoodat hij,
niet langer kunnende standhouden, de vlucht nam. De Markies
De Maury sneuvelde hier, met veel andere officieren. De heer
De Lomont betoonde hier veel dapperheid en beleid..."
Dit verhaal, van Fransche zijde gegeven over een aanval op
de benedenstad, laat bijna geen twijfel over, of die aanval heeft
plaats gehad; de zaak wordt te veel in bijzonderheden vermeld,
met geuren en kleuren, zoodat het niet aangaat om het feit ge-
heel te loochenen; men kan hier aan overdrijving denken, mis-
schien, doch geenszins aan geheele verdichting. Maar opmerkelijk
is het, dat in de verhalen van onze zijde over die bestorming
van den 3osten Augustus, met geen enkel woord gewag wordt
gemaakt van een aanval op de benedenstad; — alleen in een
brief van Van Vredenburch van Adrichem, van den 31 sten Augus-
tus aan Heeren Gecommitteerde Raden wordt gewaagd van vier
WILLEM III. — ni, 22
Digitized by
Google
338 KRIJGS- KN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
verschillende aanvallen op het kasteel en zijne onderhoorigheden,
en er dan bijgevoegd : » zijnde de vijffde maer een loze attacqne
geweest op dat gedeelte van de stadt, dat bij de vyanden noch
geoccupeert is." — De schrijver van dien brief was toen echter
niet te Namen, maar bij het leger aan de Méhaigne; en wat hij
over de bestorming zegt, laat aan juistheid te wenschen over.
Toen, tegen vijf uur des namiddags, de bestorming ophield,
was de uitkomst van den strijd, dat men door geen van de
bressen was binnengedrongen, of zich daar had kunnen ingraven,
maar dat men meester was van den geheelen bedekten weg,
over eene lengte van een 3000 pas, van de noordelijkste bres
van fort Willem tot aan het uiteinde van den bedekten weg van
La Cassette. Die uitkomst moge — zooals de Campagne de 1695
zegt — glorievol zijn geweest voor de aanvallers, het doel van
de bestorming was toch maar ten halve bereikt; en die bestor-
ming had stroomen bloeds gekost. Er is zeker overdrijving in
de Fransche opgave, dat bij dien strijd van den 3osten Augustus
de bondgenooten verloren hebben 3000 man aan dooden en
2000 aan gewonden; zeker is het echter, dat hunne verliezen
zeer gevoelig zijn geweest; in de half officieele Campagne de 1695
worden zij geschat op 2opo man aan dooden en gewonden;
onder de gesneuvelde hoofdofficieren worden genoemd : de gene-
raal Rivera; de kolonels Coltrop, Marsilly, Lindroot en Heecke-
ren; de luitenant-kolonels Chenet, Fabrice, Heim, Hompesch en
Derendal; en de majoor Jungheer. Onder de gewonden komen
voor: de generaals Cutts en de Prins van Holstein-Norburg ; de
kolonels Prins van Hessen-Homburg — later aan zijne wonden
gestorven — , Linsburg, Eppinger, Canits, Hoorne, Dohna^ Den-
hoff, Hamilton, Mackay, en Melune; de luitenant-kolonel Rolas;
en de majoor Sékeim.
Maar ook de bezetting van Namen's kasteel had het behoud
van hare vesting duur gekocht: van elke drie Fransche officieren
was er één gedood of gewond; en het geheele verlies aan ge-
sneuvelden en gewonden wordt door het Fransche Journal be-
groot op een 1500 man.
Die strijd van den 3osten Augustus 1695 was bloedig geweest»
maar roemvol voor de beide partijen; roemvol — wat den hel-
denmoed betreft. Maar kan men het beleid van de aanvallers
ook roemvol noemen? — dit is meer twijfelachtig: die bestor-
ming van Terra Nova is een roekeloos waagstuk geweest; men
heeft daarbij te veel gerekend op de vernieling, door Coehoom's
artillerie teweeggebracht, te weinig op de buitengewone dapper-
heid van Boufflers en van zijne soldaten.
I
Digitized by
Google
BELEG VAN HET KASTEEL VAN NAMEN. 339
De uitkomst van den strijd van den 3os^eii Augustus bracht
bij sommigen in het leger der bondgenooten ontmoediging
teweeg. Den sen September — na de overgave van het kasteel —
schrijft Obdam aan den raadpensionaris Heinsius onder andere
het volgende:
iGij zult waarschijnlijk met de laatste post de overgave van
het kasteel van Namen vernomen hebben, waarvoor de groote
en goede God niet genoeg kan worden geloofd, want het is een
wonder des Hemels, dat niemand nog zoo spoedig had ver-
wacht. Gij kunt u niet verbeelden, hoe dit aangename nieuws de
gezichten deed ophelderen. Reeds begon men de ooren te laten
hangen, maar nu staan zij omhoog, bijna als die van Midas;
want werkelijk, als het kasteel zich niet had overgegeven, dan
zouden wij zeer verlegen zijn geweest door den onophoudelijken
regen die dezer dagen is gevallen, en die eene bestorming zou
hebben belet; en bovendien waren wij een weinig gehinderd
door gebrek aan leeftocht en ook aan foeraadje, die hier niet
meer voorhanden is, zoo dat onze arme paarden zich moeten
vergenoegen met een zeer sober maal. In één woord, wij allen
zijn over blij dat dit treurspel is afgeloopen, want het heeft veel
brave mannen gekost..."
Den 31 sten Augustus — nog vóór de overgave van het kas-
teel — , schrijft Van Vredenburch van Adrichem aan den Raad-
pensionaris. Vredenburch is toen bij het leger aan de Méhaigne ;
maar hij heeft bericht gekregen van den storm van den 3osten,
en maakt zich van de toen verkregen uitkomst de ergste voor-
stelling; evenzoo kleurt hij het onbeduidende cavaleriegevecht
van den 3osieQ Augustus met de zwartste verven; zijn brief aan
Heinsius is geheel ontmoediging:
>Mon cher amy, de zaecken doen zich niet favorabel op; een
goedt gedeelte van de cavallery, uytgezonden om te recognos-
ceeren, heeft het slecht laeten leggen; ende vreest men, dat de
rest, een bataille voorvallende, het niet beeter sal maecken. De
attaques van gisteren zijn slecht uytgevallen; wij hebben seer veel
volck verlooren; discontentement van generaels, defecten van
behoeften, — enfin tout crie; ick roerde deze zaecken in den
brieflf aen gecommitteerde Raeden, tot dewelcke mij verder refe-
rere, niet aen, maar neme de vrijmoedigheyt om UWEG. in
confidencie te communiceren. Den HemelVil ons bijstaen."
De afgesleten aanvallen op de Gedeputeerden te velde bij de
legers der Republiek zijn in den regel onbillijk of overdreven:
er zijn zeer bekwame, krachtvolle mannen geweest onder die
Gedeputeerden, De heer Van Vredenburch van Adrichem schijnt
echter moeielijk te kunnen worden geteld onder die bekwame,
krachtvolle mannen; hij doet zich hier veeleer voor als behoo-
rende tot hen die De Genestet bestempeld heeft met den naam
Digitized by
Google
340 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
van » bevende alarmisten", — een ras dat bij ons te allen tijde
nog al vertegenwoordigers heeft gehad.
De dag van 31 Augustus werd door den belegeraar gebruikt
om de ingravingen in den bedekten weg te verbeteren en uit
te breiden, en door gcschutvuur de bressen in fort Willem en
Terra Nova af te kammen ; bij de belegerden beproefde Mégrigny
om, achter de bres van Terra Nova, eene binnenverschansing te
maken, — een onbegonnen werk, dat tot niets leidde. De Prince,
de bevelhebber in fort Willem, zond bericht, dat die sterkte
nagenoeg verwoest was, en aan hare verdere verdediging be-
zwaarlijk viel te denken.
In den ochtend van den isten September ziet men de batal-
jons van de bondgenooten weer in de loopgraven vergaderd, om
nogmaals de bestorming te verrichten, als de korte wapenschor-
sing zal afgeloopen zijn, die gediend heeft om de dooden en
gewonden van den 3osten Augustus weg te voeren. Uit het leger
aan de Méhaigne zijn 4000 grenadiers aangekomen, om deel te
nemen aan den aanval op het kasteel. — Maar de onderbevel-
hebbers van BoufBers hebben den Maarschalk eindelijk doen
inzien, dat het verder voortzetten van de verdediging onmogelijk
is geworden; eindelijk hebben zij hem overreed om, hoe onwil-
lig ook, in onderhandeling te treden. Guiscard treedt als par-
lementair op, bij fort Willem; de generaal Lindeboom, die
zich in de loopgraven aldaar bevindt, staat hem te woord; en
na eenige besprekingen worden de voorwaarden van de overgave
vastgesteld. Den 2en September neemt de belegeraar fort Willem
en andere buitenwerken in bezit ; den 560 trekt de bezetting uit,
met wapens en krijgseer, en slaat zij den weg in naar Frankrijk.
Die dag van den 5en September 1695 was een dag van triomf
voor Willem III. Vóór de bres van Terra Nova, waardoor de
Fransche bezetting moest aftrekken, stond een sterk gedeelte
van de legermacht der bondgenooten, voetvolk en ruiterij, op
twee liniën geschaard; aan het hoofd dier troepen, op een paar
honderd pas van Terra Nova, de Stadhouder, die den keurvorst
van Beieren, den landgraaf van H essen-Kassei, en de voornaamste
generaals bij zich had. Om tien uur 's ochtends kwam de Fransche
bezetting opdagen, uit Terra Nova: 41 21 man infanterie, 861
dragonders te voet, en 138 te paard. Boufflers en Guiscard,
vooraan rijdende, brachten met den degen hunne groete aan
den Keurvorst; — aan Willem III, naar het schijnt, niet; men
erkende hem in Frankrijk nog niet als Koning van Groot-Brit-
tanje, en vandaar dat de Fransche officieren hem nog niet als
zoodanig eer konden bewijzen. Guiscard, zich bij den Keurvorst
begevende, antwoordde op eenige beleefde vragen die hem wer-
Digitized by
Google
BELEG VAN HET KASTEEL VAN NAMEN. 34 1
den gedaan; en de Keurvorst, den hoed in de hand, bracht die
antwoorden over aan Willem III, die in zijne onmiddellijke
nabijheid was. Het was de eeuw van vormen en plichtplegingen ; —
dit belette niet, dat de Fransche officieren en soldaten, in het
voorbijtrekken, luide toejuichingen voor Willem UI deden hoo-
ren; — want ddt is een van de edele karaktertrekken van het
Fransche volk, dat het de grootheid huldigt ook in een vijand, en
dat het te allen tijde sympathie heeft voor dapperheid en krijgsdeugd.
Guiscard is nog bij den Keurvorst, en Boufïlers alleen aan
het hoofd van zijne troepen, toen hij, iets verder, aangesproken
wordt door Dijckvelt, die hem verzoekt zich eenigszins zijwaarts
te begeven, daar hij hem een geheime mededeeling heeft te
doen. >Ik heb geen geheimen voor de officieren die hier bij mij
zijn; zeg dus hardop wat gij te zeggen hebt," is het antwoord
van den Maarschalk. Dijckvelt hervat daarop, dat hij last heeft
van den koning van Groot-Brittanje om Boufflers in hechtenis
te nemen ; y^arréter un maréchal de Francé'\ roept deze daarop in
drift uit, slaat de hand aan zijn pistool, en roept den zijnen toe
y^a mou dragons''\ Maar reeds heeft een officier van de garde van
Willem ni, met een aantal ruiters, zich om den Maarschalk heen
geplaatst, en hem afgescheiden van de Fransche troepen; en
Boufflers, het nuttelooze inziende van weerstand bieden, laat zich
naar de stad Namen geleiden. Hier zegt Dijckvelt aan Boufflers,
dat diens aanhouding is veroorzaakt door het gevangen houden
van de bezettingen van Dixmude en Deynse, die, volgens de be-
staande overeenkomsten, veertien dagen na de overgave van die
steden, moesten zijn ontslagen; de Maarschalk zal dadelijk in
vrijheid worden gesteld, wanneer hij op zijn eerewoord wil be-
loven, dat die bezettingen onverwijld zullen worden vrijgelaten.
Natuurlijk kan Boufflers die belofte niet geven, maar Guiscard
vertrekt onverwijld naar Frankrijk, om den Koning in kennis te
stellen met het gebeurde; daarop volgt dadelijk het bevel om
de bezettingen te ontslaan ; en ook Boufflers keert, na eene kort-
stondige gevangenschap, naar Frankrijk terug.
> Gevangenschap" is hier eigenlijk het juiste woord niet; het
is beter, te spreken van > beperking van vrijheid"; — want van
de Holiandsche zijde werd Boufflers bejegend met dien eerbied
en onderscheiding, waarop zijn hooge rang en zijne uitstekende
verdiensten hem een billijke aanspraak gaven; in Frankrijk terug-
gekeerd, roemde hij dan ook die bejegening. Te Maastricht, in
de Commandery van de Duitsche Orde gehuisvest, had de Maar-
schalk daar eene eerewacht, waaraan hij iederen dag het wacht-
woord gaf; hij hield open tafel; en toen hij, bij zijne invrijheid-
stelling, naar Dinant werd teruggebracht onder geleide van 200
dragonders, deed hij aan ieder dragonder twee Lou'ts d'^or geven.
Digitized by
Google
342 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOXJWINGEN.
en schonk aan de officieren gouden of zilveren degens. In één
woord, het faire grand van zijn koninklijken meester wist hij
trouw na te volgen.
Lodewijk XIV beloonde verschillende bevelhebbers van de
Namensche bezetting met bevordering en eereteekenen ; Boufflers
werd Hertog en Pair van Frankrijk, en ontving twintig duizend
francs rente, om zich eene hertogelijke bezitting te koopen.
Boufflers — volmaakt hoveling, maar op grootsche wijze, een
hoveling van de goede soort — zeide, dat de blijdschap over
die belooning bij hem niet opwoog tegen het leedgevoel dat hij
zijne vesting had moeten overgeven. Ëeckeren, Rijssel, Malpla-
quet getuigen op hoe schitterende wijze Boufflers, ook na Namen,
zijn trouw aan de zaak zijns Konings heeft bezegeld.
Volgens de Fransche opgaven heeft de bezetting van Namen,
tijdens de belegering, aan dooden en gewonden verloren 430
officieren en 7500 soldaten; de verliezen van den belegeraar be-
grooten zij op een 20000 man. Dit laatste is denkelijk zeer
overdreven ; — maar al neemt men maar de helft van dat cijfer
voor het verlies van de bondgenooten, dan blijft dat verlies toch
nog zeer groot; en het is dus niet te verwonderen, dat Wil-
lem III na den val van Namen verder niets ondernam; het
jaargetijde was ook te ver gevorderd, en de uitkomst die men
verkregen had was al groot genoeg.
De handelingen en bewegingen van de wederzijdsche partijen,
na de overgave van het kasteel, zijn dan ook onbeduidend ge-
weest, en het loont de moeite niet om zich daarbij op te hou-
den. Na in Namen eene bezetting van 24 bataljons te hebben
geplaatst, voegde Willem III het overige van de belegerende
macht bij het hoofdleger; beide partijen verwijderden zich van
de Méhaigne, om naar Henegouwen te trekken, naar de zijde
van Mons en Ath; den i4en September gaf Willem III het
opperbevel over aan den keurvorst van Beieren, en vertrok naar
Holland; — maar er gebeurde niets meer; en in het laatst van
September betrokken de beide legers de winterkwartieren. De
veldtocht van 1695 in de Nederlanden was geëindigd.
Die veldtocht was schitterend geweest voor de bondgenooten,
en vooral voor hun koninklijk legerhoofd. Door schijnbewegingen
het vijandelijke leger naar Vlaanderen lokkende, was het Wil-
lem III gelukt om Namen in te sluiten en het beleg te begin-
nen; en vergeefsch waren de pogingen van Villeroy om dat be-
leg te doen opbreken: de kans om Vaudemont's leger eene
gevoelige nederlaag toe te brengen liet de Fransche veldheer
ongebruikt verloren gaan; de vermeestering van Dixmude en
Digitized by
Google
BELEG VAN HET KASTEEL VAN NAMEN. 343
Deynse beteekende weinig, daar die onbeduidende vestingen
weer werden verlaten, en de bezettingen later moesten worden
vrijgegeven; bet bombardement van Brussel was een groote
materieele schade, vooral voor die stad, maar als militair feit
beduidde het niet veel; en toen men tot ontzet van Namen op-
rukte, bleef het P'ransche leger dagen lang werkeloos tegenover
het leger van Willem III staan, zonder het aan te vallen, omdat
men — en te recht — oordeelde dat de bondgenooten in te
sterke stellingen stonden om met eenige hoop op goed gevolg
te worden aangevallen. Ën zoo gebeurde het, dat Namen, een
groote vesting van geduchte sterkte, goed bewapend, goed voor-
zien van leeftocht en munitie, door eene talrijke en uitgelezene
bezetting en een heldhaftigen bevelhebber op de dapperste wijze
verdedigd, toch moest vallen, en vallen, bijna onder de oogen
van een leger van honderd duizend man, dat tot taak had haar
te ontzetten. 1695 overtrof, en overschaduwde, 1692; de gebeur-
tenissen van 1695 g^ven aan het overwicht der Fransche wape-
nen een gevoeligen knak, plaatsten het veldheersbeleid van
WilUem III in het schitterendste licht, en maakten den diepsten
indruk in geheel Europa.
Aan welke oorzaken moet die uitkomst worden toegeschre-
ven? — Hoofdzakelijk aan de onbekwaamheid bij de eene
legeraanvoering, aan de bekwaamheid bij de andere.
Het is vrij overbodig om in het breede te willen aantoonen,
dat Villeroy de vereischten miste van een goed legerhoofd; hij
was er niet voor in de wieg gelegd, — dat is, toen en later,
gebleken; en de spotliedjes die in Frankrijk op hem werden
gemaakt, hadden de waarheid aan hunne zijde:
• VUleroy, Villeroy,
a fort bien servi Ie Rol . . .
Guillaume."
Had Willem III in 1695 nog een Luxembourg tegenover zich
gehad, wel waarschijnlijk dat dan de uitkomst van den veldtocht
anders ware geweest; nu trok de Stadhouder partij van de mis-
slagen van zijn tegenstander; dit verkleint zijn roem niet, want
alleen het bekwame legerhoofd weet zijn voordeel te doen met
dergelijke fouten. Wat ook twee groote voordeelen zijn geweest
voor Willem III, dat is, dat hij gesteund werd door bekwame
onderbevelhebbers en door een zeer goed leger, en dat hij, als
veldheer, vrijheid van handelen had.
Het eerste voordeel had hij aan zichzelf te danken: hij had
die onderbevelhebbers, hij had dat leger gevormd ; wat zij waren,
waren zij door hem.
Digitized by
Google
344 KRÏJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Het tweede voordeel had hij te danken aan zijne hooge stel-
ling als Koning van Groot-Brittanje, en aan het overwicht dat
zijne groote krijgskundige en staatkundige bekwaamheid hem,
eindelijk, in geheel Europa had geschonken. De tijd had gewerkt
in het voordeel van den Stadhouder; men had met ieder jaar
al meer en meer de overtuiging gekregen, dat hij de man was
om den kamp tegen Frankrijk te leiden en te besturen ; het ver-
bondene Europa huldigde hem als haar hoofd, in staats- en
krijgszaken; het vertrouwen op zijn beleid werd telkens grooter
en vaster; hij ondervond geen tegenwerking meer bij de zijnen;
hij oefende een gezag, dat weinig beperking kende. In Engeland
ontmoette hij vaak bittere bestrijding, maar de gelden voor den
oorlog werden toch ruimschoots toegestaan; in de Republiek
deed hij wat hij wilde, hij was daar eigenlijk koning, — alleen
niet in naam; Spanje en de Duitsche vorsten volgden gedwee
zijne voorschriften, uit noodzakelijkheid, of om geldelijk belang;
hij was de Agamemnon der coalitie, — en een Agamemnon die
geen twistenden Achilles naast zich had.
De toestand van Willem III, als veldheer, is bij den oorlog
van 1688—1697 geheel anders dan vroeger, bij den oorlog van
1672 — 1678: bij dien vroegeren oorlog is de Stadhouder niet
vrij in zijne handelingen ; hij moet zich regelen naar zijne bond-
genooten, deze ontzien en raadplegen, ieder oogenblik een
krijgsraad bijeenroepen, om te bespreken wat er gedaan moet
worden, — en het bespreken door een krijgsraad leidt gewoon-
lijk tot niets goeds — ; hij moet vaak berusten in zwakke of
verkeerde handelingen, die hij afkeurt en veroordeelt; en het
kost hem soms minder moeite om de Fransche legers te be-
strijden, dan om zijne bondgenooten tot die bestrijding te brengen.
Een onzer geschiedkundigen — de hoogleeraar Dr. P.L. Muller —
heeft bij de behandeling van den veldtocht van 1676 in de Neder-
landen, duidelijk aangetoond met welke bezwaren en tegenwer-
king Willem III toen had te kampen, hoe onbillijk het zou zijn,
het gebrekkige der krijgsverrichtingen van dat jaar op zijn ver-
antwoording te brengen, en hoe integendeel telkens de neiging
bij hem zichtbaar is om die gebrekkige oorlogsvoering te ver-
vangen door stoute, beslissende handelingen. Bij zijn tweeden
oorlog tegen Frankrijk heeft de Stadhouder de handen vrij; nu
gaat hij dan ook krachtig te werk; en Steenkerke, Neer winden, en
vooral Namen getuigen nu van zijne uitstekendheid als legerhoofd.
Bij de onderbevelhebbers, door wie Willem III in 1695 goed
werd ondersteund, moeten vooral genoemd worden Vaudemont
en Coehoorn.
Toen het o ver machtige leger van Villeroy zich onverwachts
vertoonde in de onmiddellijke nabijheid van Vaudemont's krijgs-
Digitized by
Google
BELEG VAN HKT KASTEEL VAN NAMEN. 345
macht, liep die krijgsmacht groot gevaar van eene geheele neder-
laag te ondergaan; die nederlaag zou, denkelijk, Namen voor
de Franschen hebben behouden, en de veldtocht van 1695 ^^
de Nederlanden voor de boiidgenooten tot een mislukten veld-
tocht hebben gemaakt. Dat Vaudemont zich aan dat gevaar had
blootgesteld, kan hem misschien als een misslag worden toege-
rekend; maar die misslag, indien het er een is geweest, wordt
geheel uitgewischt door de wijze waarop hij zich uit dat gevaar
wist te redden, door zijn meesterlijken terugtocht op Gent. —
Ook Noyelles moet zich toen door bekwaamheid hebben onder-
scheiden.
Wat Coehoorn betreft, aan dezen komt eigenlijk de eer toe
van de inneming van Namen, want Willem III heeft in den
vestingoorlog alleen geschitterd door dapperheid en geestkracht,
niet door bekwaamheid ; hij volgde bij eene belegering den raad
van zijne ingenieurs; waren die ingenieurs weinig bekwaam,
zooals in 1676 voor Maastricht, dan werd het een gebrekkig
beleg; waren die ingenieurs mannen van groote bekwaamheid,
zooals voor Namen in 1695, dan werd het beleg daarentegen
schitterend. Coehoorn had zich reeds vroeger een naam gemaakt,
maar na de inneming van Namen had hij eene Europeesche
vermaardheid; onder de belooningen die hem voor dat wapen-
feit ten deel vielen, behoort ook zijne verheffing tot baron, door
den Spaanschen koning; maar zijne grootste belooning is zeer
zeker geweest, dat hij, na het beleg van Namen, op ééne lijn
werd gesteld met Vauban. Het algemeen zag — en met grond —
in Coehoorn en Vauban twee sterren van de eerste grootte, wat
vestingbouw en vestingoorlog betreft ; in dat deel van de krijgs-
wetenschap, of van de krijgskunst, zijn die beide mannen genieën
geweest, die, noch vroeger, noch later, zijn geëvenaard.
Het is niet te verwonderen dat men meer dan eens eene ver-
gelijking heeft gemaakt tusschen de belegering van Namen in
1692, en die in 1695. Men is daarbij, aan weerszijden, soms in
onjuistheden vervallen.
Zoo is aan onze zijde, — onder anderen door De Merveil-
leux — beweerd, dat het beleg van het kasteel van Namen maar
tien dagen heeft geduurd; want — wordt er gezegd — dat
beleg is eigenlijk eerst den 21 sten Augustus geregeld begonnen.
Dit is een geheel willekeurige bewering, die op geen redelijken
grond berust. Met den 21 sten Augustus heeft het geschutvuur
van den belegeraar zijn grootste kracht verkregen; na den 2isten
Augustus is de arbeid aan de loopgraven tegen het kasteel met
meer nadruk verricht; — ddt kan zijn; maar dat zegt daarom
nog niet, dat eerst den 21 sten Augustus het beleg van het kas-
Digitized by
Google
346 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
teel is begonnen; want lang vóór den 2isten Augustus waren
tegen het kasteel reeds loopgraven geopend en batterijen in wer-
king gebracht. De stad Namen en het kasteel hebben in 1695
een beleg vereischt van een kleine twee maanden: begonnen in
de eerste dagen van Juli, houdt de wederstand eerst den i^ien
September geheel op.
Aan Fransche zijde wil men er zich op beroemen, dat de
verdediging in 1695 langer heeft geduurd dan in 1692, en aan
den belegeraar veel grootere verliezen heeft gekost. Men vergeet
echter hierbij, dat de omstandigheden in het eene jaar, geheel
anders zijn geweest dan in het andere. In 1692 was de vesting
Namen nog niet afgebouwd, nog niet voltooid ; door de desertie
van een vroegeren bevelhebber was men aan de Fransche zijde
tot in bijzonderheden bekend met den toestand der vesting; de
bezetting was in 1692 veel minder sterk dan in 1695; en —
wat een hoofdzaak is — de verdediging is in 1692 slecht ge-
weest, — de verdediging van fort Willem uitgezonderd. In 1695,
daarentegen, is de vesting Namen geheel afgebouwd, en voorzien
van werken die er in 1692 niet waren; de vesting is van alles
voorzien wat voor de verdediging kan gevorderd worden; zij
heeft eene talrijke bezetting, bijna een klein leger, en aangevoerd
door een man van onvolprezen dapperheid, die de verdediging
voortzet, zoo lang zij voortgezet kon worden. Wat wonder dan,
dat het beleg van 1695 langer heeft geduurd dan dat van 1692,
en den belegeraar grooter verlies heeft gekost! Had Vauban te
doen gehad met dezelfde vesting als Coehoorn, Vauban zou
denkelijk evenveel tijd noodig hebben gehad, evenveel soldaten
hebben moeten opofferen ; zelfs is het twijfelachtig, of de door
Vauban gevolgde stelselmatige en bedachtzame wijze van aan-
vallen, het Namen van 1695 even zeker zou hebben doen val-
len als de geweldige middelen, door Coehoorn aangewend.
Hier valt het verschil op, tusschen die twee groote mannen.
Wij gewagen hier niet van vesting bouw: in dit opzicht, geloo-
ven wij, is de meerderheid van Coehoorn onbetwistbaar. Ook
spreken wij niet van het verdedigen van vestingen; want in
dat opzicht kan er geen sprake zijn van eene vergelijking tus-
schen Vauban en Coehoorn: Vauban heeft, zoover wij ons her-
inneren, nooit eene vesting verdedigd; — Oudenaarden in 1674
kan niet meetellen; — Coehoorn slechts een enkelen keer, en
nog wel in eene ondergeschikte betrekking; hij wordt, in óét
opzicht, overschaduwd door de vesting-verdedigers van den nieu-
weren tijd, door Seelig op de citadel van Antwerpen, door Tot-
leben te Sebastopol, door Denfert te Béfort.
Maar als aanvallers van vestingen kunnen Vauban en Coe-
hoorn met elkander vergeleken worden, en dan valt het uiteen-
Digitized by
Google
KRUGSVERRICHTINGKN TER ZEE. 347
loopende van hunne richting op. Vauban bezigt, om eene vijan-
delijke vesting te doen vallen, wel het geschut om het geschut
van de vesting tot zwijgen te brengen, en de vestingwerken
onveilig te maken en daarin bressen te openen; maar met dat
al gaan zijne parallellen en loopgraven gedurig vooruit, en op
geregelde wijze, voet voor voet, wordt de vesting genaderd, tot-
dat de aanvaller de bres genoeg nabij is om tot de bestorming
over te gaan. Coehoorn daarentegen tracht door een verplette-
rend geschutvuur de binnenruimte van de vesting te vernielen;
hij schiet bres op groote afstanden, en, zonder zich veel te be-
kommeren om het vooruitgaan van zijne loopgraven, laat hij
die verwijderde bressen bestormen ; — bijna op de wijze waarop
de Engelschen te werk gingen, bij hunne belegeringen in het
Spaansche Schiereiland, in den oorlog van 1808 — 1814. Vauban
nam, hoofdzakelijk, zijn toevlucht tot spade en houweel, Coehoorn
tot het kanon; Vauban was spaarzaam met het bloed van zijn
soldaten ; Coehoorn, niet. Is het noodig er nog bij te voegen,
dat, als belegeraar van vestingen, Vauban boven Coehoorn staat.
Beiden, zoowel de Franschman als de Fries, waren zich hunne
waarde bewust, en wisten zich te doen gelden ; beiden zijn eerlijke,
edele, groote karakters geweest; beiden waren mannen waarop
een volk zich met recht verhoovaardigt.
Eene korte opgave van de krijgs verrichtingen, elders voorge-
vallen, zal dit verslag van den veldtocht van 1695 besluiten.
y^Le trident de Neptune est ie sceptre du monde^\ heeft een bekende
Fransche dichter, van den derden of vierden rang, eens gezegd;
de waarheid van dit gezegde is aan eenigen twijfel onderhevig,
let men op het weinige dat in 1 695 is verricht door de Engelsche
en Hollandsche vloten, die toen, onbetwistbaar, meester waren
ter zee. Maar al is eene vloot meester ter zee, en in staat om
van daar elke vijandelijke vloot te verdrijven, daarom vermag
zij soms toch nog niets tegen het vasteland, tegen de oorlogs-
havens; dit bleek ook in 1695. In Juli en Augustus van dat jaar
worden door de Engelsche en Hollandsche vloten verschillende
Fransche oorlogshavens gebombardeerd: Saint-Malo, Granville,
Duinkerken en Calais. Wij laten daar de vraag, of zulk een
bombardement een wettig en geoorloofd oorlogsmiddel is; —
ten voordeele van de aanwending van dat middel kan men zeg-
gen, dat die oorlogshavens eigenlijk nesten waren voor kaap-
vaart, of zeeroof, dat ook de Franschen niet terugdeinsden voor
de aanwending van een bombardement tegen een vijandelijke
stad, en dat men het, over het geheel, met die zaken toen zoo
nauw niet nam. Maar de vraag moet worden gedaan: waren de
uitkomsten, door zulk een bombardement verkregen, de kosten
Digitized by
Google
34^ KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
waard van de uitrusting der vloten? en dan moet het antwoord
geheel ontkennend zijn. In Saint-Malo en Granville werd eenige
verwoesting aangericht, echter niet van groote beteekenis; de
aanval op Duinkerken mislukte geheel en al ; die op Calais werd
beraamd, maar niet uitgevoerd. Bij dat alles kwam nog, dat
schepelingen waren gedood of gewond, dat branders en zooge-
naamde helsche machines nutteloos waren opgeofferd, en dat
men zelfs een paar kleine oorlogsschepen had verloren, die, op
ondiepten vastrakende, door gewapende sloepen der Franschen
werden genomen en verbrand.
Voeg daarbij, dat de Fransche kapers met de meeste stoutheid
hunne ondernemingen voortzetten en vooral den Engelschen
handel afbreuk deden, dan is het duidelijk dat de bondgenooten
in 1695 geen reden hadden om zich te verhoo vaardigen op
hunne zeetriomfen. — Als een bijzonderheid vindt men vermeld,
dat een Fransche kaper bij Katwijk een deel van zijne beman-
ning aan wal bracht om visscherspinken te bemachtigen, —
echter zonder goeden uitslag — , en dat een andere kleine kaper
verdwaald raakte tot bij Dordt, en daar genomen werd.
Aan den Rijn waren de krijgsverrichtingen geheel onbedui-
dend; dit moest deels worden toegeschreven aan de omstandig-
heid, dat de Keizer toen zijne meeste oorlogsmacht moest aan-
wenden tegen de Turken, die, hoewel niet meer wat zij waren
in de dagen der Mohammeds en Solimans, toch nog altijd ge-
vaarlijke vijanden bleven, die meer dan eens aan de keizerlijke
troepen gevoelige verliezen toebrachten; deels ook daaraan,
dat Frankrijk toen zijne meeste strijdkrachten in de Nederlanden
aanwendde, en, in verband daarmede, aan den Rijn de zaken
maar slepende wilde houden ; — trouwens, de krijgsverrichtingen
slepende te houden, was een gewoon iets bij de oorlogen van
dien tijd.
Aan het hoofd van het Fransche Rijnleger was de maarschalk
De Lorges, aan het hoofd van het Duitsche Prins Lodewijk van
Baden; aanvankelijk was het Fransche leger een 40000 man
sterk; het Duitsche, dat later tot over de 50000 man bedroeg,
telde in den beginne maar een groote 20000 man, omdat ver-
schillende contingenten van de Duitschers — > gewoon zich wat
traag te bewegen", zegt de Europische Mercurius — eerst later
bij het leger kwamen.
In Juni ging De Lorges met het Fransche leger, bij Philips-
burg, over op den rechteroever van den Rijn; in Juli keerde
dat leger op den linkeroever terug; op den rechteroever had
het geleefd ten koste van de Duitsche bevolking; op den lin-
keroever moest het de eigen bevolking beschermen tegen de
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN IN ITALIË. 349
stroopbenden der Duitschers. De sterkte van de beide legers was
nog al afwisselend, omdat zoowel het eene als het andere troe-
pen afzond naar de Nederlanden. Door ziekte was De Lorges
gedwongen het opperbevel een geruimen tijd neer te leggen, dat
toen waargenomen werd door den maarschalk De Joyeuse; men
kan echter moeielijk aan die omstandigheid het onbeduidende
toeschrijven van de krijgsverrichtingen : zij zouden even onbe-
duidend zijn gebleven, al ware De Lorges voortdurend in de
blakendste gezondheid geweest.
In October eindigde de veldtocht. Veldtocht is eigenlijk
een te grootsch woord voor eene vertooning, die niet veel ver-
schilde van geheele werkeloosheid; tusschen kleine patrouilles
hadden kleine, onbeduidende gevechten plaats, — zóó klein, zóó
onbeduidend^ dat zij niet de minste vermelding verdienen. Men
doet bijna niet te kort aan de waarheid, als men van den veld-
tocht van 1695 aan den Rijn zegt: er is niets gebeurd.
Strikt genomen is er, in 1695, ^^ Italië meer gebeurd dan aan
den Rijn, maar veel meer toch niet. Er hebben daar toen geen
legers tegenover elkander te velde gestaan; alles heeft zich be-
paald tot het beleg van Casal.
Die vesting, op den rechteroever van de Po gelegen, 12 è, 14
uur ten oosten van Turijn, had behoord aan den hertog van
Mantua, maar was door dezen verkocht aan Lodewijk XIV, en
sedert beter versterkt en voortdurend voorzien van eene Fransche
bezetting. Victor Amadeus, de hertog van Savoye, vond het niet
aangenaam om in zijne hoofdstad Turijn zoo bekneld te worden,
aan de eene zijde tusschen Casal, en aan de andere zijde tus-
schen de door de Franschen bezette vesting Pignerol, een groo-
ten dagmarsch westelijk van Turijn; hij vroeg derhalve de hulp
van Spanje en van den Keizer om Casal te hernemen. Natuurlijk
kon dit niet zoo dadelijk worden beslist; dit vorderde overleg,
samenkomsten, beraadslagingen; dit vorderde tijd; het moment
van traagheid speelt een groote rol bij staats- en krijgshan*
delingen van de zeventiende eeuw.
Casal was, al geruimen tijd, eenigszins geblokkeerd; maar
daarmede kwam men niet verder, hetzij omdat de vesting te
goed voorzien, hetzij omdat de blokkade gebrekkig was. In
April begon men daarom aan een beleg, maar brak dit na een
paar dagen weer op wegens het slechte weer; den 25sten Juni
hervatte men dat beleg, en den 11 en Juli gaf Casal zich over.
De voorwaarden van de overgave waren: vrije aftocht, met
krijgseer, voor de bezetting; slechting van de vestingwerken ; en
teruggave van de stad aan den hertog van Mantua.
Verder gebeurde hier niets. Men moet daarbij het oog vestigen
Digitized by
Google
350 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
op de Staatkundige verhouding der partijen, om die werkeloosheid
te begrijpen. yyLa Savoie et urn Duc sont plein de précipker^ wordt
gezegd in een der geschiedkundige drama's van Victor Hugo;
en dit bombastisch vers drukt den waren toestand van zaken
uit: op de vorsten uit het huis van Savoye was, toen en later,
nooit vast te bouwen; bij de Europeesche oorlogen gingen zij
gedurig van de eene partij tot de andere over, al naarmate hun
staatsbelang dit medebracht; Victor Amadeus was in 1695 nog
aan de zijde van de bondgenooten, maar hij was reeds in onder-
handeling met Lodewijk XIV; vandaar denkelijk dat Frankrijk
toen geen leger in Italié deed optreden, en dat de Hertog na
de overgave van Casal, niets meer tegen Frankrijk onderneemt
De Spaansche en Keizerlijke legermachten waren te onbeduidend
om Savoye te dwingen tot krachtiger handeling; bovendien,
1 krachtig handelen" was toen evenmin het kenmerk van Spanje
als van den Keizer.
In dien tijd treedt Prins Eugenius hier op; maar hij is nog
niet de groote veldheer van later tijd; hij is nog in zijn proef-
jaren.
Wat Spanje aangaat, in 1695 was Catalonië het tooneel van
den oorlog. Het Fransche leger werd daar aangevoerd, eerst
door Noailles, en, toen deze door ziekte het opperbevel moest
nederleggen^ door Vendóme ; aan het hoofd van de Spanjaarden
was Gastanaga, de vroegere landvoogd der Nederlanden. De
Fransche troepen hadden hier vooral te kampen tegen de krijgs-
haftige bevolking van Catalonië, de Miquelets^ een soort van
landstorm; het moeielijke bergland bevoordeelde hier den land-
zaat. De voornaamste krijgsverrichtingen vielen voor in het
noordoostelijk deel van Catalonië, nabij de rivier de Ter; Cas-
telfollit, een kleine sterkte^ door de Franschen bezet, was door
de Spanjaarden ingesloten en bijna uitgehongerd; na eene eerste
mislukte poging, slaagden de Franschen er eindelijk in, die
sterkte te ontzetten. Eene vereenigde Ëngelsche en HoUand-
sche vloot, onder den admiraal Russel, kwam in het begin van
Augustus voor Palamos, eene versterkte zeehaven ten oosten
van Girona; aan de landzijde kwam Gastanaga met een leger
van 20000 man; en het beleg van Palamos begon. Dat beleg
kwam echter tot geen goed einde: op het valsche bericht dat
de Fransche vloot Toulon had verlaten, zeilde de vloot van
Russel van Palamos weg, om de vijandelijke zeemacht op te
zoeken; en Gastanaga brak toen het beleg van Palainbs op.
Dus ook hier, evenmin als aan den Rijn en in Italië, zijn de
krijgsverrichtingen in 1695 van eenig belang geweest; niets wat
te vergelijken is met wat in de Nederlanden voorviel; het beleg
Digitized by
Google
VREDESONDERHANDELINGEN. 3 5 1
van Namen overschaduwt alles; dit was toen een wapenfeit dat
de gemoederen evenzeer in beweging bracht als in ónze dagen
het geval is geweest met het beleg van Sebastopol.
HOOFDSTUK XXX.
1696: vredesonderhandelingen; samenzwering in Engeland;
civet; KRIJGSVERRICHTINGEN in DUITSCHLAND, in ITALIË,
IN SPANJE EN ter ZEE.
De Amsterdamsche burgemeesters wenden zich den 2 2 sten Juni
1696, in een vrij uitvoerigen brief, tot den raadpensionaris Hein-
sius, om bij hem aan te dringen dat hij Willem III zal aansporen
tot het sluiten van vrede met Frankrijk; van dien vrede —
zeggen de burgemeesters — zal de Stadhouder alle eer en roem
hebben, i nadat hij 'sjaers te vooren de glorieëuste victorie, de
grootste die er misschien bedagt kan werden, hadde in 't gesicht
van zo een magtig vijandlijk leger weggedragen..." (Van der
Heim, Archief van Heinsius, 3" deel, blz. 201).
Dat oordeel van de burgemeesters van Amsterdam over het
beleg en de inneming van Namen in 1695^ gaf toen het alge-
meene oordeel in Europa weer; algemeen was men toen daar-
door tot het inzicht gekomen, dat de wapenmacht der bondge-
nooten die van Frankrijk wel opwoog; dat Willem ni gebleken
was, niet alleen een machtig koning te zijn^ maar ook een uit-
stekend legerhoofd; dat er dus niet meer aan te denken viel,
hem ten onder te brengen, en Europa weer afhankelijk te
maken van den Franschen koning; en dat er dus eigenlijk geen
verstandige reden meer bestond om den oorlog langer voort te
zetten.
Maar, was er geen verstandige reden om den oorlog langer
voort te zetten, waarom dan maar niet dadelijk^ of zeer spoedig,
vrede gesloten ? — • Beide partijen haakten naar dien vrede,
vooral met het oog op de regeling van de Spaansche erfopvol-
ging, bij den eiken dag te voorzienen dood van den ongeluk-
kigen Spaanschen koning.
Maar spoedige, rasse handelingen behoorden niet tot de staat-
kunde van dien tijd, evenmin als tot zijne krijgskunst: beide
waren omslachtig, vormelijk, kunstig — om niet te zeggen ge-
kunsteld. Lodewijk XIV kon het ook niet zoo spoedig over zijn
trots verkrijgen, zijn tegenstander te erkennen als Koning van
Groot-Brittanje, en daardoor de zaak van Jakobus II op te
Digitized by
Google
352 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
geven; daarbij waren er verschillen over Straatsburg, over Lotha-
ringen^ over Luxemburg, over nog meer andere punten; die
verschillen moesten worden uit den weg geruimd, en de hoog-
moedige Fransche koning tot toegeven worden gebracht; aan
het Zweedsche hof, aan het Keizerlijke hof, hadden daarover
ingewikkelde en langdurige besprekingen plaats, tusschen de
diplomaten, die al hun geslepenheid aanwendden om, ook in de
nietigste zaken, hunne tegenpartij eene vlieg af te vangen; dat
alles ging zeer langzaam en omslachtig in zijn werk; en, indien
in het voorjaar van 1697 te Rijswijk een congres is bijeenge-
komen dat eindelijk heeft geleid tot het sluiten van den vrede,
dan moet men die uitkomst denkelijk minder danken aan de
gezanten te Stokholm, of te Weenen, dan wel aan de werking
van ondergeschikte agenten, die in het geheim werden aangewend
tot het bespoedigen van den vrede.
Een dier agenten was zekere Mollo; vroeger agent van den
koning van Polen geweest zijnde, was hij nu jaren lang te
Amsterdam woonachtig, daar rijk getrouwd, en verkeerde hij in
de beste kringen. Mollo reist in 1693 naar Frankrijk, komt daar
in aanraking met den Franschen minister De Croissy, en houdt
besprekingen over een vrede tusschen Frankrijk en de Repu-
bliek; hij doet zich daarbij voor, als gemachtigde van vier Hol-
landsche steden, en. beroept zich zelfs op den Amsterdamschen
burgemeester Hudde. (Archief van Heinsius, 3* deel, blz. 16).
Die besprekingen, of onderhandelingen, hebben jaren geduurd,
maar zijn spoedig ter kennis en in handen gekomen van Heinsius
en van Willem III; deze besturen nu de onderhandelingen, —
in naam, voor Amsterdam. Liever dan den Raadpensionaris zelf,
of dan Dijckvelt, wil Willem III een Mollo als agent gebruiken ;
omdat men zulk een persoon als Mollo — zegt de Stadhou-
der — >zoo noodig beter kan desavoueren dan een persoon van
qualiteyt."
Van der Heim noemt dit »een niet zeer loyaal doel"; en
werkelijk is het dit ook niet: iemand die in het gewone leven
zich zoo iets zou veroorloven, zou in ieder fatsoenlijk gezelschap
met den nek worden aangezien. Maar in regeeringszaken mag
men niet zoo streng oordeelen; yjla politique n'est pas oeuvre de
Samfs^\ heeft een Fransch schrijver gezegd; en die spreuk is
vooral van toepassing op de diplomatieke handelingen van den
eenen staat jegens den anderen. Wie daarbij altijd oprecht wil
zijn, altijd arglist vermijden, en toch de belangen van zijn land
goed behartigen, — die stelt zich een vraagstuk voor, dat voor
geen goede oplossing vatbaar is.
Dat Willem III niet hoog wegliep met Mollo, en hem niet
beschouwde als leen persoon van qualiteyt", kan blijken uit wat
Digitized by
Google
SAMENZWERING IN ENGELAND. 353
voorkomt in een brief van den Stadhouder aan Heinsius (Ken-
singion 26 Maart/ 5 April 1695); er is meer dan ongenoegen, er
is versmading en beleediging in de volgende woorden: ihet
valse rapport dat Mollo te Amsterdam heeft gedaen, als of wij
begeerden dat Amsterdam geen verdere kennisse van de nego-
tiatie soude hebben is onverdraegelijck, en hij dient met voeten
te worden geschopt. lek kan niet sien hoe men sulcken vuylick
meer kan gebruycken in sulcke importante saeck. lek pretendeer
met hem verder niets te doen te hebben. UEd. gelieft van
mijnentwege aen de H.H. van Amsterdam te verseeckeren, dat
ick alles geerne met hen wil communiceeren, ende dat ick noyt
geen andere gedaghte heb gehadt; hoopende dat sij geen ge-
loof sullen geeven aen sulcken leugenaer als Mollo is. U£d.
sult voortaen voor getuygen met hem moeten spreecken, ten
eynde hij UEd.'s woorden niet magh verdraeyen en valsehe rap-
porten doen."
Maar, moesten de hoofden van Groot-Brittanje en van de
Republiek, bij de geheime onderhandelingen met Frankrijk, zich
soms bedienen van middelen die niet altijd van het beste allooi
waren, toch was hunne staatkunde eerlijk, in vergelijking met de
middelen door de tegenpartij soms gebezigd. Misleiding, bedrog,
onwaarheid, ook omkooping, werden door de Engelsche en
Hollandsche diplomaten misschien evenzeer gebezigd als door de
ministers en gezanten van Lodewijk XIV; maar deze gingen
verder; en, niet tevreden van bij hun vijand op te stoken tot
oproer en burgeroorlog, ontzagen zij zich niet om zelfs hun
toevlucht te nemen tot het schandelijke, het eerlooze middel van
sluipmoord.
Geheel in het begin van 1696 zag men eene ongewone drukte
aan de Fransche kusten van het Kanaal; te Calais en Duinker-
ken werd een talrijke vloot van transportschepen vereenigd,
ongeveer een 500; in Duinkerken was bovendien de geduchte
Jean Bart, met een tiental oorlogsvaartuigen; troepen rukten
aan uit het binnenland, en kwamen in of nabij de havensteden ;
ééne opgave begroot die krijgsmacht op 18 bataljons voetvolk,
3 regimenten ruiterij en 2 regimenten dragonders, in het geheel
een 15 k 16000 man. Natuurlijk konden die toerustingen, die
de eene of andere onderneming schenen aan te duiden, voor
het buitenland niet geheel verborgen blijven ; maar, wat zou die
onderneming zijn ? Waar zou Frankrijk aanvallen ? — daaromtrent
verkeerde men in het onzekere.
De krijgsbevelhebbers van de Republiek, die in de Zuidel^ke
Nederlanden waren, meenden dat Ostende, of Zeeland, bedreigd
werdéb; de generaal Fagel stelde zelfs aan den raadpensionaris
WILLEM III. — m. 23
Digitized by VjOOQIC
354 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGB BESCHOUWINGEN.
Heinsius voor, dat deze hem zoude machtigen, met eene troepen-
macht uit Vlaanderen op te rukken naar Duinkerken en die stad te
bombardeeren, ten einde zoo het gevaar af te wenden van zelf
te worden aangevallen; en de hertog van Holstein-Plön, toen
opperbevelhebber, deelt aan den Raadpensionaris evenzeer zijne
bezorgdheid mede over die krijgstoerustingen te Duinkerken, en
vindt het vernederend dat men die zoo moet duchten; ihet is
eene schande voor ons" — zoo eindigt hij zijn brief van 3 Maart
1696 — idat wij na op zoo roemrijke wijze den oorlog ter zee
tegen Engeland en Frankrijk te hebben volgehouden, thans
moeten bevreesd zijn voor Jean Bart, met zijn 8 of 10 oorlogs-
schepen. Vergeef mij dat ik zoo vrij schrijf; maar het ergert mij."
(Archief van Heinsius, 2* deel, blz. 117 en 118).
Maar noch Zeeland, noch Ostende werden toen bedreigd:
het gold Groot-Brittanje. Jakobus II wilde eene nieuwe poging
wagen, om den Engelschen troon weer te beklimmen; daartoe
had hij uitgebreide verstandhoudingen aangeknoopt met zijne
aanhangers in het eüandrijk; daartoe was Berwick, zijn onechte
zoon, in stilte, in het geheim, in Engeland gekomen, om daar
een opstand, een omwenteling voor te bereiden; daartoe kwam
de verdreven Koning zelf te Calais, om zich met de Fransche
legermacht in te schepen en naar Engeland over te steken, zoodra
het bericht zou zijn gekomen, dat Willem III door de hand van
sluipmoordenaars was gevallen.
Die moord zou worden uitgevoerd, niet door een enkel mensch,
maar door een groot aantal saamgezworenen. Een veertig of
vijftig Jakobieten, goed gewapend en te paard, wilden Willem III
afwachten als hij naar Richmond reed om te jagen ; een deel der
saamgezworenen zou de zwakke lijfwacht des Konings aanvallen en
verdrijven, terwijl het andere deel zijn rijtuig zou omringen en
hem dooden ; zoodra de moord was volbracht zou ijlings daarvan
bericht worden gegeven aan koning Jakobus te Calais, die dan
dadelijk met de Fransche legermacht naar Dover zou oversteken.
Maar een paar der samenzweerders ontdekten den toeleg aan
Bentinck, kort voor het oogenblik — geheel in het begin van
Maart — dat deze tot uitvoering zou komen. Willem ni, op het
punt uit te rijden voor de jacht, zijn geliefde uitspanning, werd
eindelijk door Bentinck overreed om voor ditmaal te huis te
blijven ; spoedig kwamen er nadere berichten in, die al meer en
meer de eerste opgaven omtrent den voorgenomen moord be-
vestigden j daarop hadden tal van inhechtenisnemingen plaats,
rechtsgedmgen, vonnissen, terechtstellingen, die, hoe wreed ook,
ten volle waren verdiend.
Het Parlement, de geheele Engelsche natie, betuigden op de
Digitized by
Google
SAMENZWERING IN ENGELAND, 355
krachtigste wijze hunne gehechtheid en trouw aan koning Wil-
lem; de Engelsche en Hollandsche vloot kwam in het Kanaal,
om eene landing te beletten; 20 bataljons, uit de Nederlanden
afgezonden, ontscheepten den 1960 Maart te Duins en op den
Theems; koning Jakobus haastte zich om naar Parijs terug te
keeren, en de Fransche landingstroepen gingen uiteen. In één
woord, het gevaar was geweken voor Willem III 5 en zijn gezag
werd sterker, — zooals meestal bij eene samenzwering die mislukt.
Sir John Fenwick, een man van zeer goeden huize en een
dapper officier, die bij het beleg van Maastricht van 1676 aan
het hoofd had gestaan van de Engelsche regimenten van Wil-
lem III, was in die samenzwering betrokken, misschien een van
hare hoofden; hij onderging daarvoor de doodstraf in 1697; bij
zijn rechtsgeding beschuldigde hij verschillende leden van den
hoogsten adel in Engeland van medeplichtigheid; onder de door
hem genoemde namen komt ook die van Marlborough voor.
Was die beschuldiging gegrond, of ongegrond? — De waar-
schijnlijkheid was voor het eerste; Willem III was voor het
laatste, — denkelijk uit staatkunde. Evenzoo werd er, officieel,
geen gewag gemaakt van de medeplichtigheid van Jakobus II
«n van het Fransche hof aan den voorgenomen moord; zoodat,
met stellige zekerheid, dienaangaande niets kan worden gezegd.
Wij zullen kortelijk de gronden opgeven die voor en tegen die
medeplichtigheid zijn aan te voeren.
Charnok, een geleerde van de Oxfordsche Universiteit en een
der voornaamste aanleggers van de samenzwering, verklaarde bij
zijne terdoodbrenging, dat hij wel wist dat koning Jakobus voor-
nemens was om in Engeland te landen, en daar een opstand
beraamde, maar dat nooit eenig bevel of last des Konings om
den Prins van Oranje te vermoorden, door Charnok was gezien,
of te zijner kennis gekomen; dat hij zelfs zeker meende te zijn,
dat een voorstel van dien aard door koning Jakobus was van
de hand gewezen. Eene soortgelijke verklaring werd afgelegd
door een ander der saarogezworenen, die tegelijk met Charnok
ter dood gebracht werd.
De Quincy trekt op de sterkste wijze partij voor de onschuld
van Jakobus II; van Lodewijk XIV gewaagt hij hier niet eens,
zeker van meening dat de Fransche koning geen verdediging
noodig had, daar het ondenkbaar moest zijn dat hij aan zulk
een gru weiijken aanslag zou hebben deelgenomen. Ziehier wat
De Quincy zegt, in zijn y^Hhtoire militaire du règne de Louis Ie
Grand'*\ 3' deel, blz. 204 en 205:
>Ik zal maar een enkel woord zeggen, over de samenzwering
van eenige bijzondere personen, om het op het leven toe te leggen
van den Prins van Oranje. Het is ongehoord dat die Prins aan
Digitized by
Google
356 KRIJCS- EN GESCHIEDKUHDIGE BESCHOUWINGEN.
het algemeen heeft willen diets maken, dat de koning van Enge-
land zulk een afgrijselijke daad had bevolen ; want de Prins van
Oranje en geheel Engeland waren overtuigd, door de nagelaten
verklaringen van de ter dood gebrachte medeplichtigen, dat zij
van koning Jakobus niet alleen geen last hadden tot dien aan-
slag, maar zelfs, dat hij er niet in het minst van wist. Maar de
Prins van Oranje, die er belang bij had om koning Jakobus in
een hatelijk daglicht te stellen, poogde diens schuld te bewijzen
door rechterlijke vervolgingen, 's Konings godsvrucht en meer
dan gewone deugd zijn te schitterend aan de wereld gebleken,
dan dat het noodig zij, hem in dat opzicht te verdedigen. Alleen
is het zeker, dat toen de koning van Engeland den koning van
Frankrijk overhaalde tot die onderneming, hij op het groot aan-
tal trouwe onderdanen rekende die hij in zijn koninkrijk had,
en die, zuchtende onder de slavernij waarin zij verkwijnden,
slechts wachtten op den bijstand die men hun toedacht, om zicb
openlijk voor hem te verklaren. Geheel Engeland weet, dat de
saamgezworenen nooit iets anders hebben verklaard, dan dat zij
hunne samenzwering zelf hadden tot stand gebracht, ten gunste
van de aanhangers des konings van Engeland in zijn rijk; maar
dat die vorst geen deel daaraan had . . ."
Macaulay staat de meening voor, dat er in 1696, in Engeland,
een tweeledige samenzwering tegen Willem III heeft bestaan. De
eene samenzwering had ten doel, een opstand in Engeland, eene
omwenteling, het omverwerpen van de heerschappij van den
Prins van Oranje, het weer verheffen van Jakobus op den troon
van Groot-Britlanje ; aan die samenzwering konden mannen als
de heriog van Berwick, als Sir John Fenwick, deelnemen ; want,
waagde men er zijn leven bij, er was toch niets schandelijks,
niets onteerends in dien aanslag.' Maar naast, of ter zijde, van
die eene samenzwering, ontstond een tweede, die ten doel had
het vermoorden van Willem III; die tweede samenzwering ver-
dient te worden gebrandmerkt als eene schandelijke misdaad.
Ziedaar hoofdzakelijk wat aangevoerd wordt om Jakobus II
en den Franschen koning vrij te pleiten van medeplichtigheid
aan den beraamden sluipmoord tegen Willem III. — Een enkel
woord daarover.
Met zekerheid kan men Macaulay*s meening niet verwerpen;
maar toch kan men hare waarheid betwijfelen. Die scherpe en
geheele afscheiding tusschen de twee samenzweringen heeft de
waarschijnlijkheid niet voor zich. Een aantal menschen verbinden
zich om in 1696 in Engeland eene omwenteling te bewerken;
een aantal andere menschen willen, om die omwenteling te be-
gunstigen, Willem III vermoorden; is het nu denkbaar, dat het
eerste komplot niets geweten heeft van het tweede, dat er geen
verband hoegenaamd tusschen die beide komplotten heeft be-
Digitized by
Google
SAMENZWERING IN ENGELAND. 357
Staan? — Toen Filips II met zijn legers en vloten naar den val
van Elisabeth streefde, hadden er tegelijkertijd moordaanslagen
plaats tegen de Engelsche koningin; en er was wel degelijk
verband tusschen die moordaanslagen, en de toerusting van
Parma's legers, of van de Armada. De waarschijnlijkheid is er
voor, dat het in 1696 evenzoo is gegaan. Het is mogelijk dat
Jakobus ü die samenzwering niet zelf heeft tot stand gebracht
om Willem III te vermoorden; het is mogelijk dat hij er niet
rechtstreeks deel aan heeft genomen, er zich buiten heeft ge-
houden; maar denkelijk is hij er niet onkundig van gebleven,
denkelijk heeft hij gedacht, dat het raadzaam was om die saam-
gezworenen maar ie laten handelen, zonder deel te nemen aan
die handeling; gelukte de moordaanslag, dan zou Jakobus er de
vruchten van hebben geplukt; mislukte zij, dan kon hij de
schande der onderneming, van zijn naam afschuiven.
Heeft zich de zaak zóó toegedragen, dan konden de gevon-
niste samenzweerders in Engeland ook naar waarheid verklaren,
dat zij uit eigen aandrift den moord hadden voorgenomen, en
geen last of bevel daartoe hadden ontvangen van Jakobus. Hun
gehechtheid en trouw aan den verdreven Koning moet hen
bovendien hebben aangespoord om zijn naam vrij te houden
van alle smet.
De Quincy beroept zich op de t godsvrucht en meer dan ge-
wone deugd" van Jakobus. Dat De Quincy zoo schreef behoeft
niemand te verwonderen, neemt men in aanmerking dat hij een
iiooge betrekking bekleedde bij de legermacht van Lodewijk XIV,
den vorst, dien hij in zijn geschiedkundig werk noemt > Louis
Ie Grand"; de getuigenis van zulk een man kan niet onpar-
tijdig zijn: hij behoorde tot de aanbidders en vleiers van den
Franschen koning, en moest dus ook kwistig zijn in den lof van
Jakobus, wiens zaak Lodewijk XIV tot de zijne had gemaakt.
Maar zelfs al is De Quincy geheel oprecht geweest in zijn oor-
deel over Jakobus, dan kunnen wij toch dat oordeel niet in het
«ninst beamen : noch bij Jakobus II, noch bij Lodewijk XIV kan
men thans een beroep doen op hunne » godsvrucht en deugd'*; —
en wanneer wij die twee koningen hier in éénen adem noemen,
dan is het omdat hier, bij deze gelegenheid, hunne zaak dezelfde
is geweest; al het kwaad dat bij dien aanslag van 1696 van
Jakobus II wordt aangenomen, komt ook neer op Lodewijk XIV;
want de verdreven Engelsche vorst deed toen niets, dan met
machtiging of voorkennis van den Franschen koning. Gij zegt,
dat die vorsten geen deel kunnen gehad heb^^en aan den
■aanslag van 1696, omdat zij te veel godsvrucht en deugd had-
den; — maar hoe zat het dan met die godsvrucht en deugd,
toen zij in 1692 Grandval afzonden om Willem III te vermoor-
den? £n dat zij aan dien aanslag handdadig zijn geweest, is
Digitized by
Google
358 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
bewezen door het openbaar gemaakte vonnis van den moorde-
naar^ dat nooit is weersproken door de Fransche regeering.
Wiskundige zekerheid bestaat hier niet, alleen waarschijnlijk-
heid; en deze pleit er voor, aan te nemen, dat Jakobus n en
Lodewijk XIV kennis droegen van den toeleg om Willem III te
vermoorden, dat zij dus medeplichtig zijn geweest aan die mis-
daad. Dit was toen ook de meening in bijna geheel Europa; en
zeer sterk komt dit onder andere uit in een brief van Heeckeren,
den gezant der Republiek bij het Zweedsche hof, aan den raad-
pensionaris Heinsius {Stokholm ce 0.% Man 1696). Na. het gerucht
— een ongegrond gerucht — vermeld te hebben, dat de Engelsche
admiraal Russel zestien Fransche oorlogsschepen zou hebben
genomen of verbrand, laat Heeckeren daarop volgen :
• Is dit zoo, dan is het eene gerechte straffe Gods, om de»
Aller Christelijksten Koning te kastijden voor het deelnemen aan
een zoo verfoeielijke samenzwering; en ik ben zeker dat de eene
ramp de andere zal volgen, totdat hij bezwijkt onder de recht-
vaardige tuchtiging van al het kwaad dat hij het gansche mensch-
dom heeft aangedaan. Waarlijk, het is niet onmogelijk om mis*-
schien nog staatslieden te vinden, die het in koning Jakobus
zouden kunnen verontschuldigen, indien hij zich niet ontzag
dolk of gif te bezigen, om weer op een troon te komen, die
hem toebehoort — meent hij — omdat hij vroeger daarop heeft
gezeteld, maar dien hij op zoo lafhartige wijze heeft verlaten^
zooals de geheele wereld weet; voor zulk een daad. Mijnheer,
zal men nog menschen kunnen vinden die haar eenigszins ver-
ontschuldigen ; — maar dat een Koning van Frankrijk deelneemt
aan een aanslag om een ander Koning, zijn evenknie, te doe-
den en te vermoorden, zooals hij nu, dat de wereld weet^ reeds
twee maal heeft gedaan — met Grandval en nu — en wie zegt
hoeveel meer malen, dat men niet weet — dat is zoo afschuwe-
lijk, dat die dwingeland en alle deelgenooten aan het feit, zeer
zeker eenmaal de straf zullen erlangen voor hunne misdadige
aanslagen . . . Ieder eerlijk man spreekt niet dan met afgrijzen vao
dien afschuwelijken aanslag; vooral doet dit de Koning vai>
Zweden..." (Archief van Heinsius, 3' deel, blz. 184 — 185).
Bidloo, de kundige Leidsche hoogleeraar en die tevens lijfarts
was van Willem III, moet toen eene redevoering hebben ge-
houden — of willen houden — over den moordaanslag; en
daarin onbewimpeld opgetreden zijn als beschuldiger van Lode-
wijk XIV. Het is niet zeker, dat die redevoering werkelijk ge-
houden is ; want in een brief van Boreel, een der Amsterdamsche
burgemeesters, aan den raadpensionaris Heinsius (Haege 27 Juni
1696) wordt te kennen gegeven, dat die handeling van den
hoogleeraar dan toch wel wat ongeraden zou zijn, nu men met
Frankrijk zoo druk aan het onderhandelen was over den vrede.
Digitized by
Google
GIVET. 359
Ziehier dien brief van Boreel, zooals die voorkomt in het Archief
van Heinsius, $• deel, blz. 196:
...iBij dese gelegenthe)rt sal met permissie UWEG. dienstelijck
voordraegen, dat de Hr. Eleman, gisteren in 't CoUegie" (welk
Collegie?) iverhaelt heeft, dat de Prof. Bidloo morgen een oratie
soude doen op 't subject van 't assassinat en 't plot, in Enge-
landt voorgevallen; dat dese Professor in die te doene Oratie
soude aenwijsen, niet alleen dat de Con. v. Vr. d'autheur van
dat detestabele voornemen is geweest, maar dat op een tafel
vóór den harangueur allerhande moortinstrumenten ten toon sul-
len leggen, verciert met gouden leliën; om, niet alleen door
't aanhooren van d' oratie, maar door 't gesicht van dese moort-
instrumenten, soodanigh opgeschickt, dien Con. te verbeelden als
soodanigh. UWEG. sal beter als ick connen oordeelen, off dier-
gelijcke te doen, in desen tijt van 't saisoen is..."
ivan 't saisoen" is: étre de saison. — Maar op een enkel
gallicisme mag men niet zien, in een stijl die zoo krioelt van
barbaarsche stadhuiswoorden.
Uit alles kan men opmaken, dat de openbare meening, de
volksstem, toen wel degelijk Jakobus II en Lodewijk XIV als
medeplichtigen beschouwde aan dien aanslag om Willem III te
vermoorden. Wij gelooven, dat de volksstem hierin geen ongelijk
heeft gehad; de waarschijnlijkheid is voor hare meening; maar
— wij herhalen het — stellig bewijs is er niet.
Bij een veldtocht van dien tijd bestond, nog veel meer dan
in onze dagen, de groote moeielijkheid daarin, de troepen te
voeden. Daartoe moesten vooral dienen, de magazijnen die men,
nog vóór het te velde trekken, in de grensvestingen bijeenbracht ;
het nemen, of vernielen, van die magazijnen was dus voor de
tegenpartij geen onbelangrijk voordeel, omdat daardoor het vijan-
delijke leger verhinderd werd om te velde te komen; of, ten
minste, dan minder lang te velde kon blijven. Het was, met het
oog hierop, dat de legerhoofden der bondgenooten in de Spaansche
Nederlanden tot eene onderneming besloten tegen de Fransche
magazijnen te Givet, eene vesting aan de Maas, een kleinen
dagmarsch hooger op dan Dinant.
Het voornemen tot die handeling schijnt uitgegaan te zijn van
Athlone, die zich toen te Brussel ophield. Den 6en Maart schrijft
die aanvoerder aan den hertog van Holstein Plön, — toen nog
opperbevelhebber van het leger der Republiek — , en vraagt
machtiging om 15 bataljons en 30 eskadrons samen te trekken;
onder die laatste moeten 10 eskadrons dragonders zijn; die
troepen moeten »Zaturdag" tusschen Sombreffe en Sint Truyen
zijn, om van daar 's Zondags bij Namen, of bij Thienen, te
Digitized by
Google
360 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
komen, >al naar mate men ze noodig kan hebben; en — voegt
Athlone er bij — »daar ik de eene of andere onderneming heb
doen onderzoeken, hoop ik tevens aan Uwe Hoogheid iets voor
te stellen dat uitvoerbaar en voordeelig is; maar het komt vooral
aan, op geheimhouding; en ik verzoek Uwe Hoogheid dat de
ruiterij voorzien worde voor vier dagen aan gesponnen hooi, dat
zij onderweg niet moet gebruiken, maar bewaren voor het geval
van nood; brood en haver zullen wij weten te vinden; ook
wensch ik, dat Graaf Tilly haar aanvoerder moge zijn."
Die troepen komen te Namen; een gedeelte van de bezetting
dier vesting voegt zich bij haar ; en Athlone met Coehoorn gaan
den 13611 Maart met die macht op marsch, in zuidelijke rich-
ting, op den rechteroever van de Maas. Die marsch gaat gepaard
met bezwaren, door den slechten toestand van de wegen, en
door de moeielijkheid die men ondervindt bij het overtrekken
van de Lesse, een riviertje dat zich nabij Dinant in de Maas
werpt. Athlone had zwaar geschut meegenomen van Namen,
maar zag geen kans om dit voor Givet te brengen, zoo door
den slechten toestand van de wegen, als door den slechten toe-
stand van de trekpaarden. De zware kanonnen en mortieren
werden daarom achtergelaten; en de marsch naar Givet voort-
gezet door Coehoorn met niet meer dan 500 man voetvolk,
500 ruiters, 6 houwitsers en 6 kanonnen van 6 ^. Athlone
wendde zich met de hoofdmacht, — g k 10 000 man — tegen
de vesting Dinant, waar Guiscard eene Fransche troepenmacht
had vereenigd.
Terwijl Guiscard beziggehouden werd door Athlone en daar-
door beducht was dat het Dinant zou gelden, verscheen Coe-
hoorn den i5en Maart voor Givet; den volgenden dag, 's och-
tends om zeven uur, opende zijne artillerie haar vuur, op óéX
deel van de vesting dat op den rechter Maasoever ligt; drie
uren later stond alles daar in volle vlam^ en waren de maga-
zijnen vernield. Omdat men geen zwaar geschut bij zich had,
was het onmogelijk om ook het deel van Givet in brand te
schieten, dat op den linkeroever van de Maas ligt, evenmin als
het onmiddellijk daaraan sluitende Charlemont; — zoodat de
daar aanwezige Fransche magazijnen gespaard bleven. Volgens
opgaven van Fransche zijde, moet men, bij het bericht van de
nadering der Hollandsche troepen, nog tijdig een deel van den
voorraad hebben overgebracht, van den rechteroever der Maas
naar den linker. Toch moet de vernieling, door het kanonvuur
van Coehoorn aangericht, nog al aanmerkelijk zijn geweest; in
een brief van 23 Maart zegt de raadpensionaris Heinsius, >dat
meer dan drie millioen rations hooi en evenveel stroo verbrand
zijn, benevens eene groote hoeveelheid haver, koorn en meel";
en de Europische Mercurius zegt, dat de verbrande fourage groot
Digitized by
Google
GIVET. 361
genoeg was voor het onderhoud van 30 k 40000 paarden, ge-
durende drie maanden tijds.
Om vier uur 's namiddags staakte Coehoorn het bombardement
•en trok, ongehinderd, terug op de hoofdmacht voor Dinant ; deze
had intusschen een weinig afdoend geschut- en geweervuur onder-
houden met de troepen van Guiscard; het voorname doel hierbij
Tvas, den Franschen te verhinderen Givet te hulp te komen, of
•de gemeenschap van Athlone met Namen te bedreigen. Onge-
hinderd had daarna de terugtocht plaats van den HoUandschen
bevelhebber op Namen. Tegen die vesting werd kort daarna eene
soort van bedreiging gemaakt door de Fransche bevelhebbers,
als het ware een weerwraak voor het gebeurde te Givet; die
bedreiging leidde echter tot niets, dank zij de waakzaamheid van
<ie bezetting van Namen, en dank zij het beleid van Coehoorn,
haar bevelhebber.
Die onderneming op Givet was dus volkomen gelukt; — maar
•de wijze waarop zij was beraamd en uitgevoerd, wekte het
ongenoegen op van den hertog van Holstein-Plön, die toen nog
de opperbevelhebber was van het leger der Republiek; in een
brief, gedagteekend Namen 14 Maart 1696, klaagt dat leger-
hoofd aan den raadpensionaris Heinsius, over miskenning van
zijn gezag:
>Als wanneer ick gisteren naemiddagh al hier arriveerde, so
was de Heer Graaf van Athlone en d' andere Generaels reeds
met de trouppes nae de kant van Givet geavanceert, sonder mij
daervan de minste kennisse te geven, en hebbe alleen bij mijn
arrivement binnen dese stadt vernomen, als dat het desseyn legt
om een considerabel magasin, binnen Givet in brandt te steecken.
<jodt geve dat hun oogmerck gelukkig mach uytvallen; edoch
soo niet, soo wil ick 00 ck in 't minste niet verantwoording van
de ongemacken, die uyt dese marsch mochten spruyten, hebben.
En sie ick vele desordres te gemoct, als de Heeren Generaels
«onder mijne communicatie entreprises willen formeren ende
executeren, daer nochtans volgens de oude oorloghswetten niets
en mach geschieden sonder kennisse van die geene dewelcke de
legers commandeert. Ende daerom bidde ick dat UWEG. soda-
nige heeren wat beter gelieve te onderrichten, opdat sij in
't toekomende sonder mijn weten niets moge tenteren. Ick sal
ondertusschen hier blijven afwachten, hoedanigh de saecke magh
afloopen" enz. (Archief van Heinsius, 2* deel, blz. 119 — 120).
Toen Holstein-Plön kort daarop verneemt, > dat de zaak goed
Is afgeloopen", schrijft hij dit toe, aan de kordaatheid van Coe-
hoorn; — op Athlone schijnt hij het niet te hebben begrepen.
Het is wel eenigszins naïef, dat Holstein-Plön een beroep noo-
dig acht op >de oude oorloghswetten" om te bewijzen, dat er bij
Digitized by
Google
362 KRIJG3- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
de legers «niets en mach geschieden sonder kennisse van die
geene dewelcke de legers commandeert"; — zulk een beroep
schijnt vrij overtollig; want het zal wel tot het ABC van elke
geregelde oorlogvoering behooren, dat een opperbevelhebber daar
is om gezag te oefenen, en geenszins om ivoor spek en boonen
meê te loopen". Maar de waarheid schijnt te zijn geweest, dat
men Holstein-Plön, als opperbevelhebber, gaarne wilde loozen;
en daarom zijn krijgsgezag niet genoegzaam steunde.
Waardoor ontstond die minder gunstige gezindheid te zijnen
opzichte? Was zij een gevolg van het krachtig protest, dat, reeds
dadelijk bij zijne benoeming tot veldmaarschalk, door de Staten
van Friesland was ingebracht? Of was later gebleken, dat hi>
minder geschikt was voor de taak van opperbevelhebber; en
verwachtte men betere uitkomsten als men Nassau-Sarbruck aan
het hoofd stelde van het leger der Republiek? — Hoe dit zij^
zeker is het dat Willem III niet hoog wegliep met Uolstein Plön,
als opperbevelhebber; en dat hij er maar naar streefde om, op
de minst kwetsende wijze, den Holsteinschen vorst te doen ver-
vangen door een ander opperbevelhebber.
Geheel in het begin van 1696 — (Kensington 14/24 Januari
1696) — schrijft Willem III aan Heinsius, over Holstein-Plön, en
geeft daarin het duidelijke blijk, dat hij met dezen juist niet
bijzonder is ingenomen. Als — zegt Willem III in dien brief —
deze winter het leger van de Republiek wordt samengetrokken^
>kan het niet worden geëviteert ofte den Hartog van Holstijn-
Pleun soude hetselve moeten commandeeren onder den Ceur vorst
van Beyeren; maer ick hoop niet dat sulcken geval gebeuren
sal ; en voor d' aenstaende campagne sal men dit anders moeten
reguleeren. De goede Godt wil geeven, dat ick in 't landt magh
sijn voor dien tijt, en dan sal sigh alles gemackelijck inschicken
kunnen." (Archief van Heinsius, 2' deel, blz. 116).
Een paar maanden later, toen Willem III besloten is, op
welke wijze de zaken te i reguleeren" en Holstein-Plön door
Nassau-Sarbruck te vervangen, schrijft hij dit aan Heinsius (Ken-
sington 10/20 Maart 1696):
>Ick sende UEd. hiernevens een Commissie voor den Prins
van Sarbruck, om dit jaar het leger van den Staet te comman-
deren; en een autorisatie om de patenten" (marschorders) iii>
mijne absentie te geeven; als mede een brief van notificatie
't welck ick versoeck dat UEd. hem wilt toesenden. Ick hebbe
deselve aan UEd. geadresseert, ten eynde UEd. voor af op de
beste manier moghte overleggen, hoe het aan den Hertogh van
Holstein-Pleun met de minste oflfentie te doen insinueren, 't welck
UEd. oock met den Heer Dyckvelt soude connen overleggen.
Ick heb niet langer kunnen waghten om mij hier over te dccla-
Digitized by
Google
VELDTOCHT IN DE NEDERLANDEN. 365
reren, anders had ick het liever uytgestelt tot mijn overkomste;
maer het leger seeckerlijck sullende bij den ander moeten komen
eer ick aldaer kan sijn, soo ist een absolute nootsakelijkheyt dat
de Generaal wert gedeclareert om seer vele inconvenientes voor
te komen..." (Archief van Heinsius, 2* deel, blz. 128 — 129),
Als men een lastigen gast gaarne wil beduiden dat hij heen
moet gaan, dan is men wel eens verlegen om hem dit op eene
kiesche manier te doen gevoelen ; in zulk eene verlegenheid schijnt
men toen verkeerd te hebben ten aanzien van HolsteinPlön.
Daar wordt verhaald, dat, tijdens het beleg van Gibraltar door
de Spanjaarden en Franschen in de tweede helft van de acht-
tiende eeuw, de Engelsche bezetting eens, bij het doen van een
uitval, doordrong tot een der wachthuizen des vijands, en dddr
het dagelijksche rapport van de veldwacht vond, ingevuld met
de gewone formule: geen nieuws. Dien dag was er wél
nieuws, — zoodat het rapport niet deugde; wat alweer bewijst,
hoe gewaagd het is om zaken te beschrijven die nog moetea
gebeuren.
Maar de veldtocht van 1696 in de Nederlanden is reeds lang
geleden gebeurd, zoodat men dien zonder het minste gevaar kan
bespreken en beschrijven; en er is niets gewaagds in^ om op
dien veldtocht toe te passen de woorden van het rapport der
veldwacht: geen nieuws. Want waarlijk, er is in 1696 in de
Nederlanden niets voorgevallen, niets ten minste wat vermelding
verdient uit een krijgskundig oogpunt. Twee legers hebben toen
tegenover elkander gestaan ; — maar zij zijn niet slaags geraakt;
zij hebben geen beleg beproefd; zij hebben de landstreek kaal
gegeten, zijn een enkelen keer van stelling veranderd, en toen
weer uiteengegaan. Wat er in 1696 in de Nederlanden is voor-
gevallen, verdient den naam van veldtocht haast niet; het was
als het ware een overgang van den staat van oorlog tot den
staat van vrede.
Uit een brief, geheel in het begin van 1696 door Willem III
aan Heinsius geschreven^ (Kensington 7/17 Januarij 1696), is
duidelijk op te maken dat de Stadhouder niet voornemens is^
in 1696 iets bijzonders te ondernemen; na daarin eerst Frank-
rijk's voornemens te hebben vermeld om de vloot van Toulon
naar Brest te doen komen; na daaraan te hebben vastgeknoopt
eene aanmaning om spoed te maken met de uitrusting van de
vloot der Republiek, wordt er, wat het leger aangaat, het vol-
gende gezegd:
iHet sal op twee saecken voornamentlijk op aankoomen, dat
wij de augmentatie van de trouppes kunnen vinden^ en dat de
vyant ons niet prevenieert en voor ons in campagne" (komt).
Digitized by
Google
364 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Het eerste, meent Willem III, zal nog wel gaan; thet tweede
bekommert mij meest, vreesende seeckerlijck, dat de vyant ons
sal preveniëren en dat wij dan genecessiteert sullen stjn om ons
te reguleeren naer haere mouvementen." — Vaudemont heeft
aan den Stadhouder voorgesteld, de belegering van Mont-Royal
— eene vesting op den linkeroever van den Moezel, een paar
dagmarschen beneden Trier — 5 Willem III oordeelt dit te
moeielijk : het zal al wél zijn, als men het tegenover Mont-Royal
gelegen Traarbach en de forten kan nemen. (Archief van Hein- •
sius, 2* deel, blz. 115).
Men ziet het, de Stadhouder koesterde geen groote plannen
voor den veldtocht van 1696; en die plannen zullen er niet
grooter op zijn geworden, toen later de tegen hem gesmede
samenzwering werd ontdekt, en ten gevolge daarvan een deel
van de strijdkrachten der bondgenooten uit de Nederlanden naar
Engeland werd overgebracht.
Wat de legersterkle van de beide partijen aangaat, in de
Europische Mercurius vindt men de volgende opgave aangaande
de strijdkrachten die Lodewijk XIV in 1696 wilde te velde brengen:
In Vlaanderen zou Villeroy weer het bevel voeren; aan de
Maas, Boufflers. De gezamenlijke macht van die twee leger-
hoofden zou bedragen 173 bataljons en 223 eskadrons (11 2 000
man infanterie en 35000 cavalerie; te zamen 140 k 150000 man).
In Piémont zou Catinat 34 bataljons en 83 eskadrons aan-
voeren (22000 man voetvolk en 13000 man ruiterij; te zamen
35000 man). Later wordt echter Catinat's leger begroot op 88
bataljons, 62 eskadrons ruiters en 23 eskadrons dragonders, wat
inderdaad een vrij aanmerkelijk verschil maakt met de vroegere
opgave, in zoover de infanterie betreft. Die laatste opgave is de
meest waarschijnlijke, daar zij tamelijk wel overeenstemt met wat
De Quincy dienaangaande opgeeft.
Aan den Rijn zou Choiseul aan het hoofd staan van 40 batal-
jons en III eskadrons (26000 man infanterie en 17 ^ 18000
cavalerie; te zamen 43 k 44000 man).
In Catalonië had Vendème het bevel over 26 bataljons en
37 eskadrons (bijna 17000 man infanterie en bijna 6000 cava-
lerie; te zamen 22 è. 23000 man).
Montal had in Normandië 5 bataljons (ruim 3000 man), en
6 eskadrons (bijna 1000); te zamen een 4000 man.
Dan waren er nog kleine afdeelingen, onder d'Harcourt in het
Luxeraburgsche, en onder Guiscard bij Dinant. — De macht van
die beide bevelhebbers niet mederekenende, vindt men als men
al het andere optelt, dat Frankrijk in 1696, in het geheel, een
250000 man te velde bracht.
Digitized by
Google
VELDTOCHT IN DE NEDERLANDEN. 365
Wij willen in geenen deele borg blijven voor de juistheid van
die cijfers in de Europische Mercurius; integendeel, wij mis-
trouwen ze; vooral ook, omdat in dit werk, later, aangaande de
sterkte van de legers van Villeroy en Boufflers in de maand
Juli, eene opgave voorkomt, die klaarblijkelijk kant noch wal
raakt. Vreemd ook is het, dat, terwijl men zoo uitvoerige op-
gaven vindt aangaande de sterkte en samenstelling van de Fransche
legers, dit veel minder het geval is ten aanzien van de eigen
legers; die kon men toch beter kennen; misschien was het niet
geoorloofd, daaromtrent mededeelingen te doen : de vrijheid van
drukpers liet toen nog al wat te wenschen over, zelfs in de
Republiek, al was zij daar grooter dan in de andere Europeesche
staten.
Wij zouden verschillende gronden kunnen aanvoeren om aan
te toonen, dat het cijfer van 250000 man, dat wij aangenomen
hebben voor de geheele sterkte van de legers, door Frankrijk
in 1696 te velde gebracht, niet te hoog is, eer te laag; maar
wij maken er een gewetenszaak van, onze lezers langer te ver-
moeien met die cijfers. Wat doet het er toe, of een leger
20000 man sterk was, of 30000, als het toch niets heeft uitge-
voerd? — En in 1696 is dat het geval geweest, op de meeste
oorlogstooneelen ; — wie krijgshan delingen wil bestudeeren, lei-
ding van den oorlog, kan dat jaar voorbijgaan.
In Mei beginnen, in de Nederlanden, de wederzijdsche legers
te velde te komen. Het leger van Villeroy trok bijeen tusschen
de Schelde en Kortrijk, en daarna meer naar de Lijs; het leger
van Boufflers te Fleurus, en later meer naar de zijde van Mons.
De bondgenooten waren verdeeld in twee groote massa's: de
eene, onder Vaudemont, te Destelberg, nabij Gent; de andere,
onder den keurvorst van Beieren en onder Nassau-Sarbruck,
nabij Leuven en Thienen. De Quincy begroot het leger van
Vaudemont op 80 bataljons en 100 eskadrons (48000 man voet-
volk en 12000 ruiterij; te zamen 60000); en dat van den keur-
vorst van Beieren op 72 bataljons en 148 eskadrons (43200 man
voetvolk en 17760 ruiters; te zamen 60960 man); dus de beide
legers te zamen, ruim 120000 man. De Fransche schrijver neemt
hierbij aan, dat het bataljon bij de bondgenooten 600 man sterk
was, het eskadron 120; — wij gelooven dat het eskadron sterker
is geweest, het bataljon minder sterk, niet meer dan een 500 man.
Aanvankelijk gebeurde er niets; — van een legerhoofd als
Villeroy was zoo iets niet te verwonderen; van Boufflers kon
men meer verwachten, maar het schijnt dat hij ondergeschikt
was aan zijn ambtgenoot Bij de bondgenooten wachtte men op
de komst van Willem III; en die haastte zich niet, omdat hij
Digitized by
Google
366 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
toch niet voornemens was iets bijzonders uit te voeren. Den
17C0 Mei in Zeeland geland, in den Oranje-polder, kwam de
Stadhouder den volgenden dag in Den Haag, en vertrok den
23sten Mei van daar, — intusschen niet naar het leger, maar
naar het Loo; hier bleef hij jagen tot den 2en Juni, toen hij
naar Braband ging, en den 5en te Merxem kwam, nabij Antwerpen.
Na zich eerst bij het leger van Vaudemont te hebben begeven,
voegde de Stadhouder zich later bij het leger van den Keurvorst,
waarvan hij het bevel op zich nam en dat hij versterkte met
•een deel van de macht van Vaudemont. De dreigende houding
van Willem III, die oprukte naar de zijde van Genappe, deed
Boufïiers — einde Juni — besluiten om terug te gaan achter de
Sambre, na eerst de bezetting van Charleroi te hebben versterkt.
Er gebeurde echter niets; Willem III, later naar de zijde van
Ath trekkende, bracht, evenals zijn tegenpartij, in Juli en Augus-
tus den tijd werkeloos door; totdat » Zijne Brittannische Majesteit
zag" — zooals de Europische Mercurius zich uitdrukt — »dat
men de vyanden in geenige decisive actie kon wikkelen, dat zij
hunne plaatsen met oneindige werken, en door de posteering
hunner troepen ongenaakelijk hadden gemaekt; en eindelijk, dat
het saizoen vrij ver heen geloopen, alle dagen ongemakkelijker
wierd," (Nota bene, in Augustus!), hij, den 26sten dier maand
het leger verliet en naar het Loo terugkeerde.
Een leger van een 20 000 Duitschers, onder den landgraaf van
Hessen, kwam toen ook eens kijken in de Nederlanden; in het
laatst van Juni verscheen het te Visé, tusschen Luik en Maas-
tricht, en liet daar eenige dagen verloopen, alvorens over te
gaan op den linkeroever van de Maas; het bleef daar de maand
Juli, meest in de nabijheid van Luik, en keerde toen terug naar
Duitschland. Waarom was het gekomen? Waarom vertrok het? —
het is moeielijk die vragen te beantwoorden.
De Duitsche legers van dien tijd, eenmaal vechtende, vochten
goed; maar zij vochten liever niet: sneuvelden de soldaten niet,
dan behoefden zij ook niet te worden vervangen; en dan be-
spaarden de Duitsche vorsten het geld, dat zij anders zouden
moeten betalen voor aanwerving en uitrusting van nieuwe sol-
daten; dan hielden die vorsten meer over, van de subsidiën van
Engeland en van de Republiek. Het is een vaste tactiek van de
Duitsche legers van dien tijd om zoo laat mogelijk te velde te
komen, en zoo spoedig mogelijk huiswaarts te keeren, om zich
zoo weinig mogelijk bloot te stellen aan verliezen, en steeds er
naar te streven om in eene landstreek op te treden die in de
voeding en verzorging van den soldaat kan voorzien, en dus de
Duitsche vorsten van dien last ontheft.
Digitized by
Google
VELDTOCHT IN DE NEDERLANDEN. 367
Vaudemont en Villeroy voeren al even weinig uit; geheel in
het begin van Juli is de eerste te Mariakerke, nabij Gent, de
ander naar de zijde van Deynse. Villeroy rendt eene afdeeling,
onder d'Artagnan, naar de zijde van Doornik en Ath ; maar die
afdeeling keert terug, toen Vaudemont een 4500 man ruiterij,
onder Ouwerkerk, afzendt om haar aan te vallen. Fagel doet
een strooptocht tot onder de muren van Duinkerken, en ver-
overt — eenige koeien. Maar het verveelt, langer stil te staan
bij die onbeduidendheden ; en daarom bepalen wij er ons toe,
te zeggen dat de wederzijdsche legers in het laatst van October
uiteengingen en de winterkwartieren betrokken.
Bij beide legers heeft toen, onmiskenbaar, de gedachte bestaan
— een niet onredelijke gedachte! — : t waartoe zouden wij nog
langer vechten en ons bloed vergieten; het is toch dadelijk
vrede!" Elke partij is er maar op uit om te beletten dat de
andere haar afbreuk doet, zonder er naar te streven om zelve
die andere partij afbreuk te doen. Natuurlijk, dat er dus weinig
of niets gebeurt.
Die meening dat de vrede zeer nabij was, was zoo algemeen
doorgedrongen bij het leger der Republiek, dat Heinsius het
fioodig achtte om de legerhoofden aan te sporen, die meeniog
met kracht tegen te gaan, en op het gevaar wees dat zij kon
aanbrengen. Den 28sten October 1696 schrijft de Raadpensionaris
uit Den Haag aan Nassau-Sarbruck in dien geest, toont aan dat
die meening kwaad sticht, en zegt ten slotte:
»Uwe Hoogheid wordt dus aanbevolen om te zorgen, dat die
verderfelijke geest van vredesgezindheid niet doordringe tot de
Generaals, de officieren en de troepen; maar integendeel, dat
men allerhande toebereidselen make voor den aanstaanden veld-
tocht; dat men aan alles denke, en vooral aan de rekruteering,
de magazijnen, de artillerie, de oorlogsmunitie, opdat aan dat
alles niets ontbreke; en dat men er tegen wake, dat, onder
voorwendsel van den vrede, uitrustingen of paarden verkocht
worden, of iets dergelijks plaats hebbe, dat in strijd is met wat
men verplicht is te doen voor het voortzetten van den oorlog . . ."
In een brief, denzelfden dag door den Raadpensionaris aan
Vaudemont geschreven, komt, aan het slot, dezelfde aanbeveling
voor als aan Nassau Sarbruck : ...»Het komt mij voor dat, om
den krijgsgeest weer in de troepen te brengen, het noodig is
om bij de Generaals en officieren dat bovenmatig denken aan
vrede {cette grande pensee de paix) weg te nemen, en hen aan te
sporen om hunne troepen goed aan te vullen, en zich voor te
bereiden tot een krachtvollen veldtocht . . ." (Archief van Heinsius,
2* deel, blz. 142).
Digitized by
Google
368 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Wanneer wij in 1696 van het oorlogstooneel in de Spaansche-
Nederlanden overgaan naar het oorlogstooneel in Duitschlandy
aan den Rijn^ dan denken wij aan de woorden, door Vondel
aan Maria Stuart in den mond gelegd:
»wij wisselden van grond, — maar geenszins van ellende."
Aan den Rijn is in 1696 al even weinig gebeurd als in de-
Zuidelijke Nederlanden; het aldaar gebeurde is al even weinig
waard om vermeld te worden. De veldtocht begint in Juni en
eindigt in October; in Juni is het oorlogstooneel op den rech-
teroever van den Rijn, later op den linker; de Franschen roe-
men er op, dat zij hunne tegenpartij verhinderd hebben om
Philipsburg te belegeren, op den rechteroever; de Duitschers, dat
zij op den linkeroever het kasteel Hart hebben vermeesterd, een
dagmarsch afstands westelijk van Spiers; — een onbeduidend
voordeel, nog niet te vergelijken met het verbranden van de
Fransche magazijnen te Givet.
De sterkte van de beide partijen aan den Rijn schijnt nage-
noeg gelijk te zijn geweest. Zooals reeds vroeger is gezegd, telde
het Fransche leger een 43 k 44 000 man ; De Quincy deelt eene
opgave mede, die het Duitsche leger op een 70000 man be-
groot; maar hij voegt er bij, dat er denkelijk overdrijving is in
die opgave, en dat er bovendien van die 70000 man een 20000
onder den landgraaf van Hessen, eenigen tijd niet aan den Rijn
maar in de Nederlanden zijn werkzaam geweest; — aanwezig
geweest, is een juistere uitdrukking. Denkelijk waren beide par-
tijen dus even sterk. Het Fransche legerhoofd, de maarschalk
Choiseul, kon evenmin toen als later eenige aanspraak op uit-
stekendheid maken; bij de Duitschers was, behalve de landgraaf
van Hessen, aanvoerder Prins Lodewijk van Baden, een aan-
voerder die toen zekeren naam had, welke echter later, in den
Spaanschen Successie-oorlog te niet is gegaan, vooral toen hij
optrad als ambtgenoot van Prins Eugenius en van Marlborough.
Een Engelsch agent — zijn naam wordt niet genoemd — die
toen bij het Duitsche leger was, schrijft den 8sten September
1696 uit Laubesheim een brief aan Blathwayt, den Engelschen
secretaris van Willem III; die brief werpt licht op het beuzel-
achtige en nietige van de inzichten der legeraanvoerders van
die dagen.
De Duitsche legers zijn te Mainz op den linkeroever van den
Rijn, maar voeren daar weer niets uit; er is oneenigheid tus-
schen Prins Lodewijk van Baden en den landgraaf van Hessen ;
de laatste wil z ij n leger afgescheiden houden van het Keizerlijke
Digitized by
Google
KRUGSVERRICHTINGEN IN DUITSCHLAND. 369
leger van den Prins van Baden; de agent tracht hem aan te
toonen, dat dit verkeerd is:
tHij" (de Landgraaf) > wilde niet besluiten tot de vereeniging;
zeggende, dat men zeer goed kon marcheeren ieder op zich zelf
tot in 's vijands nabijheid^ en zich alleen vereenigen als de ge-
legenheid het voorschreef. Ik verwees hem op het gevaar dat er
in was gelegen om, ieder afzonderlijk, den vijand te gemoet te
gaan, al was de onderlinge afstand niet groot ; dat dikwijls eene
beek, een ravijn, de minste terreinafscheiding, groot nadeel teweeg-
bracht, en zooveel te meer een onderlinge afstand van een kwar-
tieruurs, of van een half uur ; dat bovendien, die afscheiding een
indruk zou maken zeer in het voordeel van den vijand, die
daardoor met grond zou gelooven aan oneenigheid tusschen de
twee legerhoofden der bondgenooten ; daardoor zou de vijand
onze legers minder tellen, en vaardiger overgaan tot krachtige
handelingen."
De Landgraaf schijnt dit toe te geven; — maar oppert nu
zwarigheden over het geven van het parool; en over de vraag,
wie in de slagorde den rechtervleugel zou uitmaken, wie den
linkervleugel; — die nietigheden waren toen zaken van het
hoogste gewicht, zaken waarop men dood zou blijven.
Wat het parool aangaat, de Landgraaf stelde voor, dat
Prins Lodewijk van Baden, en hij, dit zouden geven in onder-
linge overeenstemming; of dat een derde persoon het zou geven,
en het schriftelijk toezenden aan. beide vorsten. — De geschie-
denis heeft verzuimd om op te teekenen, welke van die twee
oplossingen van dit gewichtig vraagstuk is aangenomen.
Wat het andere vraagstuk betreft, de Engelsche agent bracht
den Landgraaf van Hessen onder het oog, dat het leger van
Prins Lodewijk van Baden op den rechtervleugel moest komen,
niet omdat de Prins hooger geplaatst was dan de Landgraaf,
maar omdat de Prins van Baden Keizerlijk generaal was, Kei-
zerlijke troepen aanvoerde, en deze niet op den linkervleugel
mochten staan; — (hun eer en fatsoen liet dat niet toe).
De Landgraaf klaagt er over, dat hij reeds veel moeite heeft
bij zijn eigen leger, om de oneenigheid weg te nemen tusschen
de Munstersche, de Lunenburgsche en de Mecklenburgsche troepen,
die alle op den rechtervleugel van de slaglinie willen staan; —
de Engelsche agent zegt, dat, voor zoo ver die troepen in soldij
staan van Engeland of van de Republiek, er geen zwarigheid is,
daar Willem III er niet om geeft, of die troepen al dan niet de
hoogerhand hebben in de slaglinie: tik heb gezegd, dat Zijne
Majesteit er zeer weinig belang in stelde, waar men die troepen
plaatste; mits men ze maar zóó plaatste, dat zij nuttig konden
zijn voor de algemeene zaak."
Met zulke beuzelingen bracht men in die Duitsche legers toen
WILLEM m. — III. 24
Digitized by VjOOQIC
370 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
den tijd door; geen wonder dus, dat er niets degelijks werd
uitgevoerd; zoodat SaintSimon dan ook met grond zegt: »Het
leger der bondgenooten trok met grooten spoed op Mainz . . .
en betrok dadelijk daarop de winterkwartieren; niet zonder
hevige tmsten tusschen de aanvoerders, die woedend waren van,
na zoo luide bedreigingen en grootsche plannen te hebben geuit,
toch niets te hebben uitgevoerd." (Saint Simon. Mémoires, ler vol.,
blz. 234).
Heeft men in 1696 op het oorlogstooneel in de Spaansche
Nederlanden en op dat in Duitschland werkeloosheid kunnen
opmerken, onwil tot handelen, op het oorlogstooneel in Italië
waren trouweloosheid en verraad in werking, waardoor aldaar
een gevoelig nadeel aan de zaak der bondgenooten werd toe-
gebracht.
De hertog van Savoye, Victor Amadeüs II, is een van die
menschen geweest, die altijd twee of drie verschillende cocardes
in hun zak dragen, om die leus op te zetten die hen, voor het
oogenblik, het meeste voordeel belooft. Hij had, vroeger, de
zijde van Frankrijk verlaten, om zich aan te sluiten bij de bond-
genooten; nu — reeds lang bewerkt door de zendelingen van
Lodewijk XIV — oordeelde hij het gunstige oogenblik daar om
van de bondgenooten weer tot Frankrijk over te gaan. Maar die
ommezwaai, dat door den wind gaan, ging gepaard met zwarig-
heden, met gevaren zelfs; dat moest worden gedaan met omzich-
tigheid, met overleg; dat vorderde geslepen staatkunde, staats-
listen, — om niet de harde woorden te gebruiken van leugen
en valschheid. Maar Victor Amadeüs was tegen die moeilijkheden
opgewassen; de geheele Savooische staatkunde was toen bedrog
en schurkerij; de omgeving van den Hertog was schorremorrie,
en hij zelf niet veel beter.
Zóó stellen de opgaven van ónze zijde het Savooische hof
van dien tijd voor. Wij gelooven, dat hierbij eenige overdrijving
is, dat hierbij de indruk heeft gewerkt der rechtmatige veront-
waardiging, in Engeland en in de Republiek opgewekt door
Savoye's verraad; wij nemen dus niet alles als waar aan wat
hierover voorkomt in de Europische Mercurius; — met name
niet, als aan den Hertog het voornemen wordt toegedicht, toen
hij weer tot Frankrijk overging, om de troepen van de bond-
genooten die bij hem waren te laten vermoorden, voor zoover
zij den hervormden godsdienst beleden; — dus, een soort van
Sint-Bartels nacht; — die beschuldiging is te onwaarschijnlijk
om haar zelfs maar te behandelen. Maar met dat al zijn wij
toch van meening, dat Victor Amadeüs en zijne raadslieden
menschen zijn geweest, die zich bij hunne staatshandelingen
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN IN ITALIË. 37 I
zeer weinig hebben bekreund om de wetten van recht en zede-
lijkheid.
Allereerst moest de Hertog tot eene vaste overeenkomst ge-
raken met Frankrijk; en om dit ongehinderd te kunnen doen,
verliet hij, in het laatst van Februari, zijne hoofdstad Turijn,
onder voorwendsel van eene bedevaart te verrichten naar Loretto.
Dit wekte argwaan op, onder anderen bij den raadpensionaris
Heinsius; den 23stcn Maart 1696 schrijft deze, uit Den Haag,
aan graaf Frise, aan het Keizerlijke hof te Weenen: »de zaken
in Piémont bevallen mij niet erg... Ik begrijp die reis van
Z. K. H." (de hertog van Savoye) inaar Loretto niet; want ik
geloof niet, dat het uit devotie is. Naar Rome heeft hij Graaf
Vernon afgezonden, zijn Ceremoniemeester, dien men nooit heeft
beschouwd als een groot voorstander van de bondgenooten."
Lord Galway — de vroegere Ruvigny, de Fransche uitge-
wekene — voerde toen in noordelijk Italië de hulptroepen van
Savoye aan, die in soldij stonden van Engeland of van de
Republiek; in een brief aan Heinsius van den yen April 1696,
uit Turijn, schijnt Galway nog te gelooven aan de goede trouw
van den Hertog; na gezegd te hebben dat deze een reis naar
Loretto heeft gemaakt, laat Galway volgen: ...t Sedert zijn
terugkomst is die vorst altijd ziek geweest; nog gisteren heeft
hij een purgatie genomen, en is nu. God dank, veel beter; ik
ben overtuigd dat hij te verstandig is om de bondgenooten te
verlaten, en zich weer afhankelijk te maken van Frankrijk. Zijn
slechte gezondheid maakt het zeer lastig om met hem om te
gaan; de zwarigheden waarop men stuit, doen altijd de eene of
andere omwisseling duchten ; en bovendien is hij er niet afkeerig
van, om eenig wantrouwen op te wekken, ten einde daardoor
van de bondgenooten te gereeder te verkrijgen wat hij verlangt . . ."
(Archief van Heinsius, 2' deel, blz. 129 en 130).
Terwijl de hertog van Savoye het reeds eens is met Frankrijk,
tracht hij de bondgenooten nog eenigen tijd in slaap te wiegen,
door hun allerlei voorstellen te doen betreffende aanvallende
handelingen tegen Frankrijk ; een daarvan was het belegeren
van de vesting Pignerol. Natuurlijk komt er niets van de ver-
wezenlijking van die voorstellen; het is Victor Amadeüs maar
te doen om tijd te winnen, en eene valsche gerustheid in te
boezemen aan hen die hij verraadt. De Savooische troepen die
te velde zijn, komen, voor tn na, binnen Turijn en de andere
vestingen; de regimenten van de bondgenooten, die in die ves-
tingen waren, worden, onder geschikte voorwendsels, daaruit
verwijderd. Zoo waarborgt de Hertog zich tegen het gevaar, dat
de bondgenooten vestingen van hem in hun bezit zullen houden,
wanneer het hun gebleken is dat hij tot hun vijand overgaat.
Digitized by
Google
372 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Catinat was aan het hoofd van het Fransche leger; — Catinat,
ten onrechte soms afgeschilderd als een menschlievend wijsgeer;
maar die, zeer zeker, een bekwaam legerhoofd is geweest, en
een bekwaam staatkundige. Het Fransche leger dat in Italië
optrad^ was buitengewoon sterk gemaakt ; eensdeels om daardoor
den afval van den hertog van Savoye meer den schijn te geven
van een onvermijdelijk zwichten voor de overmacht, anderdeels
om den Hertog beter te beschermen tegen de vijandschap van
zijn vroegere bondgenooten ; de sterkte van dat leger is stellig
veel grooter geweest dan het vroeger genoemde cijfer van 35 000
man, mogelijk wel het dubbele daarvan.
In de laatste helft van Mei ging Catinat's leger de passen der
Alpen over, bij Fenestrelles en Pignerol; dat overgaan van het
gebergte was toen minder bezwaarlijk, omdat men dd^r een
zachten winter had gehad. Catinat liet een sterk gedeelte van
zijne macht achter, om, door het goed bezetten van de berg-
passen en van de nabijzijnde vestingen, zijne gemeenschap met
Frankrijk te verzekeren. Piémont binnengerukt zijnde, hield de
Fransche veldheer den 2 7 sten Mei eene wapenschouwing over
25000 man voetvolk en 10 000 ruiters; later trok hij, van de
achtergelaten troepen, nog een twintigtal bataljons tot zich; zijn
leger zal toen dus een 45 b, 50000 man sterk zijn geweest.
Het Fransche leger trok in de richting van Turijn, en kwam,
den 2 en Juni, te Rivalta, op een paar uur afstands van de hoofd-
stad. Voor Turijn, buiten de vesting, lag het Spaansche leger,
sterk 12000 man voetvolk en 4000 ruiters. De Hertog zelf, in
de stad, nam den schijn aan, alsof hij een beleg of bombarde-
ment vreesde: hij had de zekerheid, dat hiervan geen sprake
kon zijn; maar toch werd alles gedaan, alsof zoo iets ophanden
was: Turijn werd met ijver in staat van verdediging gebracht;
het geschut kwam op de wallen; in den omtrek werden de
boomen omgehouwen, de huizen geslecht, en een nieuwe ver-
schanste linie opgeworpen; de stad werd voor twee maanden
van leeftocht voorzien; het hof maakte zich gereed om haar
te verlaten; — in één woord, de coraedie werd meesterlijk ge-
speeld.
Maar in de hoogste mate stuitend is het, dat bij het spelen
dier comedie, zonder eenig gemoedsbezwaar, tal van menschen-
levens worden opgeofferd. De hertog van Savoye, die zijn vrede
met Frankrijk zoo goed als geteekend heeft, geefc desniettemin
bevel aan de bewoners van het platteland, om de wapens op
te vatten en het Fransche leger te bestoken ; Catinat laat daarop
de boeren, die hem in handen vallen, ophangen; deze, van
hunne zijde, vermoorden de Fransche soldaten, waar zij ze
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN IN ITALIË. 373
kunnen machiig worden, of zenden ze, met afgehouwen rechter-
hand, naar het Fransche leger terug. In één woord, er hebben
wreedheden plaats, die een oorlog altijd tot oneer strekken;
maar tot dubbele oneer, daar, waar die oorlog slechts een
schijnvertooning is. Maar in die dagen waren dé mindere stan-
den zóó weinig in tel, dat men het een beuzeling achtte om
het leven van eenige boeren of van eenige soldaten op te offe-
ren, zelfs dan als dit onnoodig was.
Calinat blijft eenigen tijd nabij Turijn, maar werkeloos; daarna
maakt zijn leger een achterwaartsche beweging naar de zijde
van Pignerol. Spoedig wordt het raadselachtige van die hande-
ling opgelost; er hebben besprekingen plaats tusschen de beide
partijen; er wordt, den i2en Juli, een wapenstilstand van ééne
maand gesloten voor de legers in Italië; eenige dagen vroeger,
geeft Victor Amadeüs schriftelijk kennis aan de regeeringen der
bondgen ooten, dat hij hen vaarwel zegt en zich bij Frankrijk
aansluit. Natuurlijk dat die kennisgeving niet veel genoegen deed,
en dat de openbare meening zich hier en daar zeer duidelijk
uitte over het verraad van den Savooischen hertog.
Maar staatkunde en eerlijkheid wandelen niet altijd op den-
zelfden weg; en Victor Amadeüs was niet de eerste vorst, en
ook niet de laatste, die de algemeene verachting getrotseerd
heeft, ter wille van stoffelijke voordeden. Die voordeelen be-
stonden voor den Savooischen hertog daarin, dat hij vier mil-
lioen livres van Frankrijk ontving; dat Frankrijk hem teruggaf
alwat het van de Savooische of Piéraonteesche staten had ver-
meesterd, ook de vesting Pignerol, die echter moest worden ge-
slecht; en dat de dochter des Hertogs de vrouw werd van den
hertog van Bourgondië, den kleinzoon van Lodewijk XIV, —
zonder huwelijksgift; — en dit sam dot^ zooals Harpagon zou
zeggen, beduidde nog al wat. Voorts werd de Hertog, op een
inkomen van 50000 rijksdaalders 's maands, opperbevelhebber
van het Fransche leger in Italië; — evenwel, slechts in naam:
de ware opperbevelhebber bleef Catinat.
Aan zoo groote geldelijke voordeelen mocht Victor Amadeüs
immers eer en goeden naam wel opofferen, en heden als vijand
bestrijden wien hij gisteren als vriend de hand had gedrukt f —
Daa^: zijn er, die een ontkennend antwoord geven op die vraag.
Toen de bondgenooten niet in Frankrijk's voorstel wilden
treden om voor Italië een traktaat van onzijdigheid te sluiten,
rukten Calinat en de Hertog met het vereenigde Fransche en
Savooische leger naar de zijde van het Milaneesche en sloegen
den 24sten September het beleg voor Valenza, eene vesting aan
Digitized by
Google
374 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
den rechteroever van de Po, een kleinen dagmarsch beneden
Casal. Dat beleg wordt voortgezet tot den 7en October en is
door beide partijen op krachtdadige wijze gevoerd. Maar den
yen October houden de vijandelijkheden op, toen de tijding
komt, dat de bondgenooten de onzijdigheid van Italië aannemen.
Die onzijdigheid was een belangrijk voordeel voor Frankrijk^ dat
daardoor ontheven werd van de zorg voor de verdediging zijner
zuidoostelijke grenzen, en dat toen de strijdkrachten van Catinat
op andere oorlogstooneelen kon doen optreden. Van de bond-
genooten bleven de Spaansche troepen in Italië, in die gewesten
die toen onder Spaansche heerschappij stonden; de Keizerlijke
troepen keerden naar Oostenrijk terug, de door de Republiek
en door Engeland bezoldigde hulptroepen — meest Duitschers —
naar Duitschland.
Onder die hulptroepen bevonden zich vier Brandenburgsche
bataljons. De keurvorst van Brandenburg trad toen in onder-
handeling met de Venetiaansche Republiek om die bataljons te
verkoopen aan de Republiek, die ze dan tegen de Turken kon
laten vechten, in Morea. Of die koop tot stand is gekomen, is
ons niet duidelijk gebleken, maar wel, dat die handeling van
den Keurvorst, in hooge mate de verontwaardiging heeft opge-
wekt van Willem III. Uit Kensington, den 6/16 November 1696,
schrijft de Stadhouder aan Heinsius: ...»Ick heb verstaen, dat
de Ceurv. van Brandenburg tracteert om sijn vier bataillons die
in Piedmont hebben gedient, aan de Venetianen te verkoopen, —
't welck onverdraegelijck is. UEd. dient daerover den Hr. Smettau
te spreecken en den Hr. Danckelmann te schrijven, om sulcke
scandaleuse saeck in dese conjuncture van tijden te beletten. —
Men moet wel weynigh liefde voor sijn onderdanen hebben, om
deselve voor een stuc gelds te verkoopen, daer men seecker is,
dat geen tiende van deselve weeder sullen koomen," (Archief
van Heinsius, 3* deel, blz. 219).
Dat zijn goede, edele woorden, die Willem III eer aandoen.
In Kahale und Liebe^ het drama van Schiller, wordt gewag
gemaakt van den befaamden Hessischen keurvorst, die, bij den
opstand van Noord- Amerika, zijne soldaten aan Engeland ver-
kocht. Die schandelijke handeling is geen op zichzelf staand feit
geweest ; en de Hessische keurvorst heeft, in de vroegere eeuwen,
in Duitschland een aantal voorgangers gehad, die, om het geld
te vinden voor hunne paleizen of lusthoven, en voor hunne spil-
zieke bijzitten, hunne soldaten aan den vreemdeling verkochten.
Van de Duitschers kon men toen even goed zeggen, als wat
Voltaire in de Henriade zegt van de Zwitsers:
»barbares dont la guerre est Tuoique métier,
et qui veodent leur sang a qui veul Ie payer."
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN IN SPANJE EN TER ZEF. 375
Het voorname verschil tusschen Zwitsers en Duitschers was
toen, dat de Zwitsers zich zelf verkochten, en de Duitschers
verkocht werden door hunne vorsten. Men kan, misschien met
recht, het krijgswezen van onze dagen in Duitschland afkeuren,
als te drukkend en te uitputtend voor het land ; maar zeer zeker
is het toch, dat dit krijgswezen thans geheel vrij is van de
schande van het vroegere Duitsche krijgswezen: de Duitsche
legers zijn thans uitsluitend in dienst van Duitschland; zij wor-
den niet meer verhuurd of verkocht voor den dienst van vreemde
landen.
De veldtocht van 1696 in Catalonië, was al even weinig be-
duidend als de andere veldtochten van dat jaar.
Vendóme, die hier een Fransch leger aanvoerde van een 22 k
23000 man, had denkelijk de overmacht op den vijand, die,
onder een landgraaf van Hessen-Darmstadt, zelfs volgens de
opgave van De Quincy, maar een 18000 man telde; de Span-
jaarden hadden echter den steun van de bevolking.
Het Fransche leger trok bijeen te Girona, het Spaansche in
een verschanst kamp nabij Hostalrich, een 6^8 uur ten zuid-
westen van eerstgenoemde vesting. Vendóme vernomen hebbende
dat de Spaansche ruiterij het verschanste kamp had verlaten en,
in de richting van Girona, voorwaarts was gerukt tot Rio d*Arenas,
besloot haar daar aan te vallen; dit gaf aanleiding tot een rui-
tergevecht op den isten Juni. Bij dit gevecht sneuvelden, aan
weerszijden, eenige honderd man, en schreven beide partijen zich
de overwinning toe; het schijnt echter dat de Franschen hierop
het meeste recht hadden, daar zij den vijand binnen zijne ver-
schansingen terugdreven. Dit ruitergevecht is eigenlijk het eenige
dat vermelding verdient; al het andere bepaalt zich tot niets
afdoende pogingen om den vijand den toevoer van levensmid-
delen te bemoeilijken. — In October houden de krijgsverrich-
tingen op, volgens De Quincy reeds in September.
Ten slotte blijft nog over om te spreken over wat in 1696
ter zee is gebeurd ; ook dit levert geen stof op voor een helden-
dicht, — ten minste niet, wat de verrichtingen aangaat van de
geregelde oorlogsvloten.
Op het eerste bericht van de voorgenomen landing van Jako-
bus II met een Franseh leger in Engeland, zond Willem III
bevel aan de te Portsmouth aanwezige Engelsche en Hollandsche
zeemacht, om naar Duinkerken en de Fransche kusten te zeilen,
en de daar verzamelde schepen te vernielen. In een brief aan
Heinsius (Kensington 4 Maart/24 Februarij 1696) schrijft de Stad-
Digitized by
Google
376 KRÏJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
houder: »de goede Godt wil geven, dat het een tweede werck
van La Hogue magh sijn en uytvallen." — Het is anders
uitgevallen.
De Hollandsche admiraal Van der Goes schrijft (»in 't lant-
schip de Ridderschap, ten ancker tusschen Calais en Greve-
lingen, den i8en Maart lógó'*) aan den raadpensionaris Heinsius,
en meldt daarin dat hij den 5 en Maart met alle de oorlogs-
schepen der Republiek van Portsmouth naar Duins is vertrokken ;
daar vond hij, den óen, den Engelschen admiraal Russel met 10
oorlogsschepen, het minste van 50 stukken; den Ssten kwam
daar ook, van den Theeras, het eskader van den vice-admiraal
Shovel; de vereeniging had plaats bij het kasteel van Dover.
Ook kwamen daar nog een goed aantal Engelsche oorlogsschepen,
van Portsmouth.
Den gen Maart bereikten de vereenigde Engelsche en Hol-
landsche vloten de Fransche kust, tusschen Calais en Grevelin-
gen, — ofGravelines; want bij de tweeslachtige nationaliteit
van die zeehaven is het onzeker of men den Franschen naam
moet gebruiken of de Vlaamsche. — tDe haven van Calais" —
schrijft Van der Goes — t vertoont sig als een mastbos door de
menigte fluyten en kleynder voertuyg, sijnde na gissing tusschen
de 3 en 400, gedestineerd om de vijandelijcke troupes over Ie
scheepen. Het is jammer, dat er geen bombardeerscheepen bij
de hant sijn om die vrienden te regaleren." — De admiraal
treedt verder nog in eenige bijzonderheden, over wat de vloot
voornemens is te doen; wij kunnen dat overslaan, want hel is
van geen belang; ook daarom, omdat er van het volbrengen
van die voornemens niets is gekomen. — Reeds den 20sten Maart
is het grootste deel van de vloot weer te Duins; alleen Shovel
blijft met een sterk eskader op de Vlaamsche kust achter.
Opvallend in dien brief van Van der Goes is een trek van
naijver op de Engelschen: tde Nederlantsche scheepen sijn twee
etmael eerder in Duyns geweest als de Engelse, die bij ons voor
Portsmouth lagen." — Maar wat ook opvallend is daarin, dat is
de jammerlijke wijze waarop, reeds toen, onze zeemacht werd
bestuurd: »ick moet UWEG. tot mijn leedwesen seggen," —
schrijft Van der Goes aan Heinsius — t dat niettegenstaande alle
de goede beloften door de Heeren van de Admiraliteit op de
Maze aen mij gedaen eer in zee ging, dat tot nog toe niet een
stuyver op den dienst van den jaere 1695 en 1696 hebbe gesien;
en ihij selve soo verre in schulden hebbe gestooken dat mij niet
wete te redden, ten sij UWEG. de goe^eyt hebbe van mij een
goede som me gelts van mijn agterstallen te doen betalen."
Een admiraal moest dus toen bidden en smeeken, om het geld
te bekomen, dat hem wettig en deugdelijk toekwam voor het
onderhoud van zijn vloot! Een ellendige toestand!
Digitized by VjOOQIC
KRIJGSVERRICHTINGEN TER ZEE. 377
In het voorbijgaan hier eene enkele aanmerking op De Jonge's
.geschiedenis van ons zeewezen; — terwijl wij beginnen met te
zeggen, dat wij, in weerwil van die aanmerking, hoog wegloopen
mei dit klassieke, uitmuntende werk. De Jonge verdedigt Wil-
lem III tegen het vaak geuite verwijt, dat hij de vloot van de
Republiek heeft laten vervallen; de geschiedschrijver toont aan,
dat de Stadhouder de beste inzichten heeft gehad in het beheer
van onze zeemacht, maar die inzichten niet heeft kunnen ver-
wezenlijken, door de flauwheid of door den tegenwil van ande-
ren. — Geheel juist is dit niet.
Wij nemen aan, dat de admiraliteiten de meeste schuld heb-
ben aan het verval van onze zeemacht, aan het einde der zeven-
tiende eeuw; wij nemen aan, dat Willem III die zeemacht in
een goeden staat heeft willen houden; — maar wij vragen:
waarom heeft hij het dan niet gedaan? Waarom heeft hij zijn
wil niet doorgedreven ? Waarom heeft hij die flauwe of weerbar-
stige collegies niet tot hun plicht gebracht? — Zijne macht, zijn
invloed waren groot genoeg om eiken tegenstand te breken; zijn
bestuur was zóó krachtig dat men het soms, niet ten onrechte,
-den naam van dwingelandij heeft gegeven; waarom die kracht
dan hier niet gebruikt?
Men zal misschien het best op die vraag antwoorden, door
te zeggen dat Willem III meer lette op de belangen van Europa
in het algemeen dan op die van de Republiek in het bijzonder;
en dat hij begreep dat, na 1688, eene sterke oorlogsvloot voor
Nederland geen gebiedende noodzakelijkheid meer was. Men had
nu immers alleen tegen de Fransche zeemacht te kampen; en
men had Engeland tot bondgenoot.
De Engelsche admiraal Shovel, die met een sterk eskader op
de Vlaamsche kust was gebleven, ging in April over tot het
bombardeeren van Calais. De verwoesting, door dat bombarde-
ment aangelicht, wordt in de Fransche opgaven geheel onbe-
duidend genoemd, in de Engelsche zeer aanzienlijk; zooveel is
echter zeker, dat dit wapenfeit niets beslissends heeft gehad en
weinig glorievol was.
Meer beslissende handelingen schenen te verwachten te zijn,
toen den i6en Mei de admiraal Chdteau-Renaud, met de Fransche
vloot van Toulon, te Brest aankwam; die bekwame en stout-
moedige vlootvoogd bracht een vijftigtal oorlogsschepen aan;
en, vereenigd met de te Brest aanwezige macht, kon dus de
Fransche vloot weer in het Kanaal verschijnen, een grooten
zeeslag wagen, en de nederlaag van La Hogue wreken. Dit ge-
beurde echter niet: Lodewijk XIV achtte het geraden om ter
zee niets te wagen; de vloot van Chdteau-Renaud was ter-
Digitized by
Google
378 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
nauwernood te Brest of zij werd onttakeld, en hare bemanning
gebezigd voor de verdediging van die oorlogshaven.
De zee was nu weer geheel in de macht van de vloten der
bondgenooten ; het gebruik dat zij hiervan maakten bleef echter
geheel ondeduidend. In Juni kwam eene stprke Engelsche en
Hollandsche zeemacht op de Fransche kusten, bij Brest; zi>
richtte daar echter niets uit. In Juli werd de stad Saint-Martin
door de bondgenooten gebombardeerd; die stad, op het eiland
Ré, westelijk van La Roebelle, nabij de kust van Poitou, werd
weer min of meer verwoest, maar daarbij bleef het ook; en de
vloten der bondgenooten keerden, na een zoo roemloozen zee-
tocht, spoedig naar hare havens terug. Wiskundig uitgedrukt zou
men van dien zee-oorlog van 1696, wat den bondgenooten aan-
gaat, kunnen zeggen: een maximum van inspanningen, voor
een minimum van uitkomsten.
Het meeste werd nog verricht door den onverschrokken kaper
Jean Bart. Met een achttal oorlogsschepen de haven van Duinkerken
uitgezeild zijnde, in weerwil van het vijandelijk eskader dat die
haven ingesloten moest houden, viel Jean Bart, den 1760 Jpni,
bij het Vlie, onze tOostersche en Noordsche" koopvaardij vloot
aan, nam het klein aantal oorlogsschepen dat tot konvooi diende,
en verbrandde een dertigtal Noordsche koopvaarders. De bevel-
hebbers van de zwakke Hollandsche oorlogsschepen deden hun
plicht; de meesten vonden, strijdende, den dood.
Groote zeegevechten tusschen de geregelde vloten hebben er
dus in 1 696 niet plaats gehad ; maar een dapper Fransch kaper,
een zeeroover, heeft zich nieuwe lauweren verworven. Wanneer
men Jean Bart een kaper of zeeroover noemt, dan moet men er
bijvoegen, dat, volgens de denkwijze van dien tijd, in die bena-
ming niets verkleinends of krenkends was gelegen : de Engelsch-
man Drake, uit de dagen van koningin Ëlisabeth, is^ evenals
Jean Bart, een zeeroover geweest; om nu niet te gewagen van
ónze watergeuzen, de eerste kampvechters voor onze vrijheid.
Schande was er niet in gelegen, zoo op eigen hand den oorlog
te voeren; — het eenige bezwaar bestond daarin, dat men niet
als oorlogvoerende werd erkend, en dat men groot gevaar liep
te worden doodgeschoten of opgehangen, als men in 's vijands
handen viel.
Nog in Februari 1696 hadden de Staten-Generaal een plak-
kaat uitgevaardigd, waarbij bevolen werd dat alle vijandelijke
schepelingen die op onze wateren werden gevangen genomen en
niet tot eene geregelde vloot behoorden, of door noodweer ge-
dwongen werden daar te komen, > zonder eenige de minste
Digitized by
Google
DE VREDE VAN RIJSW^K. 379«
conniventie ofte dissimulalie met de dood zullen werden gestraft.*'
En dat dit plakkaat geen ijdele bedreiging is gebleven, bewijst
de vermelding, dat zes Fransche schepelingen, op onze binnen-
wateren gevangen genomen, den i6en Maart te Delfzijl ter dood
werden gebracht: igeharquebuzeerd en in 't water wierden ge-
smeeten", — zegt de Europische Mercurius. De kaapvaart was
toen dus geen schande, maar wel een gevaar.
HOOFDSTUK XXXI.
1697: de vrede van rijswyk; veldtocht in de nederlanden,,
ath; krijgsverrichtingen aan den rijn; in catalonië,
beleg van barcelona ; ter zee. du guav-trouin,
CARTHAGENA.
Den gen Mei 1697 komen de gezanten der oorlogvoerende
mogendheden bijeen, in het huis te Rijswijk; den 2osteii Sep-
tember wordt de vrede gesloten, voor zoover Spanje, Engeland,
en de Republiek betreft; met den Keizer kwam de vrede met
Frankrijk eerst in het laatst van October tot stand.
Moesten er dan nog vier, of vijf, maanden verloopen met
onderhandelen, terwijl alle partijen behoefte hadden aan vrede,
en reeds sinds jaren de voorwaarden van dien vrede, in het
geheim, waren besproken?
Alles ging toen langzaam en omslachtig te werk, en was ge-
bonden aan vormen en gebruiken, die tijd deden verliezen.
Daarbij kwam, dat Spanje en de Keizer het sluiten van den
vrede vertraagden door een ergerlijken, haast onzinnigen tegen-
stand; die twee mogendheden maakten de overige bondgenooten
soms radeloos, door de dwaasheid waarmede zij den vrede be-
streden, terwijl zij toch den oorlog op eene zoo jammerlijke wijze
hadden gevoerd, en daarbij minder hadden gesteund op eigen
krachten dan op de rijke hulpmiddelen van de zeemogendheden.
Spanje gaf ten laatste toe aan de verstandige vertoogen van de
Republiek en van Engeland, en sloot, mét die beide staten, den
vrede met Frankrijk; de Keizer werd daardoor gedwongen dat
voorbeeld te volgen. — Het was eene herhaling van wat in 1678
gebeurd was bij het sluiten van den vrede te Nijmegen.
Willem III was voor den vrede; — een vreemd verschijnsel,
bij hem, — zou men oppervlakkig zeggen ; maar minder vreemd,.
als men de redenen nagaat, die den vrede toen voor hem be-
Digitized by VjOOQIC
380 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
geerlijk maakten. Willem III was, toen, niet ver meer van het
einde van zijn loopbaan, zijn lichaamskrachten begonnen te ver-
minderen; hij kon den vrede verkrijgen op goede voorwaarden,
^n had de zekerheid van daarbij door Frankrijk erkend te wor-
den als Koning van Groot-Brittanje ; eiken dag was de dood te
voorzien van Karel II, den Spaanschen koning, en de regeling
van de erfopvolging van het Spaansche Rijk maakte het noodig
om in overleg te treden met Lodewijk XIV, in goede verstand-
houding te komen met dien vorst; en eindelijk — niet de minste
drangreden — de krachtige stroom der openbare meening was
voor den vrede — niet alleen in de Republiek, in Amsterdam,
maar ook in Engeland. Dit blijkt onder andere uit een brief van
Willem III aan Heinsius (Kensington, 2/12 April 1697):
...fick moet UEd. in confidentie seggen, dat de raenschen
alhier, geen uytgesondert, soo seer verlangen naer de vreede,
ten minste als de HH. van Amsterdam. lek hadt noyt kunnen
gelooven, dat het soo universeel soude sijn geworden, 't geen
evenwel niet goet en is; maar UEd. kan light oordeelen, hoe
het mij moet obligeren om daer een te sluyten, als men deselve
maer eenighsins op dragelijcke condilien kan erlangen, ende dat
soo spoedigh als doenelijck sal sijn." (Archief van Heinsius,
3*^ deel, blz. 236).
Eene enkele uitdrukking in het hierboven aangehaalde kan
aanleiding geven tot de meening, dat alleen de dwang der
noodzakelijkheid Willem III vredesgezind maakte; die meening
zou echter onjuist zijn. Reeds in een vroeger schrijven aan
Heinsius (Kensington, 16/26 Februarij 1697), "'^ ^^ Stadhouder
zijn verlangen naar den vrede, klaagt, dat de ^Médiateur'* (Zweden)
de onderhandelingen zoo traag voortzet, de Keizer zoo onwillig
is, en de strijdkrachten van Spanje zoo onbeteekenend zijn:
>De saecken hebben mij noyt bekommerlijker voorgekomen
als tegenwoordigh, weetende niet wat t' adviseeren noghte resol-
veeren, en dit bennen wij meest behouden aen de langsaeme
deliberatien en onsekerheyt van 't hof tot Weenen.
Voor soo veel de Spaensen aangaet, siet UEd. uit den brief
van den Pr. v. Vaudemont, in wat voor een miserabelen staet
sij in de Nederlanden sijn, en in Spagne selfs is het nogh
klimmer.
Hoe Catalonien te sal veeren desen soomer, komt mij voor
onmogelijck te sijn; en niettegenstaende schijnen sij weynigh
empressement te hebben tot de vrede.
Het soude seer hart sijn, dat wij om dit ongeluckigh huys van
Oostenrijck ons in een seeckere ruïne souden brengen en invol-
veeren.'* (Archief van Heinsius, 3* deel, blz. 229 — 230).
Toen de Stadhouder, in de Nederlanden, reeds op weg is naar
het leger, om daarmede het door de Franschen aangevallen Ath
Digitized by
Google
DE VREDE VAN RIJSWIJK. 38 1
te ontzetten, uit hij nog den wensch dat de vrede spoedig ge-
noeg moge worden gesloten, om elke verdere oorlogshandeling
te voorkomen; hij schrijft aan Heinsius (Breda den 21 May 1697):
> lek vrees dat de operatien van den oorlogh het geheele vverck
van de negotiatie van vreede sal doen veranderen, want ick niet
en sie hoe het mogelijck is, in twee daghen een plan van het ge-
heele werck te formeeren ; koste dat geschieden, soude ick nogh
hoop hebben dat men soude kunnen prevenieeren een zeer san-
glant gevegt, ofte het verlies van Ath, sijnde geresolveert te traghte»
't selve te secoureeren . . ." (Archief van Heinsius, 3' deel, blz, 237).
Twee dagen later (Breda den 23 May 1697 's morgens om 9
uuren) schrijft de Stadhouder nog aan Heinsius, zegt, dat de
Franschen gelijk hebben, van geen wapenstilstand te sluiten
voordat het algemeene plan van de vrede is vastgesteld; met
dat plan moet spoed worden gemaakt:
...>ende ick weet niet ofte het nogh niet soude kunnen ge-
schieden in twee daghen, te weeten Vrijdagh en Saturdagh, en
dan soude ick daervan tijding kunnen hebben Sondagh ofte
Maendagh morgen, voor welcken tijd ick den vyant niet wel sal
kunnen attacqueren, soo dat het nogh niet onmogelijck is om
sooveel bloetstortens voor te komen, als de Franschen maer
eenigsins willen. Ick vertreck soo aenstons . . ." (Archief van
Heinsius, 2* deel, blz. 146).
Haast u om vrede te sluiten, dan behoef ik met mijn leger
den vijand niet aan te vallen; verlies geen dag, geen uur; dan
is er nog mogelijkheid >om soo veel bloetstortens voor te
komen." — Wie is de veldheer, zoo vol menschelijkheid, die
deze edele woorden spreekt? — Willem III; dezelfde Willem III
die in 1678 den slag van Saint-Denis leverde en stroomen bloeds
deed vergieten, terwijl hij met voldoende zekerheid wist dat de
vrede reeds was geteekend ! Zoo kan een mensch veranderen —
en verbeteren.
Over het geheel is het een opmerkelijk zielkundig verschijnsel
om te zien, hoe, bij dit zijn laatste oorlogsjaar, de Stadhouder
bezield werd door gevoelens van menschelijkheid, die hem anders
niet zoo bijzonder eigen waren. Rousset en andere Fransche
schrijvers stellen Willem III voor als een man van een onver-
biddelijk karakter: y^cet autre iTnpitoyabIé*\ zegt Rousset van hem,
na eerst de wreedheden van Luxembourg te hebben vermeld ; —
die voorstelling is niet ongegrond bij vele der handelingen van
Willem III, maar in 1697 kan men haar niet als waar aannemen.
Terwijl Lodewijk XIV, op de meest meêdoogenlooze wijze, ver-
woestingen en rooverijen laat woeden op het tooneel van den
oorlog, heeft Willem III woorden van medelijden voor den armen
geteisterden landzaat; hij schrijft aan Heinsius (in 't leger tot
Hall den 25 May 1697):
Digitized by
Google
382 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
...»Ick hoop, dat dogh sorgh sal gedragen werden vooral
voor d' arme menschen alhier weegens de contributien daer ick
raeer medelijden mede heb als voor yets, haer miserie siende
ende kennende..." (Archief van Heinsius, 3' deel, blz. 238).
>sorgh sal gedragen werden"; — namelijk, om den
vrede te bespoedigen, en dus die contributien zoo spoedig moge-
lijk te doen ophouden; — het wil niet zeggen: dat er in het
vredesverdrag eene bepaling moet voorkomen, om die contribu-
tien terug te geven: zoo iets behoorde niet tot de gebruiken
van dien tijd.
In afwachting van den vrede dringt Willem III aan op het
sluiten van een wapenstilstand; hij schrijft aan Heinsius (in
't leger bij Brussel, den 25 Julij 1697):
...>Ick weet niet, ofte als men op de conditien eens was"
(van den vrede) >men niet behoorde te traghten tot een stilstand
van wapenen te komen; het soude nogh eenighsins dit arme
landt van verdere ruïne salveeren." (Archief van Heinsius, 3' deel,
.blz. 245).
En toen de Franschen afiien van het innen der nog achter-
stallige oorlogscontribuiiën in Braband, betuigt de Stadhouder
zijne blijdschap hierover aan den Raadpensionaris (Loo den 17
Augustus 1697):
...>Ick ben uytermate verheugt, dat de fransen het point van
de aghterstallige contributien in de Spaensche Nederlanden heb-
ben gecedeert, hebbende sulcke medogentheyt met die arme
menschen, die door den oorlogh soo veel hebben geleden..."
Die aanhalingen uit de brieven van Willem III doen duidelijk
zien, dat hij in 1697 den vrede als zeker en zeer nabij achtte;
dat hij daarom zooveel mogelijk afzag van onnoodige oorlogs-
handelingen, die het bloed zijner soldaten zouden doen stroo-
men, en tal van jammeren uitstorten over den ongelukkigen
landzaat; en dat hij zich deswege uitsluitend tot de verdediging
bepaalde, en afzag van elke aanvallende handeling. In 1697 is
Willem III niet de veldheer die naar de overwinning streeft, hij
is de kampvechter, die van zijn zwaard geen ander gebruik
maakt dan om de stooten van de tegenpartij af te weren, en
niet om daarmee op die tegenpartij uitvallen te doen.
Frankrijk is in 1697 volgens andere inzichten tewerk gegaan:
het heeft getracht, nog bij het einde van den oorlog, krachtig
aan te vallen op zijne vijanden, om daardoor gunstiger voor-
waarden te verkrijgen in het vredesverdrag. Spanje, vooral, zou
door de Fransche wapenmacht worden aangerand, èn in de
Nederlanden, èn in Catalonië; die wapenmacht was aanzienlijker
dan vroeger, daar zij versterkt werd door Caünat's leger dat in
Italië was werkzaam'^èweest, en dat door De Quincy op een
Digitized by
Google
VELDTOCHT IN DE NEDERLANDEN. 383
30000 man wordt geschat; — wij gelooven dat het sterker is
geweest; evenwel, het kan zijn, dat er ook nog in 1697 eenige
troepen van Catinat zijn achtergebleven aan de grenzen van
Savoye, of van Piémont.
In de Nederlanden zouden drie Fransche legers optreden,
onder de maarschalken De Villeroy, Boufflers en Caiinat.
Het leger van Villeroy was samengesteld uit 82 bataljons voet-,
volk en 107 eskadrons ruiters of dragonders; een 50000 man
voetvolk en een 17 000 man ruiterij, te zamen dus een 67 000 man.
Het leger van Boufflers bestond uit 78 bataljons en 93 eska-
drons; een 46 k 47000 man voetvolk, en bijna 15000 ruiters
of dragonders, te zamen 61 k 62000 man.
Het leger van Catinat, dat bestemd was om een beleg te ver-
richten, bestond uit 50 bataljons — een groote 30000 man — ,
en 50 eskadrons — iJooo man; — mét 3 bataljons artillerie, of
bombardiers, schat De Quincy dit leger op een 40000 man.
De opgaven van dien Franschen schrijver zijn echter niet
bijzonder betrouwbaar; bij hem komen de cijfers van de batal-
jons en eskadrons niet overeen met de slagorde der legers; en
op ééne plaats stelt hij de gezamenlijke sterkte van de drie
Fransche legers op een 120000 man; — terwijl dit cijfer vol-
gens ónze schatting reeds bereikt wordt door de twee legers van
Villeroy en van Boufflers alleen; zoodat, telt men hierbij nog
het leger van Catinat, 160000 man het geheele bedrag moet
geweest zijn van de strijdkrachten, in 1697 door Frankrijk in
de Nederlanden in werking gebracht.
Drie legers, dus drie opperbevelhebbers; waren deze onaf-
hankelijk van elkander?
Op die zeer natuurlijke vraag is geen stellig antwoord te
geven. De waarschijnlijkheid is er voor, dat bevelen of voor-
schriften uit Versailles de handelingen van die drie legerhoofden
regelden; en daar Villeroy het meest de gunst en het vertrouwen
van Frankrijk *s koning genoot, is het oolc waarschijnlijk dat die
Maarschalk grooter gezag had dan zijne beide ambtgenooten ;
toch is het wel aan te nemen dat ook Boufflers, en nog meer
Catinat, hun invloed hebben doen gelden op de krijgsverrich-
tingen van 1697, en daaraan meer nadruk en stoutheid hebben
bijgezet, dan zij zouden hebben gehad, had Villeroy alleen de
leiding der zaken bestuurd.
De strijdkrachten die de bondgenooten in 1697 in de Neder-
landen hadden, zijn met veel minder juistheid vermeld. Bij De
Quincy vindt men, aangaande de samenstelling van het leger
van Willem lïl, opgaven die alle kenmerken dragen van ondeug-
Digitized by
Google
384 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
(lelijkheid, die elkander onderling tegenspreken, die soms kant
noch wal raken; het eenige wat die Fransche schrijver duidelijk
en stellig daarover zegt, is, dat dit leger eene sterkte van hon-
derd duizend man had; — wij kunnen dus als zeker aannemen^
dat de bondgenooten in 1697, in de Nederlanden, wat de getal-
sterkte aangaat, in de minderheid waren.
Ook door ónze schrijvers wordt men, ten opzichte van de
legersterkte, niet veel wijzer. In de Europische Mercurius wordt^
over den staat van oorlog in Engeland voor 1697, gezegd: dat
het leger >in Engeland en over zee" 87440 man sterk zou zijn^
en aan onderhoud zou kosten 2507881 pond, 19 schellingen en
II pence (hoe nauwkeurig!). De vloot zou dat jaar 2372197
pond kosten; en daarvoor zou men, onder andere, hebben:
40000 matrozen en 2 regimenten mariniers.
Die opgave van de Europische Mercurius brengt ons niet veel
verder in de kennis van het bedrag der strijdkrachten van de
bondgenooten in de Nederlanden. Ook de brieven van Willem III
geven daarover geen licht; in zijn brief van 23 Mei 1697, uit
Breda, aan Heinsius, eindigt de Stadhouder met deze woorden i
>Ick heb om de trouppes van Hanover gescreven, als mede de
landtgr. van Hessen om op de Maas te koomen; maar de Mun-
sterschen heb ick op den Rhijn gelaten, ter dispositie van den
Pr. Louis." — Veel wijzer, maakt ons dit niet. — >Pr. Louis"^
is Prins Lodewijk van Baden, die weer aanvoerder was van het
Keizerlijke leger aan den Rijn.
Half April begint de veldtocht in de Nederlanden, met een
wedstrijd van de beide partijen, wie het eerst een legerkamp bij
Deynse zou opslaan; het voordeel, daarmee te behalen, schijnt
voornamelijk hierin te hebben bestaan, dat men dan beter partij
kon trekken van de hulpmiddelen der landstreek voor de voe-
ding van het leger; maar men achtte dat voordeel niet groot
genoeg om een vijand, eenmaal bij Deynse geplaatst, met geweld
uit die stelling te verdrijven. Hier, waren de bondgenooten de
vlugsten. De keurvorst van Beieren, toen nog opperbevelhebber,
zond eene troepenafdeeling af, die den isen April, 's avonds,
Deynse bereikte; eene Fransche afdeeling van een 400 man, die
reeds nabij die plaats was, ging daarop terug. De voorste troe-
pen der bondgenooten werden oogenblikkelijk gevolgd door den
hertog van Wurtemberg, met 4 regimenten ruiterij; de ruiters
hadden, voor eenige dagen, gesponnen hooi bij zich. Al meer
en meer troepen van den Keurvorst kwamen te Deynse, en
namen daar eene stelling, die eenigszins versterkt werd; den
2osieii April waren daar een 30000 man vereenigd. Van de
Fransche zijde werd toen van die stelling afgezien. — Meer
oostelijk op het oorlogstooneel, in Zuid-Braband, te Bois-Seigneur-
Digitized by
Google
ATH. 385
Isaac, begon toen het leger samen te trekken, waarover Wil-
lem III het bevel zou voeren.
Vroeger bijeen zijnde dan de legers der bondgenooten, gaan
de Fransche legers in Mei tot aanvallende handelingen over.
Den i5en Mei wordt de vesting Ath berend door eenige dui-
zend man ruiterij, behoorende deels tot het leger van Villeroy,
deels tot dat van Catinat; den volgenden dag kwam het geheele
leger van Catinat voor die vesting en voltooide de insluiting,
die zoó onverwacht en zoo volkomen was, dat de bondgenooten
tevergeefs nog versterking binnen Ath poogden te brengen. Ver-
scheiden officieren van de bezetting, die afwezig waren, deden
pogingen om nog binnen Ath te komen; aan enkelen gelukte
dit, anderen vielen in 's vijands handen. Terwijl Catinat het beleg
zou verrichten, moesten de legers van Villeroy en van Boufflers
dat beleg dekken ; het eene was den 2osteii Mei te Lessines, het
andere in de nabijheid van Mons.
Al dadelijk schijnt er bij de bondgenooten niet veel hoop op
het behoud van Ath te hebben bestaan, misschien ook niet veel
lust om voor dat behoud een veldslag te leveren, — waarop
echter de hertog van Wurtemberg eenigszins zinspeelt, in een
schrijven aan Heinsius (6raine*la-leud 20 Mei 1697):
>Uwe Excellentie weet zeker, dat Ath belegerd wordt; men
had de bezetting nog willen versterken met het bataljon van
Araelsweert ; maar dit was genoodzaakt terug te keeren, daar de
vesting reeds was ingesloten. De maarschalk Catinat verricht het
beleg, de maarschalk Villeroy legert bij Leuze, en de maarschalk
BoufHers nabij Mons. Daar de bezetting zeer zwak is, is het te
vreezen dat het beleg niet lang zal duren. Zijne Majesteit komt
morgen te Breda, en, als de gezondheid het toelaat, spoedig bij
het leger. Wil men het ontzet beproeven, dan valt er geen tijd
te verliezen, want de vijand zal zich plaatsen binnen verschanste
liniën. De Franschen stoffen er op, dat hun drie legers een hon-
derd duizend man uitmaken, 's Konings leger en dat van den
Keurvorst zullen te zamen minstens even zoo sterk zijn, zoodat
een gewonnen veldslag de zaken van Europa weer op een goe-
den voet kan brengen..."
Andere brieven, weinig dagen later aan den Raadpensionaris
geschreven door den generaal Wassenaer-Obdam, en den gede-
puteerde te velde Geldermalsem, stellen daarentegen het Fransche
leger voor als sterker dan dat der bondgenooten; iwel 20 batal-
jons sterker", luidt het daar. Wassenaer Obdam en Geldermalsem
oordeelen het dan ook ongeraden en gevaarlijk om Ath ter hulp
te komen.
WILLEM III. — III, 25
Digitized by VjOOQIC
386 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOIAVINGEN.
Als een gewone vesting, met maar even voldoende bezetting^
wordt aangevallen volgens de regelen, met genoegzame hulp-
middelen, en er wordt niets gedaan om die vesting te ontzetten,
dan is de uitkomst niet twijfelachtig. Dit waren de omstandig-
heden bij het beleg van Ath in 1697; — en er zou dus geen
reden zijn om zich lang bij dat beleg op te houden, ware het
niet, dat dit beleg door Vauban zelf bestuurd is, en zijne begin-
selen der belegeringskunst hier meer zuiver zijn toegepast dan
elders. Vandaar dat die belegering van Ath van 1697, vooral
bij de Fransche schrijvers, als het ware époque maakt; en van-
daar, dat wij ook iets meer uitvoerig zullen zijn in het vermelden
der bijzonderheden van dat beleg.
Ath was eenigen tijd in het bezit geweest van Frankrijk, en
op last van Lodewijk XIV regelmatig versterkt; — regelmatig,
op de Vaubansche wij^e, die, hoewel toentertijd zeer hoog ge-
prezen, evenwel gebrekkig was; want wij hebben reeds vroeger
aangemerkt, dat de grootheid van Vauban niet gebleken i$ uit
de wijze waarop hij de vestingen bouwde, maar wel uit de
wijze waarop hij de vestingen belegerde. Ath was een ge-
regelde gebastionneerde achthoek; met » royale" bastions, die
gereveleerd waren; op de bekende Vaubansche wijze waren,
vóór den hoofdwal, tenailles, ravelijnen met reduit, bedekte weg
met in- en uitspringende wapen plaatsen, — in één woord: het
eerste systeem van Vauban. De grachten waren nat en werden
gevuld door het water van de Dender; door middel van die
rivier had men, aan de zuidzijde van Ath, eene kleine inundatie
gemaakt.
De bezetting bestond uit 3610 man infanterie, 200 mineurs en
30 kanonniers; volgens De Quincy was die bezetting niet sterk
genoeg, en Obdam beweert dat die bezetting, behalve uit drie
bataljons van de Republiek, bestond uit Spanjaarden en Italianen,
waarop niet veel viel te rekenen. Bevelhebber was een graaf De
Roeux, uit het huis van Croy. Over de bewapening ontbreekt
het aan opgaven; de omstandigheid dat er maar 30 kanonniers
waren, geeft echter geen hoog denkbeeld van de artillerie binnen
Ath. Obdam beweert ook, dat de uitrusting te wenschen over-
liet, en dat eene som van 30000 francs, bestemd om die uit-
rusting aan te vullen, tot andere doeleinden was gebruikt; —
van dat gebrekkige der uitrusting van Alh blijkt echter niets uit
hetgeen wij van het beleg weten; men kan dus die bewering
rangschikken onder de vele praatjes, waaraan zich de Hollandsche
generaal in zijne brieven schuldig maakt.
De middelen van den aanval lieten niets te wenschen over.
Vooreerst was een leger van 40000 man zeker ruimschoots vol-
Digitized by
Google
ATH. 387
doende om eene bezetting van nog geen 4000 man in bedwang
te houden, en haar te beletten het belegeringswerk ernstig te
verontrusten. De groote getalsterkte van den belegeraar doet
echter weinig ter zake; de val der belegerde vesting hangt
hoofdzakelijk af van de werking der artillerie; en dat het be-
legeringspark voor Aih — toch altijd maar een kleine ves-
ting — niet onaanzienlijk was, kan blijken uit wat De Quincy
daarover zegt in zijn y^Histoire militaire de Louis Ie graniP\ (3' deel,
blz. 292):
»Ook het belegeringsgeschut verliet, den i6en^ Douay. Het
bestond uit 32 kanonnen, 20 van 24 % en de andere van 33 u',
40 andere kanonnen van verschillend kaliber, een aantal mor-
tieren, waaronder er 3 waren die ieder 5000 pond wogen, 2 van
1300 pond, en 15 van kleiner kaliber" (het oude Fransche pond
stond bijna gelijk met een half kilo). >Daar was een groote voor-
raad van bommen, sommige 100 pond, andere 500 pond, zwaar.
Behalve dit aantal kanonnen en mortieren maakte men te Douay
nog andere gereed, om ze, zoo noodig, bij het beleg te kunnen
gebruiken. Die artillerie had een groot aantal voertuigen bij
zich, met buskruit en andere munitie; een deel van die voer-
tuigen trok over Doornik, een deel over Mons, en 2000 over
Condé..."
Te Doornik waren 16000 schansgravers, 1800 karren bij zich
hebbende, vereenigd, om de liniën rondom Ath op te werpen;
in Doornik waren 400000 rations brood beschikbaar, voor de
voeding van het Fransche leger.
0/ervloedige aanvalsmiddelen tegen Ath; — het krachtigste
aanvalsmiddel was echter Vauban zelf. De groote ingenieur be-
sloot in 1697, met de inneming van Ath, op glansrijke wijze
zijne lange loopbaan als belegeraar, die in 1673 ™^^ ^^ inneming
van Maastricht aangevangen was. Wij noemen Maastricht, in
1673, als den aanvang van Vauban's loopbaan als belegeraar;
want hoezeer hij reeds vóór 1673 belegeringen heeft bestuurd,
zoo is toch de stelselmatige aanwending van de parallellen
het eerst voor Maastricht duidelijk in het oog vallend; voor
Ath werd, in 1697, die geregelde aanvalswijze op de zuiverste
manier toegepast, en deed Vauban haar vergezeld gaan van het
ricochet-schot; eene zeer goede aanwending van het kanon-
vuur tegen eene vesting, maar waarvan de uitwerking wel eens
wat overdreven is voorgesteld, vooral door Fransche schrijvers.
De eerste dagen van het beleg van Ath, van 16 tot 22 Mei,
werden gebruikt tot het opwerpen van de liniën; den 2 2 sten
waren die voltooid, en werden de schansgravers grootendeels
teruggezonden; op den avond van den 22stcn werden de loop-
graven geopend. Het front van aanval was aan de zuidoostzijde
Digitized by
Google
388 KRIJGS- ES GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
van de vesting, aan de zijde van de Brusselsche poort; het
omvatte de beide bastions aan weerszijden van die poort, en
het daarvoor liggende ravelijn. De eerste parallel was een 400 el
van de vesting verwijderd, en, 's avonds om acht uur begonnen^
den 23sten vóór den middag voltooid ; 4000 schansgravers waren
hier werkzaam. Hoezeer de arbeid op geen grooten afstand van
de vesting plaats had, sneuvelde er toch niemand bij het openen
van de loopgraven; — hetgeen er niet op wijst, dat de ver-
dediger, zeer waakzaam is geweest, of zeer krachtig heeft ge-
handeld.
Uit de eerste parallel ging men toen, zigzagswijze, vooruit in
de richting van de kapitalen van de beide bastions en van het
ravelijn; — wij herinneren er aan, dat de kapitaal van een
bastion, of van een ravelijn, de rechte lijn is die den uitsprin-
genden hoek van die werken in twee gelijke deelen verdeelt.
Den 24sten Mei, toen men halfweg de vesting was gekomen, dus
nog een 200 el daarvan verwijderd, begon men aan de tweede
parallel, welke dienzelfden dag werd voltooid. De verliezen van
den belegeraar bleven nog onbeduidend. De loopgraven wacht
bestond uit 6 bataljons voetvolk, en bovendien nog uit 25a
fuseliers en i compagnie grenadiers.
Het valt niet te loochenen, dat de verdediging van Ath niet
bijzonder krachtig is geweest; en dit 'u te meer bevreemdend,
omdat de vesting in de eerste dagen niets te lijden heeft gehad
van 's vijands geschutvuur : Vauban deed bijna alle batterijen
eerst in de tweede parallel opwerpen, en eerst den 2 7 sten Mei
openden die haar vuur. Dat laat beginnen van het geschutvuur
door den belegeraar was toen wat nieuws, en werd niet algemeen
goedgekeurd; De Quincy zegt daarover het volgende:
...»Het wekte verwondering dat tot op dien dag" (den 26stcft
Mei; — eerst den 2 7 sten begon het vuur van de Fransche batte-
rijen), ihet kanon van den belegeraar nog niet had geschoten,
iets ongehoords bij alle belegeringen tot dien tijd; gewoonlijk
begint het kanonvuur drie of vier dagen na het openen van de
loopgraven, soms zelfs iets vroeger. Maar Mijnheer De Vauban,
die bij dit beleg eene nieuwe methode volgde, die hem voor
den aanval beter dacht dan de tot nu toe door hem gevolgde,
achtte het verkieslijk, om de batterijen zóó dicht bij de vesting
aan te leggen, dat hij later niet verplicht zou zijn om ze te
verplaatsen, wat altijd veel tijd doet verliezen. Die handelwijze
kan haar nut hebban; — maar de ondervinding leert toch dat
de loopgraven veel beter vorderen als zij beschermd worden
door een krachtig kanonvuur, dat gewoonlijk het vuur van den
vijand doet verflauwen, en dit dus veel minder nadeelig maakt.
Bovendien zijn de schansgravers alles behalve op hun gemak^
Digitized by
Google
ATH. 389
wanneer zij blootgesteld zijn aan een hevig vuur, en dit niet
wordt beantwoord. Men weet hoe het den soldaat opwekt als
hij het eigen geschut hoort, en hoe het hem onrustig maakt als
dit eenigen tijd zwijgt. Men weet ook dat als de bevelhebber
van de artillerie zijne zaak kent, hij de eerste batterijen opwerpt
twee of drie dagen na het openen van de loopgraven, in dier
voege dat zij aan het doel beantwoorden van de borstweringen
van den belegerde te beschieten en zijne batterijen te demon-
teeren, zonder dat hij verplicht is om die batterijen voor andere
te verwisselen, vóór dat hij meester is van den bedekten weg..."
(De Quincy, 3' deel, blz. 298).
Zes batterijen, ieder van 6 kanonnen, in of nabij de tweede
parallel, openden den 27sten haar vuur — ricochet- schoten —
op de beide bastions, op de beide facen van het tusschenliggende
ravelijn, en op den bedekten weg; in minder dan zes uren tijds
— wordt gezegd — brachten die batterijen het vuur van de
vesting tot zwijgen; de belegerde deed soms wel pogingen om
weer stukken in batterij te brengen, maar die stukken werden
spoedig weer gedemonteerd, zoodat slechts een paar vuurmonden
van de vesting op het aangevallen front in werking bleven. Die
opgave, bij de Fransche schrijvers voorkomende, heeft niets
onwaarschijnlijks : de Fransche artillerie vuurde op zoo korten
afstand, dat die afstand ons heden ten dage zelfs voor geweer-
vuur klein zou voorkomen.
Twee batterijen, ieder van 22 mortieren, ook in de tweede
parallel opgeworpen, begonnen, in den ochtend van den 28sten
Mei, bommen te werpen van 12 duim middellijn — 12 Fransche
duimen, zoo wat 3 palm — en 250 pond zwaar. Wij ontleenen
die opgave aan De Quincy, die nog van een derde mortierbat-
terij spreekt, bommen werpende van 18 duim middellijn en 500
pond zwaarte; wij voegen er echter bij, dat die opgave niet
overeenkomt met wat De Quincy vroeger van het belegerings-
park zegt, waarbij van slechts 20 mortieren wordt gewaagd; —
't is waar, er wordt bijgevoegd dat er te Douay nog andere
vuurmonden beschikbaar waren, om. zoo noodig, het belegerings-
park voor Ath aan te vullen.
Niet vreemd is het, dat het rechtstreeksche vuur en het worp-
geschut van zooveel batterijen, op zoo korten afstand, in het
aangevallen front groote verwoestingen aanrichtten, het muurwerk
€n de borstweringen van de aangevallen werken vernielden, en
de verdediging zeer deden verflauwen. In den nacht van den
29sten op den 3ostcn Mei had de bekroning van den bedekten
weg plaats, zonder dat men daarbij eigenlijk tegenstand onder-
vond; het was niet noodig de schansgravers te doen voorafgaan
door gewapende troepen; en de verdediger verliet zonder strijd
den bedekten weg, naar gelang de bekroning vorderde. Den
Digitized by
Google
390 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWlNGtN.
3osteii Mei begon men aan eene afdaling in de gracht, bij de
rechterface van het ravelijn; den isten Juni, toen men een brug
van fascinen gereed had over die gracht, maakte men daarvan
gebruik om een logement te graven in de saillant; de verdediger,
aanvankelijk in het reduit teruggetrokken, poogde later den be-
legeraar weer uit het ravelijn te verdrijven, maar moest daarvan
afzien na een vrij scherp gevecht. Toen de brug, die de ge-
meenschap uitmaakte van het reduit met den hoofdwal, vernield
was door het Fransche geschutvuur, gaf de bezetting van het
reduit — een 60 man. Brandenburgers — zich den 3en Juni over.
Het einde van het beleg was daar. Het Fransche geschut ver-
nielde de sluizen, die het water van de inundatie en in de
grachten van de vesting ophielden ; en dat water, nu met onstui-
migheid in de Dender afstroomende, stelde voor een oogenblik
de stad Ath onder water, zoodat — zegt een der berichtgevers —
lop de markt de paarden konden zwemmen". Geldermalsem
voegt er bij, in een brief aan Heinsius, dat de sterke stroom de
bruggen vernielde, die beneden Ath over de Dender waren ge-
slagen om de gemeenschap van de legers van Villeroy en van
Boufliers te verzekeren. Daar het water uit de grachten van de ves-
ting bijna was afgeloopen, terwijl 20 stukken geschut, in batterij op
het vermeesterde ravelijn, de bastions bij de Brusselsche poort
in puin schoten, en er eiken dag door het ricochet-vuur des
belegeraars een honderd man van den belegerde buiten gevecht
werden gesteld, ontzonk aan dezen de moed om eene bestorming
af te wachten; en toen op den middag van den scn Juni alle
toebereidselen tot de bestorming waren gemaakt, werd die voor-
komen door de overgave van de vesting. De bezetting verkreeg
vrijen uittocht, en trok den 760 Juni naar Dendermonde.
Ziedaar, in *t kort, dat beleg van Ath van 1697, een beleg
dat door Vauban op meesterlijke wijze werd bestuurd, waarbij
de regelen van de kunst uitmuntend werden in acht genomen,
waarbij de uitkomst geen oogenblik onzeker is geweest ; — maar
ook een belegd waarbij de wederstand onbeduidend is geweest,
en van de zijde van den aanvaller niet de aanwending had
noodig gemaakt, van zooveel krijgsmiddelen en van zooveel
krijgskunst.
Een ernstig voornemen om Ath te ontzetten, heeft er bij de
bondgenooten niet bestaan. Willem III, bij het leger te Bois-
Seigneur Isaac gekomen, trok van daar op Halle, en vereenigde
zich den 26sten Mei met het leger van den keurvorst van Beieren,
dat uit Vlaanderen was opgerukt. Toch zag de Stadhouder er
van af, den vijand te gemoet te trekken en slag te leveren;
minder nog om 's vijands overmacht, dan omdat men te recht
begreep: i waarvoor zou het dienen.? het is toch vrede/'
Digitized by
Google
VELDTOCHT IN DE NEDERLANDEN. 39 1
De beide legers gingen dus weer uiteen: de keurvorst van
Beieren trok op Deynse, Willem III den 3istcD Mei op Halle,
den isten Juni op Genappe, en den 2en op Gemblours. Het
heeft al den schijn, alsof de bondgenooten geen ernstige krijg-
voering meer beoogen; — toch worden zij gedwongen daartoe
een oogenblik hunne toevlucht te nemen, toen men aan de
Fransche zijde, zonder op den zoo nabij zijnden vrede te letten,
weer tot eene krachtdadige handeling wil overgaan.
Het gold Brussel, dat Villeroy door een coup-de-main wilde
vermeesteren, om daardoor de gemeenschap te verbreken van
het leger van Willem III met Holland en met Vlaanderen. Het
was eene stoute en goed beraamde handeling; — en daarom
kan men het ook wel in twijfel trekken, of zij van Villeroy
afkomstig is, of zij niet veeleer ondernomen werd op aansporing
van Boufflers of van Catinat, of uitdrukkelijk door het Fransche
hof was bevolen. Viel Brussel in de macht van het Fransche
leger, dan zou Willem III nog wel de gemeenschap openhouden
met Maastricht, en zijn leger zou dus nog geen gevaar loopen;
maar Noord-Braband en Vlaanderen zouden dan blootliggen voor
den vijand, die daar fourageeringen en brandschaltingen zou
kunnen verrichten, en een of meer vestingen belegeren. Dus,
volgens de krijgskunst van die tijden, getuigt dat plan van aan-
val op Brussel, van strategische bekwaamheid. — De voorname
aanmerking die men er op kan maken, is, dat het op een onge-
legen tijd kwam : wat had men er aan, of men nu militaire voor-
deden behaalde, nu de vrede zoo goed als zeker was, en de
vredes voorwaarden zoo goed als vastgesteld? Die behaalde voor-
deelen zouden geen gunstiger voorwaarden doen verwerven, daar
het wereldkundig was dat Frankrijk behoefte had aan vrede.
Maar Willem III liet het er niet op aankomen om de proef
te nemen, of de val van Brussel den vrede zou vertragen, of
ongunstiger maken: door een snellen marsch kwam hij die
hoofdstad te hulp. Het leger van den Stadhouder stond nabij
Genappe, toen den 2osten Juni het bericht inkwam, dat de legers
van Villeroy en van Boufflers zich te Lessines hadden vereenigd,
en daarna Brussel waren genaderd. Zonder een oogenblik tijds
te verliezen, deed de Stadhouder daarop twee brigaden voetvolk
— drie, zegt De Quincy — op Brussel trekken; die marsch
ving aan om vier of om vijf uur 's namiddags; de artillerie
volgde om zes uur, om tien uur de bagage, om elf uur 's nachts
het gros der infanterie, en den volgenden ochtend de ruiterij,
uitgenomen 4 regimenten dragonders waarmede Willem III reeds
te middernacht was opgebroken. De afstand van Genappe tot
Brussel is een 6 4 8 uur gaans, — geen kleine marsch; men
Digitized by
Google
392 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
moest één en denzelfden weg volgen door het bosch van Soi-
gnies, dat een schilderachtig beeld moet hebben opgeleverd toen
het verlicht werd door de tooitsdragers, die den Stadhouder
omgaven; Rembrandt had daar moeten zijn.
Coehoorn voerde de infanterie aan, die geheel aan het hoofd
van de colonne was; en ziehier, hoe zijn zoon, — in de levens-
schels van den vader — vermeldt wat die vader toen verrichtte,
en hoe aan hem toen het behoud van Brussel is te danken ge-
weest; — de onpartijdige lezer dingt, natuurlijk, wat af op die
bewering:
>De Koning" (Willem III), »na weinige dagen bij eerstge-
noemde plaats" (Halle) »te zijn gebleven, sloeg zijn kamp te
Genappe op. Toen de Franschen Ath hadden genomen, vernam
de Koning dat zij op Brussel trokken, met het voornemen om
die stad ten tweeden male te bombardeeren, of zich van haar
meester te maken : zij zouden daardoor de bondgenooten beroofd
hebben van de gemeenschap met Holland, van waar deze den
toevoer ontvingen voor de voeding van hun leger. Hij" (hij, is
hier Coehoorn) »werd daarom afgezonden met de twee brigaden
voetvolk van Oxenstern en Ferguson, ieder 3 bataljons sterk, om
onverwijld naar die stad te trekken, en te doen wat hem raad-
zaam dacht om den vijand te voorkomen ; hij begon den marsch
omstreeks vijf uur 's avonds en vervolgde dien den geheelen
nacht door het bosch van Soignies, met zoo veel voortvarendheid
dat hij. met het aanbreken van den dag, voor de poorten van
Brussel stond. Hier vond hij den Prins Tserclaes, met eene
afdeeling Luiksche troepen; hij nam daar van een 300 dragon-
ders met zich mede naar de andere zijde van Brussel; terwijl
zijne bataljons^ om niet opgehouden te worden met het mar-
cheeren door de stad, langs de wallen heentrokken, en last had-
den zoo spoedig mogelijk zich bij hem te voegen, op eene
hoogte rechts van Anderlecht, nabij een windmolen achter het
kasteel van Koekelberg. Op dat punt nam hij dadelijk stelling
met zijne dragonders, bij eene engte of hollen weg; aan de
andere zijde van de voorliggende vallei zag men den vijand
reeds in slagorde staan, ter sterkte van 40 k 50 eskadrons en
25 bataljons, — eene voorhoede die, daar, op de hoofdmacht
wachtte.
Dadelijk deed hij 250 dragonders afstijgen, en plaatste die aan
weerszijden van den hollen weg, waarvan gewaagd is, en dien
de vijand moest doortrekken om tot hem te komen; toen de
infanterie aankwam, werden die dragonders versterkt door al de
grenadiers van die 6 bataljons; ook deed hij, zooveel de tijd
toeliet, een verschansing opwerpen, waarachter de overige infan-
terie werd geplaatst. Zoo wachtte men het groote leger af, dat
nog gedurende den nacht op marsch was gegaan, en nu ook
Digitized by
Google
VELDTOCHT IN DE NEDERLVNDEN. 393
■aankwam. De vijand, dit ziende, ging terug en sloeg zijn kamp
op nabij Saint-Guislain ; ons leger deed hetzelfde nabij Brussel,
op de hoogten van Anderlecht, waar het gebleven is tot aan het
sluiten van den vrede. Zoo werd die schoone en groote stad"
{Brussel) > bewaard voor een tweede bombardement." (Sijpestein.
Het leven van Menno Baron van Coehoorn, blz. 21 — 22).
Dit verhaal van Cochoorn's zoon komt vrij wel overeen met
andere opgaven, die inhouden, dat Villeroy en Boufflers ieder
met 3000 ruiters nabij Brussel waren gekomen, toen zij daar
werden tegengehouden door de voorste Hollandsche troepen:
6000 man ruiterij, dit zal wel zoo wat overeenkomen met 40 k
50 eskadrons ; van P'ransche infanterie wordt niet gewaagd, maar
denkelijk zal deze toch wel bij de ruiterij zijn geweest of haar
op den voet hebben gevolgd. Die andere opgaven zeggen ook,
dat de Fransche maarschalken, toen zij hun toeleg mislukt zagen,
met hun leger teruggingen; zij noemen intusschen niet Saint-
Ouislain, maar Halle als de plaats waar zij hun kamp opsloe-
gen ; — dit is eene bijzonderheid van geheel ondergeschikt belang.
Willem III nam hier weer zijne toevlucht tot de veldverschan-
«ing, het gewone middel om eene stelling bijna onaanvalbaar te
maken. Al dadelijk begon men daaraan te arbeiden, en zoowel
ruiterij als voetvolk nam, dag en nacht, daaraan deel. De stel-
ling was op ongeveer een uur gaans ten westen en ten noorden
van Brussel: van de zijde van Anderlecht, ging die stelling over
Berchem op Laeken; op den linkervleugel nabij Anderlecht, en
op den rechtervleugel nabij Laeken, werden sterke schansen ge-
bouwd, en verder, op de genaakbaarste punten, traversen en
batterijen aangelegd; de linkervleugel leunde aan moerassigen
grond, holle wegen, en weinig genaakbaar terrein; de rechter-
vleugel breidde zich uit tot nabij de vaart van Brussel op Vil-
voorden; het hoofdkwartier van den Stadhouder was op het
kasteel van Koekelberg, nagenoeg achter het midden van de
stelling. Het voetvolk van de bondgenooten bezette de stelling,
maar hunne ruiterij bevond zich, grootendeels, achter de Brus-
selsche vaart, nabij Dieghem; èn over die vaart, èn over de
rivier de Senne, waren bruggen geslagen om die ruiterij spoedig
in de stelling te brengen, als dit noodig mocht zijn.
De arbeid aan die verschanste stelling schijnt met bijzondere
voortvarendheid te zijn verricht, i Nooit," — zegt De Quincy
(3' deel, blz. 309) — >werd een leger beziggehouden met zoo-
veel verschillende werken: het verlegde den loop der beken, het
wierp schansen op, het maakte borstweringen en andere verster-
kingen, die zoo goed als ongenaakbaar waren, en die den ge-
heelen omtrek van het kamp omgaven." — Willem III werd
toen ook versterkt door de komst van Hannoversche en Hes-
Digitized by
Google
394 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
sische troepen, ook door aanvulHngstroepen uit Engeland. Toen
de verschanste stelling voltooid was, kon de Stadhouder die door
een klein deel van zijn leger bezet laten, om Brussel te dekken*»,
en met de hoofdmacht naar elders trekken als het zou blijkea
dat de vijand andere ondernemingen beoogde.
Maar de vijand ondernam niets meer; en reeds in de eerste
dagen van Juli had er eene samenkomst plaats, van Bentinck —
of Portland — met Boufders, om in een vertrouwelijk gesprek
de voorwaarden van den vrede te behandelen; die samenkomst^
nog vier of vijf keer herhaald, leidde spoediger tot den vrede
dan de omslachtige, ofBcieele handeling te Rijswijk ; de gezanten
aldaar ontvingen hunne voorschriften om tot eene eindelijke be-
slissing te komen; en den 20sien September werd dan ook de
vrede gesloten tusschen Frankrijk en het verbondene Groot-
Brittanje, Nederland en Spanje. Feitelijk hadden de vijandelijk-
heden reeds bijna twee maanden opgehouden; en reeds de»
3en Augustus had Willem III het leger verlaten om naar het
Loo terug te keeren.
Eenige brieven, door Wassenaer-Obdam, in 1697 uit het leger
aan Heinsius geschreven, zijn niet onbelangrijk, èn om het karak-
ter van den schrijver meer te doen kennen, èn om eene voor-
stelling te geven hoe men, tijdens een veldtocht, bij een hoofd-
kwartier denkt en spreekt. Want wat in die brieven voorkomt
is de hhtoire intime van ieder hoofdkwartier bij een veldtocht;
iels meer, iets minder; bij ieder hoofdkwartier vindt men dan
praters, bedillers, plannenmakers, onvergenoegden, menschen die
meenen te moeten klagen over achteruitzetting en onrecht, en
die in hun eigen oogen miskende genieën zijn. Zóó is het altijd
geweest, en zal het altijd zijn; zóó was het ook bij het leger
van Willem III in 1697, blijkens wat ons wordt medegedeeld in
het tweede deel van het «Archief van Heinsius".
De naam van Obdam heeft een treurige vermaardheid ver-
kregen door het gebeurde bij Eeckeren; toen het leger van de
Republiek, dapper strijdende, den vijand sloeg, en het legerhoofd,
als vluchteling, te Breda aankwam. Maar dit ongelukkige feit
moet men aan Obdam niet te sterk toerekenen j de lafheid,
waaraan hij zich toen heefc schuldig gemaakt, is iets toevalligs
geweest, een oogenblikkelijke zwakheid die men niet te hard
mag veroordeelen, omdat zij bij het oorlogvoeren zoo zeldzaam
niet is; hoe velen, waarop toepasselijk is het yjil fut brave tel jour'';.
ook Frederik II is te Molwitz op de vlucht gegaan. Obdam heeft
zich in zijn lange militaire loopbaan bijna altijd als een trouw
en dapper soldaat gedragen; maar voor veldheer deugde hij in
het geheel niet: hij was een van die menschen, die niet moeten
Digitized by
Google
VELDTOCHT IN DE NEDERLANDEN. 395.
aanvoeren, maar aangevoerd worden. De brieven van dien man
doen zeer duidelijk zijne ongeschiktheid als legerhoofd kennen;
zij voorspellen Eeckeren.
Uit Brussel, den 26sten Mei 1697, toen het beleg van Ath is-
begonnen, schrijft Wassenaer-Obdam aan Heinsius:
«Gisteren avond hier gekomen, kan ik niet nalaten. Mijnheer,
u in vertrouwen meê te deelen, wat men hier vertelt {ce qu'on y
débite). Allereerst wil ik u dan zeggen, dat men in hooge mate
ontmoedigd is door den tegenswoordigen stand van onze zaken,
uit hoofde van 's vijands groote overmacht, die men op een derde
meer schat dan onze sterkte. Ook zegt men, dat de vijand nog
niet werkelijk heeft aangevallen, maar alles gereed heeft om dit
eerstdaags te doen, en maar wacht op een koerier uit Den
Haag, om te weten of er, al dan niet, een wapenstilstand wordt
gesloten; want te dien aanzien, verdenkt men ons van onwil;
gij weet daarvan meer, dan ik u kan melden. Uit de gesprekken
die ik hier hoor, kan ik niet opmaken wat men besluiten wil;
maar dit weet ik, dat wij gevaar loopen de zaken van ons land,
en waarschijnlijk van geheel Europa, te benadeelen, als wij over-
gaan tot een te stouten stap; en toch hangt dit zeer dikwijls af
van het advies van een of twee menschen, die er weinig belang
bij hebben; naar mijn oordeel is het voor ons zeer te bejam-
meren, dat er zoo weinig menschen zijn die hun ware meening
durven zeggen, uit vrees van daardoor te mishagen en achteruit
te gaan in gunst en invloed. Wij loopen noodwendig gevaar van
alles te verliezen ; want lijden wij eene nederlaag, dan zullen zij"
(de Franschen) >met zoo groote overmacht niet werkeloos blijven,
als in vorige jaren; en behalen wij eenig voordeel dan zullen wij
daarvan geen andere vrucht plukken dan Ath te hulp te komen,
dat zeer gebrekkige verdedigingsmiddelen heeft, daar er maar
drie van onze bataljons in zijn; de andere zijn Spanjaarden en
Italianen, op wier sterkte men weinig kan bouwen. Daarom be-
zweer ik U, Mijnheer, om dit te overwegen, zoo ter liefde van
het algemeen welzijn als voor den persoon en den roem van
Zijne Majesteit; ziet of gij iets kunt doen om beide te behouden,,
en de rampen te voorkomen die waarschijnlijk uit te groote ver-
metelheid moeten ontstaan; dixi. Gij ziet, Mijnheer, wat ik u
toevertrouw; ik ben overtuigd van uwe rechtschapenheid, en dat
zulk een vertrouwen mij, later, geen kwaad zal doen. Gij zegt
misschien, dat ik altijd te veel zwaarhoofd ben ; maar het is niet
de eerste keer dat ik de zaken heb voorspeld; en ziende dat
hier alles op het spel staat, moet het u niet verwonderen als ik
daarover ongerust ben.'* (Archief, 2* deel, blz. 146 — 147).
Een > zwaarhoofd", — zeer zeker is Obdam dat hier; en dat
is een noodlottige eigenschap in een aanvoerder. Soms komt men
hiertegen op, met die afgezaagde tegenwerping: >is het dan niet
Digitized by
Google
39^ ' KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
beter de zaken wat zwaar in te zien, dan ze zoo luchtig te be-
handelen ? Maakt dat optimisme niet blind voor den waren toe-
stand; en werkt het daardoor niet verderfelijk?'
Zóó stelt men de vraag verkeerd; zóó moet men niet rede-
neeren.
Men moet noch optimist, noch pessimist zijn; men moet den
wezenlijken toestand weten in te zien, zich daarnaar regelen,
daarnaar maatregelen nemen, alle beschikkingen treffen die lot
-eene goede uitkomst kunnen leiden ; en als men gedaan heefi al
wat menschelijk verstand en menschelijke krachten kunnen doen,
dan moet men met zelfvertrouwen handelen, hoopvol de toe-
komst te gemoet gaan, — al is men ten volle overtuigd dat er
leemten zijn in ons oorlogsplan, dat er nadeelige kansen kunnen
voorkomen, waartegen wij niet zijn gewapend: — die leemten,
die nadeelige kansen zijn nooit geheel te vermijden; maar een
legerhoofd moet zich daardoor niet laten ontmoedigen — , en
vooral hij moet anderen niet ontmoedigen, door zijn bekomme-
ring wereldkundig te maken: zijt, inwendig, een weinig pessimist ;
■maar, uitwendig, altijd optimist.
Toen Willem I, van 1572 tot 1576, het zwakke Holland en
Zeeland tegen de machtige Spaansche Monarchie verdedigde;
toen Willem III, in 1672, aan Frankrijk en Engeland het hoofd
bood, — waren de kansen van den oorlog zóó wanhopig slecht,
dat het bijna dwaasheid scheen om den kamp vol te houden; —
zagen die groole mannen het slechte van die kansen dan niet
ïn? — Zeer zeker zagen zij dat in; maar zij wachtten zich wel,
het volk daarop te wijzen; integendeel, zij wezen het op het
rechtvaardige van de zaak waarvoor men streed, en op de
kracht die men vindt in geestdrift, in vaderlandsliefde, in het
onwankelbaar vertrouwen op hoogere leiding. Met het enkel in
rekening brengen van stoffelijke krachten komt men niet ver.
Vier dagen later, den 3osten Mei 1697, uit de legerplaats bij
Iseringe (of Eysingen, een half uur ten noordoosten van Halle).
schrijft Obdam weer een langen en even zwaarhoofdigen brief
aan Heinsius. Altijd zijn die brieven in het Fransch; evenzoo
de brieven van Geldermalsem ; — waarom moeten een Hol-
landsch generaal en een Hollandsch gedeputeerde te velde, aan
den raadpensionaris van Holland in de Fransche taal schrijven,
terwijl toch Willem III en Heinsius in het Hollandsch corres-
pondeerenf — Zou men daaruit niet mogen besluiten, dat de
hoogere standen in onze Republiek toen minder nationaal waren
■dan de Stadhouder?
In dien brief van 30 Mei vangt Obdam dus aan:
»In mijn laatste schrijven heb ik U, Mijnheer, mijne bezorgd-
•heid meegedeeld over den toestand waarin onze zaken thans
Digitized by
Google
VELDTOCHT IN DE NEDERLANDEN. 397
verkeeren; die bezorgdheid is niet verminderd sinds ik bij het
leger ben, hoe zeer ik wel merk dat de drift wat verflauwd is,
om iets al te gewaagds te ondernemen; hiertoe heeft de hemel
veel bijgedragen, die ons begiftigd heeft met aanhoudende regen-
buien, waardoor de wegen bijna onbegaanbaar zijn, vooral voor
artillerie. Ook kan ik u zeggen, dat alle generaals, die ik heb
gesproken, niet minder bezorgd waren dan ik, over eene poging
die men zou kunnen beproeven om Ath te ontzetten; zij be-
schouwden dit als de gevaarlijkste handeling die men in dezen
stand van zaken zou kunnen doen, door 's vijands groote over-
macht, die bijna 20 bataljons sterker is dan wij. Het schijnt dat
men hier niet weet, wat er bij het beleg van Ath voorvalt; ten
minste gedurende eenige dagen was men in de onzekerheid of
de stad al dan niet werd aangevallen^ en daarover werd hier
bijna evenzoo gesproken, als ik u uit Brussel heb meegedeeld;
maar sedert twee of drie dagen maakt het kanonvuur het ons
duidelijk, dat de aanval begonnen is; en de Heer Van Ouwer-
kerk zeide mij gisteren, dat hij bericht had gekregen, dat de
vijand zich reeds had ingegraven op het glacis; maar hij waar-
borgde dat bericht niet.
't Is spijüg dat men geen sterker bezetting in die vesting heeft
gelegd, die ook — naar men zegt — niet voorzien is van al het
noodige, hoewel wij tot dat einde 30 000 francs hebben betaald ;
te Brussel verzekerde men mij, dat die som niet geheel gebruikt
is, tot ddt einde; dezelfde fout heeft ons verscheidene vestingen
doen verliezen ; en toch verbetert ons dit niet, en die gedurige
nadeelen maken ons niet voorzichtiger.'*
Dat Willem III iemand als Obdam juist niet als raadsman
uitkoos om daarmede de gewichtigste vraagstukken van 'oorlog
en van staatkunde vertrouwelijk te bespreken, is nog al zoo
vreemd niet; — toch schijnt Obdam zich ingebeeld te hebben,
dat dit zoo behoorde te zijn ; hij schijnt zich gekrenkt te achten,
dat hij geen deel heeft aan de leiding van de krijgs verrichtingen ;
hij beschouwt zich als iemand die miskend wordt, die in on /er-
diende ongendde is gevallen. Dit blijkt uit het volgende:
>De Koning houdt thans alle dagen langdurige conferentiën
met den Keurvorst van Beyeren en met den Prins De Vaude-
mont, soms ook met den Prins van Nassau-Sarbrück ; maar de
tweede" — dus, dat is Vaudemont — t heeft wel het meeste in
te brengen; al de andere Generaals weten niet meer dan ik;
daarom kunnen wij, alleen op gissingen, redeneeren; maar wat
wij er van begrijpen is, dat men geheel onzeker is, wat te
doen . . ."
en verder:
» Gisteren fluisterde een der eerste personaadjes van het Beyer-
sche hof mij in 't oor: tdus behoort ook gij, tot de schare der
Digitized by
Google
^9^ KRIJG3- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
in ongenade gevallenen?" Dat gaf mij een onbehagelijk denk-
beeld van de zaken; want nooit hadden wij meer behoefte aan
eensgezindheid."
Obdam beoordeelt scherp^ maar niet onjuist^ het gedrag van
de Keizerlijke regeering die het sluiten van den vrede tegenwerkt :
...»Hoe ver zijn nu de Heeren Keizerlijken, met al hun
zwarigheden: en zullen zij betere voorwaarden verkrijgen voor
Lotharingen, als er nog eenige vestingen worden verloren? Die
Heeren willen noch vrede, noch oorlog; waren zij nog maar in
staat om in Duitschland iets belangrijks te ondernemen, om eene
krachtige diversie te maken, dan zou het nog iets zijn; maar
daarvan blijkt niets; die heeren willen overal het hoogste woord
voeren, terwijl zij niets wezenlijks doen; en terwijl men zich
met beuzelingen bezig houdt, verliezen wij onze vestingen; wat
mij het oude gezegde te binnen brengt: dum deliberatur Romae^
perit Saguntum . . .''^ (Archief, 2* deel, blz. 148—149).
Toen Ath zich heeft overgegeven schrijft Obdam, den gen Juni
1697, weer een brief aan Heinsius, met allerlei praatjes, over
wat de vijand nu zal doen, en over waartegen wij ons te wape-
nen hebben; aan zwarigheden geen gebrek:
...>Zoo dat men aan alle kanten in den angst is, en zeer
zeker verkeeren wij in alle opzichten in een zeer slechten toe-
stand. De Heer van Geldermalsem zal u geschreven hebben wat
er gebeurd is met de fourage, die spoedig op zal zijn; en ik
hoor met verdriet, dat de vredes-onderhandelingen niet vorderen;
want ik schroom niet om u te zeggen, dat, zetten wij den oor-
log voort op dezelfde wijze als thans, wij reddeloos verloren zijn.
Ik heb nu te weinig tijd en kan u dus niet al de wanorde en
al de verwarring melden, die ik dag aan dag zie in dit leger,
samengesteld uit zoo veel verschillende natiën; men weet geen
overeenstemming te brengen tusschen al die menschen ; ik wenschte
eene betere eendracht, dan ik thans zie. In het kort y^unt scopae
disso/titaé*^ ; en als de goede God ons niet uit de verlegenheid
redt, dan weet ik niet hoe wij er uitkomen.
Gij zult zeggen, dat ik altijd rampen voorspel; mair God
geve dat ons die niet mogen treffen wanneer het geen tijd meer
zal zijn om die te verhelpen." (Archief, 2' deel, blz. 150 — 151).
Een volgende brief van Obdam aan Heinsius, van den 2osieii
Juni 1697, bevat enkele militaire opgaven, — van weinig be-
lang — , en ia, voor het overige, aan de staatkunde gewijd.
Is dat af te keuren; moet een hoog geplaatst bevelhebber,
iooals Obdam, vreemd blijven aan de staatkunde? — Neen,
volstrekt niet; hij moet wel degelijk een heider en juist inzicht
hebben in de staatkundige handelingen, die in zoo nauw verband
5taan met de leiding van den oorlog; hij moet niet vreemd zijn
Digitized by
Google
VELDTOCHT IN DE NEDERLANDEN. 399
aan de staatkunde: — maar wél vreemd blijven aan de poli-
tieke tinnegieterij: praatjes in 't honderd te houden, die
niets ter zake dienen, niets ter wereld uitwerken, — dit is het,
wat een legerhoofd of hooggeplaatst bevelhebber moet vermijden \
^n d^t is het, waaraan Obdam zich schuldig maakt.
Voltaire heeft gezegd, dat de staatkunde geen geheime weten-
schap is, alleen voor ingewijden te begrijpen; maar dat, integen-
■deel, de ambtelooze burger van Amsterdam of van Bern haar
■even goed kan vatten als de hoogst geplaatste Minister. Dat is
ook zoo ; mits die Amsterdamsche of Bernsche burger een man
zij van gezond verstand, van helder oordeel, van kunde; een
man, die menschenkennis bezit en die den gang der wereldsche
^aken doorgrondt; — mét die mits, kan men over.de staat-
kunde oordeeleo; si non, non. Het ongeluk is maar, dat als een
man van een bekrompen geest zich met de staatkunde afgeeft,
hij er wonder wat in zoekt, en in de onbeduidendste zaak' de
"diepzinnigste berekeningen onderstelt, de ingewikkeldste verbin-
dingen; daardoor misleid, wil hij dan ook door slimheden uit-
munten, en doet vaak domme streken uit zucht om geniaal te
iijn. Het is zoo'n zeldzaamheid niet, dat een legerhoofd, aan
zijne overfijne staatkundige inzichten zijne militaire plichten ten
offer brengt; niet bedenkende, dat men de beste staatkunde volgt
als men met zijn leger overwinningen behaalt, en in den oorlog-
het overwicht behoudt. Bazaine's dwaze of misdadige handelingen
te Mctz in 1870 zijn voor een deel te wijten aan zijn toegeven
aan staatkundige dwaalbegrippen.
In Obdam's brief wordt eerst gewaagd van het beleg van Bar-
celona door de Franschen:
>Met deze post meende ik u niet te schrijven; maar dezen
namiddag met den Heer Van Geldermalsem bij den Keurvorst
van Beyeren zijnde, zeide deze ons dat een Brandenburgsch lui-
tenant, verleden Maandag krijgsgevangen gemaakt, teruggekomen
van het korps van den Heer De Mourevers die het bevel voert
in de liniën, verhaalde dat de Heer De Mourevers hem aan
tafel had gevraagd, of het in ons leger al bekend was. dat Bar-
celona belegerd werd van de land- en van de zeezijde. Dit heeft
niets verwonderlijks, want het jammerlijk beleid van het Spaansche
hof doet ons zoo iets verwachten; — maar hij deed hem eene
andere vraag die ons meer bekommert, namelijk, of wij wel
wisten dat de Koning van Spanje op het uiterste lag. De Keur-
vorst scheen daarover zeer ter neer geslagen; en voegde er
bij, dat de Franschgezinde partij op dit oogenblik in Spanje
de sterkste was, en dat, bijgevolg, die monarchie zich wel eens
in de armen van Frankrijk zou kunnen werpen.
Oordeel, hoe wij er aan toe zouden zijn, vereenigden die twee
Rijken zich onder één gebieder!
Digitized by VjOOQIC
400 KRUGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Ziedaar wat de Heeren Keizerlijken voor fraais hebben uitge-
richt, met hun talmen en dwarsdrijven ten aanzien van den
vrede: voorloopig hebben wij Ath verloren, en Barcelona zal
waarschijnlijk hetzelfde lot ondergaan; dan ontbreekt er nog
maar aan, dat wij hier eene nederlaag lijden, of nog eenige ves-
tingen verliezen; en dan zullen wij betere voorwaarden bedin-
gen!!" (dat dubbele verwonderingsteeken is niet van ónze
vinding: het komt voor in Obdam's brief).
>Ik vrees zeer dat de inneming van Barcelona ons Luxemburg
zal kosten, of iets dat daarmee gelijk staat; maar, wat duivel"^
{pourquoy, diablé)^ > daar men het beleg van Barcelona heeft voor-
zien, waarom heeft men niet een sterk smaldeel daar heen ge-
zonden ? Oaze vloten liggen toch maar te rotten in de Engelsche
havens: het is om wanhopig te worden, als men ziet dat wij,
noch vrede kunnen sluiten, noch oorlog voeren. Ik wilde dat die
Graaf Kinsky, wien men al die vertragingen wijt — of welke
Daemon het dan ook moge zijn — in het peperland zat" {fut
aux antipodes\ >en dat men zich niet stoorde adn de luimen van
dien grilligen stijfkop."
Verder spreekt Obdam nog over de krijgsbe wegingen in Vlaan-
deren, die natuurlijk, hoewel zonder beteekenis, door hem wor-
den afgeschilderd als geheel onheilspellend voor ons; en hij laat
daarop volgen:
>Is dat nu geen mooye veldtocht voor ons; en moet gij niet
erkennen, dat ik u dit alles, grooten deels, lieb voorspeld ? Ik
eet mij zelven op van kwaadheid, als ik dit alles zie. Ik wenschte
er niet aan te denken, om zoodoende de bittere kommer te
ontgaan, die al die wederwaardigheden mij geven zonder dat
het in mijne macht is om iets daarin te verhelpen; en bij zulk
eene gelegenheid zou ik uwe Stoïcijnsche kalmte noodig hebben^
die mij zoo vaak half razend maakt. In één woord, het is mij
te machtig; en gemakkelijk zult gij zien, dat ik, dit schrijvende,
alles behalve bedaard ben..." (Archief, 2* deel, blz. 151 — 152).
Toen Willem III, door zijn snellen marsch van Genappe op
Brussel, 's vijands aanslag op die hoofdstad verijdelde, zou men
denken dat dit ten minste Obdam's goedkeuring zou verwerven;
maar jawel: het dient hem alweer als aanleiding om den stand
van zaken zoo somber mogelijk te kleuren; den 24sten Juni 1697
schrijft hij aan Heinsius:
...»Het heeft den Koning veel moeite gekost om het kamp
van Anderlecht te bereiken; hij heeft dag en nacht gemarcheerd;
Zijne Majesteit verschanst zich nu daar, en de twee vereenigde
legers van Villeroy en van BoufBers zijn nabij ons. De goede
God beware ons voor eene nederlaag, want dan bleef ons niets
over. Evenzoo zijn wij bekommerd voor Catinat, die gisteren
de Schelde is overgetrokken en nu gelegerd is te Saint-Eloy, aan
Digitized by
Google
VELDTOCHT IN DE NEDERLANDEN. 40I
de Lijs, op twee uur afstands vaa Deynse. De een zegt, dat hij
die rivier zal overgaan; de ander, dat hij stelling zal nemen te
Machelen, op een half uur afstands van Deynse, dat wij niet
zullen kunnen behouden; zoodat wij aan alle zijden in den
drang zijn. Toch schijnen den Keurvorst de handen te jeuken,
want zooeven sloeg hij eene voorwaartsche beweging voor, die
aan al onze Generaals zeer gevaarlijk voorkwam; en het ergste
bij dit alles is, dat er altijd menschen van weinig beteekenis zijn,
die, om vooruit te komen, de vaak denkbeeldige glorie der vor-
sten vleyen; zij zelve hebben, daarbij, niets te verliezen. In
't kort, Mijnheer, het is mij volstrekt onmogelijk, om u, geheel
naar waarheid en volledig de vreeselijke crisis af te schilderen
waarin wij verkeeren, en waaruit, menschelijkerwijze gesproken,
alleen een spoedige vrede ons kan redden. Dit zeg ik u, en dit
herhaal ik; en dit is ook alles wat ik daaraan kan doen.''
(Archief, 2' deel, blz. 152).
Zulke menschen, als Obdam, stichten kwaad in een leger,
omdat zij, door hunne onverbeterlijke zwaarhoofdigheid en hun
dwaas gejammer, ontmoediging doen ontstaan. Het is wel niet
opzettelijk, dat zij kwaad stichten; zij zullen, misschien, wel niet
zoo vér gaan, dat zij de zaken in de war sturen, alleen maar
om hunne zwaarhoofdigheid te rechtvaardigen; — maar, loopen
de zaken in de war, dan zeggen zij op triomfeerenden loon:
>heb ik het niet gezegd?" — De rol van Cassandra heeft voor
veel menschen iets aanlokkelijks ; en toch deugt die niet; want
men doet soms het kwaad ontslaan door de vrees voor het
kwaad te onvoorzichtig te uiten.
Een paar dagen later — 26 Juni 1697 — , in een brief aan
Heinsius, is het weer hetzelfde. Obdam bespreekt daarin de be-
wegingen van Catinat's leger, dat men niet weet wat bedreigd
wordt : Brugge, Oudenaarden of Deynse, wat het leger van den
keurvorst van Beieren — waarbij Obdam is — daartegen zal
doen, welke verschillende adviezen daarover worden uitgebracht
in den krijgsraad; — natuurlijk zijn al die adviezen dwaas, be-
halve het advies van Obdam zelf. Hij eindigt met deze woor-
den: >Gij kunt niet gelooven, Mijnheer, hoe of men hier vergaat
van zorg en verdriet; een Engelengeduld is daar niet tegen be-
stand; voor ons welzijn worden steeds vele goede handelingen
voorgeslagen; die worden goed en krachtig voorgestaan; ook
bewilligd; — maar, uitgevoerd? Neen: daartoe ontbreekt alles,
en vooral het geld. Wie duivel heeft ooit zóó zien oorlog voe-
ren? Het is om wanhopig te worden. Ik wenschte een volslagen
Stoïcijn te wezen, en minder gevoelig voor het verlies van dit
land, en voor het welzijn van ons vaderland, dat daarvan afhangt."
(Archief, 2® deel, blz. 153).
Is dat eigenlijk wel een loyale handeling, dat een onderbevel-
wiLLEM III. — III. 26
Digitized by
Google
402 KRIJGS- EN GESCHIBDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
hebber — buiten het legerhoofd om — aan zijne regeering eene
critiek inzendt van de krijgsverrichtingen ? — Het waren ver-
trouwelijke brieven — zal men zeggen — van Wassenaer-
Obdam aan Heinsius; — ja maar, Wassenaer-Obdam was gene-
raal, en Heinsius raadpensionaris; in zulk een verhouding schrijft
men geen vertrouwelijke brieven ; ten minste niet gedurende den
veldtocht, later misschien wel.
Den 28sten Juli 1697 schrijft Wassenaer-Obdam weer aan Hein-
sius. £en zeer lange brief, un dèluge de paroles^ sur un désert dUdées^
praatjes over de krijgsbewegingen, praatjes die, op het einde van
den brief, weer worden tegengesproken ; er zijn geen touwen aan
vast te maken. Aan het slot schijnt Obdam toch in te zien, dat
de oorlog zoo goed als gedaan is:
...iMen bericht ons uit het andere leger" (het leger van Wil-
lem III), >dat bij de laatste samenkomst van de Heeren De
Bouffiers en Portland te Halle, zij hunne bepalingen op schrift
hebben gesteld; dat de Gardes du Corps vertrokken zijn, of ver-
trekken zullen, om den weg te bezetten door Zijne Majesteit te
volgen, die eerstdaags naar Het Loo gaat; dit zou eene geheime
wapenschorsing aanduiden, misschien wel een openlijke; en op
die wijze zou bewaarheid worden wat de Franschen hebben ge-
zegd, namelijk dat de samenkomsten van Boufïlers en Portland
den vrede meer zouden bespoedigen, dan alle samenkomsten in
Den Haag" (Rijswijk). — (Archief, 2' deel, blz. 156—157).
Den Qcn September 1697 nogmaals een brief aan Heinsius, van
Obdam, die toen te Brugge is: gebabbel over militaire en staat-
kundige aangelegenheden, dat niet de minste waarde heeft; wij
gaan dat voorbij.
Alleen willen wij, ten slotte, ons nog kort ophouden bij den
laatsten brief van Obdam aan Heinsius, die in dit tweede deel
van het «Archief" voorkomt. Die brief is van den i6en Septem-
ber 1697, uit Brugge. Indien wij, bij enkele der brieven van
Obdam, verzuimd hebben te zeggen, van welke plaats zij zijn
geschreven, dan doet dit niets ter zake: het noemen van die
plaats zou ons leeren, waar Obdam dien dag was, evenals het
leger waartoe hij behoorde; het zou dus belangrijk kunnen zijn,
gold het de behandeling van een belangrijken veldtocht; maar
het heeft niet de minste waarde bij een veldtocht waarbij toch
niets meer werd verricht.
Die laatste brief is als de andere, en bevat ook profetiën,
die niet zijn uitgekomen; aan het slot vaart Obdam nog al
hevig uit tegen de Keizerlijken, die het sluiten van den vrede
tegenhouden :
...»Gij ziet. Mijnheer, hoe wij moeten boeten voor de luimen
en dwarsdrijverijen der Keizerlijken, die belet hebben dat den
laatsten Augustus de vrede werd gesloten ; laat nu ook den termijn
Digitized by
Google
VELDTOCHT IN DE NEDERLANDEN. 403
van 20 September verstrijken, dan zullen de zaken van kwaad
tot erger gaan; want, in 't eind, ik tart de schranderste om de
redenen te doorgronden die den vijand kunnen hebben genood-
zaakt om aan de bondgenooten zooveel te willen teruggeven, als
hij aangeboden heeft bij de tegenwoordige onderhandelingen.
Bovendien, die vijand kent onze zwakheid, en zal niet in ge-
breke blijven om daar voordeel uit te trekken, zonder dat wij
hem dit kunnen beletten. Het zou nog iets zijn, gaf de oorlog
ons eenige hoop voor de toekomst; maar waar zijn onze hulp-
middelen; en als wij den oorlog nog met eenig voordeel tien
jaar voortzetten, kunnen wij dan toch de vestingen heroveren,
die men ons nu aanbiedt? Wat mij aangaat^ mijn verstand staat
daarvoor stil; en het komt mij voor, dat dit evenzoo gaat met
allen die zich met die zaak moeyen.
De Heeren Keizerlijken nemen eene ijdele en trotsche houding
aan, en willen de geheele wereld overbluffen, terwijl zij werkelijk
geen nagels hebben om zich te krabben waar het jeukt; wat
hebben zij eigenlijk uitgevoerd in het algemeen belang, gedu-
rende den ganschen loop van dezen oorlog? Toch schreeuwen
zij hard, voeren het hoogste woord, en willen, meer dan iemand
anders, voordeel trekken uit dien oorlog, niet slechts ten koste
van hunne vijanden, maar ook van hunne vrienden. Het zal wat
moois geven in Hongarije" (Obdam bedoelt hier den oorlog
tegen de Turken; — hij was toen nog onbekend met de groote
overwinning, door Prins Eugenius den iien September bij Zenta
behaald); igij weet reeds welke slechte berichten er van daar
zijn; en hard twijfel ik er aan, al roepen zij al hun Santen en
Santinnen ter hulp, of het mirakel zal gebeuren waarop zij altijd
rekenen voor het huis van Oostenrijk. Gij kunt denken dat de
voordeelen door de Turken behaald, hunne goede vrienden de
Franschen een geheel andere taal zal doen voeren.
De Keurvorst heeft mij gezegd, dat de Saksische troepen die
een groot deel uitmaken van het Keizerlijke leger, van honger
sterven, of deserteeren, omdat zij geen soldij krijgen ....
In *t kort: alles gaat slecht, aan alle kanten; en nog willen
wij ons groot houden, en niet gapen als de pap ons wordt aan-
geboden; sed vana sine viribus tra; en Engeland *s gesteldheid
kent gij, evenals de onze; en dat is de spil waarop de oorlog
draait. Ik zou even krachtig en even fier als ieder ander dien
oorlog voorstaan, was er maar de flauwste hoop om dien te
kunnen voeren met eenige goede kans; maar wanneer ik duide-
lijk zie, dat wij alles hebben te vreezen en niets te hopen, dan
moet ik erkennen dat ik evenzeer verwonderd ben, over de aan-
biedingen van Frankrijk, als over de traagheid van de bondge-
4iooten om die aan te nemen.
Digitized by VjOOQIC
404 KRIJGS- ÏN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Ik hoop dat de Hemel den laatsten eene goede ingeving zal
verschaffen, die onzen ondergang verhoedt."
Vier dagen na het schrijven van dien brief, is de vrede ge-
teekend.
De krijgsverrichtingen van 1697 in Duitschland zijn ook onbe-
teekenend geweest, en verdienen niet dat men lang daarbij stilstaat.
Wat de sterkte aangaat van de legers die dit jaar aan den
Rijn tegenover elkander stonden, die schijnt aan weerszijden
nagenoeg dezelfde te zijn geweest. De Fransche opgaven spreken
wel van de overmacht van het Keizerlijke leger, dat zij op
56000 man begrooten; maar raadpleegt men de slagorde van
het Fransche leger, zooals die bij De Quincy is te vinden, dan
komt men ook tot een kleine 20000 ruiters of dragonders en
ruim 30000 man voetvolk, dus, tot een geheel cijfer van een
50000 man, niet veel verschillend van het cijfer 56000. — In
die slagorde komt voor, dat de artillerie van het Fransche leger
bestond uit 6 compagnieën artilleristen, bij zich hebbende 62
kanonnen en 2 kleine mortieren. — Het Fransche legerhoofd
was de maarschalk Choiseui, het Keizerlijke Prins Lodewijk van
Baden; beiden zijn reeds vroeger genoemd en beoordeeld; en
de veldtocht van 1697 geeft geen aanleiding om dat oordeel te
veranderen, of te wijzigen.
Aanvankelijk waren de wederzijdsche legers op den rechter-
oever van den Rijn, naar de zijde van het Schwarzwald; er
hadden verschillende kleine ontmoetingen plaats, die door De
Quincy nog al hoog worden opgehemeld, maar die toch niet
meer zijn geweest dan onbeduidende schermutselingen. In het
begin van Juli gaat het Fransche leger weer achter den Rijn
terug; en den 24sten Augustus komt Lodewijk van Baden te
Mainz, op den linker Rijnoever, met het Keizerlijke leger. De
oorlog liep nu op zijn einde; — toch kiest de Keizerlijke regee-
ring juist dien tijd uit om nog iets te ondernemen, misschien in
de hoop van daardoor de verregaande werkeloosheid van vroeger
eenigszins te vergoeden en te doen vergelen.
Wat Lodewijk van Baden toen ondernam, beteekcnde echter
bitter weinig: het was niet anders dan het belegeren en innemen
van Ebernburg, een kasteel op den rechteroever van de Nahe
gelegen, daar waar zich het riviertje de Alzens met de Nahe
vereenigt. Ebernburg, twee kleine dagmarschen ten westen van
Mainz, had eene sterke ligging, op een weinig toegankelijke rots ;
maar die sterke ligging was ook alles; het was overigens eene
kleine sterkte, meer fort dan vesting; bewijs daarvan is, dat de.
Digitized by
Google
KRIJGSVERRICHTINGEN AAN DEN RIJN. 405
bezetting, toen zij bij de overgave met krijgseer aftrok^ 352 man
sterk was. Het beleg had bijna de geheele maand September
geduurd; van de Fransche zijde werden geen pogingen tot ont-
zet gedaan ; denkelijk achtte men dit niet de moeite waard, daar
de oorlog toch zoo goed als geëindigd was.
Van der Meer — een zaakgelastigde van de Republiek, die
zich toen in het Keizerlijke leger ophield, wij weten niet in welke
ofhcieele hoedanigheid, maar zeer zeker om als d warskijker
te ageeren — deelt, in zijn schrijven aan Heinsius, enkele bijzon-
derheden mede, die de weinige werkdadigheid van Lodewijk van
Baden eenigszins verklaren.
Eene eerste verklaring moet gezocht worden in de onverant-
woordelijke verwaarloozing van het leger door de Keizerlijke
regeering, die niets deed om in de voeding van dat leger te
voorzien; het was weer de oude historie, waarop Schiller doelt,
als hij twee soldaten van Wallenstein doet zeggen : > wie ons be-
taalt, is de Keizer. — Neen: wie ons niet betaalt, is de Keizer."
Den 2 5 sten Augustus 1697 schrijft Van der Meer aan den
Raadpensionaris :
...»In de marsch die men van Ladenborgh naar Ments heeft
gedaan, sijn niet alleeti veel soldaten der Kijserlijcke troepen
gedeserteert ter oorsaack sij sedert een geruymen lijt sonder be-
talinge sijn geweest, maar dewijl sij niet als van haar munitie-
brood en water moeten leeven en ter dier oorsaeck niet in staat
sijn de fatigues uyt te staan, soo sijn veel van die onderweegh
doodt gevallen en sieck geworden." (Archief, 2* deel, blz. 158 — 159).
Nog een andere verklaring voor de jammerlijke wijze waarop
de Duitschers toentertijd oorlog voerden, vindt Van der Meer
in hunne oneensgezindheid : de Duitsche vorsten, vooral de
Protestantsche, koesterden groot wantrouwen tegen de Keizerlijke
regeering, en werkten dus niet met haar mede. — Den g^n Augus-
tus 1697 schrijft Van der Meer:
«Voorleden Maandagh de eer hebbende van met den Hr. Prins
Louis van Baden te eeten, sijde hij mij dat hem uyt den Haagh
was geschreven, dat men aldaar seer blameerde, dat hier met
de Armee der geallieerden niets wierde ondernoomen; dat zelfs
de Hr. Van Dyckveldt gelijcke discoursen hadde gevoert; en al
hoewel men hem persoonelijck de faute niet toeschreef, eghter
de blame daar van niet anders als op hem conde coomen; dat
wel waar was dat daar naar de heer Van Dyckvelt veel goeds
van hem hadde geseght, maer dat echter dat niet conde wegh-
nemen de blame van de inactie, die men aan de geallieerde
armee, die hij commandeerde, imputeerde; en toonde sigh seer
sensibel over 't selve, versoght mijn UWEG. te schrijven ; daar
Digitized by
Google
4o6 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
bijvoegende, dat hij altijt capitaal hadde gemaackt op H.H. Mo.
protectie en voornamentlijck in deese vreedens negotiatie, en niet
wist waarin hij hadde gemeriteert 't geen men teegens hem seyde ;
dat hadde hij iets op de vyanden connen ondernemen, hij geen
occasie soude hebben laeten voorbij gaan om 't selve ter exe-
cutie te leggen; dat de troepes die men naar de Nederlanden
hadde ontbooden, hem hadden gestelt buyten staat om iets te
connen ondernemen, dewijl de vyandtlijcke armee bijkans soo
sterck was als de sijne."
Van der Meer doet zijn best om den Badenschen vorst zach-
ter te stemmen, en hem te doen gelooven dat de regeering van
de Republiek hem wel degelijk in hooge achting houdt; maar
— voegt Van der Meer er bij — , waarom niet een brug ge-
slagen te Mannheim, en dddr den Rijn overgetrokken ? Dat is
veel beter, dan dien overtocht te Mainz te doen, want daardoor
verwijdert men zich te veel, en laat Zwaben en Frankenland
blootgesteld aan 'svijands inval. Waarom geen gebruik gemaakt
van Mannheim, waarvoor reeds lang het plan had bestaan? —
De Badensche vorst antwoordde, dat dit niet kon:
...»Hij antwoordde dat men het selve niet hadde connen
werckstelligh maecken om verscheyde reedenen, dat S. Maj. v.
Gr. B. van 't selve volkomen was geïnformeert.
Des naarmiddagh discoureerde ick over 't selve subject met
den Hr. Staffert, eersten minister en Groot-Marechal van den
Hertogh v. Wurtembergh, uyt wie ick verstont dat dat werck
was tegengehouden door den Landgraaf van Hessen en door de
jalousie van de Protestante Prinsen, die niet geerne soo een
importante post souden sien in handen van een Roomsen Prins..."
(Archief van Heinsius, 2' deel, blz. 157 — 158).
Een van de vruchten van de studie der geschiedenis is, dat
men daardoor leert inzien, dat zeer dikwijls de kleingeestigste
inzichten, de bekrompenste denkbeelden een beslissenden invloed
hebben geoefend op de gewichtigste handelingen van staat en
van oorlog. Hier kan het Keizerlijke leger niet te Mannheim
den Rijn overtrekken, omdat »de jalousie van de Protestante
Prinsen*' niet toelaat om >soo een importante post in handen
van een Roomsen Prins te zien." En zulk een beweegreden be-
paalt, hoe de oorlog tegen Frankrijk wordt gevoegd!
De krijgs verrichtingen van 1697 in Catalonië zijn, verreweg,
belangrijker geweest dan die in de Nederlanden en aan den
Rijn ; zij doen eer aan het Fransche legerhoofd, den hertog van
Vendóme, die hier zeer veel geestkracht en bekwaamheid heeft
betoond.
Het leger dat Vendóme aanvoerde, telde 42 bataljons voetvolk
Digitized by
Google
BELEG VAN BARCELONA. 407
en 55 eskadrons ruiters of dragonders; ruim 26000 man voet-
volk en een kleine 9000 ruiters, te zamen een 35000 man. Die
sterkte was grooter dan wat Frankrijk in de vorige jaren in Catalonië
had doen optreden; die sterkte was ook veel grooter dan de
sterkte van het daartegenover staande Spaansche leger: een
20000 man; — maar die sterkte was evenwel niet groot, neemt
men in aanmerking, dat de taak van dit leger niet meer of niet
minder was dan de belegering en inneming van Barcelona.
Die aloude en vermaarde hoofdstad van Catalonië ligt aan de
Middellandsche zee, een kleine twee uur oostelijk van de plaats
waar de rivier de Llobregat zich in die zee werpt. Barcelona
was toen verdeeld in een oude en in een nieuwe stad, de eerste
oostelijk, de tweede westelijk, beide omgeven door een stevigen
gebastionneerden wal, met droge gracht, bedekten weg, glacis,
en sommige buitenwerken; de omtrek van dien hoofdwal was
een paar uur gaans; oude en nieuwe stad waren van elkander
gescheiden door een muur met torens. Op een 12 k 1500 el
westelijk van de nieuwe stad had men het fort Mont Jouy — of
Mont Juich — , zeer sterk daor zijn ligging op een hooge en
steile rots. Aan de zeezijde van Barcelona waren enkele schan-
sen en batterijen, om den ingang van de haven, en de zeehoof-
den, te verdedigen. De stad was goed voorzien van krijgsvoor-
raad en leeftocht ; en verkreeg eene bezetting van 1 1 000 man
voetvolk en 1500 ruiters, waarbij zich 4000 gewapende burgers
aansloten. Bevelhebber was een prins van Hessen- Darrostadt, een
man van geestkracht en bekwaamheid, maar die — naar het
schijnt — hier in zijne handelingen werd belemmerd^ doordat hij
onder de bevelen bleef van Velasco, den Onderkoning van Cata-
lonië, wiens beleid minder wordt geprezen.
Noemde Willem III het beleg van Namen in 1695 >een harde
noot om te kraken", hetzelfde zou men kunnen zeggen van de
belegering van Barcelona door de Franschen in 1697, want bij
de sterkte van Vendóme's leger viel er niet aan te denken om
een stad van zoo grooten omvang geheel in te sluiten ; en slecht
staat de kans op het vermeesteren van een belegerde vesting,
die men niet ingesloten heeft. £ene zeer gunstige omstandigheid
was het echter voor den aanvaller, dat eene Fransche vloot, die
onder den admiraal d'Estrées van Toulon kwam, gemakkelijk
alles kon aanvoeren wat de belegeraar noodig had, en de aan-
vallen aan de landzijde kon ondersteunen door aanvallen aan de
zeezijde.
Te Gerona, zoo wat een 20 uur ten noordoosten van Barce-
lona, trok het Fransche leger in de maand Mei bijeen; op het
laatst der maand stelde het zich in beweging naar de hoofdstad
Digitized by
Google ^
408 KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
van Catalonië. Het Spaansche leger, dat aanvankelijk nabij Hos-
talrich had gestaan, tusschen Gerona en Barcelona, ging terug
voor 's vijands overmacht, en ontruimde Hostalrich; een 3000
man Fransche ruiterij, door Vendóme vooruitgezonden om den
terugtocht der Spanjaarden te verontrusten, slaagden daarin niet;
en zonder verliezen te lijden bereikte Hessen- Dar mstadt de hoofd-
stad, waar hij bleef met de vroeger vermelde bezetting; met het
overige van het Spaansche leger plaatste zich de onderkoning
Velasco te San Feliu de Llobregat, niet ver van de rivier, en
een groote twee uur ten noordwesten van Barcelona.
Vendóme, zijn marsch voortzettende, was den 3en Juni te La
Roca, nog een kleinen dagmarsch van de hoofdstad, den óen te
Badalona, nog slechts een anderhalf uur daarvan verwijderd, den
i2en onmiddellijk voor Barcelona. Den 6en Juni kwam ook de
vloot van d'Estrées, die eenige dagen later een groote 3000 man
ontscheepte, die ook hebben deelgenomen aan het beleg; de
vloot bracht tevens aan, 60 zware kanonnen, 24 mortieren, de
noodige munitie, meel om brood te bakken voor vier maanden,
en een voorraad aan haver, voor een week of zes. In één woord,
de middelen voor de voeding van het Fransche leger waren ver-
zekerd, en men had al wat noodig was voor het beleg.
Dat beleg begint in den nacht van den i5en op den i6en Juni;
toen worden, op een kleine 500 el afstands van de vesting, de
loopgraven geopend tegen het noordoostelijk gedeelte van de
oude stad; die handeling werd begunstigd, èn door het terrein,
èn door de bommen die de vloot in de stad wierp, en die hier
en daar brand deden ontstaan.
Het is niet ons voornemen het beleg van Barcelona dag voor
dag te beschrijven; integendeel, wij willen maar zeer kort daar-
van gewagen. Aan weerszijden kenmerkte zich dat beleg door
bekwaamheid, door krachtdadige handelingen, door dapperheid;
onophoudelijk hadden er uitvallen plaats, soms twee, drie op één
dag, en zij gaven aanleiding tot hardnekkige en bloedige ge-
vechten; toen de belegeraar in den nacht van den 400 op den
5en Juli den bedekten weg bestormde, gelukte het hem slechts
een gedeelte daarvan te vermeesteren, en dat 'nog wel ten koste
van zware verliezen ; eerst in den nacht van den 6en op den
7 en Juli werd de belegeraar meester van den geheelen bedekten
weg van het front van aanval.
De onderkoning Velasco was intusschen voortdurend te San
Feliu de Llobregat; hij had daar een 6000 man geregelde troe-
pen, en nagenoeg evenveel Miquelets en andere volkswapening.
De Franschen hadden Barcelona niet kunnen insluiten; en van-
daar, dat Velasco voortdurend in gemeenschap bleef met de
stad, en dat konvooien met krijgsbehoeften, of andere benoo-
digdheden, herhaaldelijk van San Feliu te Mont Juich aankwamen.
Digitized by
Google
BELEG VAN BARCELONA. 409
Dit was eene omstandigheid, die weinig hoop gaf op het goed
ten einde brengen van het beleg ; en, was het Fransche leger al
niet sterk genoeg om Barcelona geheel in te sluiten, zoo is het
toch eenigszins bevreemdend, dat Vendóme het lijdelijk aanzag
dat, op zoo korten afstand, zoolang eene Spaansche troepenmacht
bleef standhouden, die de stad gedurig nieuwe verdedigingsmid-
delen kon bijzetten, en het kamp van den belegeraar verontrusten.
Eindelijk verneemt het Fransche legerhoofd, dat de vijand
voornemens is, zelf hem aan te vallen, door de gelijktijdige
werking van de troepen van Velasco en van de bezetting van
Barcelona. Vendóme besluit nu, zijn vijand te voorkomen, en
Velasco aan te vallen. Den 1460 Juli, een paar uur vóór het
aanbreken van den dag, gaat de Fransche veldheer, met 3000
man voetvolk en 2500 ruiters, in stilte op raarsch, van zijn kamp
naar San Feliu. Het schijnt dat de Spanjaarden zeer slecht ge-
zorgd hadden voor den veiligheidsdienst van hun leger; ten
minste, hunne veldwachten en andere posten worden zoo goed
als overrompeld; de Fransche ruiterij dringt San Feliu binnen;
Velasco ontkomt ternauwernood ; de verliezen van zijn leger zijn
misschien niet groot geweest, maar dat leger stuift geheel uiteen,
en vlucht in verwarring achter de Llobregat. Van toen af staat
Barcelona zoo goed als op zichzelf; nog altijd is het mogelijk
om versterkingen binnen de stad te brengen, maar er is geen
Spaansche krijgsmacht voorhanden om gebruik te maken van
die mogelijkheid.
Het beleg wordt nu geregeld voortgezet; de aanvaller wordt
niet meer gehinderd van buiten, maar heeft voortdurend te kam-
pen met den dapperen tegenstand der bezetting van Barcelona.
In den nacht van den 22sieii op den 23sten Juli wordt de hoofd-
wal van Barcelona bestormd; en na een hardnekkigen strijd, met
afwisselende kansen gevoerd, blijven twee der bastions in het
bezit van den bestormen Eene oude stadsmuur dfent den Span-
jaarden nog eenigen tijd tot binnenverschansing ; maar reeds den
gen Augustus beginnen zij onderhandelingen te openen; en den
loen geeft Barcelona zich over. De bezetting verkrijgt vrijen uit-
tocht met krijgseer.
Het beleg heeft een kleine twee maanden geduurd, van het
openen der loopgraven tot aan de overgave; en de verdediging
is zeer dapper geweest. Toch zou men haast zeggen, dat de
overgave te spoedig heef^ plaats gehad, en de verdediging langer
had kunnen worden voortgezet: men had, de oude stad opge-
vende, tot de verdediging van de nieuwe stad kunnen overgaan,
en eindelijk tot de verdediging van het zoo sterke Mont-Juich.
De middelen ter verdediging waren nog niet uitgeput; waarom
er geen verder gebruik van gemaakt?
Digitized by
Google
41 o KRIJGS- EN GESCHIEDKUNDIGE BESCHOUWINGEN.
Denkelijk omdat de bezetting van Barcelona reeds te veel had
geleden; die bezetting toch telde bij het uittrekken niet meer
dan 6000 man voetvolk en 1200 ruiters; en sedert Velasco zich
te San Feliu had laten overvallen, was er op geen aanvulling
meer te hopen. Maar ook het Fransche leger had den val van
Barcelona duur gekocht, en was, door de verliezen bij het beleg,
en door ziekten en desertiën, met een 8 k 9000 man verminderd.
Zooveel is zeker, dat die belegering van Barcelona een roemrijk
wapenfeit is geweest voor beide partijen.
Daarna had er verder niets plaats in Catalonië ; spoedig kwam
het bericht van den vrede.
Het jaar 1697 heeft zich niet gekenmerkt door groote zeege-
vechten, door den strijd tusschen oorlogsvloten ; ter zee heeft zich
toen alles bepaald tot handelingen van kleine smaldeelen, tot
ondernemingen die meer gelijken op kaapvaart dan op zee>oorlog.
Het grootste voordeel was daarbij aan de zijde van Frankrijk ;
dat aan den handel en de zeevaart van zijne vijanden gevoelige
nadeelen toebracht. Ook de Republiek leed daaronder: hare
koopvaardijvloot, van Bilbao terugkeerende, werd in de Bis-
kaaische zee aangevallen — 25 Maart — , en de drie oorlogs-
schepen die, onder Wassen aer-Starrenburg, als konvooi dienden,
na een dapperen tegenstand genomen, met de helft van de
koopvaarders. De overmacht was hier wel aan de zijde van de
Franschen ; maar toch was die overmacht niet zóó groot — v ij f
schepen tegen drie — of men moet dit gevecht als een luister-
rijk wapenfeit toerekenen aan den Franschen vlootvoogd, den
dapperen Du Guay-Trouin,
Engeland's zeehandel leed nog grootere verliezen dan de zee-
handel van de Republiek; maar de zwaarste slag werd toege-
bracht aan het toch niet rijke Spanje.
De Pointis, in Januari i6(/7 met een sterk Fransch smaldeel
uit Brest gestevend naar Zuid-Araerika, kwam omstreeks half
April voor Carthagena, de goed versterkte zeehaven van het
toenmalige Nieuw- Grenada, en de stapelplaats van waar het goud
en zilver van Peru naar Spanje werd venzonden. Met groote
stoutmoedigheid ontscheepte De Pointis de kleine troepenmacht
die hij aan boord had, vermeesterde verschillende forten die den
toegang tol Carthagena afsloten, en dwong daarna die stad —
5 Mei — om zich over te geven ; het Fransche smaldeel verloor
de helft van zijne matrozen en soldaten, zoo door ziekten als
door 's vijands geweer ; maar het keerde terug met een buit die
op 10 millioen francs wordt begroot, en het had Spanje een
geducht verlies toegebracht. Het was eene handeling die aan
Digitized by
Google
EINDE YAN DEN OORLOG VAN 1697. 411
Drake herinnert, tijdens de regeering van de Engelsche koningin
Elisabeth: zeeroof, als men wil, maar zeeroof op groote schaal,
en door oorlogsroem opgeluisterd.
De tienjarige oorlog (1688— 1697) was geëindigd, deels door
de uitputting van de strijdende partijen, deels door den wensch
om te kunnen onderhandelen over eene vreedzame oplossing van
het groote vraagstuk der Spaansche erfopvolging, een vraagstuk
dat spoed vorderde, nu eiken dag de dood was te wachten van
den kinderloozen Spaanschen koning. Aan wien zou de heer-
schappij komen over die uitgestrekte landenreeks, die toen de
Spaansche Monarchie uitmaakte, aan het huis van Habsburg of
aan het huis van Bourbon? — Met beide liep het Europeesche
evenwicht evenveel gevaar; en daarom was de wijze staatkunde
van Willem III bedacht op een middenweg; en daarom was
voor hem de vrede eene noodzakelijkheid, om zich mef Lode-
wijk XIV en met den Duitschen keizer te kunnen verstaan over
het vinden van dien middenweg.
De tienjarige oorlog had Frankrijk's macht verkleind, die
zijner vijanden vergroot : verminderd was de vrees voor Europa's
onafhankelijkheid; geschokt het geloof aan het overwicht der
Fransche wapenen; gesterkt de macht en de invloed van Wil-
lem III. De groote Stadhouder had het doel zijns levens bereikt :
het bestrijden van Frankrijk's streven naar de wereldheerschappij,
't Is waar, nog was Frankrijk's grondgebied onaangevochten ge-
bleven; nog was het onverwonnen; en de levensdagen van zijn
vijand liepen ten einde; — maar Willem III had de overwinning
voorbereid, bij eene volgende worsteling tegen den Franschen
koning ; en toen de heldhaftige Oranjevorst op zoo roemrijke
wijze aan de Boyne streed, of bij Steenkerke, of bij Neerwinden,
of voor Namen, — vormde hij dat uitmuntende leger dat Marl-
borough en Eugenius hunne zegepralen heeft verschaft.
EINDE VAN HET DERDE EN LAATSTE DEEL.
Digitized by
Google
NASCHRIFT.
Het handschrift van dit werk draagt aan het eiod van het Derde deel de
onderteekeniDg van den toen bijna ze ven tig- jarigen Generaal: «'sGravenhage,
25 April 1881. — W. J. Knoop."
De generaal Knoop overleed den 24sten Januari 1894; deze belangrijke
studie over zijn held, den groolen Oranjevorst, den Stadhouder- Koning
Willem III, bleef al die jaren in portefeuille, zonder dat door den schiijvcr
pogingen tot de uitgave werden gedaan. Een enkel woord om dat feit te
verklaren, mag hier ter plaatse niet ontbreken.
Die verklaring is te vinden in een brief van den generaal Knoop van 15 Juli
1888, waarin inlichtingen omtrent zijn nalatenschap gegeven worden aan
mij, die had aangenomen c. q. executeur-testamentair te zijn; eene verkla-
ring, later nog mondeling toegelicht.
In dien brief schrijft de Generaal o. a. dat van zijne papieren het grootste
gedeelte verbrand kan worden; hiervan wordf echter met name uitgezon-
derd: »eene militaire geschiedenis van Willem den Derde, in drie deelen,
» reeds eenige jaren gereed om te worden uitgegeven. Doe er mee wat Gij
»wilt.'* De uitgave was niet geschied omdat de Generaal in zijn gewone,
groote bescheidenheid meende, niet licht een uitgever vooi een zoo omvang-
rijk werk te zullen vinden. De Generaal keurde het echter goed, indien
na zijn overlijden een uitgever het » aandurfde".
Deze heb ik gevonden, in den Uitgever van des schrijvers VOLLEDIGE
WERKEN (Acht Deelen), den heer H. A. M. Roelants, te Schiedam, die,
volgens mijn voorstel, de eventuëele winst zal doen strekken, ten voordeele
van het Fonds tot ondersteuning der Weduwen en Weezen z>an vripviliig
dienende militairen, beneden den rang van officier^
De hoogleeraar Dr. P. L Muller, schrijver van het Levensbericht yan
W. J, Knoop, in het Jaarboek der Koninklijke Akademie van Weten-
schappen 1895, zegt daarin- ten slotte: »Knoop heeft niet alleen de kennis
»van onze krijgsgeschiedenis uitgebreid en in vele opzichten tot werkelijke
>kennis gemaakt, maar hij heeft voor de krijgshistorici een publiek in
»*t leven geroepen en voor het Nederlandsche volk krijgsgeschiedkundige
* schrijvers verwekt. Daardoor heeft hij aan onze geschiedenis, aan onze
» wetenschap een grooten, ja een onschatbaren dienst bewezen, 't Is niet
>het eenige wat hij voor het vaderland heeft gedaan, maar wanneer latere
«geslachten zullen nagaan wie zich in de negentiende eeuw jegens land en
9Volk en vorstenhuis verdienstelijk heeft gemaakt, dan zal 't daarom zijn,
*dat zij den naam van Willem Jan Knoop niet vergeten."
Het is mijne vaste overtuiging dat dit nagelaten werk, van den degelijken,
populairen geschiedschrijver, evenals zoo vele zijner vroegere geschriften,
uitmuntende door levendige, heldere voorstelling, bovenstaand oordeel van
Dr. Muller ten Volle zal bevestigen.
December 1895. A. L. W. SEYFFARDT.
Digitized by
Google
NAAMLIJST VAN INTEEKENAREN.
H. M. WILHELMINA, Koningin der Nederlanden,
II. M. EMMA, Koningin- Regentes der Nederlanden,
H. K. H. DE GROOT-HERTOGIN VAN SAKSEN, Prinses Sophie der Nederlanden.
Akademie van Wetenschappen, Koninklijke, Arasterdam.
Altorffer, J. C. & VV., Boekhandelaren^ Middelburg.
Ammers, Firma F. L. van, Boekhandel^ 's Herlogenbosch. 2 Ex.
Arend, W. van den, 's Gravenhage.
Balen, J. N. Plemper van, Boekhandelaar^ Alkmaar.
Bazfendijk, P. M., Boekhandelaar^ Rotterdam.
Benthem & Jutting, van, Boekhandelaren^ Middelburg.
Bentum & Zoon, J. van, Boekhandelaren^ Gouda.
Beresteyn, Jhr. Mr. C. J. van, Gep, Fice- President van beide Gerechts-
hoven in N. Indtê^ 's Gravenhage.
Beschoor, W. A , Boekhandelaar^ 's Gravenhage. 2 Ex.
Bibliotheek van het Departement van Oorlog, 's Gravenhage.
Bibliotheek van de Kon. Militaire Academie, Breda.
Bibliotheek van het Gymnasium, Amsterdam.
Bibliotheek van den Hoofdcursus, Kampen.
Bibliotheek van het Instructie Bataljon, Kampen.
Bibliotheek van de instructie-Compagnie, Schoonhoven.
Bibliotheek van het ie Regiment Infanterie, Leeuwarden.
Bibliotheek van het 4e Regiment Infanterie, Leiden.
Bibliotheek van het 6e Regiment Infanterie, Breda.
Bibliotheek van het 8e Regiment Infanterie, Arnhem.
Bibliotheek van het ie Regiment Vesting-Artilleiie, Utrecht.
Bibliotheek van het Korps Genietroepen, Utrecht.
Bibliotheek der Universiteit, Amsterdam.
Binkes, S. H., Burgemeester, Meerkerk.
Blok, P. J., Hoogleeraar^ Leiden.
Blom, G. J., ie Luitenant der Infanterie, Arnhem.
Booms, P. G, Gep, Luitenant-Generaal^ 's Gravenhage.
Borren, A. M., Directeur der Departementale School, Breda.
Brochuren-Vereeniging van het ie Bataljon 7e Regiment Infanterie,
Hoorn
Broese & Co., Boekhandelaren, Breda. 3 Ex.
Broese, J. G., Boekhandelaar, Utrecht. 5 Ex.
Digitized by
Google —
Buisonjé & Zn., J. C. de, Boekhandelaren^ Helder. 3 Ex.
Burck, H. G., Boekhandelaar^ Baarn.
Burgerschool, (Rijks Hoogere), \ssen.
Burgerschool voor Jongens, Hoogere, Leiden.
Bijlandt, Mr. C. J. E. Graaf van, 's Gravenhage.
Cadettenschool, Alkmaar.
Calkoen, H. J., Schoolopziener^ Edam.
Cantine Commissie ie Bataljon 4e Regiment Infanterie, Delft.
Cikot, J., Boekhandelaar^ 's Gravenhage. 2 Ex.
Cleef, Gebr. van. Boekhandelaren^ 's Gravenhage. 7 Ex.
Cornegoor, K. G., Leeraar^ Winschoten.
Couvée, M. J., Boekhandelaar^ Delft. 2 Ex.
Couvée, M. M., Boekhandelaar^ 's Gravenhage. 3 Ex.
Crena Uiterlijk, J. H., ie Luitenant Infanterie^ Kampen.
Dam van Isselt, J. van, Luitenant-Kolonel Reservekader^ Utrecht,
Dickhof, M. A., Luitenant- Kolonel der Koninklijke Marechaussee ^
Leeuwarden.
Dieu Fontein Verschuur van Heilo, Jhr. G. de, Borculo.
Doesburg, Dr. J. J., Directeur der H, B. School^ Hoorn.
Doesburgh, S. C. van, Boekhandelaar^ Leiden. 4 Ex.
Doorn & Zn., C. van, Boekhandelaren^ 's Gravenhage. 3 Ex,
Doorninck, D. C. J. van, Commies ter Secretarie, Harderwijk.
Ducroissi Goetzee's Boekhandel, Rotterdam.
Dumonceau, Graaf H., Gep, Luitenant- Generaal, Adjudant Generaal
en Chef van het Militaire Huis van IL M. de Koningin, 's Gravenhage.
Dijkshoorn, L. C, Kapitein Artillerie, Muiden.
Ebert, Gebr., Boekhandelaren, Amsterdam.
Eekhoff & Zn., W.. Boekhandelaren, Leeuwarden. 3 Ex.
Engels & Zn., P., Boekhandelaren, loeiden.
Francke, F. P., Kapitein Infanterie, werkzaam aan het Departement
van Oorlog, 's Gravenhage.
Fransen van de Putte, I. D., Lid Eerste Kamer der St aten-Generaal,
's Gravenhage.
Genootschap »Doctrina et Amicitia", Amsterdam.
Glasius, L. J. M., Gep. Majoor. Breda.
Goens, J. H. P. van, Gep. Majoor, 's Gravenhage.
Gorcum & Co., van, Boekhandelaren, Assen.
Graaff, J. J. de, Gep, Kapt. v. h. O. L Leger, Tiel.
Haaff, J. M. van 't. Boekhandelaar, 's Gravenhage. 4 Ex.
Haagsche Boekhandel- & Uitgeversmaatschappij, 's Gravenhage.
Habbema, L. J. H., ie Luit.- Adjudant, Arnhem.
Hansma, L., Boekhandelaar, Assen,
Digitized by
Google
Hardenbroek van 's Heeraartsbers; en Bergambacht, Baron/ an,
Opperkamerheer van H, M. de Koningin^ 's Gravenhage.
Harte, P., Boekhandelaar^ Bergen- op-Zoom.
Hasselbach, W. J. J., ie Luit. ie Regiment Infanterie^ Leeuwarden.
Heeringa, Dr. K., Leeraar aan het Gymnasium^ Schiedam.
Heide, A. E. van der, Luitenant- Kolonel PI, Commandant^ Breda.
Hengel, W. J. van. Boekhandelaar^ Rotterdam.
Hesta, A. L., ic Luitenant Artillerie^ 's Gravenhage.
Heteren, J. H. & G. van, Boekhandelaren^ Amsterdam.
Hoefer, F. A , Gep. Officier der Artillerie^ Hattem.
Hoogstraten & Zn., A. van. Boekhandelaren^ 's Gravenhage. 4 Ex.
Hoogstraten, Firma W. J. van, Boekhatidelaar^ 's Gravenhage.
Hora Siccama, Jhr. Mr. J. H., 's Gravenhage.
Höveker's Boekhandel, Amsterdam. 2 Ex.
Httber, Mr. W. H., Lid van den Raad van State^ 's Gravenhage.
Iterson, G. A. van, Gep, Officier^ 's Gravenhage.
Jager, D. W. de, Luitenant^ Arnhem.
Jonge van Ellemeet, M. W. de, Burgemeester^ Oostkapelle.
Jurling, G., Boekhandelaar^ Kampen. 5 Ex.
Kampen & Zn., P. N. van, Boekhandelaren^ Amsterdam. 2 Ex.
-Kessler, L. W. A., Gep. Majoor O. /. Leger^ Breda.
Kleynhens, A. A., Kapitein- Intendant^ Utrecht.
Knierum, J. H., Boekhandelaar^ Gorinchem.
Kooijker, Firma C., Boekhandelaar^ Leiden.
Kolff & Co., G., Boekhandelaren^ Batavia. 50 Ex.
Kraijenhoff van de Leur, A. R., Majoor^ Arnhem.
Kramer, Mr. J. A., Secretaris- Generaal Departement van Oorloge
's Gravenhage.
Kramer, Dr. F. J. L., Hoogleeraar^ Utrecht.
Kramers & Zn., H. A., Boekhandelaren,, Rotterdam. 3 Ex.
Krijgsschool, Hoogere, 's Gravenhage.
Lange, G. A. de, 's Gravenhage.
Lange, P. de, Boekhandelaar^ Deventer.
Leesgezelschap (Garnizoens), Arnhem.
Leesgezelschap: > Harderwijk en Omstreken", Harderwijk.
Leesgezelschap, (Militair), Dordrecht.
Leeuwen, Dr. J. van. Leeraar //. Burgerschool^ Schiedam.
Limburg Stirum, E. L. Graaf van, Kamerheer en Jagermeester der
Koningin^ 's Gravenhage.
Limburgh, W. J. van. Koopman,^ Rotterdam.
Loosjes, Erven, Boekhandelaren^ Haarlem.
Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde, Leiden.'
Meer, Jac. van der, Boekhandelaar^ Deventer. 4 Ex.
Digitized by VjOOQIC
Meijer & Schaafsroa^ Bf"^ . .taren^ i^eeu warden.
Mensing & Visser, Boekhandelaren^ 's Gravenhage. 2 £x.
Merlen, Jhr. J. B, van, Heemstede.
Middelaar, J., 2e Luitenant ic Regiment Infanterie^ Leeuwarden.
Mierlo, Mr. J. H. van, Oud-Pre$ident der Arrondissements- Rechtbank,
Breda.
Molenaar, P., Boekhandelaar^ Zwolle. 2 Ex.
Mulder, Dr. P. L., Hoogleeraar^ Leiden.
Muller, IC Luitenant Infanterie^ 's Hertogenbosch.
Muller, Johannes, Boekhandelaar^ Amsterdam. 2 Ëx.
Mijs, D. Boekhandelaar^ Tiel. 2 Ex.
Naamen van Eemnes, Mr. A. van, f^oorzitter Eerste Kamer der
Staten- Generaal^ Z wo llerk erspe) .
Neve, W. J. de. Boekhandelaar^ Roterdam.
Nieuwenhuis, P. B., Boekhandelaar^ Breda. 3 Ex.
Nooten, S. & W. N. van. Boekhandelaren^ Schoonhoven.
Nijhoff, Martinus, Boekhandelaar^ 's Gravenhage. 13 Ex.
Offerhaus Lz., Dr. J., Kerkelijk Hoogleeranr^ Leiden.
Ophorst, A. R., Kapitein van den Generalen Staf Helder.
Ophorst, W. D. A., ie Luitenant- Adjudant 4e Regiment Infanterie^
Leiden.
Pape, Mr. C. W. D., 's Gravenhage.
Pesters, Jhr. V, A. de, Kolonel en Adjudant in buitengewonen dienst
van H, M, de Koningin^ 's Gravenhage.
Petit, Louis D., Bibliothecaris van de Maatschappij van Nederland-
sche Letterkunde^ Leiden.
Posthumus, S., Leeraar aan het Gymnasium op Geref Grondslag,
Amsterdam.
Pull, Firma T. D. H., Boekhandelaar, Apeldoorn.
Quack, J. C. H. A., ie Luitenant Infanterie^ Leer aar aan den
Hoofdcursus, Kampen.
Raman, P., Boekhandelaar, Winschoten.
Reehorst, G. S., Leeraar aan het Gymnasium, 's Hertogenbosch.
Reiger, B., Burgemeester, Utrechr.
Reijers, P. H., Boekhandelaar, Utrecht.
Revers, J. P. Boekhandelaar, Dordrecht,
Rutgers van Rozenburg, Jhr. D., 's Gravenhage.
Sander, J. C, Hoofd der Openbare Eerste Tussckenschool, Schiedam.
Schalekamp, van de Grampel & Bakker, Boekhandelaren, Amsterdam.
Scharp de Visser, P. F. C, Middelburg.
Schillemans & van Belkum, Boekhandelaren, Zutphen.
Schröder, Gebr., Boekhandelaren, Amsterdam.
Digitized by
Google
Schwarz, V. J. A., Kapitein Infanterie^ Delft.
Scrinerius, G. J. C, Boekhandelaar^ Utrecht.
Seijn, Dr. G. P., Oud-Leeraar^ 's Gravenhage.
Slothouwer, G. J., Boekhandelaar^ Amersfoort.
Smit, H.. Boekhandelaar^ Edam.
Smits, R. M., Boekhandelaar^ Middelburg.
Snijders, Herman, Leeraar Rijks Hoogere Burgerschool^ Middelburg.
Snijders, W. G. F., Kolonel van den Generalen Staf 's Gravenhage.
Sociëteit, (De nieuwe of Littéraire) . 's Gravenhage.
Spaan, J., ie Luitenant Infanterie^ Gouda.
Spengler, Jhr. A. F. van, ie Luitenant- Adjudant hij het Instructie-
Bataljon^ Kampen.
Spruijt Jr., P., Boekhandelaar^ Helder.
Starink, Firma W. J. G., Boekhandelaar^ Zutphen.
Star Numan, Mr. V. M., Griffier Eerste Kamer der Staten-GeneraaL
's Gravenhage.
Stenfert Kroese & v. d. Zande, Boekhandelaren^ Arnhem. 5 Ex. .
Stockum & Zn., W. P. van. Boekhandelaren^ 's Gravenhage. 13 Ex.
Stoop, Jhr. A. W. P., ie Luitenant der Genie^ Davos-Platz.
Storm Lotz, D. J. P., Boekhandelaar^ Rotterdam.
Swartsenburg, J. T., Boekhandelaar^ Gouda.
Tets, A. van, Ritmeester- Adjudant van H,M. de Koningin^ 's Gravenhage.
Thielen, W. F. van, Gep. Kapitein^ 's Gravenhage.
Verkouteren, H. J. W., Kapitein der Infanterie^ Helder.
Vermande Zonen, Boekhandelaren^ Hoorn. 2 Ex.
Verschuer, Mr. W. A. Baron van, 's Gravenhage.
Voogt, Firma G. G. de, Boekhandelaar^ Breda, 2 Ex.
Vosmaer, W., Kapitein der Artillerie^ Helder.
Waltman Jr. J., Boekhandelaar^ Delft.
Werkhoven, W. G. van. Boekhandelaar^ Harderwijk.
Wessem, H. J. van, Tiel.
Wierda, J. W., Boekhandelaar^ Leiden. 3 Ex.
Winckel, E. G., M^oor- Intendant^ Utrecht.
Wolters, J. B., Boekhandelaar^ Groningen.
Wormser Jr., J. A., Amsterdam.
Wuestman, A. J., Boekhandelaar^ Harderwijk.
Zijnen, Doctor van der Hegge, 's Gravenhage.
Digitized by
Google
Digitized by
Google
Digitized by
Google
Digitized by
Google
Met deze Aflevering is het werk compleet.
tlllllllllilililtlllllllllllMlilMMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIItlllllllllilllllilllllllillllllllliillllllliBaMgWtWIIIIIWIMIIIIIIiÉIIUtlllMyi^ ^ ^.
J -^7 Krijgs- en Geschiedkundige
Beschouwingen
-♦ •* J*"4^^*V
OVEB
I WILLEM DEN DERDE
►
= ►
1672 — 1697.
< =
DOOR
W. J. KNOOP,
in leven Luitenant- Generaal v. h. Nederl. Leger.
Zeventiende Aflevering.
i ►
►
SCHIEDAM,
H. A. M. ROELANTS,
1895.
lAAAAAAAéAiAAAA A.A AAAAAAAAAAAAAAA
D
IIIHIIIIIIIIIIIIIIlllllllllllltlllllllllllllllllllllllllllllllllllimillllllllllllllllllllllllllllllHlllllllllllllllllllllllllllllllllH
Hierbij worden verzonden omslag^en voor de Deelen I — III.
J.. 1 ' .
Digitized by
Google
Digitized by
Google ^
Digitized by
Google
Digitized by
Google
Digitized by
Google